Een groot voorrecht dat de families en de adel voor hen als grootgrondbezitter destijds bezaten, was het verkopen van hout dat zich op hun grondgebied bevond. Zo komen wij al vanaf het midden van de achttiende eeuw advertenties, ook wel ‘Bekentmakingen’ genoemd, tegen in de lokale kranten waarin het hout te koop wordt aangeboden. Het is dan vooral de heer W. baron van In- en kniphuisen, heer van Nienoord, Enum en Aykema, die verkondigd dat hij ‘5 à 600 zware eyken stambomen en eykenschilbossen bij havesaat, het huys Ter Heyl genaamt, en in ’t Noordholt onder Roon in ’t Landschap Drenthe geleegen’ wenst te verkopen. Waarschijnlijk werd het enorm grote oerbos ten oosten van het brinkgehucht de Sult bedoeld, dat het Groot Noordholt heette.

Doorgaans werden grote percelen bos, vaak aangeduid in het aantal bomen op den wortel, publiekelijk geveild. De bomen werden dan per afslag bij ‘afmyning’ verkocht aan diegene die het genoemde bedrag de juiste prijs vond van het hout. Afmijning of afmyninge is een veiling waarbij een product op een te hoge prijs wordt ingezet, waarna de prijs daalt totdat iemand akkoord gaat. Wanneer deze akkoord gaat met de prijs, riep de koper ‘mijn of mient’.
Voor de eigenaar van de percelen bos die verkocht werden bracht niet alleen het hout geld in het laatje, de door de bomenkap vrijgekomen grond kon op hun beurt weer verpacht worden aan kleine boeren, die er bouw- of grasland van maakten. Het voordeel hiervan was dat de eigenaar amper of geen moeite hoefde te doen om de gronden te bewerken en zodoende te blijven onderhouden en hij kreeg er pacht voor. Dit was naast het geld dat hij verdiende aan het verkopen van het hout, een extra bron van inkomsten van een perceel dat anders enkel geld kostte.
Maar niet alleen leverde het kappen een verdienste op voor de eigenaar, het leverde ook nog eens een stuk werkgelegenheid op voor de arbeiders in de directe omgeving. De bomen moesten worden gekapt, de wortels dienden uit de grond te worden gehaald, de stam moest van de kruin en de takken ontdaan worden, waarna ze gereed werden gemaakt voor transport. Dan werden de bomen vervoerd naar bijvoorbeeld een zaagmolen waar er planken en balken voor aannemers, molenbouwers, meubelmakers of scheepshout van werd gemaakt. Vandaag de dag roepen dit soort massale boomkapacties veel weerstand op onder de bevolking, maar destijds was het een belangrijke economische stimulans in het gebied. Met principes vul je geen hongerige magen. Het is dan ook niet zo verbazingwekkend dat er vandaag de dag nog maar weinig sporen terug zijn te vinden van de enorme bossen die het gebied eens kenmerkten.

Vanaf het jaar 1790 komen wij dan regelmatig advertenties in de regionale dagbladen tegen van de familie Aukema, waarin met name grote eiken te koop worden aangeboden. Vooral in de Zulte, waar zich destijds enorm veel grote en zeer oude bossen bevonden (afbeelding hierboven), heeft de familie Aukema behoorlijk veel geld verdient aan het verkopen van het hier aanwezige hout en daardoor voor veel werkgelegenheid gezorgd. Door de werkgelegenheid die door het kappen van de bomen ontstond, trokken ook arbeiders uit de verre omgeving richting Rhoden, zoals het dorp inmiddels werd beschreven. De arbeiders namen vaak hun gezin mee, zochten onderdak en zullen bij menig grondeigenaar een kleine woning of perceel hebben gehuurd.
Naast het kappen van de grote eiken werden ook de kleinere eiken gerooid om te schillen. Arbeiders die de bast van de eiken schilden werden ‘Eekschillers’ genoemd. Als de bast van de boom af was gehaald, werd deze gedroogd en kon de eikenschors, ook wel eekschors of bark genoemd, vervoerd worden naar een zogenaamde barkmolen. Hier werd de bark door molenstenen fijngemalen waarna er door water aan toe te voegen, de ‘run’ ontstond. Run werd gebruikt om dierhuiden te looien. Waarschijnlijk werd de bark naar de stad Groningen vervoerd, waar zich een ‘Barckmeulen’ bevond aan de oostzijde van het Winschoterdiep. Ze konden daar zien wanneer de molen bark aan het malen was doordat dan alle deuren van de molen openstonden. Zodoende konden de huid-irriterende stoffen die vrijkwamen tijdens het maalproces, snel wegwaaien.

Blijkbaar was de tweeënzeventig jarige Floris Aukema toch behoorlijk in zijn wiek geschoten, toen zijn advertentie van dinsdag 23 november 1790 in de Groninger Courant niet klopte (zie afbeelding hieronder). Het kan ook zijn dat de advertentie gewoon niet correct geplaatst was, iets dat wel vaker in die tijd voorkwam. Onleesbare handschriften, een slecht verstaanbare uitspraak of een onoplettende letterzetter zorgden nogal eens voor onduidelijkheid. Bij de laatstgenoemde werd de schuld snel doorverwezen naar het ‘zetduiveltje’, een term die gebruikt werd wanneer er zich fouten in het zetwerk hadden voorgedaan.

Maar goed, laten wij de advertentie van die bewuste dinsdag 23 november 1790 eens gaan bekijken: ‘FLERYS ANKEMA is voornemens publyk te laten Verkoopen , om de 500 zware en lange opgaande Eiken Stambomen , zeer geschikt voor Aannemers , als mede Scheepstimmer , Wagen , Molens en Kromhout , op Woensdag den 1 December 1790 , des morgens om 9 uur op de Zulte , na voor te lezene Conditien’. Het zal Floris, die in de advertentie ‘Flerys Ankema’ genoemd werd, zeker niet hebben behaagd om verkeerd benoemd te worden in de krant. ‘Oh mijn God’, zal hij hebben gezegd en na een diepe zucht, zijn tweede vrouw Lammechien Smeengh bij zich hebben geroepen, waarna de landbouwer zijn beklag bij haar deed over het gepruts bij de krant.
Het kan natuurlijk ook de in zijn ogen onduidelijkheid van de advertentie geweest zijn, die hem totaal niet zinde. Floris zal een stuk papier, een pen en inktpot hebben gepakt en zich voorover hebben gebogen om een nieuwe advertentie te schrijven. Nadat hij het geschrifte en aantal malen goed doorgelezen had, zal hij ervoor gezorgd hebben dat de nu correcte advertentie bij de krant kwam.
Drie dagen later, op vrijdag 26 november 1790, stond er een verbeterde versie van de advertentie in de Groninger Courant en de godvrezende landbouwer uit Leutingewolde zal deze met een instemmende knik hebben gelezen: ‘FLORYS AUKEMA is voornemens by Uitmyninge te laten Verkoopen , om de 500 zware en lange opgaande Eiken Stambomen , zeer geschikt voor Aannemers , als mede Scheeps , Molen , Timmer en Kromhout , staande op de Wortel in deszelfs Bosschen tot de Zulte 1/2 uur van de Leek op Woensdag den 1 December 1790 , des morgens om 9 uur te beginnen by ’t huis van Harm Vogelsang , na voor te lezene Conditien’.

Het huis dat in de advertentie vermeld werd en waar de toen tachtig jarige Harm Vogelsang woonde, lag ongeveer 400 meter noordelijk van het brinkgehucht Zulte nabij de oude weg tussen de Boschkampe en de herberg Toutenburg en droeg de naam ‘Vogelsang’. Op de plaats waar het oude huis stond is in de jaren negentig van de vorige eeuw en nieuw huis geplaatst met de naam ‘Old Voochelsang’. De familie Vogelzang dankt hun familienaam daarnaast ook aan de oude boerderij.
Locatie en informatie over de Barckmeulen kunt u HIER vinden.




















