Het Tilkaampie

Toen aan het einde van de jaren zestig tijdens de twintigste eeuw door de toenmalige gemeente Roden besloten werd om aan de algemene woningbouwvereniging Roden bijna 6500 m2 bouwterrein te verkopen om de bouw van 33 woningwetwoningen te kunnen realiseren nabij het voormalige esgehucht de Zulte, had het project inmiddels van een ijverige ambtenaar binnen de gemeente de naam ‘Plan Tilkamp’ gekregen. De naam had men ‘geleend’ van de boerderij uit 1908 die ten westen van het grote bouwterrein lag en in het bezit was van landbouwer Wiebe Roelof Brink, die hier met zijn gezin woonde. De naam van de boerderij was zelfs zo leidend, dat de directiekeet van Koops’ bouwbedrijf uit Wijster waar uitvoerder J. Lammerts de scepter zwaaide en bereikbaar was op het telefoonnummer 05908-8897, ‘Tilkamp’ werd genoemd.

Een advertentie uit het begin van de jaren zeventig waarin het bouwbedrijf Koops personeel zoekt en deze zich kunnen melden bij de directiekeet (afbeelding: Nieuwsblad van het Noorden waarin opgenomen de Provinciale Groninger Courant, welke is opgericht in 1787, 84ste jaargang, no. 26, Maandag februari 1971, pagina 10).

De grootvader van Wiebe Roelof, Roelof Brink, had in het jaar 1908 de boerderij laten ontwerpen door de Nietapster architect H. C. Hillebrands met het idee dat een van zijn twee zonen hier in de toekomst zou gaan wonen. Roelof senior woonde destijds met zijn vrouw en kinderen in de boerderij waar nu het notariskantoor VelemaRijks gevestigd is aan de Zulthe 1. Op woensdag 1 juli 1908 was het zover en verscheen de eerste advertentie in Nieuwsblad van het Noorden met de aanbesteding van het nog te bouwen huis en opgesteld was door de in Nietap woonachtige architect.

De advertentie van de Nietapster Architect H. C. Hillebrands verscheen vier dagen later voor een tweede maal in het Nieuwsblad van het Noorden (afbeelding: Nieuwsblad van het Noorden, zondag 5 juli 1908, pagina 12, 21ste jaargang No. 157).

Op de donderdag 9 juli in het jaar 1908 om vier uur ’s middags had in het café van R. v. d. Molen in Roden de aanbesteding plaats voor de bouw van de boerderij en waren er maar liefst 26 biljetten ingeleverd, waarbij G. S. Noteboom uit Opende als duurste de bouw voor 7200 gulden wilde doen en de uit Hoogezand afkomstige bouwer P. v. Dijken dacht de klus voor een slordige 5247 guldens te kunnen klaren. Waarschijnlijk zal van Dijken de klus hebben gekregen, daar zijn aanbesteding het goedkoopste was.

Twee dagen na de aanbesteding verscheen het bovenstaande in de krant van zaterdag 11 juli 1908. De architect en de boer hadden keuze genoeg om een bouwer te kunnen kiezen (afbeelding: Nieuwsblad van het Noorden, zaterdag 11 juli 1908, pagina 3 21ste Jaargang, No. 162. pag. 3).

In het begin van de maand november in het jaar 1908 was de nieuwe behuizing en de grote schuur afgebouwd. Naar alle waarschijnlijkheid verliep het voor de bouwer een stuk minder gunstig af dan voor boer Roelof Brink, getuige de advertentie in de krant die op dinsdag 10 november van dat jaar verscheen en geplaatst was door de deurwaarder W. Roeterdink. In de advertentie staat dat er de volgende dag, woensdag 11 november, ’s middags vanaf twee uur een heleboel goederen tegen contant geld publiek verkocht gaan worden. Veel van de voorwerpen die aangeboden worden, doen vermoeden dat het hier om een bouwfirma gaat.

De advertentie van deurwaarder W. Roeterdink in het Nieuwsblad van het Noorden waarin hij voornemens is een grote partij bouwmiddelen, machines, etc. publiekelijk te gaan verkopen (afbeelding: Nieuwsblad van het Noorden, dinsdag 10 november 1908 pag. 6 21ste Jaargang. No. 265).

De nieuwe boerderij van Roelof Brink was zo gebouwd, dat de inrit naar de woning en de schuur van de weg de Zulte kwam en niet achterlangs, waar eens de oude weg richting de boerderij Vogelsang had gelegen. Een nadeel was echter dat door het aanleggen van de inrit, een boom van de gemeente Roden hinderlijk in de weg stond. Boer Brink liet het hier niet bij zitten en vroeg vervolgens aan bij de gemeente dat de boom gekapt kon worden. In de raadsvergadering van vrijdag 27 november 1908 werd besloten dat de boom gekapt ging worden.

Het bericht in de krant van maandag 30 november 1908 waarin het besluit om de boom die boer Brink in de weg staat, mag worden gekapt. (advertentie: Provinciale Drentsche en Asser courant, maandag 30 november 1908, pagina 13, 85ste Jaargang, No. 881).

Langs de weg stonden niet alleen veel oude zomereiken, er lagen ook een aantal sloten. Een van die sloten liep voorbij de nieuw aangelegde boerderij en in plaats van een buis te plaatsen en er een doorgang naar de ingang van het woonhuis te maken zoals dit bij de inrit was gebeurd, werd er een betonnen brug over de sloot gelegd. Zo’n bruggetje werd in de volksmond ook wel een ‘til’ genoemd. De brug voerde vervolgens naar het grondstuk van de eigenaar, dat ook wel een ‘kamp’ of ‘kaamp’ in het hier gesproken dialect genoemd werd. Waarschijnlijk is het huis zo aan zijn naam gekomen.

Het betonnen bruggetje voor de boerderij de Tilkamp aan de Zulthe. Dit bruggetje is door de huidige bewoner in ere hersteld en prijkt nu trots voor het woonhuis.

Hoe dan ook, de boerderij was tot op het moment dat er omheen huizen werden gebouwd, een kenmerkend punt in de omgeving en iedereen kende boer Wiebe en later zijn Roelof die het boerenbedrijf overnam en later aan de Meerweg nabij Nietap voort heeft gezet.

De huidige woning vanuit het noorden richting het zuiden gezien. Op de achtergrond is het huis te zien waar destijds Egberdina de Vries-Brink woonde in de Zulte.

Tegenwoordig is de functie van boerderij verdwenen en is het een prachtig woonhuis geworden waar je voor een prikkie kakelverse eieren kunt kopen. Hoe dank ook, het is één van de kenmerkende punten in de Zulte geworden en ik hoop dat het dit nog heel lang zo blijft.

De opschrift op de boerderij met de naam ‘Tilkamp’.

Over ossenkracht en voedermaïs.

Vloekend en tierend joeg de landarbeider de twee slome trekossen over een akker in de omgeving van het voormalig esgehucht de Zulte. De rottende heideplaggen, die hier al een poos lagen nadat ze gestoken waren, dienden als bemesting voor de bodem en dienden daarom ondergeploegd te worden. Een zware klus voor de trekossen daar niet alleen de heideplaggen kleiig waren, de ondergrond was eveneens zwaar te bewerken door de aanwezigheid van de kleverige keileem en hier en daar kwam zelfs de stugge potklei aan de oppervlakte. Nee, het ontginnen van de heide om er goede landbouwgrond van te maken, had in het verleden veel voeten in de aarde nodig gehad om dit voor elkaar te krijgen.

Dat de ondergrond in de wijde omgeving van het esgehucht nogal kon verschillen, was al bij de vroege bewoners in het gebied bekend. De zanderige en vruchtbare essen, de grote bossen die zowel op zand als op de keileem stonden en de lagere delen waar de zware, taaie potklei en de stugge, kleverige keileem zorgden voor drassige en natte gebieden. Al vroeg ontdekte men ook de voordelen van de natte gebieden en verschenen er Cisterciënzer monniken in hun kenmerkende grijze pijen, die afkomstig waren uit de St. Bernardusabdij te Aduard en stichten de uithof ter Helle, waarna zij turf en klei begonnen te winnen.

De cisterciënzer monniken in hun kenmerkende grijze pijen aan het werk in de natte, venige gebieden rondom de Zulte. Met name nabij Terheijl en Roderwolde bij het Leekstermeer (Monniken aan het turfsteken. Schilderij van Geert Schreuder. Foto Veenkoloniaal Museum Veendam. bron: Uithof ter Helle).

Tegen het einde van de middeleeuwen, zo ongeveer in de vijftiende eeuw, waren op de hoger gelegen essen in de Zulte al de nodige boerderijen en bouwlanden gemaakt door de eerste boeren. Zij vormden de eerste akkers op de hoger gelegen essen, die door hun zanderige ondergrond redelijk eenvoudig te bewerken waren. Inmiddels waren de monniken in de uithof ook niet meer die hardwerkende mannen in lange, zware pijen aan boetedoening deden, maar was de vertegenwoordiger van het klooster net als de adel en de rijke boeren, ook een grootgrondbezitter geworden en verkreeg inkomen door het verpachten van grond. De uithof werd dan ook als zodanig aangeslagen door het kerspel Roden op de schattingslijst van 1546 vermeld als: ‘Dat tichgelwerck yn dye Hell ende zijn heerschup de monnick’.

Het ploegen met trekossen afgebeeld op het kalenderblad voor de maand maart uit het kleurrijke boek ‘Les Très Riches Heures du duc de Berry’ uit het jaar 1410. De ploeg op de afbeelding lijkt op de ploegen die destijds in onze omgeving werden gebruikt (bron: Wikipedia).

Om gebruik te kunnen maken van de vruchtbare bodem op de essen, moest er nogal wat gebeuren om het een en ander te gebeuren om de ontginning in gang te zetten. Bomen dienden gekapt en gerooid te worden, de heide moest worden afgeplagd. Vooral daar waar zich heide op een kleiige ondergrond bevond, was het afsteken van de plaggen zwaar werk. Waren de plaggen afgestoken, dan werden deze op elkaar gelegd en liet men ze ongeveer een anderhalf jaar liggen. Door dat de plaggen op elkaar lagen, begonnen ze te broeien en waren ze geschikt om als bemesting te dienen. Vervolgens kwam de zogenaamde ‘osseknecht’ met de twee trekossen en de ploeg om het geheel onder de grond te werken. Iets wat in de omgeving van de Zulte nog in 1810 gebeurde.

Een zogenaamde voor, een door ploegen ontstaande groef in de bodem. Eerst gebeurde dit in de Zulte door twee trage trekossen, later door sneller werkende paarden en tegenwoordig met een dikke tractor voor de ploeg,

In het Magazijn van Vaderlandschen Landbouw, deel 6 uit het jaar 1810, doet de heer Jan Kops in hoofdstuk 12 op de pagina’s 171 en 172 verslag van een onderzoek door de verschillende commissies van landbouw in het Koningrijk Holland over het nut van het gebruik van trekossen in plaats van paarden in de landbouw: ‘De Commissie van Landbouw in Drenthe, heeft tenduidelijkste aangetoond, dat de Werk- en Trekossen, voor dat Departement niet aanteraden en zelfs nadeelig zouden zijn, zijnde het verslag dezer Commissie, als volgt: Vooreerst, dat in dit Departement geen Trek-ossen gebruikt worden, dan op den Huíze Ter Heyl, toebehoorende aan Mevrouw de Wed. de Lille, terwijl de Heer Mr. P. Hofstede dezelve bereids sinds eenige Jaren heeft afgeschaft, en dat wy van wegen de Osse-knechten, welke bij de zelve Trek-ossen gediend hebben, onderrigt zijn, dat de Trek-ossen bij den Akkerbouw den voorrang zouden verdienen boven de Paarden; bij aankoop naar evenredigheid minder zouden kosten; bij verkoop na eenige jaren dienstbaarheid evenredig meerder opbrengen, en minder voeder zouden noodig hebben, dan de Paarden, welke daarentegen geschikter zouden zijn voor het Transport. Ten tweede, dat wij, als niet door ondervinding bekend met de voordeelige eigenschappen, welke de Heer Ten Cate, en met hem de genoemde Osse-knechten, aan de Trek-ossen toeschrijven ‚ ons buiten staat bevinden, om door vergelíjking derzelve tegen die der Paarden, een besluit optemaken, welk meer dan louter speculatief zoude zijn; doch dat het ons is voor gekomen, dat het gebruik van Trek-ossen tot den Landbouw, in plaats van Paarden‚ voor den Drentschen Landbouw en het Rijk niet voordeelig zijn zoude’. 1

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is ossen004-1.jpg
De zogenaamde Drentse stelploeg. Deze ploeg werd vooral in het Noorden van Drenthe gebruikt om het land te ploegen (Afbeelding: Dr. C.C.W.J. Hijszeler: Boerenvoortvaring in de oude landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe. De tekeningen werden vervaardigd door de J. Witpaard te Meppel en N. Overdiep te Groningen. Uitgegeven te Assen bij Van Gorcum & Comp. N.V. (G.A. Hak & H.J. Prakke) (MCMXL)).

Nadat de restanten van de heideplaggen behoorlijk waren omgeploegd, werd het ontgonnen bouwland geschikt gemaakt voor gebruik en zaaide men in het eerste jaar rogge in de grond. Na de daarop volgende oogst van de rogge, die men naar de molen ten zuiden van het dorp Roden bracht om daar tot meel gemalen te worden, werd direct weer begonnen met ploegen. Dit deed men om de akker geschikt te maken voor winterrogge.

Het zogenaamde ‘vaalg’n’ heeft hier al plaats gevonden. De akker is ondiep omgeploegd en de stoppels zijn grotendeels onder de aarde terecht gekomen.

Het stoppelland werd eerst ondiep geploegd, in de omgeving van de Zulte noemde men dit ‘vaalg’n’ (het land zwart maken d.w.z. dat je alleen maar zwarte grond op de akker zag). Dit gebeurde door middel van brede voren, waarbij niet het hele land werd omgeploegd maar wel de grond over de stoppels kwam te liggen. De voren, de ploegsporen dus, bleven open liggen. Het werk moest dan voor de laatste donderdag in augustus klaar zijn, “’k Heb ’t laand klaor ligg’n”, zei de Zulter boer dan.

De stelploeg en zijn onderdelen: a). ramshor’n, b). ’t halve gat, c). de klaver, d). de klöp, e). touhamer, f). de spaon, g). ’t ater, h). de ket (Afbeelding: Dr. C.C.W.J. Hijszeler: Boerenvoortvaring in de oude landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe. De tekeningen werden vervaardigd door de J. Witpaard te Meppel en N. Overdiep te Groningen. Uitgegeven te Assen bij Van Gorcum & Comp. N.V. (G.A. Hak & H.J. Prakke) (MCMXL)).

Na een week of twee tot drie bleef de akker zo liggen en als het weer meewerkte, kon de grond goed uitdrogen en de stoppels verrotten. ’t Laand wordt d’r mul (rul, los) van zei men dan. Vervolgens ging men het land slichten met een eg, of zoals men in de Zulte zei: ”’t laand slicht’n met ’n aaide”. Het eggen werd in de wijde omgeving van het dorp Roden ook wel ‘aaiden’ genoemd. Voor het slichten gebruikte de boer een grote, zware eg, de oseege of osaaide. Wellicht herinnert de naam nog aan het feit, dat hier in Noord-Drenthe ossen als trekdieren werden gebruikt. Het was zogenaamde viefbalks aaide (vijfbalks eg), van hout en met lange, ijzeren tanden. De grond werd door deze eg goed verkruimeld en schoon gemaakt. Was de eg nog niet zwaar genoeg, dan legde men er een zware paal of iets anders zoals zwerfstenen op.

Tegenwoordig gaat het eggen mechanisch met een forse trekker en een metalen eg, maar het effect blijft hetzelfde als voor tweehonderd jaren geleden, het gaat echter veel sneller dan toen.

Had men de akker slicht gemaakt, dan werd er bemest met stal- of schapenmest, die met een wagen op het land werd gereden. De bemesting was in vroeger tijden behoorlijk armelijk. Om het volume van de hoeveelheid mest toch maar te vergroten, werd de mest telkens in de stal met zand en (heide)plaggen vermengd. Het is dus ook niet verwonderlijk, dat er in vergelijking met vandaag de dag zodoende weinig wilde groeien. De schapenmest werd eerst met n messlep in vierkante stukken gestoken. Zo’n vierkant stuk schapenmest noemde men ’n bol. De stal- en schaopmest werd met de vork (een drie- of viertandigevork) op de wagen geladen, het zogenaamde mestlaod’n.

De eg, of aaide zoals deze in de omgeving van Roden werd genoemd. a). bovenzijde van de grote Drentse eg, b). onderzijde van de grote Drentse eg, c). voor het veurtrekk’n en de roagge inschraankel’n gebruikte men twee kleine eggen, die naast, doch schuin achter elkaar liepen, zodat er tussen de beide geëgde strooken geen strook ongeëgd bleef (Afbeelding: Dr. C.C.W.J. Hijszeler: Boerenvoortvaring in de oude landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe. De tekeningen werden vervaardigd door de J. Witpaard te Meppel en N. Overdiep te Groningen. Uitgegeven te Assen bij Van Gorcum & Comp. N.V. (G.A. Hak & H.J. Prakke) (MCMXL)).

Nadat men in het eerste jaar de rogge had gezaaid en geoogst, werd in het tweede jaar na de ontginning haver gezaaid. Vervolgens werden er in het derde jaar aardappelen in de grond gepoot. Na deze drie jaren was de ontginning van het bouwland geslaagd en ging men over op de normale bemesting en verbouwde men ieder jaar tarwe. In tegenstelling tot vandaag de dag waarbij vrijwel elke graankorrel mechanisch wordt opgevangen, was dit ruim 200 jaren geleden wel anders. Was het graan zeer rijp en vielen de graankorrels eenvoudig uit de graanhalm, dan diende men het graan voorzichtig binnen te halen. Om de gevallen graankorrels toch te kunnen verzamelen en er meel van laten te maken, had men een eenvoudige oplossing bedacht om de korrels in te zamelen. Een zogenaamde zaadzeef, een driehoek gemaakt van drie latten, werd over het bouwland gesleept om de uitgevallen graankorrels van het land te krijgen.

Moesten vroeger de knechten de aardappelen met hand poten en daardoor de gehele dag gebukt lopen, tegenwoordig gaat het poten machinaal. Op de afbeelding is mooi te zien dat de machinist de aardappelen even iets te vroeg liet vallen.

Waarschijnlijk is het gebruik van de trekossen in de omgeving van het voormalig esgehucht na 1810 snel afgenomen en maakten de trage dieren plaats voor de sneller bewegende paarden, waardoor het transport sneller verliep. Daarnaast konden de trekossen zeer zinnig zijn; hadden de dieren geen zin om iets te doen, dan deden ze ook daadwerkelijk niets en lag alles stil. In het zuiden van ons land bleef de trekos nog zeer populair en werd tot ver in de twintigste eeuw nog gebruikt in de landbouw. Daar hoorde hij dan ook het mopje: ‘De Noord-Brabantsche boer eet zijn paard en slaapt bij den voerman’, omdat het vooral ‘vrouwen en meiden’ waren, die op de vrachtkar de leidsels hanteerden. 2

Tegenwoordig dienen de meeste akkers in de omgeving van de Zulte voor de aanbouw van voedermaïs, dat de boeren naast hooi en kuilgras aan hun koeien voeren. Veel akkers zijn echter niet meer in de Zulte te vinden, ze moesten plaats maken voor graslanden. In de bodem van de bovenstaande akker bevinden zich echter aardappelen.

Was de ontginning van de immens grote heide en het verbouwen van graan op de bouwlanden in het verleden nog een bittere noodzaak, vandaag de dag zijn vrijwel alle akkers verdwenen en hebben plaats gemaakt voor grasland. De enkele akkers die men hier en daar nog in het oude gebied van de Zulte tegenkomt, zijn akkers met voedermaïs. De rode maïskorrels schijnen een heerlijk hapje voor het rundvee te zijn.

In veel akkers is er weer voedermaïs aangebouwd, een heerlijk hapje voor het vee. De boer kuilt de kolven in of hakselt de hele plant en gebruikt deze de hele winter als voer.

Van het oude boerenleven in de Zulte is niets meer over en van paardenkrachten wordt enkel nog gesproken als het om de tractor gaat, laat staan dat er nog de term ossenkracht nog bestaat. Eigenlijk is het niet meer voor te stellen dat wij best wel veel aan deze trekossen te danken hebben.

In het jaar 2011 had de eigenaar van de percelen aan de Zulthe ook voedermaïs verbouwd, zoals op de luchtfoto goed te zien is. (afbeelding: Topotijdreis.nl)

1 J. Kops – Magazijn van vaderlandschen landbouw Deel 06, te Haarlem, bij A. Loosjes, Pz. 1810.

2 Hans Miltenburg en Reimer Strikwerda, Koe voor de kar en op de kaart, 2007.

Wringen en verklikkende voorsteinen

Tot zo’n zeventig jaar geleden, zo rond 1950, waren akkerbouw en veeteelt in de omgeving van het voormalig esgehucht niets bijzonders om van op te kijken. Het steeds groter wordend dorp Roden had het gehucht de Zulte nog niet opgeslokt en van de zich al aandienende schaalvergroting binnen de agrarische sector was voorlopig in dit gedeelte van Drenthe niets te merken. En toch begon het een en ander in de tweede helft van de twintigste eeuw zodanig te veranderen, dat de kleinschalige boerenbedrijven geleidelijk aan in een gestaag tempo uit het gebied verdwenen. De bedrijven die het wel wisten te redden en met de schaalvergroting meegingen, werden groter en groter. Boerderijen werden woonhuizen of verdwenen helemaal om plaats te maken voor huizenbouw en het leggen van straten. Ook was de akkerbouw vrijwel geheel verdwenen op de Zulteresch en daar waar nog gras stond, liepen koeien, paarden, of schapen. Langzaamaan begonnen ook de laatste groene weilanden te verdwijnen ten behoeve van de steeds sneller stijgende vraag naar woningen, het groeiende inwonersaantal, en de onstilbare uitbreidingsdrang van het dorp Roden.

Echter met het verdwijnen van de kleinschalige boer in en rondom het esgehucht verdwenen niet alleen de mensen en hun boerderijen, maar ook de wijze waarop zij hun beroep uitoefenden en hun gereedschappen hanteerden. Naast dit verdwenen ook de gebruiken, oude termen, en de handigheden die de vroegere boer gebruikte om de ontstane problemen zelf op te kunnen lossen. Weliswaar bleef de traditie nog bestaan om de oude gebruiken van de vader op de zoon en van de zoon op de kleinzoon te overdragen, maar het verwaterde snel doordat de aangewezen opvolgers geen heil meer zagen in het zware beroep en er voor kozen om door te leren. Heel af en toe tref je nog een oud persoon die iets heeft weten te bewaren wat zijn vader en grootvader hem of haar hebben verteld, maar de spoeling wordt ras dun.

De akkers die destijds op de Zulter Esch lagen op een zogenaamde schattingskaart vervaardigd door de tekenaars van het Kadaster ten behoeve van de schatting van percelen voor de herziening van de belastbare opbrengst van ongebouwde eigendommen. De kaart geeft waarschijnlijk de situatie tussen 1860 en 1880 weer. De tekenaar was destijds H. Baggelaar. (Bron: Drents Archief)

Ruim honderdvijftig jaar geleden verschilde de omgeving van het voormalig esgehucht op het gebied van de landbouw en gebruiken echt niet zoveel van de rest van de provincie Drenthe. Ook hier waren de sporen nog duidelijk zichtbaar die de gletsjer tijdens het Saale-glaciaal had achtergelaten. De door het terugtrekken en smelten van de gletsjer ontstane verhogingen en de daarna gevormde zandheuvels, die tijdens de zandverstuivingen in het Weichselien plaatsvonden, was er een ideaal landschap voor de boer gecreëerd. De verhogingen waren dus op een natuurlijke wijze ontstaan en niet zoals op veel andere plaatsen, door het opbrengen van potstalmest en kregen de naam ‘esch’ of ‘es’. Zo komen wij in de Zulte bijvoorbeeld de Westeresch en de Zulteresch tegen. Niet alle essen in het gebied hadden het woord es of esch in hun naam, de es Kostverloren is hier een voorbeeld van.

De bodem van de es lag dus doorgaans hoger en dat leidde ertoe, dat de oude boeren in het verre verleden vaak met een kennersblik de vruchtbaarste plekken op de met keileem bedekte es tot bouwland hebben uitgekozen. Voor de vroegere boeren was de es, die ook wel ‘communis esca’ genoemd en dat eigenlijk in collectief gehouden werd, een grote, onafgebroken en uitgestrekt stuk bouwland, dat bestond uit de gezamenlijke bouwakkers van de gezamenlijke boeren. De es was omgeven met houtwallen die grotendeels uit bijvoorbeeld Zomereiken (Quercus robur) bestonden en al dan niet op een aarden wal waren geplant. Sommige zijden van een es hoefde helemaal geen houtwal aangelegd worden daar er een groot bos naast lag. Naast communis esca bestond er nog ‘privata esca’, wat voor als privé tuin of erf staat en er hier verder niet tot doet.

De essen ten noordoosten van het voormalig esgehucht de Zulte op een kaart uit het jaar 1935. De kaart werd verkend in 1899 en herzien in het jaar 1933. Kaart no. 114 Roden heeft een schaal van 1:25000. (Bron: Drents Archief)

Daarnaast vormde het bezit van één boer niet een aaneengesloten complex, maar lagen deze kriskras tussen de akkers van de andere eigenaren in. Een mooi voorbeeld van de bouwakkers op een es waren de Körtakkers op de Zulteresch, waarbij de verdeelde percelen van elkaar gescheiden werden door diepere ploegvoren en de grenzen waren aangegeven met grote stenen. Bij een korte akker lagen de stenen alleen op of dicht bij de hoeken (voorstenen) en bij een langere akker lagen er stenen aan de lengtezijden. De voorsteinen of ‘veursteinen’ zoals ze in de Zulte ook wel genoemd werden, zorgden vaak voor onenigheid, doordat boeren die het niet zo nauw namen met de eerlijkheid, ze verlegden. Daarom gebruikte men zogenaamde ’verklikkers’, stenen die iets dieper lagen dan de voorstenen en bij een geschil de juiste plaats aantoonden.

Voor het gebruik van de akkers waren spelregels bedacht waar men zich aan diende te houden en min of meer overal in de provincie op hetzelfde neerkwamen. De bouwakkers die langs de randen van de es of langs een weggetje door de es lagen, waren ten alle tijde toegankelijk. Er bevonden zich echter ook percelen bouwland op de es die doorgaans alleen via het land van de buren of door de voren te bereiken waren. Deze waren dan ook niet toegankelijk voor de eigenaar als het koren te velde staat. Het bezaaien van de verschillende akkers met de diverse soorten graan was dan ook alleen maar toegestaan op de rand- en wegakkers van de es. Dit zal ook de reden geweest zijn dat het boerschap (buir- of buurschap) van het gehucht bij elkaar kwam om te bepalen welke graansoorten door wie, waar en wanneer gezaaid en geoogst zouden gaan worden.

Zoals op de kaart van de Körtakkers mooi te zien is, zijn niet alle akkers regelmatig en recht van vorm. Weliswaar waren de meeste percelen rechthoekig, daarentegen bezaten weer andere akkers een vorm waarbij het boven breder of smaller was dan het benedeneind; de zogenaamde ‘geerakkers’. Als de akker geploegd werd volgen de voren de vorm van het perceel en dan werden deze schuinlopende voren ook wel ‘geeren’ genoemd. Er werd dan ook wel gezegd dat de akker ‘geert’. Deze akkers bezaten dus min of meer een wigvorm en kregen naast geerakkers ook wel de naam ‘kielakkers’. Dan sprak men van dat een kielende akker of de akker kielt. Was het einde van het perceel bouwland een punt, dan was er sprake van een ‘tipakker’ en zei men gemakshalve ‘tip’ tegen de akker.

Naast de Körtakkers op de Zulteresch waren er in de directe nabijheid ook nog een aantal bouwlandcomplexen te vinden, echter waren deze doorgaans langer en gelijkmatiger recht van vorm dan die op de eerder genoemde Körtakkers.  Zo lag er op de Westeresch een es met zo’n zeventien percelen bouwland en op de Vöörste Zulteresch bevonden zich eveneens 17 akkers, die qua samenstelling niet veel verschilden van de andere essen in de omgeving van de Zulte.

Met enige regelmaat kom je nog sporen tegen van de akkerbouw die in het verleden op de essen van de Zulte plaatsvond. Zo kom je hier en daar nog steeds verwilderde Rogge (Secale cereale) tegen langs de oude essen. Rogge werd op de essen veel verbouwd.

Op veel plaatsen had men de toegangswegen naar de akkers op de es afgesloten met een hek om bijvoorbeeld het vee buiten te houden. Het kan zijn dat zoals bij de Zulte geen hek aanwezig was of dat de herinnering aan een hek geheel verdwenen is in de loop der tijd. Mochten ze wel aanwezig geweest zijn, dan kunnen wij deze hekken gaan vergelijken met die, die destijds toegang gaven tot de weilanden. De hekken bezaten dezelfde vorm. We kunnen wel een hek reconstrueren door middel van een beschrijving uit het verleden. Het hek dat hier gebruikt werd door de boeren ‘wring’ genoemd en bestond uit twee evenwijdig aan elkaar lopende balken, de boven- ende onderboom. Deze twee waren onderling verbonden door smalle planken die ‘scheijen’ genoemd werden en door middel van een pen en gat verbinding aan elkaar vast waren gemaakt. De bovenboom werd ook wel als ‘hekboom’ omschreven en bezat aan het einde een verdikking, die enigszins schuin naar beneden liep en vrij zwevend het hek in evenwicht hield zonder opzettelijke verzwaring. Dit gedeelte heette ‘de staart’.

Zo had het hek bij de es Körtakkers eruit kunnen zien als hier een gestaan had. Deze vorm van hek werd ‘wring’ genoemd en bestond uit de volgende onderdelen: 1. boven- of hekboom, 2. onderboom, 3. scheijen, 4. de staart, 5. de prop, 6. de klauw, 7. proppoal, 8. slagpoal, 9. de zweerd.

Aan de onderste balk, de onderboom dus, bevond zich aan de zijde waar een stevige paal (proppoal) in de grond geplaatst was, die aan de bovenzijde tot op een pindikte was verdund (de prop). Op deze paal draaide het hek. Aan deze zijde van de onderboom zat een gaffelvormig uiteinde (de klauw) die links en rechts om de proppoal heen greep, waardoor het draaien van het hek een stuk gemakkelijker ging. Boven-, onderboom en scheijen waren voor de stevigheid onderling nog weer verbonden door twee planken die elkaar kruisten, die ‘de zweerd’ werden genoemd. De andere paal, de zogenaamde slagpaol, sloeg het hek tegenaan of wanneer er aan het einde van de paal een gaffel zat, kwam deze hierop te liggen. Op sommige plaatsen legde men ook wel twee grote veldkeien aan weerszijden nabij het hek neer om over het hek te kunnen zonder dat deze geopend hoefde te worden.

Een hek nabij de Lieverseweg naast de plaats waar in het verleden het Oostervoortsche Diep heeft gelegen. Tegenwoordig komen wij hier in de omgeving nieuwe hekken tegen, maar in het verleden kwamen de hierboven beschreven wring veelvuldig voor, zoals Dr. C. C. W. J. Hijszeler dit al in 1940 beschreef.

Bron van de gegevens over de akkers etc. – Boerenvoortvaring in de oude Landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe door Dr. C. C. W. J. Hijszeler. In het jaar MCMXL uitgegeven te Assen bij van Gorcum & Comp. nv. (G. A. Hak & H. J. Prakke) 1940