Heuj’n.

Hooien, heuj’n in het hier gesproken Noord-Drents dialect, bestond natuurlijk uit meer dan alleen het gras maaien. Sterker nog, het belangrijkste gedeelte van de oogst moest nog komen; ervoor zorgen dat het gemaaide gras zo droog was geworden dat het veilig was om het op te kunnen slaan. In de huidige tijd is het hooien van vandaag de dag niet meer te vergelijken zoals het een slordige tweehonderd jaren geleden in de omgeving van de Zulte plaatsvond. Bij de moderne veehouderij speelt het zogenaamde ‘kuilgras’, een vorm om gras te conserveren nadat het slechts enkele dagen op het land heeft gelegen, sinds de jaren dertig van de vorige eeuw een heel belangrijke rol. Bij deze vorm van conservering wordt het gras tijdens het maaien een ‘graskneuzer’ gebruikt om het drogingproces te versnellen. Per jaar kunnen van hetzelfde perceel grasland dan door de boer vijf tot zes zogenaamde kuilvoersneden worden geoogst. Voorwaarde is dan wel dat er in het perceel grasland niet tussendoor geweid wordt.

Het machinaal schudden van het gras in het beekdalgebied van de Zulter Bitse nabij de Dobberesch. Het schudden zorgt er onder andere voor dat naast het kneuzen ook het gras gelijkmatig aan het zonlicht wordt blootgesteld, zodat het gemaaide gras sneller droogt.

Het conserveren van gedroogd gras, hooien dus, voor dieren is een wijze om ervoor te zorgen dat er in tijden van weinig aanbod van vers gras en er amper grasgroei plaatsvindt zoals bijvoorbeeld tijdens de winter, er voldoende voedsel aanwezig is om de dieren te kunnen voeren. Het beste moment om te gaan maaien en hooien was destijds voor de boer de periode voordat het gras bloemstengels begon te vormen. Hoe jonger het gras was dat gemaaid werd, hoe hoger de voederkwaliteit was. Deed de boer dit later door bijvoorbeeld slecht hooiweer en hadden er zich bloemstengels gevormd, konden de koeien het gras slechter verteren. Daarnaast was natuurlijk het drogestofgehalte van hooi, ongeveer 80%, van groot belang voor het opslaan van de wintervoorraad. Voordat er andere vormen van hooiopslag bestonden zoals hooipakjes en hooibalen, werd het hooi opgeslagen in een zogenaamde hooiberg of hooibult. Zowel bij de opslag van hooi in een berg, een pakje, of een baal, is het dus van belang dat het hooi droog genoeg is om hooibroei te voorkomen.

Zo’n tweehonderd jaren geleden bezat de boer nog niet over grassen met een hoge opbrengst aan hooi. Vergeleken met de hoeveel hooi heden ten dage, lijkt het wel een armtierige oogst. Het kruidenrijke hooi dat door de boer in het beekdalgebied van de Zulter Bitse werd gewonnen, was hoogstens voor een tiental koeien en een paar paarden bedoeld. Een groot contrast met de huidige boer die over ruim 160 dieren beschikt.

Nee, in de negentiende eeuw ging het maaien en het hooien er nog heel anders aan toe dan heden ten dage. Veel termen en uitdrukkingen die in die tijd veel werden gebruikt, zoals Dr. C.C.W.J. Hijszeler het in zijn boek ‘Boerenvoortvaring in de oude landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe’ heeft geplaatst, worden niet meer gebruikt en zijn daardoor al heel lang verdwenen en vergeten. En laten we eerlijk zijn, de mechanisatie binnen de landbouw heeft natuurlijk ook enorm veel voordelen gebracht, waardoor het lichaam van de boer en zijn arbeiders veel minder hadden te lijden onder het zeer zwaar lichamelijk werk dan hun voorgangers honderden jaren eerder.

De vaak zelf gemaakte, schuin aan de steel gezette hooihark, tot en met de tanden van hout, maakte gedeeltelijk plaats voor de bredere exemplaren, eerst van hout en later van metaal. Deze brede hark werd in de omgeving van Roden ook wel ‘rief’ genoemd. Hier wordt tevens het hooi op zogenaamde opperties geharkt. (Afbeelding: pagina 31, Ton de Joode – Landleven, het boerenbestaan van toen. Foto Peter Schütte. MCMLXXXI Elsevier-Amsterdam/Brussel)

Een swat, zwad of zwade tegenwoordig, was een strook gras dat door een mëijer (maaier) met een zeis was gevormd. Het woord swat of in het meervoud in Roden ook wel swaod’n genoemd, speelde in de beschrijvingen van het hooien dan ook een belangrijke rol. Maar veel belangrijker was bij het hooien het weer, en dan met name goed hooiweer; droog, zonnig weer, met het liefst een beetje wind. Helaas was het perfecte plaatje om te kunnen gaan hooien vaak niet aanwezig en moest men zich aan het weer en de omstandigheden aanpassen. Het kon dan ook voorkomen door de weersomstandigheden dat het gemaaide gras te lang op het land, ‘t swat, bleef liggen en het onderliggende gedeelte geel was geworden en tot rotting was overgegaan. Was dit het geval, dan werd er gezegd dat het gras ‘smaarterig’ was. Dit kon ook gebeuren wanneer het gras in zogenaamde ‘oppers of opperties’ lag. Opperties of öpperties waren hopen of hoopjes bij elkaar geharkt gras of hooi, dat in het gemaaide hooiland lagen en op de bovenstaande afbeelding te zien is.

Het gereedschap dat rondom het voormalig esgehucht werd gebruikt tijdens het hooien. a) Rief, b)Hooihark, c) Trekrief, d) Schootvörk, e) Weesboom, f) Hoak. (Afbeelding: Dr. C.C.W.J. Hijszeler: Boerenvoortvaring in de oude landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe. De tekeningen werden vervaardigd door de J. Witpaard te Meppel en N. Overdiep te Groningen. Uitgegeven te Assen bij Van Gorcum & Comp. N.V. (G.A. Hak & H.J. Prakke) (MCMXL))

Als het geen erg mooi weer was, ging men rondom het dorp Roden ‘de swaod’n omtrekk’n, keer’n met de rief’. Wanneer men dit deed, kwam het gras dat onderaan lag boven te liggen. Een rief (figuur a) is een houten hooihark waarbij de steel scheef op de hark gemonteerd zit. Was het echter wel goed weer in de omgeving van het voormalig esgehucht, ging men het gras in de zwadden losmaken: ‘de swaod’n löshauw’n, lös gooj’n of lös maok’n met de rief (1). Daarbij nam men steeds een drietal zwadden bij elkaar, waarbij het middelste zwad uiteen gehaald werd met de hooivork (figuren 1 en 2), lös maok’n met de vörk, waarna de buitenste twee zwadden eveneens met de hooivork los werden gemaakt en met de zogenaamde rief naar elkaar werden geharkt en er een lange strook gras ontstond. Men sprak dan van ‘de aander’n d’r naor toe heuj’n, bijheuj’n met de rief (1). Deze stroken gras werden ook wel een ril of weersem (’n weers’m) genoemd; ‘Wai hebben het gras in weersems liggen (1). Vormde men echter na het losmaken kleine oppers, dan liet men dat dus na om weersems te maken.

De boeren in de Zulte zeiden: ‘Wai hebben het gras in weersems liggen’ wanneer zij het het droge gras in lange rillen op het land hadden liggen. Destijds werden de weersems met de rief gevormd, maar ook dit wordt heden ten dage machinaal gedaan.

Daarna ging men het gras ‘in raggies, in klaine opperties zett’n met de heujvörk (1). Dit waren kleine oppers hooi, het drogende gras was dan al bijna hooi, en werden ook wel heui- oh heujoppers genoemd. Dit opperen deed men laat in de middag, zo tegen de avond aan om te voorkomen dat er vocht in het bijna droge hooi kon komen. Op dagen dat het donker weer was, het was dan niet zonnig genoeg, en het niet regende, moest men de oppers uit elkaar halen en weer op een andere plaats opnieuw maken. Dit gebeurde vanzelfsprekend met de hooivork en werd ‘omopper’n  met de vörk’ genoemd. Een bijkomend voordeel van het omopperen was mocht het hooi aan de onderkant vochtig geworden zijn, dan kon hooibroei of verrotting van het hooi zo voorkomen worden. Het van onderen op vochtig worden noemde men ‘opstaol’n’. Sprak men in de grote delen van Drenthe van ‘t is aordig opstaolt’, in de omgeving van het Noord-Drentse dorp Roden zei men dan ‘de heuioppers bint aordig opstaold (2).

Hooivorken met twee (2) en drie tanden (1). (Afbeelding: Dr. C.C.W.J. Hijszeler: Boerenvoortvaring in de oude landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe. De tekeningen werden vervaardigd door de J. Witpaard te Meppel en N. Overdiep te Groningen. Uitgegeven te Assen bij Van Gorcum & Comp. N.V. (G.A. Hak & H.J. Prakke) (MCMXL))

De hooivork (figuren 1 en 2) was een onmisbaar werktuig bij het hooien in het algemeen. Of het nu was bij onder andere het losmaken van de stroken gras, het omopperen van de opperties of het binnenhalen van het hooi, de boer kon niet zonder. De hooivork bezat twee of drie tanden en had een lange steel zonder handgreep. Bij het binnenhalen van het hooi gebruikte men zelfs hooivorken met een meer dan twee meter lange steel om het hooi hoog op de boerenwagen te kunnen werpen. Immers, des te meer hooi er op de wagen werd geladen, des te minder men met het paard en de wagen op en neer hoefde te rijden.

Een paar geschikte stukken hout en wat aangescherpte pennen, op de juiste manier aan en in elkaar bevestigd, leverden een goed bruikbare heujhark. Hout voor het eenvoudig gemaakt gereedschap was natuurlijk in overvloed te vinden in de vele bossen en op de massaal voorkomende houtwallen in de Zulte.(Afbeelding: pagina 137, Ton de Joode – Landleven, het boerenbestaan van toen. MCMLXXXI Elsevier-Amsterdam/Brussel)

Destijds beschikte de boer nog niet over tractoren die met gemak twee lage wagens vol hooi kon trekken, maar over één of twee paardenkrachten om het geheel te vervoeren. Heeft de moderne boer in vergelijking met zijn verre voorganger het geluk dat hij zijn hooi veel sneller weet binnen te halen vanwege de mechanisatie, ook de eisen die hij aan het hooi verschillen nogal van elkaar. Het was dan ook voor de vroege boer van belang dat er voldoende drogende dagen aan één waren om het hooi te kunnen oogsten. Zo was er in het jaar 1821 een vrij goed jaar als het op gras en hooi aankwam in het Noorden van Nederland, maar juist slechter hoe zuidelijker men in het land ging. In de Staat van den Landbouw schrijft J. Kops: ‘In Vriesland en Groningen kwam het gras vroeg aan, en maaide men vroegtijdig. Het gemaaide werd intusschen veelal te driftig weg gereden en verbroeide, ja veroorzaakte hier en daar brand. Het hooi was er te goedkooper, daarmen tot laat in het najaar overvloed van krachtig en voedzaam gras had. Allezins voordeelig ging het met gras en hooi in Overijssel, en vrij goed in Drenthe(3).

Opteim’n. Het in oppers plaatsten van het tot hooi verworden gemaaid gras. Ook in de graslanden rondom de Zulte kon men deze bulten van hooi aantreffen. (Afbeelding: pagina 31, Ton de Joode – Landleven, het boerenbestaan van toen. Foto Peter Schütte. MCMLXXXI Elsevier-Amsterdam/Brussel)

Maar goed, de toenmalige boer was dus destijds afhankelijker van het weer dan de boer vandaag de dag en moest daarnaar dan ook handelen. Zodra het geschikt hooiweer was, werd het hooi dat in oppers op het land stond, uit elkaar gegooid met de hooivork, ‘de oppers strêij’n met de vörk’. Na ’t wenn’n’, het uiteen halen van de oppers en het verspreiden van het hooi dus, maakte men met de rief opnieuw weersems (in weers’ms zetten). Wanneer men dit ging doen, diende het gras droog te zijn, waarna de tijd was aangebroken om het hooi met de vork ‘op te teim’n’, of te wel ‘in dikke oaf dreuge oppers te zett’n met de vork (1). De weersem werd bij gedeelten opgeschoven, opschöev’n zei men dan in de Zulte. Opschöev’n ging als volgt in het werk: er werd een vork aan de ene zijde van de ril hooi gezet en schoof deze zover mogelijk naar het midden op, waarna de vork er aan de andere kant werd in gezet en die helft ook werd opgeschoven.

Een zeer herkenbaar beeld in de gebieden rondom het dorp Roden. Het bijeen harken met de rief van het hooi zodat er mooie lange rillen ontstaan, waarna de tractor met de zogenaamde hooipers er langs kan gaan om de hooipakjes te persen.

Daarna ging men het hooi opzetten. Het opzetten van droog hooi in grote oppers in handwerk om het op een gunstig gelegen tijdstip in te schuren, vroeg destijds veel tijd. Daarom zorgde men ervoor dat de oppers van de naast elkaar liggende rillen of weersems tegenover elkaar kwamen te liggen, zodat het voor de arbeiders een stuk gemakkelijker werd om de hooiwagen te laden, daar deze steeds tussen de oppers doorreed. De benodigde tijd voor het laden werd in belangrijke mate beïnvloed door de volgende factoren: de wagen waarop wordt geladen, het aantal arbeiders dat aan het laden deelneemt, de werkmethode die wordt gevolgd en de ligging van het hooi.

De paardenhooihark deed halverwege de negentiende eeuw zijn intrede in Nederland. Weliswaar oogt het primitief, maar voor diegene die met noeste spierkracht in het hooi zat, was dit al een enorme verbetering. (Afbeelding: pagina 31, Ton de Joode – Landleven, het boerenbestaan van toen. Foto Peter Schütte. MCMLXXXI Elsevier-Amsterdam/Brussel)

Het spreekt voor zich dat hier en daar nog wat hooi was blijven liggen. Dit hooi werd verzameld door met de rief de resten bij elkaar te harken, ‘de opperstaart’n anheuj’n’. Dit werd ook wel het ’t anheujsel genoemd en werd gebruikt wanneer het hooi nog een nacht buiten moest blijven, als een soort van afdekking. Het anheujsel voorkwam het zogenaamde inregenen.

De boerenwagen zoals deze in het verleden door de Drentse boeren gebruikt werd om het hooi naar binnen te halen of naar de hooimijt te brengen. (Afbeelding: Dr. C.C.W.J. Hijszeler: Boerenvoortvaring in de oude landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe. De tekeningen werden vervaardigd door de J. Witpaard te Meppel en N. Overdiep te Groningen. Uitgegeven te Assen bij Van Gorcum & Comp. N.V. (G.A. Hak & H.J. Prakke) (MCMXL))

Het hooi moest op de boerderij zo dicht mogelijk bij de stal worden opgeslagen, doorgaans boven de deel. Dit werd ook wel ‘opgetast’ genoemd. Het dagelijks transport bij het voeren werd hierdoor zo klein mogelijk. In de gebouwen van toen was de ruimte boven de stal vaak klein en moeilijk bereikbaar. Het lossen van de wagen met hooi, ook wel ‘afsteken’ genoemd, het verdere transport naar de plaats van opslag en het stapelen van hooi, waren een paar redenen waardoor het lossen veel tijd kon gaan kosten.

Het persen van de zogenaamde hooipakjes. Door het hooi in pakken te persen gaat het inzamelen van het hooi een stuk sneller, eenvoudiger te transporteren en het is ook nog eens gemakkelijker en beter te stapelen in de schuur van de boer.

Is het tegenwoordig heel normaal geworden dat sommige graslanden wel drie en soms wel vier keer per jaar gemaaid worden, rond het midden van de negentiende eeuw gebeurde dit met een beetje geluk twee maal in de zomer. Het gras voor de tweede keer maaien, noemde men in de omgeving van het Noord-Drentse dorp Roden ‘etgruin maaj’n’.

Op sommige plaatsen rondom Roden wordt het ‘ouderwets’ hooien nog in de praktijk gebracht. Met name op de vochtige en beschaduwde graslanden is dit het geval. Doorgaans zijn dit eeuwenoude kleine percelen.
Heujpakjes mennen; Hooipakjes van het land halen en naar binnen brengen.

(1) Bron: Dr. C.C.W.J. Hijszeler: Boerenvoortvaring in de oude landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe. Uitgegeven te Assen bij Van Gorcum & Comp. N.V. (G.A. Hak & H.J. Prakke) (MCMXL)

(2) Bron: Woordenboek van de Drentse Dialecten. © 2009 Rijksuniversiteit Groningen

(3) Bron: Staat van den Landbouw in het Koningrijk de Nederlanden gedurende het jaar 1821, opgemaakt door den Hoogleeraar J. Kops, te Utrecht, en uitgegeven op last van den Minister voor het Publieke Onderwijs, de Nationale Nijverheid en de koloniën. ’s Gravehage, Ter algemene Landsdrukkerij.

Beklemde gedonder of gewoon reuring?

Aan het einde van de achttiende en in de eerste jaren van de negentiende eeuw waren het roerige tijden in het noorden van Drenthe. De storm die onder het Uitvoerend Bewind der Bataafsche Republiek vanaf negentien januari 1795 huishield in ons land ontzag niets en op bestuurlijk gebied veranderde er nogal wat. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden had opgehouden te bestaan en erfstadhouder Willem V was uitgeweken naar Engeland. Ook het Noordenvelder dingspel, ook wel het Vyfde dingspel of dingspel Nordevelt genoemd, dat het vijfde van de zes dingspelen van het Landschap Drenthe was, bestond niet meer. Althans in staatsrechtelijke vorm waren ze verdwenen. De veranderingen die hier plaats vonden waren een behoorlijk stuk minder gewelddadig dan in Frankrijk, waar de adel veel moeite moest doen om het hoofd er bij te houden. Nu moet gezegd worden dat de adel in de republiek niet de macht bezat zoals de Franse adel deze in handen had en de Nederlander voor die tijd over veel vrijheid beschikte. De vrijheid die de Nederlanders in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden bezaten, verrasten de buitenlanders keer op keer en dit leverde op zijn beurt weer de meest vreemde situaties op. Met name de bezoekers die gewend waren aan de nodige eerbied en respect vanwege hun afkomst, kwamen regelmatig in aanvaring met mondige en soms zelfs boze burgers.

Het noorden van het Vijfde dingspel afgebeeld op een kaart die in het jaar 1781 vervaardigd werd. Op deze kaart is goed te zien dat er nabij de Sult (Zulte) en het dorp Roon (Roden) veel bossen voorkwamen. Het waren met name de bossen rondom het buurtschap Zulte waaraan de uit Luddingwolde (Leutingewolde) afkomstige familie Aukema behoorlijk aan verdiend heeft.

  In het boek “Geschiedenis van de Lage Landen: Voorspoed en twist” dat door Jaap ter Haar geschreven is, doet zich zo’n voorval voor in de zeventiende eeuw. ‘Gott im Himmel!’ roept een Duitse vorst verschrikt uit, als hij tijdens de jacht onbezorgd over een akker rijdt. Opeens ziet hij een boer met een mestvork op zich afkomen en uit alles blijkt, dat die kerel nijdig is: ‘M’n land af, hier en gunder!’. De Duitse vorst is dit niet gewend en dient een klacht tegen de boer in. Echter de boer wordt in het gelijk gesteld, iets wat de edelman niet gewend is in zijn thuisland.(1)

  Maar er hing iets in de lucht in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden zo rond het einde van de jaren zeventig in de achttiende eeuw. Met de economie gaat het slecht, het politieke systeem is corrupt en ondoorzichtig. Het land wordt geregeerd door regenten die voornamelijk hun eigenbelang beschermen en een stadhouder, Willem V, die weinig tot niets doet voor het volk. Het leek wel een veenbrand dat langzaam, maar gestaag door smeulde en elk moment aan de oppervlakte kon komen.

  In de op het oog zo rustig ogende republiek broeide er iets onder de gegoede burgerij, die zichzelf patriotten noemden en veelal uit christelijke kringen afkomstig waren. Men was de volledig regerende autoriteit van erfstadhouder Willem V, die de corrupte en de ondoorzichtigheid van het land in stand probeerde te houden, meer dan beu en begonnen zich te roeren.   De regenten die zich thuis voelden in het toenmalige politiek stelsel en er helemaal geen belang bij hadden dat hun eigen belangen en de daarbij behorende baantjescarrousels in gevaar kwamen, bleven vanzelfsprekend de zwakke Willen V steunen. Ook het gewone volk, spottend door de patriotten het ‘lagere volk’ genoemd, steunde toch liever de erfstadhouder dan de gegoede burgerij, waar zij doorgaans meer last van hadden dan de corrupte regenten. De regenten vormden samen met het gewone volk de orangisten.

Op de kaart die gemaakt is door Johannes Allart en uit het jaar 1791 stamt, is het noordoostelijk gedeelte van het Vijfde dingspel te zien. Opvallend is toch wel dat het dorp Roden op de kaart nog ‘Roon’ heet en in ambtelijke stukken en bijvoorbeeld advertenties inmiddels ‘Rhoden’ werd genoemd. Doordat de kaart minder gedetailleerd is dan de kaart uit het jaar 1781, ontbreken bijvoorbeeld de buurtschappen Leutingewolde en de Zulte op de afbeelding.

  Of er ook van dit soort sentimenten bij de bevolking van het kleine dorp Roden en de bij het dorp behorende buurtschappen en gehuchten hebben geleefd? Ik heb werkelijk geen idee, maar het zou mij niets verbazen. Natuurlijk zullen er onder de ruim duizend zielen bepaalde sentimenten hebben bestaan tegen bepaalde families, die veel grond in hun bezit hadden en daardoor veel macht, maar het patriottisme zoals het op andere plaatsen de kop begon op te steken, zal hier minimaal zijn geweest. Ik zekere zin was de arbeider, de schaapherder en de keuterboer afhankelijk van deze families en het idee achter een gezegde dat sprak van ‘in een voedende hand bijt je niet’ heerste onder het werkvolk. Daarnaast werd er vanaf de kansel in de kerk natuurlijk op gewezen dat de gewone man God en machtige families in de wijde omgeving dankbaar mochten zijn voor het dagelijks brood. Nee, voor de sentimenten die in de grotere steden binnen de republiek leefden was hier geen plaats. Sterker nog, de band tussen de hier aanwezige regenten en de gegoede burgerij was door bijvoorbeeld onderlinge huwelijken zo sterk geworden, dat de strijd tussen de patriotten en orangisten iets was dat niet bestond.

  Eén van deze families zetelde in Leutingewolde en bezat enorm veel grond in de omgeving van het door Roden. Vanaf de Matsloot tot aan de karspelgrens met Norg bezatten zij direct of indirect landerijen en menigeen was afhankelijk van grillen van de rijke Aukema’s. ‘Geld zoekt geld’ was een wijd verspreid gezegde wanneer er iemand uit een andere machtige familie met één van de leden uit de familie Aukema trouwde. Zo wist de familie de touwtjes strak in handen te houden en men wist, dat hun macht ongenaakbaar was. Geleidelijk vloeiden de families Deodatus, Krijthe en Winsingh in de familielijn van de Aukema’s, waardoor hun positie binnen de gemeenschap nog steviger werd. De rol van de eens zo machtige Groningse familie van Ewsum,  die van 1480 tot 1721 op de havezate Mensinghe woonde en van daaruit de wijde omgeving bestierde, was tanende en het machtsvacuüm dat dreigde te ontstaan, vulden de families gretig op.

  In de jaren tachtig en negentig van de achttiende eeuw wordt de steeds groter wordende macht van de grootgrondbezitters uit de familie Aukema erg duidelijk doordat de familie bijvoorbeeld veel boerderijen met bijbehorende landerijen bezatten, die verhuurd werden aan onder andere keuterboeren en meyers. In die tijd sprak men nog niet van huren maar van ‘beklemmen of pachten’

 Zowel beklemming als pacht zijn in wezen bijzondere vormen van verhuur van ontroerend goed. Van beklemming was sprake wanneer men het land van een andere gebruikte en de bevoegdheid had om daarop een huis, schuur en beplanting te hebben. Deze laatste waren het eigendom van de gebruiker, meier, meijer of meyer genaamd. Voor het gebruik betaalde hij jaarlijks een huursom en in geval van vererving, huwelijk of overdracht van het recht eveneens een bedrag of een geschenk in natura. Hierbij kunnen wij denken aan een jaar extra huur, een gedeelte van de opbrengst van de oogst of hooi en vee, waarbij deze afdracht de naam ‘geschenk’ droeg.(2)

  Het recht van beklemming was eigenlijk alleen in de provincie Groningen bekend. Echter het recht van beklemming kwam ook voor in de omgeving van Roden, iets wat te lezen viel in een advertentie van notaris Mr. A. Homan te Assen uit 1832, waarin aangekondigd werd dat de korenmolen te Rhoden publiekelijk zal worden geveild (zie afbeelding hieronder).

De advertentie uit de Groninger Courant van dinsdag 31 januari 1832 waarvan de heren Mr. C. A. den Tex en Mr. J. van Hall melding maken in hun boek “Nederlandsche jaarboeken voor regtsgeleerdheid en wetgeving, zevende deel” in 1845.

Ook de  Mr. C. A. den Tex en Mr. J. van Hall maken in het boekwerk “Nederlandsche jaarboeken voor regtsgeleerdheid en wetgeving, zevende deel” melding van deze advertentie. Vervolgens haalt één de schrijvers een vroegere eigenaar van een groot landgoed onder de gemeente Rhoden aan, waarvan de bezittingen ook over de grenzen van Drenthe tot in de provincie Groningen uitstrekten. De beste man had veel landerijen in huur uitgegeven met het recht daarop te timmeren en daardoor deze landerijen in beklemming had uitgegeven, ondanks dat het woord niet in het contract gebruikt werd.(3) Wellicht was deze eigenaar een lid uit de familie Aukema of had zich in de familie gehuwd?  Wie het weet mag het zeggen.

De term ‘beklemt’ komen wij echter al tegen in het Drentse land in een advertentie uit de Groninger Courant van vrijdag 1 januari 1779 tegen: ‘De Landschryver W. H. ERKENSWYK , als Curator in den Grasvelligen Boedal Wylen Drossart P. Hamming en Vrouw Kristina Kleinbout , voor zoo verre de goederen daar van in het Landschap geleegen zyn , is voornemens op Maandag den 18 Januari 1779 , des avonds te 5 uren , ten Huize van den Scholtes Alingh te Rhoden , publyk by opslag te doen Verkoopen. I. Een Plaatse op den Nientap , onder Rhoden geleegen , Thedema genaamt , met zyn lusten en lasten , zoo in diervoegen als by Mr. J. H. de Raad onder zyn behuizinge Beklemt word gebruikt. II. De Legekamp , met Elsenbroek en Waardeel , op de Nientap , zoo by Jan Hindriks Wyema , onder zyn behuizinge Beklemt word gebruikt’.   Landschrijver W. H. Erkenswijk, was een rechtsgeleerde en bekleedde de  functie als griffier van de etstoel, dat tot 1791 het hoogste rechtscollege in het Landschap Drenthe was.

De advertentie uit de Groninger Courant van vrijdag 1 januari 1779 die hierboven aangehaald wordt.

Hij veilde als curator de bezittingen van de wijlen Groninger steenkoopman Peter Hamming, ook wel Pieter Hammink of Hamminck genoemd, die de titel Drossart (drost) van de Hoge Justitiekamer bezat en in december 1775 te Groningen in zijn woning aan de Oude Boteringestraat was overleden. Hamming zal de titel hebben mogen gebruiken omdat hij het grootburgerschap van de stad Groningen bezat en dat hem toegang tot de hoogste ambten van de stad gaf. Zijn weduwe, Kristina Kleinbout die ook wel Renske Christina Kleenholt, Renske Christina Kleinholt en Renscke Kleinholts genoemd werd, weigerde de erfenis van haar man vanwege de enorme schuldenlast te aanvaarden en daarom werd de boedel per opbod geveild. De koper diende daarbij zowel de lusten als de lasten op de koop toe te nemen. 

  De uit Breda afkomstige luitenant Jan Otto Fredzes en diens echtgenote Anna Maria van der Horst kopen het huis Vredeveen met het landgoed voor 9.000 gulden. Het huis was destijds één van de grootste boerderijen in Nietap en mocht de toen beklemde landbouwer Jan Hindriks Wyema hier blijven wonen. Plaatse Thedema zal gekocht zijn door de beklemde meier J. H. de Raad, die hier al woonde.

Een gedeelte van kaart van het landgoed Vredeveen tussen Nietap en Ter Heijl die stamt uit de jaren zeventig van de achttiende eeuw.

  Nu is het op zich niet zo verwonderlijk dat Groningse gebruiken en rechtsvormen zoals het beklemrecht in de omgeving van Roden voorkwamen. Weliswaar lag er op papier een grens tussen de Kop van Drenthe en het Westerkwartier, maar in de praktijk bestond deze niet. Typerend is ook dat het dialect wat in de streken ten noorden en noordwesten van het dorp Roden nog gesproken wordt, eerder een Westerkwartiers accent bezit dan de typisch Drentse tongval. Nee, de grens tussen de Kop van Drenthe en het Westerkwartier hield niet op bij ’t Piepke del.

(1) Geschiedenis van de Lage Landen Deel 3: Voorspoed en twist. Jaap ter Haar, Uitgeverij Ten Have, 2008. ISBN 9789025954697.

(2) Het Noorden in het midden: opstellen over de geschiedenis van de Noord-Nederlandse gewesten in Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. de Boer, D. E. H. (ed.), Nip, R. I. A. (ed.) & van Schaïk, R. W. M. (ed.) 1998 Assen: Koninklijke Van Gorcum, 1998. ISBN 90-232-3383-2.

(3) Nederlandsche jaarboeken voor regtsgeleerdheid en wetgeving, verzameld en uitgegeven door Mr. C. A. den Tex en Mr. J. van Hall. Zevende deel. 1845.