Niets is zo controversieel als de aanwezige keileemlaag in het grote gebied ten noorden van het idyllisch gelegen dorp Roden in de prachtige kop van Drenthe. Met name in de omgeving van het voormalig esgehucht de Zulte waar deze keileem aan of vlak onder het oppervlak ligt en daar het uiterlijk weet te bepalen. Zeker in de nattere jaargetijden met een groot aanbod van hemelwater kan het werkelijk een groot drama zijn wanneer je als boer of loonwerker hier met zware machines aan de slag moet. Hier en daar zijn er zelfs plaatsen waar het vrijwel onmogelijk is om te lopen zonder dat de kans bestaat om je laarzen kwijt te raken aan deze glibberige, taaie en klevende substantie.
Over keileem zal vermoedelijk met net zoveel met bewondering gepraat en geschreven zijn als erop gescholden werd door de vroegere boer die deze ‘proeksel’ vervloekte. En nog steeds zorgt deze restant van de Saalien-ijstijd voor menig verwensing die ik hier maar niet zal herhalen. Eigenlijk betekent het woord ‘proeksel’ de rotzooi van smeltende sneeuw op de weg in het Gronings, maar de boer vond dat de keileem minstens net zo erg dat hij de term gebruikte en ergens kon ik mij daar wel in vinden. En keileem is niet kieskeurig wat betreft de plaats waar het voorkomt. Je zou haast het vermoeden krijgen dat het zich heeft neergelegd op plaatsen waar het niet opvalt of op schuine hellingen met het idee om de moderne mens hier het leven zuur te maken. Het is wat de boer zei; dikke proeksel! Zou de beste man ooit geweten hebben dat Drenthe ondanks zijn hoge ligging en de zandige ondergrond in het verleden door de aanwezigheid van keileem tot een van de natste provincies van ons land behoorde?

Hoe je het ook wendt of keert, ruim 150 duizend jaar geleden begon het allemaal toen een grote gletsjer die vanuit het noordoosten onze omgeving was binnengedrongen, zich terug begon te trekken en een zogenaamde ‘grondmorene’ achterliet die vooral bestond uit (zwerf)keien, grind, zand, klei en leem. Door de samenstelling van het mengsel, dat grotendeels ontstaan was door het afslijten en het verpulveren van de keien door het gewicht en de snelheid (ongeveer 100 meter per jaar) van het pakket landijs, bezat de grondmorene ook veel kalk. Daarnaast pikte de gletsjer ook plaatselijk materiaal op dat een eindje verderop weer werd afgezet. De grondmorene komt op veel plaatsen voor en staat in Duitsland als ‘Geschiebelehm’ en in Engeland als ‘Lodgement Till’ of ‘Boulder-Clay’ bekend.

Eigenlijk mogen en kunnen wij niet van een enkele grondmorene spreken. De gletsjer uit de Saale-ijstijd was niet zo maar een groot pak ijs dat over het Drentse landschap trok, eerder bestond het landijs in het noorden van ons land uit drie verschillende fasen. Voor ons zijn eigenlijk de eerste en de tweede fase van belang. De eerste fase kwam eerst niet verder dan het oosten van de provincies Groningen en Drenthe waar het ijs eerst stagneerde. Toen er weer meer ijs werd aangevoerd, schoof het pakket door tot de lijn Texel-Oldenzaal. Vervolgens kwam er de tweede fase waarin de hernieuwde aanvoer van landijs richting het zuidwesten ging en daar stopte, waar nu de Utrechtse Heuvelrug ligt.
De derde fase is zeker minstens net zo interessant als de twee voorgaande ijsverplaatsingen, alleen vond deze niet plaats in onze omgeving waar zich op dat moment enkel ‘doodijs’ bevond. Ten oosten van de lijn Roden-Assen-Smilde stroomde vanuit het noordwesten een pakket landijs met hoge snelheid richting het zuidoosten en vormde daardoor ten oosten van de Hondsrug een diepe glaciale geul, het huidige Hunzedal. Nee, het ging er zeker onstuimiger in de provincie Drenthe aan toe dan tijdens de vorige ijstijd. Door de verschillende fasen van landijs dat over ons gebied heenschoof, varieerde de plaatsen en de samenstelling van de grondmorene dan ook met enige regelmaat. Dat zien wij dan ook terug in de afzetting van de grondmorene, de keileem dus, in de ondergrond van de Zulte.

Is de aankomst en het verblijf van het enorm groot pakket landijs in ons gebied al erg interessant, het vertrek met het bijbehorende smeltproces van de gletsjer maakt misschien nog wel meer indruk. Smolt de gletsjer tijdens de voorgaande ijstijd nog op een wijze waarbij het smeltwater van de grote hoogte naar beneden stortte en diepe geulen achterliet die met sediment werden opgevuld, het landijs dat hier lag brak in stukken uit elkaar. De grote stukken ijs gleden van de gletsjer af en duwden de doorweekte bodem voor zich uit en vormden zo ook weer stuwwallen. Het pakket landijs trok verder terug richting het noordoosten en de brokken bleven liggen waar ze in hun geheel wegsmolten.
Had de gletsjer tijdens het oprukken vanuit het noordoosten zowel grond als ander materiaal aan de onderzijde deze richting op vervoerd, in het ijs was ook behoorlijk veel sediment terecht gekomen en dit bleef achter doordat de terugtrekkende gletsjer verder smolt. Op de plaatsen waar de afgebroken en weggesmolten brokken lagen, bevond zich een grotere concentratie gletsjerpuin dat ook wel ‘Melt-dow Till’ genoemd wordt. Op een aantal plaatsen zijn tijdens dit sedimentatieproces de voorgaande en het nieuwere smelt residu door elkaar gemengd en kregen we weer een andere grondmorene. Zo is het dus mogelijk dat je verschillende afzettingen kunt tegenkomen die veroorzaakt zijn door een enkele gletsjer.

De naam ‘keileem’ heeft deze leemsoort te danken aan de verschillende formaten van de keien die er geregeld in voorkomen en gewoonlijk merendeels van Scandinavische of in het algemeen Baltische afkomst zijn. De keien zijn vaak aan de oppervlakte gepolijst en soms op voor deze stenen zeer karakteristieke wijze bekrast, die duiden op de voorgeschiedenis tijdens de reis naar ons gebied en die duidelijk en zeer nauw met de wijze van het vormen van de keileem samenhangt. De afzettingen door het landijs omvatten eveneens de afzettingen door het smeltwater van de gletsjer zoals fijn- tot zeer grofkorrelig grindhoudend zand met stenen. Deze afzettingen worden ook wel de ‘Formatie van Drente‘ genoemd.

De door het grote pakket landijs hierheen gesleepte stenen kregen de naam ‘zwerfsteen’, ‘zwerfkeien’ of ‘veldkeien’ mee en worden in het hier gesproken dialect ook wel ‘flinten’ genoemd. Namen die wij nog steeds overal tegen komen zoals bij een groepsaccommodatie bij Roderesch en de OBS de Flint in Nietap. Het Steenbergerveld dat ten zuidwesten van het dorp Roden nabij het plaatsje Steenbergen ligt, stond er bekend om dat hier vele kleine veldkeitjes lagen. Menig straat in Groningen is bestraat met de keitjes toen het gebied ontgonnen werd.

Bij enkele weilanden rondom het voormalig esgehucht treffen wij dan ook met enige regelmaat hopen met kleine en middelgrote veldkeien aan die door de boeren hier gestapeld werden. Voor de boer hadden deze veldkeien geen enkel nut vanuit een economisch standpunt gezien en om eerlijk te zijn, ze vonden het niet erg dat iemand ze meenam op de tuin er mee te verfraaien. Zo eindigden dus vele keien als ornamenten in een mooie tuin.

Ten zuiden van het dorp Roden in de Noorder Duinen nabij het gehucht Steenbergen wisten de boeren van het Trechterbekervolk er zo’n 5500 jaar geleden wel raad mee. Zij gebruikten de grote zwerfstenen voor het bouwen van grafkelders, de zogenaamde hunebedden. Dit hunebed, D1 genaamd, is de meest noordelijk gelegen exemplaar in de provincie Drenthe.

Niet alle grote veldkeien kwamen direct uit Scandinavië onze kant op, een gedeelte was vanuit het noorden met bijvoorbeeld de gletsjer uit de Elster-ijstijd naar het zuiden vervoerd. Toen het pakket landijs uit het noordoosten over het gebied heen schoof waar de vorige gletsjer de stenen had laten liggen, kwamen de keien onze kant op. Waarschijnlijk gaat dit ook op voor bepaalde soorten vuurstenen die zich in de keileem bevinden. Mijn ervaring is dat er zowel zeer brosse vuursteensoorten die klein van formaat zijn als redelijk forse brokken van een zeer harde stevigheid in de keileemlagen zitten. Zo komen wij in de omgeving van het voormalig esgehucht de Zulte een stuk donkerrood vuursteen tegen dat in het verleden zeer gewild was bij de zeer vroege bewoners van het gebied. Zo vond Jaap Beuker in 2010 een halffabricaat van een vuistbijl gemaakt van rode Helgoland-vuursteen bij het plaatsje Een.

Al eerder waren er grote veldkeien vanuit Scandinavië en de Baltische Staten in de omgeving van Roden aangekomen. Miljoenen jaren geleden stroomde ten noorden van het dorp een enorme rivier die zijn oorsprong in het huidige Lapland heeft en Eridanos genoemd wordt. Deze rivier was een miljoen jaar geleden tijdens het Bavel Interglaciaal ongeveer 2700 kilometer lang en vrijwel geheel Noordwest Europa tot aan de huidige Noordzee vormde zijn delta. Tijdens de dooiperioden in de bovenloop van de rivier zullen er stukken ijs van een gletsjer zijn afgebroken waar forse keien in opgesloten zaten en richting de delta gestroomd zijn. Toen de grote brokken ijs in rustiger en ondiep water terechtkwamen, kwamen ze vast te zitten en smolten, waarna de grote keien bedekt werden door rivierslib en ander sediment.

Het vermoeden bestaat dat er op een gelijke wijze ook tijdens de Saale-ijstijd zwerfkeien richting het zuiden van ons land zijn gedreven. Grote stukken smeltend landijs die met het smeltwater voorbij de huidige Utrechtse Heuvelrug helemaal tot in Noord-Brabant terecht kwamen. Dit verklaart waarom er daar stenen gevonden worden uit die periode met een Scandinavische of Baltische achtergrond.
Zoals u al eerder kon lezen bestaat er niet echt een vaste soort grondmorene of keileem na het verdwijnen van het landijs uit onze omgeving. Dr. G. H. Leopold spreekt al in 1910 van drie soorten in zijn ‘Over het keileem in het Nederlandsch Diluvium. Keileem als geologisch afzettingsproduct; zijn voorkomen; zijne chemische samenstelling; zijne beteekenis voor de cultuur’. Eigenlijk is alleen de eerste soort die hij benoemd van belang voor de aanwezigheid van de dagzomende keileem in dit gebied.

Als eerste soort draagt hij de grijze of grauwe keileem aan, die zeer algemeen is en van Gelderland tot aan het westen van de provincie Friesland voorkomt. Deze grauwe keileem is doorgaans lichtgrijs van kleur waarin geel tot roodkleurige vlekken of aderen voorkomen die de ene keer zeer duidelijk zichtbaar zijn en een andere keer weer zeer wazig zijn. Een ander keer bezit de keileem weer een oranje-gele tint, zoals vaak in het gebied nabij het voormalig esgehucht te zien is. De gele tot rode kleur van de keileem wordt veroorzaakt door het oxideren (roesten) van ijzerdeeltjes in de leem. Af en toe bezit de keileem een zachte lichtgroene kleur dat veroorzaakt wordt door glauconiet, een zand dat voorkomt in zuurstofarme lagen van het sediment in ondiep zeewater. Het percentage klei hangt af van waar de keileem voorkomt.

De rode keileemsoort komt voornamelijk voor op de zandruggen van het Hondsrug-complex in Oost-Drenthe. Ten zuiden van het dorp Roden treffen wij op het oog ook rode keileem aan langs het Lieversche Diep, maar naar mijn inschatting is hier de grauwe keileem doordrongen met ijzeroer. Hier komt veel ijzerhoudend en zuurstofarm kwelwater aan de oppervlakte, dat een verbinding aangaat met de zuurstof in de lucht en waarna vrijwel alles in en om het water een roodbruine kleur krijgt. Kwelwater komt ook op veel plaatsen rondom de Zulte aan het oppervlak.

Een derde vorm van keileem is het in de provincie Drenthe veelvuldig voorkomende witte of blauw-witte keileem, een in tegenstelling met de eerstgenoemde soorten zeer stug en steriel leem, dat voor een belangrijk deel uit zeer fijn kwarts zand schijnt opgebouwd en waarschijnlijk dezelfde grondsoort is, waaraan de Duitse onderzoeker Dr. Emil Ramann in zijn boek ‘Bodenkunde’ uit 1905 de naam ‘Heidelehm’ aan geeft.

Zo’n 110 jaar later kunnen wij inmiddels spreken van zeven soorten keileemtypes die in vier keileemgroepen verdeeld zijn. De eerste groep heet Heerenveen en bestaat uit slechts een type; Heerenveen-type. Een sterk zandige ontkalkte keileem dat grotendeels uit Zuid-Zweden en de Oostzee afkomstig is. Dit type is waarschijnlijk afgezet tijdens de eerste fasen van de vergletsjering en is dominant aanwezig in Oost- en West- Groningen, westen van Drenthe en Friesland.

De volgende groep heeft de naam Emmen-groep en bestaat uit twee types; de kalkhoudende Nieuweschoot-type en de ontkalkte Emmen-type. Beide varianten komen vooral voor op de oostelijke Hondsrugtak in Drenthe, maar ook ten noorden bij de dorpen Sauwerd en Winsum in Groningen. De Emmengroep wordt vooral aangetroffen op types uit uit de Assengroep.
De derde groep is de Assen-groep en bestaat eveneens uit een kalkhoudende en ontkalkte keileem-type. De Noordhorn-type is de kalkhoudende variant en komen wij tegen bij de noord-einden van de Hondsrug, de Tynaarlorug en de zandrug van Rolde, respectievelijk tussen de plaatsen Haren en Groningen, bij Hoogkerk en op de keileemhoogte van Zuidhorn en Noordhorn. Deze keileem is rijk aan vuurstenen en als de keileem niet verweerd is, zijn de meeste vuurstenen zwart, grijs of bruin van kleur. Vooral de zwarte vuursteen komt veel voor, ook in grote stukken, vaak met restanten aanhangend krijt. De ontkalkte keileemlaag binnen de Assen-groep heet Assen-type en is een sterk zandige keileem, die door uitloging uit de kalkrijke Noordhornkeileem is ontstaan. Ook deze keileem is rijk aan vuurstenen.

De vierde en de laatste verzameling keileemtypes komen wij tegen in de Voorst-groep, waarbij er ook hier een ontkalkte en een kalkhoudende keileem hoort. De twee types staan ook bekend als ‘Schollenleem’ of ‘Flow-Till’ waarbij de afkomst terug te wijzen is naar het smeltproces van een gletsjer. De kalkhoudende keileem heet Voorst-type en komt samen met de ontkalkte Oudemirdum-type vooral voor op en ten oosten van de Hondsrug.

De keileem uit de Heerenveen-groep die in de wijde omgeving van het voormalig esgehucht voorkomt en op veel plaatsen vlak aan het oppervlak te voorschijn komt, het niet alleen slechte kanten zoals het modderig maken van gebieden. Soms zijn andere elementen uit bijvoorbeeld een latere ijstijd prachtig om te zien. Zoals de pingoruïne ten noordoosten van de Zulte, waar het grondwater door de permafrost drong en na het smelten van het ijs in de pingo, er een zandige doorgang in de keileem was achtergebleven (Een geheimzinnige diepte). Weliswaar loopt de verdieping in het land bij een groot aanbod van regenwater snel vol, maar het is een kwestie van een paar dagen dat vrijwel al het water weer verdwenen is.

Laten wij even teruggaan naar het jaar 1910 waar Dr. Leopold ons laat weten dat de invloed van wat hij de grauwe noemt, keileem in de gebieden waar deze voorkomt, niet licht kan worden overschat. Om het in zijn woorden te zeggen: ‘Waar het aan de oppervlakte ligt of door eene zandlaag van geringe dikte bedekt is, schijnt het meestal een der beste bouw-, wei- en boschgronden te vormen, die wij kennen. En zelfs al wordt het door een dik zanddek bedolven, ook dan nog is het onderscheid met den armeren enkel zandbodem vaak verrassend en treden welige loofhoutbosschen of van nature reeds welvarende akkers en weiden in de plaats van naaldhout, heide of stuifzand ; de voor water weinig of niet doorlaatbare keileembank vertraagt of verhindert namelijk het wegzakken van het regenwater en geeft aldus gelegenheid tot het vormen van een ondergronds waterkapitaal, dat bosschen en landbouwgewassen in de droge tijden ten goede komt.’ (Dr. G. H. Leopold – Over het keileem in het Nederlandsch Diluvium. Keileem als geologisch afzettingsproduct; zijn voorkomen; zijne chemische samenstelling; zijne beteekenis voor de cultuur, 1910)

Leopold merkt op dat de loofhoutbossen op de bodem met een ondergrond van keileem het zeer goed doen. Dit verklaart ook waarom op de plaatsen waar de keileem dagzoomt in het verleden ook vele bossen stonden. Typerende struiken die keileembodem zeer weten te waarderen en in dit gebied veel voorkomen zowel solitair als in struwelen, zijn de Sleedoorn (Prunus spinosa) en de Tweestijlige meidoorn (Crataegus laevigata).

Naast de vieze glibberige bende die de keileemlaag veroorzaakt doordat deze laag vrijwel geen water doorlaat, zorgt de keileem dus ook nog voor een specifieke huishouding op het gebied van planten, waarbij de Pitrus (Juncus effusus) hét kenmerkende gezicht is van een keileemrijk gebied. De plant die ook wel ‘Ruskepol’ genoemd wordt in het dialect wat men hier spreekt, komt hier op heel veel plaatsen in grote getale voor. Het is een liefhebber van drasse, natte gronden en kan zelfs in zuurstofloze gronden groeien. Zeker in de gebieden waar men gestopt is met het bemesten van het land (inclusief de bekalking en het verlagen van het aanbod van fosfaten), komt de plant vandaag de dag massaal voor. In het verleden kreeg een boer met veel Pitrus in zijn land het advies om kalk te gaan gebruiken om de plant zo te bestrijden.

Voor meer informatie over keileem verwijs ik graag naar:
Kijk eens omlaag Een website waar je vrijwel alles kan vinden wat maar met onze ondergrond te maken heeft.
Stenen zoeken Waar ligt de steen en waar komt deze vandaan, de antwoorden vindt u hier.
Geologie van Nederland Een tijdreis van 500 miljoen jaar.








