Over ossenkracht en voedermaïs.

Vloekend en tierend joeg de landarbeider de twee slome trekossen over een akker in de omgeving van het voormalig esgehucht de Zulte. De rottende heideplaggen, die hier al een poos lagen nadat ze gestoken waren, dienden als bemesting voor de bodem en dienden daarom ondergeploegd te worden. Een zware klus voor de trekossen daar niet alleen de heideplaggen kleiig waren, de ondergrond was eveneens zwaar te bewerken door de aanwezigheid van de kleverige keileem en hier en daar kwam zelfs de stugge potklei aan de oppervlakte. Nee, het ontginnen van de heide om er goede landbouwgrond van te maken, had in het verleden veel voeten in de aarde nodig gehad om dit voor elkaar te krijgen.

Dat de ondergrond in de wijde omgeving van het esgehucht nogal kon verschillen, was al bij de vroege bewoners in het gebied bekend. De zanderige en vruchtbare essen, de grote bossen die zowel op zand als op de keileem stonden en de lagere delen waar de zware, taaie potklei en de stugge, kleverige keileem zorgden voor drassige en natte gebieden. Al vroeg ontdekte men ook de voordelen van de natte gebieden en verschenen er Cisterciënzer monniken in hun kenmerkende grijze pijen, die afkomstig waren uit de St. Bernardusabdij te Aduard en stichten de uithof ter Helle, waarna zij turf en klei begonnen te winnen.

De cisterciënzer monniken in hun kenmerkende grijze pijen aan het werk in de natte, venige gebieden rondom de Zulte. Met name nabij Terheijl en Roderwolde bij het Leekstermeer (Monniken aan het turfsteken. Schilderij van Geert Schreuder. Foto Veenkoloniaal Museum Veendam. bron: Uithof ter Helle).

Tegen het einde van de middeleeuwen, zo ongeveer in de vijftiende eeuw, waren op de hoger gelegen essen in de Zulte al de nodige boerderijen en bouwlanden gemaakt door de eerste boeren. Zij vormden de eerste akkers op de hoger gelegen essen, die door hun zanderige ondergrond redelijk eenvoudig te bewerken waren. Inmiddels waren de monniken in de uithof ook niet meer die hardwerkende mannen in lange, zware pijen aan boetedoening deden, maar was de vertegenwoordiger van het klooster net als de adel en de rijke boeren, ook een grootgrondbezitter geworden en verkreeg inkomen door het verpachten van grond. De uithof werd dan ook als zodanig aangeslagen door het kerspel Roden op de schattingslijst van 1546 vermeld als: ‘Dat tichgelwerck yn dye Hell ende zijn heerschup de monnick’.

Het ploegen met trekossen afgebeeld op het kalenderblad voor de maand maart uit het kleurrijke boek ‘Les Très Riches Heures du duc de Berry’ uit het jaar 1410. De ploeg op de afbeelding lijkt op de ploegen die destijds in onze omgeving werden gebruikt (bron: Wikipedia).

Om gebruik te kunnen maken van de vruchtbare bodem op de essen, moest er nogal wat gebeuren om het een en ander te gebeuren om de ontginning in gang te zetten. Bomen dienden gekapt en gerooid te worden, de heide moest worden afgeplagd. Vooral daar waar zich heide op een kleiige ondergrond bevond, was het afsteken van de plaggen zwaar werk. Waren de plaggen afgestoken, dan werden deze op elkaar gelegd en liet men ze ongeveer een anderhalf jaar liggen. Door dat de plaggen op elkaar lagen, begonnen ze te broeien en waren ze geschikt om als bemesting te dienen. Vervolgens kwam de zogenaamde ‘osseknecht’ met de twee trekossen en de ploeg om het geheel onder de grond te werken. Iets wat in de omgeving van de Zulte nog in 1810 gebeurde.

Een zogenaamde voor, een door ploegen ontstaande groef in de bodem. Eerst gebeurde dit in de Zulte door twee trage trekossen, later door sneller werkende paarden en tegenwoordig met een dikke tractor voor de ploeg,

In het Magazijn van Vaderlandschen Landbouw, deel 6 uit het jaar 1810, doet de heer Jan Kops in hoofdstuk 12 op de pagina’s 171 en 172 verslag van een onderzoek door de verschillende commissies van landbouw in het Koningrijk Holland over het nut van het gebruik van trekossen in plaats van paarden in de landbouw: ‘De Commissie van Landbouw in Drenthe, heeft tenduidelijkste aangetoond, dat de Werk- en Trekossen, voor dat Departement niet aanteraden en zelfs nadeelig zouden zijn, zijnde het verslag dezer Commissie, als volgt: Vooreerst, dat in dit Departement geen Trek-ossen gebruikt worden, dan op den Huíze Ter Heyl, toebehoorende aan Mevrouw de Wed. de Lille, terwijl de Heer Mr. P. Hofstede dezelve bereids sinds eenige Jaren heeft afgeschaft, en dat wy van wegen de Osse-knechten, welke bij de zelve Trek-ossen gediend hebben, onderrigt zijn, dat de Trek-ossen bij den Akkerbouw den voorrang zouden verdienen boven de Paarden; bij aankoop naar evenredigheid minder zouden kosten; bij verkoop na eenige jaren dienstbaarheid evenredig meerder opbrengen, en minder voeder zouden noodig hebben, dan de Paarden, welke daarentegen geschikter zouden zijn voor het Transport. Ten tweede, dat wij, als niet door ondervinding bekend met de voordeelige eigenschappen, welke de Heer Ten Cate, en met hem de genoemde Osse-knechten, aan de Trek-ossen toeschrijven ‚ ons buiten staat bevinden, om door vergelíjking derzelve tegen die der Paarden, een besluit optemaken, welk meer dan louter speculatief zoude zijn; doch dat het ons is voor gekomen, dat het gebruik van Trek-ossen tot den Landbouw, in plaats van Paarden‚ voor den Drentschen Landbouw en het Rijk niet voordeelig zijn zoude’. 1

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is ossen004-1.jpg
De zogenaamde Drentse stelploeg. Deze ploeg werd vooral in het Noorden van Drenthe gebruikt om het land te ploegen (Afbeelding: Dr. C.C.W.J. Hijszeler: Boerenvoortvaring in de oude landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe. De tekeningen werden vervaardigd door de J. Witpaard te Meppel en N. Overdiep te Groningen. Uitgegeven te Assen bij Van Gorcum & Comp. N.V. (G.A. Hak & H.J. Prakke) (MCMXL)).

Nadat de restanten van de heideplaggen behoorlijk waren omgeploegd, werd het ontgonnen bouwland geschikt gemaakt voor gebruik en zaaide men in het eerste jaar rogge in de grond. Na de daarop volgende oogst van de rogge, die men naar de molen ten zuiden van het dorp Roden bracht om daar tot meel gemalen te worden, werd direct weer begonnen met ploegen. Dit deed men om de akker geschikt te maken voor winterrogge.

Het zogenaamde ‘vaalg’n’ heeft hier al plaats gevonden. De akker is ondiep omgeploegd en de stoppels zijn grotendeels onder de aarde terecht gekomen.

Het stoppelland werd eerst ondiep geploegd, in de omgeving van de Zulte noemde men dit ‘vaalg’n’ (het land zwart maken d.w.z. dat je alleen maar zwarte grond op de akker zag). Dit gebeurde door middel van brede voren, waarbij niet het hele land werd omgeploegd maar wel de grond over de stoppels kwam te liggen. De voren, de ploegsporen dus, bleven open liggen. Het werk moest dan voor de laatste donderdag in augustus klaar zijn, “’k Heb ’t laand klaor ligg’n”, zei de Zulter boer dan.

De stelploeg en zijn onderdelen: a). ramshor’n, b). ’t halve gat, c). de klaver, d). de klöp, e). touhamer, f). de spaon, g). ’t ater, h). de ket (Afbeelding: Dr. C.C.W.J. Hijszeler: Boerenvoortvaring in de oude landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe. De tekeningen werden vervaardigd door de J. Witpaard te Meppel en N. Overdiep te Groningen. Uitgegeven te Assen bij Van Gorcum & Comp. N.V. (G.A. Hak & H.J. Prakke) (MCMXL)).

Na een week of twee tot drie bleef de akker zo liggen en als het weer meewerkte, kon de grond goed uitdrogen en de stoppels verrotten. ’t Laand wordt d’r mul (rul, los) van zei men dan. Vervolgens ging men het land slichten met een eg, of zoals men in de Zulte zei: ”’t laand slicht’n met ’n aaide”. Het eggen werd in de wijde omgeving van het dorp Roden ook wel ‘aaiden’ genoemd. Voor het slichten gebruikte de boer een grote, zware eg, de oseege of osaaide. Wellicht herinnert de naam nog aan het feit, dat hier in Noord-Drenthe ossen als trekdieren werden gebruikt. Het was zogenaamde viefbalks aaide (vijfbalks eg), van hout en met lange, ijzeren tanden. De grond werd door deze eg goed verkruimeld en schoon gemaakt. Was de eg nog niet zwaar genoeg, dan legde men er een zware paal of iets anders zoals zwerfstenen op.

Tegenwoordig gaat het eggen mechanisch met een forse trekker en een metalen eg, maar het effect blijft hetzelfde als voor tweehonderd jaren geleden, het gaat echter veel sneller dan toen.

Had men de akker slicht gemaakt, dan werd er bemest met stal- of schapenmest, die met een wagen op het land werd gereden. De bemesting was in vroeger tijden behoorlijk armelijk. Om het volume van de hoeveelheid mest toch maar te vergroten, werd de mest telkens in de stal met zand en (heide)plaggen vermengd. Het is dus ook niet verwonderlijk, dat er in vergelijking met vandaag de dag zodoende weinig wilde groeien. De schapenmest werd eerst met n messlep in vierkante stukken gestoken. Zo’n vierkant stuk schapenmest noemde men ’n bol. De stal- en schaopmest werd met de vork (een drie- of viertandigevork) op de wagen geladen, het zogenaamde mestlaod’n.

De eg, of aaide zoals deze in de omgeving van Roden werd genoemd. a). bovenzijde van de grote Drentse eg, b). onderzijde van de grote Drentse eg, c). voor het veurtrekk’n en de roagge inschraankel’n gebruikte men twee kleine eggen, die naast, doch schuin achter elkaar liepen, zodat er tussen de beide geëgde strooken geen strook ongeëgd bleef (Afbeelding: Dr. C.C.W.J. Hijszeler: Boerenvoortvaring in de oude landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe. De tekeningen werden vervaardigd door de J. Witpaard te Meppel en N. Overdiep te Groningen. Uitgegeven te Assen bij Van Gorcum & Comp. N.V. (G.A. Hak & H.J. Prakke) (MCMXL)).

Nadat men in het eerste jaar de rogge had gezaaid en geoogst, werd in het tweede jaar na de ontginning haver gezaaid. Vervolgens werden er in het derde jaar aardappelen in de grond gepoot. Na deze drie jaren was de ontginning van het bouwland geslaagd en ging men over op de normale bemesting en verbouwde men ieder jaar tarwe. In tegenstelling tot vandaag de dag waarbij vrijwel elke graankorrel mechanisch wordt opgevangen, was dit ruim 200 jaren geleden wel anders. Was het graan zeer rijp en vielen de graankorrels eenvoudig uit de graanhalm, dan diende men het graan voorzichtig binnen te halen. Om de gevallen graankorrels toch te kunnen verzamelen en er meel van laten te maken, had men een eenvoudige oplossing bedacht om de korrels in te zamelen. Een zogenaamde zaadzeef, een driehoek gemaakt van drie latten, werd over het bouwland gesleept om de uitgevallen graankorrels van het land te krijgen.

Moesten vroeger de knechten de aardappelen met hand poten en daardoor de gehele dag gebukt lopen, tegenwoordig gaat het poten machinaal. Op de afbeelding is mooi te zien dat de machinist de aardappelen even iets te vroeg liet vallen.

Waarschijnlijk is het gebruik van de trekossen in de omgeving van het voormalig esgehucht na 1810 snel afgenomen en maakten de trage dieren plaats voor de sneller bewegende paarden, waardoor het transport sneller verliep. Daarnaast konden de trekossen zeer zinnig zijn; hadden de dieren geen zin om iets te doen, dan deden ze ook daadwerkelijk niets en lag alles stil. In het zuiden van ons land bleef de trekos nog zeer populair en werd tot ver in de twintigste eeuw nog gebruikt in de landbouw. Daar hoorde hij dan ook het mopje: ‘De Noord-Brabantsche boer eet zijn paard en slaapt bij den voerman’, omdat het vooral ‘vrouwen en meiden’ waren, die op de vrachtkar de leidsels hanteerden. 2

Tegenwoordig dienen de meeste akkers in de omgeving van de Zulte voor de aanbouw van voedermaïs, dat de boeren naast hooi en kuilgras aan hun koeien voeren. Veel akkers zijn echter niet meer in de Zulte te vinden, ze moesten plaats maken voor graslanden. In de bodem van de bovenstaande akker bevinden zich echter aardappelen.

Was de ontginning van de immens grote heide en het verbouwen van graan op de bouwlanden in het verleden nog een bittere noodzaak, vandaag de dag zijn vrijwel alle akkers verdwenen en hebben plaats gemaakt voor grasland. De enkele akkers die men hier en daar nog in het oude gebied van de Zulte tegenkomt, zijn akkers met voedermaïs. De rode maïskorrels schijnen een heerlijk hapje voor het rundvee te zijn.

In veel akkers is er weer voedermaïs aangebouwd, een heerlijk hapje voor het vee. De boer kuilt de kolven in of hakselt de hele plant en gebruikt deze de hele winter als voer.

Van het oude boerenleven in de Zulte is niets meer over en van paardenkrachten wordt enkel nog gesproken als het om de tractor gaat, laat staan dat er nog de term ossenkracht nog bestaat. Eigenlijk is het niet meer voor te stellen dat wij best wel veel aan deze trekossen te danken hebben.

In het jaar 2011 had de eigenaar van de percelen aan de Zulthe ook voedermaïs verbouwd, zoals op de luchtfoto goed te zien is. (afbeelding: Topotijdreis.nl)

1 J. Kops – Magazijn van vaderlandschen landbouw Deel 06, te Haarlem, bij A. Loosjes, Pz. 1810.

2 Hans Miltenburg en Reimer Strikwerda, Koe voor de kar en op de kaart, 2007.

Een geheimzinnige diepte

Het was moar ’n natte bende doar”, vertelde de boer mij toen ik hem vroeg of hij wist hoe oud de verdieping in zijn land was, “Een nat vies veengat, joa dat was’t west”. Een verdieping in het gebied waar vroeger eens het enorm oerbos lag dat Groot Noordholt werd genoemd, was zeker geen zegen voor de landeigenaar. De op sommige plekken forse laag taaie keileem vlak onder of aan de oppervlakte zorgde ervoor dat het regenwater niet in de grond weg kon zakken, maar via de bovenzijde van de grond een weg naar lager gelegen gebieden zocht. Zeker in de tijden dat het gebied niet over een effectief stelsel van afwateringssloten beschikte, was het water amper weg te krijgen richting het Leekstermeer.

Instemmend knikte ik met hem mee, want ik wist de oorzaak van de verdieping in zijn perceel waarschijnlijk wel. Dit stuk land is daarom ook een van de laatste stukken die aan het begin van de twintigste eeuw hier ontgonnen werd. Net zoals ik, verwonderde de boer zich over het feit dat als er eenmaal veel water stond in dat perceel, het water toch weer vrij snel verdwenen is. Mijn vermoeden, die ik dan ook prompt met de boer deelde, is dat er een verstoring in de forse laag keileem moet zitten, waardoor het water de onderliggende zandlagen in kan zakken. Dat er in het verleden ook nog een een forse veenlaag lag waar het bos overheen gegroeid was, wist ik voldoende.

De verdieping in het land van de boer dat in het verleden in het Groot Noordholt lag en voor de ontginning van het gebied vol met veen zat. Tevens is de depressie minder diep dan voorheen door het intensief gebruik van het land.

Veen kwam best veel voor in de wijde omgeving van het voormalig esgehucht de Zulte. Weliswaar niet zoveel als bijvoorbeeld nabij Ter Heijl en richting Zevenhuizen, maar bijvoorbeeld in het Sieveen iets ten noorden van het herstellingsoord zat een fors pakket veen onder de natte heide. Grote delen in het gebied ten westen van Roden tussen Leutingewolde en Een bestond vrijwel uit moerassige, natte heidevelden. De moerassige heidevelden waren niet in de eerste plaats voor ontginning geschikt; zij waren te vochtig, de bodem was er niet poreus en te arm aan voedingstoffen.  

De depressie in het Sieveen achter het voormalig herstellingsoord waar vroeger een kleine dobbe lag. De verdieping in de grond is ontstaan door het smelten van de gletsjer, waarbij het smeltwater geulen vormde in de zachte ondergrond.

Prof. Dr. H. Blink vertelde er over in zijn boek ‘Woeste gronden, ontginning en bebossching in Nederland, voormaals en thans’ op pagina 29 dat in 1929 door de Nederlandsche Vereeniging voor Economische Geographie werd uitgegeven: “Zoover het oog reikte zag men niets dan heide, veenplassen, ongebaande wegen, en hier en daar verdwaald een armoedigen groven den en berk, en grootere en kleinere keien en vuursteenen in grooten getale over het terrein verspreid. Dop en struikheide, bunt en pijperaai, gagel, blauwe gentiaan, vliegenvangertje, de laatste drie vooral planten van een vochthoudenden bodem, vormden het hoofdbestanddeel van den typischen plantengroei, als overal op de Drenthsche heide. In en rondom de veenplanten groeiden het wollegras en de veenbies, terwijl rendier-, pen- en bekermos er de mossen vertegenwoordigden.

Dat er verlekkerd naar de enorme heidevelden werd gekeken is niet zo vreemd. Aan woeste grond was voor een eigenaar niets te verdienen en de enkele schaapskudde op de hei zag er wel mooi uit, maar het leverde niets op. Het zal u dan ook niet verbazen dat de woeste gronden in de provincie Drenthe aan het begin van de twintigste eeuw in een ras tempo verdwenen. Tussen 1901 en 1918 werden er in Drenthe 9.538 hectare heide en zand tot bouwland, 2.545 hectare tot grasland, en 1.222 hectare tot bos. Maar liefst 13.305 hectare heide en zand waren verdwenen, wat neerkomt op zo’n 0.782 hectare per jaar. Van 1918 tot 1928 bedroeg het totaal ontgonnen heide en zand maar liefst 12.434 hectare, gemiddeld 1.243 per jaar.  (Bron: ‘Prof. Dr. H. Blink – Woeste gronden, ontginning en bebossching in Nederland, voormaals en thans’ 1929, pagina 71.)

De noordzijde van de vermoedelijke pingoruïne gezien vanuit het zuiden. De voor een pingoruïne typische aarden wal kwam in het verleden de boer goed uit; bomen er op planten en klaar is de houtwal.

Het veengat zoals de boer het veenmoerasje noemde onder het grote bos, zal rond 1901 ontgonnen zijn net als vele andere percelen rondom Roden en in de provincie Drenthe om plaats te maken voor grasland. Van grasland had de toenmalige boer veel meer profijt dan van een bos waar je eigenlijk geen rendement van hebt. Nou ja, een paar richelpalen en lange stokken voor bonenteelt. Ja, die stokken kon je daar wel weghalen, het wemelde daar van de Hazelaars (Corylus avellana) met hun lange, rechte takken.

De eerder genoemde aarden wal van de verdieping in het weiland richting het westen. Door de verschillende factoren zoals de aanplant van bomen, de slechte staat van de bodem (keileem) en het vee dat de daardoor altijd natte, modderige bodem heeft vertrapt, moet je goed opletten om de wal te kunnen zien.

De plaats van de depressie ligt op een plaats waar je deze niet direct te zien krijgt. En om heel eerlijk te zijn, de boer/eigenaar van het perceel zit daar ook helemaal niet mee. Maar het is juist het onopvallende dat lijnrecht staat tegenover de feiten van pak hem beet, zo’n 18 duizend jaar geleden. Toen bestonden grote delen van Noord-Nederland en Overijssel uit een constante bevroren bodem die samengesteld was uit mossen, zand, stenen, sneeuw en ijs. In deze grote poolachtige toendrawoestijn bevonden zich hier en daar heuvels in het gebied. De heuvels die doorgaans een hoogte bezaten van enkele tientallen meters, moeten het gezicht van de toendra hebben gedomineerd.

Op deze foto is te zien hoe groot de depressie in het weiland is. Aan de linkerzijde is het hoogte verschil duidelijk zichtbaar. Helaas zijn veel kenmerkende aanwijzingen door het gebruik in de loop der tijd verdwenen.

De grote heuvels waren ontstaan aan het einde van de laatste ijstijd toen de bodem al eeuwenlang enkele tientallen meters diep bevroren was en permafrost genoemd wordt, waarbij het iets warmere grondwater met een steeds grotere druk tegen deze laag permafrost aandrukte. Het bovenste gedeelte van het grondwater bevroor en vormde een lensvormige laag ijs tegen de permafrost aan. De laag ijs die in deze situatie ontstaat, heet daarom dan ook een ‘ijslens’. Het opstijgende grondwater blijft tegen de ijslens aandrukken waardoor de druk blijft toenemen en de laag ijs steeds dikker gaat worden. Op een gegeven moment heeft de ijslens een fors formaat aangenomen en is de druk van het grondwater zo hoog geworden, dat de bevroren bodem wel omhoog moet gaan. Op deze manier ontstonden er talloze ijsheuvels in het poollandschap van Noord-Nederland, die de naam ‘Pingo’ meekregen. De naam werd door de Groenlandse Eskimo’s (Inuit) gegeven en betekent ‘heuvel van ijs of kleine heuvel’.

De overgang van het weiland naar het bos richting het noordwesten. Weliswaar ligt vrijwel het grootste gedeelte van de vermoedelijke pingoruïne in het weiland, een klein gedeelte ligt echter ook nog in het bos.

Volgens een Deens onderzoek is het 11.711 jaar geleden (bron) dat er een einde aan de laatste ijstijd en het enorme pakket landijs dat niet zuidelijker was gekomen dan de plaats waar nu de stad Hamburg ligt, zich weer richting het noordoosten terugtrok. Het was ook de periode dat het in onze contoureien warmer begon te worden en de permafrost langzaamaan wegsmolt. Hierbij verdween ook de deklaag op de ijsheuvel en gleden er stukken ontdooide aarde van de heuvel af. Doordat de aarde van de grote klomp ijs afgleed, kreeg de aan kracht toenemende zon meer vat op het blootgevallen ijs en liet deze eveneens smelten.

Grofweg zou het bovenstaande gebeurd kunnen zijn op de plaats in het weiland waar nu een verdieping ligt. Van ijsheuvel naar een meertje.

Hoe meer het ijs binnen de heuvel smolt, des te kleiner werd deze en stortte verder in. Daarnaast zorgde het vele smeltwater voor meertjes en kleine beekjes daar het water niet door de nog bevroren bodem kon wegzakken. Na verloop van tijd was er niet veel meer over van de eens zo machtige ijsheuvel dan een diep meertje met een doorsnede tussen de 70 tot wel 240 meter. Deze meertjes worden ook wel pingoruïnes, vennen of veenmeertjes genoemd. De vermoedelijke pingoruïne ten noordoosten van de Zulte nabij de Dobben had waarschijnlijk een diameter van zo’n honderd meter.

Op het hierboven afgebeelde plaatje van het hoogteprofiel van het gebied, is de verdieping duidelijk zichtbaar. Het laagste gedeelte in de depressie ligt op zo’n halve meter boven N.A.P., het hoogst gelegen gedeelte op bijna 3 meter.

Vermoedelijk schreef ik omdat van de vele vennetjes en ronde plasjes in het noorden van Nederland niet zeker is als het hier ook daadwerkelijk pingoruïnes betreft. Het zouden natuurlijk ook depressies kunnen zijn die tijdens de vorige ijstijd werden gevormd door de terugtrekkende ijskap of stuifkommen, die door de poolwinden zijn gecreëerd. Ook in deze verlagingen met een slechte waterdoorlatende bodem bleef water staan en vormde zich veen.

De pingoruïne ten westen van de Zulte met de mooie naam Vagevuur gezien vanaf de Toutenburgsingel. Enkele jaren geleden was de ruïne geheel aan het zicht ontrokken door de vele bomen, maar de eigenaar heeft radicaal ingegrepen en nu ziet het er weer lekker fris uit. Het Vagevuur heeft een diameter van ongeveer 90 meter.

Aan één van de typerende kenmerken voor een pingoruïne in Noord-Drenthe voldoet de depressie wel; hij ligt pal langs de helling van het beekdalgebied van de Zulter Bitse. Vermoedelijk door het hoogteverschil van dit gebied tijdens de ijstijd kon hier het grondwater een lange tijd blijven vloeien en een pingo vormen. Ook komen we ze tegen aan de rand van het Drents Plateau, waar de omstandigheden eveneens gunstig waren voor het ontstaan van vele ijsheuvels.

Ook de ligging van de gebieden met de veldnamen de Dobben en de Dobberesch kunnen verwijzen naar menig poel en kuil – door de mens gegraven of natuurlijk ontstaan door een wel – die in dit gebied voorkwamen en dienden als drinkplaatsen voor het vee. Frappant is het toch wel te noemen dat men in Friesland spreekt van ‘Dobben’ in plaats van pingoruïnes.

Een zogenaamde dobbe in het Sieveen. In het verleden door een boer verder uitgegraven zodat het vee eruit kon drinken. De huidige eigenaar heeft de dobbe verder uitgegraven en er een kikkerpoel van gemaakt.

Door de toenemende stijging van de temperatuur en de hoeveelheid neerslag, steeg niet alleen het grondwater in ons land, maar ook de laag veen in de vele depressies in het Noord-Drentse landschap. De verschillende opeenvolgende fases van het Holoceen zorgen ervoor dat de diverse soorten landschapstypen het beeld vormden.  In de ruim afgelopen tienduizend jaar zijn menig veenmeertjes en moerassen verdwenen door verlanding of werden ze drooggelegd voor de turfwinning of de landbouw. De depressie in het land van de boer is slechts een van de velen in het noorden van Nederland.

Een mooi filmpje op Youtube over het ontstaan van een pingoruïne geplaatst door De Hondsrug UNESCO Global Geopark

Er bestaat een website met een kaart waarop de officiële pingoruïnes en de vermoedelijke gevallen staan. De website heet ‘Natuurlijke schatkamers van Drenthe, Pingoruïnes’ (even klikken) en is zeer zeker een bezoekje waard!