Wollig gespreksstof in en over de Kostverloren.

Als we de pagina over ‘Kostverloren’ van het almachtige internetorakel Wikipedia raadplegen, dan blijkt dat de naam grofweg verklaart kan worden als zijnde een verloren slag (de cost) nabij een vesting. Daarnaast vinden wij op de pagina van het internetmedium twaalf verwijzingen naar buurtschappen, wijken en diverse andere locaties met de naam ‘Kostverloren’. Vijf van deze genoemde plaatsen bevinden zich in de provincie Groningen, waarbij de wijk in de stad Groningen wel de bekendste is. Waarschijnlijk hebben meer plaatsen, streken of essen deze naam ook gekregen, maar zijn ze in verloop van tijd in vergetelheid geraakt. Soms duiken deze namen weer op als er oude kaarten of verhalen verschijnen van een plaats of streek, waarbij enthousiastelingen diep in de geschiedenis weten te wurmen om bepaalde plaatsen, buurtschappen of uitdrukkingen voor het nageslacht te bewaren.

Enkele oude en armtierig ogende bomen in een weiland. Deze bomen maakten echter in het verleden deel uit van een oud bos en later van een oude houtwal ten zuiden van de schapendrift.

In het gebied dat ten noordwesten van het voormalig esgehucht de Zulte lag, bevond zich eveneens een gebied dat de naam ‘Kostverloren’ droeg. Het was een gebied op een es waar zowel hakbossen, bouwlanden en weilanden aanwezig waren. Daarnaast bevond zich hier ook de schapendrift van gemeenschappelijke schaapskudde van het esgehucht, die de voormalige schaapskooi met het immens groot en uitgestrekt heideveld dat ten westen van de Zulte lag, verbond.

De laatste restanten van het grote bos dat eens ten noorden van de schapendrift lag. Het zijn nog slechts enkele zomereiken die hier staan en gezien de plannen voor woningbouw in dit uniek gebied, hebben zij ook hun langste tijd hier gehad.

De schapendrift werd omstreeks 1832 in de archieven van het Kadaster omschreven als zijnde een groene weg  met het nummer I-257bis en was eigendom van de Markgenoten in de Zulte. Markgenoten, ook wel een markgenootschap genoemd, was een middeleeuwse organisatie van het grondeigendom ten gunste van velen. De markgenoten waren gezamenlijk eigenaar van een zogenaamde mark, velden en weiden in een bepaald gebied. Het mark werd bestuurd door een voogd, een zogenaamde markgenoot.

De huidige situatie waar eens de schapendrift lag vanuit de lucht gezien. Boven de zomereiken en iets lager van noord naar zuid de andere bomen.

Vrijwel de gehele es met de naam Kostverloren en de zuidelijk gelegen aangrenzende percelen waren in het bezit van de in Roden woonachtige landbouwer Jannes (Jannus) Hindriks Winsingh en naar alle waarschijnlijkheid zal de landbouwer tijdens zijn volwassen leven ook de voogd, de markgenoot dus, van het perceel geweest zijn. Het zuidelijk van de schapendrift gelegen gebied droeg in het verleden de naam ‘Hop- of Hoppenkamp’ en bestond vooral uit bossen en bouwlanden. Lees meer hierover in het artikel Hop in de Zulte.

Door het gebruik te maken van de ondergrondgegevens van het Algemeen Hoogtebestand Nederland kunnen wij vandaag de dag nog steeds de sporen zien die de schapen na honderden jaren in de grond hebben achtergelaten.

Hoe raar het ook moge klinken, veel van de oude geschiedenis is met een beetje kennis van het gebied snel terug te vinden. Zo zijn we in staat om met moderne technieken de sporen uit het verleden in de ondergrond te herleiden naar bijvoorbeeld de voormalige schapendrift, waar de schapen bijna tweehonderd jaar geleden hun sporen achterlieten vanuit de schaapskooi richting het heideveld. Of de oude zomereiken langs de sloot in het weiland, waar eens een groot bos aan de schapendrift grensde.

De situatie in de Zulte rond het jaar 1820. Van de vele bossen die zich in de omgeving van de schapendrift bevinden zal slechts het noordelijk gelegen bos het nog honderd jaar volhouden voordat deze ook gekapt werd om plaats te maken voor weiland.

Enkele andere oude bomen die zuidelijk van de zomereiken staan zijn restanten van een ander oud bos en hebben als een houtwal gediend. Deze bomenrij is net zoals de voorheen genoemde houtwalrestanten terug te voeren naar oude kaarten waarop de plaatsen te zien zijn waar ze eens stonden.

Op de Kadastrale kaart uit 1832 is de schaapskooi te zien en lijkt op een klein schuurtje nabij het omgelegde stroompje de Zulter Bitse in de nieuwe weg naar Roden op het perceel I-282. Het perceel werd omschreven als een weiland en was eigendom van de Kindren van Floris Aukema. (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort)

Nabij de schapendrift bevond zich tot ongeveer het jaar 1830 eveneens een vrijstaande schaapskooi, waarin tussen de 80 en 130 dieren van de plaatselijke schaapskudde onderdak vonden. De schaapskooi in de Zulte was waarschijnlijk een zogenaamde potstal en diende als onderkomen voor de schapen die de ruige heidegronden in de omgeving begraasden. In de schaapskooi werden heideplaggen neergelegd waarop de schapen vervolgens lagen. Ook deden de dieren hun behoefte op de plaggen en doordat de dieren door de schaapskooi liepen, vermengde de mest zich met de heideplaggen. De ontstaande mest was zeer vruchtbaar en werd na het leeg maken van de stal verdeeld over de akkers in het voormalig esgehucht.

De voormalige schaapskooi die in het noorden van het voormalig esgehucht de Zulte lag, zou er zo uitgezien kunnen hebben zoals op de bovenstaande afbeelding. Vermoedelijk stamde het gebouwtje uit de zeventiende eeuw.

De schapen die de kudde vormden in de Zulte behoorden tot het ras ‘Drentse heideschaap’, een klein en tenger schaap dat wordt gezien als het oudste schapenras in West-Europa. Het sobere en sterke dier was vanwege zijn eigenschappen uitermate geschikt voor de begrazing van arme, onvruchtbare en ruige heidegronden die in de wijde omgeving van het voormalig esgehucht lagen. De schapen werden gehoed door scheper Jan Harms Hummel en zijn honden, die tot ongeveer 1830 schaapherder van de kudde van het gehucht bleef.

Een driedimensionale impressie van hoe de schaapskooi er aan het einde van de achttiende of begin van de negentiende eeuw eruit zou hebben kunnen gezien. Zoals bij veel schaapskooien in het Drents Landschap het geval was, waren de muren van hout en bestond het dak uit riet.

Jan Harms was op zondag 9 september 1792 in het Groningse Zevenhuizen geboren en huwde als 25-jarige jongeman op zaterdag 15 mei 1818 de toen 21-jarige dienstmaagd en inmiddels zwangere Aaltje Harms. Aaltje, die ook wel Aaltien genoemd werd, was dochter van Harm Lammerts en Jantje Knellis. Lammerts woonde op de hoek van de Boschkampe en de nieuwe weg naar Roden. Het gedeelte waar de Lammerts woonde, werd ‘Elzenkamp’ genoemd en zal zijn naam te danken hebben aan de vele zwarte elzen (Alnus glutinosa), die hier welig in grote bossen hebben gegroeid. Later zou de familie Lammerts de achternaam Kroon aannemen.

Als we de Kadastrale kaart uit 1832 er nogmaals bij pakken zien we de twee roodomrande percelen (I-298 en I-299) waar Harm Lammerts en zijn gezin woonde, naast het punt waar de weg uit de Boschkampe op de nieuwe weg naar Roden uitkomt. Deze plaats werd in het verleden ‘Elzenkamp’ genoemd. In de archieven wordt Harm Lammerts als Harm Lammers omschreven. (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort)

Het was rond die tijd al bekend dat schapen voor een betere bemesting van de akkers en graslanden zorgden dan rundvee. Men wist al dat schapenmest zich beter verspreidde over het weiland dan de mest van koeien. De mest van schapen verbindt zich beter met de grond en verteerd niet door de werking van zuurstof, dit in tegenstelling tot koemest, dat in het eerste jaar het gras weg bijt, in het tweede jaar voor gele vlekken in het gras zorgt waar het vee bij wegblijft en in het derde jaar is uitgewerkt. Daarnaast zou door het afgrazen door schapen gecombineerd met hun mest, er gras gaat groeien van een betere kwaliteit. Echter, aan het bemesten van weilanden door er schapen op te houden bracht een groot nadeel met zich mee, als er een ziek schaap tussen loopt kan een ziekte eenvoudig verspreid worden.

Drentse heideschapen. De bovenstaande dieren behoren tot de schaapskudde van Exloo en zijn gefotografeerd op 9 januari 2018. Voor meer informatie: de schaapskudde Exloo.

Niet alleen zorgden de schapen voor een betere bemesting van de graslanden dan de runderen het deden, maar naar verhouding brachten zij ook nog eens mee mest op het land. Tel daar bij op dat een schaap goedkoper was in de aanschaf dan een koe en in de belastingen, dan wist een boer het wel. De belasting die men voor een enkele koe moest betalen vanaf het jaar 1808 bedroeg twee stuivers. Hetzelfde bedrag moest een boer ook betalen voor acht schapen, dus op het gebied van het bemesten was een schaap goedkoper dan een koe. De twee stuivers belasting voor de schapen diende de eigenaar voor het einde van de maand september voldaan te hebben.

Op de vroege ochtend van dinsdag 9 januari 2018 begon de schaapskudde van Exloo aan de tocht richting het heideveld dwars door het dorp. Zou het er ook rond 1823 in de Zulte hebben uitgezien toen Jan Harms Hummel met zijn kudde naar de immens grote heidevelden trok?

Nu was het hoeden van schapen op het heideveld niet even een klusje, waarbij je een schaapherder met zijn honden en de kudde de heide op liet en dan zijn gang kon gaan. Nee, het was haast een landbouwkundige wetenschap geworden vanaf de jaren twintig in de negentiende eeuw. Er zaten natuurlijk de nodige haken en ogen aan het laten weiden van schapen op een heideveld en de kans bestond dat de dier ziek werden op het altijd vochtige en soms zeer natte heideveld ten westen van het buurtschap.

Door zijn compacte lichaamsbouw oogt het Drentse heideschaap niet erg groot en zijn het aantal dieren in een kudde vaak meer dan je op het eerste gezicht zou verwachten.

Wilde men de stukken van het heideveld waar de schapen graasden voor de dieren geschikt maken en het grazen veilig was, dan diende men er voor te zorgen dat er voldoende greppels aanwezig waren en het overtollige regenwater afgevoerd kon worden. Het van het water afvoeren voorkwam niet alleen dat de grond nog meer verzuurde, maar ook dat de dieren die graag in de lager gelegen gedeelten en bij poeltjes verblijven, niet ‘gallig’ werden en daaraan stierven.(1)

De schaapskudde van Exloo is inmiddels op het grote heideveld aangekomen. Als de dieren zo staan en nog niet bijeen gedreven zijn. is goed te zien dat de kudde in 2018 door veel exemplaren gevormd werd.

De galligheid werd ook wel ‘bot in den lever’ genoemd en werd veroorzaakt door een parasiet (Fasciola hepatica) die vooral de lever en de galwegen aantastte. Deze parasitaire platworm heeft de leverbotslak (Galba truncatula) nodig als tussengastheer en het slakje bevindt zich naast in ondiep stilstaand water maar ook op natte, vochtige weides en glooiende overgangen tussen natte en droge gebieden. Daarnaast kunnen de slakjes een lange periode van droogte overleven waardoor de kans op besmetting lange tijd blijft bestaan. Een besmetting van een schaap vindt plaats wanneer het dier tijdens het grazen bijvoorbeeld besmet gras of slakjes binnenkrijgt.

Met een beetje fantasie zou je de Drentse heideschapen uit de kudde van Jan Harms Hummel nog door het gebied rondom de Zulte kunnen horen én ruiken terwijl ze onderweg zijn naar het perceel heide ten noorden van de Toutenburgsingel. Dit perceel droeg in 1832 het kadastraal nummer K-210 en behoorde toe aan de markgenoten van Roden.

De ongeveer vier tot vijf meter brede en vermoedelijk uit de zeventiende eeuw stammende schaapskooi, zal een lengte van zo’n tien meter hebben gehad. Nadat de nieuwe weg naar Roden rond 1825 was aangelegd moest de scheper nu met zijn schaapskudde door het stroompje heen om de schapendrift te kunnen bereiken.  Waarschijnlijk zal het gebouwtje de functie van een schaapskooi na 1830 niet meer hebben vervuld en is hierdoor dan ook in verval geraakt. De voormalige schaapskooi is op de Kadastrale kaart uit 1832 afgebeeld als een schuurtje in een weiland.

De plaats waar in het verleden de Zulter Bitse liep en deze gedempt werd voor de aanleg van de nieuwe weg, ligt vandaag de dag de oprit naar een woning. Blijkbaar is het dempen niet goed gedaan en verzakt de bestrating keer op keer.

Had de schaapskooi nog het geluk dat deze niet verdween door de aanleg van de nieuwe weg naar Roden, voor het stroompje dat door het esgehucht liep veranderde echter wel behoorlijk veel. Destijds dacht men er niet over om een milieueffectrapportage procedure te starten of om de omwonenden te vragen wat zij ervan vonden. Nee, daar stond men aan het begin van de negentiende eeuw niet bij stil. De gevolgen bleven dan ook niet uit. Zowel op de plaats waar de Zulter Bitse van oorsprong eerst stroomde en locatie waar het stroompje later langs geleid werd, zijn vandaag de dag nog steeds de weer terugkerende verzakkingen duidelijk zichtbaar in de bestrating van de stoep en de asfalt van de huidige weg de Zulthe.

De plaats in de weg waar de Zulter Bitse in het midden van de jaren twintig in de negentiende eeuw kwam te liggen. Ook hier zal waarschijnlijk na het dempen van het stroompje de ondergrond niet goed behandeld zijn en daardoor verzakt de weg steeds weer.

In een advertentie die in juni van het jaar 1932 in het Nieuwsblad van het Noorden verscheen, stond er een een paar zinnen van de heer Deodatus waarin hij aangeeft dat het gras van 4 percelen, voor een goede prijs te koop staat. Deze percelen lagen (of eigenlijk liggen ze er nog zolang het duurt) naast het huis van de familie Deodatus en geven aan waar de oude es ‘Kostverloren‘ ligt. Op deze locatie staat nu woningbouw in de planning en zal voor altijd verloren zijn.

Een gedeelte uit een advertentie die verscheen in het Nieuwsblad van het Noorden van zaterdag 18 juni 1932 waarin de heer R. Deodatus Pzn. aangeeft, vier percelen met gras te willen verkopen naast het huis aan de Zulte en het daarnaast gelegen Kostverloren (bron: Nieuwsblad van het Noorden zaterdag 18 juni 1932 vijfde blad, pagina 19).

(1) Beknopte schets van den Landbouw in min vruchtbare streken. J. H. van Wolda, Instituteur aan de Kweekschool voor den Landbouw der Maatschappij van Weldadigheid, te Wateren. Uitgegeven te Groningen door J. Oomkes, 1841.

Hop in de Zulte.

Streek- of veldnamen rondom het oude esgehucht de Zulte zullen doorgaans ontstaan zijn door het gebruik, de samenstelling, een gebeurtenis of de eigenaar van een bepaald gebied. Een mooi voorbeeld hiervan is omgeving van het gebied ten noorden van de Zulte nabij de Turfweg dat nog steeds ‘Dobben’ genoemd wordt. In dit specifiek gebied kwam veel kwelwater voor, waardoor er hier veel kleine poelen waren gevormd. Zo’n poel kreeg in de volksmond de naam ‘Dobbe’. Aan de omliggende gebieden zoals bijvoorbeeld de zuidelijk gelegen es werd vervolgens de naam van de streek ontleend en kreeg deze de naam ‘De Dobber Esch’ en de aangrenzende percelen bouwland werden ‘De Dobben Kampen’ genoemd. De naam ‘Kampen’ is afkomstig van het Drentse woord ‘Kamp’ en staat voor een al dan niet omheind perceel land of weiland.

Hop (Humulus lupulus). Een klimplant die met enige regelmaat in de omgeving van het Drentse dorp Roden aangetroffen wordt op bomen die zich op onder andere op houtwallen bevinden. Met name in de beekdal- en potkleigebieden komt de plant veelvuldig voor. Of deze plant een afstammeling is van de hopplanten die in het verleden hier verbouwd werden durf ik niet te zeggen, maar de plant groeit wel op de plaats waar de hopteelt plaatsvond.

In het noordwesten van het toenmalige esgehucht ten zuiden van de schapendrift nabij de es met de naam ‘Kostverloren’, bevonden zich ook een aantal bouwlanden waar naar alle waarschijnlijkheid op één en wellicht op meerdere percelen hop (Humulus lupulus) verbouwd werd. De teelt van hop was in de zeventiende en achttiende eeuw in het noorden van Drenthe zeer veel voorkomend en kwam dus ook in de Zulte voor. De hopteelt werd gekenmerkt door haar kleinschaligheid en kwam voor als nevengewas op kleine percelen, die doorgaans omheind met een haag of houtwal. Het gebied rondom de bouwlanden waar men de hop destijds verbouwde werd dan ook tot in de achttiende eeuw ‘Hoppecamp’ genoemd, dat later verbasterde naar ‘Hopkamp’ of ‘Hoppenkamp’.

Op de kadastrale kaart uit 1832 die door de landmeter der eerste klasse A. C. Meijer werd opgemeten, zijn de percelen bouwland van Jannus Winsingh rood omlijnd. Het betreft hier de percelen I-241, I-250, I-251 en I-252, waarbij het perceel I-252 niet als klasse 1 zoals de andere percelen, maar als klasse 2 werd ingedeeld en daardoor in tarief 2 viel. Door de lagere klasse hoefde de eigenaar minder belasting voor het perceel af te dragen. (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort)

De hopteelt werd weliswaar als een nevengewas aangeplant en geoogst, maar als het goed werd aangepakt, kon dit hoogwaardig gewas zeer lucratief zijn waarop zeer ruime marges te behalen waren. Echter, om de hopteelt winstgevend te maken waren de nodige investeringen broodnodig. Het aanleggen van een hopveld koste het nodige en om de planten goed te laten groeien was er veel mest nodig. Daarnaast was de hopteelt zeer arbeidsintensief vanwege het onderhoud en het handmatig plukken van de hopbellen. Ook de gevoeligheid van de plant voor ziekten zoals meeldauw (Erysiphe graminis) en plagen die veroorzaakt werden door onder andere de hopluis (Phorodon humuli) of een zware onweersbui met hagel en harde windstoten, die een hele oogst kon vernietigen.

Een rank van een hopplant waaraan zich de zogenaamde ‘hopbellen’ bevinden. Zo’n rank kan gemakkelijk in een jaar tijd vier meter lang worden. De wilde hop kwam en komt nog steeds van nature voor in de wijde omgeving van Roden. De kwaliteit was echter veel minder dan de gecultiveerde hop en werd daarom zelden gebruikt. Voor de arme plattelandsbevolking was het oogsten van de hopbellen blijkbaar lonend en werden ze na de pluk voor een habbekrats verkocht aan lokale dorpsbrouwers zoals Thyle Geerts Krythe in Roden. (Bron: Nieuwe hoop voor de Nederhop? Ondergang en opleving van de hopteelt in Nederland door Kees Volkers en Chris Kik. Tijdschrift voor Historische Geografie, 1e jaargang 2016, nummer 3.)

Het was dus voor de eigenaar een behoorlijke investering om er voor te zorgen dat de hopplanten het goed deden en naast de hierboven genoemde risico’s , moest hij ook nog eens het kwalitatief  beste bouwland gebruiken voor de teelt van de planten. Destijds sprak men in Drenthe niet van het aantal planten dat men verbouwde, maar eerder van een ‘hoppekuil’ of ‘hoppekoel. Een hoppekuil is niets meer dan een met mest of huiselijk afval gevulde kuil die aangeaard werd en waar men 3 of 4 palen van een meter of vijf in een vorm van een wigwam tegen elkaar aan zette. De hop is een snelgroeiende klimplant waarvan de ranken met gemak meer dan vier meter per jaar kunnen groeien.

Was het dorp Peize rond het jaar 1650 de grootste leverancier van de hop in het noorden van Drenthe met maar liefst 86.500 zogenaamde hoppekuilen, Roden was in dat jaar een keurige tweede met een slordige 23.400 hoppekoelen. Het dorp Eelde volgde als derde met een aantal van 22.500.

De vrouwelijke vruchten van de hop, de zogenaamde hopbellen, die lupuline bevatten en daarom één van de belangrijkste grondstoffen voor bier vormen.

Naar alle waarschijnlijkheid zullen de geoogste hopvruchten, de zogenaamde hopbellen, vanuit de Zulte naar het dorp Roden gebracht zijn waar zich een bierbrouwerij bevond. Bijna elk dorp in Drenthe had destijds ook wel een eigen brouwerij waar de lokaal geteelde hop gebruikt werd voor de bierproductie. Zo kwam de herbergier Thyle Geerts Krythe in het Haardstedengeldregister van Rhoden uit 1804 voor als brouwer, die in het bezit was van 2 paarden en daarom voor het bedrag van 3 gulden werd aangeslagen.

De hopteelt vond in veel kleine buurtschappen en gehuchten rondom Roden tot ongeveer het begin van de achttiende eeuw plaats, tot de vraag naar bier begon af te nemen door de komst van onder andere koffie, thee en sterke drank (jenever). Daarnaast speelde ook de steeds slechter wordende kwaliteit van de hop een grote rol. Door het slecht plukken van de hopbellen kwamen er veel  steeltjes en bladeren mee, iets wat de kwaliteit van het bier zeker niet verbeterde.

Het huidige gebied langs de Zulthe waar zich in het verleden de Hoppecamp bevond op een luchtfoto uit 2012. (Bron: Topotijdreis.nl)

Meer weten op de hopteelt in het noorden van Drenthe?

Feiten over hop

Hop