Kleverige prut aan de stevels

Niets is zo controversieel als de aanwezige keileemlaag in het grote gebied ten noorden van het idyllisch gelegen dorp Roden in de prachtige kop van Drenthe. Met name in de omgeving van het voormalig esgehucht de Zulte waar deze keileem aan of vlak onder het oppervlak ligt en daar het uiterlijk weet te bepalen. Zeker in de nattere jaargetijden met een groot aanbod van hemelwater kan het werkelijk een groot drama zijn wanneer je als boer of loonwerker hier met zware machines aan de slag moet. Hier en daar zijn er zelfs plaatsen waar het vrijwel onmogelijk is om te lopen zonder dat de kans bestaat om je laarzen kwijt te raken aan deze glibberige, taaie en klevende substantie.

Over keileem zal vermoedelijk met net zoveel met bewondering gepraat en geschreven zijn als erop gescholden werd door de vroegere boer die deze ‘proeksel’ vervloekte. En nog steeds zorgt deze restant van de Saalien-ijstijd voor menig verwensing die ik hier maar niet zal herhalen. Eigenlijk betekent het woord ‘proeksel’ de rotzooi van smeltende sneeuw op de weg in het Gronings, maar de boer vond dat de keileem minstens net zo erg dat hij de term gebruikte en ergens kon ik mij daar wel in vinden. En keileem is niet kieskeurig wat betreft de plaats waar het voorkomt. Je zou haast het vermoeden krijgen dat het zich heeft neergelegd op plaatsen waar het niet opvalt of op schuine hellingen met het idee om de moderne mens hier het leven zuur te maken. Het is wat de boer zei; dikke proeksel! Zou de beste man ooit geweten hebben dat Drenthe ondanks zijn hoge ligging en de zandige ondergrond in het verleden door de aanwezigheid van keileem tot een van de natste provincies van ons land behoorde?

Waarschijnlijk zag de gletsjer die vanuit het noordoosten ons land binnentrok tijdens het Saale Glaciaal er op deze wijze uit. Miljarden tonnen ijs drukten zowel de bodem naar voren als naar beneden en lieten niets heel van het landschap dat zich na de Elster-ijstijd had gevormd.

Hoe je het ook wendt of keert, ruim 150 duizend jaar geleden begon het allemaal toen een grote gletsjer die vanuit het noordoosten onze omgeving was binnengedrongen, zich terug begon te trekken en een zogenaamde ‘grondmorene’ achterliet die vooral bestond uit (zwerf)keien, grind, zand, klei en leem. Door de samenstelling van het mengsel, dat grotendeels ontstaan was door het afslijten en het verpulveren van de keien door het gewicht en de snelheid (ongeveer 100 meter per jaar) van het pakket landijs, bezat de grondmorene ook veel kalk. Daarnaast pikte de gletsjer ook plaatselijk materiaal op dat een eindje verderop weer werd afgezet. De grondmorene komt op veel plaatsen voor en staat in Duitsland als ‘Geschiebelehm’ en in Engeland als ‘Lodgement Till’ of ‘Boulder-Clay’ bekend.

Een mooi voorbeeld van hoe de gletsjers in het verleden iets ten zuiden van Lieveren een grondmorene met keileem achterlieten en die grotendeels verweerd zijn, het zand op de deklaag stamt uit de Weichsel-ijstijd en is door de poolwinden hierheen geblazen. De plaats waar de grondmorene te zien was bevond zich langs het Oostervoortse Diep nabij waar deze in het Groote Diep uitmondde. Dit gedeelte is inmiddels gedempt ten behoeve van het weer laten meanderen van het Groote Diep.

Eigenlijk mogen en kunnen wij niet van een enkele grondmorene spreken. De gletsjer uit de Saale-ijstijd was niet zo maar een groot pak ijs dat over het Drentse landschap trok, eerder bestond het landijs in het noorden van ons land uit drie verschillende fasen. Voor ons zijn eigenlijk de eerste en de tweede fase van belang. De eerste fase kwam eerst niet verder dan het oosten van de provincies Groningen en Drenthe waar het ijs eerst stagneerde. Toen er weer meer ijs werd aangevoerd, schoof het pakket door tot de lijn Texel-Oldenzaal. Vervolgens kwam er de tweede fase waarin de hernieuwde aanvoer van landijs richting het zuidwesten ging en daar stopte, waar nu de Utrechtse Heuvelrug ligt.

De derde fase is zeker minstens net zo interessant als de twee voorgaande ijsverplaatsingen, alleen vond deze niet plaats in onze omgeving waar zich op dat moment enkel ‘doodijs’ bevond. Ten oosten van de lijn Roden-Assen-Smilde stroomde vanuit het noordwesten een pakket landijs met hoge snelheid richting het zuidoosten en vormde daardoor ten oosten van de Hondsrug een diepe glaciale geul, het huidige Hunzedal. Nee, het ging er zeker onstuimiger in de provincie Drenthe aan toe dan tijdens de vorige ijstijd. Door de verschillende fasen van landijs dat over ons gebied heenschoof, varieerde de plaatsen en de samenstelling van de grondmorene dan ook met enige regelmaat. Dat zien wij dan ook terug in de afzetting van de grondmorene, de keileem dus, in de ondergrond van de Zulte.

Op de bovenstaande afbeeldingen is te zien hoe het smeltproces van het pakket landijs zich voltrok. Naast de vele stuwwallen die deze gletsjer achterliet, bleef ook een indrukwekkende grondmorene achter in het noorden van Nederland.

Is de aankomst en het verblijf van het enorm groot pakket landijs in ons gebied al erg interessant, het vertrek met het bijbehorende smeltproces van de gletsjer maakt misschien nog wel meer indruk. Smolt de gletsjer tijdens de voorgaande ijstijd nog op een wijze waarbij het smeltwater van de grote hoogte naar beneden stortte en diepe geulen achterliet die met sediment werden opgevuld, het landijs dat hier lag brak in stukken uit elkaar. De grote stukken ijs gleden van de gletsjer af en duwden de doorweekte bodem voor zich uit en vormden zo ook weer stuwwallen. Het pakket landijs trok verder terug richting het noordoosten en de brokken bleven liggen waar ze in hun geheel wegsmolten.

Had de gletsjer tijdens het oprukken vanuit het noordoosten zowel grond als ander materiaal aan de onderzijde deze richting op vervoerd, in het ijs was ook behoorlijk veel sediment terecht gekomen en dit bleef achter doordat de terugtrekkende gletsjer verder smolt. Op de plaatsen waar de afgebroken en weggesmolten brokken lagen, bevond zich een grotere concentratie gletsjerpuin dat ook wel ‘Melt-dow Till’ genoemd wordt. Op een aantal plaatsen zijn tijdens dit sedimentatieproces de voorgaande en het nieuwere smelt residu door elkaar gemengd en kregen we weer een andere grondmorene. Zo is het dus mogelijk dat je verschillende afzettingen kunt tegenkomen die veroorzaakt zijn door een enkele gletsjer.

Een zwerfkei in de Zulte nabij het Volkstuinencomplex te Roden die overduidelijk sporen door slijtage draagt van zijn transport uit het noorden van Zweden. De steen bestaat uit zogenaamd Revsundgraniet, een opvallende granietsoort uit Noord-Zweden.

De naam ‘keileem’ heeft deze leemsoort te danken aan de verschillende formaten van de keien die er geregeld in voorkomen en gewoonlijk merendeels van Scandinavische of in het algemeen Baltische afkomst zijn. De keien zijn vaak aan de oppervlakte gepolijst en soms op voor deze stenen zeer karakteristieke wijze bekrast, die duiden op de voorgeschiedenis tijdens de reis naar ons gebied en die duidelijk en zeer nauw met de wijze van het vormen van de keileem samenhangt. De afzettingen door het landijs omvatten eveneens de afzettingen door het smeltwater van de gletsjer zoals fijn- tot zeer grofkorrelig grindhoudend zand met stenen. Deze afzettingen worden ook wel de ‘Formatie van Drente‘ genoemd.

Op de essen rondom het oude brinkgehucht zal menig zwerfsteen de vroege boer tot ergernis hebben gedreven.  Zo was er een boer nabij Leutingewolde die elke keer tijdens het maaien een steen raakte en hierdoor steeds schade aan de machines opliep. Gefrustreerd stapte de man uit zijn tractor, pakte een schep en begon te graven. Uiteindelijk bleken er twee graafmachines nodig te zijn om de hardwerkende boer van de vervelende zwerfsteen te verlossen! De overlast veroorzakende veldkei pronkt nu op de erf van de hardwerkende veehouder.

De door het grote pakket landijs hierheen gesleepte stenen kregen de naam ‘zwerfsteen’, ‘zwerfkeien’ of ‘veldkeien’ mee en worden in het hier gesproken dialect ook wel ‘flinten’ genoemd. Namen die wij nog steeds overal tegen komen zoals bij een groepsaccommodatie bij Roderesch en de OBS de Flint in Nietap. Het Steenbergerveld dat ten zuidwesten van het dorp Roden nabij het plaatsje Steenbergen ligt, stond er bekend om dat hier vele kleine veldkeitjes lagen. Menig straat in Groningen is bestraat met de keitjes toen het gebied ontgonnen werd.

De kaart van Nederland met daarop de glaciale afzettingen binnen de Formatie van Drente die vandaag de dag nog bestaan afgebeeld. De kaart is afkomstig van DINOloket.nl (TNO-GDN (2020). Formatie van Drente. In: Stratigrafische Nomenclator van Nederland, TNO – Geologische Dienst Nederland. Geraadpleegd op 2020 op DINOloket.)

Bij enkele weilanden rondom het voormalig esgehucht treffen wij dan ook met enige regelmaat hopen met kleine en middelgrote veldkeien aan die door de boeren hier gestapeld werden. Voor de boer hadden deze veldkeien geen enkel nut vanuit een economisch standpunt gezien en om eerlijk te zijn, ze vonden het niet erg dat iemand ze meenam op de tuin er mee te verfraaien. Zo eindigden dus vele keien als ornamenten in een mooie tuin.

Iets wat je overal langs een weiland of een weg kunt zien wanneer je door het noorden van Nederland gaat. Kleine hopen met veldkeien waarvan de boer last had en deze terzijde heeft gelegd.

Ten zuiden van het dorp Roden in de Noorder Duinen nabij het gehucht Steenbergen wisten de boeren van het Trechterbekervolk er zo’n 5500 jaar geleden wel raad mee. Zij gebruikten de grote zwerfstenen voor het bouwen van grafkelders, de zogenaamde hunebedden. Dit hunebed, D1 genaamd, is de meest noordelijk gelegen exemplaar in de provincie Drenthe.

Een berg stenen waaraan het plaatsje Steenbergen zijn naam te danken heeft. In het verleden dacht met dat grote reuzen de stenen zo neergelegd hebben.

Niet alle grote veldkeien kwamen direct uit Scandinavië onze kant op, een gedeelte was vanuit het noorden met bijvoorbeeld de gletsjer uit de Elster-ijstijd naar het zuiden vervoerd. Toen het pakket landijs uit het noordoosten over het gebied heen schoof waar de vorige gletsjer de stenen had laten liggen, kwamen de keien onze kant op. Waarschijnlijk gaat dit ook op voor bepaalde soorten vuurstenen die zich in de keileem bevinden. Mijn ervaring is dat er zowel zeer brosse vuursteensoorten die klein van formaat zijn als redelijk forse brokken van een zeer harde stevigheid in de keileemlagen zitten. Zo komen wij in de omgeving van het voormalig esgehucht de Zulte een stuk donkerrood vuursteen tegen dat in het verleden zeer gewild was bij de zeer vroege bewoners van het gebied. Zo vond Jaap Beuker in 2010 een halffabricaat van een vuistbijl gemaakt van rode Helgoland-vuursteen bij het plaatsje Een.

Een stuk rode Helgoland -vuursteen dat in de Zulte aan de oppervlakte kwam na recente werkzaamheden. De zeldzame rode vuursteen kan een kleur bezitten die varieert van vleeskleurig tot een paarsrode kleur. Een ander typerend kenmerk van de de vuursteensoort zijn de witte insluitsels.

Al eerder waren er grote veldkeien vanuit Scandinavië en de Baltische Staten in de omgeving van Roden aangekomen. Miljoenen jaren geleden stroomde ten noorden van het dorp een enorme rivier die zijn oorsprong in het huidige Lapland heeft en Eridanos genoemd wordt. Deze rivier was een miljoen jaar geleden tijdens het Bavel Interglaciaal ongeveer 2700 kilometer lang en vrijwel geheel Noordwest Europa tot aan de huidige Noordzee vormde zijn delta. Tijdens de dooiperioden in de bovenloop van de rivier zullen er stukken ijs van een gletsjer zijn afgebroken waar forse keien in opgesloten zaten en richting de delta gestroomd zijn. Toen de grote brokken ijs in rustiger en ondiep water terechtkwamen, kwamen ze vast te zitten en smolten, waarna de grote keien bedekt werden door rivierslib en ander sediment.

Nog een prachtig voorbeeld van een veldkei die vanuit het noordoosten naar ons land vervoerd is. Niet alle zwerfkeien en andere stenen die met de gletsjer deze kant opkwamen kwamen direct uit het noorden van Scandinavië. Veel van de stenen waren tijdens de vorige Elster-ijstijd al richting het zuiden vervoerd en het nieuwe pakket landijs pikte ze op en bracht ze hierheen.

Het vermoeden bestaat dat er op een gelijke wijze ook tijdens de Saale-ijstijd zwerfkeien richting het zuiden van ons land zijn gedreven. Grote stukken smeltend landijs die met het smeltwater voorbij de huidige Utrechtse Heuvelrug helemaal tot in Noord-Brabant terecht kwamen. Dit verklaart waarom er daar stenen gevonden worden uit die periode met een Scandinavische of Baltische achtergrond.

Zoals u al eerder kon lezen bestaat er niet echt een vaste soort grondmorene of keileem na het verdwijnen van het landijs uit onze omgeving. Dr. G. H. Leopold spreekt al in 1910 van drie soorten in zijn ‘Over het keileem in het Nederlandsch Diluvium. Keileem als geologisch afzettingsproduct; zijn voorkomen; zijne chemische samenstelling; zijne beteekenis voor de cultuur’. Eigenlijk is alleen de eerste soort die hij benoemd van belang voor de aanwezigheid van de dagzomende keileem in dit gebied.

Een van de kleine veldkeien die te voorschijn kwam in het Klein Noordhout uit de soort keileem die door Dr. Leopold als ‘grauwe keileem’ werd omschreven.

Als eerste soort draagt hij de grijze of grauwe keileem aan, die zeer algemeen is en van Gelderland tot aan het westen van de provincie Friesland voorkomt. Deze grauwe keileem is doorgaans lichtgrijs van kleur waarin geel tot roodkleurige vlekken of aderen voorkomen die de ene keer zeer duidelijk zichtbaar zijn en een andere keer weer zeer wazig zijn. Een ander keer bezit de keileem weer een oranje-gele tint, zoals vaak in het gebied nabij het voormalig esgehucht te zien is. De gele tot rode kleur van de keileem wordt veroorzaakt door het oxideren (roesten) van ijzerdeeltjes in de leem. Af en toe bezit de keileem een zachte lichtgroene kleur dat veroorzaakt wordt door glauconiet, een zand dat voorkomt in zuurstofarme lagen van het sediment in ondiep zeewater. Het percentage klei hangt af van waar de keileem voorkomt.

De grauwe of grijze keileem de Dr. Leopold omschrijft als zeer algemeen, wordt tegenwoordig omschreven als het Heerenveen-type in de Heerenveengroep. Leopold benoemt dat de keileem doorgaans lichtgrijs van kleur is en waarin geel tot roodkleurige vlekken of aderen voorkomen die de ene keer zeer duidelijk zichtbaar zijn en een andere keer weer zeer wazig zijn

De rode keileemsoort komt voornamelijk voor op de zandruggen van het Hondsrug-complex in Oost-Drenthe. Ten zuiden van het dorp Roden treffen wij op het oog ook rode keileem aan langs het Lieversche Diep, maar naar mijn inschatting is hier de grauwe keileem doordrongen met ijzeroer. Hier komt veel ijzerhoudend en zuurstofarm kwelwater aan de oppervlakte, dat een verbinding aangaat met de zuurstof in de lucht en waarna vrijwel alles in en om het water een roodbruine kleur krijgt. Kwelwater komt ook op veel plaatsen rondom de Zulte aan het oppervlak.

De gemengde keileem- en ijzeroerlagen langs het Lieversche Diep ten zuiden van Roden. Met name de grauwe keileem ligt onder de oer en is duidelijk zichtbaar. Deze leemsoort heeft echter niets met de rode keileem van doen.

Een derde vorm van keileem is het in de provincie Drenthe veelvuldig voorkomende witte of blauw-witte keileem, een in tegenstelling met de eerstgenoemde soorten zeer stug en steriel leem, dat voor een belangrijk deel uit zeer fijn kwarts zand schijnt opgebouwd en waarschijnlijk dezelfde grondsoort is, waaraan de Duitse onderzoeker Dr. Emil Ramann in zijn boek ‘Bodenkunde’ uit 1905 de naam ‘Heidelehm’ aan geeft.

Licht gekleurde en zandige keileem met veel vuursteentjes dat uit het beekje de Zulter Bitse komt. Waarschijnlijk behoort deze keileem ook toe aan het type dat de Heerenveen-groep kenmerkt, maar is de keileem ‘uitgespoeld’ door het water van de beek.

Zo’n 110 jaar later kunnen wij inmiddels spreken van zeven soorten keileemtypes die in vier keileemgroepen verdeeld zijn. De eerste groep heet Heerenveen en bestaat uit slechts een type; Heerenveen-type. Een sterk zandige ontkalkte keileem dat grotendeels uit Zuid-Zweden en de Oostzee afkomstig is. Dit type is waarschijnlijk afgezet tijdens de eerste fasen van de vergletsjering en is dominant aanwezig in Oost- en West- Groningen, westen van Drenthe en Friesland.

Toen in de nacht van dinsdag 4 op woensdag 5 juni 2019 enkele windhozen hun geweld loslieten op de vele bossen in de omgeving van de Zulte, konden heel veel bomen de kracht van de wind niet weerstaan en sneuvelden. Het geweld was niet kieskeurig en keek niet naar de ouderdom van de bomen. In het beekdalgebied van de Zulter Bitse was het niet anders en forse zomereiken gingen met wortel en al ondersteboven, waarbij de onderzijde van het wortelpakket goed zichtbaar werd. Hierboven zijn de vuurstenen te zien die de laatste overblijfselen zijn van de bovenste laag van de keileemafzetting in dit gebied. Tijdens en na de laatste ijstijd hebben zowel de poolwinden als het beekwater de keileem doen oplossen en de vuurstenen gepolijst.

De volgende groep heeft de naam Emmen-groep en bestaat uit twee types; de kalkhoudende Nieuweschoot-type en de ontkalkte Emmen-type. Beide varianten komen vooral voor op de oostelijke Hondsrugtak in Drenthe, maar ook ten noorden bij de dorpen Sauwerd en Winsum in Groningen. De Emmengroep wordt vooral aangetroffen op types uit uit de Assengroep.

De derde groep is de Assen-groep en bestaat eveneens uit een kalkhoudende en ontkalkte keileem-type. De Noordhorn-type is de kalkhoudende variant en komen wij tegen bij de noord-einden van de Hondsrug, de Tynaarlorug en de zandrug van Rolde, respectievelijk tussen de plaatsen Haren en Groningen, bij Hoogkerk en op de keileemhoogte van Zuidhorn en Noordhorn. Deze keileem is rijk aan vuurstenen en als de keileem niet verweerd is, zijn de meeste vuurstenen zwart, grijs of bruin van kleur. Vooral de zwarte vuursteen komt veel voor, ook in grote stukken, vaak met restanten aanhangend krijt. De ontkalkte keileemlaag binnen de Assen-groep heet Assen-type en is een sterk zandige keileem, die door uitloging uit de kalkrijke Noordhornkeileem is ontstaan. Ook deze keileem is rijk aan vuurstenen.

Zwarte vuursteen met dunne witte cortex dat niet verweerd is. Cortex is een overgangslaag en bestaat uit poreus kalk- en kiezelmateriaal dat van het moedergesteente afkomstig is.

De vierde en de laatste verzameling keileemtypes komen wij tegen in de Voorst-groep, waarbij er ook hier een ontkalkte en een kalkhoudende keileem hoort.  De twee types staan ook bekend als ‘Schollenleem’ of ‘Flow-Till’ waarbij de afkomst terug te wijzen is naar het smeltproces van een gletsjer. De kalkhoudende keileem heet Voorst-type en komt samen met de ontkalkte Oudemirdum-type vooral voor op en ten oosten van de Hondsrug.

Keileem uit de Heerenveen-groep langs de Zulter Bitse is blootgelegd tijdens het onderhoud aan de beek. Door de invloeden van het weer begint de keileem te eroderen.

De keileem uit de Heerenveen-groep die in de wijde omgeving van het voormalig esgehucht voorkomt en op veel plaatsen vlak aan het oppervlak te voorschijn komt, het niet alleen slechte kanten zoals het modderig maken van gebieden. Soms zijn andere elementen uit bijvoorbeeld een latere ijstijd prachtig om te zien. Zoals de pingoruïne ten noordoosten van de Zulte, waar het grondwater door de permafrost drong en na het smelten van het ijs in de pingo, er een zandige doorgang in de keileem was achtergebleven (Een geheimzinnige diepte). Weliswaar loopt de verdieping in het land bij een groot aanbod van regenwater snel vol, maar het is een kwestie van een paar dagen dat vrijwel al het water weer verdwenen is.

Bij een groot aanbod van hemelwater is de pingoruïne volgelopen en is nu duidelijk zichtbaar in het weiland. In het midden van de ruïne zit een soort pijp van zand waardoor het water weer snel wegzakt.

Laten wij even teruggaan naar het jaar 1910 waar Dr. Leopold ons laat weten dat de invloed van wat hij de grauwe noemt, keileem in de gebieden waar deze voorkomt, niet licht kan worden overschat. Om het in zijn woorden te zeggen: ‘Waar het aan de oppervlakte ligt of door eene zandlaag van geringe dikte bedekt is, schijnt het meestal een der beste bouw-, wei- en boschgronden te vormen, die wij kennen. En zelfs al wordt het door een dik zanddek bedolven, ook dan nog is het onderscheid met den armeren enkel zandbodem vaak verrassend en treden welige loofhoutbosschen of van nature reeds welvarende akkers en weiden in de plaats van naaldhout, heide of stuifzand ; de voor water weinig of niet doorlaatbare keileembank vertraagt of verhindert namelijk het wegzakken van het regenwater en geeft aldus gelegenheid tot het vormen van een ondergronds waterkapitaal, dat bosschen en landbouwgewassen in de droge tijden ten goede komt.’ (Dr. G. H. Leopold – Over het keileem in het Nederlandsch Diluvium. Keileem als geologisch afzettingsproduct; zijn voorkomen; zijne chemische samenstelling; zijne beteekenis voor de cultuur, 1910)

Naast dat de keileem in de nattere perioden geen water doorlaat, is het tijdens droogten eveneens een kwelling voor de boer. De. Leopold omschrijft het als volgt: ‘Daarentegen bestaat daar groot gevaar voor een volmaakt uitdrogen van de bouwkruin in droge tijden, daar de leembank het capillair opstijgen van het grondwater verhindert. Dit laatste komt in Drente op talrijke plaatsen voor, waar het witte dorre keileem den ondergrond vormt.’

Leopold merkt op dat de loofhoutbossen op de bodem met een ondergrond van keileem het zeer goed doen. Dit verklaart ook waarom op de plaatsen waar de keileem dagzoomt in het verleden ook vele bossen stonden. Typerende struiken die keileembodem zeer weten te waarderen en in dit gebied veel voorkomen zowel solitair als in struwelen, zijn de Sleedoorn (Prunus spinosa) en de Tweestijlige meidoorn (Crataegus laevigata).

De blauwe vrucht van de Sleedoorn die ook wel ‘bekketrekker’ genoemd wordt vanwege zijn zeer zure smaak. Pas als er een nachtvorst overheen geweest is schijnt het zure in de vrucht een stuk minder te zijn. De heerlijk ogende blauwe vruchten zijn vaak al ver voor de eerste nachtvorst rijp en menigeen die verleiding niet kan weerstaan en een vrucht in zijn of haar mond stopt, zal de meest vreemde grimassen laten zien. Rare bekken trekken dus.

Naast de vieze glibberige bende die de keileemlaag veroorzaakt doordat deze laag vrijwel geen water doorlaat, zorgt de keileem dus ook nog voor een specifieke huishouding op het gebied van planten, waarbij de Pitrus (Juncus effusus) hét kenmerkende gezicht is van een keileemrijk gebied. De plant die ook wel ‘Ruskepol’ genoemd wordt in het dialect wat men hier spreekt, komt hier op heel veel plaatsen in grote getale voor. Het is een liefhebber van drasse, natte gronden en kan zelfs in zuurstofloze gronden groeien. Zeker in de gebieden waar men gestopt is met het bemesten van het land (inclusief de bekalking en het verlagen van het aanbod van fosfaten), komt de plant vandaag de dag massaal voor. In het verleden kreeg een boer met veel Pitrus in zijn land het advies om kalk te gaan gebruiken om de plant zo te bestrijden.

Het gevolg van het nalaten van de bemesting in een weiland waar de keileem vrijwel aan het oppervlak ligt. De Pitrus (Juncus effusus)) tiert hier nu welig. De oude Pitruspollen rechts op de foto zijn de oude planten van vorig jaar die niet door de eigenaar zijn omgemaaid.

Voor meer informatie over keileem verwijs ik graag naar:

Kijk eens omlaag Een website waar je vrijwel alles kan vinden wat maar met onze ondergrond te maken heeft.

Stenen zoeken Waar ligt de steen en waar komt deze vandaan, de antwoorden vindt u hier.

Geologie van Nederland Een tijdreis van 500 miljoen jaar.

Kluften

Plaatselijke gemeenschappen in Drenthe bestaan natuurlijk al heel lang en tot verdriet van velen, was men in de provincie niet zuinig op oude documenten. Veel van die oude documenten zijn erg beschadigd of bestaan stomweg niet meer. Natuurlijk was men niet overal slordig en roekeloos met de oude geschiften en is hier en daar nog iets moois te vinden. En ander gedeelte van de geschiedenis is via mond op mond reclame generaties lang bewaard gebleven.

In het kleine brinkgehucht nabij de Zulteresch was het leven voor het jaar 1795 niet veel anders dan op andere plaatsen in de Landschap Drenthe. Het was slechts een van de vele buurtschappen die in het arme en dunbevolkte gewest voorkwamen. Naast de doorgaans kleine buurtschappen waren bestonden er ook andere plaatselijke gemeenschappen zoals de marken, schultambten, kerspelen, heerlijkheden, en de dingspelen.

Doordat Cornelis Pijnacker (1570-1645) zich in 1627 in de plaats Meppel in de Landschap Drenthe vestigde, is de beroemde Pijnacker kaart van Drentia uit het jaar 1634 ontstaan. Het zou de eerste kaart van het arme en dunbevolkte gewest zijn. (bron)

Een andere term voor de plaatselijke gemeenschappen die wij in de Landschap Drenthe tegen kunnen komen zijn ‘kluften’, die ook wel ‘cluften’, ‘clufften’, of ‘kluchten’ werden genoemd. In Drenthe kon een kluft onder andere voor een onderdeel van verschillende dingen zijn zoals in een onderverdeling van een kerspel, die in de regel geen kerk had en kan dan ook gezien worden als een synoniem voor een wijk of buurtschap. Een kluft kon in sommige gevallen een meer of minder grote mate van zelfstandigheid hebben. In sommige plaatsen waar veel kluften voorkwamen, kwam men het woord kluft tegen in namen zoals ‘Noorderkluft’ of ‘Zuiderkluft’.

Nu kende men in de omgeving van het kerspel Rhoden al heel lang een vorm van kluftgebruiken, die ook wel ‘noaberplicht’ werd genoemd. Een ieder die in een noaberschap (buurtschap of kluft) woonde, had de verplichting de andere noabers (buurtgenoten) met raad en daad bij te staan. In het verlengde van wat als noaberplicht werd gezien, was de inzet van de kluften voor de eenvoudige arbeidsverdeling binnen een buurtschap. Het belang was bijvoorbeeld in Peize goed zichtbaar, waar speciaal de zorg voor de wegen jaarlijks kluftsgewijze geschiedde.

Dit gold eveneens voor het buurtschap de Zulte waar zich een herder met de schaapskudde bevond, die gebruik maakte van een schapendrift richting het grote heideveld. De noabers zullen verantwoordelijk zijn geweest voor het onderhoud en de toegankelijkheid naar het perceel heide met het nummer K-210 van bijna 37 hectare net boven de Toutenburgsingel. Het perceel heide was net zoals het grondstuk waarop de schapendrift lag, I-257bis, in het bezit van de markegenoten Zulte.

De toenmalige schapendrift van het voormalig esgehucht de Zulte die tussen de Hoppenkamp en de es Kostverloren lag. De noabers in het buurtschap waren verantwoordelijk voor het onderhoud aan de drift.

Eigenlijk bevonden zich in het kerspel Rhoden volgens het grondschattingsregister van 1642 vijf kluften: Roden, Steenbergen, Leutingewolde, Foxwolde en Zulte. Daarvoor zou het aantal kluften hebben kunnen variëren gelang de plaatselijke omstandigheden van economische aard of bevolkingsdichtheid. Op pagina 93 van het boek ‘De rechtspositie van de Eigenerfden in Drenthe’ uit 1934 beschrijft Dr. A. F. Lunsingh Meijer over een conflict tussen de eigenerfden van Roden en Steenbergen over een voorgenomen grensregeling, waarbij de bewoners van Steenbergen de scheidpalen hadden weggenomen.

De buren van Roden komen tegen het ontvreemden in verzet en eisen onder andere het volgende: ‘daer nochtans, die van Steenberghen noijt andere marcke hebben gehadt als gemeen nevens andere kluften van Roden, hoewel de kluften om gerijfs halven iedereen sijn eijgen besonder district van opslach, heijden en weijden gehadt heeft. Zij hebben nevens andere kluften alle gemene lasten eenpaerlijck gedragen.’ Opvallend is de definitie van ‘marcke’ hierin te vinden: ‘district van opslach, heijden en weijden.’ De verschillende kluften binnen het kerspel hebben elk een eigen stuk van de marke in gebruik, welke gedeelten op hun beurt eveneens de naam kluft hadden.

Een andere term die opduikt is het zogenaamde ‘filiaaldorp’. De vijf eerder genoemde kluften binnen het kerspel Rhoden zijn eigenlijk een buurtschap op zich zelf, waarbij men een typisch voorbeeld heeft van een filiaaldorp die destijds veel in Drenthe voorkwam. Zeer veel buurtschappen zijn ontstaan als filiaal- of dochterbuurtschappen van een oerbuurtschap, waarbij door de uitbreiding van de bevolking mensen uit het buurtschap vertrokken en zich vestigden op een gedeelte van de ongescheiden marke van de oorspronkelijke buurschap.

Door de zeer geringe bevolkingsdichtheid lagen de oerbuurtschappen ver uit elkaar en waren de omliggende markegronden zeer groot. Op die markegronden ontstond de nieuwe buurschap, met haar eigen gescheiden marke er om heen, oorspronkelijk min of meer afhankelijk van de oerbuurschap op wier markegronden zij lag. Die afhankelijkheid bleef bestaan in die gevallen, waarvan hier in Roden een voorbeeld is te zien, waar de verschillende buurschappen samen, wat het ongescheiden gedeelte betreft (soms werd dit nog beperkt tot alleen bos en heide of veengronden), een marke hadden. In dat geval bleven de nieuwe buurschappen feitelijk kluften van de oerbuurschap (bron: Dr. A. F. Lunsingh Meijer  – De rechtspositie van de Eigenerfden in Drenthe, van Gorcum & Comp., Assen 1934, pagina 94).

Het grensgebied tussen het dingspel Noordenveld en het Ommeland Westerkwartier nabij het Leekstermeer. In de tijd van de kluften zullen grote stukken van het gebied er zo uit hebben gezien.

In  de provincie Groningen had een kluft, ook wel ‘klauw‘ of ‘clauw‘ genoemd, een belangrijkere rol dan de buurtschappen in bijvoorbeeld Noord-Drenthe. Nu was de situatie in Groningen en vooral de Ommelanden niet te vergelijken met die van Drenthe ondanks enige overeenkomsten die wel voorkwamen zoals eerder beschreven in Peize. Door de ligging van die provincie aan de Waddenzee en het uitmonden van een tal van beken en riviertjes in diezelfde Waddenzee, speelden de buurschappen of kluften bij de waterstaat maar ook bij de onderhoud van wegen en burenhulp. Een reglement uit het jaar 1722 voor de Stadsjurisdicties van Groningen zorgde dat de dorpen hiervoor uit een aantal kluften of noabergilden (buurtgilden) dienden te bestaan. Dit gold ook voor de Ommelanden.(Wikipedia)

Had een kluft of buurtschap zoals de Zulte ten noordwesten van het kerspel Rhoden niet echt een voorman of woordvoerder, de kluften in Groningen wel degelijk. Deze werden ‘Kluftheer’ genoemd en dienden als buurt- of wijkmeester. In ‘Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden, deel 21, 1794 Van Stad en Lande’ wordt op pagina 171 aandacht besteed aan de kluftheren: ‘De Heeren van de Kluft maaken uit een Kluftheeren-getal van agt persoonen, waartoe men voor-heen twee uit ieder der vier kluften nam; maar welke zorgvuldigheid thans geene plaats meer heeft, schoon nog voor hun de stad verdeeld blyft in vier panden.’.

Komen wij in het Drenthe van de zeventiende en de achttiende eeuw de benaming ‘etstoel’ tegen voor een ambtsgebied van een plaatselijk gerecht, op ‘t Groninger Land sprak men eerder van een ‘rechtstoel’ als het de rechtsprekende colleges betrof. In het aan het noordwesten van de provincie Drenthe grenzend Westerkwartier werd de redger of rechter net als in Friesland ‘grietman’ genoemd en zijn assistent ‘wedman’. De wedman trad tevens op als deurwaarder.

Op een kaart uit het jaar 1660 waarop de Stad Groningen en de Ommelanden waren afgebeeld, zijn zowel het Vijfde Dingspil Nordeveldt als Fredewoldij te zien. Daarnaast worden de landerijen onder het Sulte meer omschreven als Lage Landen en moeras, iets waar het meer zijn naam ook aan dankte. (Atlas van Kooper, uitgegeven door Frederick de Wit in de Calver straet te Amsterdam, ca. 1660)

Er waren ongeveer 75 rechtstoelen in Groningen en als we de lijst aanhouden van de ‘Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden deel 21 1794 Van Stad en Lande, tweede deel’ dan heeft het Westerkwartier de volgende nummers 50 (Vredewold), 51. (Oosterdeel Langewold), 52. (Westerdeel Langewold), 53. (Visvliet), 54. (Ooster Ruige Waard), 55. (Middel Ruige Waard), 56. (Wester Ruige Waard), 57. (Niehove), 58. (Humsterland), 59. (Ezinge), 60. (Hardeweer), 61. (Feerwert), 62. (Aduard), 63. (Dorkwerd en Leegkerk), 64. (Hoogkerk), en 65. (Platvoetshuis) .

Voor het gebied nabij het oude esgehucht de Zulte is het toenmalige onafhankelijk Ommeland Vredewold redelijk van belang qua invloed. Het buurtschap bezat weliswaar tot het midden van de jaren twintig tijdens de negentiende eeuw niet een directe verbinding met de weg tussen Rhoden en de Leek, maar de connecties met Nijentap (Nietap) en Ter Heyl zorgden wel voor een uitwisseling van gebruik en spraak. Veel dingen gaan nu eenmaal verder dan ’t Piepke del!

Een gedeelte van de kaart van het Wester Quartier van Groningen 1751-1754. De kaart werd vervaardigd door ir. Caldenbach. (Groninger Beeldbank)

Vredewold was een staande rechtstoel van het huis Nyeoort (Nienoord) en had het nummer 50. Hieronder vielen de volgende dorpen en kluften: Marum, Noordwyk, Nuis, Niebert, Tolbert, Midwolde, de Leek, Lettelbert, Oostwolde en de Leege Meeden. Deze streek ligt in het oosten tegen het zuidwesten van Friesland, ten noorden van Drenthe, ten westen van Middagt, en ten zuiden van Langewold.

De auteur van het boek ‘Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden deel 21 1794 Van Stad en Lande, vierde hoofdstuk, pagina’s 374 tot en met 376’ omschrijft prachtig: “De dorpen liggen genoegzaam in ééne rye, opeenen zandigen en houtdragenden grond, terwyl de veenen meerderdeels ten zuiden zyn Vredewold, (by Emo Frodowalda geheten) ofschoon niet groot zynde, was al van ouds eene landstreek op zig zelve, welke een eigen wapen (Hetzelve verbeeldt eenen geharnasten ruiter te paard), een eigen landregt (Landregt van Vredewold) , en eigene rigteren in ieder dorp hadde. Deeze rigteren verdeelden zig in eene Ooster en Westerwarf, en zaten daarop gezamenlyk te regt. Dit heeft geduurd tot het jaar 1531, wanneer de gemeene rigteren , eigenerfden, en ingezetenen van Vredewold, zo wel van de ooster als de westerzyde, de geheele grieteny ervelyk opdroegen aan Beetke, de weduwe van Wigbold van Ewsum, en haare kinderen; onder die voorwaarde, dat in ieder dorp de Buurrigteren zouden blyven, en dat de tydelings aantestellene Grietman moest zyn tot genoegen der gemeente. En in dat opzigt is het nog heden een staande regtftoel van het huis Nye-oort; maar de kerkelyke collatien in de dorpen behooren mede aan anderen, hoewel dat huis door deszelfs groote goederen veel inzage daarin heeft. Tot de dorpen zelve overgaande, is van de Friesche paalen het eerste.”.

De indeling van het Ommeland Vredewold vlak voor de Bataafsche revolutie van 1795. (Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden deel 21 1794 Van Stad en Lande, vierde hoofdstuk, pagina’s 376 tot en met 380)

Een ander verschil tussen de Drentse en Groninger kluften was het ‘Claveboeck’. Het claveboek of klauwboek was in de provincie een officieel register binnen de kluften, waarvan de eigenaar gerechtigd is om als redger of rechter op te treden. De klauwboeken komen voor in de Ommelander gouwen die onafhankelijk waren van de stad Groningen zoals Vredewold. (Bron)

Dat het er in de kluften binnen de Landschap Drenthe een stuk gemoedelijk aan toe ging dan in Groningen blijkt wel uit het bovenstaande artikel uit de Drentsche en Asser courant no. 133, blad 6, van woensdag 10 juni 1953 .

In het jaar 1880 verscheen er in de Provinciale Drentsche en Asser courant een serie feuilletons over de diverse Drentse plaatsen en hun bezienswaardigheden, waarbij de kerk van Roden ook niet ontzien werd. De in de ik-vorm schrijvende verslaggever weet het zo mooi te vertellen, dat ik het uit twee delen bestaand verhaal daar waar het betrekking heeft op kluften, hier plaats. Het zijn fragmenten van ‘Naar Roden V en VI’, en ze verschenen respectievelijk op maandag 5 juli (No. 155) en dinsdag 6 juli (No. 156) 1880.

De prachtige Catharinakerk op de Brink van Roden. De kerk werd gebouwd in de dertiende eeuw en werd gewijd aan de heilige Catharina van Alexandrië.

Den toren te beklimmen — ik had er lust noch moed toe. De historie van Babel roept de stervelingen toe: ‘niet de lucht in !’ en eene andere stem geeft den raad: ‘laag en klein bij den weg — dan heeft men ’t minste gevaar !’ Wat ik later eens doe, weet ik niet, maar thans was er niets dat mij naar boven kon lokken — beneden was zooveel genoegen dat men een dwaas moest wezen, om zich te vermoeijen, door de lucht in te gaan en zoo niet van de vrolijke partij omlaag te zijn.

Toch ken ik de ernstige boodschap, welke J. Borgherdt, de klokkegieter te Groningen, door de eenige klok, welke Roden heeft, tot den volke liet spreken, toen zij in 1746 op haar hoogen troon was geheschen. Zij luidt:

lk noodige al die vreest den Heer tot dienst van Christus den Hemelkoning, En schla een naar geluyt wanneer de mens verlaat des ardse woning.

Behalve die uitnoodiging vindt men in het metaal gegrift:

Willem Baron van In en Knijphuijsen Heer van Nienoort en des landes Vredewolt, medegedeputeerde staat en Curator Academiae der provincie van Stadt en Lande medecollator tot Roden etc. etc. Hendrick Allingh, scholte tot Roden en Roderwolde, desself verwalter Tyll Krythe, Jacobus van der Scheer predicant, Ette Harm Eels van Lijverden en Deodatus Peeters in der tijd kerkvoogden, Jan Janssens en Floris Aukema van Lootingewolde als hijrtoe van de acht kluften tot Roden zijnde gekommitteerd geweest. Geert Krijthe, Hindrick Geerts als voerluiden van de klok.

Uit den toren in de kerk en al dadelijk onthaal ik mijne lezers op een dichtstukje, ’t welk ter linkerzijde op het orgel wordt gevonden. De onbekende vervaardiger zegt:

Zing Roden! Hoppincks naam en God ter eer! Een Gajus leerde u ’t eerst de zuivre Leer. Nu steunt een Catherine uw Tempelzangen Bij milde gift van ’t konstig Orgelwerk. Hij schoort den Kansel op; Zij siert uw Kerk. Uw God bezorgt uw Heiligdoms belangen Door Hoppincks, nader dan in vleesch en bloed Tot Sions dienst vermaagschapt naar ’t gemoed.

Aan de regterzijde leest men:

“Dit orgel, versierd met deze Wapens, strekt ter gedagtenisse van den Heer Albert Hoppinck, en deszelfs Huisvrouw Elizabeth Johanna Hoppinck, geboren Clarcq, en derzelver twee nagelaten kinderen, wijlen den Heer en Mr. Jacob Willem Hoppinck en Mejuffrouw Maria Catharina Hoppinck, en is vervaardigt uit een Legaat, door laatstgemelde Juffrouw op den V Maart MDCCLXXVI aan de Kerke van Roden daar toe expres gemaakt.” ݉

Aan de achterzijde staat:

Dit orgel is verveerdigt in het jaar 1779 door de directie van den WelEdele Geboren Gestrenge Heer en Mr. C. W. Ellents, raed en secretaris van het landschap Drente, etc. etc., die daartoe expreslijk is geautoriseert geworden, en is gemaakt door den orgelmaaker A. A. Hins te Groningen.

’t Orgel van Roden’s kerk is een geschenk. Eene bloedverwante van G. Hoppinck — hier predikant geweest — te ’s Hage overleden op 18 December 1776, vermaakte aan de kerk het aanzienlijke legaat van tienduizend gulden en daarvan werd het orgel vervaardigd, onder toezigt van mr. C. W. Ellents, eigenaar van het Huis Mensinge en te Boden overleden op 12 September 1784. ’t Werd ingewijd op 4 Junij 1780 door Regnerus Tjaarda de Cock, predikant te Nieuwe Pekela, naar aanleiding van Ps. CXLIV : 9. Deze leeraar was daartoe uitgenoodigd, omdat hij en ook zijne echtgenoote bloedverwanten en erfgenamen van de schenkster waren. ’t Orgel doet nog zijn maker eer aan en is, zegt men, een der beste in Drenthe.

De achterzijde van de prachtige Catharinakerk in Roden. Op de achtergrond is de toren te zien die de schrijver van een serie feuilletons over Drentse plaatsen in 1880 beklom.

In 1795 kwam er met de Bataafsche Omwenteling bestuurlijk gezien een einde aan de kluften in zowel Drenthe als Groningen.