Het Tilkaampie

Toen aan het einde van de jaren zestig tijdens de twintigste eeuw door de toenmalige gemeente Roden besloten werd om aan de algemene woningbouwvereniging Roden bijna 6500 m2 bouwterrein te verkopen om de bouw van 33 woningwetwoningen te kunnen realiseren nabij het voormalige esgehucht de Zulte, had het project inmiddels van een ijverige ambtenaar binnen de gemeente de naam ‘Plan Tilkamp’ gekregen. De naam had men ‘geleend’ van de boerderij uit 1908 die ten westen van het grote bouwterrein lag en in het bezit was van landbouwer Wiebe Roelof Brink, die hier met zijn gezin woonde. De naam van de boerderij was zelfs zo leidend, dat de directiekeet van Koops’ bouwbedrijf uit Wijster waar uitvoerder J. Lammerts de scepter zwaaide en bereikbaar was op het telefoonnummer 05908-8897, ‘Tilkamp’ werd genoemd.

Een advertentie uit het begin van de jaren zeventig waarin het bouwbedrijf Koops personeel zoekt en deze zich kunnen melden bij de directiekeet (afbeelding: Nieuwsblad van het Noorden waarin opgenomen de Provinciale Groninger Courant, welke is opgericht in 1787, 84ste jaargang, no. 26, Maandag februari 1971, pagina 10).

De grootvader van Wiebe Roelof, Roelof Brink, had in het jaar 1908 de boerderij laten ontwerpen door de Nietapster architect H. C. Hillebrands met het idee dat een van zijn twee zonen hier in de toekomst zou gaan wonen. Roelof senior woonde destijds met zijn vrouw en kinderen in de boerderij waar nu het notariskantoor VelemaRijks gevestigd is aan de Zulthe 1. Op woensdag 1 juli 1908 was het zover en verscheen de eerste advertentie in Nieuwsblad van het Noorden met de aanbesteding van het nog te bouwen huis en opgesteld was door de in Nietap woonachtige architect.

De advertentie van de Nietapster Architect H. C. Hillebrands verscheen vier dagen later voor een tweede maal in het Nieuwsblad van het Noorden (afbeelding: Nieuwsblad van het Noorden, zondag 5 juli 1908, pagina 12, 21ste jaargang No. 157).

Op de donderdag 9 juli in het jaar 1908 om vier uur ’s middags had in het café van R. v. d. Molen in Roden de aanbesteding plaats voor de bouw van de boerderij en waren er maar liefst 26 biljetten ingeleverd, waarbij G. S. Noteboom uit Opende als duurste de bouw voor 7200 gulden wilde doen en de uit Hoogezand afkomstige bouwer P. v. Dijken dacht de klus voor een slordige 5247 guldens te kunnen klaren. Waarschijnlijk zal van Dijken de klus hebben gekregen, daar zijn aanbesteding het goedkoopste was.

Twee dagen na de aanbesteding verscheen het bovenstaande in de krant van zaterdag 11 juli 1908. De architect en de boer hadden keuze genoeg om een bouwer te kunnen kiezen (afbeelding: Nieuwsblad van het Noorden, zaterdag 11 juli 1908, pagina 3 21ste Jaargang, No. 162. pag. 3).

In het begin van de maand november in het jaar 1908 was de nieuwe behuizing en de grote schuur afgebouwd. Naar alle waarschijnlijkheid verliep het voor de bouwer een stuk minder gunstig af dan voor boer Roelof Brink, getuige de advertentie in de krant die op dinsdag 10 november van dat jaar verscheen en geplaatst was door de deurwaarder W. Roeterdink. In de advertentie staat dat er de volgende dag, woensdag 11 november, ’s middags vanaf twee uur een heleboel goederen tegen contant geld publiek verkocht gaan worden. Veel van de voorwerpen die aangeboden worden, doen vermoeden dat het hier om een bouwfirma gaat.

De advertentie van deurwaarder W. Roeterdink in het Nieuwsblad van het Noorden waarin hij voornemens is een grote partij bouwmiddelen, machines, etc. publiekelijk te gaan verkopen (afbeelding: Nieuwsblad van het Noorden, dinsdag 10 november 1908 pag. 6 21ste Jaargang. No. 265).

De nieuwe boerderij van Roelof Brink was zo gebouwd, dat de inrit naar de woning en de schuur van de weg de Zulte kwam en niet achterlangs, waar eens de oude weg richting de boerderij Vogelsang had gelegen. Een nadeel was echter dat door het aanleggen van de inrit, een boom van de gemeente Roden hinderlijk in de weg stond. Boer Brink liet het hier niet bij zitten en vroeg vervolgens aan bij de gemeente dat de boom gekapt kon worden. In de raadsvergadering van vrijdag 27 november 1908 werd besloten dat de boom gekapt ging worden.

Het bericht in de krant van maandag 30 november 1908 waarin het besluit om de boom die boer Brink in de weg staat, mag worden gekapt. (advertentie: Provinciale Drentsche en Asser courant, maandag 30 november 1908, pagina 13, 85ste Jaargang, No. 881).

Langs de weg stonden niet alleen veel oude zomereiken, er lagen ook een aantal sloten. Een van die sloten liep voorbij de nieuw aangelegde boerderij en in plaats van een buis te plaatsen en er een doorgang naar de ingang van het woonhuis te maken zoals dit bij de inrit was gebeurd, werd er een betonnen brug over de sloot gelegd. Zo’n bruggetje werd in de volksmond ook wel een ‘til’ genoemd. De brug voerde vervolgens naar het grondstuk van de eigenaar, dat ook wel een ‘kamp’ of ‘kaamp’ in het hier gesproken dialect genoemd werd. Waarschijnlijk is het huis zo aan zijn naam gekomen.

Het betonnen bruggetje voor de boerderij de Tilkamp aan de Zulthe. Dit bruggetje is door de huidige bewoner in ere hersteld en prijkt nu trots voor het woonhuis.

Hoe dan ook, de boerderij was tot op het moment dat er omheen huizen werden gebouwd, een kenmerkend punt in de omgeving en iedereen kende boer Wiebe en later zijn Roelof die het boerenbedrijf overnam en later aan de Meerweg nabij Nietap voort heeft gezet.

De huidige woning vanuit het noorden richting het zuiden gezien. Op de achtergrond is het huis te zien waar destijds Egberdina de Vries-Brink woonde in de Zulte.

Tegenwoordig is de functie van boerderij verdwenen en is het een prachtig woonhuis geworden waar je voor een prikkie kakelverse eieren kunt kopen. Hoe dank ook, het is één van de kenmerkende punten in de Zulte geworden en ik hoop dat het dit nog heel lang zo blijft.

De opschrift op de boerderij met de naam ‘Tilkamp’.

Over ossenkracht en voedermaïs.

Vloekend en tierend joeg de landarbeider de twee slome trekossen over een akker in de omgeving van het voormalig esgehucht de Zulte. De rottende heideplaggen, die hier al een poos lagen nadat ze gestoken waren, dienden als bemesting voor de bodem en dienden daarom ondergeploegd te worden. Een zware klus voor de trekossen daar niet alleen de heideplaggen kleiig waren, de ondergrond was eveneens zwaar te bewerken door de aanwezigheid van de kleverige keileem en hier en daar kwam zelfs de stugge potklei aan de oppervlakte. Nee, het ontginnen van de heide om er goede landbouwgrond van te maken, had in het verleden veel voeten in de aarde nodig gehad om dit voor elkaar te krijgen.

Dat de ondergrond in de wijde omgeving van het esgehucht nogal kon verschillen, was al bij de vroege bewoners in het gebied bekend. De zanderige en vruchtbare essen, de grote bossen die zowel op zand als op de keileem stonden en de lagere delen waar de zware, taaie potklei en de stugge, kleverige keileem zorgden voor drassige en natte gebieden. Al vroeg ontdekte men ook de voordelen van de natte gebieden en verschenen er Cisterciënzer monniken in hun kenmerkende grijze pijen, die afkomstig waren uit de St. Bernardusabdij te Aduard en stichten de uithof ter Helle, waarna zij turf en klei begonnen te winnen.

De cisterciënzer monniken in hun kenmerkende grijze pijen aan het werk in de natte, venige gebieden rondom de Zulte. Met name nabij Terheijl en Roderwolde bij het Leekstermeer (Monniken aan het turfsteken. Schilderij van Geert Schreuder. Foto Veenkoloniaal Museum Veendam. bron: Uithof ter Helle).

Tegen het einde van de middeleeuwen, zo ongeveer in de vijftiende eeuw, waren op de hoger gelegen essen in de Zulte al de nodige boerderijen en bouwlanden gemaakt door de eerste boeren. Zij vormden de eerste akkers op de hoger gelegen essen, die door hun zanderige ondergrond redelijk eenvoudig te bewerken waren. Inmiddels waren de monniken in de uithof ook niet meer die hardwerkende mannen in lange, zware pijen aan boetedoening deden, maar was de vertegenwoordiger van het klooster net als de adel en de rijke boeren, ook een grootgrondbezitter geworden en verkreeg inkomen door het verpachten van grond. De uithof werd dan ook als zodanig aangeslagen door het kerspel Roden op de schattingslijst van 1546 vermeld als: ‘Dat tichgelwerck yn dye Hell ende zijn heerschup de monnick’.

Het ploegen met trekossen afgebeeld op het kalenderblad voor de maand maart uit het kleurrijke boek ‘Les Très Riches Heures du duc de Berry’ uit het jaar 1410. De ploeg op de afbeelding lijkt op de ploegen die destijds in onze omgeving werden gebruikt (bron: Wikipedia).

Om gebruik te kunnen maken van de vruchtbare bodem op de essen, moest er nogal wat gebeuren om het een en ander te gebeuren om de ontginning in gang te zetten. Bomen dienden gekapt en gerooid te worden, de heide moest worden afgeplagd. Vooral daar waar zich heide op een kleiige ondergrond bevond, was het afsteken van de plaggen zwaar werk. Waren de plaggen afgestoken, dan werden deze op elkaar gelegd en liet men ze ongeveer een anderhalf jaar liggen. Door dat de plaggen op elkaar lagen, begonnen ze te broeien en waren ze geschikt om als bemesting te dienen. Vervolgens kwam de zogenaamde ‘osseknecht’ met de twee trekossen en de ploeg om het geheel onder de grond te werken. Iets wat in de omgeving van de Zulte nog in 1810 gebeurde.

Een zogenaamde voor, een door ploegen ontstaande groef in de bodem. Eerst gebeurde dit in de Zulte door twee trage trekossen, later door sneller werkende paarden en tegenwoordig met een dikke tractor voor de ploeg,

In het Magazijn van Vaderlandschen Landbouw, deel 6 uit het jaar 1810, doet de heer Jan Kops in hoofdstuk 12 op de pagina’s 171 en 172 verslag van een onderzoek door de verschillende commissies van landbouw in het Koningrijk Holland over het nut van het gebruik van trekossen in plaats van paarden in de landbouw: ‘De Commissie van Landbouw in Drenthe, heeft tenduidelijkste aangetoond, dat de Werk- en Trekossen, voor dat Departement niet aanteraden en zelfs nadeelig zouden zijn, zijnde het verslag dezer Commissie, als volgt: Vooreerst, dat in dit Departement geen Trek-ossen gebruikt worden, dan op den Huíze Ter Heyl, toebehoorende aan Mevrouw de Wed. de Lille, terwijl de Heer Mr. P. Hofstede dezelve bereids sinds eenige Jaren heeft afgeschaft, en dat wy van wegen de Osse-knechten, welke bij de zelve Trek-ossen gediend hebben, onderrigt zijn, dat de Trek-ossen bij den Akkerbouw den voorrang zouden verdienen boven de Paarden; bij aankoop naar evenredigheid minder zouden kosten; bij verkoop na eenige jaren dienstbaarheid evenredig meerder opbrengen, en minder voeder zouden noodig hebben, dan de Paarden, welke daarentegen geschikter zouden zijn voor het Transport. Ten tweede, dat wij, als niet door ondervinding bekend met de voordeelige eigenschappen, welke de Heer Ten Cate, en met hem de genoemde Osse-knechten, aan de Trek-ossen toeschrijven ‚ ons buiten staat bevinden, om door vergelíjking derzelve tegen die der Paarden, een besluit optemaken, welk meer dan louter speculatief zoude zijn; doch dat het ons is voor gekomen, dat het gebruik van Trek-ossen tot den Landbouw, in plaats van Paarden‚ voor den Drentschen Landbouw en het Rijk niet voordeelig zijn zoude’. 1

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is ossen004-1.jpg
De zogenaamde Drentse stelploeg. Deze ploeg werd vooral in het Noorden van Drenthe gebruikt om het land te ploegen (Afbeelding: Dr. C.C.W.J. Hijszeler: Boerenvoortvaring in de oude landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe. De tekeningen werden vervaardigd door de J. Witpaard te Meppel en N. Overdiep te Groningen. Uitgegeven te Assen bij Van Gorcum & Comp. N.V. (G.A. Hak & H.J. Prakke) (MCMXL)).

Nadat de restanten van de heideplaggen behoorlijk waren omgeploegd, werd het ontgonnen bouwland geschikt gemaakt voor gebruik en zaaide men in het eerste jaar rogge in de grond. Na de daarop volgende oogst van de rogge, die men naar de molen ten zuiden van het dorp Roden bracht om daar tot meel gemalen te worden, werd direct weer begonnen met ploegen. Dit deed men om de akker geschikt te maken voor winterrogge.

Het zogenaamde ‘vaalg’n’ heeft hier al plaats gevonden. De akker is ondiep omgeploegd en de stoppels zijn grotendeels onder de aarde terecht gekomen.

Het stoppelland werd eerst ondiep geploegd, in de omgeving van de Zulte noemde men dit ‘vaalg’n’ (het land zwart maken d.w.z. dat je alleen maar zwarte grond op de akker zag). Dit gebeurde door middel van brede voren, waarbij niet het hele land werd omgeploegd maar wel de grond over de stoppels kwam te liggen. De voren, de ploegsporen dus, bleven open liggen. Het werk moest dan voor de laatste donderdag in augustus klaar zijn, “’k Heb ’t laand klaor ligg’n”, zei de Zulter boer dan.

De stelploeg en zijn onderdelen: a). ramshor’n, b). ’t halve gat, c). de klaver, d). de klöp, e). touhamer, f). de spaon, g). ’t ater, h). de ket (Afbeelding: Dr. C.C.W.J. Hijszeler: Boerenvoortvaring in de oude landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe. De tekeningen werden vervaardigd door de J. Witpaard te Meppel en N. Overdiep te Groningen. Uitgegeven te Assen bij Van Gorcum & Comp. N.V. (G.A. Hak & H.J. Prakke) (MCMXL)).

Na een week of twee tot drie bleef de akker zo liggen en als het weer meewerkte, kon de grond goed uitdrogen en de stoppels verrotten. ’t Laand wordt d’r mul (rul, los) van zei men dan. Vervolgens ging men het land slichten met een eg, of zoals men in de Zulte zei: ”’t laand slicht’n met ’n aaide”. Het eggen werd in de wijde omgeving van het dorp Roden ook wel ‘aaiden’ genoemd. Voor het slichten gebruikte de boer een grote, zware eg, de oseege of osaaide. Wellicht herinnert de naam nog aan het feit, dat hier in Noord-Drenthe ossen als trekdieren werden gebruikt. Het was zogenaamde viefbalks aaide (vijfbalks eg), van hout en met lange, ijzeren tanden. De grond werd door deze eg goed verkruimeld en schoon gemaakt. Was de eg nog niet zwaar genoeg, dan legde men er een zware paal of iets anders zoals zwerfstenen op.

Tegenwoordig gaat het eggen mechanisch met een forse trekker en een metalen eg, maar het effect blijft hetzelfde als voor tweehonderd jaren geleden, het gaat echter veel sneller dan toen.

Had men de akker slicht gemaakt, dan werd er bemest met stal- of schapenmest, die met een wagen op het land werd gereden. De bemesting was in vroeger tijden behoorlijk armelijk. Om het volume van de hoeveelheid mest toch maar te vergroten, werd de mest telkens in de stal met zand en (heide)plaggen vermengd. Het is dus ook niet verwonderlijk, dat er in vergelijking met vandaag de dag zodoende weinig wilde groeien. De schapenmest werd eerst met n messlep in vierkante stukken gestoken. Zo’n vierkant stuk schapenmest noemde men ’n bol. De stal- en schaopmest werd met de vork (een drie- of viertandigevork) op de wagen geladen, het zogenaamde mestlaod’n.

De eg, of aaide zoals deze in de omgeving van Roden werd genoemd. a). bovenzijde van de grote Drentse eg, b). onderzijde van de grote Drentse eg, c). voor het veurtrekk’n en de roagge inschraankel’n gebruikte men twee kleine eggen, die naast, doch schuin achter elkaar liepen, zodat er tussen de beide geëgde strooken geen strook ongeëgd bleef (Afbeelding: Dr. C.C.W.J. Hijszeler: Boerenvoortvaring in de oude landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe. De tekeningen werden vervaardigd door de J. Witpaard te Meppel en N. Overdiep te Groningen. Uitgegeven te Assen bij Van Gorcum & Comp. N.V. (G.A. Hak & H.J. Prakke) (MCMXL)).

Nadat men in het eerste jaar de rogge had gezaaid en geoogst, werd in het tweede jaar na de ontginning haver gezaaid. Vervolgens werden er in het derde jaar aardappelen in de grond gepoot. Na deze drie jaren was de ontginning van het bouwland geslaagd en ging men over op de normale bemesting en verbouwde men ieder jaar tarwe. In tegenstelling tot vandaag de dag waarbij vrijwel elke graankorrel mechanisch wordt opgevangen, was dit ruim 200 jaren geleden wel anders. Was het graan zeer rijp en vielen de graankorrels eenvoudig uit de graanhalm, dan diende men het graan voorzichtig binnen te halen. Om de gevallen graankorrels toch te kunnen verzamelen en er meel van laten te maken, had men een eenvoudige oplossing bedacht om de korrels in te zamelen. Een zogenaamde zaadzeef, een driehoek gemaakt van drie latten, werd over het bouwland gesleept om de uitgevallen graankorrels van het land te krijgen.

Moesten vroeger de knechten de aardappelen met hand poten en daardoor de gehele dag gebukt lopen, tegenwoordig gaat het poten machinaal. Op de afbeelding is mooi te zien dat de machinist de aardappelen even iets te vroeg liet vallen.

Waarschijnlijk is het gebruik van de trekossen in de omgeving van het voormalig esgehucht na 1810 snel afgenomen en maakten de trage dieren plaats voor de sneller bewegende paarden, waardoor het transport sneller verliep. Daarnaast konden de trekossen zeer zinnig zijn; hadden de dieren geen zin om iets te doen, dan deden ze ook daadwerkelijk niets en lag alles stil. In het zuiden van ons land bleef de trekos nog zeer populair en werd tot ver in de twintigste eeuw nog gebruikt in de landbouw. Daar hoorde hij dan ook het mopje: ‘De Noord-Brabantsche boer eet zijn paard en slaapt bij den voerman’, omdat het vooral ‘vrouwen en meiden’ waren, die op de vrachtkar de leidsels hanteerden. 2

Tegenwoordig dienen de meeste akkers in de omgeving van de Zulte voor de aanbouw van voedermaïs, dat de boeren naast hooi en kuilgras aan hun koeien voeren. Veel akkers zijn echter niet meer in de Zulte te vinden, ze moesten plaats maken voor graslanden. In de bodem van de bovenstaande akker bevinden zich echter aardappelen.

Was de ontginning van de immens grote heide en het verbouwen van graan op de bouwlanden in het verleden nog een bittere noodzaak, vandaag de dag zijn vrijwel alle akkers verdwenen en hebben plaats gemaakt voor grasland. De enkele akkers die men hier en daar nog in het oude gebied van de Zulte tegenkomt, zijn akkers met voedermaïs. De rode maïskorrels schijnen een heerlijk hapje voor het rundvee te zijn.

In veel akkers is er weer voedermaïs aangebouwd, een heerlijk hapje voor het vee. De boer kuilt de kolven in of hakselt de hele plant en gebruikt deze de hele winter als voer.

Van het oude boerenleven in de Zulte is niets meer over en van paardenkrachten wordt enkel nog gesproken als het om de tractor gaat, laat staan dat er nog de term ossenkracht nog bestaat. Eigenlijk is het niet meer voor te stellen dat wij best wel veel aan deze trekossen te danken hebben.

In het jaar 2011 had de eigenaar van de percelen aan de Zulthe ook voedermaïs verbouwd, zoals op de luchtfoto goed te zien is. (afbeelding: Topotijdreis.nl)

1 J. Kops – Magazijn van vaderlandschen landbouw Deel 06, te Haarlem, bij A. Loosjes, Pz. 1810.

2 Hans Miltenburg en Reimer Strikwerda, Koe voor de kar en op de kaart, 2007.

Op inspectiereis door de Zulte.

Er was maar weinig drukte langs het zandpad, toen het rijtuig van de landdrost mr. Petrus Hofstede op de vroege donderdagochtend van de negende juni 1808 ten oosten van het voormalig esgehucht de Zulte voorbij kwam. De overwegend uit boeren en arbeiders bestaande bevolking van het gehucht, had wel andere dingen aan het hoofd dan langs de weg te gaan staan omdat er een hoogwaardigheidsbekleder voorbij kwam. De schapen moesten geschoren worden en hier en daar was al een boer begonnen met het maaien van het gras. Behalve ter hoogte van de herberg Tautenborg van kastelein Hindrik Caspers Denkela aan de Leekster Dyk. Daar hadden zich enkele arbeiders verzameld, die in dienst waren van mr. Willem de Lille of bij zijn pachters en juichten toen het rijtuig voorbij kwam.

De met de rode kleur aangeven route op de Franse legerkaart uit 1810/13 zal de landdrost Petrus Hofstede met zijn gezelschap in het jaar 1808 hebben afgelegd in hun rijtuig richting huis ter Heil (Bron: Drents Archief).

De landdrost voerde in het jaar 1808 een inspectiereis uit door het departement Drenthe en deed op woensdag 8 en donderdag 9 juni het dorp Roden aan. Petrus Hofstede was ruim een jaar eerder op maandag 18 mei 1807 tot landdrost van Drenthe benoemd. Tijdens zijn reis vanuit Assen richting het dorp Roden werd het gezelschap even buiten Lieveren opgewacht door een groep jongelui, die onder leiding stond van pachter Jan Noord. De landdrost werd door de groep verwelkomd en men verzocht hem of zij het rijtuig naar Roden mochten begeleiden. Rond elf uur plaatselijke tijd kwam het gezelschap aan bij het huis van de brouwer en herbergier Thijle Krijthe en zijn vrouw Berendje Voget.

In de herberg van Krijthe werd het gezelschap begroet door de schulte van Roden Steven Hindriks Winsingh en de volmachten, mr. J. L. Roman schulte van Vries, raadsheer mr. Willem de Lille en een commissie uit de kerkenraad bestaande uit de heren ds. Voget en mr. J. W. Kijmmell. Hier werden de kohieren, boeken waarin de invordering van onbetaalde belastingen en de inbeslagneming en verkoop van goederen ten gevolge van onbetaalde belastingen staan geregistreerd, van vaste goederen van Roden, Roderwolde, Vries, Norg, Peize en Eelde geëxamineerd (onderzocht). Tevens werd er met de schulten van Roden en Vries over de heffing der lasten gesproken. 1

De huidige havezate Mensinge werd aan het begin van de negentiende eeuw nog huize Rhoden genoemd. Het huis was voor landdrost Hofstede een plaats waar hij regelmatig op bezoek kwam.

Na het officiële gedeelte in de herberg van de brouwer Thijle Krijthe, vertrok de landdrost ’s middags naar huize Rhoden (de huidige havezate Mensinge) waar de weduwe Ellents hem ontving en het gezelschap de rest van de dag doorbracht. Hier werd waarschijnlijk het avondmaal genuttigd en ’s avonds bij kaarslicht oude herinneringen opgehaald. De band tussen de families Hofstede en Ellents was behoorlijk hecht. Zo hecht zelfs, dat Hofstede een zoon naar Coenraad Wolter Ellents had vernoemd.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is hoogbezoek00.jpg
Landdrost Mr. Petrus Hofstede (1755-1839) (afbeelding: Abraham Anne van de Kasteele – Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie Origineel in: Provinciaal Museum van Drenthe).

Het was voor de landdrost Hofstede sowieso een inspectiereis waarbij hij veel bekenden ontmoette. Was de band met de weduwe Ellents al behoorlijk hecht, die met de raadsheer mr. Willem de Lille op het huis ter Heil was op zijn minst ook bijzonder te noemen. Een paar jaren eerder, op vrijdag 25 oktober van het jaar 1805, werd als uitvloeisel van een onderzoek door Jan Kops naar de toestand van de landbouw in ons land, een commissie van landbouw in het departement Drenthe gevormd. Deze commissie die niet uit landbouwers, maar uit landeigenaren bestond en waarin zowel Hofstede als de Lille zitting hadden. In deze commissie werd Hofstede voorzitter en bekleedde dit ambt tot maandag 18 mei 1807, toen hij tot landdrost van Drenthe werd benoemd.

De Lille had zijn draai gevonden in deze commissie en was in tegenstelling tot de doorgaans zeer conservatieve grondeigenaren rondom het kerspel Roden, zeer progressief bezig en bleek een goede inzicht te hebben wat bij onder andere de eigenaren van de schapen leefde. Ondanks dat hij en zijn vrouw vrome bezoekers van de kerk in Roden waren, durfde hij het aan om de schapen van de schaapskudde van ter Heijl te gaan inenten. Dit zal hem zeker enkele boze blikken van veel beter gesitueerde bezoekers hebben opgeleverd; men greep destijds niet in bij zaken die van bovenaf door de Schepperwaren geregeld. Het zal de Lille een zorg zijn geweest en ondanks dat er al enkele besmettingen met de schaapspokken zich hadden voorgedaan, besloot hij om alle 130 schapen van de kudde te laten inenten. Waarschijnlijk behoorden vrijwel alle dieren hem dan ook toe.

Huis ter Heijl op een oude prent uit het archief. Het was de woning van raadsheer Mr. Willem de Lille en waar hij in het jaar 1808 landdrost Mr. Petrus Hofstede ontving (afbeelding: Drents Archief).

Dat dit behoorlijk indruk maakte bij Jan Kops, die vanaf 1805 ieder jaar een verslag schreef over de staat van de landbouw in ons land, blijkt wel uit wat hij in ‘Staat van den Landbouw in het Koningrijk van Holland gedurende het jaar 1807’ wist te vermelden: “Er vertoonden zich in Drenthe eenige Pokken aan de Schapen onder Oostermoer, en Vooral in het Dingspil Noordenveld bij verscheide kudden. De Heer De Lille, Lid der Commissie, heeft onder zijn troep 130 aan deze ziekte gehad, waarvan 13 gestorven zijn: deze Heer zou de Inenting ondernomen hebben, bijaldien de besmetting zich hier niet reeds bij de ontdekking te veel verspreid had2. De schaapspokken waren zeer besmettelijk en zorgen tot ver in de dertiger jaren van de negentiende eeuw voor veel slachtoffers onder de dieren.

Door de band die de landdrost Hofstede met de raadsheer de Lille had opgebouwd in de jaren van zijn voorzitterschap in de commissie, vond hij dat een bezoek aan het huis ter Heil op zijn plaats was en op de vroege donderdagochtend van de negende juni begaf het gezelschap zich richting ter Heijl. Het gezelschap reed grofweg over de plaats waar nu de Klimop ligt, voorbij de boerderij Vogelsang richting de Herberg Tautenborg. Er werd beleefd teruggezwaaid naar de enkelen die voor de herberg stonden te juichen en het rijtuig draaide naar links, de toenmalige Tautenborgsingel op en kwam aan bij huis ter Heil.

Hier verbleef de landdrost met zijn gezelschap de gehele dag en vertrok vervolgens de volgende dag weer richting Assen, waarbij hij wederom begeleid werd door de groep jongelui, die hem twee dagen eerder ook had opgewacht toen hij in de buurt van Roden was.

1 Een inspectiereis van den landdrost Mr. Petrus Hofstede door Drenthe 1808. Door Alb. Oltmans. Overgedrukt uit de Prov. Dr. en Asser Courant. Assen, 1911. Pag. 20/21.

2 Jan Kops – Staat van den Landbouw in het Koningrijk van Holland gedurende het jaar 1807. Paraaf 36. Schapen. Pag. 59/60.

Het tiende recht.

Een klasse apart onder de boeren in en rondom het voormalig esgehucht de Zulte waren wel de ‘Meijers’, de boeren die hun beroep uitoefenden op een zogenaamde meijerij of pachtboerderij, die in het bezit waren van een grootgrondbezitter. Meestal waren dit boerderijen van de adel op havenzate Mensinge of van Nienoord in Leek en grote boeren rondom het dorp Roden. Daarnaast bezat het klooster in Aduard en later de bewoners van huize Ter Heijl hier nog enkele boerderijen, die zij verpachten aan boeren. Een mooi voorbeeld hiervan is de vermelding van de pachter Harm Geerts in het Haardstedenregister van de Zulte uit 1742, waarin de man omschreven werd als ‘Majer van de Najnoort in de Helle’. Destijds werd de Helle (Terheijl) nog tot de Zulte gerekend.

De vermelding van Harm Geerts in de Helle in het Haardstedenregister van de Zulte uit 1742 met de vermelding dat hij een meijer is van Nienoord (bron: Haardstedegeld 868.24, archiefnummer 0001, Drents Archief, inventarisnummer 868.24).

De meijer, de pachter dus, had een belangrijke functie in de omgeving waar de beste man boerde. Doorgaans had de beste man een aantal knechten, meiden en een varkensjongen aan het werk en afhankelijk van het seizoen, kwamen daar ook nog een groep landarbeiders en dagloners bij. Dat het voor de meijer geen vetpot was, blijkt wel uit het Drents gezegde: ‘As meierboer haj meestal meer wark as geld’. Voor veel landarbeiders en dagloners was het seizoenswerk bittere noodzaak om te kunnen overleven. Weliswaar hadden veel van hen een klein boerenbedrijfje, waarbij zij een klein stukje grond bezaten dat als moestuin gebruikt werd en een enkeling bezat een paar schapen of geiten, maar het was te weinig om van rond te komen. Vandaar dat zij dus de extra werkzaamheden bij de pachtboeren deden.

Even buiten het esgehucht langs de weg richting het dorp Roden, ter hoogte van de Boschkampe, stonden een aantal van deze kleine boerenbedrijfjes waar de arbeiders Harm Lammers Kroon, Egbert Louwes Meulema, Cornelis Lammers Kroon en Lammert Jans Noord en hun gezinnen woonden rond het jaar 1830. Sommige arbeiders bezaten net iets meer grond konden redelijk rondkomen en hoefden slechts een paar keer extra werk te doen bij de meijers. Deze dagloners, de kleine boertjes dus, werden ook wel ‘Ceuters’ (keuters) genoemd.

In het roodgekleurd huis dat aan de linkerzijde staat op het perceel I-298 was van Harm Lammers Kroon, I-301 bevond zich het huis van Egbert Louwes Meulema, daarnaast, I-305, het perceel van Cornelis Lammers Kroon en geheel rechts stond het huis van Lammert Jans Noord op I-306 (Kaart 1832Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).

De eerder vermelde opmerking dat je als meijer meer werkt hebt dan geld, is zeer begrijpelijk. Niet alleen het personeel, de dieren en het zaaigoed koste de boer veel geld, maar ook de pacht en de gemeentelijke belastingen hijgden de best man behoorlijk in zijn nek. Daarnaast lag er op veel percelen het zogenaamd ‘tiendrecht’. Boeren die deze landerijen destijds pachten en bewerkten waarop de tiendenplicht ruste, hadden de verplichting per jaar een tiende van de oogst afdragen aan diegene die het land met het tiendenrecht bezat. Was het eerst nog dat de afdracht in nature diende te gebeuren, later kon men de waarde ook in geld gaan afdragen. Voor de reformatie in de zestiende eeuw bezat het klooster in Aduard grote landerijen rondom de Zulte en met het heffen van de tienden konden zij het onderhoud van de gebouwen en de kloosterlingen in dit gebied financieren. Na de reformatie nam de adel een deel van de landerijen over, het andere deel werd door boeren overgenomen, die inmiddels grootgrondbezitters waren geworden en de adel naar de kroon staken.

De in de zestiende eeuw gebouwde boerderij met de naam ‘De Spijker’ in Roden had in het verleden de functie om onder andere de inkomsten van het tiendrecht, dat bij de bewoners van havenzate Mensinge lag, in nature op te kunnen slaan. De Spijker was dus de voormalige schoutsboerderij van Roden en werd ook voor andere inkomsten gebruikt naast het tiendrecht, die natura betaald diende te worden. Waarschijnlijk had de toenmalige boerderij met de naam Vogelsang even ten noorden van het voormalig esgehucht deze functie ook gekregen toen het aan het begin van de achttiende eeuw gebouwd werd in opdracht van de heren van Nienoord. Immers, zij bezaten inmiddels ook behoorlijke percelen in de Zulte nabij te Helle.

De voormalige schoutboerderij Vogelsang lag in het verleden ten noorden van het voormalig esgehucht de Zulte. De boerderij is ruim 270 jaar oud en nog steeds een markant beeld in de omgeving.

Er bestonden diverse vormen van de tiendrecht, ook wel tiende recht genoemd, en met een beetje geluk, dan kon de beste man maar liefst driemaal de knip trekken om aan zijn verplichtingen te kunnen voldoen. Zo had je bijvoorbeeld de zogenaamde oude en novale tienden. De novale tienden konden pas geïnd gaan worden, als de ondergrond bijvoorbeeld heide, recentelijk was ontgonnen. Dus had de boer zijn schapen op de heide lopen dan hoefde hij hier over niets te betalen, maar was het ontgonnen en diende het nu als weiland, dan kon de eigenaar nu wel aanspraak op het tiende recht maken.

De uitleg over het tiende recht in een leerboek voor notarissen die in 1768 gedrukt is (Afbeelding: Redenerend vertoog over ’t Notaris Ampt. Bevattende eene duidelyke, nette en uitgebreide verklaring van deszelfs wezendlyke gronden omtrent veelerlye gevallen in de practycq. Tweede deel. Opgestelt, veel vermeerdert, en gecorrigeert door Arent Lybreghts, Notaris in ’s Gravenhage. Vyfde druk. Te Amsterdam, by J. Roman, G. de Groot, J. Loveringh, G. Tielenburg, S. V. Esveldt en P. Schouten. MDCCLXVIII. Pagina 191 & 192).

We kunnen het tiende recht onderscheiden in drie varianten: a). Maat tienden, ook wel grove of korentienden genoemd en betrof graan (rogge, tarwe, haver, gerst enz.). b). Smalle of kleine tienden werd over tuinvruchten (moes, knollen, radijs, appels, peren, noten etc.), gras, hooi, hop, hout en vanaf 1731 ook over aardappelen en aardperen. c). Krijtende tienden, die gingen over jonge dieren zoals veulens, kalveren, lammeren, biggen, maar ook over ganzen, bijen en ander geboorte van jonge dieren.

Het tiende recht, het recht van een heer als belasting het tiende deel van de oogst of van jonggeboren vee op te eisen en is van kerkelijke oorsprong en is oorspronkelijk gebaseerd op het Oude Testament, werd in Nederland met ingang van vrijdag 1 januari 1909 afgeschaft.

Bekketrekkers en Naoberschap in de Zulte.

Twee termen die in het verleden heel normaal en veelzeggend waren in het voormalig esgehucht de Zulte. De zure vruchten en de venijnige stekels van de sleedoorn (Prunus spinosa) symboliseerden de hard- en stugheid van de inwoners van het gehucht en de naoberschap stond voor de bereidheid om elkaar door dik en dun te helpen. Zeker in tijden van rampspoed en ellende waren de inwoners op elkaars hulp aangewezen en kwam stugheid naar boven om samen de tegenspoed te bestrijden. Maar ook in goede tijden hielpen de inwoners een ander die hulp nodig had bij bijvoorbeeld de bouw van een boerderij of schuur. Het was een wederzijdse vrijwillige verplichting om elkaar te helpen dus; de ene keer help ik jou, een andere keer help jij mij.

Een blik vanaf het Groot vogelkamp over de es Kostverloren richting het voormalig esgehucht de Zulte. Hoelang mogen wij nog genieten van dit uitzicht?

De sleedoorn typerend de toenmalige inwoner van de Zulte eigenlijk wel perfect. Zo komen wij de struik uit de rozenfamilie (Rosaceae) vooral tegen langs de rand van de bossen, zoals het voormalig esgehucht aan de rond van het dorp Roden ligt. De struik bezit flinke doorns en weet zo flinke grazers van zich af te houden, waardoor het hout de kans krijgt om zeer hard te worden. De enorm zure vruchten zijn eigenlijk niet eetbaar als er nog geen vorst overheen is geweest en zorgt daardoor bij diegene die het toch waagt een vrucht op te eten, voor de meest vreemde gezichtsuitdrukkingen: rare bekken trekken dus.

Typische kenmerken waar je te maken krijgt als je de inwoners je wil op gaan leggen en als je dat dan niet gaat lukken, je gaat roepen dat het geen echt Drents naoberschap betreft. Kijk, dan prik jij je aan de stekelige doorns en verslik jij je in de zeer zure vruchten. Er blijft je dan niets anders over dat je stil in een hoekje gaat zitten, zure gezichten trekken en je wonden likken. En geloof mij, als ervaringsdeskundige kan ik er over meepraten hoe venijnig de stekels van de plant kunnen steken. 

De bijzonder zure vrucht van de sleedoorn lijkt veel op een kleine pruim. De vruchten worden hier in de omgeving ook wel sleimen of bekketrekkers genoemd. De vruchten zijn eigenlijk niet te eten voordat er een keer vorst overheen is geweest.

In het verre verleden ging het naoberschap en de sleedoorn ook zeer goed samen. In de tijden dat er nog geen prikkeldraad en veel sloten bestonden, werden naast meidoorns (Crataegus) ook veel sleedoorns gebruikt om onder andere de bouw- en weiland te beschermen of om het vee binnen te houden. Door de aanwezigheid van keileem én potklei aan het oppervlak in de bodem nabij de Zulte, betekende dat zowel de sleedoorn als de tweestijlige meidoorn (Crataegus laevigata) het hier goed deden in de hagen. Na verloop van tijd groeiden de struiken uit tot forse exemplaren en vormden dan struwelen. Langs de Zulter Bitse ter hoogte van de Turfweg is nog zo’n eeuwenoude struweel te zien.

De eeuwenoude sleedoornstruweel langs het beekje de Zulter Bitse vlak bij de Turfweg. Op de oude Franse legerkaart uit 1811-1813 van Drenthe is de struweel al te zien. In het voorjaar bezit de struweel een prachtige witte sluier van de bloemetjes en heeft het een ontzettend grote aantrekkingskracht op insecten, met name bijen.

Jarenlang heeft naast de zogenaamde oude boerderij van Deodatus ook een haag van meidoorns gestaan op de scheiding van het laantje naast het perceel en het weiland. Tussen de haag en de laan stonden een aantal forse kastanjebomen waar in mijn beleving altijd heel veel grote kastanjes groeiden. Een nadeel was altijd wel, dat de mooiste kastanjes vanzelfsprekend tussen de stekelige planten in de haag terecht kwamen of lagen. Ook op dit gebied ben ik wederom een echte ervaringsdeskundige.

Op de foto is de es Kostverloren rechts te zien, links op de afbeelding staan de kastanjebomen waar menig kind de grootste kastanjes van de wereld heeft gevonden. Ondanks dat iets kale aanblik van het gebied in april dit jaar, heeft het iets rustgevends in deze gejaagde tijden.

Het spreekt voor zich dat veel hagen en struwelen verdwenen zijn toen de boeren sloten en prikkeldraad gingen gebruiken om het vee binnen de weilanden te houden. Dat de planten niet meer gebruikt werden als afscheiding en gerooid werden om plaats te maken voor prikkeldraad, maakte echter niets uit voor de aanwezigheid van de slee- en meidoorns in het gebied rondom de Zulte. Van nature kwamen de struiken hier al voor en zullen ze waarschijnlijk nog heel lang langs de bosranden te zien zijn. Eigenlijk zijn ze net zo onverzettelijk als de inwoners van de Zulte, die moet je niet als buitenstaander aanspreken op het Drentse naoberschap omdat zij niet buigen zoals jij het graag ziet.

De es Kostverloren iets ten noordwesten van het voormalig esgehucht de Zulte. Was het vroeger een schapendrift waar de herder met de schaapskudde doorheen trok richting de heide, tegenwoordig is het een oase van rust voor heel veel mensen.

22 nieuw huizen aan de Ceintuurbaan Noord!

Halverwege de jaren zestig van de vorige eeuw verdween het landelijke uitzicht rondom de Zulte met een hoge snelheid en de landerijen waar vroeger door noeste arbeid van boeren een prachtig gebied was ontstaan, schoven nu zware bulldozers en grote kranen die bewerkte grond zo ter zijde. Slechts in enkele jaren was er nog maar heel weinig over van het ruimtelijk gebied en het contrast met enkele tientallen jaren kon niet groter zijn. De omgeving van het dorp Roden moest klaargestoomd worden voor de jaren ’70, het tijdperk dat het eens kleine dorp Roden de grote stad Groningen naar de kroon ging steken. En ja, als de plaatselijke politiek zijn zin zou krijgen, dan ging Roden zelfs de stad voorbij!

Dat niet iedereen de uiterst ambitieuze plannen van de politiek deelde, spreekt voor zich en hier en daar was er toch behoorlijk wat weerstand tegen de roekeloze woningbouw. Met name in het zuidoostelijk gedeelte van het dorp, waar toch de iets beter gesitueerde bevolking van Roden woonde, zag met de woningbouw en de aanleg van de Ceintuurbaan Oost niet zitten en verdwenen de plannen dan ook net zo snel als ze geopperd werden. Aangeven dat de woningbouw richting het gebied nabij het Ronostrand ook een goede mogelijkheid was, werd niet eens in overweging genomen. Sterker nog, hier rust nog steeds een taboe op. Of zoals een verbitterde boer uit de Zulte eens tegen mij zei: “As je moar ’n beste bult centen hebt, dan luustern ze wel noar je.” Of het waar is, durf ik niet te zeggen,  feit is wel dat het prachtig gebied voor altijd verdwenen is.

Door de combinatie van het toenemend aantal bedrijven dat zich in de jaren zestig in het dorp Roden ging vestigen en de daardoor gestegen vraag naar woningen, waarbij het aantal inwoners ook behoorlijk toe begon te nemen, nam de woningbouw ten oosten van het voormalig esgehucht ook in een rap tempo toe. Zo waren er vanaf 1966 al een behoorlijk aantal sociale huurwoningen langs de nieuwe Ceintuurbaan Noord verschenen en in 1969 kwamen er maar liefst 22 nieuwe premiewoningen bij in het gedeelte tussen de Hop en de Hazelaar.

Op donderdag 4 september 1969 verscheen deze advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden, waarin Makelaardij Van Loon uit Groningen aangeeft, dat er nog enkele huizen te koop zijn (bron: Nieuwsblad van het Noorden, donderdag 4 september 1969, 82e jaargang, nummer 207, pagina 20).

Op donderdag 4 september van dat jaar verscheen er in het Nieuwsblad van het Noorden een advertentie van Makelaardij Van Loon uit Groningen, waarbij men aangaf dat er nog enkele artistieke woonhuizen aan de Ceintuurbaan Noord te Roden beschikbaar waren. Het betrof hier een paar tussenwoningen die inclusief alle kosten voor 47.000 gulden gekocht konden worden. Kijk, dat Roden ambities had om de stad Groningen voorbij te streven, vonden ze daar geen probleem zolang er maar een beste smak geld verdiend kon worden.

De werkelijk prachtige tekening van de vier woningen aan de Hazelaar, die door de architectenbureaus van der Scheer en Faber in 1969 gemaakt werd. Opvallend in de overeenkomst met de foto van het woonblok die verderop geplaatst is (bron: Nieuwsblad van het Noorden, zaterdag 4 oktober 1969, 82e jaargang, nummer 233, pagina 19).

Een maand later plaatst de Groninger makelaar weer een advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden, nu met een prachtige tekening van de premiewoningen. De huizen op de afbeelding, het enige blok met vier woningen, werd niet aan de Ceintuurbaan Noord maar aan de Hazelaar gebouwd. De andere drie blokken bestonden wel uit zes woningen en stonden wel langs de Ceintuurbaan Noord. De royale en voor die tijd moderne eengezinshuizen met centrale verwarming waren ontworpen door de architectenbureaus van der Scheer aan de Larixlaan 2 in Roden en Faber uit Stadskanaal. Het bouwbedrijf Giezen was verantwoordelijk voor de bouw van de 22 woningen.

De vier ingekleurde blokken geven de 22 premiewoningen weer die hier in het jaar 1969 tussen de Hazelaar en de Hop aan de Ceintuurbaan Noord gebouwd werden.

Naast de toenemende druk van de nieuwe inwoners op de woningmarkt, begon zich een ander probleem voor te doen; het verkeer. Door de toenemende welvaart en de dalende prijzen van auto’s, zagen de bestuurders van het dorp Roden zich genoodzaakt om nu ook het belabberde wegenpark in en rondom het dorp aan te gaan pakken. Aan het begin van de zestiger jaren had men al een soort rondweg om Roden bedacht, die de verkeersdruk uit het dorp moest gaan opvangen. De weg kreeg de naam Ceintuurbaan, dat van het Latijnse ‘cingere’ (omringen) afkomstig is en verbasterde tot cingulum of singulum, dat letterlijk ceintuur of riem betekent.

Het enige blok met vier woning van de in totaal 22 woningen staat aan de Hazelaar. De andere 18 bevinden zich aan de Ceintuurbaan Noord. Aan de linkerzijde zijn meer woningen te zien die tot de serie van 22 behoren. De situatie met 1969 en vandaag de dag is geheel verschillend te noemen. Tot ver in de jaren tachtig van de vorige eeuw werd de Ceintuurbaan Noord gebruikt als een snelweg.

De nieuwe rondweg lag dus om het hele dorp heen en was in vier stukken verdeeld. De Ceintuurbaan Noord was tussen het Oosteinde en de Leeksterweg gepland en ging dan over in de Ceintuurbaan West die tot de Nieuweweg liep. De Ceintuurbaan Zuid ging vanaf de Nieuweweg tot aan de Norgerweg, waarna de Ceintuurbaan Oost vervolgens in het gedeelte tussen de Norgerweg en het Oosteinde zou komen te liggen. Net zoals het met de woningbouw in het gebied van de Ceintuurbaan Oost het geval was, waren ook hiervoor weer veel bezwaren van wat de oude boer in de Zulte ‘die rieke stinkerds’ noemde en ging dat deel van de weg dus niet door.

Het tweede en derde blok met eider zes premiewoningen aan de Ceintuurbaan Noord gezien richting de Hazelaar.

Bijna twintig jaren later was de druk op de Ceintuurbaan Noord inmiddels zo verhoogd dat de aanwonenden het idee te hebben aan een racebaan te wonen. Een gezegde rond die tijd was dat wanneer de Vrachtwagens bij het voormalige Cordisgebouw de Ceintuurbaan Noord opdraaiden, zij begonnen te toeteren zodat het verkeer van rechts wist dat er een vrachtwagen aankwam. Op het hoogtepunt van de overlast was het volgens enkele fietsers uit die tijd, een ware survivaltocht om via de Ceintuurbaan Noord te gaan fietsen. Dat was nait best!

Het vierde en laatste blok van de 22 premiewoningen die in het jaar 1969 gebouwd werden gezien vanaf de Hop richting de Hazelaar. Ook dit blok bestond evenals de twee voorgaande blokken uit zes woningen.

Toen het zelfs voor de gemeente Roden te erg werd, besloot men in te gaan grijpen en voerde men snelheid beperkende middelen in zoals verkeersdrempels en later werd het een 30 kilometerzone.  Na de nodige beschadigde spoilers en uitlaten hadden de maatregelen toch hun doel bereikt: een einde maken aan deze racebaan.

De huidige situatie aan de Ceintuurbaan Noord tussen de Hop en de Hazelaar. Naast dat er verkeersdrempels in de weg zijn geplaatst, is er maar weinig veranderd met het kaartje uit het jaar 1969.

Daarnaast had de politiek van de toenmalige Roden inmiddels ingezien dat hun ambitieuze plannen om de stad Groningen qua inwoners, en dus ook inkomsten, niet meer te halen en van deze tijd waren en verdwenen dan ook geruisloos in de prullenbak. Heel af en toe steekt er nog bij een politiek warhoofd het idee op dat Roden de stad nog steeds voorbij zou kunnen streven, Dat hierbij oud en historierijk gebied dient te verdwijnen zegt zo’n iemand niets. “Het is toch alleen maar gras”, zegt de man dan maar. Iets wat te verwachten is van iemand die enkel oppervlakkig denkt en geen diepgang heeft.

Over molens speculeren en een graantje meepikken.

Er bestaat hier en daar enige onduidelijkheid over de plaats waar de korenmolen in de Zulte heeft gestaan. Zo gaat er af en toe het gerucht rond dat de molen op de Molenberg even ten buiten het voormalig esgehucht. Dit zou de plaats zijn want het was het hoogste punt in de directe omgeving en daarom stond de molen hier. Hier had Johan van Ewsum ook het ‘recht  van wind’ verkregen; het recht van de adel om een windmolen te mogen exploiteren. Ja, dit was de juiste locatie. Immers de straten Molenberg en de van Ewsumlaan waren toch heel duidelijke aanwijzingen?

Maar goed, als wij even de gedachte los gaan laten, dat als een ambtenaar uit historisch perspectief namen gaat toewijzen aan nieuwe straten, deze dan ook daadwerkelijk een historische waarde bevatten en gebaseerd zijn op feiten, dan krijgen wij al een heel ander verhaal. Gelukkig levert het nodige speurwerk dan ook daadwerkelijk resultaat op en ligt het verhaal toch net even anders dan beweerd wordt. Zo hebben er twee molens in de voormalige gemeente Roden gestaan, een in Foxwolde aan het Peizerdiep en eentje ten zuiden van het dorp, daar waar nu de begraafplaats ligt bij de Norgerweg.

Zou de watermolen met onderslagrad in Foxwolde bij het Peizerdiep er zo uit hebben gezien? Wij zullen het waarschijnlijk nooit te weten komen (afbeelding: Venbergse Watermolen. Overzicht van watermolen met onderslagrad, reproductie van oude foto, eigendom Abdij Postel, Mol, België. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.).

Beide molens hadden een functie als een korenmolen en zijn dus beide verdwenen. De korenmolen bij het Peizerdiep, nabij de Molenbrug en het Moleneind, was een watermolen en stond dus niet in de Zulte en daarom laten wij deze verdwenen watermolen dan ook voor wat het is. Daarnaast bevonden zich in Nietap ook nog 3 molens, 2 stellingmolens en 1 weidemolen en ook voor deze molens geldt hetzelfde als die in Foxwolde. De andere korenmolen bevond zich dus vlakbij de Norgerweg en eigenlijk moeten wij van drie molens spreken, alhoewel ze alle drie op dezelfde plaats stonden en waarbij de laatste molen rond 1892 naar de Herestraat werd verplaatst en de daarna de molen van Thie genoemd werd. Waarschijnlijk moest de molen verplaatst worden door de toenemende klandizie van de begraafplaats.

De eerste molen die daar stond in het Zulter Nijland en moet al ver voor het midden van de zestiende eeuw gebouwd zijn. Deze molen was in het bezit van ene Crabbe Aukema die rond 1546 in het Suydtende van het dorp Roden woonde. Het was ook het jaar dat Crabbe poogde om een plaats in de Etstoel, het hoogste rechtscollege in de provincie Drenthe te bemachtigen. Blijkbaar kon hij zich niet gedragen en zijn gescheld op de Jonker Johan van Ewsum zal er niet aan bijgedragen hebben dat hij binnen de groep etten en de drost zeer welkom was. In het Ordelboek werd het zo beschreven: ‘Den drosten ende XXIIII synnen mytten anderen verdragen, dat Crabbe Aukema sall nyet in den ettstoell sitten, ter tyt hye zych myt recht verantwordt hefft op de sceldinge, ende dess sullen hem de van Eusema copien geven uutten ghericht schyne, daer de sceldinge op gheghaen yss’. 1

Een zogenaamde open standerdmolen. De molenvoet, het gedeelte waar de molen op rust, is duidelijk te zien. De standerd, een 60 tot 80 centimeter dikke stam, is goed zichtbaar aan de onderzijde van de molenkast. Waarschijnlijk heeft de verwaarloosde molen van Crabbe Aukema er zo ook uitgezien in betere tijden (afbeelding: J. Pieterse, pagina 8, Hollandsch Molenboek door C. Visser en J. Pieterse. N.V. Holdert & Co., Amsterdam, 1921).

Een van de redenen van de scheldpartijen van Crabbe Aukema richting de jonker zal zeker hebben meegespeeld dat van Ewsum eerder dat jaar de woning, of wat er nog van over was, gekocht heeft. In de schattingslijst van Roden uit het jaar 1546 wordt hier vermelding van gemaakt: ‘Dat Huys bij dye moelen dat Joncker Johan van Euwszum ghecoft heft 11 br. st. ende 1/2 groeninger st.2 Waarschijnlijk heeft naast de koop van het huis, de duidelijke afwijzing vanuit de Etstoel richting Crabbe de verhoudingen tussen de beide Roners zo verstoord, dat het tot zaterdag 28 oktober 1550 moest duren voordat Engelbert van Ensse, stadhouder en drost van Coeverden, het pleit kon beslechten. Waarschijnlijk heeft toen Crabbe Aukema de restanten van de vervallen molen aan de jonker Johan van Ewsum verkocht om zijn schulden in te lossen.3 De vervallen molen zal naar alle waarschijnlijkheid een zogenaamde open standerdmolen zijn geweest.

De standerdmolen dankt zijn naam aan een rechtop staande dikke stam van ongeveer 60 tot 80 centimeter doorsnede die een ‘standerd’ genoemd wordt. De molenkast rust door middel van grote balken grotendeels op de bovenzijde van de standerd. Een ander steunpunt is de zogenaamde ‘zetel’, deze zit halverwege de standerd. Om het gewicht van het wiekenkruis te kunnen compenseren, zit het midden van de molenkast niet op de standerd maar meer naar achteren geplaatst. De molen is hierdoor in zekere mate afhankelijk van de hoeveelheid in de molenkast opgeslagen maalgoed om in evenwicht te blijven. De gehele molen steunt op een viertal tegenover elkaar geplaatste, zware gemetselde voeten die ook wel teerlingen of stiepen genoemd worden. Dit gedeelte heet ook wel ‘de molenvoet’.

Een zogenaamde gesloten standerdmolen. Bij deze standerdmolen werd een muur om de molenvoet gebouwd waarop een dak werd gelegd en er een soort schuur ontstond. Meestal hebben standerdmolens twee koppels stenen, hoewel ze deze eigenlijk nooit tegelijk gebruiken. Het ene koppel houdt de molenaar het liefst alleen voor het fijne werk gereserveerd, zoals voor tarwe, het andere koppel vermaalt alles wat er verder verwerkt moet worden (afbeelding: J. Pieterse, pagina 16, Hollandsch Molenboek door C. Visser en J. Pieterse. N.V. Holdert & Co., Amsterdam, 1921).

In het jaar 1551 laat Johan van Ewsum vrijwel op dezelfde plaats een nieuwe windmolen bouwen, waarbij de molenstenen  en de andere bruikbare delen van de afgebroken molen opnieuw werden gebruikt.  Van Pasen tot Sint Johannes (24 juni) werkten zes timmerlieden en twee houtzagers hieraan. Er waren ook houtsnijders, knechten, de meesterknecht Johan Guleker bij de bouw betrokken, alsmede schippers voor het transport van bouwmateriaal vanuit de stad Groningen. 4 De molen werd weer een zogenaamde standerdmolen, nu een molen waarbij rondom de molenvoet een muur is gebouwd. Deze muren dragen een kap  waardoor het lijkt alsof de molenvoet in een schuurtje is geplaatst. Het model van molens die zo gebouwd werden, noemen wij een gesloten standerdmolen.

Doordat Johan van Ewsum deze korenmolen had gesticht, had hij zich het ‘recht van wind’ verworven. Of de jonker ook daadwerkelijk overging om van het zogenaamde ‘heerlijk recht’ gebruik te maken en daardoor de boeren die de door hem verpachte gronden aan landbouw deden, verplichten om in zijn molen hun graan te laten malen, is mij niet bekend. Naar alle waarschijnlijkheid is dit wel gebeurd maar of de andere boeren hier ook toe gedwongen werden, is niet meer te achterhalen op dit moment. Gebeurde dit wel, dan werden deze molens ook wel ‘Banmolens’ of ‘Dwangmolens’ genoemd. Mijn vermoeden is dat van Ewsum geen gebruik hoefde te maken van macht om de boeren in de omgeving te dwingen om het graan bij hem te malen, er waren stomweg geen andere molens in de nabije omgeving.

De vermelding van Harm Hendr. (Hendriks?) als keuter en mulder in het Haardstedenregister uit het jaar 1742 van het buurschap Suideinde in Roden (bron: Oude Staten Archieven (OSA), toegangsnummer 0001, inventarisnummer 868.24, Haardstedengeld Roden, Suideinde, 1742, pagina 3674).

Naast dat de jonker een nieuwe molen heeft gesticht op de plaats waar de vervallen molen eens stond, zal de molenaarswoning die op zo’n 40 meter afstand van de molens stond, ook een beste beurt hebben gehad. Ook had de molenaar een tuin en enkele bouwlanden in zijn bezit naast de kleine keuterij die hij nodig had om zijn inkomen in bijvoorbeeld loondienst aan te vullen. In het Haardstedenregister uit het jaar 1742 komen wij ene Harm Hendrik tegen, die volgens het archief van beroep ‘cueter en mülder’ is en in het Suideinde woont. Als eigenaar van de molen en de bijbehorende gronden aan het Suideinde 146 komen wij Willem baron van In- en Kniphuisen tegen.5

Op de kaart uit 1748 waarop de Nienoordse Venen waren afgebeeld, is de korenmolen ten zuiden van Roden ook ingetekend. In tegenstelling tot veel kaarten waarbij het noorden aan de bovenzijde is afgebeeld, is bij deze oude kaart het zuiden aan de bovenkant weergegeven (kaart: Nienoordse venen, Groninger Archieven).

Als wij het jaar 1754 bereiken, dan komen als eerste op de lijst van het buurschap Zuideijnde van het kerspel Roden de molenaar Egbert Clasen tegen, die eveneens naast zijn werk als mulder ook nog een keuterboerderijtje bezit. In de Haardstedenregisters van de jaren 1691 tot en met 1694 komen wij trouwens ook een Egbert Mulder tegen, die net als de andere molenaars boven aan de lijst van het buurschap Suijdeijnde staat. Of deze Egbert ook daadwerkelijk een molenaar is geweest, durf ik niet te zeggen, maar verbazen doet het mij niet. Egbert Clasen, ook wel Clasens genoemd, werd tot en met het jaar 1784 genoemd in de archieven van het Haardstedengeld. Het is trouwens ook de dezelfde Egbert Klaassen die met Annechien Egberts gehuwd was. Hun dochter Aaltjen Egberts zou later met de latere molenaar van de molen, Engbert Geerts van Esch, trouwen.

Zoals duidelijk in de vermelding van het Haardstedengeldregister van het jaar 1754 te zien is, wordt Egbert aangeslagen als mulder en keuter. Ook is mooi te zien op de afbeelding dat de molenaar als eerste op de lijst van het buurschap Zuideijnde staat (bron: Oude Staten Archieven (OSA), toegangsnummer 0001, inventarisnummer 868.24, Haardstedengeld Roden, Zuideijnde, 1754, pagina 3691).

De negentiende eeuw breekt aan in het dorp Roden en naast de molen in het Zulter Nijland, verschijnt er in Nietap ook een korenmolen. Het groeiend aanbod  van graan uit de omgeving zal hier zeker een rol in hebben gespeeld. Een jaar later, in 1803, was Claas Egberts overleden en nam zijn zwager Engbert Geerts van Esch de taak van molenaar over en bleef dit doen tot het jaar 1831. Inmiddels had van Esch de standerdmolen, het huis, de bouwlanden en de tuin in zijn bezit gekregen.

Op de Franse legerkaart uit 1811-1813 werd de Roder korenmolen van Engbert Geerts van Esch in het Zulter Nijland zelfs specifiek vermeld. Een ander mooi detail op de kaart van het gebied, is toch wel dat de enorme heidevelden, het vele groen en bossen van toen nog goed zichtbaar zijn. Een groter contrast met vandaag de dag bestaat er haast niet (bronDrents Archief).

In 1821 stonden in de gemeente Roden dus twee korenmolens, 1 in Roden en 1 in Nietap. Op de website van Molendatabase staat het onderstaande over het maalproces dat in de molens plaatsvond: ‘Bakkers, boeren en burgers maakten gebruik van de diensten van de korenmolenaar. Wanneer er een zak rogge of “pong” werd gebracht waaraan een “strozeel”, (bos stro) was gebonden, dan wist de molenaar dat het een “stoetpong”, (stoet voor brood) was, en de rogge fijngemalen moest worden. Werd er een klein zakje met rogge bezorgd, dan was dat een teken dat er heel grof gemalen moest worden, want dan was het bestemd voor het maken van bloedworst. Was het een gewone pong rogge (zonder strozeel), dan werd het graan normaal gemalen, dan was het bestemd voor veevoer. Boekweit was een ander soort gewas. Het werd verbouwd op de hei en in het veen. Een gewas met geurige witte en rose bloemtrossen. De bloemen van boekweit waren rijk aan honing. Vóór het zaaien van boekweit werd de hei en het bovenste laagje veengrond eerst afgebrand. Van de bruin-melige boekweitkorrels werd boekweitmeel gemalen, en gebruikt voor pap en pannenkoeken. Het werd ook gemengd met rogge in roggebrood. Vervolgens was het ook geschikt voor veevoer.5

De advertentie die de korenmolenaar van Esch in november 1831 in de krant laat plaatsen om de molen, het huis met tuin te willen verkopen. Over de twee percelen bouwland van de mulder wordt geen woord gerept. De advertentie verschijnt vier dagen later nogmaals in de krant van dinsdag 29 november 1831 (bron: Drentsche courant, vrijdag 25 november1831, nummer 94, pagina 4, te Assen bij C. van Gorcum, Provinciale Drukker).

In 1831 is de molenaar Engbert Geerts van Esch het werken op de molen beu en wilde hij zich gaan wijden aan houden van een boerderij. Op vrijdag 25 november van dat jaar verschijnt er in de Drentsche courant een advertentie, waarin van Esch de standerdmolen samen met het huis en de tuin uit de hand wil verkopen. Voor meer informatie kon men bij de beklemmende meyer en korenmolenaar in Roden, die woonde in het Zuideinde op nummer 151 in het Zulter Nijland, langskomen. Opvallend is wel, dat hij zich hier een beklemmende meyer noemt, wat er op duidt dat de beste man enkel de gebouwen en de gewassen op de grond als rechtmatige pachter mocht gebruiken, maar niet dezelfde grond in het bezit had. Uit de Kadastrale gegeven uit 1832, die waarschijnlijk een jaar eerder zijn opgenomen, blijkt dat de korenmolenaar wel degelijk de eigenaar van de molen, het huis met tuin en  een paar percelen bouwland westelijk van de molen, is geweest.

Op de Kadastrale kaart uit 1832 zijn de percelen van Engbert Geerts van Esch en consorten rood omlijnd. De partner van Engbert Geerts was zijn oudste zoon Berend Engberts van Esch, die net zoals zijn vader ook korenmolenaar van beroep was. De volgende percelen behoorden aan hen toe: I-2bis bouwland, I-4 tuin, I-5 huis & erf, I-6 molen & erf, I-59 bouwland, I-60 bouwland (Kaart 1832Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).

De volgende korenmolenaar in het Zulter Nijland werd de uit Odoorn afkomstige Jan Westerhuis. Samen met zijn vrouw Janna Schutrups en hun 5 kinderen Karst, Hindrik, Gerhardina, Johanna Jans en Jan, betrokken zij de molenaarswoning met het nummer 151 aan het Zuideinde. Wellicht voldeed de oude gesloten standerdmolen niet meer aan de eisen en was het aanbod van graan zo groot geworden, dat Westerhuis het voorbeeld van Nietap ging volgen en voor een grotere molen met een hogere productie koos. Op de plaats van de oude standerdmolen liet Jan een achtkante bovenkruier met stelling, een zogenaamde stellingmolen met zelfzwichting bouwen.

De Balie- of stellingmolen zoals deze na 1831 in Roden stond en de molen dankt zijn naam aan het platform, die ook wel omloop of zwichtstelling genoemd wordt. De stelling dient ervoor, dat de molenaar daarop kan gaan staan en de wieken met de zeilen kan beleggen en de zeilen verder wegnemen, wanneer met het malen wordt gestopt. Ook maakt hij er gebruik van, wanneer de molen moet zwichten. Een aantal stellingmolens waren zelfzwichters. Een zelfzwichter is een type windmolen dat wordt gekenmerkt door het feit dat de wieken zijn voorzien van kantelbare kleppen die automatisch hun stand aanpassen aan de kracht van de wind. In het boek ‘Hollandsch Molenboek’ door C. Visser en J. Pieterse uit 1921 geeft men aan dat men molens met zelfzwichting vrijwel uitsluitend in onze noordelijke provinciën aantreft (afbeelding: J. Pieterse, pagina 32, Hollandsch Molenboek door C. Visser en J. Pieterse. N.V. Holdert & Co., Amsterdam, 1921).

In het jaar 1840 komen wij het gezin Westerhuis tegen in archieven van de volkstelling die bij hen al een jaar eerder plaats had gevonden. De op donderdag 17 maart 1785 te Exloo in de gemeente Odoorn geboren Jan Westerhuis is tijdens de volkstelling nog maar 54 jaren oud. In oktober van het jaar 1847 huwt hun dochter Johanna Jans op 22-jarige leeftijd met de boerenzoon Jan Jans Thij van 25 jaar oud in Roden.

De vermelding van het gezin van Jan Westerhuis op het adres Zuideinde 151 te Roden (bron: Volkstelling, 1840, archiefnummer 2001.21, inventarisnummer 2, Gemeente: Roden).

Acht jaren later, als de korenmolenaar 70 jaar oud is, besluit zijn vrouw Janna Schutrups te gaan hemelen en blijft de oude man alleen achter. Het volgend jaar 1856 brengt ook alleen maar ellende. Jan Jans Thij komt dat jaar op 34-jarige leeftijd te overlijden en laat zijn vrouw met 3 kleine kinderen achter. Zijn oudste zoon Karst is eveneens molenaar van beroep en zal het zware werk van de oude Jan hebben overgenomen. Op dat moment heeft de woning inmiddels het adres Roden 180. Het is niet uit te sluiten dat kleine Jan Thie samen met zijn opa regelmatig in en nabij de molen te vinden was en zo de liefde voor het vak gevonden heeft.

De situatie op de kaart die uit 1879 stamt en in de jaren zestig is gebruikt voor de weergave van de Kadastrale percelen op de plaats waar eens de molen heeft gestaan (Bron: Drents Archief).

Op donderdag 27 september 1866, twee dagen na de Roder paardenmarkt en 81 jaar en 6 maanden oud, sluit de oud korenmolenaar Jan Westerhuis voor het laatst zijn ogen en blijft de vrijgezelle zoon Karst over om de molen in bedrijf te houden. Ook dan zal de inmiddels 14-jarige Jan zijn oom regelmatig geholpen hebben bij de zware werkzaamheden binnen en om de molen als het werk op de boerderij van moeder het toestond. Zestien jaar later trouwt Jan Thie met de uit Yde, gemeente Vries afkomstige Alida Homan en wordt daarna in 1882 waarschijnlijk samen met zijn oom Karst molenaar.

In juni van het jaar 1890, tijdens de bevalling van hun laatste dochter Johanna gaat het blijkbaar goed mis. Alida komt in de maand augustus te overlijden en dochter Johanna doet dat in de maand september. Twee jaar later hertrouwd Jan met de uit Tolbert afkomstige Alberdina Cazemier in Roden en wordt de molen in het Zulter Nijland afgebroken en weer aan de Herestraat in het dorp opgebouwd. Karst Westerhuis maakt het allemaal nog mee en komt in 1909 te Roden op de respectabele leeftijd van 91 jaar en vier maanden te overlijden. De molen werd in het jaar 1919 definitief afgebroken.

Het huidige gebied vanuit de lucht en in het jaar 2015 gefotografeerd. Alleen nog de Molenweg doet ons vermoeden dat hier ooit een molen heeft gestaan (Afbeelding: Topotijdreis.nl).

1 Oude Vaderlandsche Rechtsbronnen. Ordelen van den Etstoel van Drenthe 1518 – 1604. Uitgegeven door Mr. J. G. Ch. Joosting, Rechtskundig ambtenaar aan het gemeente-archief van Utrecht. ‘s-Gravenhage, Martinus Nijhoff, 1893. Bladzijde 160.

2 Een schattingslijst van Roden uit 1546. Alma, Redmer H.. (1997) – In: Drents genealogisch jaarboek vol. 4, 1997. Bladzijden 30-34

3 Register van het archief van Groningen 1534 tot 1577, Volume 2, door Mr. H. O. Feith. Archivaris der Provincie Groningen. Te Groningen, bij A.L. Scholtens, 1854. Bladzijde 59.

4 De bouw van een molen te Roden ( Dr.) in 1551, art. door B.D. Poppen in Molinologie nr. 40-2013, pag. 31-36.

5 Molen van Thie, Roden. https://www.molendatabase.org/molendb.php?step=details&nummer=923

Geroffel in de Meidoornlaan.

Trots als een pauw moet zich gevoeld hebben daar in zijn nieuwe woning aan de Meidoornlaan en sloeg liefdevol een arm om zijn Harmke. Met een traan van ontroering in zijn ogen legde hij de krant op de keukentafel en zuchtte diep. Ja, de Schepper had het goed voor met Jan en dat liet hij nu duidelijk blijken. Jan Roffel was net in de nieuw aangelegde straat de Meidoornlaan komen wonen en deed veel voor de geloofsgemeenschap van de Doopsgezinde kerk in Roden. Zo was hij armmeester in de instelling van zijn kerk die in moeilijke tijden de armen ondersteunde, het zogenaamde armbestuur. Niet alleen was Roffel in de Provinciale Drentsche en Asser courant verschenen, zelfs Sjoerd Leiker van de Regionale Omroep Noord (R.O.N.) stuurde een verslaggever naar het prachtige dorp Roden om verslag van het geheel te doen.

Het huis aan de Meidoornlaan waar Jan en Harmke Roffel kwamen te wonen in 1950 staat er nog steeds.

Er heerste in het naoorlogse Roden en omgeving een behoorlijke woningnood en vanaf 1947 was het toenmalige gemeentebestuur al bezig met het plannen van een nieuwe weg met daarlangs gelegen een groot aantal percelen voor de broodnodige woningbouw. Dat niet iedereen het eens was met de aanleg van de weg door de Zulte, bleek we uit het feit dat de gemeente de benodigde stukken land moest gaan onteigenen. Deze gronden waren dus nodig voor aanleg van een nieuwe weg vanaf de Peizerweg, Kanaalstraat, Zulterweg naar de Leeksterweg. In 1948 werd door de gemeenteraad van Roden besloten om een klinkerweg van vijf meter breed vanaf de Peizerweg, de huidige Groningerstraat, tot aan de Kanaalstraat aan te leggen. Tevens werd er besloten dat er een parallelweg over een lengte van 100 meter in de weg diende te komen. Het betrof hier dus de Kastanjelaan. Kort daarna volgden de Bloemstraat, tussen de Kanaalstraat en de Zulterweg, de latere Zulthereschweg, en de Meidoornlaan die eindigde bij de Leeksterweg.

Rechts op de afbeelding in de Kastanjelaan te zien, links ligt de circa 100 meter lange parallelweg. De Kastanjelaan is heden ten dage geasfalteerd, maar na de aanleg was het nog een klinkerweg.

De gemeente Roden bouwde dus volop aan de weg, letterlijk en figuurlijk, om een groter dorp te worden. Nu was het aantal inwoners al meer dan verdubbeld; van zo’n 3000 inwoners rond 1919 tot een slordige 6700 Roners in het jaar 1949. Nu moet wel eerlijk gezegd worden dat door zijn ligging Roden veel meer had met de stad Groningen dan met Assen, die onze bestuurlijke hoofdstad was. En ergens had het toenmalige gemeentebestuur ook wel een beetje het idee dat het dorp Roden ook wel een stuk groter mocht worden dan eigenlijk in de planning lag.

Het artikel op pagina 4 van de Provinciale Drentsche en Asser courant die op dinsdag 29 maart verscheen. Hoe je een dorp moet promoten, dat kon je wel aan het toenmalige gemeentebestuur overlaten (bron: Provinciale Drentsche en Asser Courant, dinsdag 26 maart 1949, 124e jaargang, nummer 72 , pagina 4).

Een artikel op pagina 4 in de Provinciale Drentsche en Asser courant van dinsdag 26 maart 1949 wordt het woningtekort flink aangekaart. Een gedeelte van de kop boven het artikel luidde dan ook: “Woningbouw hield geen gelijke tred met vestiging van personen. Gevolg: Ontstellend woninggebrek”. En ja, het klonk erg dat er op de 1400 woningen een tekort is van minsten 200. En toch blijkt het gehele artikel een grote promotie van het dorp te zijn om meer inwoners te lokken naar het prachtige dorp. De kop boven het artikel spreekt boekdelen: “Een Drentse gemeente die graag de woonplaats van Groninger forensen wil worden”. Vervolgens volgt er en promotiepraatje waarbij de medewerkers van de toenmalige V.V.V. het schaamrood op de kaken zou zijn gestegen. Naast dat er inmiddels riolering was aangelegd, besloot de gemeenteraad drie dagen, op 29 maart, na het artikel tot uitbreiding van het elektrisch net te Roden tussen Meidoornlaan en de Kastanjelaan.

Feest in de Meidoornlaan. Zelfs de burgemeester en een verslaggever van de Regionale Omroep Noord verschenen ten tonele om het heugelijk feit te vieren dat Jan en Harmke de 29ste klant van de Bouwkas Noord-Nederlandse Gemeenten waren (bron: Provinciale Drentsche en Asser Courant, dinsdag 28 maart 1950, 125e jaargang, nummer 75 , pagina 2).

Bijna een jaar later, op dinsdag 28 maart 1950, is het feest in de Meidoornlaan bij nummer 16. In een artikel in de Provinciale Drentsche en Asser courant van Woensdag 29 maart, wordt mooi beschreven hoe Jan Roffel met een grote glimlach op zijn gezicht de nog door de verse verf glimmende voordeur van zijn nieuw paleis opendoet voor een aantal hoogwaardigheidsbekleders. Zelfs de Roner burgervader Helwerda hield een lange toespraak, waarbij de toeschouwers blij waren dat de beste man eindelijk uitgepraat was en zij aan de heerlijke thee van Harmke konden gaan zitten. Met een lekker koekje erbij natuurlijk.

De overlijdensadvertentie van Jan Roffel die geplaatst werd door zijn familie in de krant (bron:
Nieuwsblad van het Noorden, zaterdag 02-06-1956, 69e jaargang, nummer 128, pagina 4).

De burgermeester roemde Roffel dat hij inmiddels de 29ste cliënt is die zich via N. G. G. (Bouwkas Noord-Nederlandse Gemeenten) van een eigen woning heeft kunnen voorzien. En er waren nog ruim 90 Rodenaren die iedere maand een spaarduitje achteruit legden om een huis te kunnen verwerven. De N.V. Bouwkas Noord-Nederlandse Gemeenten werd in 1947 te Assen opgericht om burgers tot het zogenoemde bouwsparen, het sparen voor de bouw van een eigen woning op te roepen. Na het sparen van een bepaald bedrag in de Bouwkas ontving de spaarder een hypothecaire lening. Na aanvraag en toekenning van een rijkssubsidie had de spaarder voldoende middelen om een eigen woning te laten bouwen.

Van het eerbetoon aan Jan Roffel, die door veer belangstellenden werd bijgewoond, deed zelfs het Nieuwsblad van het Noorden verslag (bron: Nieuwsblad van het Noorden, dinsdag 5 juni 1956, 69e jaargang, nummer 130, pagina 3).

Slechts zes jaren konden Jan en Harmke Roffel en hun inwonende dochter Martha genieten van hun prachtig paleisje aan de Meidoornlaan. Op vrijdag 1 juni in het jaar 1956 verwisselde Jan op 59-jarige leeftijd het tijdelijke met het eeuwige leven. Berooid bleven Harmke en Martha achter in het huis aan de Meidoornlaan. Wederom kon er een burgemeester komen opdraven om Jan op te hemelen en hem te eren. Burgervader Cramer en vele andere belangstellenden namen op dinsdag vijf juni afscheid van een sociaal zeer bewogen inwoner van het dorp Roden. 1956 was ook het jaar dat dochter Martha door de rechtbank in Assen op 16 augustus  onder curatele werd geplaatst.

Blijkbaar was hun dochter Martha niet in staat haar financiën en persoonlijke zaken zelf te regelen en kwam ze onder curatele (bron: Provinciale Drentsche en Asser courant, zaterdag 18 augustus 1956, 131e jaargang, nummer 192, pagina 6).

Samen met hun drie kinderen zal Harmke besloten hebben om het voormalig droom paleisje te gaan verkopen. Op de zaterdagen 13 als 20 oktober 1956 verschijnt een advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden, waarin de familie Roffel notaris Jac. Kuiper te Roden de opdracht geven het huis te gaan verkopen. De verkoping vond plaats in het café van J. Scheepstra Hzn. aan de Brink op woensdag 24 oktober. Het huis werd verkocht aan de heer L. Veninga te Roden voor 15.000 gulden, waarbij de koper ook nog eens 6000 gulden over de koopsom betalen om de rijksbijdrage over te nemen.

De advertentie die notaris Jac. Kuiper liet plaatsen in het Nieuwsblad van het Noorden. De verkoping vond plaats in café Scheepstra op de Brink naast de kerk in Roden (bron: Nieuwsblad van het Noorden, zaterdag 20 oktober 1956, 69e jaargang, nummer 248).

Harmke Roffel – Huizing, die op zaterdag 19 februari 1921 te Leek met Jan getrouwd was, overleed op zaterdag 27 augustus 1966 te Roden, 71 jaren oud. Dochter Martha overleed in 1975.

Het bericht in de Provinciale Drentsche en Asser courant dat de uit Roden afkomstige L. Veninga het huis aan de Meidoornlaan van de familie Roffel had gekocht (bron: Provinciale Drentsche en Asser courant, vrijdag 26-10-1956, 131e jaargang, nummer 251, pagina 9).

Blauwe dag, gokken en een verhuizende Job aan de Zultheresweg.

“Miroakels!” zal menig bewoner hebben gedacht aan de Zultheresweg in Roden op die vroege donderdagmiddag van de 31ste mei in het jaar 1962. Voor velen was deze Hemelvaartsdag een vrije dag en aan drukte dacht men toen niet. Zeker niet op nu het weer roet in het eten gooide en de regen en de wind de omgeving aan het teisteren was. De verwondering steeg daarom des te meer dat er zich steeds meer mensen begonnen te verzamelen in de Zultheresweg nabij het punt waar de weg uitkwam op de Leeksterweg ter hoogte van ’t huis van Berends bij het Schoollaantje. Voor veel mensen uit de wijde omgeving van het Noord-Drentse dorp Roden was het echter geen verrassing dat zich hier een grote mensenmenigte aan het verzamelen was. En nee, het had niets met het Concours Hippique en de traditionele kermis in het dorp te maken, die eveneens op Hemelvaartsdag plaatsvonden.

Zowel de Friese koerier als de Leeuwarder courant hadden al op de voorgaande zaterdag 25 mei de nodige aandacht besteed aan de optocht die plaats zou gaan vinden vanaf de Zultheresweg en het Nieuwsblad van het Noorden deed dit netjes over in de krant die op dinsdag 29 mei was verschenen. Samen met de vakbond N.V.V. en de gereformeerde kerk in Roden was het Interprovinciaal Comité voor Drankbestrijding in de vier noordelijke provincies van plan een zogenaamde ‘Blauwe dag’ te gaan organiseren in het gemeentelijk wandelbos van Roden.

De advertentie voor de zogenaamde Blauwe dag, die op 31 mei 1962 in hert gemeentelijk wandelbos van Roden aan de Norgerweg plaats zou vinden (bron: Nieuwsblad van het Noorden, dinsdag 29 mei 1962, 75e jaargang, nummer 125, pagina 7).

De organisatie had voor deze donderdag een compleet programma in elkaar gezet, waarbij ’s ochtends om 11 uur in de gereformeerde kerk een wijdingssamenkomst plaats zou gaan vinden met onder andere spreker ds. Van Petegem uit Zwaagwesteinde. Daarnaast zouden er optredens verzorgt worden door de Blauwe Zangers, Jelle Dijkstra (fluit) en J. v. d. Brui (orgel). De Blauwe Zangers uit Groningen waren eerder dat jaar ontstaan door het samengaan van twee geheelonthouderskoren: ‘Onthoudersstem’ en ‘Abstinentia’.

Het verslag van de Blauwe dag in Roden in de Leeuwarder courant van de dag er na (bron: Leeuwarder courant : hoofdblad van Friesland, vrijdag 1 juni 1962, 211e jaargang, nummer 127, pagina 19).

Nadat de optocht rond half twee, kwart voor twee richting het gemeentelijk wandelbos aan de Norgerweg vertrokken was, keerde rust terug in de Zultheresweg. De deelnemers konden zich ondanks het vreselijk slechte weer verheugen op optredens van De Blauwe Zangers uit Groningen, de uit Den Haag afkomstige radio artiest Jan Oradi (Jan Jacobus Cornelis van Raay) die imitaties uitvoerde, Veilig Spoor, Groningen en een openlucht toneelspel van De Blauwe Spelers uit Groningen met ‘Een zonnige morgen’. Heel optimistisch, maar die zonnige morgen zat er niet in die dag. De ballonwedstrijd voor de jeugd viel eveneens in het water.

Ondanks het slechte weer en het feit dat het de meeste Roners niets kon schelen dat er een demonstratie plaatsvond tegen het gebruik van alcohol, kwamen volgens een artikel in de Leeuwarder courant van een dag later, er toch nog zo’n 1000 tot 1200 bezoekers op het geheel af. Het zal voor de deelnemers een hele belevenis geweest zijn die zij niet zo snel zouden gaan vergeten. Al was het maar door het klote weer dat er die dag over het dorp Roden hing of de onverschilligheid van de inwoners van het dorp, die ’s avonds in de talrijke kroegen zaten en veel drank nuttigden.

Nee, het kon de Roners maar weinig jeuken en ze wisten het, er stonden belangrijkere dingen op hen te wachten. Het eerste belangrijke evenement was Ronermaark, de andere was inmiddels de verloting van de Vereniging voor Volksvermaken te Roden geworden, die reeds voor de vijfde keer gehouden zou worden. De hoofdprijs dit jaar was maar liefst een auto; een Austin Seven! Voor een tientje kon je een lot bemachtigen en goede doelen zoals muziek- , korfbal- en rijverenigingen, en de camping ‘Ot en Sien’ steunen. 

De drie verschillende advertenties van de Vereniging voor Volksvermaken te Roden waarin het adres van Job Berends ineens van Zultheresweg 3 naar Zultheresweg 9 gaat (bronnen: Nieuwsblad van het Noorden, zaterdag 20 oktober 1962, 75e jaargang, nummer 247, pagina 5, Nieuwsblad van het Noorden, zaterdag 3 november 1962, 75e jaargang, nummer 259, pagina 21, Nieuwsblad van het Noorden, vrijdag 23 november 1962, 75e jaargang, nummer 276, pagina 10).

Er werd dan ook een deugdelijke campagne opgezet om de loten aan de man te krijgen en naast dat het Nieuwsblad van het Noorden diende als klankbord, zette Vereniging voor Volksvermaken zelfs advertenties in de landelijke bladen. Je kon loten kopen bij Grimberg en Homan in de stad en zelfs bij Slagter in Appingedam. Maar als je in de Zulte woonde, kon je gewoon ’s avonds even naar Job Berends in dat kleine huisje aan de Zultheresweg fietsen en dan je loten bij de beste man kopen. Natuurlijk stond Berends zijn adres wel in de advertentie, maar als echte Roner wist je wel waar hij woonde.

De beide adressen van Berends in 1962, Zultheresweg 3 en Zultheresweg 9, in de advertenties zijn rood gearceerd (bronnen: Nieuwsblad van het Noorden, zaterdag 20 oktober 1962, 75e jaargang, nummer 247, pagina 5, Nieuwsblad van het Noorden, zaterdag 3 november 1962, 75e jaargang, nummer 259, pagina 21).

Wellicht was dat dan ook de reden dat het na de eerste advertentie niet was opgevallen, dat Job en de vrouw ineens van nummer drie aan de Zultheresweg naar nummer negen waren gegaan. Was het adres nog goed geplaatst in het Nieuwsblad van het Noorden van zaterdag 20 oktober, vanaf zaterdag 3 november ging het mis. Zelfs toen de advertentie in de editie van vrijdag 23 november aangepast werd met het adres van F. H. Nieuwhoff aan de Acacialaan 20 te Roden, de familie Berends bleef op nummer negen wonen! In de volgende jaren werd het adres van Job wel goed geplaatst.

Zelfs in het jaar 1989 verkocht én woonde de familie Berends nog in het mooie huis met het adres Zulthereschweg 3. En ja, ook toen nog verkocht de beste man loten voor Vereniging voor Volksvermaken te Roden (bron: Nieuwsblad van het Noorden, zaterdag 2 december 1989, 102de jaargang, nummer 283, pagina 8).

Zelfs tot in het jaar 1989 komen wij de beste man nog tegen op het adres Zulthereschweg 3 en verkocht hij nog loten. Vereniging voor Volksvermaken in Roden zal een goede verkoper hebben gehad aan de man, die vele oude Roners nog als buschauffeur van de E.S.A. herinneren.

Blaauwverwerij in de Zulte 38.

Aan het einde van het jaar 1856 verschijnt er in de Provinciale Drentsche en Asser courant van woensdag 10 december een advertentie van ene Cornelis Klaassens Hofsteenge, die ter zijner tijd een boerenbehuizing te koop zal gaan aanbieden. De dan 37-jarige Hofsteenge doet er in de advertentie uitvoerig verslag van dat het huis in het verleden diende als een blaauwverwerij en daarvoor nog steeds zeer geschikt is. Daarnaast beschikt het huis over drie kamers, hofgrond, bouwland en enige percelen hooiland met een venige onderlaag. Waarschijnlijk is de term ‘in het verleden’ redelijk betrekkelijk als het over de werkplaats voor het blauwverven gaat. Eerder dat jaar, op zondag 27 april 1856, wordt zijn zoon Klaas Hofsteenge geboren en bij het invullen van de persoonsgegevens, geeft Cornelis aan dat hij stoffenverver van beroep is. Dus het is zeer aannemelijk dat de beste man recentelijk gestopt was met het verven van stoffen en kleding in de werkplaats.

De advertentie zoals deze in 1856 in de Provinciale Drentsche en Asser courant verscheen. De voormalig stoffenverver uit de Zulte geeft aan voornemens te zijn om zijn woning te gaan verkopen (bron: Provinciale Drentsche en Asser courant, 33e jaargang, nummer 99, woensdag 10 december 1856, 3e blad).

Het huis dat in het jaar 1832 nog in het bezit was van de Kindren van Floris Aukema, was in de latere jaren in het bezit gekomen van Cornelis Klaassens Hofsteenge, die toen nog het vak van riet- en strodekker bekleedde. De op donderdag 24 juni 1819 geboren zoon van de tapper Klaas Hofsteenge en zijn vrouw Angenietje Reinders trad op zaterdag 5 december 1845 in het huwelijk met de 25-jarige uit Peize afkomstige Jantien Jans Melkman, die weduwe was van Harm Hindriks Sietsema. Het huwelijksfeest zal ongetwijfeld op het adres Zuideinde 147 te Roden plaats hebben gevonden, daar waar de tapper Klaas Hofsteenge woonde. Tegenwoordig heeft het pand het huisnummer Brink 20.

De percelen E-346 (huis en erf) en E-347 (tuin) op de Kadastrale kaart van 1832. Op het eerste perceel bevond zich dus de tapperij van kastelein Claas Hofsteenge aan het Zuideinde in Roden. In dit pand zullen de feestelijkheden van het huwelijk tussen Cornelis Klaassens Hofsteenge en Jantien Jans Melkman ongetwijfeld hebben plaatsgevonden (Kaart 1832Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).

In het jaar 1856 woonde Cornelis Klaassens, destijds ook wel als Klasens geschreven, dus met zijn vrouw Jantien Jans Melkman en hun vier kinderen dochter Angenietje Cornelis (1847), zoon Jan Cornelis (1851), dochter Aaltien Cornelis (1853) en de in april van dat jaar geboren zoon Klaas Cornelis, in het huis in het voormalig esgehucht de Zulte met het nummer 38. Daarnaast verbleef ook de dochter uit Jantien Jans haar eerste huwelijk, de in 1845 geboren Harmanna Harms Sietsema en de 23-jarige boerenknecht Evert Jans Wold.

Op het perceel I-170 op de Kadastrale kaart uit 1832 komen wij het huis tegen, waarin later de familie Hofsteenge kwam te wonen. De grote boerderij die naast de woning staat, was destijds in het bezit van landbouwer Jacob Jans Sinninge (Kaart 1832Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).

Toen het gezin hier kwam te wonen werkte Cornelis Klaassens dus nog als een dakdekker en voorzag dus gebouwen van een dakbedekking van riet of stro. Een oude omschrijving zegt: “De rietdekker is een ambachtsman, wiens werk het is huizen, boerderijen, hooibergen en molens met riet te dekken. Het dakspan word hierbij bedekt met rieten schoven, die vervolgens door den Rietdekker glad aangeslagen…worden. Het riet (en ook stro) wordt hierbij met een twijg of teen, de derwisch aan de dakroeden gebonden. De strodekker dekt huizen met stro. Per vierkante meter strodak heeft men daarvan twaalf kilogram nodig.1

De samenstelling van de acht bewoners in het huis met het nummer Zulte 38 aan het einde van het jaar 1856 (bron: Drents Archief, Bevolkingsregister Deel 1, 1852-1862, archiefnummer 2001.21, inventarisnummer 3 Gemeente: Roden).

Later in de jaren vijftig van de negentiende eeuw blijkt Cornelis Klaassens zijn ambacht van riet- en stroodekker ingeruild te hebben voor het beroep van stoffenverver. Hij ging dus stoffen verven, door bijvoorbeeld met een oplossing waarin de kleurstof indigo zat en het stof een blauwe kleur kreeg. Voor veel mensen was het in die tijd veel goedkoper hun kleren te laten verven, dan dat zij nieuwe kleren moesten kopen. In het Statistisch jaarboekje voor het Koningrijk der Nederlanden, dat de welvaart en de industriële ontwikkelen in ons land in de gaten hield, merkt op dat: “In Drenthe telde men rond het jaar 1854 nog vijf blaauwverwerijen in de provincie, twee in Assen en de andere drie bevonden zich in Dalen, Dwingelo en Roden.2 Zo werd ook de Ter Heilster pannenfabriek genoemd: “Van de vier steenbakkerijen in Drenthe hebben ééne te Ter Heil, gemeente Roden, tevens pannenbakkerij, en ééne te Emmen niet gewerkt. De beide overige werkten met 8 mannen en 2 jongens, de eersten tegen f 1, de laatsten tegen f 0.90 daags.2

De advertentie van de publieke verkoping van het huis en de landerijen van Cornelis Klaassens Hofsteenge gelegen in de Zulte en gehouden in de kroeg van Harm Schuring. Deze advertentie verscheen een week later nogmaals in de Provinciale Drentsche en Asser courant van zaterdag 3 januari 1857 (bron: Provinciale Drentsche en Asser courant, 33e jaargang, nummer 104, zaturdag 27 december 1856, 4e blad).

Aan het einde van de maand december in het jaar 1856 hakt Cornelis Klaassens de knoop door en kan notaris Herman Hubert van Lier uit Assen aan de slag om het een en ander gereed te maken voor de verkoping, die plaats zal vinden in de herberg van Harm Schuring in Roden. Deze bevond zich destijds ongeveer op de plaats waar nu de ‘Pompstee’ staat. Op zaterdag 27 december staat de advertentie in de Provinciale Drentsche en Asser courant en kan een ieder die belangstelling toont voor de woning en de landerijen, op dinsdag 6 januari 1857 dus zijn bod uitbrengen in de kroeg van Schuring.

Uiteindelijk wordt de hele handel verkocht en vertrekken Cornelis Klaassens Hofsteenge en Jantien Jans Melkman in de maand mei van het jaar 1857 naar Zevenhuizen in de gemeente Leek. Hofsteenge is zijn vorige beroepen blijkbaar beu en gaat op 37-jarige leeftijd een compleet nieuwe uitdaging aan: Landbouwer. Dat het in Zevenhuizen vruchtbaar is voor het echtpaar blijkt wel, dochter Egbertje ziet op dinsdag 19 april 1859 voor het eerst het licht en dan volgt zoon Kornelis op vrijdag 3 januari 1862.

Op de kadastrale kaart uit het jaar 1887 is goed te zien dat de kapitale boerderij naast het voormalig huis van Cornelis Klaassens Hofsteenge is verdwenen en plaats heeft gemaakt voor een kleiner gebouw (Bron: Drents Archief).

En toch kan Cornelis het ware beroep niet vinden en komen wij de oud Roner in het jaar 1865 weer tegen. Nu woont hij met zijn gezin in de Grootegast, waar hij nu werkt als vleeshouwer en daar wordt een levenloos kind geboren op woensdag 25 oktober 1865. Vijf jaren later duikt Cornelis weer op, maar deze keer in Oldekerk waar hij nu als slager werkt. Echter het zit Cornelis en Jantje weer niet mee en op zaterdag 3 december 1870 komt hun 19-jarige in Roden geboren zoon aldaar te overlijden. Uiteindelijk sluit Cornelis in het jaar 1885, 66 jaar oud, zijn ogen voor het laatst en Jantje volgt haar echtgenoot elf jaren later in 1895 op 75-jarige leeftijd.

De situatie op de plaats waar eens de blaauwverwerij van Cornelis Klaassens Hofsteenge en zijn Jantje gestaan heeft in het midden van de jaren zestig van de twintigste eeuw. De originele kaart stamt uit het einde van de negentiende eeuw en werd later gebruikt door de ambtenaren van de gemeente Roden om de vorderende woningbouw binnen het dorp in kaart te brengen. Het betreft hier op de kaart de plaats waar tegenwoordig het Wethouder Deodatusplantsoen ligt (Bron: Drents Archief).

Bijna een jaar later besluit ook Cornelis Klaassens zijn vader, Klaas Cornelis Hofsteenge,  het bijltje er bij neer te gooien en zet zijn huis aan het Zuideinde in Roden te koop. Na het verlies van zijn vrouw op zondag 24 december 1848 en het vertrek van Cornelis en Jantje naar Zevenhuizen, zet nu Klaas Cornelis notaris Herman Hubert van Lier aan het werk. Op dinsdag 24 december 1857 verschijnt er in Provinciale Drentsche en Asser courant op het derde blad een advertentie met het voorgenomen verkoop van de woning, welke plaats zal hebben op vrijdag 4 december 1857 bij Harm Schuring. Je zou haast iets gaan vermoeden dat er een link tussen de familie Hofsteenge en de maand december bestaat. Klaas Cornelis Hofsteenge sluit voor altijd zijn ogen in Roden op zondag 17 september 1865.

Voor Klaas Hofsteenge was het in het jaar 1857 welletjes en ook hij besloot zijn herberg te verkopen. Zijn vrouw Angenietje Reinders was negen jaren eerder op zondag 24 december 1848 overleden en nu dat Cornelis en Jantje waren verhuisd, zal de lol er wel voor Klaas zijn afgegaan (bron: Provinciale Drentsche en Asser courant, 34e jaargang, nummer 141, dingsdag 24 november 1857, 3e blad).

Toen Cornelis Klaassens naar Zevenhuizen in de gemeente Leek was vertrokken, verkocht hij de woning in maart 1857 in de Zulte aan de op zondag 20 juni 1813 te Eelde geboren Aleph Dekker, ook wel Alef genoemd. Dekker was net zoals Hofsteenge verver van beroep, dus deze locatie die geschikt was voor de ververij kwam als geroepen. Samen met zijn tweede vrouw, de op donderdag 13 september 1832 in Peize geboren Diena Alberts Talens betrekken zij in het jaar 1859 het huis. Op vrijdag 24 augustus 1860 wordt hier hun dochter Gerritdina Dekker geboren. In oktober dat jaar trekt de in 1787 te Groningen geboren en gepensioneerde Frederik Noordbergen bij het gezin Dekker. Aleph Dekker blijft tot aan zijn dood op maandag 15 januari 1894 in de Zulte zich verver noemen.

Het gezin van de Aleph Dekker in het huis met het nummer Zulte 38 rond het jaar 1862. De gepensioneerde Frederik Noordbergen vertrok later naar Peize (bron: Drents Archief, Bevolkingsregister Deel 1, 1852-1862, archiefnummer 2001.21, inventarisnummer 3 Gemeente: Roden).

Zoals op veel plaatsen binnen het huidige dorp Roden het geval is, zijn de sporen van de oude bewoning compleet verdwenen en zijn er enkel oude kaarten en archiefstukken die ons nog op de rijke geschiedenis van de vele gebieden kunnen wijzen. Tegenwoordig staan er ook huizen op de plaats waar eens de blaauwverwerij zich bevond en er door Cornelis Klaassens Hofsteenge en later Aleph Dekker kledingstukken werden geverfd.

De rode pijl wijst de plaats aan op een luchtfoto uit 2019 waar eens het huis van Cornelis Klaassens Hofsteenge heeft gestaan. Tegenwoordig bevinden twee woningen op de plaats van de voormalige blauwververij: Molenberg 12 en Wethouder Deodatusplantsoen 33 t/m 33 A (Afbeelding: Topotijdreis.nl).

1 Ambachten, beroepen en functies van toen

2 Statistisch jaarboekje voor het Koningrijk der Nederlanden. Vierde jaargang. Uitgegeven door het Departement van Binnenlandsche zaken. Te ’s Gravenhage, bij van Weelden & Mingelen en bij hunne correspondenten. 1854.