Appelen met peren vergelijken? 

Heel prominent staat een vruchtenboom aan de Zulthe naast de ingang naar het weiland richting de es Kostverloren tegenover de prachtige boerderij met de naam ‘Tilkamp’. Gezien het formaat en de plaats waar deze boom staat, zal het niemand verbazen dat wellicht in het verleden hier een afgekloven klokhuis terecht is gekomen nadat iemand zich tegoed had gedaan aan het vruchtvlees van de appel. 

De appelboom aan de slootkant langs het fietspad tussen Roden en Nietap. De boom staat naast de ingang van het weiland en tegenover de boerderij met de naam ‘Tilkamp’ aan de Zulthe. We kunnen er rustig vanuit gaan dat iemand hier het restant van een eetappel (Malus domestica) heeft heengeworpen na het nuttigen van de vrucht.

De boom, het betreft hier een appelboom waaraan vruchten met de naam ‘eetappel (Malus domestica)‘ verschijnen, laat zien dat het hier goed vertoeven is voor fruitbomen. Het is slechts één van vele manieren waarop in het verleden fruitbomen in het esgehucht de Zulte hier terecht kwamen en daarna aangetroffen konden worden. Een andere wijze om hier fruitbomen te krijgen was om de bomen aan te planten nabij de boerderijen of in de nabijgelegen houtwallen. 

Enkele heerlijk uitziende geelrode eetappelen aan de appelboom langs het fietspad aan de Zulte. De vruchten van deze mooie boom zijn fors van formaat en smaken overheerlijk.

De enkele vruchtboom bij het huis, de tuin of in de houtwal voldeed prima om te voorzien in de eigen behoefte en wat over was, werd geschonken aan anderen. Op de plaatsen waar de huizen, vaak boerderijen, redelijk dicht bij elkaar stonden, werd de erfgrens een stuk ruimer geïnterpreteerd en deelde met gevallen fruit zoals appelen en peren. Ook de hazelaar (Corylus avellana) was een veelvoorkomende leverancier van de heerlijke hazelnoten. De struiken stonden in bossen, bosranden, struwelen, houtwallen en hagen en ook al in de zestiende en de zeventiende eeuw wist men al in de Zulte dat deze vruchten lekker smaakten. 

Rond dezelfde tijd ontstonden er plaatsen in de gras- en weilanden in en rondom het esgehucht de Zulte, waar de eigenaren voorzichtig pogingen ondernam om daar enkele fruitbomen te gaan planten. Van echte boomgaarden zoals de monniken bij de buitenplaats in Terheijl hadden gehad, was natuurlijk geen sprake. Eveneens spraken de ‘vrumde miroakels‘ van de hoveniers, die gestimuleerd werden door hun opdrachtgevers om nieuwe rassen te kweken op het latere landgoed van huize Terheijl, daar niet tot de verbeelding. 

De bloesem aan een appelboom wacht op een hongerige bij of hommel die voor de bestuiving kan zorgen, zodat er een heerlijke appel gaat ontstaan. Het is zeer aannemelijk dat de eigenaren van de boomgaarden in de Zulte hier één of meerdere bijenvolken gehouden zullen hebben.

Maar toch bleken veel van de pogingen om fruitbomen zonder als te veel poespas in de landerijen te poten behoorlijk succesvol. Hier en daar werden enkele soorten appel- en perenrassen bij andere boeren of burgers uit bijvoorbeeld het Westerkwartier aangekocht. Zo rond het jaar 1700 zullen er al een aantal van deze zogenaamde fruit- of appelhofjes ontstaan zijn op de graslanden, waar het vee er nog gewoon tussen de fruitbomen kon grazen.

Waarschijnlijk zal, ondanks de gekochte fruitbomen, toch nog steeds het doel een schaduwrijke omgeving voor het vee geweest zijn dan het idee van zelfvoorziening. Onderhoud zal er amper aan de bomen geweest zijn en bij het oogsten zal het er zeker niet zachtzinnig aan toegegaan zijn. Er werd aan de fruitbomen geschud en met stokken tegen de takken aangeslagen waardoor de vruchten van de bomen vielen. Het spreekt voor zich dat de houdbaarheid van het gevallen en beschadigd fruit dat voor eigen consumptie diende, hierdoor behoorlijk afnam. 

Nog steeds bestaat de mogelijk dat je hier en daar een walnotenboom (Juglans regia) in de Zulte tegen kan komen in een tuin. Walnoten kwamen maar heel zelden voor in de boomgaarden die zich in de omgeving van het dorp Roden bevonden. De ongeveer 30 meter hoog wordende boom, ook wel notelaar genoemd, heeft een eigenschap waardoor de vroegere boer de graag bij huis wilde hebben; de vliegen en muggen hadden een afkeer van geurende bladeren van de boom.

In het midden van de achttiende eeuw waren de appelhofjes veranderd in heuse boomgaarden en deze werden middels houten vlechthekjes afgeschermd van het grazend vee. De boomgaarden bestonden voornamelijk uit appel, peren, pruimen en kersenbomen waarbij heel af en toe zelfs een walnotenboom (Juglans regia) voorkwam. In het esgehucht zelf konden we destijds met zekerheid drie boomgaarden aantreffen, twee bij boerderijen en één aan de brink. De vierde lag verder zuidelijk en bevond zich achter de boerderij van de familie Sinninge, die hier al een behoorlijk tijd op deze plaats verbleef.

De rijpe vruchten van de walnotenboom, de walnoten dus, werden doorgaans in de periode tussen de maanden september en november geoogst. Het oogsten van de walnoten kon gebeurden door ze te plukken of van de grond te rapen.

Rond deze tijd hadden de verschillende takken van de familie Aukema uit Leutingewolde al een behoorlijk deel van de Zulte in haar bezit en zal het mij niets verbazen dat de boomgaard nabij de brink door de familie opgezet is om toch een beetje elitair gevoel te krijgen en om dit misschien ook wel een beetje uit te kunnen dragen. Het was een gewoonte bij adel en hoge burgerij in de zeventiende en achttiende eeuw om zogenaamde ‘gebruikstuinen’ aan te leggen. Deze boomgaarden waren er niet (of niet in de eerste plaats) om hen van voeding te voorzien. Wel waren zij het uitstalraam voor de rijkdom en expertise van de eigenaar1. Neemt echter niet weg dat hier één van de grootste boomgaarden lag in de omgeving van het dorp Roden, met grofweg een lengte van 46 meter en een breedte van bijna 31 meter. 

Een blik op de huidige locatie waar eens de vrijstaande boomgaard en daarna de boerderij van de gebroeders Jan en Dirk Woldring heeft gestaan, staat nu een luxe hotel. Het betrof hier de grens aan de noordwestelijke zijde van het perceel. De boomgaard zal ruim voor het jaar 1861 verdwenen zijn, daar wij dan op een oude kaart de boerderij tegenkomen.

Tijdens het laatste kwart van de achttiende eeuw zullen er een behoorlijk aantal soorten appelen, peren en pruimen in de boomgaarden hebben gestaan. Dienden de twee boomgaarden bij de boerderijen in het gehucht en die van de Sinninge’s toch vooral voor het eigen gebruik, over die van de familie Aukema ben ik mij niet zeker. Het kan zijn dat het ook een beetje om het prestige ging en hier meer de luxere fruitboomrassen hebben gestaan zoals al hierboven beschreven werd of dat ze juist de boomgaard hebben verpacht. Iets wat binnen de familie Aukema’s vaak voorkwam en wat ze bij heel veel landerijen deden om zo inkomsten te kunnen genereren. 

Naar alle zekerheid waren er in de door hagen, houtwallen of sloten omringde boomgaarden rond het jaar 1800 de meest uitgebreide collecties aan fruitvariëteiten aan te treffen. We komen dan ook veelal oude rassen tegen, die zich qua smaak en productiviteit al hadden bewezen. Immers, niet alleen de smaak en het formaat van de appel én zijn boom waren belangrijk, maar ook de weerstand tegen ziekten en insecten zal zeker hebben meegespeeld.

Op de kadastrale kaart uit 1832 van het esgehucht de Zulte zijn de drie aanwezige boomgaarden rood omlijnd. Gezien het formaat van de percelen waren het zeker geen kleine boomgaarden en zal hier veel fruitbomen hebben gestaan (bron: Drents Archief).

De roodomrande vlakken op de bovenstaande kadastrale kaart uit het jaar 1832 markeren de drie boomgaarden in het esgehucht. Linksboven is de locatie van de boomgaard op de kaart te zien die het kadastrale nummer Roden I-245 droeg en het perceel was in bezit van Jannus Winsinghe. De in Roden wonende Winsinghe verpachtte echter de boomgaard aan de pachters die eveneens het huis van de landbouwer huurden. De boomgaard had volgens dezelfde kadastrale gegevens een inhoud van 590 vierkante meter.

Daaronder ligt de volgende boomgaard op perceel I-234. Deze boomgaard was van de landbouwer Jan Aukema uit Luttingewolde en had een inhoud van 900 vierkante meter. Ook deze boomgaard zal door Aukema zijn verpacht aan de huurders van het nabij gelegen huis.

Geheel rechts op de hierboven afgebeelde kadastrale kaart komen wij het 2080 vierkante meter grote boomgaard tegen dat het nummer I-291 draagt en was net zoals de hiervoor benoemde boomgaard, in het bezit van de in Leutingewolde wonende Jan Aukema. Aan het formaat van het perceel kunnen wij zien, dat het zeker geen kleine boomgaard moet zijn geweest.

Op de kadastrale kaart uit 1832 is de boomgaard van de in de Zulte wonende landbouwer Jacob Jans Sinninge ten zuiden van zijn boerderij te zien (bron: Drents Archief).

Volgens de gegevens die bij de kadastrale kaart uit 1832 horen, was het omlijnde perceel een 1450 vierkante meter grote boomgaard en in het bezit van landbouwer Jacob Jans Sinninge uit de Zulte. Om precies te zijn, het perceel met het nummer I-167 lag net iets ten westen van het Elzenkamp.

Nu komen wij hier en daar in de omgeving van het voormalig esgehucht nog met enige regelmatig fruitbomen tegen die al heel oud zijn. Zo stonden er later in de twintigste eeuw op enkele plaatsen in de Zulte weliswaar enkele fruitbomen bij elkaar, waar de jeugd uit de omgeving bijvoorbeeld via de drooggevallen Zulter Bitse een appel wisten te plukken bij een boerderij en weer via dezelfde route weer te vluchten. Of dat deze jeugdige lieden over het weggetje richting de Zulteresch gingen en ‘per ongeluk‘ een appeltje tegen de dorst namen, wat weer tot woede van de boomeigenaar leidde.

Zoete appels te koop langs de weg. Zo af en toe kom je dit nog tegen in de omgeving van Roden. Zeker als het een goed jaar is voor de appelen en de bomen dragen goed, dan kan het gebeuren dat ze je bijna na gesmeten worden en dan rest de huisvrouw niets anders dan ‘veul haite bliksem’ te maken. Deze wordt dan weer op zijn beurt ingevroren en later in het jaar weer opgediend.

Maar niet alle appels werden hier gehouden om als handappel te dienen. Een aantal rassen waren specifiek gekweekt en aangeschaft om als een zogenaamde moesappel te gaan dienen. Deze moesappels werden gebruikt voor de stamppot. Stamppot zoete appelen, de befaamde haite bliksem, was en is nog steeds erg populair in de wijde omgeving van het dorp Roden en met enige regelmaat kunnen wij aan het einde van de zomer en in het begin van de herfst, bordjes en bakken tegenkomen op het platteland waarop staat dat er appelen te koop zijn.

Het recept voor de befaamde hete bliksem uit het Margriet Kookboek dat uit het jaar 1948 stamt. Ook stoofperen konden volgens dit recept gebruikt worden voor de stamppot. Daarnaast werd destijds ook nog rolpens, een soort lichtzurige worst die oorspronkelijk gemaakt werd van de vleesresten die overbleven na de thuisslacht (afbeelding: Margriet Kookboek, Samengesteld door Marianne, met medewerking van de Voedingsraad. Uitgave “Margriet” Weekblad voor moeder en kind. “De Geïllustreerde Pers N. V.”, Amsterdam. Bladzijde 175).

Appels.

Hieronder volgt een opsomming van de oude appel- en perenrassen die wij destijds in de boomgaarden rondom Roden en omgeving konden aantreffen, waarbij ik wel wil opmerken dat sommige soorten op andere websites omschreven worden als oud of zelfs zeer oud ras, maar eigenlijk zo rond het begin van de 20e eeuw ontstaan zijn. Deze soorten heb ik niet in de lijst meegenomen, daar vrijwel alle boomgaarden van voor 1750 rond deze tijd reeds verdwenen waren. 

De Roode tulp-appel, ook wel Pieterman, Rode tulp, Tafelappel, Mantelappel, Jopen, Rode zomer paradijs, Pomme framboise of Zwartgat genoemd, is een vroege handappel en kwam in het hele noorden voor. Dit verklaart ook waarom deze appel zoveel namen heeft (afbeelding: Pomologia Batava of afbeelding en beschrijving van onderscheidende soorten van appelen en peeren, welke in de Nederlandsche gewesten worden gekweekt. Allen naar het leven in kleuren geteekend en beschreven door Mr. Mathieu van Noort. Verkrijgbaar te Leyden bij C. C. van der Hoek. 1830).

Mathieu van Noort omschreef in zijn boek ‘Pomologia Batava of afbeelding en beschrijving van onderscheidende soorten van appelen en peeren, welke in de Nederlandsche gewesten worden gekweekt‘ uit het jaar 1830, de Roode tulp-appel als een zuiver licht gele appel met een geelrode tint, waarbij de appel aan de zonzijde een min of meer rode kleur aanneemt. Pluktijd lag in de maand augustus.

Deze appel die bij voorkeur tijdens de koele, vroege ochtenden in augustus en met een uitloop naar september en oktober geplukt dient te worden. Het vlees van de vrucht is sponsachtig, melig, met enkele geelrode vlekken en niet aangenaam van smaak. Daarnaast is de appel niet lang houdbaar. Zijn naam heeft dit appel ras te danken aan zijn vorm en wanneer men deze ondersteboven houdt, wordt de tulpvorm duidelijk zichtbaar. 

Dit oud appelras komt nog steeds voor en is verkrijgbaar bij de Bongerd Groote Veen in Paterswolde: Rode Tulpappel.

De prachtige appel van het ras Soete kroon rechts onder op de afbeelding. Andere benamingen voor de appel zijn Zoete kroon, Zoete aagt of Zoete winterkroon. De redelijk grote en zoet smakende appel zal zeker veelvuldig aangeplant geweest zijn in de Zulte. Op deze afbeelding van Johann Hermann Knoop uit 1758 staan ook nog zeven andere appelrassen afgebeeld waarvan een aantal niet meer bestaan (afbeelding: Pomologia, dat is Beschryvingen en afbeeldingen van de beste soorten van appels en peeren, welke in Neder- en Hoog-Duitsland, Frankryk, Engelland en elders geagt zyn, en tot dien einde gecultiveert worden. Door Johann Hermann Knoop. Te Leeuwarden, by Abraham Ferwerda, Boekverkoper, 1758. Beschryvingen van de appels. Tabula VII.).

Op pagina 27 van zijn boek ‘Pomologia, dat is Beschryvingen en afbeeldingen van de beste soorten van appels en peeren‘ uit het jaar 1758, beschrijft de schrijver Johann Hermann Knoop de Soete kroon als een iets langwerpige en redelijk grote appel die soms iets scheef en kantig van vorm is. De appel kleurt aan de ene zijde geel met rode strepen en aan de andere zijde rood wanneer deze rijp is. 

Over het vruchtvlees weet Knoop te vertellen dat het naast een redelijk aangename zoete geur bezit ook nog tamelijk zacht van structuur is, iets wat de appel tot de groep goede zoete appels doet behoren. Ook beschrijft hij de appelboom als een boom die goed hout weet te zetten, groot kan woorden en ook nog eens tamelijk veel vruchten draagt. 

Dit oud appelras komt nog steeds voor en is verkrijgbaar bij de Bongerd Groote Veen in Paterswolde: Zoete kroon.

De befaamde en vrijwel verdwenen moesappel met de naam ‘Swaan-appel’ staat linksonder op de afbeelding van de al eerder vermelde Johann Hermann Kroon. Waarschijnlijk heeft dit appelras zijn naam te danken aan zijn formaat (afbeelding: Pomologia, dat is Beschryvingen en afbeeldingen van de beste soorten van appels en peeren, welke in Neder- en Hoog-Duitsland, Frankryk, Engelland en elders geagt zyn, en tot dien einde gecultiveert worden. Door Johann Hermann Knoop. Te Leeuwarden, by Abraham Ferwerda, Boekverkoper, 1758. Beschryvingen van de appels. Tabula III.).

De Swaan of Soete swaanappel was een appelras met forse vruchten die iets hoekig of kantig oogde en een gladde geel met rode strepen had. Het vruchtvlees was zacht en iets zurig van smaak, waarbij de appel niet erg geurde. Ook deze boom zette volgens Johann Hermann Knoop goed hout en droeg daarnaast ook nog eens veel vruchten.

Waarschijnlijk was de Zoete swaanappel als een iets zoetere variant gekweekt dan de zure Swaanappel. De pluktijd van beide soorten lag in september en oktober.

Volgens de Noordelijke Pomologische Vereniging zouden er nog enkele exemplaren van deze zeer oude en vrijwel verdwenen moesappel in het Groningse Westerkwartier zijn aangetroffen2

De Zoete pippeling is net zoals de voorgaande appelrassen zeer oud en zal zeker in de Zulte gestaan hebben. Een andere naam voor deze appel is ‘Tuinzoete’ (afbeelding: Pomologia Batava of afbeelding en beschrijving van onderscheidende soorten van appelen en peeren, welke in de Nederlandsche gewesten worden gekweekt. Allen naar het leven in kleuren geteekend en beschreven door Mr. Mathieu van Noort. Verkrijgbaar te Leyden bij C. C. van der Hoek. 1830).

Het laatste appelras dat wij vanaf de achttiende eeuw tot aan het midden van de twintigste eeuw in de Zulte aan konden treffen, is de Zoete pippeling. Dit appelras draagt een mooie geel met rood gekleurde middelgrote vrucht, waarbij er zacht-rode stipjes op de schil zichtbaar zijn. Mathieu van Noort beschrijft deze appel als zijnde van een uitmuntende hoedanigheid. Deze stevige en zeer zoete appel kon zowel als hand- als moesappel dienen.

In zijn boek ‘Pomologia Batava of afbeelding en beschrijving van onderscheidende soorten van appelen en peeren, welke in de Nederlandsche gewesten worden gekweekt‘ uit 1830 schrijft de beste man dat de appel in de handel destijds gezocht werd om te drogen. De appel kon vanaf het begin van oktober geplukt worden en kon tot december gebruikt worden.

Dit oud appelras komt nog steeds voor en is verkrijgbaar bij de Bongerd Groote Veen in Paterswolde: Zoete pippeling.

Handperen.

Of er daadwerkelijk ook meer oude perenrassen in de boomgaarden van de Zulte voorkwamen dan appelrassen, zal voor altijd wel een raadsel blijven. Wel is het duidelijk dat er hier veel oude rassen gehouden werden waarvan de verhouding tussen het aantal hand- en stoofperenrassen vrijwel gelijk was. De hier voorkomende rassen van handperen waren de Goudbal, Jut of Juttepeer, maagdenpeer en de suikerperen. Als stoofperen kwamen de volgende rassen in aanmerking: Kampervenus, Kleipeer, Pondspeer en de Louwtjes-peer.

De Goud-bal of Goudbal is een typisch zomerhandpeer uit het noorden van ons land (afbeelding: Pomologia Batava of afbeelding en beschrijving van onderscheidende soorten van appelen en peeren, welke in de Nederlandsche gewesten worden gekweekt. Allen naar het leven in kleuren geteekend en beschreven door Mr. Mathieu van Noort. Verkrijgbaar te Leyden bij C. C. van der Hoek. 1830).

Een fraaie en ronde zomerpeer met de naam Goudbal was én is een typisch streekras handperen uit de noordelijke provincies en doet qua uiterlijk zijn naam zeker eer aan. De vrucht kleurt geel met lichtbruine stipjes en soms lichtpaarse vlekjes. Mr. Mathieu van Noort merkt op dat deze handpeer veelal in acht dagen tijdens de maand augustus geplukt wordt, de vrucht daarna vrij snel overgaat tot het beurs worden en dus vrij kort houdbaar is.

Deze fraaie oude handpeer met een licht zure smaak bestaat nog steeds en is verkrijgbaar bij de Bongerd Groote Veen in Paterswolde: Goudbal.

De Jut of Juttepeer is een zeer oud en smakelijk perenras dat ongetwijfeld ook in de Zulte heeft gestaan (afbeelding: Pomologia Batava of afbeelding en beschrijving van onderscheidende soorten van appelen en peeren, welke in de Nederlandsche gewesten worden gekweekt. Allen naar het leven in kleuren geteekend en beschreven door Mr. Mathieu van Noort. Verkrijgbaar te Leyden bij C. C. van der Hoek. 1830).

Een uit de late middeleeuwen afkomstig en bekend handperenras is de Jut, ook wel Jutte-peer genoemd, die wij eveneens in de boomgaarden en op de boerenerven in de omgeving van het voormalig esgehucht de Zulte konden aantreffen. De gewilde middelgrote zomerpeerbezit een bruinachtig groengekleurde dikke schil en de sappige vrucht smaakt heerlijk. Om van Noort nog eens aan te halen, maar nu bij de Jutte-peer: “Gewoonlijk moet zij in ’t laatst van Augustus worden geplukt, in September heeft zij veelal hare volkomene rijpheid bekomen, en kan tot het laatst van die maand als eene zeer aangename tafelvrucht worden gebruikt.

Deze fraaie oude en overheerlijke handpeer met sappig vruchtvlees bestaat nog steeds en is verkrijgbaar bij de Bongerd Groote Veen in Paterswolde: Jut of Jutte-peer.

De Maagdenpeer met zijn prachtig kaneelkleurige schil. Voor de één is dit een stoofpeer, voor een ander juist een overheerlijke en smakelijke handpeer (afbeelding: Pomologia Batava of afbeelding en beschrijving van onderscheidende soorten van appelen en peeren, welke in de Nederlandsche gewesten worden gekweekt. Allen naar het leven in kleuren geteekend en beschreven door Mr. Mathieu van Noort. Verkrijgbaar te Leyden bij C. C. van der Hoek. 1830).

De Maagdenpeer of Maagde peer werd al in het jaar 1778 door Noel Chomel beschreven op pagina 2634 van zijn boek ‘Algemeen huishoudelijk natuur, zedekundig, konst woordenboek. Deel 5‘ als een tamelijk grote, dikke en rondachtige peer die iets puntiger is dan de Kamper-venus. De kaneelkleurige vrucht zonder een rode blos aan de zonzijde van deze handpeer bezit brosachtig, sappig en geurend vruchtvlees. Chamel ziet de peer eerder als een stoofpeer voor in de winter.

Op de website van Ten Hoven Bomen noemt men de peer wel degelijk een handpeer: ‘De Maagdenpeer is geschikt als handpeer mits hij gelijk gebruikt word. De vrucht van deze perenboom is rijp in september of oktober. Het vruchtvlees is wit, saprijk en vrij grof. Hij smaakt zoet en suikerachtig en als hij op het juiste moment geplukt wordt wel lekker3. ‘

Benoemde Johann Kroon deze peer nog de Vroege suiker-peer, Mathieu van Noort noemde deze Honingpeer. De peer dankt zijn naam aan de honingzoete smaak van het vruchtvlees (afbeelding: Pomologia Batava of afbeelding en beschrijving van onderscheidende soorten van appelen en peeren, welke in de Nederlandsche gewesten worden gekweekt. Allen naar het leven in kleuren geteekend en beschreven door Mr. Mathieu van Noort. Verkrijgbaar te Leyden bij C. C. van der Hoek. 1830).

De Noord-Hollandse suikerpeer is eigenlijk een verzamelnaam voor een zestal rassen van suikerperen die wij in het verleden in de vele kleine en grote boomgaarden rondom Roden konden aantreffen. Het betreft hier vrij kleine tot middelgrote ronde peren met een zoete smaak, die allemaal tot de zogenaamde categorie van handperen behoren.

Deze fraaie oude handpeer bestaat nog steeds en is verkrijgbaar bij de Bongerd Groote Veen in Paterswolde: Noord-Hollandse suikerpeer.

De Vroege suiker of Honingpeer is een klein en bijna eirond peertje met een gladde schil, die een gele kleur heeft waarop kaneelkleurige stippen en vlekjes te zien zijn. Het zachte vruchtvlees van deze suikerpeer is iets korrelig van structuur en de smaak wordt omschreven als zijnde honingzoet. Johann Hermann Kroon beschrijft deze peer als eerste in het hoofdstuk ‘Beschryvingen en afbeeldingen der Peeren‘ op pagina 47 en de peer staat dan ook als eerste afgebeeld op de afbeelding van peren in Tabula I, zoals hieronder te zien is.

Andere namen van deze peer zijn Vroege suikerey, Petit blanquet en Poire de Perle. De Honingpeer zet goed hout en draagt veel vruchten, die al vanaf half juli of begin augustus, afhankelijk van het weer, geoogst kan worden (Kroon). Een ander, Mr. Mathieu van Noort, houdt het op de maand september. De vruchten van deze Suikerpeer zijn echter niet lang houdbaar.

De Kortstelige suikerpeer is een middelgrote ronde peer met korte steel en die een gladde gele schil met iets rood aan de zonzijde heeft. De vrucht bezit zeer zoet, zacht en sappig vruchtvlees met een suikerachtige geur, lichtbruine pitten en net wordt als veel andere suikerperen snel overrijp. De boom zet goed hout en draagt goed. De vruchten zijn vanaf augustus tot september rijp en kunnen dan geplukt worden.

Andere namen voor de peer zijn: Kortstelige suikerij, Blanquet à courte queue, Gros blanquet, Grote blanket, Blanchette, Kurzstielige Muskatellerbirne, Muscat à courte queue en Mufette d’Anjou.

De volgende suikerpeer is de Grauwe suikerpeer, ook wel Grauwe suikerij genoemd, die maar weinig van de hiervoor genoemde peer afwijkt en herkenbaar is vanwege de gladde gele schil met grauw/bruine vlekken bedekt is. Zoals het bij suikerperen het geval is, smaakt ook deze peer zeer zoet en heeft sappig, geurig vruchtvlees. De vruchten zijn in augustus en september rijp. Kroon noemt deze en de voorgaande Kortstelige suikerpeer “de beste soorten die we hebben in haar tijd“.

Helemaal rechtsonder op de bovenstaande afbeelding komen wij de volgende suikerpeer tegen die in de boomgaarden rondom het dorp Roden geen onbekende geweest moet zijn. De Herfst suikerpeer is een matig groot van formaat waarbij de vorm van de vrucht iets rond is en qua kleur veel weg heeft van de Grauwe suikerpeer.

Het vruchtvlees is iets vaster en minder zoet dan bij de andere suikerperen, zeker in jaren van een slechte opbrengst of wanneer de boom in slechte grond staat. Heeft de boom het echter naar zijn zin zet deze goed hout en draagt behoorlijk. Andere benamingen voor deze peer zijn:Herfst of Octobers suiker-peer, St. Nicolaas-peer, Blanquet d’automne, Brederoo Sucré verd, Groene suiker-peer, enHerfst suikereij.

De bloesem van de Langstelige suikerpeer is ruim en open. De boom van de peer wordt niet zwaar en de takken schieten tamelijk steil omhoog. De kroon vormt een halve kogel en is vol loof. Het blad is geelachtig groen, langwerpig, naar den steel toe rond, en naar voren vrij spits, zoals op de afbeelding mooi te zien is. De boom zet goed hout en draagt eveneens zeer veel (afbeelding: Wikipedia https://nl.wikipedia.org/wiki/Suikerpeer#/media/Bestand:Langstelige_Suikerpeer.jpg).

De Langstelige suikerpeer is een matig grote peer met een ronde buik die zijn naam aan de lange steel dankt. De peer bezit een gladde schil gele waarbij de zonzijde iets rood van kleur is. De rode kleur aan de zonzijde noemt Knoop ‘bloesend‘, wat staat voor blozend en heel toepasselijk is. Het vlees van de vrucht is net zoals bij de andere suikerperen zeer zoet, sappig en geurig van structuur. De peer is al vanaf het begin van augustus plukrijp.

De peer heeft veel benamingen zoals: Langstelige suikerij, Groote langstelige blanket, Zomer blanket, Le gros Blanquet à longue queue, Sucrin blanc, Blanke Suikerey of Suiker-peer, Musetted’Anjou , Musette de Florence, Musette grosse, Weisse Zuckerbirne, Aleaume, Sucrée blanche d’été.

Geheel rechtsonder op de afbeelding van Johann Hermann Knoop is de Winter-suikerij te zien, de Winter suikerpeer. Andere namen voor deze peer waren: Winter-suikerey, Winter suiker- peer, Kley-peer, Kleij-peer, Winter suikereij en Winter- zuiker peer (afbeelding: Pomologia, dat is Beschryvingen en afbeeldingen van de beste soorten van appels en peeren, welke in Neder- en Hoog-Duitsland, Frankryk, Engelland en elders geagt zyn, en tot dien einde gecultiveert worden. Door Johann Hermann Knoop. Te Leeuwarden, by Abraham Ferwerda, Boekverkoper, 1758. Beschryvingen van de peeren. Tabula III).

Op de pagina’s 73 en 74 van zijn boek ‘Pomologia, dat is Beschryvingen en afbeeldingen van de beste soorten van appels en peeren‘ bechrijft Johann Hermann Knoop de Winter suikerpeer als een matig grote en ronde peer met een geelachtig groene en ruwe schil waarop grove bruine stippen en vlekken te zien zijn. De peer bezit volgens hem bros en sappig vruchtvlees met suikerachtige smaak en heerlijke geur, mits de plant op goede, droge grond groeit.

De perenboom zet volgens Knoop goed hout en draagt veel vruchten. Dit doet de boom zowel op stam als aan het Espalier, een rek waar men de boom langs liet groeien.

Stoofperen.

Hieronder treft u vier soorten stoofpeerrassen aan die naar alle waarschijnlijkheid ook in de boomgaarden en op de boerenerven rondom het dorp Roden aanwezig zijn geweest en bij menig inwoner voor een smakelijke maaltijd hebben gezorgd. Zo hier en daar kom je nog een enkele stoofperenboom tegen in het voormalig esgehucht.

De stoofpeer Kampervenus kwam waarschijnlijk ook voor in de boomgaarden en boerenerven in de Zulte. Andere synoniemen voor deze peer waren: Pucelle, Kamper Venus, Kampervenus, Chat-Brulé, Kampervener en Rougeaude (afbeelding: Deutsche Pomologie. Chromolithographische Abbildung, Beschreibung und Kulturanweisung der empfehlenswerthesten Sorten Aepfel, Birnen, Kirschen. Pflaumen, Apricosen, Pfirsiche und Weintrauben. Nach den Ermittelungen des Deutschen Pomologen- Vereins, herausgegeben von W. Lauche, Birnen. Berlin. Verlag von Paul Parey, Verlagshandlung für Landwirthschaft, Gartenbau und Forstwesen. 1882.).

De Kampervenus, een zeer oude en naar alle waarschijnlijkheid een Nederlandse stoofpeer, die vooral in Groningen en Drenthe voorkwam en dus waarschijnlijk ook in de Zulte en omgeving. De peer was echter vanaf het jaar 1805 ook populair aan het worden in Duitsland en wordt door W. Lauche duidelijk beschreven als een ongeveer 60 millimeter brede en 7 centimeter hoge vrucht, waarvan de schil eerst lichtgroen is en later naar een citroengele kleur veranderd met een rode vlek aan de zonzijde.

Johann Hermann Knoop merkt op pagina 76 van zijn boek dan ook op dat de peer niet uit de hand dient gegeten te worden, maar om te stoven is het een geweldige vrucht en zonder toevoeging van stoffen rood verkleurd tijdens het koken. De boom zet volgens de beste man mooi hout, draagt zeer goed en kan groot worden. De pluktijd van deze peer start in november, de gebruikstijd is tot ongeveer de maand maart.

De Kleipeer, ook wel Winterjan, Winter-Jannetje en Mandjespeer genoemd, is een oude Nederlandse stoofpeerras (afbeelding: Pomologia Batava of afbeelding en beschrijving van onderscheidende soorten van appelen en peeren, welke in de Nederlandsche gewesten worden gekweekt. Allen naar het leven in kleuren geteekend en beschreven door Mr. Mathieu van Noort. Verkrijgbaar te Leyden bij C. C. van der Hoek. 1830).

De kleine boom van de Kleipeer of Winter-Jannetje was uitermate geschikt om als haagboom te dienen rondom boomgaarden. Of dit ook het geval is geweest in de Zulte en in de wijde omgeving van het esgehucht durf ik niet te zeggen, waarschijnlijk wel in de tuinen nabij Huize Terheyl. Ik vermoed dat er zeker wel enkele exemplaren in zowel de boomgaarden als op boerenerven hebben gestaan daar deze peer zeer lang draagt en die ook nog eens tot de maand maart houdbaar is.

De vrucht van de boom was klein en rond, geelrood van kleur met kaneelkleurige stippen, waarbij je het idee krijgt dar de peer aan het roesten is. Het vruchtvlees van deze stoofpeer is hard en korrelig met een friszoete smaak en kleurt rood bij het koken.

Deze fraaie, smakelijk en oude stoofpeer bestaat nog steeds en is verkrijgbaar bij de Bongerd Groote Veen in Paterswolde: Kleipeer. en ook bij de kwekerij “De Baggelhof” van Lubbert Dijk te Terheijl.

Een joekel van een stoofpeer! Zo zou je deze peer gerust kunnen omschrijven daar deze wel een pond, 500 gram, zwaar kan worden. De naam Pondspeer komt dan ook niet uit de lucht vallen (afbeelding: https://library.wur.nl/speccol/fruithof/dnb2/Peer/PlaOrg/Img/PeePL23.jpg).

De pondspeer, in Groninger ook wel Harm Harkes genoemd, is een fors oud stoofpeerras, die al in het jaar 1665 genoemd werd en met vruchten die wel een pond zwaar kunnen worden en daar dan ook zijn naam aan dankt. De peer is een keiharde grote tot zeer grote stoofpeer, die dikbuikig is en een stevige, grove schil heeft met een grauwe bruinachtige kleur. Het vruchtvlees van deze enorme stoofpeer is wit van kleur, sappig en grof van structuur en smaakt zoetig. De peer is tot in de maand april te bewaren.

De boom groeit goed en kan zeer groot worden, waarbij deze zeer goed draagt. De jonge takken hebben de neiging om krom en afwijkend te groeien, dus moest men in de boomgaard of op het boerenerf regelmatig snoeien en vormen om te voorkomen dat de kroon een mislukte vorm krijgt.

Dit zeer oude stoofperenras met grote vruchten is verkrijgbaar bij Lubbert Dijk op zijn kwekerij “De Baggelhof” te Terheijl

De Louwtjes peer, ook wel Bruine Louwtjes Peer, Winterlouwtje, Late Groentjes, Rosmarin Birne en Stergonette genoemd, was een sterke stoofpeer (afbeelding: Pomologia Batava of afbeelding en beschrijving van onderscheidende soorten van appelen en peeren, welke in de Nederlandsche gewesten worden gekweekt. Allen naar het leven in kleuren geteekend en beschreven door Mr. Mathieu van Noort. Verkrijgbaar te Leyden bij C. C. van der Hoek. 1830).

En sterke stoofpeer noemen zowel Johann Hermann Knoop als Mathieu van Noort de Louwtjes peer, Noel Chomel spreek op pagina 2633 van zijn boek ‘Algemeen huishoudelijk natuur, zedekundig, konst woordenboek. Deel 5‘ uit 1778 dat: “dog niet dienende om uit de hand te eeten, maar ze is een zeer goede stoof-peer in de winter, die daar toe in Holland veel geagt is“.

Het is een matig grote, vrij langwerpige en puntig aflopende peer met een lange steel. De kleur van de iets ruwe schil is grijs- of bruinachtig, maar bij het rijper worden kleurt deze iets gelig. Het vruchtvlees is wit, niet vast maar meer iets brossig, sappig en zoet en kleurt tijdens het koken mooi rood, net zoals de Kampervenus dat doet.

De perenboom zet goed hout en draagt zeer veel. Daarnaast kan het een grote boom worden. Het oogsten kan vanaf het eind van de maand oktober en de peer is houdbaar tot februari-Maart.

1. Centrum Agrarische Geschiedenis. Van fruitweides tot intensieve teelt (https://cagnet.be/page/fruitteelt-fruitweides)

2Oude fruitrassen in Noord-Nederland. Noordelijke Pomologische Vereniging, 8e Herziende druk, zomer 2010. Jan Veel, Jan Woltema.

3Handpeer “Maagdenpeer” (https://www.tenhoven-bomen.nl/pyrus-communis-maagdenpeer)

Zorgden potstallen voor dood en verderf in de Zulte? 

Veel van de kleinere boerderijen zoals van de keuters, ook wel katers genoemd, bezatten tot ver in laatste kwartaal van de negentiende eeuw, een zogenaamde potstal. Een potstal is een stal waar het vee op hun eigen mest stond of liep. De mest werd met enige regelmaat met organisch materiaal zoals gras-, heideplaggen of bladeren aangevuld en dan door de stal verspreid. Het kon zelfs gebeuren dat er teelaarde van de akkers gebruikt werd. 

Of de tweejarige dochter van de schaapsherder Roelof Doedes en zijn vrouw Hinderkien Harms Hummel, Jebbechien Roelofs Doedes en die op de woensdag 25 februari 1818 in de Zulte overleed, ook aan een ziekte zoals cholera of tyfus leed, is niet voor mij te achterhalen. Feit is echter wel, dat veel kinderen in die tijd stierven door de gevolgen van de twee eerder genoemde ziekten (bron: Drents Archief: Overlijden (Overlijden), Roden, 26-02-1818, aktenummer 4, Roden. BS Overlijden. 0167.021. 1818. 4.).

Op deze wijze hadden de koeien een enigszins droog ligbed en werd bovendien de hoeveelheid mest vergroot. Dit ging net zolang door totdat de laag mest en het organische materiaal te hoog werd. Dan pas werd de stal leeggemaakt en verdween het mengsel bijvoorbeeld naar een es of tuin, waarbij de twee deuren aan de achterkant gebruikt werden om de mest met de mestkar of de kruiwagen weg te brengen. Dit wordt ook wel een ‘potstalcultuur’ 1 genoemd. 

Vooral de kleinere essen verder richting het zuiden van de Zulte werden zo in de loop der tijd verhoogd en door deze vorm van bemesten zeer voedselrijk voor de te planten gewassen. In het voormalig esgehucht werd de potstalmest onder andere gebruikt voor de hopteelt op het Hoppenkamp, waarbij de mest in de kuilen gedaan werd, die bestemd waren om de hop in te planten. 

De voor de boerderijen in de wijde omgeving van het dorp Roden zo typerende waterput naast het huis. Nadat de waterleiding met schoon drinkwater zijn intrede deed, was de waterput overbodig geworden en werd op veel plaatsen gedempt. De afbeelding stamt uit het jaar 1964 en komt uit een privécollectie.

De essen in en nabij de Zulte waren van nature al behoorlijk hoog ondanks dat het gehucht aan de rand van het Drents Plateau lag. Een ander voordeel was de aanwezigheid van kwel- en grondwater nabij het oppervlak. Door dit gegeven konden de bewoners vaak vlak naast hun huis een put aanleggen en zo verzekerd zijn van schoon drinkwater. 

Dezelfde waterput als die op de afbeelding hierboven staat afgebeeld, maar dan 49 jaren later. De waterput werd nooit gedempt en gezien de emmer die er bovenop ligt, is deze nog steeds in gebruik. De waterput stamt uit de jaren twintig van de vorige eeuw.

Een ander gegeven was dat dat al vanaf de zestiende eeuw al een aantal van deze kleine keuterboerderijtjes aanwezig in de Zulte waren en constant bewoond waren. Op sommige plaatsen werd de woning afgebroken wanneer deze te gevaarlijk was geworden om te bewonen en op vrijwel dezelfde plaats weer herbouwd met materiaal van het vorige huis. Doorgaans bleef de indeling van het huis vrijwel hetzelfde en kwam er natuurlijk weer een potstal in de kleine boerderij, die tot het Saksische- of hallehuis type behoorde.  

De Saksische- of hallehuis typen waarvan de linker afgebeelde variant de oudste vorm is en ook wel een ‘los hoes’ genoemd wordt. De indeling van deze boerderij was zag er zo uit: 1. halle, 2. stallen, 3. woongedeelte, 4. wendezûle (een draaibare galg, waaraan een kookketel hing, die naar behoefte boven het vuur werd gedraaid), 5. bedsteden. Rechts op de afbeelding in een typische Saksiche boerderij uit een later tijdperk met een zogenaamde brandmuur te zien waarbij de indeling als volgt was: 1. deel, 2. veestal, 3 paardenstal, 4. spoelplaats (geut), 5. woonkeuken, 6. slaapkamer. (bron: Nederlandsche boerderijen. Ir. P.J. ’t Hooft b.i., Allert de Lange – Amsterdam, 1945. Koninklijke Bibliotheek.)

Grofweg kunnen wij een hallehuis omschrijven als een rechthoekig gebouw waarin het voorste gedeelte dienstdeed als woonruimte met daarachter een gedeelte dat diende als stallen en waar de opslagruimte zich bevond. De twee gedeelten werden vanaf het begin van de achttiende eeuw gescheiden door een zogenaamde brandmuur, dat in die tijd als een echte verbetering werd gezien. Tegen deze brandmuur werd de stookplaats geplaatst en daarboven zat een schoorsteen die de rook afvoerde. 

Een hallehuis uit de Hallehuisgroep. Het betreft hier een Drentse vorm van het dwarsdeeltype, dat uit het einde van de achttiende eeuw stamt (bron: Duizend jaar bouwen in Nederland (deel 2). S.J. Fockema Andreae, R.C. Hekker en E.H. ter Kuile. Allert de Lange, Amsterdam 1958. (https://www.dbnl.org/tekst/fock001duiz01_01/index.php) ).

Het gedeelte waar de stallen zich bevonden waren in drie gedeelten verdeeld, waar wij twee variaties van een potstal tegen konden komen. Bij de eerste vorm (zijpotstal) bevonden een aantal kleine stallen aan de zijkanten van de boerderij die om de zoveel weken werden leeggehaald. De andere variant, de middenstal, bevond zich in het middelste gedeelte en werd ongeveer na een half jaar uitgemest.2 Maar het was vooral zijpotstal die wij bij de keuters in de Zulte aantroffen. 

Een andere vorm van een hallehuis uit de Hallehuisgroep is het Drents middenlangsdeeltype met aangebouwde hooischuur. Het spreekt voor zich dat deze boerderij niet werd bewoond door een keuterboer (bron: Duizend jaar bouwen in Nederland (deel 2). S.J. Fockema Andreae, R.C. Hekker en E.H. ter Kuile. Allert de Lange, Amsterdam 1958. (https://www.dbnl.org/tekst/fock001duiz01_01/index.php) ).

Ondanks dat er her en der weleens met een romantische toon over de oude potstallen wordt gesproken, is het niet voor niets dat deze vorm van mestverwerking verdwenen is. Met de uitzondering van een enkele de biologische veehouderij1, schapenstal of schaapskooi waar wij heden ten dage deze vorm nog kunnen aantreffen. 

Nee, zo romantisch was het niet in die donkere, vochtige stal tussen het vee dat ook nog eens smerig was. De kleine boeren kenden het woord hygiëne niet en laat staan dat er handen met zeep gewassen werden. Sterker nog, het zou nog tot ver in de negentiende eeuw duren voordat zeep ingeburgerd was. 

De kleine boeren hadden slechts enkele koeien die doorgaans alleen vanaf de herfst de stal opgingen en pas weer in het voorjaar naar buiten konden. Ze moesten dus in de donkere en koude periode de koeien in die vochtige, stinkende stal melken. Iets wat de kwaliteit van de melk niet echt bevorderde. Daarnaast waren de kwalijke ammoniakdampen niet alleen schadelijk voor mens en dier, maar ook voor de opgeslagen goederen zoals het hooi en de oogstprodukten op de daarboven gelegen zolder. 

Het esgehucht de Zulte op een kaart uit 1832 waarop een tal van de hallehuis boerderijen te zien zijn. Ook in deze kleine boerderijen trof men destijds de potstallen aan. De boeren die in die tijd in deze boerderijen woonden, pachten deze van Jannes Hindriks Winsingh uit Roden en de erven van Floris Aukema uit Leutingewolde. (bron: Drents Archief).

Een even groot gevaar, of misschien nog wel gevaarlijker dan de stinkende ammoniakdampen, waren de vloeibare delen van de mest. Deze sijpelden door de vloer van de potstal de bodem in en drongen diep in de ondergrond. Vaak bestond de vloer uit een laagje zand en later werd hiervoor keileem gebruikt. Eenmaal diep in de bodem doorgedrongen, kwamen deze stoffen in aanraking met het als drinkwater dienende grondwater.  

Waarschijnlijk zal het 1 of 2 generaties geduurd hebben voordat de nadelige gevolgen hun uitwerking hadden op de gebruikers van dat water. Door het drinken van het door de giftige stoffen vervuild water kregen de mensen ziektes zoals cholera, tyfus en dysenterie. Een gedeelte van de bewoners, waaronder veel kinderen, stierven dan ook voortijdig door het nuttigen van het vervuilde water aan de gevolgen van de hiervoor genoemde ziekten. 

Een afbeelding van Levy Ali Cohen (1807-1889) arts en hygiënist die te Groningen, in de ouderdom van ruim 72 jaren aan myelitis overleed. Dr. Cohen was in 1869 inspecteur voor het geneeskundig staatstoezicht voor de provinciën Overijssel en Drenthe (bron: Wikipedia).

De in het jaar 1817 te Meppel geboren en te Groningen in 1889 overleden medicus Levy Ali Cohen3 die in 1869 als inspecteur voor het geneeskundig staatstoezicht voor de provinciën Overijssel en Drenthe werkte. Later dat jaar keerde hij als inspecteur naar zijn geliefde Groningen terug nu voor de provincies Groningen en Friesland. Spoedig na zijn aantreden als inspecteur in het jaar 1866 kreeg hij in Drenthe te maken met een cholera-epidemie en vier jaren later met een tyfusepidemie. In zijn boek ‘Handboek der Openbare Gezondheidsregeling en der Geneeskundige Politie‘ uit 1869 beschrijft hij het gevaar van een vervuilende potstal. 

“Nabij Ommen ( digt bij de Regge) onderzocht ik, pas voor eenige weken, op eene boerderij een opene put, na het gebruik van welks water de boter die daarmede bereid werd, van tijd tot tijd slecht, soms geheel oneetbaar werd. Ik bevond o. a. dat de potstal (waarin gedurende den ganschen zomer de mest wordt opgespaard) geene 3 Ned. el van den put verwijderd was, en dat de bodem hier zóo poreus is, dat de hoogere of lagere waterstand van de Regge dadelijk in den put merkbaar is. (De rivier bevindt zich op 1 à 1½ minuten afstands van de boerderij.)” 4 

De kans is vrij klein dat Dr. Cohen in zijn functie als inspecteur voor het geneeskundig staatstoezicht voor de provinciën Overijssel en Drenthe ook het kleine esgehucht de Zulte destijds heeft bezocht, maar zijn bevindingen zullen zeker hebben meegewogen om de potstal te gaan vervangen door de groepstal, ook wel ‘grupstal‘ genoemd, binnen de landbouw van de negentiende eeuw. 

De achterzijde van een oude schuur achter Leutingewolde laat mooi zien hoe het er heden ter dage bij een kleine hobbyboer uitziet. De typerende mestbult bevindt zich natuurlijk achter de schuur en ligt zo uit het zicht vanaf de weg.

Door het vervangen van de potstal door het groepstalprincipe, verbeterde niet alleen de hygiënische situatie van de bewoners en nam de kwaliteit van het water uit de put toe, ook voor het vee werden de leefomstandigheden een stuk beter. De dieren waren niet meer smerig door de schone ondergrond die bestond uit stro en de mest kwam direct in een goot terecht, de zogenaamde groep of grup. Het was nu een stuk eenvoudiger geworden om zowel de koeien te melken als de mest af te voeren5

Dat het vervangen van de potstal in de boerderijen ervoor heeft gezorgd dat de kwaliteit van het leven en daardoor de levensduur van de negentiende-eeuwse mens in de Zulte een stuk beter werd, durf ik niet te zeggen, maar het heeft er wel aan bijgedragen dat de hygiëne destijds enorm verbeterde. 

Heden ten dage hebben de koeien het een stuk beter dan in de tijd waar de dieren achter in een schuur stonden in een potstal. Nu bezitten de boeren gemiddeld zo’n 160 dieren en hebben ze grote schuren, waar de dieren het doorgaans uitermate naar hun zin hebben.

1 Potstal (https://nl.wikipedia.org/wiki/Potstal)  

2 AgriWiki Potstal (https://www.agriwiki.nl/index.php?title=Potstal) 

3 Geheugen van Drenthe: Levy Ali Cohen. (https://www.geheugenvandrenthe.nl/ali-cohen-levy) 

4 Handboek der Openbare Gezondheidsregeling en der Geneeskundige Politie, met het oog op de behoeften en de wetgeving van Nederland, eerte deel. Door Dr. L. Ali Cohen, met medewerking van Dr. S. Sr. Coronel, wijlen Dr. A. Drielsma, Dr. L. J. Egeling, F. C. hekmeijer, Dr. J. A. van Ketwich Verschuur, Dr. C. P. Pous Koolhaas, Dr. D. Lubach, Dr. G. van Overbeek de Meijer en Dr. W. J. de Meijer. Groningen, 1869. J. B. Wolters. Pagina 177. 

5 AgriWiki Grupstal. (https://www.agriwiki.nl/index.php?title=Grupstal