Over het gehucht.

Het voormalig buurtschap de Zulte rond 1820.

Het voormalig buurtschap de Zulte vertoonde tot ver in de jaren tachtig van de negentiende eeuw een voor veel Drentse dorpen en gehuchten herkenbaar uiterlijk, dat veel weg had van een wat wij vandaag de dag een esdorp zouden noemen. Het was aan het begin van de negentiende eeuw een klein gehucht met een grote brink en een geconcentreerde bebouwing waarbij de gebouwen vrij dicht bij elkaar stonden, een oostelijk van het buurtschap gelegen grote es, een beekje waar langs de hooilanden lagen en veel bossen. Daarnaast bevond zich een een groot heideveld in de directe nabijheid van het buurtschap en bezat het een schaapskudde. Noordwestelijk van de brink en de huizen lag een met greppels, struiken en bomen afgerasterd pad, dat dienst deed als schapendrift. Daarnaast was de ligging van het voormalig brinkgehucht aan de rand van het Drents plateau, op de overgang van droge zandgronden en natte weidegebieden, een andere voorwaarde waar een typisch Drents esdorp aan behoorde te voldoen. Een minstens net zo’n belangrijk aspect dat typerend voor de bewoning van een esdorp was, waren een goorn (moestuin) en een boomgaard die zich nabij de boerderijen bevonden. Kortom, ondanks dat de Zulte maar een klein brinkgehucht was, voldeed het dus aan de eisen om een esdorp, of beter gezegd een esgehucht, genoemd te worden.

De Zulte rond het jaar 1880.

  De Zulte was in het verleden echter meer dan en klein esgehucht ten noordwesten van het dorp Roden. Een groot gebied van een kleine dertien vierkante kilometers droeg eveneens dezelfde naam als het kleine buurtschap. Grofweg begon het in het noorden ter hoogte van de Turfweg en liep door in het zuiden tot aan de plaats waar zich de molen bevond, de locatie van de huidige begraafplaats. In het westen lag de grens op de plaats waar nu de Woldzoom ligt en strekte zich uit tot het punt waar de Haarveensedijk met de Roderwolderdijk kruist. Later in het jaar 1832, toen het kadaster het gebied uitgebreid op de kaart zette, werden de grenzen een behoorlijk stuk duidelijker. Zo omvatte het gebied bijvoorbeeld een groot gedeelte van het dorp Roden.

Het eerste blad van de in 1832 uitgebrachte Kadastrale kaarten betreffende de Sectie I genaamd de Zulte.

  De naam Zulte, of eigenlijk ‘Sulte’, komen wij al tegen in de archieven die stammen uit het jaar 1612 en waarin vermeld staat, wie waar en hoeveel land in de Sulte bezat. Over het bezit diende de desbetreffende eigenaar vervolgens belasting te betalen. Deze vorm van belasting die na april 1580 werd ingevoerd nadat de provincie Drenthe opging in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, was een belasting (Omslag) op ingezaaid akkerland. Op grond hiervan kregen in 1612 de belastingpachters van het Drentse bestuur de opdracht lijsten aan te leggen van elke belastingplichtige. Daar deze belasting evenredig verdeeld werd over de Drentse inwoners, varieerde het te betalen bedrag per jaar naar gelang het totaalbedrag dat door de provincie Drenthe aan de Staten-Generaal moest worden opgebracht. (*)

Een afbeelding uit 1612 met de vermelding van de eigenaren van de ‘Bezaaide Landen’.

  Zo komen wij in de lijst van bezaaide landen uit het jaar 1612 ene Jan Baringe tegen, die werd aangeslagen voor zeven mud en twee schat, een oppervlakte van ongeveer twee hectare naar het huidig meetstelsel gerekend. Er is maar weinig over de activiteiten van Baringe in de Sulte terug te vinden. Wel komen wij zo’n honderdvierentwintig jaren later een akte tegen uit 1736, waarin ruim een achtendeel van een waar waardeel van een boermarke, door nabestaanden of erfgenamen van Baringe verkocht worden.

  Een andere vorm van het heffen van belastingen in Drenthe was het zogenaamde haardstedegeld. Het was een vorm van belasting die 1672 was ingevoerd en waarvan men eerst de intentie had om deze slechts eenmaal te heffen om de kosten van de oorlogsinspanningen te dekken. De belasting werd geheven op het aantal paarden die de belastingplichtige in zijn bezit had en deze kreeg vervolgens een kortingsheffing naar gelang het aantal dieren waarmee hij de es op ging. Het bedrag lag op één gulden per paard, waarbij een keuter slechts aangeslagen werd voor het hebben van een enkel dier. Hetzelfde gold eigenlijk voor ambachtslieden, waarbij de belasting vermeerderd met een toeslag voor het ambacht. Daarnaast werd er soms de omvang van het erf erbij vermeld. Haardstedegeld werd tot het jaar 1804 jaarlijks geïnd.†††

Het boek waarin de afdracht van het Haarstedegeld werd bijgehouden.
Zulte, Buurt onder Rhoden, met Ter Heil 94 Zielen, Drents Departement van de Eems I, Hoofdplaats Leeuwaarden, Gerichtshof Groningen, Ring 5, District 12, Hoofdplaats Groningen, met Rhoden enz. 2 Grondvergaderingen. (Bron: Aardrykskundig handboek der Bataafsche Republiek, Te Amsterdam, bij Johannes Allart, 1800)

Het gebied rondom het brinkgehucht de Zulte op de Franse Legerkaarten uit de jaren 1811-1812. Linksonder in het zuidoosten ligt de plaats Roden met de ten noordwesten gelegen gehuchten Boschkampe en de Zulte. Ten noorden van de Zulte liggen de huizen Vogelsang en Teutenborg. De geel ingekleurde vakken geven bos weer, de roze vakken heide, de rode vakjes zijn woningen/schuren en de anders ingekleurde vakken geven boomgaarden, bouw- en grasland weer. De oppervlakte van het gebied bedroeg destijds zo’n 149372 Groningse roeden, wat ongeveer gelijk staat met 2497,5 hectare.

(*) http://www.drentsarchief.nl/