Mient

Een groot voorrecht dat de families en de adel voor hen als grootgrondbezitter destijds bezaten, was het verkopen van hout dat zich op hun grondgebied bevond. Zo komen wij al vanaf het midden van de achttiende eeuw advertenties, ook wel ‘Bekentmakingen’ genoemd, tegen in de lokale kranten waarin het hout te koop wordt aangeboden. Het is dan vooral de heer W. baron van In- en kniphuisen, heer van Nienoord, Enum en Aykema, die verkondigd dat hij ‘5 à 600 zware eyken stambomen en  eykenschilbossen bij havesaat, het huys Ter Heyl genaamt, en in ’t Noordholt onder Roon in ’t Landschap Drenthe geleegen’ wenst te verkopen. Waarschijnlijk werd het enorm grote oerbos ten oosten van het brinkgehucht de Sult bedoeld, dat het Groot Noordholt heette.

De hierboven aangehaalde advertentie uit de Opregte Groninger Courant van vrijdag 24 december 1762, waarin de heer W. baron van In- en kniphuisen, heer van Nienoord, Enum en Aykema bekendmaakte dat hij vijf tot zeshonderd zware eiken te koop aanbood.

  Doorgaans werden grote percelen bos, vaak aangeduid in het aantal bomen op den wortel, publiekelijk geveild. De bomen werden dan per afslag bij ‘afmyning’ verkocht aan diegene die het genoemde bedrag de juiste prijs vond van het hout. Afmijning of afmyninge is een veiling waarbij een product op een te hoge prijs wordt ingezet, waarna de prijs daalt totdat iemand akkoord gaat. Wanneer deze akkoord gaat met de prijs, riep de koper ‘mijn of mient’.

  Voor de eigenaar van de percelen bos die verkocht werden bracht niet alleen het hout geld in het laatje, de door de bomenkap vrijgekomen grond kon op hun beurt weer verpacht worden aan kleine boeren, die er bouw- of grasland van maakten. Het voordeel hiervan was dat de eigenaar amper of geen moeite hoefde te doen om de gronden te bewerken en zodoende te blijven onderhouden en hij kreeg er pacht voor. Dit was naast het geld dat hij verdiende aan het verkopen van het hout, een extra bron van inkomsten van een perceel dat anders enkel geld kostte.

  Maar niet alleen leverde het kappen een verdienste op voor de eigenaar, het leverde ook nog eens een stuk werkgelegenheid op voor de arbeiders in de directe omgeving. De bomen moesten worden gekapt, de wortels dienden uit de grond te worden gehaald, de stam moest van de kruin en de takken ontdaan worden, waarna ze gereed werden gemaakt voor transport. Dan werden de bomen vervoerd naar bijvoorbeeld een zaagmolen waar er planken en balken voor aannemers, molenbouwers, meubelmakers of scheepshout van werd gemaakt. Vandaag de dag roepen dit soort massale boomkapacties veel weerstand op onder de bevolking, maar destijds was het een belangrijke economische stimulans in het gebied. Met principes vul je geen hongerige magen. Het is dan ook niet zo verbazingwekkend dat er vandaag de dag nog maar weinig sporen terug zijn te vinden van de enorme bossen die het gebied eens kenmerkten.

Op de afgebeelde oude Franse legerkaart uit het begin van de negentiende eeuw is goed te zien hoeveel bossen, die geel ingekleurd zijn, zich in de omgeving van de Zulte bevonden.

  Vanaf het jaar 1790 komen wij dan regelmatig advertenties in de regionale dagbladen tegen van de familie Aukema, waarin met name grote eiken te koop worden aangeboden. Vooral in de Zulte, waar zich destijds enorm veel grote en zeer oude bossen bevonden (afbeelding hierboven), heeft de familie Aukema behoorlijk veel geld verdient aan het verkopen van het hier aanwezige hout en daardoor voor veel werkgelegenheid gezorgd. Door de werkgelegenheid die door het kappen van de bomen ontstond, trokken ook arbeiders uit de verre omgeving richting Rhoden, zoals het dorp inmiddels werd beschreven. De arbeiders namen vaak hun gezin mee, zochten onderdak en zullen bij menig grondeigenaar een kleine woning of perceel hebben gehuurd.

  Naast het kappen van de grote eiken werden ook de kleinere eiken gerooid om te schillen. Arbeiders die de bast van de eiken schilden werden ‘Eekschillers’ genoemd. Als de bast van de boom af was gehaald, werd deze gedroogd en kon de eikenschors, ook wel eekschors of bark genoemd, vervoerd worden naar een zogenaamde barkmolen. Hier werd de bark door molenstenen fijngemalen waarna er door water aan toe te voegen, de ‘run’ ontstond. Run werd gebruikt om dierhuiden te looien. Waarschijnlijk werd de bark naar de stad Groningen vervoerd, waar zich een ‘Barckmeulen’ bevond aan de oostzijde van het Winschoterdiep. Ze konden daar zien wanneer de molen bark aan het malen was doordat dan alle deuren van de molen openstonden. Zodoende konden de huid-irriterende stoffen die vrijkwamen tijdens het maalproces, snel wegwaaien.

De Barckmeulen bij de stad Groningen op een kaart uit 1643. Stadscaerte van Groeningen : De kaart van Egbert Haubois

  Blijkbaar was de tweeënzeventig jarige Floris Aukema toch behoorlijk in zijn wiek geschoten, toen zijn advertentie van dinsdag 23 november 1790 in de Groninger Courant niet klopte (zie afbeelding hieronder). Het kan ook zijn dat de advertentie gewoon niet correct geplaatst was, iets dat wel vaker in die tijd voorkwam. Onleesbare handschriften, een slecht verstaanbare uitspraak of een onoplettende letterzetter zorgden nogal eens voor onduidelijkheid. Bij de laatstgenoemde werd de schuld snel doorverwezen naar het ‘zetduiveltje’, een term die gebruikt werd wanneer er zich fouten in het zetwerk hadden voorgedaan.

De advertentie van dinsdag 23 november 1790 in de Groninger Courant waarin Flerys Ankema voornemens is om 500 zware eiken stambomen op de Zulte publiekelijk te verkopen. Dat Floris Aukema niet tevreden was met het geplaatste bleek wel, toen drie dagen later een verbeterde versie van de advertentie in dezelfde krant verscheen. me.wordp

  Maar goed, laten wij de advertentie van die bewuste dinsdag 23 november 1790 eens gaan bekijken: ‘FLERYS ANKEMA is voornemens publyk te laten Verkoopen , om de 500 zware en lange opgaande Eiken Stambomen , zeer geschikt voor Aannemers , als mede Scheepstimmer , Wagen , Molens en Kromhout , op Woensdag den 1 December 1790 , des morgens om 9 uur op de Zulte , na voor te lezene Conditien’. Het zal Floris, die in de advertentie ‘Flerys Ankema’ genoemd werd, zeker niet hebben behaagd om verkeerd benoemd te worden in de krant. ‘Oh mijn God’, zal hij hebben gezegd en na een diepe zucht, zijn tweede vrouw Lammechien Smeengh bij zich hebben geroepen, waarna de landbouwer zijn beklag bij haar deed over het gepruts bij de krant.

  Het kan natuurlijk ook de in zijn ogen onduidelijkheid van de advertentie geweest zijn, die hem totaal niet zinde. Floris zal een stuk papier, een pen en inktpot hebben gepakt en zich voorover hebben gebogen om een nieuwe advertentie te schrijven. Nadat hij het geschrifte en aantal malen goed doorgelezen had, zal hij ervoor gezorgd hebben dat de nu correcte advertentie bij de krant kwam.

  Drie dagen later, op vrijdag 26 november 1790, stond er een verbeterde versie van de advertentie in de Groninger Courant en de godvrezende landbouwer uit Leutingewolde zal deze met een instemmende knik hebben gelezen: ‘FLORYS AUKEMA is voornemens by Uitmyninge te laten Verkoopen , om de 500 zware en lange opgaande Eiken Stambomen , zeer geschikt voor Aannemers , als mede Scheeps , Molen , Timmer en Kromhout , staande op de Wortel in deszelfs Bosschen tot de Zulte 1/2 uur van de Leek op Woensdag den 1 December 1790 , des morgens om 9 uur te beginnen by ’t huis van Harm Vogelsang , na voor te lezene Conditien’.  

De desbetreffende en verbeterde advertentie van Floris Aukema in de Groninger Courant van vrijdag 26 november 1790, die een stuk duidelijker qua informatie.

  Het huis dat in de advertentie vermeld werd en waar de toen tachtig jarige Harm Vogelsang woonde, lag ongeveer 400 meter noordelijk van het brinkgehucht Zulte nabij de oude weg tussen de Boschkampe en de herberg Toutenburg en droeg de naam ‘Vogelsang’. Op de plaats waar het oude huis stond is in de jaren negentig van de vorige eeuw en nieuw huis geplaatst met de naam ‘Old Voochelsang’. De familie Vogelzang dankt hun familienaam daarnaast ook aan de oude boerderij.

Locatie en informatie over de Barckmeulen kunt u HIER vinden.

De Zulte en hoe zat dat ook alweer met de zee?

Het gebied waarin we brinkgehucht aantreffen, is natuurlijk een behoorlijk stuk ouder dan de periode die in de vorige artikelen beschreven werden. Veel van het verleden van dit specifiek gebied is nooit beschreven en zal ook altijd wel een gedeelte speculatie blijven. Doordat het gebied ook nog eens redelijk onbekend is bij veel inwoners van het dorp Roden en de aanwezigheid van monniken in de omgeving van het noordwestelijk gelegen Terheijl, ontstaan er de meest vreemde verhalen over het gebied, die we het beste met een korreltje zout kunnen nemen. Zout is dan ook weer zoiets, dat in de verhalen regelmatig terugkeert. Zo wordt de naam van het buurtschap de Zulte en indirect het Leekstermeer, dat in het verleden ook wel het Zultermeer genoemd werd, ook constant in verband gebracht met natriumchloride (NaCl). Of beter gezegd, de link met zeezout duikt regelmatig op in de verhalen.

  Zeezout, dat bestaat uit calciumchloride (CaCl2), magnesiumbromide (MgBr2), magnesiumchloride (MgCl2), natriumchloride (NaCl) en natriumsulfaat (Na2SO4), en voorkomt in het zeewater. Een veel gehoorde opvatting is dat de naam verwijst naar verleden, toen de zee veel invloed in dit gebied zou hebben gehad. De vondst van zowel schelpen als zeezout tijdens grondboringen in de wijde omgeving van het dorp Roden zouden deze theorie ondersteunen. Daarnaast zou het woord “zilt”, dat verwijst naar het zoutgehalte in het zeewater, aan de grondslag van de naam de Zulte (zilte) hebben gelegen. Een andere verklaring die mij werd aangereikt, was dat het Leekstermeer in een heel ver verleden deel moet hebben uitgemaakt van de voormalige Lauwerszee, het huidige Lauwersmeer.

  Daarnaast speelt mee in de  verhalen  over dat  de zee  hier  zijn invloed  had  laten merken  en  dat deze tot ver in de negentiende eeuw voor eb en vloed in de stad Groninger grachten en kanalen had gezorgd. Dit was pas voorbij, toen in 1877 de twee zeesluizen bij Zoutkamp gereed kwamen en het Reitdiep geen directe verbinding meer met de zee had. De wens van hoe het er hier vroeger uit moet hebben gezien, begint dan als snel de vader van de gedachte worden en dat resulteert op zijn beurt weer in de meest vreemde verhalen.

  Een andere verklaring, die eveneens zou moeten wijzen naar de aanwezigheid van zeewater in het gebied, is de oude naam van de J. P. Santeeweg. Aan het begin van de negentiende eeuw heette de weg nog de Leekster Dyk. Waarbij het woordje ‘Dyk‘ zou moeten verwijzen naar een dijk, die in dit geval het zeewater zou moeten beletten om het buurtschap de Zulte te overspoelen. Echter, het woord ‘Dyk‘ of ‘Dijk‘ werd ook gebruikt voor een verhoging in natte gebieden waarop zich een pad of weg bevond. En erg verbazingwekkend is dit dan ook niet, gezien de toestand van het gebied toen deze weg werd aangelegd. Immers, een groot gedeelte van het gebied ten noorden en noordwesten van het dorp Roden bestond destijds uit een enorm groot en nat heideveld.

De voormalige Leekster Dyk op een kadastrale kaart uit 1832. Tegenwoordig heet de weg richting Nietap de J. P. Santeeweg.

  De oorzaak hiervan kunnen we naar mijn mening zoeken in het onbekende van dit gebied. Zijn van veel gebieden rondom het dorp Roden nog enigszins betrouwbare bronnen te vinden, over het gebied waarin de Zulthe vandaag de dag ligt, is dit niet het geval. Kortom; er bestaat hier en daar nogal wat verwarring en onduidelijkheid over de naamgeving van het gebied.

  De meest aannemelijke theorie over de naam van het oude buurtschap de Zulte, lijkt mij toch die van Professor dr. Maurits Gysseling (1919-1997). Gysseling houdt rekening met de oudere schrijfvorm Sulta, een Germaans verzamelwoord, dat voor modderig gebied staat. Gezien de toestand van het gebied tot ver in de twintigste eeuw, is dit toch wel een zeer aannemelijke theorie. Door de vrijwel waterdichte laag die de taaie potklei in combinatie met de keileem in dit gebied heeft gevormd, bestaat er hier vrijwel alleen maar een horizontale afvoer van water. Hierdoor wordt de bovenlaag zeer drassig en kan dit op veel plaatsen ook heel lang blijven.

  En toch, het idee dat de zee zijn invloed in de omgeving van zowel het buurtschap als bij het Leekstermeer achter heeft gelaten, niet zo raar. Immers, tot ver in de zestiger jaren waren de invloeden van eb en vloed merkbaar in het grondwater onder de stad Groningen. Echter, voor een duidelijk merkbare invloed van het zeewater in het gebied, moeten we een behoorlijk eind teruggaan in de tijd. Op zich zijn de vondsten van fossiele schelpdieren en lagen zeezout tijdens grondboringen in de bodem rondom het rustige Noord-Drentse Roden niet zo enorm verrassend en verbazingwekkend als het op het eerste gezicht mag lijken.

Een andere verklaring voor het aantreffen van zoutsporen in sloten nabij weilanden in de omgeving van de huidige de Zulthe is deze, dat de resten van vrijwel geheel opgebruikte likstenen, ook wel zoutstenen genoemd, door de eigenaar destijds hier gedumpt werden.

  

Beklemde gedonder of gewoon reuring?

Aan het einde van de achttiende en in de eerste jaren van de negentiende eeuw waren het roerige tijden in het noorden van Drenthe. De storm die onder het Uitvoerend Bewind der Bataafsche Republiek vanaf negentien januari 1795 huishield in ons land ontzag niets en op bestuurlijk gebied veranderde er nogal wat. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden had opgehouden te bestaan en erfstadhouder Willem V was uitgeweken naar Engeland. Ook het Noordenvelder dingspel, ook wel het Vyfde dingspel of dingspel Nordevelt genoemd, dat het vijfde van de zes dingspelen van het Landschap Drenthe was, bestond niet meer. Althans in staatsrechtelijke vorm waren ze verdwenen. De veranderingen die hier plaats vonden waren een behoorlijk stuk minder gewelddadig dan in Frankrijk, waar de adel veel moeite moest doen om het hoofd er bij te houden. Nu moet gezegd worden dat de adel in de republiek niet de macht bezat zoals de Franse adel deze in handen had en de Nederlander voor die tijd over veel vrijheid beschikte. De vrijheid die de Nederlanders in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden bezaten, verrasten de buitenlanders keer op keer en dit leverde op zijn beurt weer de meest vreemde situaties op. Met name de bezoekers die gewend waren aan de nodige eerbied en respect vanwege hun afkomst, kwamen regelmatig in aanvaring met mondige en soms zelfs boze burgers.

Het noorden van het Vijfde dingspel afgebeeld op een kaart die in het jaar 1781 vervaardigd werd. Op deze kaart is goed te zien dat er nabij de Sult (Zulte) en het dorp Roon (Roden) veel bossen voorkwamen. Het waren met name de bossen rondom het buurtschap Zulte waaraan de uit Luddingwolde (Leutingewolde) afkomstige familie Aukema behoorlijk aan verdiend heeft.

  In het boek “Geschiedenis van de Lage Landen: Voorspoed en twist” dat door Jaap ter Haar geschreven is, doet zich zo’n voorval voor in de zeventiende eeuw. ‘Gott im Himmel!’ roept een Duitse vorst verschrikt uit, als hij tijdens de jacht onbezorgd over een akker rijdt. Opeens ziet hij een boer met een mestvork op zich afkomen en uit alles blijkt, dat die kerel nijdig is: ‘M’n land af, hier en gunder!’. De Duitse vorst is dit niet gewend en dient een klacht tegen de boer in. Echter de boer wordt in het gelijk gesteld, iets wat de edelman niet gewend is in zijn thuisland.(1)

  Maar er hing iets in de lucht in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden zo rond het einde van de jaren zeventig in de achttiende eeuw. Met de economie gaat het slecht, het politieke systeem is corrupt en ondoorzichtig. Het land wordt geregeerd door regenten die voornamelijk hun eigenbelang beschermen en een stadhouder, Willem V, die weinig tot niets doet voor het volk. Het leek wel een veenbrand dat langzaam, maar gestaag door smeulde en elk moment aan de oppervlakte kon komen.

  In de op het oog zo rustig ogende republiek broeide er iets onder de gegoede burgerij, die zichzelf patriotten noemden en veelal uit christelijke kringen afkomstig waren. Men was de volledig regerende autoriteit van erfstadhouder Willem V, die de corrupte en de ondoorzichtigheid van het land in stand probeerde te houden, meer dan beu en begonnen zich te roeren.   De regenten die zich thuis voelden in het toenmalige politiek stelsel en er helemaal geen belang bij hadden dat hun eigen belangen en de daarbij behorende baantjescarrousels in gevaar kwamen, bleven vanzelfsprekend de zwakke Willen V steunen. Ook het gewone volk, spottend door de patriotten het ‘lagere volk’ genoemd, steunde toch liever de erfstadhouder dan de gegoede burgerij, waar zij doorgaans meer last van hadden dan de corrupte regenten. De regenten vormden samen met het gewone volk de orangisten.

Op de kaart die gemaakt is door Johannes Allart en uit het jaar 1791 stamt, is het noordoostelijk gedeelte van het Vijfde dingspel te zien. Opvallend is toch wel dat het dorp Roden op de kaart nog ‘Roon’ heet en in ambtelijke stukken en bijvoorbeeld advertenties inmiddels ‘Rhoden’ werd genoemd. Doordat de kaart minder gedetailleerd is dan de kaart uit het jaar 1781, ontbreken bijvoorbeeld de buurtschappen Leutingewolde en de Zulte op de afbeelding.

  Of er ook van dit soort sentimenten bij de bevolking van het kleine dorp Roden en de bij het dorp behorende buurtschappen en gehuchten hebben geleefd? Ik heb werkelijk geen idee, maar het zou mij niets verbazen. Natuurlijk zullen er onder de ruim duizend zielen bepaalde sentimenten hebben bestaan tegen bepaalde families, die veel grond in hun bezit hadden en daardoor veel macht, maar het patriottisme zoals het op andere plaatsen de kop begon op te steken, zal hier minimaal zijn geweest. Ik zekere zin was de arbeider, de schaapherder en de keuterboer afhankelijk van deze families en het idee achter een gezegde dat sprak van ‘in een voedende hand bijt je niet’ heerste onder het werkvolk. Daarnaast werd er vanaf de kansel in de kerk natuurlijk op gewezen dat de gewone man God en machtige families in de wijde omgeving dankbaar mochten zijn voor het dagelijks brood. Nee, voor de sentimenten die in de grotere steden binnen de republiek leefden was hier geen plaats. Sterker nog, de band tussen de hier aanwezige regenten en de gegoede burgerij was door bijvoorbeeld onderlinge huwelijken zo sterk geworden, dat de strijd tussen de patriotten en orangisten iets was dat niet bestond.

  Eén van deze families zetelde in Leutingewolde en bezat enorm veel grond in de omgeving van het door Roden. Vanaf de Matsloot tot aan de karspelgrens met Norg bezatten zij direct of indirect landerijen en menigeen was afhankelijk van grillen van de rijke Aukema’s. ‘Geld zoekt geld’ was een wijd verspreid gezegde wanneer er iemand uit een andere machtige familie met één van de leden uit de familie Aukema trouwde. Zo wist de familie de touwtjes strak in handen te houden en men wist, dat hun macht ongenaakbaar was. Geleidelijk vloeiden de families Deodatus, Krijthe en Winsingh in de familielijn van de Aukema’s, waardoor hun positie binnen de gemeenschap nog steviger werd. De rol van de eens zo machtige Groningse familie van Ewsum,  die van 1480 tot 1721 op de havezate Mensinghe woonde en van daaruit de wijde omgeving bestierde, was tanende en het machtsvacuüm dat dreigde te ontstaan, vulden de families gretig op.

  In de jaren tachtig en negentig van de achttiende eeuw wordt de steeds groter wordende macht van de grootgrondbezitters uit de familie Aukema erg duidelijk doordat de familie bijvoorbeeld veel boerderijen met bijbehorende landerijen bezatten, die verhuurd werden aan onder andere keuterboeren en meyers. In die tijd sprak men nog niet van huren maar van ‘beklemmen of pachten’

 Zowel beklemming als pacht zijn in wezen bijzondere vormen van verhuur van ontroerend goed. Van beklemming was sprake wanneer men het land van een andere gebruikte en de bevoegdheid had om daarop een huis, schuur en beplanting te hebben. Deze laatste waren het eigendom van de gebruiker, meier, meijer of meyer genaamd. Voor het gebruik betaalde hij jaarlijks een huursom en in geval van vererving, huwelijk of overdracht van het recht eveneens een bedrag of een geschenk in natura. Hierbij kunnen wij denken aan een jaar extra huur, een gedeelte van de opbrengst van de oogst of hooi en vee, waarbij deze afdracht de naam ‘geschenk’ droeg.(2)

  Het recht van beklemming was eigenlijk alleen in de provincie Groningen bekend. Echter het recht van beklemming kwam ook voor in de omgeving van Roden, iets wat te lezen viel in een advertentie van notaris Mr. A. Homan te Assen uit 1832, waarin aangekondigd werd dat de korenmolen te Rhoden publiekelijk zal worden geveild (zie afbeelding hieronder).

De advertentie uit de Groninger Courant van dinsdag 31 januari 1832 waarvan de heren Mr. C. A. den Tex en Mr. J. van Hall melding maken in hun boek “Nederlandsche jaarboeken voor regtsgeleerdheid en wetgeving, zevende deel” in 1845.

Ook de  Mr. C. A. den Tex en Mr. J. van Hall maken in het boekwerk “Nederlandsche jaarboeken voor regtsgeleerdheid en wetgeving, zevende deel” melding van deze advertentie. Vervolgens haalt één de schrijvers een vroegere eigenaar van een groot landgoed onder de gemeente Rhoden aan, waarvan de bezittingen ook over de grenzen van Drenthe tot in de provincie Groningen uitstrekten. De beste man had veel landerijen in huur uitgegeven met het recht daarop te timmeren en daardoor deze landerijen in beklemming had uitgegeven, ondanks dat het woord niet in het contract gebruikt werd.(3) Wellicht was deze eigenaar een lid uit de familie Aukema of had zich in de familie gehuwd?  Wie het weet mag het zeggen.

De term ‘beklemt’ komen wij echter al tegen in het Drentse land in een advertentie uit de Groninger Courant van vrijdag 1 januari 1779 tegen: ‘De Landschryver W. H. ERKENSWYK , als Curator in den Grasvelligen Boedal Wylen Drossart P. Hamming en Vrouw Kristina Kleinbout , voor zoo verre de goederen daar van in het Landschap geleegen zyn , is voornemens op Maandag den 18 Januari 1779 , des avonds te 5 uren , ten Huize van den Scholtes Alingh te Rhoden , publyk by opslag te doen Verkoopen. I. Een Plaatse op den Nientap , onder Rhoden geleegen , Thedema genaamt , met zyn lusten en lasten , zoo in diervoegen als by Mr. J. H. de Raad onder zyn behuizinge Beklemt word gebruikt. II. De Legekamp , met Elsenbroek en Waardeel , op de Nientap , zoo by Jan Hindriks Wyema , onder zyn behuizinge Beklemt word gebruikt’.   Landschrijver W. H. Erkenswijk, was een rechtsgeleerde en bekleedde de  functie als griffier van de etstoel, dat tot 1791 het hoogste rechtscollege in het Landschap Drenthe was.

De advertentie uit de Groninger Courant van vrijdag 1 januari 1779 die hierboven aangehaald wordt.

Hij veilde als curator de bezittingen van de wijlen Groninger steenkoopman Peter Hamming, ook wel Pieter Hammink of Hamminck genoemd, die de titel Drossart (drost) van de Hoge Justitiekamer bezat en in december 1775 te Groningen in zijn woning aan de Oude Boteringestraat was overleden. Hamming zal de titel hebben mogen gebruiken omdat hij het grootburgerschap van de stad Groningen bezat en dat hem toegang tot de hoogste ambten van de stad gaf. Zijn weduwe, Kristina Kleinbout die ook wel Renske Christina Kleenholt, Renske Christina Kleinholt en Renscke Kleinholts genoemd werd, weigerde de erfenis van haar man vanwege de enorme schuldenlast te aanvaarden en daarom werd de boedel per opbod geveild. De koper diende daarbij zowel de lusten als de lasten op de koop toe te nemen. 

  De uit Breda afkomstige luitenant Jan Otto Fredzes en diens echtgenote Anna Maria van der Horst kopen het huis Vredeveen met het landgoed voor 9.000 gulden. Het huis was destijds één van de grootste boerderijen in Nietap en mocht de toen beklemde landbouwer Jan Hindriks Wyema hier blijven wonen. Plaatse Thedema zal gekocht zijn door de beklemde meier J. H. de Raad, die hier al woonde.

Een gedeelte van kaart van het landgoed Vredeveen tussen Nietap en Ter Heijl die stamt uit de jaren zeventig van de achttiende eeuw.

  Nu is het op zich niet zo verwonderlijk dat Groningse gebruiken en rechtsvormen zoals het beklemrecht in de omgeving van Roden voorkwamen. Weliswaar lag er op papier een grens tussen de Kop van Drenthe en het Westerkwartier, maar in de praktijk bestond deze niet. Typerend is ook dat het dialect wat in de streken ten noorden en noordwesten van het dorp Roden nog gesproken wordt, eerder een Westerkwartiers accent bezit dan de typisch Drentse tongval. Nee, de grens tussen de Kop van Drenthe en het Westerkwartier hield niet op bij ’t Piepke del.

(1) Geschiedenis van de Lage Landen Deel 3: Voorspoed en twist. Jaap ter Haar, Uitgeverij Ten Have, 2008. ISBN 9789025954697.

(2) Het Noorden in het midden: opstellen over de geschiedenis van de Noord-Nederlandse gewesten in Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. de Boer, D. E. H. (ed.), Nip, R. I. A. (ed.) & van Schaïk, R. W. M. (ed.) 1998 Assen: Koninklijke Van Gorcum, 1998. ISBN 90-232-3383-2.

(3) Nederlandsche jaarboeken voor regtsgeleerdheid en wetgeving, verzameld en uitgegeven door Mr. C. A. den Tex en Mr. J. van Hall. Zevende deel. 1845.

Schaopscheerderskaolde

Dat de schaapskudden van de Zulte en Terheijl voornamelijk uit Drentse heideschapen hebben bestaan is zeer aannemelijk te noemen, daar er zeer veel heide in de omgeving van de twee buurtschappen voorkwam. De kudden werden dan ook door een schaapsherder met zijn honden naar de heidevelden gebracht en waar de dieren zich voedden met alles wat voor hen eetbaar was. Het dier was in de eerste dertig jaren van de negentiende eeuw het meest voorkomende schapensoort in de provincie Drenthe. Ook in de omgeving van het dorp Roden waren veel van de dieren heideschapen, die op omringende heidevelden gehoed werden. Maar niet in alle delen van de voormalige gemeente werden dit soort schapen gehouden. Immers, een van de voorwaarden waar een gebied aan moest voldoen om zo’n kudde te herbergen was heide. In het noordoosten van de gemeente kwam geen heide voor en delen van het gebied bestonden uit lage veengebieden zoals in de omgeving van Roderwolde, richting Peize en ook verder richting het noordwesten nabij Leek. In deze gebieden troffen we vooral weideschapen aan, die niet zoals het heideschaap in kudden over de heide gingen, maar in groepen van zo’n twaalf dieren in groene weilanden werden geweid.

Het Drents heideschaap was aan het einde van de achttiende en tijdens de aanvang de negentiende eeuw het schaap waaruit de schaapskudden van de Zulte en Terheijl bestonden. Het was kleine langstaartig schaap met horens met lang, grof wol en uitermate geschikt was om over het ruige heideveld nabij het brinkgehucht de Zulte te weiden. Het schaap op de afbeelding is een vrouwelijk exemplaar, ook wel een ooi genoemd en behoort toe aan de Stichting Schaapskudde Exloo.

  De Drentse heideschapen werden slechts eenmaal per jaar geschoren en dat vond doorgaans in het midden van de maand juni plaats, soms iets vroeger maar het liefst iets later en dit was behoorlijk afhankelijk van het weer. Deze periode die mijn vader altijd de ‘Schaopscheerderskaolde’ noemde en in het Nederlands de ‘Schaapscheerderskou’ wordt genoemd, had betrekking op een koele periode die met enige regelmaat optreedt tussen 5 en 20 juni. In deze periode is het vaak bewolkt en relatief koud en kan er zelfs nog nachtvorst optreden. Doordat het rond die periode veelal bewolkt is onder invloed van een lagedrukgebied, waardoor er boven de nog relatief koude Noordzee in deze tijd van het jaar vaak een grijs wolkendek of een gebied met mist ligt, dat met de noordwestelijke stroming over ons land trekt. Het grijs wolkendek  zorgt ervoor dat de felle zon verdwijnt en de koude wind het land in zijn greep houdt. Omdat de felle juni zon achter de wolken zit, zorgt het sombere weer ervoor dat de schapen niet direct aan de zon worden blootgesteld.

Bij de twee hierboven afgebeelde ooien die beiden behoren tot het kleine langstaartige of heideschaap, zijn de verschillen die tussen de twee categorieën duidelijk zichtbaar. Bovenaan de afbeelding is de witte variant van het schaap te zien, dat enkel in kleur van de zwarte variant verschilde en onderaan de afbeelding is een ooi van de zogenaamde bruine variant de vossekop afgebeeld door etser D. Sluyter. Deze variant kenmerkt zich door de zwarte kop en poten, waarbij de vacht een lichte tot witte kleur bezit.

  Voordat de schapen geschoren werden, dienden ze gewassen en schoongemaakt te worden. Het spreekt voor zich dat deze handelingen nodig waren om schone wol te verkrijgen, waarbij het vuil uit de wol gewassen werd en de aanhangende verontreinigingen verwijderd werden. Het Esmeertje nabij in de toenmalige gemeente Norg gelegen was hier zeer geschikt voor en tegen betaling van twee stuivers werden de dieren gewassen. Het voordeel hiervan was, dat alle schapen min of meer op dezelfde manie gewassen werden. Nu werden destijds enkel de schapen gewassen die over een zogenaamde open of holle vacht beschikten en de dieren die een dicht wollige vacht bezaten niet. Dit had er mee te maken, dat het water maar slecht door de dichte wol gaat en als dit toch gebeurde, de vacht van het dier zeer lang vochtig blijft. Het wassen had enige dagen voor de schering plaats, waardoor de wol geheel droog moest zijn, als deze ondernomen werd. Zowel het wassen als het scheren diende met te doen bij droog en enigszins warm weer, deed men dit echter bij regenachtig en te koud weer, dan moesten de schapen te lang met een natte vacht lopen en werden ze ziek.

Twee rammen behorende tot het kleine langstaartige of heideschaap, dat ook wel het Drentse schaap werd genoemd. De bovenste afbeelding laat de witte variant van het schaap zien, op de onderste afbeelding is een ram van de zogenaamde bruine variant, de vossekop, afgebeeld door de befaamde etser D. Sluyter in de jaren dertig van de negentiende eeuw. Op de afbeelding is het verschil tussen in de vorm van de horens bij de rammen duidelijk te zien.

  Ook niet alle watertjes bleken geschikt te zijn om de schapen te wassen en door ondervinding leerde men dat de wol in het ene water wel mooi schoon werd en in een ander water juist weer niet. Zo wist men dat hard water doorgaans minder geschikt was dan zacht water en dat watertjes waarbij veel zomereiken (Quercus robur) en zwarte elzen (Alnus glutinosa) groeiden, de vacht van de schapen een zwart-blauwachtige glans kregen. De oorzaak hiervan lag in het feit, dat de bladeren van deze bomen looistoffen afgeven aan het water wanneer zij eenmaal te water zijn geraakt en beginnen te ontbinden.

De zwarte variant onderscheidt zich van de witten en de vossekoppen door de overwegend zwart gekleurde vacht. De kop en de poten bezitten een gitzwarte kleur, waarbij zij ook nog eens glad en glimmend zijn.

  Nu dient gezegd worden dat de schapen van de kudde van het voormalig brinkgehucht de Zulte vaak erg smerig waren. Dit had onder andere met de bodemgesteldheid van het gebied te maken en met de plaatsen waar de dieren verbleven. Eenmaal wassen hielp dan niet meer om de verontreinigingen kwijt ter raken en die doorgaans tot harde klonten en klompen waren opgedroogd. Men diende dan deze aanwezige verontreinigingen de dag voor het wassen goed in te weken, waardoor ze eenvoudig te verwijderen waren.  

Zo had het er rond 1820 in de maand juni bij de bron van de Zulter Bitse midden in het brinkgehucht uit hebben kunnen zien tijdens het wassen van de schapen. De schaapherder hield de schone schapen in toom en zijn hond wist de nog niet gewassen schapen op hun plaats te houden. Het stromende water in het stroompje zorgde voor de afvoer van de verontreinigingen die zich in de loop der tijd in de vacht van de dieren had verzameld.

  De eigenaren van de schapen in de kudde van de Zulte gingen waarschijnlijk dan vervolgens naar de bron van het stroompje dat zich in het centrum bevond en door het buurtschap heenliep. Op deze wijze konden ze zo de dieren eenvoudig en goed wassen, waarbij de verontreinigingen met het stromend water weg spoelden. Doordat de ondergrond van de Zulter Bitse nabij de bron een vrij stevige structuur kende en het stroompje redelijk ondiep was, kon deze plaats uitstekend gebruikt worden om de vacht van de schapen te wassen (zie afbeelding hierboven). Zodoende hoefde men zich ook geen zorgen te maken dat het schaap in dieper water terecht kwam en verdronk. Daarnaast scheelde het voor de eigenaar een heel stuk dat het water dichtbij was en hij niet met kuipen en emmers hoefde te werken om het dier schoon te krijgen.

Op de bovenstaande afbeelding van Weerstatistieken De Bilt – 2019 is goed te zien dat van een zogenaamde Schaapsscheerderskou in de maand juni van het jaar 2019 geen sprake was. Voor meer gegevens over het weer in de maand juni kunt u hier klikken.

Een jaar zonder zomer.

Ruim tweehonderd jaren geleden, in het jaar 1816, werd het weer in ons land onder andere bepaald door een wereldwijde toename van vulkanische activiteiten een jaar eerder, waarbij de uitbarsting van de vulkaan Tambora op het eiland Soembawa in het toenmalige Nederlands-Indië, de zwaarste sinds mensenheugenis was. Op ruim 2500 kilometer afstand van het eiland was te horen geweest, hoe de vulkaan op maandag 10 april 1815 uit elkaar barstte.

Pas op zaterdag 21 juni 1817 wordt er melding gemaakt in de Bataviasche Courant dat alles in de omgeving van het voormalig koninkrijkje Tambora door de vuurspuwende berg was vernietigd. (bron: Koninklijke Bibliotheek )

Vandaag de dag zijn de extremen die zich in het weer voordoen zeer besproken en verwijt men het de huidige mens en de moderne tijden hier schuldig aan te zijn. Of het waar is laat ik in het midden, maar aan het einde van het jaar 1815 en het volgende jaar bleken de gevolgen van de eerder benoemde vulkanische activiteiten ook merkbaar in het brinkgehucht de Zulte.

De hoeveelheid gevallen as in de omgeving van de vulkaan Tambora op het eiland Soembawa in het jaar 1815.
(bron: Woudloper Derivative of image:1815 tambora explosion-2.png by User:Nyks – Eigen werk )

Ver van het gehucht ten noorden van het dorp Roden, in Hongarije en Italië, kleurde de vulkanische as aan het einde van 1815 en in het begin van 1816 de sneeuw die daar in de omgeving viel, rood en bruin. Daarnaast zorgde de gigantische hoeveelheid materiaal dat tijdens de uitbarsting uitgestoten werd, dat de gemiddelde temperatuur wereldwijd met zo’n 0,3 graden Celsius daalde.

Dat de gevolgen van de uitbarsting en de daling van de temperatuur ook hun uitwerking hadden op het dagelijks leven in het gehucht, spreekt voor zich. Waren de mensen eindelijk van Napoleon en die rare Fransozen verlost, begon het weer hen parten te spelen. De zomer van dat jaar kende weliswaar dagen waarop het warm of zelfs zeer heet was, maar het weer regelmatig sloeg zo snel om door middel van zware regen- en onweersbuien, dat er dan ongewoon koude en natte perioden volgden. Ook volgden enkele zeer zware nachtvorsten in de maand juni waardoor er veel oogsten verloren gingen.

Zo zou het er op een zeer koude juni ochtend in het jaar 1816 ergens in de omgeving van het voormalig brinkgehucht eruit hebben kunnen zien.

Nu dient er wel opgemerkt te worden dat er in de directe nabijheid van de Zulte amper sprake was van landbouw als in de zin, dat er hier bijvoorbeeld grote percelen haver of rogge voorkwamen. Deze bevonden zich meer ten zuiden van het dorp Roden. Veeteelt en het houden van schapen kenmerkte de omgeving van het gehucht. Daarnaast deed zich voor 1816 op een zeer kleine schaal nog iets van houtwinning voor, maar dat zal waarschijnlijk meer voor eigen gebruik dan voor financieel gewin hebben gediend.

Het gebruik van hakhout beleefde echter aan het einde van het jaar en aan het begin van 1817 een enorme opleving toen bleek dat de turfwinning dat jaar zeer tegen viel en de turf die wel aanwezig was, te slechte, nat en te duur was. Dit was onder andere het gevolg geweest van de hogere waterstand in de gebieden waar turf werd gewonnen, waardoor de opgestapelde turf wegspoelde. Dit tot grote ergernis van de grote turfboeren, die zagen dat de mensen met allerlei voertuigen het water opgingen en zijn turf begonnen te verzamelden.

Het leed voor de boeren in de Zulte beperkte zich voornamelijk tot de tegenvallende oogst van hooi, de hoge waterstand en dierenziektes. Met name de schaapskudde van het brinkgehucht werd zwaar getroffen. De aanhoudende nattigheid tijdens dat jaar, van zowel de ondergrond als het gras, zorgden ervoor dat de vacht van het schaap kletsnat werd en het kon dan ook niet uitblijven dat vele ziekten onder de schapen uitbraken. Vooral ongans of de bot in de lever (leverbot), schurft en kreupel heersten enorm onder de schapen in heel ons land en maakten zoveel slachtoffers, dat een tijdgenoot zich afvroeg waar alle schapen gebleven waren. Ook de kudde van het dorp Roden werd niet ontzien.

Vanaf 1806 was het verplicht om besmettingen door de schaapspokken door te geven aan de Maire (Burgemeester) van de woonplaats, waarop deze op zijn beurt het aantal gevallen door gaf aan de Gouverneur (Commissaris der koning) van de provincie. Op het bovenstaande briefje uit december 1816 is te zien hoe dat destijds te werk ging. (bron: Gemeentelijk Archief Noordenveld)

De maand juli was vanouds her de maand dat de boeren rondom de Zulte gingen hooien om een wintervoorraad voedsel voor het vee aan te kunnen leggen. In dit jaar wilde de zomer maar niet echt opgang komen en de opbrengst van hooi was dramatisch. De regen zorgde er niet alleen voor dat het gras  amper droog werd, de voedende delen bevatten ook nog eens te veel sappen. In veel hooilanden lag het gemaaide gras gewoon weg te rotten en wanneer er toch enigszins iets van hooi naar binnen gebracht werd, bestond de kans op schimmel of nog erger, hooibroei. Hooibroei ontstaat wanneer vochtig hooi opgeslagen wordt en de vocht in het gewas er voor zorgt dat de temperatuur binnen in de stapel gaat stijgen tot een punt, waardoor er zelfontbranding gaat ontstaan. Wanneer dit zich in het verleden voordeed, ging vaak de gehele boerderij in vlammen op.

Het was daadwerkelijk een jaar zonder zomer waarbij in Europa zich door de massale misoogsten hongersnoden en opstanden. Tyfus- en cholera-epidemieën heersten in vele landen van het continent, waarbij men schat dat door de hiervoor genoemde oorzaken, ruim 200.000 mensen aan de gevolgen gestorven zijn.

Meer info: Jaar zonder zomer.

Blauwgraslanden.

Ten noorden van het voormalig brinkgehucht bevonden zich aan het begin van de negentiende eeuw enkele oerbossen, waarvan het bos met de naam ‘Groot Noordhout’ verre weg de grootste was met ongeveer 36 hectare. Tussen het Groot Noordhout en het bijna vijf hectare groot ander bos, dat meer noordwestelijker van de es lag, bevond zich een gedeelte van het stroomgebied van het stroompje en lagen de madelanden (zie de afbeelding hieronder). De madelanden waren natte graslanden, die meestal alleen gebruikt werden als hooilanden als het weer het toeliet en bevonden destijds voornamelijk uit zogenaamde blauwgraslanden (Cirsio dissecti-Molinietum).

De madelanden omringden de blauwgraslanden tussen de twee bossen in het beekdalgebied van de Zulter Bitse rond het jaar 1816. Door hun vochtige toestand waren de blauwgras- en madelanden niet geschikt om er vee te laten weiden en dienden ze als hooilanden. In een zeer gunstig jaar met een droge nazomer kon het nogal eens gebeuren dat de ondergrond droog genoeg was en liet men er alsnog vee grazen. Het afgebeelde beekdal van het stroompje bevond zich op de plaats waar tegenwoordig het gebied ligt tussen de Klimop, De Hulst en Kamperfoelie.

  Blauwgraslanden kwamen vooral voor op de flanken van het beekdalgebied van de Zulter Bitse en dankten hun naam aan de blauwe zweem, die veroorzaakt werd door de hier voorkomende planten, zoals de Blauwe zegge (Carex panicea) en het Pijpenstrootje (Molinia caerulea) waren belangrijke soorten en kwamen er dan ook veel voor. Daarnaast behoorden planten zoals de Gevlekte orchis (Dactylorhiza maculata), Gewone brunel (Prunella vulgaris), Kale jonker (Cirsium palustre), Klein glidkruid (Scutellaria minor), Scherpe boterbloem (Ranunculus acris), Pinksterbloem (Cardamine pratensis), en de Spaanse ruiter (Cirsium dissectum) tot de rijke flora die hier eveneens voorkwam. En het is niet ondenkbeeldig, dat hier en daar een struik Dopheide (Erica tetralix) tussen de planten stonden, daar grote gedeelten van de graslanden voor de ontginning voornamelijk uit natte heidevelden hadden bestaan.

De madelanden tijdens een zomer met gunstig hooiweer. Het zeer kruidenrijke hooi dat van de blauwgraslanden afkomstig was, zal een verfrissende afwisseling in het menu van het vee in de Zulte geweest zijn.

  Het Pijpenstrootje zal het uitzicht het meest gedomineerd hebben vanwege het formaat van de plant. Het is een gras dat in forse, dichte pollen groeit en zijn naam aan een bijzonderheid heeft te danken aan de eigenschap van de steel, waar zich geen vergroeiingen in bevinden een een behoorlijke lengte bezit.

Een gemakkelijk herkenbaar in dichte pollen groeiend gras is Pijpenstrootje, Molinia caerulea, dat zeer algemeen te vinden is op nattere tot vochtige bodems.

De lange grasstengels waren dan ook uitermate geschikt om als binnenste van de lange uit witte klei bestaande stelen voor de lange Goudse pijpen te dienen tijdens het bakken. Daarnaast werden de stengels ook gebruikt om de gebogen stelen van de Goudse pijpen schoon te maken. De plant is nog steeds een veelvoorkomende grassoort onder andere in de meer nattere gebieden ten noordwesten van de huidige de Zulthe, waar zich een restant van het eens zo grote natte heideveld bevindt.

Een restant van een Goudse stenen pijpenkop van zowel de voor- als de achterzijde gezien en afkomstig is uit de Groningse klei. De pijpenkop is een bodemvondst die door mijzelf is gevonden en stamt gezien de vorm van de kop, waarschijnlijk uit het midden van de zeventiende eeuw.

  Planten zoals de Blauwe zegge (Carex panicea) waren weliswaar dominant in de blauwgraslanden aanwezig, maar waren vanwege de geringe hoogte die de plant in verhouding bezat met de grote pollen van het pijpenstrootje, iets minder zichtbaar.   De blauwgraslanden op de flanken in het beekdal van de Zulter Bitse werden dus uitsluitend gebruikt om te hooien wanneer het weer dit toeliet en dit alleen wanneer de vochtige bodem het toestond. Tot voordat de woningbouw vanaf de jaren zestig en zeventig hier plaatsvond, was het een natte, modderige bende en gebeurde het nogal eens, dat een onvoorzichtige bengel vast kwam te zitten in de modder. Met name op de plaats waar de straat De Vlier zich nu bevindt, was berucht om zijn drijfzand, zoals de kwajongens van toen het omschrijven.

Tijdens de zomer in het jaar 1816 was het aanbod van water erg groot en bleek de bodem vrij snel verzadigd te zijn, dat het stroompje in de lager gelegen stukken land van het beekdalgebied overstroomde en de graslanden onder water zette.

Vandaag de dag is er niets meer over van de madelanden en destijds zo typerende blauwgraslanden ten noorden van de Zulte. Heden ten dage zijn de sporen van het voormalig beekdalgebied nog duidelijk zichtbaar op de hoogteprofielkaarten en in de natte perioden van het jaar, is het goed te zien dat het hier een laaggelegen gebied betreft. Het voormalig beekdalgebied ligt ongeveer 80 tot 90 centimeter lager dan de omringende gebieden, die zich gemiddeld zo’n 3,5 meter boven het N.A.P. (Normaal Amsterdams Peil) bevinden. Een behoorlijk hoogteverschil dus met de Zulter Esch, die dus hoger op het Drents plateau meer naar het zuidoosten lag. Het verklaart natuurlijk ook waarom het stroompje zijn weg een slordige tienduizend jaren geleden juist door deze depressie heeft gezocht richting het noorden.

Meer info over: Blauwgrasland

Meer info over: Pijpenstrootje