Ruim tweehonderd jaren geleden, in het jaar 1816, werd het weer in ons land onder andere bepaald door een wereldwijde toename van vulkanische activiteiten een jaar eerder, waarbij de uitbarsting van de vulkaan Tambora op het eiland Soembawa in het toenmalige Nederlands-Indië, de zwaarste sinds mensenheugenis was. Op ruim 2500 kilometer afstand van het eiland was te horen geweest, hoe de vulkaan op maandag 10 april 1815 uit elkaar barstte.

Vandaag de dag zijn de extremen die zich in het weer voordoen zeer besproken en verwijt men het de huidige mens en de moderne tijden hier schuldig aan te zijn. Of het waar is laat ik in het midden, maar aan het einde van het jaar 1815 en het volgende jaar bleken de gevolgen van de eerder benoemde vulkanische activiteiten ook merkbaar in het brinkgehucht de Zulte.

(bron: Woudloper Derivative of image:1815 tambora explosion-2.png by User:Nyks – Eigen werk )
Ver van het gehucht ten noorden van het dorp Roden, in Hongarije en Italië, kleurde de vulkanische as aan het einde van 1815 en in het begin van 1816 de sneeuw die daar in de omgeving viel, rood en bruin. Daarnaast zorgde de gigantische hoeveelheid materiaal dat tijdens de uitbarsting uitgestoten werd, dat de gemiddelde temperatuur wereldwijd met zo’n 0,3 graden Celsius daalde.
Dat de gevolgen van de uitbarsting en de daling van de temperatuur ook hun uitwerking hadden op het dagelijks leven in het gehucht, spreekt voor zich. Waren de mensen eindelijk van Napoleon en die rare Fransozen verlost, begon het weer hen parten te spelen. De zomer van dat jaar kende weliswaar dagen waarop het warm of zelfs zeer heet was, maar het weer regelmatig sloeg zo snel om door middel van zware regen- en onweersbuien, dat er dan ongewoon koude en natte perioden volgden. Ook volgden enkele zeer zware nachtvorsten in de maand juni waardoor er veel oogsten verloren gingen.

Nu dient er wel opgemerkt te worden dat er in de directe nabijheid van de Zulte amper sprake was van landbouw als in de zin, dat er hier bijvoorbeeld grote percelen haver of rogge voorkwamen. Deze bevonden zich meer ten zuiden van het dorp Roden. Veeteelt en het houden van schapen kenmerkte de omgeving van het gehucht. Daarnaast deed zich voor 1816 op een zeer kleine schaal nog iets van houtwinning voor, maar dat zal waarschijnlijk meer voor eigen gebruik dan voor financieel gewin hebben gediend.
Het gebruik van hakhout beleefde echter aan het einde van het jaar en aan het begin van 1817 een enorme opleving toen bleek dat de turfwinning dat jaar zeer tegen viel en de turf die wel aanwezig was, te slechte, nat en te duur was. Dit was onder andere het gevolg geweest van de hogere waterstand in de gebieden waar turf werd gewonnen, waardoor de opgestapelde turf wegspoelde. Dit tot grote ergernis van de grote turfboeren, die zagen dat de mensen met allerlei voertuigen het water opgingen en zijn turf begonnen te verzamelden.
Het leed voor de boeren in de Zulte beperkte zich voornamelijk tot de tegenvallende oogst van hooi, de hoge waterstand en dierenziektes. Met name de schaapskudde van het brinkgehucht werd zwaar getroffen. De aanhoudende nattigheid tijdens dat jaar, van zowel de ondergrond als het gras, zorgden ervoor dat de vacht van het schaap kletsnat werd en het kon dan ook niet uitblijven dat vele ziekten onder de schapen uitbraken. Vooral ongans of de bot in de lever (leverbot), schurft en kreupel heersten enorm onder de schapen in heel ons land en maakten zoveel slachtoffers, dat een tijdgenoot zich afvroeg waar alle schapen gebleven waren. Ook de kudde van het dorp Roden werd niet ontzien.

De maand juli was vanouds her de maand dat de boeren rondom de Zulte gingen hooien om een wintervoorraad voedsel voor het vee aan te kunnen leggen. In dit jaar wilde de zomer maar niet echt opgang komen en de opbrengst van hooi was dramatisch. De regen zorgde er niet alleen voor dat het gras amper droog werd, de voedende delen bevatten ook nog eens te veel sappen. In veel hooilanden lag het gemaaide gras gewoon weg te rotten en wanneer er toch enigszins iets van hooi naar binnen gebracht werd, bestond de kans op schimmel of nog erger, hooibroei. Hooibroei ontstaat wanneer vochtig hooi opgeslagen wordt en de vocht in het gewas er voor zorgt dat de temperatuur binnen in de stapel gaat stijgen tot een punt, waardoor er zelfontbranding gaat ontstaan. Wanneer dit zich in het verleden voordeed, ging vaak de gehele boerderij in vlammen op.
Het was daadwerkelijk een jaar zonder zomer waarbij in Europa zich door de massale misoogsten hongersnoden en opstanden. Tyfus- en cholera-epidemieën heersten in vele landen van het continent, waarbij men schat dat door de hiervoor genoemde oorzaken, ruim 200.000 mensen aan de gevolgen gestorven zijn.
Meer info: Jaar zonder zomer.