Blauwgraslanden.

Ten noorden van het voormalig brinkgehucht bevonden zich aan het begin van de negentiende eeuw enkele oerbossen, waarvan het bos met de naam ‘Groot Noordhout’ verre weg de grootste was met ongeveer 36 hectare. Tussen het Groot Noordhout en het bijna vijf hectare groot ander bos, dat meer noordwestelijker van de es lag, bevond zich een gedeelte van het stroomgebied van het stroompje en lagen de madelanden (zie de afbeelding hieronder). De madelanden waren natte graslanden, die meestal alleen gebruikt werden als hooilanden als het weer het toeliet en bevonden destijds voornamelijk uit zogenaamde blauwgraslanden (Cirsio dissecti-Molinietum).

De madelanden omringden de blauwgraslanden tussen de twee bossen in het beekdalgebied van de Zulter Bitse rond het jaar 1816. Door hun vochtige toestand waren de blauwgras- en madelanden niet geschikt om er vee te laten weiden en dienden ze als hooilanden. In een zeer gunstig jaar met een droge nazomer kon het nogal eens gebeuren dat de ondergrond droog genoeg was en liet men er alsnog vee grazen. Het afgebeelde beekdal van het stroompje bevond zich op de plaats waar tegenwoordig het gebied ligt tussen de Klimop, De Hulst en Kamperfoelie.

  Blauwgraslanden kwamen vooral voor op de flanken van het beekdalgebied van de Zulter Bitse en dankten hun naam aan de blauwe zweem, die veroorzaakt werd door de hier voorkomende planten, zoals de Blauwe zegge (Carex panicea) en het Pijpenstrootje (Molinia caerulea) waren belangrijke soorten en kwamen er dan ook veel voor. Daarnaast behoorden planten zoals de Gevlekte orchis (Dactylorhiza maculata), Gewone brunel (Prunella vulgaris), Kale jonker (Cirsium palustre), Klein glidkruid (Scutellaria minor), Scherpe boterbloem (Ranunculus acris), Pinksterbloem (Cardamine pratensis), en de Spaanse ruiter (Cirsium dissectum) tot de rijke flora die hier eveneens voorkwam. En het is niet ondenkbeeldig, dat hier en daar een struik Dopheide (Erica tetralix) tussen de planten stonden, daar grote gedeelten van de graslanden voor de ontginning voornamelijk uit natte heidevelden hadden bestaan.

De madelanden tijdens een zomer met gunstig hooiweer. Het zeer kruidenrijke hooi dat van de blauwgraslanden afkomstig was, zal een verfrissende afwisseling in het menu van het vee in de Zulte geweest zijn.

  Het Pijpenstrootje zal het uitzicht het meest gedomineerd hebben vanwege het formaat van de plant. Het is een gras dat in forse, dichte pollen groeit en zijn naam aan een bijzonderheid heeft te danken aan de eigenschap van de steel, waar zich geen vergroeiingen in bevinden een een behoorlijke lengte bezit.

Een gemakkelijk herkenbaar in dichte pollen groeiend gras is Pijpenstrootje, Molinia caerulea, dat zeer algemeen te vinden is op nattere tot vochtige bodems.

De lange grasstengels waren dan ook uitermate geschikt om als binnenste van de lange uit witte klei bestaande stelen voor de lange Goudse pijpen te dienen tijdens het bakken. Daarnaast werden de stengels ook gebruikt om de gebogen stelen van de Goudse pijpen schoon te maken. De plant is nog steeds een veelvoorkomende grassoort onder andere in de meer nattere gebieden ten noordwesten van de huidige de Zulthe, waar zich een restant van het eens zo grote natte heideveld bevindt.

Een restant van een Goudse stenen pijpenkop van zowel de voor- als de achterzijde gezien en afkomstig is uit de Groningse klei. De pijpenkop is een bodemvondst die door mijzelf is gevonden en stamt gezien de vorm van de kop, waarschijnlijk uit het midden van de zeventiende eeuw.

  Planten zoals de Blauwe zegge (Carex panicea) waren weliswaar dominant in de blauwgraslanden aanwezig, maar waren vanwege de geringe hoogte die de plant in verhouding bezat met de grote pollen van het pijpenstrootje, iets minder zichtbaar.   De blauwgraslanden op de flanken in het beekdal van de Zulter Bitse werden dus uitsluitend gebruikt om te hooien wanneer het weer dit toeliet en dit alleen wanneer de vochtige bodem het toestond. Tot voordat de woningbouw vanaf de jaren zestig en zeventig hier plaatsvond, was het een natte, modderige bende en gebeurde het nogal eens, dat een onvoorzichtige bengel vast kwam te zitten in de modder. Met name op de plaats waar de straat De Vlier zich nu bevindt, was berucht om zijn drijfzand, zoals de kwajongens van toen het omschrijven.

Tijdens de zomer in het jaar 1816 was het aanbod van water erg groot en bleek de bodem vrij snel verzadigd te zijn, dat het stroompje in de lager gelegen stukken land van het beekdalgebied overstroomde en de graslanden onder water zette.

Vandaag de dag is er niets meer over van de madelanden en destijds zo typerende blauwgraslanden ten noorden van de Zulte. Heden ten dage zijn de sporen van het voormalig beekdalgebied nog duidelijk zichtbaar op de hoogteprofielkaarten en in de natte perioden van het jaar, is het goed te zien dat het hier een laaggelegen gebied betreft. Het voormalig beekdalgebied ligt ongeveer 80 tot 90 centimeter lager dan de omringende gebieden, die zich gemiddeld zo’n 3,5 meter boven het N.A.P. (Normaal Amsterdams Peil) bevinden. Een behoorlijk hoogteverschil dus met de Zulter Esch, die dus hoger op het Drents plateau meer naar het zuidoosten lag. Het verklaart natuurlijk ook waarom het stroompje zijn weg een slordige tienduizend jaren geleden juist door deze depressie heeft gezocht richting het noorden.

Meer info over: Blauwgrasland

Meer info over: Pijpenstrootje