Arensguldens, markegenoten en valkenvluchten

Dat er zich in het gebied rondom het oude esgehucht de Zulte zichtbare of juist onzichtbare oude sporen uit het verleden bevinden, moge duidelijk zijn. Dat er hier en daar dan ook verschillen  van inzicht over bepaalde gebieden of feiten bestaan, staat ook buiten kijf. Dat noem ik nu een zegen, daar naar mijn mening een verschil van inzicht met redelijke argumenten voor mij een uitdaging is. Dat maakt het zoeken naar bepaalde voorwerpen, gebruiken of veldnamen in het gebied rondom de Zulte voor mij  juist mooi; een vorm van een tijdreis naar het verleden.

Portret van Robert Cheseman (1485-1547) uit 1533 met een valk gemaakt door Hans Holbein de Jonge  (1497/1498-1543). (Bron: Wikipedia)

Zo lagen er aan de oostelijke zijde van het vroegere Groot Noordholt en ten noorden van de Westeresch in het midden van de zestiende eeuw een slechts een paar weilanden en vooral een behoorlijk groot heideveld, die de naam ‘Valken veld of Valkensveld’ droegen. Aan het einde van de negentiende eeuw verschenen er aan de westelijke zijde van het gebied enkele woningen, waar arbeiders of kleine keuters in kwamen te wonen, waarbij naar alle waarschijnlijkheid varkens tot hun veestapel behoorden. Bij sommige mensen blijft dan ook het idee bestaan dat het geen Valkensveld, maar Varkensveld is. In de Roner en Lukkenwolmer volksmond kreeg het in de twintigste eeuw dan ook de naam ‘Zwieneveld of Zwieneveltie’.

Op de oude Franse legerkaart uit 1810/1811 zijn de huizen van de arbeiders nog niet gebouwd maar is wel duidelijk te zien hoe enorm het bos Groot Noordholt was. Rechtsboven op de kaart bevond zich het Valken veld. (Bron: Drents Archief)

Maar de boeiende geschiedenis van dit gebied gaat natuurlijk veel verder terug in de tijd dan menigeen zal hebben gedacht. En het is vanzelfsprekend dat er veel onduidelijk bestaat over de historie, daar er maar weinig op papier gezet werd over dit doorgaans onbewoond gebied. Of het esgehucht de Sulte in de vijftiende en de zestiende eeuw een marke of iets in die geest bezat? Waarschijnlijk wel. Het lijkt er op dat de markegenoten van de Sulte, die samen met die van bijvoorbeeld Leutingewolde, met enige regelmaat de beslissing van de marke Roden aanvochten.

De Vereeniging tot uitgaaf der bronnen van het Oudvaderlandsche Recht publiceerde op de pagina’s 61, 62 en 63 in het zesde deel, dat de titel ‘Verslagen en Mededeelingen’ droeg en uitgegeven werd te ’s-Gravenhage door Martinus Nijhoff in 1910, verslagen van de marke Roden uit een handschrift dat in het bezit was van de graaf van Inn und Knyphausen uit 1495.

18. Willekeur der marke van Roden. 1495. Item dit naeschreven ys der bueren wilkoer. (Naar een handschrift in het bezit van den graaf van Inn und Knyphausen.)

26. Item de schuttinge van Wester-esch, Sulter-esch des daeges enen stuver ende des nachtes enen yager. Weers sarke dat de beesten des daeges niet en worden ghelosset ende kreghen daerenboeven hinder oft schaden, se sullen broekeloes ende boeteloes wesen.

28. Item des soe hebben dye ghemene buyren ghewillekoert, want de Loetinghewoltmer ene sunderlinghe marcke hebben, alle beesten dye ghevonden worden ende gheschuttet worden in Wester-essche, Sulter-essche, elck beest en halve tunne beers. Ende de se bevindth sal de den schutheerden wittigen. Ende wil de schutheerde dan niet medegaen schutten, soe sultse oeck breken 1 tonne beers.

36. Item dye Sulter sult hoeren drijft  holden nae de Helle ende nae dye Leeke ende voert nae dat Hinxtebroeck. Ende dus pleghen dye Sulter hoer drijft hijrhen thoe holden nae older ghewoente als vorz. ijs. Ende oft zy desse drift niet en holden soe sal men dye beesten schutten, ende nemen daer schuttijnge-recht aff als voersz. is.

Hier en daar kom je in oude geschriften uit de vijftiende en zestiende eeuw regeltjes tegen die er op wijzen dat er toch wel degelijk een vorm van een marke of markegenoten waren in de omgeving van de Zulte, in in naslagwerken over de marke’s in Drenthe lees je er niets van terug. Dan blijft er niets anders over dan door de oude en vaak slecht leesbare documenten te wroeten om de gegevens te vinden die je zoekt.

Zo kwam ik een oud document uit 1548 tegen in de Groninger Archieven dat uit het bezit van de familie van Ewsum kwam met de opmerking ‘1548 overdracht valkenvlucht, Joh. vE.’.  Het voor mij grotendeels slecht leesbaar document begint met twee namen, Johan Staal (ook wel Johan Staele genoemd) pastoor te Roden en ene Hilbrant Krumens, die in het jaar 1546 aan het Westeinde in Roden woonde. Krumens stond op een schattingslijst uit 1546 en werd verplicht om 19 Brabantse stuivers te betalen.

Akte van verkoop door Johan Staal, pastoor te Roden, en gemachtigde van de markegenoten in Noordholt, aan Johan van Ewsum van het recht om met roofvogels in de marke te jagen. Met akte van verkoop door Van Ewsum aan dezelfde van een jaarlijkse rente, 1548. (Bron: Groninger Archieven)

1546 was het jaar dat de hervormer Maarten Luther overleed, maar dat had weinig effect in het landschap Drenthe van dat jaar. Drenthe had het druk met het innen van de schatting voor Karel V, een vorm van belasting die maar liefst 3500 Carolus gulden bedroeg. Aan dit bedrag moest het kerspel Roden, bestaande uit 102 inwoners afkomstig uit het Oestende, Suydtende, Westende, Lyveren, Steenberghen, Sulte, Lotinghewolde en Foxwolde, 97 Carolus gulden en 25 1/2 Brabantse stuivers opbrengen.

Het schrift waarin het bovenstaande stond en dat zich in het archief van de stad Aurich bevindt en waarvan het Drent Archief een kopie bezit, vermeldde het volgende: “Item int yaer ons heren duysent vyffhondert ses unde veertich gaff dat gemene landt van Drenthe thoe schattyne voer dat eerste termyn, se Keyserliker Majesteyt ghelovet hadden vyerdehalff duysent Carolus gulden, daer dat kerspell van Roden voer hoer part soeven unde tnegentig Carolus gulden ende vyff ende twyntichsten halff brabant st. van thoe quam thoe betalen nae luyde desse navolgende settynghe uuth enen olden register gherekent.”. (Bron)



Er waren rond die tijd in de wijde omgeving van Roden verschillende munten van diverse waarden in omloop. Hierboven zijn de twaalf diverse munteenheden in een tabel weergegeven, de waarde was van van 1 januari tot ultimo december 1548. (Bronnen: Het kasboek van Hendricus Lontzenius, de laatste abt van klooster Selwerd over de jaren 1560-1563. F.J. Bakker, R. I. A. Nip en E. Schut, 2003, Assen: Koninklijke van Gorcum. Pag. 24 en Rekeningen der Stad Groningen uit de 16e eeuw, uitgegeven door DR. P. J. BLOK. ‘s Gravenhage. 1896)

In het boek ‘Het geslacht van Ewsum, geschiedenis van een jonkersfamilie uit de Ommelanden in de 15e en 16e eeuw.’ dat geschreven is door M. Hartgerink-Koomans in 1938, is er sprake van de markegenoten van ’t Noorderhout. Het Noordenhout was beter bekend in de volksmond als het Groot Noordholt en bevond zich ten  noorden van het kerspel Roden en noordoostelijk van het esgehucht de Zulte. Op pagina 41 komen wij een verslag dat de hierboven geplaatste documenten goed samenvat:

In 1548 had Johan van Ewsum zich ondertussen door de houtvoogden en de markegenooten van ’t Noorderhout de valkenjacht laten schenken in dank voor genoten en toekomstige weldaden aan ’t karspel. Zulke aanzienelijke heeren onder de markgenooten als de Groninger burgemeester Johan Thema en de abt van Aduard lieten toe, dat zij met name in de akte genoemd werden; van anderen was zeker niet te vreezen, dat ze ooit zelf nog eens de valkenjacht ter hand zouden nemen. Tot dien tijd hadden de houtvoogden dit recht verpacht: om de markegenoten schadeloos te stellen, schonk van Ewsum hun vijf dagen later een jaarlijksche rente van zes Arensguldens.’ (Het geslacht van Ewsum, geschiedenis van een jonkersfamilie uit de Ommelanden in de 15e en 16e eeuw.(M. Hartgerink-Koomans, Maria 1938. pag. 41.)

Eigen opname van een Boomvalk (Falco subbuteo) hoog boven de huidige weilanden die vroeger tot het Valkenveld behoorden. Of de boomvalk ook geschikt was voor de valkenjacht kon ik niet terug vinden.

Voor mij stopt het jagen met valken hier maar Harry Perton alias Groninganus neemt het stokje naadloos over in zijn ‘Valkerij Johan van Ewsum te Roden maakte deel uit van internationaal netwerk’ op z’n weblog. Een weblog met leuke historie voor elk wat wils en zeker een bezoekje waard!

De link van de abt van Aduard met het Groot Noordholt was deze dat het klooster hier grote percelen bos in zijn bezit had. Deze percelen zijn later door de eigenaren van Huize Ter Heijl overgenomen. Nog tot in de twintigste eeuw heeft de familie van Ewsum en hun opvolgers grote stukken land in bezit gehad wat eens het Valkenveld was.

Aan het begin van het jaar 1895 komen wij de naam Valkenveld weer tegen in een tweetal advertenties in het Nieuwsblad van het Noorden, die respectievelijk op de zondag 6 januari en drie dagen later, in de editie van woensdag 9 januari, verschenen. De advertenties waren opgesteld door notaris Ebbinge Wubben in opdracht van de erfgenamen van de overleden echtgenoten Eite Sinninge en Jantien Roling, die delen van het bezit wensten te verkopen. Daarbij zaten ook delen die Eite na het overlijden van zijn ouders geërfd had en in de Zulte en onder Roderwolde lagen. Naast het perceel hakbos op de Zulteresch dat wij kennen als de Langestreek, bevond zich ook een ander perceel hakbos van 0.15.30 hectare met de naam Valkenveld.

De advertentie die verscheen in het Nieuwsblad van het Noorden van zondag 6 januari 1895 en in opdracht van de erfgenamen door Ebbinge Wubben opgesteld was. De vermelding van het Valkenveld, dus geen Varkensveld, is duidelijk te zien (bron: Nieuwsblad van het Noorden, derde blad, Zondag 6 januari 1895, achtste jaargang, nummer 3).

De overleden eigenaren van deze percelen waren dus Eite Sinninge en Jantien Roling. Eite, ook wel Eite Stevens genoemd, werd op vrijdag 10 mei 1811 in Leutingewolde geboren als een zoon van de boer Steven Jans Sinninge en zijn vrouw Roelfje Eidens Oosterhof en huwde op donderdag 6 mei 1852 met in Norg geboren Jantje Rolink. Dat de op de zondag 24 november 1816 geboren dame in de huwelijksakte nog Jantje Rolink werd genoemd, laat nogmaals zien hoe de namen destijds werden opgeschreven; fonetisch. Kortom, veel namen werden zo opgeschreven zoals ze klonken. De dame heette echter Jantien Roling en was een dochter van de Norger verver Roebert Roelfs Roling en Grietje Jans Zuidhof.

Het echtpaar vertrok op maandag 10 mei 1852 vanuit de gemeente Roden naar de gemeente Vries, waar zij zich in Bunne vestigden. Eite Ebbinge was een neef van de in de Zulte wonende boer Jacob Jans Sinnige, waarover het artikel ‘Zulte 37; Sinninges in de Zulte’ gaat.