Kostbare aardappelen.

Op de woensdag van de twaalfde april in het jaar 1848 kreeg een inwoner van de Zulte, de toen 32-jarige landbouwer Hindrik Jans Riemers, in de Arrondissement Rechtbank te Assen de uitspraak te horen in een strafzaak die de officier van Justitie tegen hem had aangespannen nu een uit de hand gelopen conflict met Egbert Jans Noord, arbeider wonende te Roden, over aardappelen dat eerder in het jaar had plaatsgevonden. Waarschijnlijk zal boer Riemers vol ongeloof met zijn hoofd hebben geschud tijdens het oplezen van het vonnis door Mr. Westra, de presiderend rechter, waaruit bleek dat de oorwassing die hij in het begin van dat jaar, op vrijdag 25 februari 1848, de eerdergenoemde Noord had gegeven, een duur geintje was geworden.  

Aardappelen gerooid uit de Zulter bodem. Of het dezelfde soort aardappelen zijn die landbouwer Hindrik Jan Riemers eveneens in de Zulte had opgeslagen durf ik niet te zeggen, maar ze zijn enorm lekker!

“Het die lammeling mien eerpels mitnomen en mag ‘k hum niet de woarheid vertellen”, zal hij gedacht hebben, “En dan hum ok nog acht guldens betaolen!”. Nee, Noord was zeker niet te spreken over het uitgesproken vonnis en zal dat zeker in de rechtszaal hebben laten blijken. Daarnaast mocht de verontwaardigde boer ook nog eens de kosten van het geding, die begroot waren op de som van dertien gulden en vierenzeventig centen, gaan betalen.  

Landbouwer Hindrik Jans Riemers had toch eerder die woensdag 12 april de rechters én de officier van justitie duidelijk uitgelegd hoe de hooivork in de steel zat en dat niet hij, maar die verdraaide Egbert Jans Noord hier voor het hekje behoorde te staan! “Joa!”, zal hij met verheffende stem hebben geroepen, “Joe hebben de verkeerde hier veur ’t hekje stoan!”. Nee, de beste man kon niet begrijpen dat hij zelf blijkbaar behoorlijk over de schreef was gegaan en hiervoor werd beboet. 

De woning op de Dobber Esch waar Hindrik Jans Riemers op zaterdag 3 februari 1816 in het huis van zijn vader, Hindrik Jans Riemers, werd geboren afgebeeld op de Kadastrale kaart uit het jaar 1832 en had het perceelnummer Roden I-593  (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).

De op de zaterdag 3 februari 1816 op de Dobber Esch nabij Leutingewolde 92a (nu Turfweg 4) als eerstgeboren zoon van Jan Hindriks Riemers en Annechien Thijs Stel, Hindrik Jans Riemers, woonde in het jaar 1848 aan de Zulte 44 samen met Trijntje Berends Boukamp. Trijntje was de dochter van de met de in Peize geboren landbouwer Berend Bouwkamp hertrouwde Abeltje Jacobs Venema, die weduwe was van de in 1812 overleden Pieter Hindriks Riemers. Abeltje Jacobs overleed later in 1832 in Leutingewolde op het adres Westeinde 1. De toen 26-jarige Hindrik Jans en vijfentwintig jaar oude Trijntje Berends traden op de zaterdag 7 mei 1842 te Roden ten overstaan van Coenraad Wolter Ellents Kymmell, burgemeester en ambtenaar van de Burgerlijke stand der gemeente Roden in het huwelijk. 

De familiekaart van het gezin Hindrik Jans Riemers uit het jaar 1853. Het adres van het gezin is Zulte 44 (bron: Drents Archief Bevolkingsregister Deel 1, 1852-1862, archiefnummer 2001.21, inventarisnummer 3 Gemeente: Roden).

Aan het begin van het jaar 1848 bestond het gezin Riemers uit vier personen. Naast de twee eerdergenoemde echtlieden Hindrik Jans en Trijntje Berends, waren inmiddels dochter Annegien (dinsdag 16 juli 1844) en zoon Jan (maandag 10 januari 1948) in het gezin verschenen. Nu was het leven van een landbouwer in het midden van de negentiende eeuw zeker geen luxeleventje en moest er hard gewerkt worden om elke dag brood op de plank te krijgen. Het waren voor landbouwer Riemers en zijn vrouw lange werkdagen en korte nachten, vooral met de net zes weken oude zoon die ook de nodige nachtrust zal hebben gekost. 

De Zulte afgebeeld op een kaart uit het jaar 1853. Waarschijnlijk zal het er in het jaar 1848 net zo uit hebben gezien als op de hierboven afgebeelde kaart (bron: 354 – 354 Topographische en militaire kaart van Koningrijk der Nederlanden. 354.4 Assen 12; 1853 Drents Archief).

Het spreekt voor zich dat dit een behoorlijke invloed op je gemoedstoestand heeft en dat de tenen op dit soort momenten behoorlijk lang zijn. Dan is het verklaarbaar wanneer iemand in je eigen belevingswereld met zijn tengels aan je spullen zit, dat je hem dan even flink je mening laat horen. Soms meer dan jezelf in gedachten had, maar ook dit is begrijpelijk. De eerste de beste die zich dan in je schootsveld waagt is het haasje. Het was deze vrijdag, de 25 februari, dat de bom bij Riemers barstte. 

De op maandag 17 november 1806 te Roden geboren en aan het West- en Noordeinde 220 eveneens in Roden wonende arbeider Egbert Jans Noord die samen met zijn vrouw, de in Peize geboren Anna Egberts Been, was gezegend met het feit dat hij voor hem op het verkeerde moment op de meest foute plaats bevond waar hij zich maar kon bevinden. Niet dat Noord hier ook maar enigszins een idee van had, hij deed immers naar zijn eigen mening gewoon zijn werk. Egbert Jans werkte bij de kuil waar de aardappelen opgeslagen lagen op het erf bij de woning van landbouwer Riemers en waar hij met het uitdelen van de aardappelen was belast. 

Of de aardappelrooiers in de Zulte ook zo hebben gewerkt als die op de hierboven afgebeelde aquarel van Anton Mauve uit de periode 1848-1888 is maar de vraag, maar verbazen zou mij dat echter niet. Het was hard en zwaar werk waar doorgaans het hele gezin van de arbeider moest helpen om de oogst op tijd binnen te krijgen (bron: Rijksmuseum Amsterdam © Anton Mauve/Rijksmuseum http://www.rijksmuseum.nl/collectie/SK-A-2446).

Briesend stormde Hindrik Jans Riemers op de arbeider Noord af, die op dat moment met een tweetal mannen stond te praten over het verdelen van de aardappelen. “En wanneer denkst de eerpels te betoalen die doe lest zo mitnomen hest?”, tierde de van woede kokende landbouwer, “D’r bin goend die doar haard veur moeten waarken!”. Nu was Egbert Jans Noord niet iemand die zijn mening onder stoelen of banken stak en dit hem ook nogal eens boze blikken had opgeleverd, maar dit was werkelijk ongehoord waar de landbouwer hem van beschuldigde. 

“Ach, kerel”, begon Egbert Jans zich te verdedigen richting landbouwer Riemers, “Deugst doe wel? Mij hier oetmoaken veur dief?”. Dreigend stapte Noord op Riemers af en wilde hem zijn mening wel even luid en duidelijk laten horen. Ervan overtuigd zijnde dat zijn dreigende houding behoorlijk wat indruk zou maken op de landbouwer én de twee mannen die het geheel gade sloegen, ging hij ook nog eens zo voor hem staan dat deze op z’n minst de woorden zou terug gaan nemen. 

Voordat Egbert Jans Noord het in de gaten had, hadden de twee vuisten van Hindrik Jans Riemers hun werk al gedaan. In een flits landen de beide vuisten in het gezicht van de verbijsterde Noord en lieten hem zwijgen. Met een hevig bloedende neus maakte Egbert Jans dat hij van het erf van de landbouwer verdween. “Wacht moar of doe röttige poetzak!”, brulde de letterlijk en figuurlijk overdonderde Noord terwijl hij het bloed van zijn gezicht afveegde, “Ik krieg die nog wal!”. Ook deze gebeurtenis werd later door de twee aanwezige getuigen bevestigd. 

Of Riemers de dreigementen van Noord serieus heeft genomen blijft voor altijd een vraag. Feit is echter wel dat de slagen die de landbouwer de arbeider Noord had toegediend, niet zonder gevolgen konden blijven. Het is niet onvoorstelbaar dat Egbert Jans vrijwel direct naar het Zuideinde in Roden is gegaan om de gebeurtenissen te vertellen aan zijn oudere broer, Jan Jans Noord, die tevens veldwachter was in het dorp. Vanzelfsprekend zal Jan Jans het verhaal in zijn geheel hebben aangehoord en zijn broer aangeraden hebben om aangifte te doen. 

Bijna een maand later na het voorval, op woensdag 22 maart 1848, klopte de eerdergenoemde veldwachter Jan Jans Noord bij de familie Riemers aan de deur om een dagvaarding af te geven die door de officier van justitie in Assen uitgeven was naar aanleiding van het strafbare feit dat Hindrik Jans had gepleegd door Egbert Jans Noord op die bewuste vrijdag een pak op zijn donder te hebben gegeven. 

En daar stond hij dan zeer verontwaardigd voor de drie rechters, de al de inleiding genoemde presiderend rechter Mr. Westra, rechter Alstorphius Grevelink en de plaatsvervangende rechter A. Homan. En Riemers vond met alle zekerheid die er bestand dat niet hij maar die drommelse Noord hier hoorde te staan! Hij had dat toch al een keer duidelijk uitgelegd wat er gebeurd was en hoe hemel schreiend het was dat hij hier zich voor de edel geleerde heren nu moest verdedigen.

De arrondissementsrechtbank te Assen zag het één en ander toch heel anders dan de verontwaardigde landbouwer Riemers uit de Zulte en veroordeelde hem tot een geldboete van acht gulden waarbij hij ook no eens de kosten van het geding, die begroot waren op de som van dertien gulden vier en zeventig cent, boete en kosten desnoods te verhalen bij lijfsdrang. Lijfsdrang, later ook lijfsdwang genoemd, is een zwaar dwangmiddel in het Nederlands burgerlijk recht waarbij een schuldenaar wordt opgesloten in een huis van bewaring tot hij een rechterlijk vonnis nakomt.

Of landbouwer Hindrik Jans Riemers direct in de gaten had dat hij daadwerkelijk fout was geweest of dat het besef pas later kwam, is niet bekend. Wel dat de beste man zijn leven als hardwerkende landbouwer weer had opgepakt en nogmaals vader werd van een zoon Berend (1851) en een dochter Aaltien (1855). Na het hele gebeuren zal Riemers arbeider Egbert Jans Noord naar alle waarschijnlijkheid niet meer in dienst hebben genomen.

De eerste pagina van het vonnis dat de Arrondissementsrechtbank te Assen in 1848 uitsprak over het geschil tussen de landbouwer Hindrik Jans Riemers en de arbeider Egbert Jans Noord, dat uitliep in een pak slaag voor de arbeider (bron: Vonnisregister Arrondissementsrechtbank te Assen (1829) 1838-1877, Deel: 5, Periode: 1838-1877, Assen, archief 0106, inventaris­num­mer 5, 1848, Vonnisregister 1838-1877, aktenummer 1347).
De tweede en derde pagina van het vonnis (bron: Vonnisregister Arrondissementsrechtbank te Assen (1829) 1838-1877, Deel: 5, Periode: 1838-1877, Assen, archief 0106, inventaris­num­mer 5, 1848, Vonnisregister 1838-1877, aktenummer 1347).

Hieronder staat de gehele uitspraak die de arrondissementsrechtbank te Assen op de woensdag twaalf april in het jaar 1848 uitsprak:

Vonnis 1347
De Arrondissements Regtbank te Assen provincie Drenthe, oordeelende in strafzaken
In de zaak van den Officier bij gemelde regtbank eischer uitkrachte der dagvaarding van den 22sten Maart 1848 tegen Hendrik Jan Riemers, volgens opgave oud 32 jaren, geboren en wonende in de Zulte, gemeente Roden, van beroep landbouwer.
Gehoord de voordragt der zaak door den Officier.
Gehoord de onder eede afgelegde verklaringen der getuigen op last van het openbaar Ministerie verschenen, zoomede van die ten verzoeke van den beklaagde gehoord.
Gehoord de opgaven van den beklaagde.
Gehoord en gezien het requisitoir van den Officier, strekkende daartoe dat de beklaagde zal worden schuldig verklaard aan het moedwillig toebrengen van slagen of stooten, bij acte van dagvaarding vermeld, en dat hij dien volgende onder toepassing van de artikels 311, 309 en 52 van het wetboek van Strafregt zal worden veroordeeld tot correctionele gevangensstraf voor den tijd van drie maanden, voorts in eene geldboete van acht gulden, alsmede in de kosten van het geding desnoods te verhalen bij lijfsdrang.
Gehoord den beklaagde in zijne verdediging door hemzelven.
Overwegende, dat uit het onderzoek op de teregtzitting van den twaalfden April 1800 acht en veertig naar aanleiding der dagvaarding wettig en overtuigend gebleken dat de beklaagde op den vijfentwintigsten Februarij jongstleden moedwillig slagen of stooten heeft toegebragt aan den persoon Egbert Jans Noord, arbeider te Roden, in den hof der beklaagde bij gelegenheid dat aldaar aardappelen werden verdeeld.
Overwegende, dat het wettig bewijs dien daadzaak is verkregen door dien dezelve door meer dan een getuige is verklaard.
Overwegende, dat deze alzoo wettig bewezen daadzaak daarstelt het wanbedrijf van moedwillig toebrenging van slagen.
Overwegende, dat invoegen voorschreven en alzoo wettig den schuld van den beklaagde is bewezen.
Overwegende, dat mitsdien op den beklaagde moet worden toegepast de straf bij artikel 309 in verband met artikel 311 van het wetboek van Strafregt op het wanbedrijf van moedwillige toebrenging van slagen gesteld, zoodanig evenwel dat hier in aanmerking kunnen worden genomen in de straf met voorkomende verzachtende bepalingen, vermits de schade door het wanbedrijf veroorzaakt de som van vijfentwintig franken niet te boven gaat en ten aanzien van hetzelfde als verschoonende omstandigheid kan worden beschouwd dat de beleedigde Noord in hevige en ongepaste bewoordingen uitvoer tegen den beklaagden, die in den meening was, dat voor en aleer de aardappelen uit de kuil werden weggenomen, het daarvoor verschuldigde te moeten vorderen van Egbert Noord, die met de uitdeling belast was met de twee eerste getuigen.
Regt doende in naam en vanwege den Koning.
Verklaart als wettig en overtuigend bewezen den beklaagden schuldig aan het wanbedrijf van moedwillige toebrenging van slagen. geene schade boven de vijfentwintig franken veroorzaakt hebbende en gepleegd onder omstandigheden die hetzelfde schijnen te verkleinen, door onder de vermelde verschoonende omstandigheid en zonder veroorzaking eener schade bovengemelde som, ten tijde en plaatse voorschreven den persoon van Egbert Jans Noord slagen of stooten te hebben toegebragt.
Gezien artikels 227 en 209 van het Wetboek van Strafvorderingen en artikels 309, 311, 463 en 52 van dat van Strafregt, welke artikelen voor zooverre hieronderingevoegd luiden:
Art 309 “Met het tuchthuis zal gestraft worden al wie iemand kwetsuren slagen ot stooten toegebracht zal hebben ingeval uit deze gewelddadigheden eene ziekte of beletsel van te werken ontdaan is van meer dan twintig dagen”.
Art 311 “Wanneer de kwetsuren of slagen generlee ziekte of beletsel van te werken als bij art. 309 gemeld, veroorzaakt zullen hebben, zal de schuldige met eene gevangenzetting van eene maand tot twee jaren en eene geldboete van zestien tot twee honderd franken gestraft worden”.
Art 463 “In alle de gevallen waarin de straf van gevangenis bij dit wetboek gesteld wordt, worden de vierscharen gemagtigd om bij aldien het veroorzaakte nadeel geene vijfentwintig franken te boven gaat en bij aldien de omstandigheden het wanbedrijf schijnen te verkleinen, de gevangenis zelfs tot beneden de zes dagen en de boete zelfs tot beneden de zestien franken te verminderen. Zij zullen ook de eene of de andere dezer straffen afzonderlijk mogen wijzen zonder dat zij echter in eenig geval beneden de bloote politie straffen zal zijn”.
Veroordeelt mitsdien den alzoo schuldig verklaarden persoon van Hendrik Jans Riemers tot eene geldboete van acht gulden en in de kosten van het geding begroot op de som van dertien gulden vier en zeventig cent, boete en kosten des noods te verhalen bij lijfsdrang.
Aldus gewezen door Mr. Westra presiderend regter, Alstor phius Grevelink regter en A. Homan plaatsvervangend regter en is in dit vonnis in de gewone openbare teregtzitting van woensdag den twaalfden April 1800 acht en veertig door Mr. Westra presiderend regter uitgesproken in tegenwoordigheid van opgenoemden regter en plaatsvervangend regter, van den Officier en den gestileerd griffier
.
(bron: Vonnisregister Arrondissementsrechtbank te Assen (1829) 1838-1877, Deel: 5, Periode: 1838-1877, Assen, archief 0106, inventaris­num­mer 5, 1848, Vonnisregister 1838-1877, aktenummer 1347).

Zulte 37; Sinninges in de Zulte.

Op dinsdag 29 april 1845 verschijnt er in de Groninger courant, het algemeen dagblad voor de stad Groningen en Ommelanden dat inmiddels in zijn 104e jaargang zit, een oproep van de uit Norg afkomstige notaris Mr. Nicolaas Wilhelm Schroeder Hofstede tegen, die hij een dag eerder had opgesteld in zijn kantoor. Mr. Hofstede verzoekt een ieder die nog iets te vorderen heeft of verschuldigd is aan de wijlen Jacob Jans Sinninge en Janke Piers Holtrop, binnen een maand de opgave van de schulden of de betaling van het verschuldigde te doen bij zijn kantoor in Norg. Dit dient echter wel op de maandagen te gebeuren, daar de notaris dan in zijn kantoor zal vaceren (zitting houden) om vervolgens na die periode tot Likwidatie (liquidatie) te kunnen overgaan.

De oproep die notaris Mr. Nicolaas Wilhelm Schroeder Hofstede in de Groninger Courant van dingsdag 29 april 1845 doet. Destijds schreef men nog ‘dingsdag’ in plaats van ‘dinsdag’ zoals wij dat heden ten dage doen. (Bron: Groninger Courant, 29 april 1845, vierde blad, te Groningen bij C. M. Bolhuis Hoitsema, Boekdrukker).

Het betreft hier de op vrijdag 11 april 1845 overleden landbouwer Jacob Jans Sinninge die samen met zijn vrouw Janke Piers Holtrop in de Zulte op de boerderij met het huisnummer 37 woonde. Naar alle waarschijnlijkheid was Jacob Jans samen met zijn broers en zuster Steven Jans, Geert Jans, Jantien Jans en Hinderk Jans gemeenschappelijke eigenaren van het pand geworden nadat aan hun ouders Jan Jacobs en Grietjen Geerts in respectievelijk 1809 (moeder) en 1810 (vader) waren overleden. Dit impliceert ook waarom de notaris Hofstede het over de ‘Mandeeligen Boedel’ heeft. Mandeligheid ontstaat, wanneer een onroerende zaak gemeenschappelijk eigendom is van de eigenaars van twee of meer erven en door hen tot gemeenschappelijk nut van die erven wordt bestemd. Mandeligheid impliceert dus ook gemeenschappelijk eigendom.

De grote boerderij waar Jacob Jans Sinninge en zijn vrouw Janke Piers Holtrop woonde in de Zulte. Voor Jacob Jans woonden zijn ouders Jan Jacobs en Grietjen Geerts in de kapitale boerderij. (Kaart 1832Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort)

Na de volkstelling van 1840 verblijven er in het huis dat dus het huisnummer Zulte 37 draagt en kadastraal ingedragen stond als Roden I-166, huis en erf, vijf personen. Het echtpaar dat kinderloos was gebleven, Jacob Jans was 50 jaar en Janke Piers 44 bij hun huwelijk, maar had de zorg op hun genomen voor de toen twaalfjarige Wieger Hindriks Holtrup. Zoals het wel vaker in die tijd gebeurde, was de naam van Wieger Hendriks Holtrop dus net even anders geschreven dan het hoorde. De jongen was het jongste kind van Janke Piers haar broer Hendrik Piers Holtrop en zijn vrouw Lutske Derks Hummel. Het kind was op donderdag 1 februari 1827 in Marum geboren, zeven maanden voor het overlijden van de 54-jarige Hendrik Piers op dinsdag 11 september 1827, eveneens te Marum. Naast Jacob Jans, Janke Piers en Wieger Hendriks woonden de boerenknecht Fokke Louwes Hummel en de dienstmeid Annechien Hindriks Warners eveneens in het huis.

De vermelding van Jacob Jans Sinninge, Janke Piers Holtrop, Fokke Louwes Hummel, Annechien Hindriks Warners en Wieger Hindriks Holtrup tijdens de volkstelling uit 1840. (Bron: Drents Archief. Roden, Volkstelling, 1840 (toeg. 2001.21; nr. 2)).

Zo’n anderhalf jaar later, in november van het jaar 1846, plaatst notaris Mr. Nicolaas Wilhelm Schroeder Hofstede zowel in de Drentsche Courant als in de Groninger Courant namens de erven van Jacob Jans Sinninge, een advertentie met de mededeling dat zij voornemens zijn om de boerenplaats en de bijbehorende landerijen te gaan verkopen. De boerenplaats bestond destijds uit een grote boerderij, een erf en een bijbehorende boomgaard. Op de kadastrale kaart uit 1832 is duidelijk te zien dat het inderdaad een fors gebouw is dat dienst deed als boerderij. Op de kadastrale kaart die uit het jaar 1887 stamt, is de kapitale boerderij verdwenen en staat er nu een veel kleiner gebouw. Een deel van de landerijen waaronder opgaand bos, tuin, bouw- en weilanden bevonden zich in de directe omgeving van het erf.

De advertentie in de Drentsche courant van vrijdag 6 november 1846, waarin kenbaar wordt gemaakt dat de boerenplaats, de bouw-, hooi- en weilanden, bossen en heidegronden van wijlen Jacob Jans Sinninge door de erven te koop worden aangeboden. (Bron: Drentsche Courant, 6 november 1846, vierde blad, te Assen, bij van Gorcum en Comp., Provinciale Drukkers).

De inzate (inzet bij een verkoping van onroerend goed) vond op woensdag 18 november ‘s ochtend om 10 uur plaats in de herberg van Harm Schuring in Roden, ongeveer op de plaats waar nu de ‘Pompstee’ staat. Harm Schuring was naast logementhouder ook de schoonzoon van Berendje Voget, de weduwe van Thyle Geerts Krijthe, die eveneens logementhouder tijdens zijn leven was geweest. Daarnaast was de beste man ook nog eens een bierbrouwer geweest. Maar goed, terug naar Harm Schuring die door zijn huwelijk met Margaretha van Baden Krijthe en na het overlijden van Berendje eigenaar van het pand was geworden. Het wrange aan het geheel was dat zijn vrouw Margaretha een half jaar voor de verkoping, op vrijdag 15 mei 1846, was overleden.

De advertentie van de notaris Hofstede die dinsdag 10 november 1846 in de Groninger Courant verscheen. (Bron: Groninger Courant, 10 november 1846, vierde blad, te Groningen bij C. M. Bolhuis Hoitsema, Boekdrukker).

De omgeving van het voormalig esgehucht de Zulte zag er rond het midden van de jaren veertig tijdens de negentiende eeuw er heel anders uit dan heden ten dage. Veel van de bossen, bouw-, hooi-, weide- en heidegronden zijn inmiddels verdwenen en hebben plaatsgemaakt voor woningbouw. Het bosje aan de Postemastraat is slechts een van de weinige overblijfselen die eens tot het bezit van Jacob Jans Sinninge behoorde. Vermoedelijk zijn vrijwel alle 25 bunders aan landerijen verkocht tijdens de verkoping. De meeste kopers zullen doorgaans landbouwers uit de omgeving van het dorp Roden zijn geweest die de kans schoon zagen om hun bezittingen uit te kunnen breiden.

Op de kadastrale kaart uit het jaar 1887 is goed te zien dat de kapitale boerderij is verdwenen en plaats heeft gemaakt voor een kleiner gebouw. (Bron: Drents Archief).

Niet alle gronden die Jacob Jans in de Zulte gebruikte, konden verkocht worden. Immers, de beste man had een verbond met zijn broers en zuster, waarbij de geërfde goederen en landerijen bij hen in gezamenlijk bezit kwamen, deelgenoten dus. Consorten van Jacob Jans werden zij in de kadastrale stukken uit 1832 genoemd. Het kan ook zo geweest zijn dat er onenigheid tussen de consorten was ontstaan over het verkopen of juist de prijs, we weten het niet. Feit is wel dat niet alle percelen bij de verkoping verkocht zijn.

De situatie op de plaats waar eens de kapitale boerderij van Jacob Jans Sinninge gestaan heeft in het midden van de jaren zestig van de vorige eeuw. De originele kaart stamt uit het einde van de negentiende eeuw en werd later gebruikt door de ambtenaren om de vorderende woningbouw binnen het dorp in kaart te brengen. Het betreft hier op de kaart de plaats waar tegenwoordig het Wethouder Deodatusplantsoen ligt. (Bron: Drents Archief).

Wat de reden tot verkoop was, blijft voor mij onbekend. Waarschijnlijk kon men geen opvolger vinden binnen de familie die het bedrijf over wilde nemen of de opbrengsten waren te verleidelijk om te weerstaan, het blijft speculeren. Wat de reden tot verkoop was, blijft voor mij onbekend. Wel is duidelijk dat de vrouw van Jacob Jans, de op zondag 11 mei 1777 te Marum geboren Janke Piers Holtrop en waarmee hij op vrijdag 10 mei 1822 in het huwelijk trad, na zijn overlijden weer terugkeerde naar haar geboorteplaats, het Groningse Marum. Op woensdag 24 november 1847 sloot de weduwe daar haar ogen voor de laatste maal, zeventig jaar oud.

De boerderij van Steven Jans Sinninge en Roelfien Eitens Oosterhof op de kadastrale kaart uit 1832.Voor dat dit gezin er kwam wonen, woonden Eyte Alberts Oosterhof en Jantjen Datema hier. (Kaart 1832Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).

Dat Jacob Jans Sinninge als boer en eigenaar de boerderij van zijn ouders overnam was destijds heel gewoon. Doorgaans nam de oudste zoon het bedrijf van de ouders over en de andere zonen moesten maar een andere plaats gaan zoeken om verder te kunnen boeren. Zo verging het ook de jongere broer van Jacob Jans, Steven Jans Sinninge. De in 1776 in de Zulte geboren Steven Jans trouwde op zondag 8 mei 1803 in de kerk van Roden met de in 1782 te Leutingewolde geboren Roelfien Eitens Oosterhof, dochter van Eite (Eyte) Alberts Oosterhof en Jantjen Datema. Steven Jans en Roelfien Eitens betrokken de boerderij van haar ouders in Leutingewolde, dat het nummer 96 droeg.

Bleef het huwelijk van Jacob Jans en Janke Piers nog kinderloos en moest men zijn boerderij gaan verkopen omdat er waarschijnlijk geen opvolger was, bij Steven Jans en Roelfien Eitens Speelde dit probleem in het geheel niet en het echtpaar kreeg maar liefst negen kinderen samen. De opvolging van het bedrijf binnen de familie bleek gewaarborgd te zijn en hun vijfde kind, zoon Jacob Stevens Sinninge, die op zaterdag 15 mei 1813 geboren was in Leutingewolde, werd in het jaar 1860 de hoofdbewoner van het pand.

De familie Sinninge uit Leutingewolde werden foutief vermeld als Sinninga tijdens de volkstelling van 1840. Ook de broer van Roelfien Eitens, Albert Eites Oosterhof, woonde bij het gezin Sinninge in. (Bron: Drents Archief. Roden, Volkstelling, 1840 (toeg. 2001.21; nr. 2))

Zesentwintig jaar eerder, op dinsdag 11 februari in het jaar 1834, verwisselde Steven Jans Sinninge op 58-jarige leeftijd het tijdelijke met het eeuwige leven en moest Roelfien Eitens Oosterhof het alleen zien te redden. Wanneer wij de documenten van de volkstelling van 1840 binnen de gemeente Roden erbij pakken, valt het op dat Roelfien haar vrijgezelle broer inwonend is. Albert Eites Oosterhof was vier jaar jonger dan zijn zuster en werd geboren op woensdag 1 maart 1786 te Roden geboren. Hij werkte voorheen als boerenknecht in Roderwolde en woonde eveneens in dat dorp bij de Rowolmer bakker Jan Sikkens Datema in het huis met het nummer 24. Na het overlijden van zijn zwager Steven Jans zal Albert Eites wellicht een deel van zijn taken hebben overgenomen. Zelf komt Albert Eites op dinsdag 27 januari 1845 eveneens op 58-jarige leeftijd in Leutingewolde te overlijden.

Het is in het jaar 1848 als we weer iets van de familie Sinninge uit Leutingewolde vernemen. Het is alweer twee jaar geleden dat men de boedel van de overleden Jacob Jans gelegen in de Zulte in de kroeg van Harm Schuring in Roden heeft geprobeerd te verkopen en ondanks dat Steven Jans dit alles niet mee hoefde te maken, zal de dan al 66-jarige Roelfien Eitens de touwtjes bij het gebeuren strak in de handen hebben gehad. Het is ook goed voor te stellen dat de weduwe inmiddels genoeg heeft gekregen van het zware boerenleven en het rustiger aan wil gaan doen.

De advertentie van notaris van Lier in de Drentsche Courant waar hij aankondigt dat er een boeldag ten huize van de weduwe van Steven Jans Sinninge. (Bron: Drentsche Courant, 17 maart 1848, vierde blad, te Assen, bij van Gorcum en Comp., Provinciale Drukkers).

Nu heeft de in Assen woonachtige notaris Herman Hubert van Lier te Assen (Kaap de Goede Hoop, donderdag 9 augustus 1792 – Assen, zondag 8 maart 1863) de opdracht gekregen van de weduwe en de erven van Steven Jans een boeldag te organiseren om het een en ander te verkopen. De zeer ervaren notaris gaat direct aan de slag en plaatst in de Drentsche courant van vrijdag 17 maart 1848 een advertentie met de aankondiging van de te houden boeldag. Het is echter niet de bedoeling om het huis, maar meer om het vee, 4 paarden, 21 stuks hoornvee en twee varkens, 2 wagens, boerengereedschap, melkgereedschap en allerlei huisraad te verkopen. De boeldag wordt op de woensdag 22 maart gehouden bij de boerderij ‘s ochtends om tien uur.

Ruim een maand later klopt notaris van Lier nogmaals bij de Drentsche Courant op de deur van redactie met een nieuwe advertentie van de weduwe en de erven van wijlen Steven Jans Sinninge. Nu zijn zij voornemens om de boerenplaats, bestaande uit een behuizinge, en bouw-, weide- en hooilanden, veld en veen en enige grondpachten gelegen in Leutingewolde. Ook wordt er vermelding gemaakt van dat er eveneens veld en veen in de markte van Bunde, gemeente Vries. Deze percelen waren eigendom van en werden door de broer Geert Jans Sinninge bewerkt. Geert Jans overleed op donderdag 13 oktober 1842 in het plaatsje Yde binnen de Gemeente Vries. Ook de jongste boer van Jacob Jans, Geert Jans, Stevens Jan en Jantien Jans, broer Hindrik Jans Sinninge, was al op zaterdag 23 juni 1821 in de Zulte overleden, 37 jaar en 7 maand oud.

De advertentie met de vermelding dat de weduwe en erven van Steven Jans Sinninge de boerenplaats, bouw-, weide-, en hooilanden etc. voornemens te zijn om te gaan verkopen. (Bron: Drentsche Courant, 25 april 1848, vierde blad, te Assen, bij van Gorcum en Comp., Provinciale Drukkers).

Blijkbaar drukte de voormalige boerderij en de bijbehorende landerijen van de overleden Jacob Jans toch op het een en ander. In de advertentie staat duidelijk dat “eindelijk huis en land te Zulte, gemeente Roden, vroeger bewoond geweest door wijlen Jacob Jans Sinninge”. Zou het ‘eindelijk’ er mee te maken hebben dat de vrouw van Jacob Jans, de weduwe Janke Piers Holtrop, aan het einde van de maand november in het jaar 1847 kwam te overlijden? En doordat zij wellicht het deel van de mandeligheid van haar man na zijn dood had toegewezen gekregen, de verkoop tegen weten te houden? Het zou wel een hoop over de verkoop van de boerderij in de Zulte kunnen verklaren.

Ondanks het gekrakeel over het verkoop van de boerderij in de Zulte met het huisnummer 37, kan notaris van Lier op maandag 1 mei 1848 des voormiddags (’s ochtends)  te elf uur met de openbare verkoping beginnen. Gezien de stukken in het archief van de notaris in Assen was er volop belangstelling en komen we onder andere namen als Landbouwer Jan Assies te Roden tegen, de koper van de boerderij in Leutingewolde of de Roner broodbakker Roelof Roelofs Deodatus. Daarnaast zijn er een tal van inwoners van Leutingewolde, Lieveren, Roden, Zeijen, en de Zulte aanwezig die ook meedoen aan het kopen van allerlei bezittingen van de familie Sinnige/Oosterhof.

De plaats waar eens de boerderij van Steven Jans en Roelfien Eitens stond, doet heden ten dage dienst als weiland. De woning stond links van de boerderij op de afbeelding. (Afbeelding: Topotijdreis.nl).

Ruim tien jaar later na de openbare verkoping op zaterdag 13 november 1858 komt de weduwe van Steven Jans Sinninge in Leutingewolde te overlijden. De dan 76-jarige voormalige landbouwersche en dochter van Eite Alberts Oosterhof en Jantjen Datema, Roelfien Eitens Oosterhof (ook wel als Roelofje Eitens Oosterhoff beschreven) heeft een zeer bewogen leven achter haar rug wanneer zij voor de laatste maal haar ogen sluit.

Beide boerderijen zijn inmiddels afgebroken, die van Jacob Jans in de Zulte waarschijnlijk in het midden van de negentiende eeuw en die van Steven Jans in Leutingewolde werd in het jaar 1949 afgebroken en is sindsdien weiland. Op de plaats waar Jacob Jans en Janke Piers in de Zulte woonden, staan nu huizen en heet nu het Wethouder Deodatusplantsoen. Dit gedeelte van het toenmalig esgehucht maakt nu deel uit van het dorp Roden.

Luchtfoto van het gedeelte aan de huidige Wethouder Deodatusplantsoen te Roden waar eens de boerderij van Jacob Jans Sinninge en Janke Piers Holtrop woonden. Tegenwoordig staan er vrijstaande woningen.(Afbeelding: Topotijdreis.nl)