De Germanen arriveren in de Zulte.

Het is niet geheel bekend wanneer de eerste brinken in de omgeving van het dorp Roden zijn ontstaan, maar waarschijnlijk verschenen de eerste brinkachtige nederzettingen in de tijd van de oude Germanen, de periode tussen 500 en 700 na Christus. Het is niet onvoorstelbaar dat de brink van het esgehucht de Zulte rond die tijd ontstaan is en sindsdien verder is ontwikkeld. De vondst van restanten van een boerderij nabij de es Kostverloren, waarvan één van de archeologen schat dat deze uit het jaar 800 na Christus stamt, geeft aan dat er vlakbij de brink al boerenactiviteiten plaats hebben gevonden. 

Op zo’n 60 centimeter diepte werden door archeologen sporen gevonden van een boerderij die uit de periode 800 na Christus schijnt te stammen. De sporen zijn duidelijk zichtbaar in het lichte zand.

Doordat het gebied rondom het esgehucht de Zulte zich aan het einde van het Drents Plateau bevindt, zal dit op de nieuwe bewoners een grote aantrekkingskracht hebben gehad om hier te blijven. De sporen van de laatste ijstijden, het Saalien (238.000 tot 126.000 jaren geleden) en het Weichselien (116 tot 11,7 duizend jaar geleden), hadden er hiervoor gezorgd dat het gebied deels met een redelijk vruchtbaar leemhoudende bodem was bedekt. Daarnaast hadden zich op de oplopende heuvels enorm grote bossen gevormd en waren er op de lagergelegen delen uitgestrekte heidevelden ontstaan. 

Op deze afbeelding zijn de sporen van de oude boerderij ook goed zichtbaar in het gele zand. Waarschijnlijk zal er hier een groot heideveld met enkele bossen hebben gelegen toen de boerderij gebouwd werd. Van de zeer intensieve landbouw tijdens de twintigste eeuw was er toen natuurlijk geen sprake.

De omgeving van het oude esgehucht zag er dus destijds heel anders uit dan vandaag de dag het geval is en het is amper nog voor te stellen hoe het hier zo’n 1500 jaren geleden uit heeft gezien. De nabijheid van de redelijk open ruimten tussen de bossen, de vruchtbare grond en de aanwezigheid van een kleine beek, zorgden dus voor een grote aantrekkelijkheid voor de Germanen die hier aankwamen. Ze hoefden hier geen strijd te voeren of land te veroveren, maar arriveerden hier als rustige nederzetters om hier te gaan wonen en werken. 

Zo zou het er in de periode 500 tot 700 na Christus in de Zulte hebben uit kunnen zien. De eerste Germaanse boeren die met hun gezin hier voorzichtig een nederzetting waren begonnen. Het is vandaag de dag nog amper voor te stellen hoe het hier in die tijd er moet hebben gezien (afbeelding: Bloeitijd boeren in Twente en Achterhoek door samenwerking (https://www.tubantia.nl/overig/bloeitijd-boeren-in-twente-en-achterhoek-door-samenwerking~a2dbd3df/).

Waarschijnlijk zal de omgeving ten oosten van de plaats waar de brink ontstond niet ideaal geweest zijn om een nederzetting te bouwen. In die tijd was het Groot Noordholt een enorm groot oerbos van tientallen vierkante kilometers waar onder andere wolven en beren voorkwamen, niet de meest vriendelijke buren die je destijds als boer kon wensen, waardoor de vroege bewoners genoodzaakt waren om op plaatsen te gaan wonen waar men zich en hun dieren tegen deze rovers kon verweren. Nee, dan was één van de bosranden van de kleinere bossen nabij de beek een geschikte plaats om enkele hutten in onregelmatige groepen van elkaar neer te zetten en zoiets van een vroege brink te vormen. 

Een mooi voorbeeld van hoe de boerderijen van de Germaanse boeren er destijds uit zou hebben kunnen zien op de plaats waar de brink eens werd gevormd (bron: http://preken.mobi/ ).

Het ontstaan van de brink, een ruimte van agrarische oorsprong dat bij het typische esdorpenlandschap hoort, gebeurde min of meer doordat er een vorm van bebouwing omheen plaatsvond. Deze ruimte, ook wel brinkruimte genoemd, kon tal van functies bezitten die van plaats tot plaats verschilde van een sociale ontmoetingsplek tot bijvoorbeeld een verzamelplaats voor het vee. Daarnaast werden er op veel brinkruimten eiken aangeplant voor het leveren van hout en eikels voor de varkens. 

Met een klein beetje fantasie had de vroege brink er in de laat-Germaanse tijd er zo uit kunnen zien. Het blijft vanzelfsprekend slechts een vermoeden van hoe het een en ander eruit zag, maar geheel onwaarschijnlijk is dit toch niet (afbeelding: Archeologie op de Kaart – Denekamp – Een Germaans dorp. (https://www.archeologieopdekaart.nl/).

Een ander en niet onbelangrijk aspect in de ontwikkeling van de vroege brink en de directe omgeving was toch wel de levensduur van een vroege boerderij. Onderhoud zoals wij dat heden ten dage kennen bestond nog niet en daardoor werd de houdbaarheid van een woning zeer beperkt. Vaak was het huis na zo’n dertig jaar volledig af en zakte het in elkaar. Doorgaans werd op de plaats naast de oude boerderij een nieuwe gebouwd met materialen onder andere afkomstig van de oude woning. De nieuwe materialen werden in de directe omgeving gewonnen in bijvoorbeeld de nabijgelegen bossen. 

Zo zag men een oud-Germaans huis in het midden van de twintigste eeuw zoals deze in de provincie Drenthe voorkwam. Waarschijnlijk mogen deze worden beschouwd als de voorlopers van het Saksische boerenhuis, dat zozeer het karakter van het latere Drentse esgehucht bepaalde. (afbeelding: Mr A. Klein – De Drentse dorpen 1948, J. A. Boom & Zoon Uitgevers Meppel. Pag. 47 illustratie van Y. S. Dijkstra).

Door de eeuwenlange redelijk geïsoleerde ligging van het zuiver agrarische esgehucht waar aanvankelijk niet anders dan een paar boeren woonden, zullen voor de nodige klussen ook gewoon boeren zich ingezet hebben. Beroepen zoals een smid of een timmerman zullen zij naast het boerenleven vervuld hebben. De Zulte was dan ook bij uitstek een boerengehucht. 

Vermoedelijk zal het aantal boerderijen rondom de vroege brink vrijwel hetzelfde geweest zijn en schommelde het zo rond de zes á zeven woningen waarin één of meer gezinnen woonden. Iets buiten de brink hebben ook de nodige boerderijen gestaan en zijn deze in de loop der tijd niet weer herbouwd. Sporen van oude boerderij uit de twaalfde eeuw zijn gevonden op het meest zuidelijke deel van de es Kostverloren. 

Restanten van een muur opgebouwd uit veldkeien in de grond van de es Kostverloren die uit de twaalfde eeuw zouden kunnen stammen. Links van de oude muur is de potklei duidelijk zichtbaar. Veel van deze veldkeien zullen de vroege boeren hier hebben verzameld. In de laag keileem die tijdens het Saalien door de gletsjers hier achtergelaten is, zaten zeer veel stenen waaronder dus de gebruikte veldkeien.

De eerste boeren arriveren in de Zulte.

Vanaf de periode die zo’n vijfduizend jaren voor het begin van de huidige jaartelling plaatsvond in de wijde omgeving van het voormalig esgehucht de Zulte tot grofweg enkele eeuwen later (4500 v.C.), deden zich gebeurtenissen voor die wij in een groot deel van Noord-Nederland konden aanschouwen. Enkele groepen van jagers en verzamelaars trokken in kleine groepen van gemiddeld zo’n 25 personen, door het gebied dat wij nu als het noordwesten van de provincie Drenthe kennen. 

In tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt, jaagden ook de vrouwen bij de jagers en verzamelaars mee voordat zij zich gingen vestigen als de eerste boeren. Vaak gebruikt men het argument dat de mannen fysiek veel sterker zouden zijn dan de vrouwen. Recent onderzoek verwerpt dit idee (bron). (Afbeelding: Geschenk der Gletscher – Wie die Eiszeiten Europa formten https://www.ndr.de/fernsehen/programm/epg/Geschenk-der-Gletscher-Wie-die-Eiszeiten-Europa-formten,sendung1499796.html#:~:text=Vor%20etwa%20450.000%20Jahren%20wurde,nicht%20denkbar%20ohne%20die%20Eiszeiten Donnerstag, 26. Dezember 2024).

De oorzaak dat een groep van jagers/verzamelaars uit ongeveer 25 personen bestond had een reden. Men gaat ervanuit dat het aanbod van voedsel dat verzameld werd, vrij beperkt was en men daardoor niet voldoende verzameld kon worden om een grotere groep van eten te voorzien. Het was dan ook één van de redenen dat de groep na verloop van tijd verder trok naar voedselrijkere gebieden. 

Nadat de jagers/verzamelaars zich gevestigd hadden als de eerste boeren in de Zulte, begonnen ze met het ontwikkelen en daarna het verbouwen van eetbare granen. Ook voor de vrouwen was nu een andere rol binnen de groep weggelegd en door het veranderen van de rol begon ook de populatie van de groep te groeien. (Afbeelding: Geschenk der Gletscher – Wie die Eiszeiten Europa formten https://www.ndr.de/fernsehen/programm/epg/Geschenk-der-Gletscher-Wie-die-Eiszeiten-Europa-formten,sendung1499796.html#:~:text=Vor%20etwa%20450.000%20Jahren%20wurde,nicht%20denkbar%20ohne%20die%20Eiszeiten Donnerstag, 26. Dezember 2024).

Niet alleen voor de moderne mens, die nog als jager en verzamelaar rondtrok in grote delen van ons land, stonden er zeer grote veranderingen te wachten, ook het gebied en het klimaat zou het een en ander ondergaan. Door het geleidelijk oplopen van de temperatuur en de toename van de vochtigheid steeg het waterpeil en liep niet alleen het Noordzeebekken vol water, maar nam de veenvorming in de hoger geleden delen van onze provincie destijds enorm toe. 

Het waren de tijden dat de moderne mens zijn overlevingsstrategie drastisch ging veranderen van het in groepen gaan jagen en verzamelen naar het overgaan om door middel van akkerbouw en het houden van vee om aan voedsel te geraken. In de loop der tijd ondervond men welke grassoorten met kon gaan verbouwen om graan te verkrijgen en het proces van het domesticeren van dieren zoals runderen voor voedsel zodat men niet meer hoefde te jagen om aan vlees te komen, zorgde voor de nodige zekerheid. 

Naast dat de overlevingsstrategie grondig veranderde door een andere levensstijl, maar ook onderging het menselijk lichaam de nodige veranderingen. Doordat de moderne mens nu niet meer voldoende vitamine D3 of cholecalciferol (C27H44O) meer binnenkreeg zoals dit tijdens de jacht gebeurde, begon de huidskleur van de mens lichter worden om uit ultraviolette stralen vitamine D3 via het zonlicht te kunnen produceren. 

Het zaaien van de eerste granen ging natuurlijk niet zoals men dat vandaag de dag doet. Nee, het voorbereiden voor het zaaien had nogal wat voeten in de aarde. Eerst diende de grond goed losgemaakt te worden waarna de vroegere boer er lange, smalle regels door de losgemaakte bodem trok om de zaden te kunnen planten (Afbeeldingen: Geschenk der Gletscher – Wie die Eiszeiten Europa formten https://www.ndr.de/fernsehen/programm/epg/Geschenk-der-Gletscher-Wie-die-Eiszeiten-Europa-formten,sendung1499796.html#:~:text=Vor%20etwa%20450.000%20Jahren%20wurde,nicht%20denkbar%20ohne%20die%20Eiszeiten Donnerstag, 26. Dezember 2024).

Een ander gevolg van het veranderen van een rondtrekkend bestaan naar een vaste woongemeenschap, was toch wel de vrij snelle stijging van de populatie. De veehouderij bleek een goede zet daar de jacht niet voldoende voedsel zou gaan opleveren om alle monden te kunnen voeden. Nu bestaat er geen weg meer terug voor de moderne mens naar het oude bestaan als jager/verzamelaar in de wijde omgeving van de Zulte. 

Als het graan rijp genoeg was, werd het door de boer met een sikkelvormig mes geoogst en daarna werden de zaden verzameld (Afbeelding: Geschenk der Gletscher – Wie die Eiszeiten Europa formten https://www.ndr.de/fernsehen/programm/epg/Geschenk-der-Gletscher-Wie-die-Eiszeiten-Europa-formten,sendung1499796.html#:~:text=Vor%20etwa%20450.000%20Jahren%20wurde,nicht%20denkbar%20ohne%20die%20Eiszeiten Donnerstag, 26. Dezember 2024).

Ebbinges en de Zulte.

Op het moment dat de 71-jarige schilderes Renske Ebbinge haar ogen voor het laatst sloot op die zwoele donderdagavond van de 21e juli 1958, kwam er een eind aan het tijdperk van de Ebbinge’s die zestig jaren eerder door haar vader, Roelof Ebbinge, in de Zulte was gestart. Renske was het jongste van de twee kinderen in gezin van Roelof en Hinderkien Ebbinge en bleef als vrijgezel tot haar dood in het huis wonen. Haar oudere broer Aldert Ebbinge, die het verkopen van het huis in 1958 regelde, overleed acht jaren later op 83-jarige leeftijd in ‘s-Gravenhage. 

Een nors ogende Renske Ebbinge voor haar huis in de Zulte in de jaren ’50 van de vorige eeuw (bron: Drents Archief).

Weliswaar was de naam Ebbinge nu uit dit gedeelte van de Zulte ten noordwesten van Roden verdwenen, maar de familie waaruit deze was voortgekomen bleek meer dan ooit nog in het voormalig esgehucht aanwezig te zijn. De oorsprong vinden wij terug ten zuiden van het naburig plaatsje Peize en om precies te zijn aan de Peijserhorst, de huidige de Horst, waar ene Roelof Brink met zijn vrouw Egberdina Buringe in het huis met het nummer 1 woonde. De landbouwer zou samen met zijn Egberdina 8 kinderen krijgen, waarvan er twee onze aandacht verdienen. 

Hun oudste zoon Roelof, die op zaterdag 24 november 1821 aldaar geboren werd, huwde op de dinsdag 12 juni 1849 met de zeven jaren jongere Janna Luinge, die eveneens uit Peize afkomstig was. Roelof en Janna verlieten op woensdag 1 mei 1850 de gemeente Peize en vertrokken naar de gemeente Eelde, waar hij als akkerbouwer aan de slag ging. Hun zoon Roelf Brink, die op zondag 15 februari 1852 aldaar het eerste levenslicht zag en inmiddels op woensdag 19 juni 1878 te Roden met Aaltien Egberts Aukema was gehuwd, verhuisde op maandag 24 maart 1879 van Eelde naar de Zulte, waar zij in het huis met het nummer 45 kwamen te wonen. Meer over Roelof en Aaltien: Roelof Brink en het gedonder in de Zulte. 

Iets meer dan vier jaren later, op zondag 4 december 1825, wordt dochter Harmtien als derde kind van Roelof en Egberdina Brink aan de Peijserhorst geboren. Harmtien stapt op vrijdag 20 juni 1845 in het huwelijksbootje met de eveneens uit Peize afkomstige en twee jaren oudere Aldert Ebbinge, die op dinsdag 24 juni 1823 was geboren als zoon van de landbouwer Aldert Allerts Ebbinge en zijn vrouw Cathariena Roelofs Mulder. Het prille echtpaar Ebbinge kwam bij de ouders van Aldert inwonen. Het echtpaar krijgt 7 kinderen waarvan hun derde kind, zoon Roelof Ebbinge en geboren op donderdag 9 augustus 1855 te Peize, op vrijdag 27 mei 1881 huwde met de uit Roderwolde afkomstige Hinderkien Egberts Aukema, een jongere zuster van Aaltien Egberts Aukema.  

Afbeelding van de huwelijksakte van de landbouwer Roelof Ebbinge en Hinderkien Aukema (bron: Drents Archief. Bronvermelding: Huwelijksregister Roden 1881, archiefnummer 0166.021, inventarisnummer 1881, aktenummer 16, Gemeente: Roden, Periode: 1881).

De beide meiden waren dochters van Egbert Floris Aukema, zoon van Floris Egberts Aukema, die grote delen van het gebied rondom het dorp Roden in bezit had. Toen in 1832 het Kadaster in werking kwam, werden de eigenaren van zijn percelen inmiddels aangeduid als ‘de kindren van Floris Aukema’. Wederom een verbinding met de Zulte, waar zij ook veel grond bezaten. 

De vermelding van de geboorte van de zoon van Roelof Ebbinge, Aldert Ebbinge, op zaterdag 11 november 1882 in het Geboorteregister van de Gemeente Roden (bron: Drents Archief. Bronvermelding Geboorteregister Roden 1882, archiefnummer 0165.021, inventarisnummer 1882, aktenummer 77, Gemeente: Roden, Periode: 1882).

Het echtpaar Ebbinge vertrekt naar Roderwolde, waar naar ruim anderhalf jaar op woensdag acht november 1882 zoon Aldert geboren werd. Zo’n vier jaren later wordt dochter Renske net zoals haar broer, op een woensdag in Roderwolde geboren. Om precies te zijn zag Renske op woensdag 1 december 1886 voor het eerst het levenslicht. Wat ook de reden geweest, Roelof en Hinderkien hielden het bij slechts twee kinderen, iets wat zeker niet gewoon was in die dagen.

Op zaterdag vier december 1886 werd de drie dagen eerder geboren Renske Ebbinge bijgeschreven in het Geboorteregister van de toenmalige gemeente Roden (bron: Drents Archief. Bronvermelding Geboorteregister Roden 1886, archiefnummer 0165.021, inventarisnummer 1886, aktenummer 82, Gemeente: Roden, Periode: 1886).

Na ruim vierenhalf jaar houden de landbouwer Ebbinge en zijn vrouw het voor gezien in het prachtig dorpje Roderwolde en keren op de woensdag 13 mei in het jaar 1891 naar zijn geboortedorp Peize terug. Ook in Peize beoefend Roelof het beroep van landbouwer uit en komt in het gezin in het huis met het nummer 299 te wonen, zoals op de afbeelding hieronder goed te zien is. Op vrijdag 18 september van het jaar 1896 vertrekt de dan bijna 14-jarige zoon Aldert naar Groningen om naar alle waarschijnlijkheid door te kunnen leren. 

De vermelding van het gezin Ebbinge in het Bevolkingsregister van de toenmalige Peize. Het gezin vestigde zich op woensdag 13 mei 1891 in het dorp en vertrok bijna zeven jaren later weer naar de gemeente Roden (bron: Drents Archief. Bevolkingsregister Peize 1863-1919 D-E).

Zo’n zeven jaren later is het mooi genoeg geweest in Peize en vertrekken Roelof, Hinderkien en Renske Ebbinge volgens de archieven van de voormalige gemeente Peize op woensdag 30 maart 1898 naar de gemeente Roden om zich in het esgehucht de Zulte te gaan vestingen, waar een nieuw huis op ze staat te wachten. Donderdag 31 maart 1898 woont het gezin officieel in Roden met het adres Zulte 183, wat later veranderd wordt in nummer 202. Zoals het in de vorige woonplaatsen het geval was, gaat Roelof volgens het bevolkingsregister van de voormalige gemeente Roden ook hier aan de slag als landbouwer.

In het bevolkingsregister van de voormalige gemeente Roden staat keurig beschreven dat de familie Ebbinge op woensdag 30 maart 1898 uit Peize is vertrokken en een dag later, op donderdag 31 maart in de Zulte ging wonen (bron: Drents Archief. Bevolkingsregister Roden 1882-1900 deel 1 A t/m K).

Op de pagina staat te lezen dat ook nog een Aldert Ebbinge bij het gezin inwonend is. Het is echter niet de zoon van Roelof en Hinderkien, maar de zoon van de vijf jaar oudere broer van Roelof, Aldert Ebbinge die dezelfde naam draagt als zijn vader en op zaterdag 17 september 1887 te Peize geboren is. De dan bijna twaalfjarige jongen kwam na anderhalf jaar op donderdag zeven september 1899 bij het gezin in te wonen en zal er als boerenknecht hebben gewerkt. Aldert blijft echter niet lang in de Zulte bij zijn oom en tante en vertrekt op maandag 21 januari 1901 weer naar Peize. 

Op de pagina van de familie Ebbinge in het bevolkingsregister van de voormalige gemeente Roden is naast de tussenposen van zoon Aldert ook goed te zien dat het huisnummer regelmatig veranderde (bron: Drents Archief. Gemeente Roden 1900-1922 Bevolkingsregister Deel 2).

Aan het begin van de twintigste eeuw zijn hier en daar al geluiden te horen dat er een spoorlijn van Groningen naar Drachten moet komen en dat zij ook Peize, Roden en Leek dient aan te doen. In de maand november van het jaar 1909 is het zover en wordt er een wetvoorstel ingediend: ‘strekkende te verklaren, dat het algemeen nut de onteigening vordert ten name van de Nederlandsche Tramweg Maatschappij van eigendommen in de gemeenten Smallingerland , Grootegast, Marum, Leek, Roden, Peize, Eelde, Hoogkerk en Groningen, noodig voor den aanleg van een spoorweg van Drachten naar Groningen.‘ De bekendmaking zal voor de nodige onrust hebben gezorgd bij de landeigenaren wiens land onteigend zal gaan worden. 

De bekendmaking van de wet die het mogelijk maakte, dat er grond ten behoeve van de aanleg van de tramlijn Groningen-Drachten onteigend kon gaan worden (bron: Nederlandsche Staatscourant No. 12, zaterdag 15 januari 1910, pagina 2).

Het wetvoorstel werd aangenomen op vrijdag 31 december 1909 en in de Nederlandsche Staatscourant van zaterdag 15 januari 1910 gepubliceerd. Landbouwer Roelof Ebbinge zal zeker de nodige boze bewoordingen hebben gebruikt toen hij hoorde dat de Staat zomaar even wat grond kon afpakken voor zo’n rottige rot trein. Ja, als ze hun zin kregen dan was hij een beste lap grond kwijt! 

Maar hoe luid alle Roelof’s (Brink, Deodatus Pieterszn. en Ebbinge) in de Zulte ook scholden en tekeergingen, de Nederlandsche Tramweg-Maatschappij ging gewoon door met het onteigenen van de stukken grond die nodig waren voor de aanleg van het spoor. Bijna 1450 vierkante meter zou Roelof kwijtraken aan de staat! Het moest niet veel gekker worden! Helaas voor Roelof ging het werk aan het spoor onverminderd door en vanaf zaterdag 1 mei 1915 werd deze opengesteld voor het goederenvervoer. 

Bijbehorende uitleg voor de tabel in de onderstaande afbeelding in verband met de onteigening door de Nederlandse Staat en zoals deze in het Nieuwsblad van het Noorden verscheen Van links naar rechts: Nummer van het grondplan., Te onteigenen grootte in Hectaren, Aren en Centiaren., Als;., Ter grootte van Hectaren, Aren en Centiaren., Kadastrale Sectie, Sectie Nummer., Ten name van:. (bron: Nieuwsblad van het Noorden, 24e jaargang, No. 227, dinsdag 26 september 1911, 4e blad).

Met de andere Aldert, de zoon van Roelof en Hinderkien dus, stijgt inmiddels op de ladder binnen de Belastingdienst en verhuisd op de donderdag 1 oktober 1914 van Leiden weer naar het ouderlijk huis in de Zulte. Twee maanden later, maandag 14 december 1914, vertrekt de Aldert Ebbinge naar het Friese Workum om weer als rijksontvanger aan het werk te gaan. Een half jaar later op dinsdag 15 juni 1915 is Aldert weer bij zijn ouders in de Zulte en wacht hij op zijn nieuwe werkplaats. Op de woensdag 29 september 1915 is het zover en Aldert vertrekt nu naar de plaats Oosterwolde in de gemeente Ooststellingwerf. 

Het huis van de familie Ebbinge die later ingetekend op een oude kadastrale kaart uit het jaar 1884. Op de tekening staat bij het huis de vermelding ‘Rood’. Dit verwijst naar de kleur steen waarmee het huis was gebouwd (bron: Drents Archief).

Ook Renske gaat op dezelfde dag in september 1915 richting Oosterwolde. Naar alle waarschijnlijkheid trekt ze bij hem in en wonen ze samen tot dinsdag 16 januari 1917. Waarschijnlijk vertrekt Aldert wederom naar een andere plaats – dit was het lot van een ’s rijksambtenaar – en gaat zijn zus Renske op 31-jarige leeftijd terug naar het huis van haar ouders in de Zulte. Iets wat ook goed op de pagina van de familie Ebbinge in het bevolkingsregister Deel 2 1900-1922 van de voormalige gemeente Roden te lezen is.

Een afbeelding van een jonge Renske Ebbinge die ongeveer uit de tijd stamt dat zij samen met haar broer richting het Ooststellingwerfse Oosterwolde vertrok (bron: Drents Archief)

Het is de dinsdag 29 april in het jaar 1928 wanneer Hinderkien Aukema op 73-jarige leeftijd haar laatste adem uitblaast en in de Zulte thuis op bed sterft. Renske woont dan nog samen met haar vader in het huis dat inmiddels Zulte 82 heeft gekregen en Aldert woont nu in het Brabantse Oss samen met zijn vrouw Roelfina Geertina Alida Ebbinge-van Dokkum en hun dochter Hennie. Op de gezinskaart van het gezin Ebbinge in het Bevolkingsregister van de gemeente Roden uit de periode 1922-1939, is de naam van Hinderkien doorgestreept.

De overlijdensadvertentie van Hinderkien in het Nieuwsblad van het Noorden van vrijdag 2 mei 1928 (bron: Nieuwsblad van het Noorden, 41e jaargang, no. 104, 1e blad, woensdag 2 mei 1928)

Een ander gegeven op de gezinskaart van de familie Ebbinge is wel de vermelding dat Roelof een vuurwapen bezit. Naast het huis en grasland in de Zulte, heeft Roelof een aantal percelen grond aan de overzijde van de woning in bezit, waaronder een klein heideveld. In die tijd kwam er veel wild voor in de omgeving van de Zulte en zoals een groot aantal bewoners van het voormalig esgehucht, zal Roelof ook een hartstochtelijke jager geweest zijn.

De gezinskaart van de familie Ebbinge in het huis met het nummer Zulte 82. Op de kaart staat duidelijk dat Roelof een vuurwapen bezit (bron: Drents Archief. Bevolkingsregister 1922-1939 gezinskaarten deel 4)

Het heideveldje is slechts een heel klein restant van wat eens een immens groot nat en moerassig heideveld ten noorden en ten westen van de Zulte. Aan het einde van de jaren dertig in de vorige eeuw kwam in veel plaatsen rondom Roden de zandwinning op en ook Roelof dacht hieraan een graantje mee te kunnen pikken. En zo werd er een grote dragline geregeld en Ol Boest (ene meneer Buist) zou wel even het zand voor Ebbinge gaan winnen. Echter na twee halen met de grote bak werd er van de zandwinning afgezien.

Het zogenaamde Ebbensveldje op een luchtfoto uit 2006. Rechtsonder is een beboste strook op het heideveldje te zien, waar de bak van Ol Boest zijn dragline zijn graafsporen heeft achtergelaten. Ook zijn de sporen zichtbaar van een weg, die in het verleden over het heideveld liep (afbeelding: Topotijdreis).

Het bleek dat de gewenste zandlaag slechts enkele tientallen centimeters dik was en het enige dat gewonnen werd, was kleverige keileem en taaie potklei. Volgens ooggetuigen uit die tijd waren ze langer bezig de bak van de graafmachine te ontdoen van de prut, dan het gevaarte op de heide en er weer weg te krijgen. Het schijnt dat men bij de laatste bak minstens een halve dag nodig had om deze weer redelijk schoon te krijgen.

De sporen zijn trouwens nog steeds zichtbaar op het heideveldje als een rechte geul van zo’n 50 meter lengte en zo’n vijf tot zes meter breed. De geul had verder geen functie meer en werd tijdens de natuurdagen gehouden in de jaren 90 en in de 21e eeuw volgegooid met snoeiafval. Dit snoeiafval werd dus in het water gegooid en kon dus zodoende wortels produceren. Het gevolg was dat nu de geul inmiddels vrijwel dichtgegroeid is en zorgt voor een bosje op het natte heideveld, zoals op de bovenstaande foto goed te zien is. 

Mevrouw Meijer met haar kinderen op ’t Ebbensveldje met de vele wilde gagel (Myrica gale) op de achtergrond. De bal om mee te spelen was destijds altijd binnen handbereik (afbeelding is mij in het verleden door de familie Meijer ter beschikking gesteld).

Het restant werd destijds in het Roner dialect het ‘Ebbensveldje‘ genoemd en veel jeugd uit de Zulte heeft hier als dan niet stiekem, een balletje getrapt.  Ook het zoeken naar adders (Vipera berus), die toen nog voorkwamen, was voor een aantal jongeren een leuke bezigheid op het Ebbensveldje. Menigeen uit die tijd vraagt deze scribent of de adders nog op ’t heideveldje zijn. Helaas, die zijn inmiddels verdwenen. Na het overlijden van Renske kwam dit heideveldje in het bezit van de Rijksuniversiteit te Groningen, die het op haar beurt later doorgaf aan Staatsbosbeheer.  

De advertenties van Aldert en Roelof waarin het overlijden van Roelfina Geertina Alida Ebbinge-van Dokkum bekend werd gemaakt in het Nieuwsblad van het Noorden (bron: Nieuwsblad van het Noorden, 50e jaargang, no. 246, 1e blad, dinsdag 19 october 1937)

Maar goed, laten we teruggaan naar het wel en wee van de familie Ebbinge in de Zulte. In het jaar 1937 komen wij de familie weer tegen op een minder vrolijke manier. Op zaterdag 16 oktober 1937 komt Roelfina Geertina Alida Ebbinge-van Dokkum te overlijden, dochter van Herman Johannes van Dokkum en Jantien Homan, vrouw van Aldert en moeder van Hennie Ebbinge. Aldert Ebbinge woont dan inmiddels in de stad Breda. Volgens de advertenties van zowel Aldert als die van Roelof en dochter Renske in het Nieuwsblad van het Noorden dinsdag 19 oktober 1937, zou het lichaam van de 56-jarige Roelfina de donderdag daarop om 2 uur vanuit de Zulte naar de begraafplaats vertrekken. Het spreekt vanzelf dat het hier het huis van Roelof betrof. 

Het huis met het nummer Zulte 21 tijdens een winterse avond in het jaar 1986. Zo zal het er ook rond 1937 uit hebben gezien, toen Roelfina vanuit hier naar de begraafplaats werd gebracht. De foto is afkomstig uit de privécollectie van de familie Niezink en in 2015 gepubliceerd in het boek ‘Van karrenspoor tot natuurgebied.

Tweeënhalf jaar later begint het jaar 1940 eerst niet goed in de Zulte met de Duitse inval in Nederland op vrijdag 10 mei 1940. En toch zal veel bij hetzelfde het eerste jaar van de oorlog. Zoon Aldert heeft echter heugelijk nieuws en hij gaat weer trouwen op donderdag 5 september 1940 in de stad Groningen met de 49-jarige en in Delfzijl geboren Johanna Geertruida Roggenkamp. 

De huwelijksakte van Aldert Ebbinge en Johanna Geertruida Roggenkamp uit 1940 (bron: Gronings Archief. Huwelijksregister 1940, aktenummer 713, Gemeente: Groningen, Periode: 1940).

Roelof zal zich voor zijn zoon hebben verheugd dat deze een nieuwe liefde in zijn leven had gevonden en inmiddels samen met zijn nieuwe vrouw en dochter Hennie naar ‘s-Gravenhage was vertrokken. Ruim een half jaar later voelde Roelof zich niet goed en kwam op maandag 10 maart 1941in de leeftijd van 85 jaren te overlijden. Een dag later verscheen er in het Nieuwsblad van het Noorden een overlijdensadvertentie van de kinderen Aldert en Renske.

De overlijdensadvertentie van de kinderen Aldert en Renske in het Nieuwsblad van het Noorden van dinsdag 11 maart 1941 waarbij zij het overlijden van hun vader Roelof Ebbinge bekendmaakten (bron: Nieuwsblad van het Noorden, 54e jaargang, no. 59, 1e blad, dinsdag 11 maart 1941)

Al ruim voor zijn overlijden zal Roelof Ebbinge een groot gedeelte van zijn landbouwactiviteiten hebben afgestoten en wat er nog te doen was, zal dochter Renske voor haar vader opgeknapt hebben. Renske brengt haar dagen onder andere als kunstenares door, ze was volgens insiders een begaafd schilderes. Na ruim 17 jaren zonder haar vader in het prachtige huis met het nummer Zulte 21 te hebben doorgebracht, waarbij haar broer Aldert met vrouw, dochter Hennie en haar man en kinderen regelmatig vanuit Den Haag hier op bezoek komen, is het ook voor haar de hoogste tijd geworden en komt ze te overlijden.

De aangifte van het overlijden van Renske Ebbinge door de aanspreker Jan Holt uit Roden (bron: Drents Archief. Overlijdensregister Roden 1958, archiefnummer 0167.021, inventarisnummer 1958, aktenummer 30, Gemeente: Roden, Periode: 1958).

Op de leeftijd van 71 jaar sluit de in Roderwolde geboren en vrijgezelle Renske Ebbinge op de donderdag 31 juli van het jaar 1958 om half acht ’s avonds voor het laatst haar ogen en kwam er een einde aan de aanwezigheid van de familie Ebbinge in de Zulte zoals wij deze heden ten dage kennen. De 57-jarige aanspreker Jan Holt verscheen zaterdag twee augustus voor de ambtenaar van de burgerlijke stand der gemeente Roden om het overlijden van Renske aan te geven.

Voordat de telefoon zijn intrede bij iedereen thuis had gedaan in Roden, bestond de taak van Jan Holt er onder andere uit om aan huis de nabestaanden in kennis te stellen van een overlijden. Daarnaast kon de aanspreker ook de aangifte van het overlijden doen bij de burgerlijke stand en eventueel de begrafenis of crematie regelen. Volgens de rouwadvertentie die in het Nieuwsblad van het Noorden van zaterdag 2 augustus 1958 verscheen en door Aldert Ebbinge was geplaatst, zou het lichaam van Renske naar Dieren gebracht worden waar zij op maandag 4 augustus om 1:45 uur gecremeerd zou worden. 

De door Aldert Ebbinge geplaatse overlijdingsadvertentie in het Nieuwsblad van het Noorden met de bekendmaking dat Renske in Dieren gecremeerd ging worden (bron: Nieuwsblad van het Noorden, zaterdag 2 augustus 1958, pagina 4).

Na het overlijden van Renske moet de enige uit het gezin van Roelof Ebbinge overgebleven gezinslid en de in Den Haag wonende zoon Aldert de zaken gaan regelen. De weilanden komen in de handen van de buren, het heideveld met de naam ‘Ebbensveldje’ komt rond 1959 in het bezit van de Rijksuniversiteit van Groningen en het huis aan de Zulte wordt in het jaar 1958 verkocht aan Tj. Hofman, winkelier/juwelier aan de Brink in Roden. 

Op de foto zijn Meint en Bregtje met kinderen aan het eind van de jaren vijftig voor het huis aan de Zulte te zien. Linksonder is nog het bruggetje over de sloot zichtbaar en het geheel oogt vredig in de vroege zomer van dat jaar. Deze foto en de foto hieronder zijn zeer welwillend door Henk van der Dijk, zoon van Meint en Bregtje en oud-bewoner van het huis, aan mij ter beschikking gesteld om te gebruiken in dit artikel. Waarvoor nogmaals zeer veel dank!

Het huis blijft niet lang onbewoond en het jonge gezin Meint en Bregtje van der Dijk trekt in de woning met het adres Zulte 21. Het was al een behoorlijke tijd geleden dat er jonge mensen in de woning vertoeven. De uit Bedum afkomstige Meint gaat bij Tjaart Hofman, de eigenaar van het huis en winkelier/juwelier aan de Brink in Roden, als horlogemaker aan de slag om zijn kost te verdienen. Weer iets heel anders dan een landbouwer. 

De trotse nieuwe bewoners van de Zulte 21 aan het einde van de jaren vijftig. De lichtelijk strenge blik van Meint van der Dijk wordt gecompenseerd door een betoverende glimlach van Bregtje. Ook deze prachtige foto zoals die van hierboven zijn afkomstig van de zoon van Meint en Bregtje, Henk van der Dijk, waarvoor ik hem zeer erkentelijk ben. Nogmaals dank je wel.

De jaren vijftig verstrijken geruisloos in het voormalig esgehucht de Zulte en de enige banden die de familie Ebbinge nog met dit rustige plaatsje heeft, zijn de families Brink en Holthuis die zuidelijk nabij de brink wonen en heel ver in de verte familie is. Enkel Aldert is over van het gezin van Roelof Ebbinge, maar hij woont in het verre Den Haag. De pensioneerde en voormalig rijksontvanger, een ambtenaar aan wie het beheer van inkomsten en uitgaven van het Rijk is opgedragen, loopt echter ook al op zijn laatste loodjes. 

Bijna acht jaren na het overlijden van zijn jongere zuster Renske komt Aldert ook te overlijden in het luxe ‘s-Gravenhage, heel ver van de Zulte vandaan. Op de vrijdag de zevende in de maand januari van het jaar 1966 om 10:30 in de ochtend in Voorburg te Den Haag, blaast hij zijn laatste adem uit in de warme en liefdevolle omgeving van zijn vrouw Johanna Geertruida.

De vermelding van het overlijden op 7 januari 1966 te ‘s-Gravenhage van Aldert Ebbinge, geboren te Roden, 83 jaar oud, zonder beroep (bron: Haags Gemeentearchief te Den Haag, BS Overlijden. Ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ‘s-Gravenhage, ‘s-Gravenhage, archief 335-01, inventaris­num­mer 1861, 10-01-1966, Nadere toegang op het overlijdensregister van de gemeente ‘s-Gravenhage, aktenummer A71).

Na de familie van der Dijk kwamen nog een aantal andere families zoals Niemeijer, Hoogeveen, Smilda en Niezink. In het Nieuwsblad van het Noorden bood de zoon het huis in mei 1969 te huur aan als een gemeubileerde vakantiewoning dicht bij het Leekstermeer. Het huis is aan het begin van de 21e eeuw gesloopt om plaats te maken voor een rondweg en een rotonde.

De advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden geplaatst door C. W. Hofman uit Roden waarin hij de Zulte 21 wil verhuren als een vakantiehuis (bron: Nieuwsblad van het Noorden, 82e jaargang, No. 124, vrijdag 30 mei 1969, negende blad, pagina 28).

Op de onderstaande afbeelding is de advertentie te zien die notaris G. J. Wilts in opdracht van de echtgenote en inmiddels weduwe van Freerk Smilda, G. Smilda-v.d. Wal, in het Nieuwsblad van het Noorden liet plaatsen. Deze advertentie verscheen op zaterdag 24 augustus 1974 in alle edities van deze krant. Het huis had inmiddels het huisnummer Zulthe 19.

In de door de notaris G. J. Wilts geplaatste advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden was een foto van de woning toegevoegd (bron: Nieuwsblad van het Noorden van zaterdag 24 augustus 1974, pagina 2. 287ste jaargang, no. 198).

Het enige dat wij nog kunnen aantreffen van de in allerhaast gesloopte woning zijn kleine stukjes rode steen, die door het sloopproces in de bodem terechtgekomen zijn en nu door mollen die met hun molshopen de restanten weer aan de oppervlakte weten te brengen. Op zich een leuk gegeven, maar of Roelof Ebbinge blij met zou zijn met de vele mollen die daar nu aanwezig zijn? Ik waag dat te betwijfelen. 

De plaats waar eens het mooie huis gestaan heeft in de Zulte. Helaas moest het verdwijnen en plaatsmaken voor ambitieuze plannen van een wethouder en een rondweg plus rotonde.

Bruggen, duikers en modderige schaapherders

Toen vele jaren geleden, zo rond 1825, de weg van Roden naar het voormalig esgehucht de Zulte naar de herberg met de mooie naam Stoutenburg doorgetrokken werd, veranderde er veel voor de bewoners rond de brink en ook het rustieke uiterlijk kreeg een ander uiterlijk. Hier en daar zal er wel een inwoner iets hebben gemompeld dat het voor hem allemaal niet nodig was geweest, maar de meeste bewoners zullen de veranderingen hebben toegejuicht. Het esgehucht was nu ook uit de richting van Nietap en de Leek makkelijker te bereiken, iets wat de nodige tijdwinst opleverde voor menigeen die hier op doorreis was. 

Een niet minder belangrijke verandering in het esgehucht was wel, dat de wispelturige beek de Zulter Bitse enigszins getemd werd en dat men nu over het beekje kon gaan. Iets dat voor de aanleg van de weg tijdens zeer natte perioden schier onmogelijk was, daar het beekje dan door de enorme toename van regenwater via bovenlaag in het gebied, wist uit te groeien tot en forse stroom. Daarnaast was de samenstelling van de boden hier van zo’n slechte kwaliteit, delen keileem en potklei bedekt met een dunne laag zand of aarde, dat bij de toename van de aanvoer van water het hier een grote modderbende werd. 

Op de Franse legerkaart uit 1810/1811 is de Zulter Bitse te zien die door het voormalig esgehucht de Zulte stroomt. Rond deze tijd was het in de nattere perioden van het jaar waarschijnlijk een grote modderbende op de plaats waar men door de beek moest gaan (afbeelding: Drents Archief).

Nee, doorgaans was men zeer positief over het feit dat de weg nu doorgetrokken werd en men met droge voeten de beek kon oversteken. Met name de op de donderdag 15 augustus van het jaar 1792 te Zevenhuizen geboren schaapsherder van de Zulte, Jan Harms Hummel, die vanuit het oostelijk van het gehucht gelegen Noordeinde kwam, was de brug een zegen. Jan Harms, die samen met zijn vrouw Aaltje en hun kinderen bij Harm Lammerts Sikkes Kroon en Jantje Knelles in het huis met het adres Noordeinde 223 woonde, moest voorheen in de nattere perioden door de braggel heen om bij de schaapskudde te geraken. 

Nadat de Zulter Bitse rond 1825 was omgelegd en later in de negentiende eeuw hier een oprit werd aangelegd voor de boerderij die in 1886 hier werd gebouwd naast de plaats van de vorige boerderij, werden hier ook de sporen zichtbaar van het verleden. Blijkbaar bevinden zich hier nog enkele ondergrondse waterstromen die er voor zorgen, dat de ondergrond hier zier instabiel blijft. En gezien de plaats waar het verzakt, is het duidelijk dat dit niet door het verkeer komt.

Jan Harms Hummel was er zeker niet rouwig over dat hij nu met droog schoeisel over de nieuwe houten brug kon lopen richting de Zulter schaapskooi. Ja, het was een simpel houten bruggetje over de beek geworden, maar hij voldeed prima. Ook de loop van de beek was veranderd en grotendeels gekanaliseerd, of beter gezegd, rechtgetrokken en liep nu zo’n vijftig meter noordelijker onder de nieuwe brug door. De oorspronkelijke weg tussen het dorp Roden en de herberg Stoutenburg aan de Leekster Dyk ten oosten van het esgehucht, had zijn functie grotendeels verloren en verdween in de loop der tijd.

De Zulte op de Kadastrale kaart uit 1832 waarbij het houten bruggetje over de Zulter Bitse goed te zien is. Jan Harms Hummel zal verheugd geweest zijn dat hij nu met droge voeten bij de schaapskudde kon komen (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort)

Hier en daar zijn de sporen van dit weggetje nog terug te vinden in het gebied, ondanks dat de toenmalige gemeente Roden zijn blik op dit gebied had geworpen, nadat de ‘beter gesitueerde’ inwoners van het dorp de woningbouw in hun achtertuin in het zuiden van Roden hadden weten tegen te houden en dat dit het gevolg had, dat hier met alle geweld een woonwijk uit de grond stampte. Het waren andere tijden. De tijd dat het toenmalig gemeentebestuur de ambitie had om de stad Groningen qua grootte en inwonersaantallen naar de kroon te steken. 

In het verlengde van de Klimop bij de Hulst staat nu nog een landhek die plaats markeert waar de weg richting de herberg Stoutenburg zich bevond. Nadat de weg door de Zulte naar de herberg was aangelegd, had de weg zijn functie verloren en werd langzamerhand in het landschap opgenomen.

Maar goed, de vier voorgaande eeuwen waren nu afgesloten en de ontwikkeling rondom het voormalig esgehucht gingen gestaag door. Immers, door de aanleg van de weg was het redelijk beschut gelegen gehucht onderdeel geworden van de weg tussen Roden en de Leek en deed het mee in de evolutie van het gebied. Langzamerhand verdwenen de boerderijen die er al vanaf de vijftiende eeuw stonden en kwamen er nieuwe boerderijen bij, die geheel voldeden aan de eisen die men stelde aan de woningen in het midden van de negentiende eeuw. 

Een segment van een kaart uit het jaar 1861 met de titel “Een lengte-profil en situatie-teekening van den weg van Roden naar Nietap bij De Leek”. Op de inzet is de gemetselde duiker te zien (afbeelding: Drents Archief).

Het begin van de jaren zestig van die eeuw waren de jaren dat er serieus naar de wegen binnen de toenmalige gemeente Roden gekeken werd en daar waar het ging, verharding door middel van grind werd toegepast. Een nadeel van storten van forse laag grind als verharding van de weg is onder andere het gewicht dat op de ondergrond komt. Het spreekt dan ook voor zich, dat de houten brug werd vervangen door een doorgang voor het water dat tegen deze druk bestand was. Er werd voor een gemetselde duiker met een gebogen vorm en een diameter van ongeveer 1 meter gekozen. De waterdruk op de Zulter Bitse was destijds vele malen groter dan heden ten dage, daar waar de vele sloten en het effectief afwateringsysteem binnen de gemeente de functie van de beken heeft overgenomen. 

De percelen waarvan een strook werd onteigend nabij de Zulter Bitse in een advertentie in alle landelijke bladen verscheen. Deze advertentie was afkomstig uit de Leeuwarder Courant van 25 september 1911. Van Roelof Deodatus Pietersz.werd een brede strook van het perceel I-275, dat bestond uit hakbosch, onteigend. Van Roelf Brink werd van de percelen I-1513 (huis en bouwland), I-1008 (huis, schuur, stookhuis en erf) en I-1114 (weg) een strook onteigend voor de aanleg van het tramspoor. De Bitse had
het nummer Ong., en was eigendom van de gemeente Roden.

Met de aanleg van de tramlijn Drachten-Groningen door de Nederlandse Tramweg Maatschappij te Heerenveen moest nu ook weer het een en ander aangepast worden in de Zulte. Vanaf 1911 werden delen grond van de eigenaren langs het toekomstig traject onteigend en kon de aanleg van het spoor beginnen. Er werd niet alleen een spoorbaan aangelegd voor de stoomtram, maar ook de duiker die onder de weg lag, moest ook worden verlengd. De waterdruk op het beekje was inmiddels zo afgenomen, dat de duiker onder het spoor weliswaar in dezelfde vorm werd gemetseld, maar nu in een diameter van zo’n 85 centimeter. Op de woensdag 1 oktober in het jaar 1913 werd de tramlijn in gebruik genomen.

Een afbeelding van het traject over de Zulter Bitse en langs de weg tussen Roden en De Leek uit 1911, waarbij de vermelding staat dat er een stenen duiker komt te liggen met die 0, 85 meter wijd is. De boerderijen links- en rechtsboven op de tekening waren in het bezit van landbouwer Roelf Brink, de boerderij rechtsonder was eigendom van Roelof Deodatus Pietersz., die eveneens landbouwer was  (afbeelding: Drents Archief).

Dat de tram en later de treinen voor de nodige ongelukken en overlast hebben gezorgd, staat verderop op deze weblog beschreven. Door een inmiddels geperfectioneerd stelsels van sloten en watelopen dat er voor had gezorgd, dat de functie van de Zulter Bitse eigenlijk tot nul gereduceerd was. Immers, het nieuwe stelsel wist ervoor te zorgen, dat het water binnen een halve dag al bij Lauwersoog was en daar in de Waddenzee gespuid kon worden.

De bovenloop van de Zulter Bitse heden ten dage bij de Zulthe. De duiker is al jaren geleden verdwenen toen ook het spoor weggehaald werd. Tegenwoordig ligt er een voetpad langs de sloot.

In de jaren veertig, vijftig en zestig van de vorige eeuw was er van een actieve beek allang geen sprake meer en verschilde de waterstand nogal per seizoen. Zo stond deze in de zomer zo laag, dat de beek in het gehucht vrijwel droog stond en de lokale jeugd de duiker onder de weg gebruikte als sluipweg om appels en steenperen bij de boerderij van Deodatus te plukken. In de nattere perioden tijdens de late herfst en de winter was het aanbod van water zo groot, dat de beek de woeste vormen van vroeger aannam en het water met donderend geweld richting het Leekstermeer werd afgevoerd. Ook hier wist de lokale jeugd ook wel raad mee en zetten zij zelfgemaakte papieren bootjes nabij de duiker in de Bitse. De sport was dan, om zo snel mogelijk op de fiets bij de Turfweg te zijn om het bootje voorbij te zien komen. 

In de extreem droge zomer in het jaar 2022 stond de bovenloop van de Zulter Bitse wederom droog. Nu stond de beek in de voorgaande jaren ook regelmatig droog in de zomer, maar dit jaar was het volgens een buurtbewoner wel heel erg. Bleef de bodem in de eerdere jaren altijd wel is van modderig en zacht, in 2022 was de bodem kurkdroog en keihard. Dit had de beste man dan ook nog nooit meegemaakt.

Vanaf het midden van de jaren zestig van de eerder genoemde eeuw was men de overlast die de beek dus in de nattere perioden van het jaar veroorzaakte meer dan beu en werd daar waar het kon de loop van de beek aangepast. Zo kwam er bij het Valkenveldsbos een kleine stuw om de waterstand beter te kunnen regelen en toen het gedeelte tussen het bos en het Leekster Hoofddiep gereed was, begon het waterschap samen met de gemeente Roden aan het aanpassen van de bovenloop en het bouwrijp maken van het aangrenzend gebied. 

De stuw KST-351 die in de jaren zestig van de vorige eeuw in de Zulter Bitse naast het Valkenveldsbos was geplaatst. De stuw werd aan het einde van de jaren zeventig nog een punt van discussie waarbij de toenmalige wethouder van de gemeente Roden, de oorzaak van slecht beleid op het gebeid van de waterhuishouding op het plaatsen van de stuw door het waterschap probeerde te schuiven. De wethouder kon naar de geëiste tienduizend gulden fluiten en het gedeelte tussen de Van Bergenstraat en de Vredelaan bleef nog lang wateroverlast houden door een slecht functionerende riolering.

Voor de beek en zijn unieke uitstraling was geen plaats meer en aan het begin van de jaren zeventig werd het laatste deel van de beek getemd en werden er twee vijvers gegraven met het doel om de waterstand te kunnen controleren en als het even kon, de prijs van de percelen bouwgrond bij de tweede vijver aan de huidige Klimop net even iets hoger te verkopen dan de bedoeling was. De eerste vijver, waar nu het water uit de omringende sloten naar afgevoerd werd, legde men aan tussen de Zulthe en de Klimop naast de boerderij Tilkamp en stond door midden van een rechthoekige betonnen duiker in verbinding met de andere vijver. 

Het begin van de eerste vijver tussen de Zulthe en Klimop naast de prachtige boerderij Tilkamp. Het water dat vroeger via de sloten in de Zulter Bitse kwam, komt nu hier terecht.

Het gedeelte van de beek die vanaf de duiker in de Zulte tot aan het einde van de nieuw gegraven vijver bleef bewaard en heeft nog steeds min of meer een waterafvoerende functie inclusief een schouw, die door het waterschap Noorderzijlvest strak wordt gehandhaafd. Tot aan het punt dat het water regelmatig vervuild raakte doordat het gemeentebestuur van de toenmalige gemeente Roden toestond dat het ongezuiverde rioolwater in de beek terecht kwam, hebben wij als kinderen menigmaal achter bij Wiebe Brink jonge visjes gevangen met een schepnetje gemaakt van een oude panty. 

Het punt waar de tweede vijver via een duiker onder de weg doorgaat en de Zulter Bitse zijn oude vorm aanneemt. Ook het gedeelte waar de beek hier onder de Hulst doorloopt is al tig keren veranderd naar gelang de grillen van het waterschap of de gemeente.

Na het jaar 1985, toen de trein voor het laatst door de Zulte reed, is het spoor langs de weg verwijderd en is er een tegelpad voor in de plaats gekomen. Hierbij werd ook de duiker verwijderd en naar alle waarschijnlijkheid is dit vrij knullig gebeurd. Sinds jaar en dag verzakt hier de de asfaltweg en iedere keer na een herstelbeurt, verschijnen er weer vrij snel scheuren in de weg en is het kenmerkende ‘pop-pop’ te horen als er auto’s over deze plaats in de weg rijden. Dankzij de bewoners die langs de voormalige bovenloop van de beek wonen, heeft deze zijn karakteristieke vorm in dit gebied behouden.

Inmiddels zijn de beruchte scheuren in het wegdek weer verschenen en is het afwachten wanneer het kenmerkende ‘pop-pop’ geluid de buurtbewoners langs de Zulthe ’s nachts weer in slaap gaat wiegen.

Het Tilkaampie

Toen aan het einde van de jaren zestig tijdens de twintigste eeuw door de toenmalige gemeente Roden besloten werd om aan de algemene woningbouwvereniging Roden bijna 6500 m2 bouwterrein te verkopen om de bouw van 33 woningwetwoningen te kunnen realiseren nabij het voormalige esgehucht de Zulte, had het project inmiddels van een ijverige ambtenaar binnen de gemeente de naam ‘Plan Tilkamp’ gekregen. De naam had men ‘geleend’ van de boerderij uit 1908 die ten westen van het grote bouwterrein lag en in het bezit was van landbouwer Wiebe Roelof Brink, die hier met zijn gezin woonde. De naam van de boerderij was zelfs zo leidend, dat de directiekeet van Koops’ bouwbedrijf uit Wijster waar uitvoerder J. Lammerts de scepter zwaaide en bereikbaar was op het telefoonnummer 05908-8897, ‘Tilkamp’ werd genoemd.

Een advertentie uit het begin van de jaren zeventig waarin het bouwbedrijf Koops personeel zoekt en deze zich kunnen melden bij de directiekeet (afbeelding: Nieuwsblad van het Noorden waarin opgenomen de Provinciale Groninger Courant, welke is opgericht in 1787, 84ste jaargang, no. 26, Maandag februari 1971, pagina 10).

De grootvader van Wiebe Roelof, Roelof Brink, had in het jaar 1908 de boerderij laten ontwerpen door de Nietapster architect H. C. Hillebrands met het idee dat een van zijn twee zonen hier in de toekomst zou gaan wonen. Roelof senior woonde destijds met zijn vrouw en kinderen in de boerderij waar nu het notariskantoor VelemaRijks gevestigd is aan de Zulthe 1. Op woensdag 1 juli 1908 was het zover en verscheen de eerste advertentie in Nieuwsblad van het Noorden met de aanbesteding van het nog te bouwen huis en opgesteld was door de in Nietap woonachtige architect.

De advertentie van de Nietapster Architect H. C. Hillebrands verscheen vier dagen later voor een tweede maal in het Nieuwsblad van het Noorden (afbeelding: Nieuwsblad van het Noorden, zondag 5 juli 1908, pagina 12, 21ste jaargang No. 157).

Op de donderdag 9 juli in het jaar 1908 om vier uur ’s middags had in het café van R. v. d. Molen in Roden de aanbesteding plaats voor de bouw van de boerderij en waren er maar liefst 26 biljetten ingeleverd, waarbij G. S. Noteboom uit Opende als duurste de bouw voor 7200 gulden wilde doen en de uit Hoogezand afkomstige bouwer P. v. Dijken dacht de klus voor een slordige 5247 guldens te kunnen klaren. Waarschijnlijk zal van Dijken de klus hebben gekregen, daar zijn aanbesteding het goedkoopste was.

Twee dagen na de aanbesteding verscheen het bovenstaande in de krant van zaterdag 11 juli 1908. De architect en de boer hadden keuze genoeg om een bouwer te kunnen kiezen (afbeelding: Nieuwsblad van het Noorden, zaterdag 11 juli 1908, pagina 3 21ste Jaargang, No. 162. pag. 3).

In het begin van de maand november in het jaar 1908 was de nieuwe behuizing en de grote schuur afgebouwd. Naar alle waarschijnlijkheid verliep het voor de bouwer een stuk minder gunstig af dan voor boer Roelof Brink, getuige de advertentie in de krant die op dinsdag 10 november van dat jaar verscheen en geplaatst was door de deurwaarder W. Roeterdink. In de advertentie staat dat er de volgende dag, woensdag 11 november, ’s middags vanaf twee uur een heleboel goederen tegen contant geld publiek verkocht gaan worden. Veel van de voorwerpen die aangeboden worden, doen vermoeden dat het hier om een bouwfirma gaat.

De advertentie van deurwaarder W. Roeterdink in het Nieuwsblad van het Noorden waarin hij voornemens is een grote partij bouwmiddelen, machines, etc. publiekelijk te gaan verkopen (afbeelding: Nieuwsblad van het Noorden, dinsdag 10 november 1908 pag. 6 21ste Jaargang. No. 265).

De nieuwe boerderij van Roelof Brink was zo gebouwd, dat de inrit naar de woning en de schuur van de weg de Zulte kwam en niet achterlangs, waar eens de oude weg richting de boerderij Vogelsang had gelegen. Een nadeel was echter dat door het aanleggen van de inrit, een boom van de gemeente Roden hinderlijk in de weg stond. Boer Brink liet het hier niet bij zitten en vroeg vervolgens aan bij de gemeente dat de boom gekapt kon worden. In de raadsvergadering van vrijdag 27 november 1908 werd besloten dat de boom gekapt ging worden.

Het bericht in de krant van maandag 30 november 1908 waarin het besluit om de boom die boer Brink in de weg staat, mag worden gekapt. (advertentie: Provinciale Drentsche en Asser courant, maandag 30 november 1908, pagina 13, 85ste Jaargang, No. 881).

Langs de weg stonden niet alleen veel oude zomereiken, er lagen ook een aantal sloten. Een van die sloten liep voorbij de nieuw aangelegde boerderij en in plaats van een buis te plaatsen en er een doorgang naar de ingang van het woonhuis te maken zoals dit bij de inrit was gebeurd, werd er een betonnen brug over de sloot gelegd. Zo’n bruggetje werd in de volksmond ook wel een ‘til’ genoemd. De brug voerde vervolgens naar het grondstuk van de eigenaar, dat ook wel een ‘kamp’ of ‘kaamp’ in het hier gesproken dialect genoemd werd. Waarschijnlijk is het huis zo aan zijn naam gekomen.

Het betonnen bruggetje voor de boerderij de Tilkamp aan de Zulthe. Dit bruggetje is door de huidige bewoner in ere hersteld en prijkt nu trots voor het woonhuis.

Hoe dan ook, de boerderij was tot op het moment dat er omheen huizen werden gebouwd, een kenmerkend punt in de omgeving en iedereen kende boer Wiebe en later zijn Roelof die het boerenbedrijf overnam en later aan de Meerweg nabij Nietap voort heeft gezet.

De huidige woning vanuit het noorden richting het zuiden gezien. Op de achtergrond is het huis te zien waar destijds Egberdina de Vries-Brink woonde in de Zulte.

Tegenwoordig is de functie van boerderij verdwenen en is het een prachtig woonhuis geworden waar je voor een prikkie kakelverse eieren kunt kopen. Hoe dank ook, het is één van de kenmerkende punten in de Zulte geworden en ik hoop dat het dit nog heel lang zo blijft.

De opschrift op de boerderij met de naam ‘Tilkamp’.

Veilen in het Sieveen

In het gebied dat rondom het voormalig esgehucht de Zulte en ten noorden van het dorp Roden ligt, zijn de oude sporen van de terugtrekkende gletsjer tijdens de een-na-laatste ijstijd op veel plaatsen nog duidelijk zichtbaar. Ondanks de oprukkende woningbouw en de zeer intensieve veeteelt uit het verleden kan men met het blote oog nog de hoogten en verdiepingen in het landschap gemakkelijk waarnemen. Vanzelfsprekend geven de benamingen van de gebieden waar deze sporen voorkomen ons ook een kleine inkijk van wat de restanten van de smeltende gletsjer hier hebben achtergelaten. Zo verwijst de benaming ‘Es’ op een verhoging in het landschap, wat op een restant van een stuwwal kan betekenen en werd een depressie in het gebied doorgaans met ‘Veen’ aangeduid. Doorgaans vanwege het feit dat er vanaf het einde van de laatste ijstijd er water in bleef staan en er na verloop van tijd veen in de verdieping vormde.

Nu waren veel van de depressies in het landschap tijdens de laatste ijstijd opgevuld met onder andere zand, dat afkomstig was van het Gronings gedeelte van de Hondsrug en destijds door de poolwinden hierheen werd vervoerd en daarom niet meer als zodanig herkenbaar. De depressies in het gebied waren ontstaan door de grote hoeveelheid smeltwater dat vrijkwam, toen de grote massa landijs begon te smelten en het water zich een weg zocht naar de lager gelegen delen en hierbij grote, diepe smeltwatergeulen door het zand vormde. Samen met het smeltwater meegevoerde residu dat vrijkwam uit het landijs en de hier aanwezige keileem, ontstond er onder in de geulen een waterdichte laag.

De smeltwatergeul die achterbleef nadat de gletsjer uit het gebied verdwenen was aan het einde van het Saalien, de voorlaatste ijstijd zo’n 130.000 jaar geleden. Op de bovenstaande afbeelding is het restant van de smeltwatergeul duidelijk zichtbaar op de zogenaamde hoogte/laagte beelden (Bron: Actueel Hoogtebestand Nederland).

Dankzij deze waterdichte laag en de doorgaans geleidelijke schuine zijkanten van de voormalige smeltwatergeulen, kon het water amper of helemaal niet meer wegzakken en bleef het in de verdieping staan. Door het warmer worden van het klimaat en de toenemende neerslag, begon het gebied steeds natter te worden en stierven de aanwezige planten af. Hierop groeiden weer nieuwe planten, die vervolgens ook weer afstierven en zich ophoopten in het zuurstofarme water. Doordat de plantenresten niet werden afgebroken door de afwezigheid van zuurstof, kon er zich zo in de duizenden jaren een forse veenlaag ontwikkelen.

Inmiddels heerst er in het Sieveen een ander waterregime dan in het verleden en zie je de vernatting weer toenemen. Was vroeger nog het motto dat het water zo snel mogelijk afgevoerd diende te worden, tegenwoordig is de schouw van de sloten hier verdwenen en zie weer vochtminnende planten terugkeren in het gebied.

De in het gehele gebied aanwezige laag keileem zorgde niet alleen dat er in de depressies veenvorming kon ontstaan, maar ook dat op de natte en moerassige ondergrond planten gingen groeien, die de zeer vochtige ondergrond konden waarderen. Langzaamaan begon ook op de hoger gelegen gebieden een vorm van vegetatie te ontstaan, die voornamelijk uit mossen, grasachtige vegetatie en gewone dophei bestond; natte heide. Bomen zullen hier lange tijd niet hebben kunnen groeien en zal de struiklaag met dwergstruiken zoals de gewone dophei, struikhei en een aantal zeldzamere soorten zoals kraaihei, grote veenbes en lavendelhei het uitzicht voor een lange tijd hier hebben bepaald.

Op de oude Franse legerkaart uit 1810/1811 is goed te zien dat het gebied ten westen van het voormalig esgehucht de Zulte bestond uit immens grote, natte heidevelden. Van landbouwactiviteiten in het gebied is natuurlijk nog geen sprake. Wel is het pad duidelijk te zien waar langs de schaapskudde van de Zulte richting het noorden ging om de heide van de Markegenoten te bereiken (BronDrents Archief).

Tot ver in de negentiende eeuw bleef het gebied onberoerd en was het voor boeren te nat en te moerassig om het hier te gaan ontginnen en zodoende het vee te kunnen laten grazen. Een enkele keer zal de schaapskudde van de Zulte hier hebben gegraasd en op enkele landweggetjes na om binnen door te kunnen gaan, had de mens hier dan ook niets te zoeken. Pas halverwege de negentiende eeuw begon men in de omgeving van de huidige Toutenburgsingel voorzichtig met het ontginnen van de drogere stukken voor de landbouw en veeteelt. Echter, het gebrek aan een goed bemestingsbeleid destijds en een kortzichtige blik op de toekomst, zorgde ervoor dat ook de nattere gedeelten ontgonnen moesten worden.

Op de kaart die stamt uit 1845 laat maar weinig veranderingen zien in het gebied ten westen van het esgehucht de Zulte. (Bron: Gronings Archief).

In die tijd dat de boeren hun begerige blik op het gebied wierpen en vonden dat de natte heide niets toevoegde aan hun bedrijf, bepaalde echter het gebrek aan een deugdelijk stelsel van sloten om het water af te voeren het gebruik van het land. Langzamerhand waren de hoger gelegen gebieden inmiddels in gebruik als bouw- of weiland, maar met het lager gelegen gebied wist men vooralsnog geen raad.

Op de kaart uit 1853 zijn zowel de bouwlanden als het eerste weiland ten zuiden van de Toutenburgsingel in het Sieveen zichtbaar. Langzamerhand verlegde men de agrarische activiteiten steeds meer richting het westen. Ook is de voormalige steenfabriek ten noorden van de singel te zien (BronDrents Archief).

Rond de jaren zestig in de negentiende eeuw begon men met de daadwerkelijke ontginning van de natte heide en werd het veen, dat zich in de duizenden voorafgaande jaren had gevormd, gewonnen en als bemesting gebruik voor de hier nog te planten bomen. Waarschijnlijk stamt de naam van dit gebied, het Sieveen, dan ook uit deze tijd en zal zoveel betekenen als het naastgelegen veen in het hier gesproken Drents dialect.

De diepe sloot die langs de voormalige schapendrift en het water uit onder andere het Sieveen naar de Zulter Bitse moest vervoeren, bestaat nog steeds en heeft zijn functie als zodanig behouden. In principe heeft de sloot zijn exacte locatie behouden, echter het laatste gedeelte loopt nu richting het noorden in plaats van het zuiden. Dat gedeelte is veranderd tijdens de aanleg van de twee vijvers in het stroomgebied van de Zulter Bitse begin jaren zeventig van de twintigste eeuw.

De hier door de eigenaar aangeplante bomen bestonden uit snelgroeiende naaldbomen. Echter om het gebied geschikt te maken voor de aanplant moet de eigenaar de nodige ingrepen doen om het een en ander mogelijk te maken. Het voornaamste was het kwijtraken van het vele water dat in het gebied voorkwam. Daarvoor werd een lange en diepe sloot richting het oosten tot aan de weg in de Zulte gegraven, die vervolgens langs de weg naar het zuiden liep om in de Zulter Bitse te eindigen. Nadat de afvoersloot gereed was en al bezig was het vele water af te voeren, begonnen de arbeiders dwars op de brede sloot verzamelsloten graven waarop weer de afwateringssloten het water loosden. Dit slotenstelsel is nog steeds duidelijk zichtbaar op satellietbeelden die de hoogte in het gebied weergeven.

De afwateringssloten, die in de negentiende eeuw gegraven waren om het water af te voeren zodat de aangeplante bomen gen last van natte voeten kregen, zijn nog steeds duidelijk zichtbaar in het gebied. Weliswaar verdwijnen ze geleidelijk doordat zowel de bodembegroeiing, de mossen en de gronderosie in het gebied de sloten langzaam maar zeker opvullen.

Niet alleen de ontwikkeling van het gebied kwam in een stroomversnelling terecht, ook de vervaardiging van accurate landkaarten, atlassen en plattegronden had een vogelvlucht genomen en de cartografie bleek steeds nauwkeuriger te worden. Vanaf het begin van de twintigste eeuw waren niet alleen de gemeenten en het Kadaster de enigen met zeer nauwkeurige en duidelijke kaarten; ze waren ook voor de gewone man toegankelijk geworden. Zeker richting het einde van de twintigste eeuw ziet men een toename van topografische kaart, waarbij satellietbeelden gebruikt worden. Dankzij het gebruik van de satellietbeelden is het heden ten dage ook mogelijk om bijvoorbeeld de hoogten en de laagten in een bepaald gebied in kaart te brengen.

De veranderingen in het Sieveen die tussen 1903 en 1935 plaatsvonden, zijn op de bovenstaande topografische kaarten duidelijk zichtbaar. Langzamerhand verdwenen de productiebossen en maakten plaats voor weilanden (bron: topotijdreis.nl).

Naast het stelsel van sloten waren natuurlijk ook wegen belangrijk om het gebied bereikbaar te maken voor de arbeiders om de sloten te kunnen graven en om het pootgoed aan te voeren. Deze wegen hebben in het Sieveen tot ongeveer het begin van de jaren dertig van de twintigste eeuw gelegen en zijn na de houtkap in oktober 1930 verdwenen. Daar waar ze door een perceel bos en langs de voormalige steenbakkerij liepen, werden na 1935 in gepoot met Amerikaanse eiken (Quercus rubra). Echter, liep de aanplant op de plaats bij de voormalige steenfabriek volgens plan, bij het perceel bos bleek echter dat echter niet de Amerikaanse eik, maar de moeraseik (Quercus palustris) gebruikt was op het weggetje te beplanten.

Een medewerker heeft jaren geleden vergeten zijn schep, een zogenaamde bats, mee te nemen na zijn werkzaamheden in het bos. Na ruim veertig jaar staat deze nog steeds parmantig te wachten op de medewerker die nooit meer in dit bos zal komen en van zijn pensioen aan het genieten is.

De bossen in het Sieveen werden vanaf het begin van de twintigste eeuw gebruikt voor de houtkap en zullen vooral richting Limburg afgevoerd zijn, waar het hout in de kolenmijnen ter ondersteuning gebruikt werd. Dit zal tot begin 1931 het geval geweest zijn. Op maandag 29 september 1930 verscheen in het Nieuwsblad van het Noorden een advertentie van de dan 63-jarige Harmannus Aukema, waarin het verboden werd om nog langer gebruik te maken van het pad door het Sieveen. De op donderdag 11 april 1867 in de Zulte geboren Harmannus was een zoon van de landbouwer Roelf Jans Aukema en Everdina Harmannus Bakker en overleed op 77-jarige leeftijd op dinsdag 18 april 1944 te Roden.

Restanten van het weggetje dat in het verleden door de bossen van het Sieveen liep, zijn nog duidelijk zichtbaar in het weiland. Op de achtergrond is het bos te zien dat de bomenkap tijdens de eerste dertig jaren van de twintigste eeuw ontlopen is.

Niet alle bossen in het Sieveen werden gekapt en enkele bossen bleven staan. Deze bossen bestonden vooral uit loofbomen met hier en daar nog een enkele naaldboom. Later kwamen deze bossen, zo rond de jaren zestig van de vorige eeuw, in het bezit van Staatsbosbeheer en zijn ze daarna nog een tijd als productiebos gebruikt.

Al snel krijg je het vermoeden wanneer je het bovenstaande verhaal leest, dat vooral bosbouw dit gebied in het verleden heeft plaatsgevonden. Voor een gedeelte van het Sieveen gaat dat eigenlijk ook wel op, maar daarnaast deed veel ook van het gebied dienst als weiland. Zeker nadat landbouwer Harmannus Aukema de bossen liet kappen en het uitmuntende stelsel van sloten grote delen van het gebied redelijk droog wist te houden, deden de landerijen hier dienst als weiland. Nu waren er al delen in het Sieveen aanwezig die eerder aangelegd waren en er waren ook al in de jaren vijftig van de negentiende eeuw pogingen gedaan om hier akkerbouw rendabel te maken.

Op de satellietbeelden die het verschil in hoogte en laagte weergeven, zijn de hoogten in het noorden van het Sieveen duidelijk zichtbaar. Ligt de gemiddelde hoogte van de blauwgekleurde gebieden tussen de 2.70 en de 3.15 meter boven N.A.P., de groene delen tussen de 3.15 en 3.75 meter boven het Normaal Amsterdams Peil en de rood ingekleurde delen variëren tussen de 3.75 en 5 meter boven het al eerder vermelde N.A.P. (Bron: Actueel Hoogtebestand Nederland).

Bleef het bij de akkerbouw nog tot enkele pogingen die blijkbaar gedoemd waren om te mislukken, het aanleggen van gras- en weilanden op de hoger gelegen gedeelten bleek echter succesvol. Deze gedeelten bevonden zich in het noordelijk gedeelte van het Sieveen en maakten zoals de smeltwatergeul deel uit van de grondmorene die achterbleef na het verdwijnen van het landijs. De hoogte van verhogingen varieerde grofweg van 3,75 tot 5 meter boven N.A.P. en bestonden deels uit fijn zand. Waarschijnlijk waren ze in het verleden hoger, maar zullen de straffe poolwinden tijdens de laatste ijstijd deze hebben doen afslijten.

Al met al zat er veel historie hier in de bodem van het Sieveen en de boeren in het gebied maakten daar gebruik van. Niet dat de boeren destijds het besef hadden dat de karakteristieke ondergrond behouden moest worden voor de toekomstige generaties, nee, totaal niet. Erg begrijpelijk want de bedrijfseconomische drijfveer was in die dagen noodzakelijk om het hoofd boven het water te kunnen houden. Dat gold niet alleen voor de twee zonen van Roelof Jans Aukema, Jan Roelofs en Harmannus, maar ook voor Roelof Deodatus Pzn., die eveneens land in het Sieveen bezat. Beide heren bezaten trouwens veel grond in de omgeving van het voormalig esgehucht de Zulte rond die tijd.

In het begin van het jaar 1918 laat Roelof Deodatus Pzn. in een advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden weten dat er op de ochtend van de donderdag 17 januari van dat jaar dat hij schil-, week- en klomphout publiekelijk wenst te verkopen in het café Van der Molen in het dorp Roden, daar waar de weduwe van Roelf van der Molen, Janna samen met haar zoons met de scepter zwaaide. Het hout dat uit het Sieveen kwam, zal voornamelijk schil- en weekhout geweest zijn. Het hout dat rondom de boerderij van Baving stond, was voornamelijk zogenaamd ‘Pöppelnholt’ (populieren hout) en werd gebruikt als klompenholt (klompenhout). Er staan trouwens nog steeds behoorlijk forse populieren bij de huidige boerderij.

De advertentie die Roelof Deodatus Pzn. in de krant liet plaatsen om onder andere hout uit het Sieveen te verkopen (Bron: Zaterdag 5 januari 1918 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 12, 31ste jaargang, No. 4)

Later dat jaar, begin oktober 1918, liet Deodatus wederom een advertentie plaatsen in het Nieuwsblad van het Noorden van donderdag 3 oktober, waarin hij onder andere 4¼ hectare weiland en 1¼ hectare bouwland in het Sieveen voor maar liefst 5 jaar wenst te verhuren. Deodatus vond het blijkbaar zo belangrijk dat de interesse behoorlijk groot was, dat hij de advertentie nogmaals op zaterdag 5 oktober, woensdag 9 oktober en zaterdag 12 oktober in het nieuwsblad liet plaatsen. Het een en ander vond wederom plaats in het café van de weduwe van der Molen in Roden, nu op de woensdag 16 oktober 1918 ’s avonds om 18.00 uur. Het betrof hier de meest noordelijk gelegen percelen in het Sieveen.

De advertentie van 3 oktober 1918 waarin Roelof Deodatus Pzn. belangstellenden opriep om op 16 oktober van dat jaar te komen naar het café van weduwe van der Molen. (Bron: Donderdag 3 oktober 1918 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 6, 31ste jaargang, No. 232).

Ruim vier maanden later, op maandag 17 februari 1919, komen wij een advertentie tegen in de Provinciale Drentsche en Asser courant van de in Zuidhorn woonachtige Jan Roelofs Aukema, broer van Harmannus, waarin hij aangeeft drie percelen hakbos bij palmslag te willen verkopen in het zogenaamd Klein Sieveen. Palmslag is een gebaar waarbij koper en verkoper elkaar in de palm van de hand slaan ter bezegeling van een verkoop. De veiling van de drie percelen zouden volgens de advertentie op zaterdag 1 maart 1919 ’s ochtend om 10.00 uur plaatsvinden in het café W. Scheepstra te Roden.

De advertentie van Jan Roelofs Aukema uit Zuidhorn in de Provinciale Drentsche en Asser Courant waarin hij laat weten drie percelen met hakhout in het Klein Sieveen te willen verkopen (Bron: Maandag 17 februari 1919 Provinciale Drentsche en Asser courant, Pagina 4, 96ste jaargang, No. 40).

Het Klein Sieveen was het gedeelte dat in het midden in het Sieveen lag, zoals op de onderstaande kaart uit 1926 te zien is. Het meest noordelijk gelegen perceel met het nummer 31 bestond uit zowel dennen en loofhout en was 1.4870 hectare groot, percelen 32 en 33 waren respectievelijk 0.9380 en 0.4520 hectare groot en bestonden beiden uit hak- en ingepoot bos. Voor Aukema zal het een mes geweest zijn die van twee kant sneed; geld verdienen aan het verkopen van hout en dan de percelen wederom verpachten als weiland.

Op de bovenstaande kaart zijn de drie percelen te zien waar in 1919 nog bos stond en rond dit tijdstip inmiddels als weiland in gebruik waren genomen (bron: topotijdreis.nl).

Het land in het Klein Sieveen was na de houtkap weliswaar weiland geworden en er lag een goed werkend stelsel van sloten, toch bleef het land er in de nattere seizoenen op veel plaatsen nog behoorlijk drassig. Tot ver in de jaren zeventig van de vorige eeuw was dit zeker het geval en moest de eigenaar van het land, Job Dijk uit de Zulte, er beducht op zijn dat er tijdens het hooien niet met tractor en boerenwagen stil werd gestaan. De kans was enorm groot dat de wagen vast kan te zitten. Daarom zorgden zijn zonen Gerrit en Wietse ervoor, dat er nooit meer dan twee lagen hooipakjes op de boerenwagen werden gestapeld.

Het Klein Sieveen op een winterse dag aan het einde van het jaar 2014. Langzamerhand krijgen de inheemse wilde planten weer grip op het gebied. Doorgaans zijn het wel de vochtminnende planten die zich hier enorm thuis voelen.

Nu was de akkerbouw in het Sieveen niet echt succesvol, maar zo nu en dan deed men toch weer een poging iets te verbouwen. De heer G. D. Boswijk, notaris te Roden, liet in het jaar 1928 een advertentie laten plaatsen in het Nieuwsblad van het Noorden van Zaterdag 7 juli voor een aantal landbouwers uit de omgeving van het prachtige Noord-Drentse dorp Roden. De al eerder aangehaalde Harmannus Aukema deed ook mee en probeerde tijdens de publieke verkoping die op de vrijdagmiddag van 13 juli 1928 in het Café van H. M. de Vries te Roden een perceel Zwarte Orion haver in het Sieveen te verkopen.

De advertentie die verscheen in het Nieuwsblad van het Noorden van zaterdag 7 juli die geplaatst was in opdracht van de Roner notaris G. D. Boswijk. (Bron: Zaterdag 7 juli 1928 Nieuwsblad van het Noorden, Pagina 19, 41ste jaargang, No. 159).

Harmannus Aukema had het in die dagen druk als boer met het een en ander te regelen. En er moest natuurlijk brood op de plank komen, dus er diende geld verdiend te worden. Door onder andere de toenemende kolenwinning in Zuid-Limburg steeg de vraag naar hout in heel Nederland en ach, Harmannus had nog wel ’n paar bunder hakbos staan. Nu was het op stel en sprong kappen van de bomen om snel een paar guldens aan het hout te gaan verdienen en dan zo snel mogelijk van de percelen gras- of weilanden maken niet zo maar gedaan.

De advertentie die Harmannus Aukema in het jaar 1930 tweemaal liet plaatsen in het Nieuwsblad van het Noorden (Bron: Maandag 29 september 1930 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 11, derde blad, 43ste jaargang, No. 229).

Het gebied was inmiddels ontdekt door de wandelaars en de dagjesmensen, die enorm van dit gebied konden genieten. Daarnaast was het voor velen een binnen doorweggetje geworden om de Toutenburgsingel te bereiken, om vervolgens dan richting Terheijl, Leek of Nietap hun weg te vervolgen. Nadat Aukema in 1930 alles geregeld had voor de bomenkap in het gebied, plaatste de landbouwer eind september van dat jaar een advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden, waarin hij liet weten dat met ingang van 4 oktober het Sieveen voor iedereen verboden was. Twee dagen later, woensdag 1 oktober, werd de advertentie nogmaals geplaatst.

Dit maal was het de landbouwer Roelof Deodatus Pzn. die de notaris Boswijk uit Roden een advertentie liet plaatsen in het Nieuwsblad van het Noorden op zaterdag 7 februari 1931 (Bron: Zaterdag 7 februari 1931 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 26, zevende blad, 44ste jaargang, No. 32).

Notaris Boswijk uit Roden had het in die jaren niet alleen druk met regelen van de vele verkopingen, ook het organiseren van het verhuren en/of het verpachten ging gewoon door. Ook Roelof Deodatus Pzn. deed zijn best om de notaris bezig te houden in het begin van de jaren dertig. Zoals Aukema dat al eerder had laten doen, liet Deodatus de notaris eveneens een advertentie opstellen waarin hij een huis en twee percelen weiland te huur aanbood. De advertentie verscheen in het Nieuwsblad van het Noorden van zaterdag 7 februari 1931. Een van de percelen was circa vier hectare groot en lag in het Sieveen. Waarschijnlijk begon men zich nu wel aan de kadastrale indeling uit 1832 te houden en ineens ligt het Sieveen in Terheijl. De gesloten briefjes dienden voor of op woensdag 18 Februari 1931 bij de notaris te worden ingeleverd.

De advertentie die de twee notarissen voor Deodatus hadden opgesteld en die eerst op zaterdag 28 november en daarna weer op 5 december in het Nieuwsblad van het Noorden verscheen. (Bron: Zaterdag 28 november 1936 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 24, zesde blad, 49ste jaargang, No. 282).

Bijna vijf jaren later heeft Deodatus weer een klusje voor de notaris Boswijk uit Roden. Voor vrijdag 11 december 1936 ’s middags om 15:00 uur staat een evenement gepland in het hotel van der Molen te Roden, waarbij publiek bij inzate een paar boerenbehuizingen, diverse percelen heide, bouw-, hooi-, en weilanden worden geveild. Een beste klus die de Roner notaris niet in zijn eentje doen kan en daarom hulp krijgt van zijn collega F. R. M. Th. Gouverne uit de stad Groningen. De advertentie voor de veiling verschijnt zaterdag 28 november voor het eerst in het Nieuwsblad van het Noorden en een week later, zaterdag vijf december 1936, werd de advertentie nogmaals herhaald.

Waarschijnlijk had men de inhoud van de verkoping/aanbesteding in de advertentie beperkt tot de hoofdpunten en wilde men meer informatie, dan was men genoodzaakt de zogenaamde veilingboekjes voor 10 cent aan te schaffen. Daarnaast had men ook op het kantoor van de notaris een kadastrale kaart ter inzage liggen. De samenvatting in de krant was echter wel een goede suggestie wanneer men er belang bij had om landerijen van Deodatus te gaan kopen. Een andere en zeker niet een mindere opmerking in deze advertentie was toch wel, dat de betaling op 1 mei 1937 diende te geschieden. Niet geheel verwonderlijk, blijkbaar zat Roelof Deodatus Pzn. toch behoorlijk om geld te springen.

De afloop van verkoop en aanbesteding die 11 december 1936 plaatsvond in hotel van der Molen te Roden. Op de drie percelen had Jacob Siegers uit Roden 5580 gulden ingezet (Bron: Zaterdag 12 december 1936 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 10, derde blad, 49ste jaargang, No. 294).

Een week later nadat de tweede advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden van 5 december was verschenen, werd in de krant van vrijdag 12 december 1936 de afloop van de verkoping en aanbesteding bekend gemaakt door de twee notarissen Boswijk en Gouverne. De veiling van de percelen vond in het hotel van der Molen in Roden plaats. Het kavel D omvatte drie percelen weiland in het Sieveen ter grootte 6,163 hectare: perceel 11, weiland Sieveen 2,063 hectare, perceel 12, weiland Sieveen 1,4 hectare, en perceel 13, weiland Sieveen 2,7 hectare. In de aankondiging advertentie stond echter het foutieve getal: D. Weiland “Sieveen” , groot 6,153 hectare, minder dan de daadwerkelijke oppervlakte.

De aankondiging in de krant dat op 22 december 1936 in hotel Zuiderveld te Roden een belangrijke verkoping plaats zal vinden (Bron: Zaterdag 19 December 1936 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 23, zesde blad, 49ste jaargang, No. 300).

Voor de drie percelen weiland in het Sieveen had de dan 45-jarige uit Roden afkomstige Jacob Siegers ingezet op een totaalbedrag van 5580 gulden. Vervolgens gingen de twee notarissen weer naar het Nieuwsblad van het Noorden en lieten zij een advertentie plaatsen in de zaterdageditie die op de zaterdag 19 december verscheen. Hierin stonden de weer de aangeboden kavels, maar nu met de ingezette bedragen. Over het kavel D., een weiland in het Sieveen, groot 6,168 hectare vermeld de advertentie dat deze is ingezet op f 5580,-. En weer zal het ondeugende zetduiveltje bij de krant zijn slag hebben geslagen, nu wordt het kavel weer groter aangeven dan deze werkelijk is.

Het een en ander zou volgens de advertentie publiek bij palmslag verkocht worden op dinsdag 22 december 1936 om drie ’s middags in het hotel Zuiderveld te Roden. Voor de rest wijkt deze advertentie maar weinig af van de advertentie die eerder op 28 november verscheen, echter dat het nu in hotel Zuiderveld in plaats van hotel van der Molen plaatsvond en de ingezette bedragen stonden nu bij de kavels.

Uiteindelijk heeft niet Jacob Siegers uit Roden de drie percelen in het Sieveen gekocht, maar ene J. A. Meijer wonende te Eenrum (Gr.) (Bron: Woensdag 23 december 1936 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 6, tweede blad, 49ste jaargang, No. 303).

In het Nieuwsblad van het Noorden die op woensdag 23 december 1936 verscheen, deden de twee notarissen verslag van de belangrijke palmslag in Roden. Naast de andere kavels werden ook de drie percelen weiland, kavel E., verkocht. Had de Roner Jacob Siegers nog ingezet op 5580 gulden voor de drie weilanden, het was de uit het Groningse Eenrum afkomstige J. A. Meijer die met de drie percelen aan de haal ging. De Ainrumer kon maar liefst 8300 gulden gaan betalen voor de drie weilanden in het Sieveen.

Ruim vier jaren later komen we Roelof Deodatus Pzn. weer tegen in het Nieuwsblad van het Noorden. Nu in een advertentie van de Roner Notaris G. D. Boswijk, waarin hij voor meerdere eigenaren van percelen met bos aangeeft dat er op maandag 20 januari 1941 een grote bosverkoping plaats zal vinden in het café van J. Scheepstra nabij de kerk in Roden. De notaris omschreef het als volgt: ‘Voor den heer R. Deodatus Pzn. te Zulte: 2 perceelen bosch in het Sieveen, afk. van H. Deodatus’.

De advertentie van notaris Boswijk waarin hij voor een aantal eigenaren bos te koop heeft gezet (Bron: Zaterdag 18 januari 1941 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 16, vierde blad, 54ste jaargang, No. 15).

Zulte 37; Sinninges in de Zulte.

Op dinsdag 29 april 1845 verschijnt er in de Groninger courant, het algemeen dagblad voor de stad Groningen en Ommelanden dat inmiddels in zijn 104e jaargang zit, een oproep van de uit Norg afkomstige notaris Mr. Nicolaas Wilhelm Schroeder Hofstede tegen, die hij een dag eerder had opgesteld in zijn kantoor. Mr. Hofstede verzoekt een ieder die nog iets te vorderen heeft of verschuldigd is aan de wijlen Jacob Jans Sinninge en Janke Piers Holtrop, binnen een maand de opgave van de schulden of de betaling van het verschuldigde te doen bij zijn kantoor in Norg. Dit dient echter wel op de maandagen te gebeuren, daar de notaris dan in zijn kantoor zal vaceren (zitting houden) om vervolgens na die periode tot Likwidatie (liquidatie) te kunnen overgaan.

De oproep die notaris Mr. Nicolaas Wilhelm Schroeder Hofstede in de Groninger Courant van dingsdag 29 april 1845 doet. Destijds schreef men nog ‘dingsdag’ in plaats van ‘dinsdag’ zoals wij dat heden ten dage doen. (Bron: Groninger Courant, 29 april 1845, vierde blad, te Groningen bij C. M. Bolhuis Hoitsema, Boekdrukker).

Het betreft hier de op vrijdag 11 april 1845 overleden landbouwer Jacob Jans Sinninge die samen met zijn vrouw Janke Piers Holtrop in de Zulte op de boerderij met het huisnummer 37 woonde. Naar alle waarschijnlijkheid was Jacob Jans samen met zijn broers en zuster Steven Jans, Geert Jans, Jantien Jans en Hinderk Jans gemeenschappelijke eigenaren van het pand geworden nadat aan hun ouders Jan Jacobs en Grietjen Geerts in respectievelijk 1809 (moeder) en 1810 (vader) waren overleden. Dit impliceert ook waarom de notaris Hofstede het over de ‘Mandeeligen Boedel’ heeft. Mandeligheid ontstaat, wanneer een onroerende zaak gemeenschappelijk eigendom is van de eigenaars van twee of meer erven en door hen tot gemeenschappelijk nut van die erven wordt bestemd. Mandeligheid impliceert dus ook gemeenschappelijk eigendom.

De grote boerderij waar Jacob Jans Sinninge en zijn vrouw Janke Piers Holtrop woonde in de Zulte. Voor Jacob Jans woonden zijn ouders Jan Jacobs en Grietjen Geerts in de kapitale boerderij. (Kaart 1832Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort)

Na de volkstelling van 1840 verblijven er in het huis dat dus het huisnummer Zulte 37 draagt en kadastraal ingedragen stond als Roden I-166, huis en erf, vijf personen. Het echtpaar dat kinderloos was gebleven, Jacob Jans was 50 jaar en Janke Piers 44 bij hun huwelijk, maar had de zorg op hun genomen voor de toen twaalfjarige Wieger Hindriks Holtrup. Zoals het wel vaker in die tijd gebeurde, was de naam van Wieger Hendriks Holtrop dus net even anders geschreven dan het hoorde. De jongen was het jongste kind van Janke Piers haar broer Hendrik Piers Holtrop en zijn vrouw Lutske Derks Hummel. Het kind was op donderdag 1 februari 1827 in Marum geboren, zeven maanden voor het overlijden van de 54-jarige Hendrik Piers op dinsdag 11 september 1827, eveneens te Marum. Naast Jacob Jans, Janke Piers en Wieger Hendriks woonden de boerenknecht Fokke Louwes Hummel en de dienstmeid Annechien Hindriks Warners eveneens in het huis.

De vermelding van Jacob Jans Sinninge, Janke Piers Holtrop, Fokke Louwes Hummel, Annechien Hindriks Warners en Wieger Hindriks Holtrup tijdens de volkstelling uit 1840. (Bron: Drents Archief. Roden, Volkstelling, 1840 (toeg. 2001.21; nr. 2)).

Zo’n anderhalf jaar later, in november van het jaar 1846, plaatst notaris Mr. Nicolaas Wilhelm Schroeder Hofstede zowel in de Drentsche Courant als in de Groninger Courant namens de erven van Jacob Jans Sinninge, een advertentie met de mededeling dat zij voornemens zijn om de boerenplaats en de bijbehorende landerijen te gaan verkopen. De boerenplaats bestond destijds uit een grote boerderij, een erf en een bijbehorende boomgaard. Op de kadastrale kaart uit 1832 is duidelijk te zien dat het inderdaad een fors gebouw is dat dienst deed als boerderij. Op de kadastrale kaart die uit het jaar 1887 stamt, is de kapitale boerderij verdwenen en staat er nu een veel kleiner gebouw. Een deel van de landerijen waaronder opgaand bos, tuin, bouw- en weilanden bevonden zich in de directe omgeving van het erf.

De advertentie in de Drentsche courant van vrijdag 6 november 1846, waarin kenbaar wordt gemaakt dat de boerenplaats, de bouw-, hooi- en weilanden, bossen en heidegronden van wijlen Jacob Jans Sinninge door de erven te koop worden aangeboden. (Bron: Drentsche Courant, 6 november 1846, vierde blad, te Assen, bij van Gorcum en Comp., Provinciale Drukkers).

De inzate (inzet bij een verkoping van onroerend goed) vond op woensdag 18 november ‘s ochtend om 10 uur plaats in de herberg van Harm Schuring in Roden, ongeveer op de plaats waar nu de ‘Pompstee’ staat. Harm Schuring was naast logementhouder ook de schoonzoon van Berendje Voget, de weduwe van Thyle Geerts Krijthe, die eveneens logementhouder tijdens zijn leven was geweest. Daarnaast was de beste man ook nog eens een bierbrouwer geweest. Maar goed, terug naar Harm Schuring die door zijn huwelijk met Margaretha van Baden Krijthe en na het overlijden van Berendje eigenaar van het pand was geworden. Het wrange aan het geheel was dat zijn vrouw Margaretha een half jaar voor de verkoping, op vrijdag 15 mei 1846, was overleden.

De advertentie van de notaris Hofstede die dinsdag 10 november 1846 in de Groninger Courant verscheen. (Bron: Groninger Courant, 10 november 1846, vierde blad, te Groningen bij C. M. Bolhuis Hoitsema, Boekdrukker).

De omgeving van het voormalig esgehucht de Zulte zag er rond het midden van de jaren veertig tijdens de negentiende eeuw er heel anders uit dan heden ten dage. Veel van de bossen, bouw-, hooi-, weide- en heidegronden zijn inmiddels verdwenen en hebben plaatsgemaakt voor woningbouw. Het bosje aan de Postemastraat is slechts een van de weinige overblijfselen die eens tot het bezit van Jacob Jans Sinninge behoorde. Vermoedelijk zijn vrijwel alle 25 bunders aan landerijen verkocht tijdens de verkoping. De meeste kopers zullen doorgaans landbouwers uit de omgeving van het dorp Roden zijn geweest die de kans schoon zagen om hun bezittingen uit te kunnen breiden.

Op de kadastrale kaart uit het jaar 1887 is goed te zien dat de kapitale boerderij is verdwenen en plaats heeft gemaakt voor een kleiner gebouw. (Bron: Drents Archief).

Niet alle gronden die Jacob Jans in de Zulte gebruikte, konden verkocht worden. Immers, de beste man had een verbond met zijn broers en zuster, waarbij de geërfde goederen en landerijen bij hen in gezamenlijk bezit kwamen, deelgenoten dus. Consorten van Jacob Jans werden zij in de kadastrale stukken uit 1832 genoemd. Het kan ook zo geweest zijn dat er onenigheid tussen de consorten was ontstaan over het verkopen of juist de prijs, we weten het niet. Feit is wel dat niet alle percelen bij de verkoping verkocht zijn.

De situatie op de plaats waar eens de kapitale boerderij van Jacob Jans Sinninge gestaan heeft in het midden van de jaren zestig van de vorige eeuw. De originele kaart stamt uit het einde van de negentiende eeuw en werd later gebruikt door de ambtenaren om de vorderende woningbouw binnen het dorp in kaart te brengen. Het betreft hier op de kaart de plaats waar tegenwoordig het Wethouder Deodatusplantsoen ligt. (Bron: Drents Archief).

Wat de reden tot verkoop was, blijft voor mij onbekend. Waarschijnlijk kon men geen opvolger vinden binnen de familie die het bedrijf over wilde nemen of de opbrengsten waren te verleidelijk om te weerstaan, het blijft speculeren. Wat de reden tot verkoop was, blijft voor mij onbekend. Wel is duidelijk dat de vrouw van Jacob Jans, de op zondag 11 mei 1777 te Marum geboren Janke Piers Holtrop en waarmee hij op vrijdag 10 mei 1822 in het huwelijk trad, na zijn overlijden weer terugkeerde naar haar geboorteplaats, het Groningse Marum. Op woensdag 24 november 1847 sloot de weduwe daar haar ogen voor de laatste maal, zeventig jaar oud.

De boerderij van Steven Jans Sinninge en Roelfien Eitens Oosterhof op de kadastrale kaart uit 1832.Voor dat dit gezin er kwam wonen, woonden Eyte Alberts Oosterhof en Jantjen Datema hier. (Kaart 1832Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).

Dat Jacob Jans Sinninge als boer en eigenaar de boerderij van zijn ouders overnam was destijds heel gewoon. Doorgaans nam de oudste zoon het bedrijf van de ouders over en de andere zonen moesten maar een andere plaats gaan zoeken om verder te kunnen boeren. Zo verging het ook de jongere broer van Jacob Jans, Steven Jans Sinninge. De in 1776 in de Zulte geboren Steven Jans trouwde op zondag 8 mei 1803 in de kerk van Roden met de in 1782 te Leutingewolde geboren Roelfien Eitens Oosterhof, dochter van Eite (Eyte) Alberts Oosterhof en Jantjen Datema. Steven Jans en Roelfien Eitens betrokken de boerderij van haar ouders in Leutingewolde, dat het nummer 96 droeg.

Bleef het huwelijk van Jacob Jans en Janke Piers nog kinderloos en moest men zijn boerderij gaan verkopen omdat er waarschijnlijk geen opvolger was, bij Steven Jans en Roelfien Eitens Speelde dit probleem in het geheel niet en het echtpaar kreeg maar liefst negen kinderen samen. De opvolging van het bedrijf binnen de familie bleek gewaarborgd te zijn en hun vijfde kind, zoon Jacob Stevens Sinninge, die op zaterdag 15 mei 1813 geboren was in Leutingewolde, werd in het jaar 1860 de hoofdbewoner van het pand.

De familie Sinninge uit Leutingewolde werden foutief vermeld als Sinninga tijdens de volkstelling van 1840. Ook de broer van Roelfien Eitens, Albert Eites Oosterhof, woonde bij het gezin Sinninge in. (Bron: Drents Archief. Roden, Volkstelling, 1840 (toeg. 2001.21; nr. 2))

Zesentwintig jaar eerder, op dinsdag 11 februari in het jaar 1834, verwisselde Steven Jans Sinninge op 58-jarige leeftijd het tijdelijke met het eeuwige leven en moest Roelfien Eitens Oosterhof het alleen zien te redden. Wanneer wij de documenten van de volkstelling van 1840 binnen de gemeente Roden erbij pakken, valt het op dat Roelfien haar vrijgezelle broer inwonend is. Albert Eites Oosterhof was vier jaar jonger dan zijn zuster en werd geboren op woensdag 1 maart 1786 te Roden geboren. Hij werkte voorheen als boerenknecht in Roderwolde en woonde eveneens in dat dorp bij de Rowolmer bakker Jan Sikkens Datema in het huis met het nummer 24. Na het overlijden van zijn zwager Steven Jans zal Albert Eites wellicht een deel van zijn taken hebben overgenomen. Zelf komt Albert Eites op dinsdag 27 januari 1845 eveneens op 58-jarige leeftijd in Leutingewolde te overlijden.

Het is in het jaar 1848 als we weer iets van de familie Sinninge uit Leutingewolde vernemen. Het is alweer twee jaar geleden dat men de boedel van de overleden Jacob Jans gelegen in de Zulte in de kroeg van Harm Schuring in Roden heeft geprobeerd te verkopen en ondanks dat Steven Jans dit alles niet mee hoefde te maken, zal de dan al 66-jarige Roelfien Eitens de touwtjes bij het gebeuren strak in de handen hebben gehad. Het is ook goed voor te stellen dat de weduwe inmiddels genoeg heeft gekregen van het zware boerenleven en het rustiger aan wil gaan doen.

De advertentie van notaris van Lier in de Drentsche Courant waar hij aankondigt dat er een boeldag ten huize van de weduwe van Steven Jans Sinninge. (Bron: Drentsche Courant, 17 maart 1848, vierde blad, te Assen, bij van Gorcum en Comp., Provinciale Drukkers).

Nu heeft de in Assen woonachtige notaris Herman Hubert van Lier te Assen (Kaap de Goede Hoop, donderdag 9 augustus 1792 – Assen, zondag 8 maart 1863) de opdracht gekregen van de weduwe en de erven van Steven Jans een boeldag te organiseren om het een en ander te verkopen. De zeer ervaren notaris gaat direct aan de slag en plaatst in de Drentsche courant van vrijdag 17 maart 1848 een advertentie met de aankondiging van de te houden boeldag. Het is echter niet de bedoeling om het huis, maar meer om het vee, 4 paarden, 21 stuks hoornvee en twee varkens, 2 wagens, boerengereedschap, melkgereedschap en allerlei huisraad te verkopen. De boeldag wordt op de woensdag 22 maart gehouden bij de boerderij ‘s ochtends om tien uur.

Ruim een maand later klopt notaris van Lier nogmaals bij de Drentsche Courant op de deur van redactie met een nieuwe advertentie van de weduwe en de erven van wijlen Steven Jans Sinninge. Nu zijn zij voornemens om de boerenplaats, bestaande uit een behuizinge, en bouw-, weide- en hooilanden, veld en veen en enige grondpachten gelegen in Leutingewolde. Ook wordt er vermelding gemaakt van dat er eveneens veld en veen in de markte van Bunde, gemeente Vries. Deze percelen waren eigendom van en werden door de broer Geert Jans Sinninge bewerkt. Geert Jans overleed op donderdag 13 oktober 1842 in het plaatsje Yde binnen de Gemeente Vries. Ook de jongste boer van Jacob Jans, Geert Jans, Stevens Jan en Jantien Jans, broer Hindrik Jans Sinninge, was al op zaterdag 23 juni 1821 in de Zulte overleden, 37 jaar en 7 maand oud.

De advertentie met de vermelding dat de weduwe en erven van Steven Jans Sinninge de boerenplaats, bouw-, weide-, en hooilanden etc. voornemens te zijn om te gaan verkopen. (Bron: Drentsche Courant, 25 april 1848, vierde blad, te Assen, bij van Gorcum en Comp., Provinciale Drukkers).

Blijkbaar drukte de voormalige boerderij en de bijbehorende landerijen van de overleden Jacob Jans toch op het een en ander. In de advertentie staat duidelijk dat “eindelijk huis en land te Zulte, gemeente Roden, vroeger bewoond geweest door wijlen Jacob Jans Sinninge”. Zou het ‘eindelijk’ er mee te maken hebben dat de vrouw van Jacob Jans, de weduwe Janke Piers Holtrop, aan het einde van de maand november in het jaar 1847 kwam te overlijden? En doordat zij wellicht het deel van de mandeligheid van haar man na zijn dood had toegewezen gekregen, de verkoop tegen weten te houden? Het zou wel een hoop over de verkoop van de boerderij in de Zulte kunnen verklaren.

Ondanks het gekrakeel over het verkoop van de boerderij in de Zulte met het huisnummer 37, kan notaris van Lier op maandag 1 mei 1848 des voormiddags (’s ochtends)  te elf uur met de openbare verkoping beginnen. Gezien de stukken in het archief van de notaris in Assen was er volop belangstelling en komen we onder andere namen als Landbouwer Jan Assies te Roden tegen, de koper van de boerderij in Leutingewolde of de Roner broodbakker Roelof Roelofs Deodatus. Daarnaast zijn er een tal van inwoners van Leutingewolde, Lieveren, Roden, Zeijen, en de Zulte aanwezig die ook meedoen aan het kopen van allerlei bezittingen van de familie Sinnige/Oosterhof.

De plaats waar eens de boerderij van Steven Jans en Roelfien Eitens stond, doet heden ten dage dienst als weiland. De woning stond links van de boerderij op de afbeelding. (Afbeelding: Topotijdreis.nl).

Ruim tien jaar later na de openbare verkoping op zaterdag 13 november 1858 komt de weduwe van Steven Jans Sinninge in Leutingewolde te overlijden. De dan 76-jarige voormalige landbouwersche en dochter van Eite Alberts Oosterhof en Jantjen Datema, Roelfien Eitens Oosterhof (ook wel als Roelofje Eitens Oosterhoff beschreven) heeft een zeer bewogen leven achter haar rug wanneer zij voor de laatste maal haar ogen sluit.

Beide boerderijen zijn inmiddels afgebroken, die van Jacob Jans in de Zulte waarschijnlijk in het midden van de negentiende eeuw en die van Steven Jans in Leutingewolde werd in het jaar 1949 afgebroken en is sindsdien weiland. Op de plaats waar Jacob Jans en Janke Piers in de Zulte woonden, staan nu huizen en heet nu het Wethouder Deodatusplantsoen. Dit gedeelte van het toenmalig esgehucht maakt nu deel uit van het dorp Roden.

Luchtfoto van het gedeelte aan de huidige Wethouder Deodatusplantsoen te Roden waar eens de boerderij van Jacob Jans Sinninge en Janke Piers Holtrop woonden. Tegenwoordig staan er vrijstaande woningen.(Afbeelding: Topotijdreis.nl)

Heuj’n.

Hooien, heuj’n in het hier gesproken Noord-Drents dialect, bestond natuurlijk uit meer dan alleen het gras maaien. Sterker nog, het belangrijkste gedeelte van de oogst moest nog komen; ervoor zorgen dat het gemaaide gras zo droog was geworden dat het veilig was om het op te kunnen slaan. In de huidige tijd is het hooien van vandaag de dag niet meer te vergelijken zoals het een slordige tweehonderd jaren geleden in de omgeving van de Zulte plaatsvond. Bij de moderne veehouderij speelt het zogenaamde ‘kuilgras’, een vorm om gras te conserveren nadat het slechts enkele dagen op het land heeft gelegen, sinds de jaren dertig van de vorige eeuw een heel belangrijke rol. Bij deze vorm van conservering wordt het gras tijdens het maaien een ‘graskneuzer’ gebruikt om het drogingproces te versnellen. Per jaar kunnen van hetzelfde perceel grasland dan door de boer vijf tot zes zogenaamde kuilvoersneden worden geoogst. Voorwaarde is dan wel dat er in het perceel grasland niet tussendoor geweid wordt.

Het machinaal schudden van het gras in het beekdalgebied van de Zulter Bitse nabij de Dobberesch. Het schudden zorgt er onder andere voor dat naast het kneuzen ook het gras gelijkmatig aan het zonlicht wordt blootgesteld, zodat het gemaaide gras sneller droogt.

Het conserveren van gedroogd gras, hooien dus, voor dieren is een wijze om ervoor te zorgen dat er in tijden van weinig aanbod van vers gras en er amper grasgroei plaatsvindt zoals bijvoorbeeld tijdens de winter, er voldoende voedsel aanwezig is om de dieren te kunnen voeren. Het beste moment om te gaan maaien en hooien was destijds voor de boer de periode voordat het gras bloemstengels begon te vormen. Hoe jonger het gras was dat gemaaid werd, hoe hoger de voederkwaliteit was. Deed de boer dit later door bijvoorbeeld slecht hooiweer en hadden er zich bloemstengels gevormd, konden de koeien het gras slechter verteren. Daarnaast was natuurlijk het drogestofgehalte van hooi, ongeveer 80%, van groot belang voor het opslaan van de wintervoorraad. Voordat er andere vormen van hooiopslag bestonden zoals hooipakjes en hooibalen, werd het hooi opgeslagen in een zogenaamde hooiberg of hooibult. Zowel bij de opslag van hooi in een berg, een pakje, of een baal, is het dus van belang dat het hooi droog genoeg is om hooibroei te voorkomen.

Zo’n tweehonderd jaren geleden bezat de boer nog niet over grassen met een hoge opbrengst aan hooi. Vergeleken met de hoeveel hooi heden ten dage, lijkt het wel een armtierige oogst. Het kruidenrijke hooi dat door de boer in het beekdalgebied van de Zulter Bitse werd gewonnen, was hoogstens voor een tiental koeien en een paar paarden bedoeld. Een groot contrast met de huidige boer die over ruim 160 dieren beschikt.

Nee, in de negentiende eeuw ging het maaien en het hooien er nog heel anders aan toe dan heden ten dage. Veel termen en uitdrukkingen die in die tijd veel werden gebruikt, zoals Dr. C.C.W.J. Hijszeler het in zijn boek ‘Boerenvoortvaring in de oude landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe’ heeft geplaatst, worden niet meer gebruikt en zijn daardoor al heel lang verdwenen en vergeten. En laten we eerlijk zijn, de mechanisatie binnen de landbouw heeft natuurlijk ook enorm veel voordelen gebracht, waardoor het lichaam van de boer en zijn arbeiders veel minder hadden te lijden onder het zeer zwaar lichamelijk werk dan hun voorgangers honderden jaren eerder.

De vaak zelf gemaakte, schuin aan de steel gezette hooihark, tot en met de tanden van hout, maakte gedeeltelijk plaats voor de bredere exemplaren, eerst van hout en later van metaal. Deze brede hark werd in de omgeving van Roden ook wel ‘rief’ genoemd. Hier wordt tevens het hooi op zogenaamde opperties geharkt. (Afbeelding: pagina 31, Ton de Joode – Landleven, het boerenbestaan van toen. Foto Peter Schütte. MCMLXXXI Elsevier-Amsterdam/Brussel)

Een swat, zwad of zwade tegenwoordig, was een strook gras dat door een mëijer (maaier) met een zeis was gevormd. Het woord swat of in het meervoud in Roden ook wel swaod’n genoemd, speelde in de beschrijvingen van het hooien dan ook een belangrijke rol. Maar veel belangrijker was bij het hooien het weer, en dan met name goed hooiweer; droog, zonnig weer, met het liefst een beetje wind. Helaas was het perfecte plaatje om te kunnen gaan hooien vaak niet aanwezig en moest men zich aan het weer en de omstandigheden aanpassen. Het kon dan ook voorkomen door de weersomstandigheden dat het gemaaide gras te lang op het land, ‘t swat, bleef liggen en het onderliggende gedeelte geel was geworden en tot rotting was overgegaan. Was dit het geval, dan werd er gezegd dat het gras ‘smaarterig’ was. Dit kon ook gebeuren wanneer het gras in zogenaamde ‘oppers of opperties’ lag. Opperties of öpperties waren hopen of hoopjes bij elkaar geharkt gras of hooi, dat in het gemaaide hooiland lagen en op de bovenstaande afbeelding te zien is.

Het gereedschap dat rondom het voormalig esgehucht werd gebruikt tijdens het hooien. a) Rief, b)Hooihark, c) Trekrief, d) Schootvörk, e) Weesboom, f) Hoak. (Afbeelding: Dr. C.C.W.J. Hijszeler: Boerenvoortvaring in de oude landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe. De tekeningen werden vervaardigd door de J. Witpaard te Meppel en N. Overdiep te Groningen. Uitgegeven te Assen bij Van Gorcum & Comp. N.V. (G.A. Hak & H.J. Prakke) (MCMXL))

Als het geen erg mooi weer was, ging men rondom het dorp Roden ‘de swaod’n omtrekk’n, keer’n met de rief’. Wanneer men dit deed, kwam het gras dat onderaan lag boven te liggen. Een rief (figuur a) is een houten hooihark waarbij de steel scheef op de hark gemonteerd zit. Was het echter wel goed weer in de omgeving van het voormalig esgehucht, ging men het gras in de zwadden losmaken: ‘de swaod’n löshauw’n, lös gooj’n of lös maok’n met de rief (1). Daarbij nam men steeds een drietal zwadden bij elkaar, waarbij het middelste zwad uiteen gehaald werd met de hooivork (figuren 1 en 2), lös maok’n met de vörk, waarna de buitenste twee zwadden eveneens met de hooivork los werden gemaakt en met de zogenaamde rief naar elkaar werden geharkt en er een lange strook gras ontstond. Men sprak dan van ‘de aander’n d’r naor toe heuj’n, bijheuj’n met de rief (1). Deze stroken gras werden ook wel een ril of weersem (’n weers’m) genoemd; ‘Wai hebben het gras in weersems liggen (1). Vormde men echter na het losmaken kleine oppers, dan liet men dat dus na om weersems te maken.

De boeren in de Zulte zeiden: ‘Wai hebben het gras in weersems liggen’ wanneer zij het het droge gras in lange rillen op het land hadden liggen. Destijds werden de weersems met de rief gevormd, maar ook dit wordt heden ten dage machinaal gedaan.

Daarna ging men het gras ‘in raggies, in klaine opperties zett’n met de heujvörk (1). Dit waren kleine oppers hooi, het drogende gras was dan al bijna hooi, en werden ook wel heui- oh heujoppers genoemd. Dit opperen deed men laat in de middag, zo tegen de avond aan om te voorkomen dat er vocht in het bijna droge hooi kon komen. Op dagen dat het donker weer was, het was dan niet zonnig genoeg, en het niet regende, moest men de oppers uit elkaar halen en weer op een andere plaats opnieuw maken. Dit gebeurde vanzelfsprekend met de hooivork en werd ‘omopper’n  met de vörk’ genoemd. Een bijkomend voordeel van het omopperen was mocht het hooi aan de onderkant vochtig geworden zijn, dan kon hooibroei of verrotting van het hooi zo voorkomen worden. Het van onderen op vochtig worden noemde men ‘opstaol’n’. Sprak men in de grote delen van Drenthe van ‘t is aordig opstaolt’, in de omgeving van het Noord-Drentse dorp Roden zei men dan ‘de heuioppers bint aordig opstaold (2).

Hooivorken met twee (2) en drie tanden (1). (Afbeelding: Dr. C.C.W.J. Hijszeler: Boerenvoortvaring in de oude landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe. De tekeningen werden vervaardigd door de J. Witpaard te Meppel en N. Overdiep te Groningen. Uitgegeven te Assen bij Van Gorcum & Comp. N.V. (G.A. Hak & H.J. Prakke) (MCMXL))

De hooivork (figuren 1 en 2) was een onmisbaar werktuig bij het hooien in het algemeen. Of het nu was bij onder andere het losmaken van de stroken gras, het omopperen van de opperties of het binnenhalen van het hooi, de boer kon niet zonder. De hooivork bezat twee of drie tanden en had een lange steel zonder handgreep. Bij het binnenhalen van het hooi gebruikte men zelfs hooivorken met een meer dan twee meter lange steel om het hooi hoog op de boerenwagen te kunnen werpen. Immers, des te meer hooi er op de wagen werd geladen, des te minder men met het paard en de wagen op en neer hoefde te rijden.

Een paar geschikte stukken hout en wat aangescherpte pennen, op de juiste manier aan en in elkaar bevestigd, leverden een goed bruikbare heujhark. Hout voor het eenvoudig gemaakt gereedschap was natuurlijk in overvloed te vinden in de vele bossen en op de massaal voorkomende houtwallen in de Zulte.(Afbeelding: pagina 137, Ton de Joode – Landleven, het boerenbestaan van toen. MCMLXXXI Elsevier-Amsterdam/Brussel)

Destijds beschikte de boer nog niet over tractoren die met gemak twee lage wagens vol hooi kon trekken, maar over één of twee paardenkrachten om het geheel te vervoeren. Heeft de moderne boer in vergelijking met zijn verre voorganger het geluk dat hij zijn hooi veel sneller weet binnen te halen vanwege de mechanisatie, ook de eisen die hij aan het hooi verschillen nogal van elkaar. Het was dan ook voor de vroege boer van belang dat er voldoende drogende dagen aan één waren om het hooi te kunnen oogsten. Zo was er in het jaar 1821 een vrij goed jaar als het op gras en hooi aankwam in het Noorden van Nederland, maar juist slechter hoe zuidelijker men in het land ging. In de Staat van den Landbouw schrijft J. Kops: ‘In Vriesland en Groningen kwam het gras vroeg aan, en maaide men vroegtijdig. Het gemaaide werd intusschen veelal te driftig weg gereden en verbroeide, ja veroorzaakte hier en daar brand. Het hooi was er te goedkooper, daarmen tot laat in het najaar overvloed van krachtig en voedzaam gras had. Allezins voordeelig ging het met gras en hooi in Overijssel, en vrij goed in Drenthe(3).

Opteim’n. Het in oppers plaatsten van het tot hooi verworden gemaaid gras. Ook in de graslanden rondom de Zulte kon men deze bulten van hooi aantreffen. (Afbeelding: pagina 31, Ton de Joode – Landleven, het boerenbestaan van toen. Foto Peter Schütte. MCMLXXXI Elsevier-Amsterdam/Brussel)

Maar goed, de toenmalige boer was dus destijds afhankelijker van het weer dan de boer vandaag de dag en moest daarnaar dan ook handelen. Zodra het geschikt hooiweer was, werd het hooi dat in oppers op het land stond, uit elkaar gegooid met de hooivork, ‘de oppers strêij’n met de vörk’. Na ’t wenn’n’, het uiteen halen van de oppers en het verspreiden van het hooi dus, maakte men met de rief opnieuw weersems (in weers’ms zetten). Wanneer men dit ging doen, diende het gras droog te zijn, waarna de tijd was aangebroken om het hooi met de vork ‘op te teim’n’, of te wel ‘in dikke oaf dreuge oppers te zett’n met de vork (1). De weersem werd bij gedeelten opgeschoven, opschöev’n zei men dan in de Zulte. Opschöev’n ging als volgt in het werk: er werd een vork aan de ene zijde van de ril hooi gezet en schoof deze zover mogelijk naar het midden op, waarna de vork er aan de andere kant werd in gezet en die helft ook werd opgeschoven.

Een zeer herkenbaar beeld in de gebieden rondom het dorp Roden. Het bijeen harken met de rief van het hooi zodat er mooie lange rillen ontstaan, waarna de tractor met de zogenaamde hooipers er langs kan gaan om de hooipakjes te persen.

Daarna ging men het hooi opzetten. Het opzetten van droog hooi in grote oppers in handwerk om het op een gunstig gelegen tijdstip in te schuren, vroeg destijds veel tijd. Daarom zorgde men ervoor dat de oppers van de naast elkaar liggende rillen of weersems tegenover elkaar kwamen te liggen, zodat het voor de arbeiders een stuk gemakkelijker werd om de hooiwagen te laden, daar deze steeds tussen de oppers doorreed. De benodigde tijd voor het laden werd in belangrijke mate beïnvloed door de volgende factoren: de wagen waarop wordt geladen, het aantal arbeiders dat aan het laden deelneemt, de werkmethode die wordt gevolgd en de ligging van het hooi.

De paardenhooihark deed halverwege de negentiende eeuw zijn intrede in Nederland. Weliswaar oogt het primitief, maar voor diegene die met noeste spierkracht in het hooi zat, was dit al een enorme verbetering. (Afbeelding: pagina 31, Ton de Joode – Landleven, het boerenbestaan van toen. Foto Peter Schütte. MCMLXXXI Elsevier-Amsterdam/Brussel)

Het spreekt voor zich dat hier en daar nog wat hooi was blijven liggen. Dit hooi werd verzameld door met de rief de resten bij elkaar te harken, ‘de opperstaart’n anheuj’n’. Dit werd ook wel het ’t anheujsel genoemd en werd gebruikt wanneer het hooi nog een nacht buiten moest blijven, als een soort van afdekking. Het anheujsel voorkwam het zogenaamde inregenen.

De boerenwagen zoals deze in het verleden door de Drentse boeren gebruikt werd om het hooi naar binnen te halen of naar de hooimijt te brengen. (Afbeelding: Dr. C.C.W.J. Hijszeler: Boerenvoortvaring in de oude landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe. De tekeningen werden vervaardigd door de J. Witpaard te Meppel en N. Overdiep te Groningen. Uitgegeven te Assen bij Van Gorcum & Comp. N.V. (G.A. Hak & H.J. Prakke) (MCMXL))

Het hooi moest op de boerderij zo dicht mogelijk bij de stal worden opgeslagen, doorgaans boven de deel. Dit werd ook wel ‘opgetast’ genoemd. Het dagelijks transport bij het voeren werd hierdoor zo klein mogelijk. In de gebouwen van toen was de ruimte boven de stal vaak klein en moeilijk bereikbaar. Het lossen van de wagen met hooi, ook wel ‘afsteken’ genoemd, het verdere transport naar de plaats van opslag en het stapelen van hooi, waren een paar redenen waardoor het lossen veel tijd kon gaan kosten.

Het persen van de zogenaamde hooipakjes. Door het hooi in pakken te persen gaat het inzamelen van het hooi een stuk sneller, eenvoudiger te transporteren en het is ook nog eens gemakkelijker en beter te stapelen in de schuur van de boer.

Is het tegenwoordig heel normaal geworden dat sommige graslanden wel drie en soms wel vier keer per jaar gemaaid worden, rond het midden van de negentiende eeuw gebeurde dit met een beetje geluk twee maal in de zomer. Het gras voor de tweede keer maaien, noemde men in de omgeving van het Noord-Drentse dorp Roden ‘etgruin maaj’n’.

Op sommige plaatsen rondom Roden wordt het ‘ouderwets’ hooien nog in de praktijk gebracht. Met name op de vochtige en beschaduwde graslanden is dit het geval. Doorgaans zijn dit eeuwenoude kleine percelen.
Heujpakjes mennen; Hooipakjes van het land halen en naar binnen brengen.

(1) Bron: Dr. C.C.W.J. Hijszeler: Boerenvoortvaring in de oude landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe. Uitgegeven te Assen bij Van Gorcum & Comp. N.V. (G.A. Hak & H.J. Prakke) (MCMXL)

(2) Bron: Woordenboek van de Drentse Dialecten. © 2009 Rijksuniversiteit Groningen

(3) Bron: Staat van den Landbouw in het Koningrijk de Nederlanden gedurende het jaar 1821, opgemaakt door den Hoogleeraar J. Kops, te Utrecht, en uitgegeven op last van den Minister voor het Publieke Onderwijs, de Nationale Nijverheid en de koloniën. ’s Gravehage, Ter algemene Landsdrukkerij.

De man met de zeis.

Zo’n tweehonderd jaren geleden bestonden er nog geen moderne landbouwvoertuigen zoals wij die vandaag de dag kennen en kwam het aan op harde, noeste en lichamelijke arbeid. Niets van een stoere tractor met een hippe cyclomaaier waarmee je het gras op land in een poep en een scheet omgemaaid hebt en een vlotte hooischudder om het gras te schudden. Nee, alles gebeurde op de graslanden rondom het voormalig esgehucht de Zulte door de boeren, knechten en arbeiders nog met de hand en pure spierkracht. Het spreekt voor zich dat de één meer bedreven in het maaien met de zeis was dan een ander of juist weer een andere techniek gebruikte, waarover door de arbeiders en knechten die het zware werk in het hooi moesten doen, dan ook de nodige opmerkingen werden geopperd. Een aantal van deze termen, die in het verleden werden gebruikt in de gebieden in en rondom de Zulte tijdens de negentiende en twintigste eeuw, passeren hier dan ook de revue.

Een aquarel uit het jaar 1824 van de kunstenaar A. Kosters met in het midden van de afbeelding een maaier die met de zeis en hark onderweg is. (Afbeelding: Beeldbank Groningen, identificatienummer NL-GnGRA_1536_5363, Groninger Archieven, Archief Academie Minerva, toegangsnummer 1448, inv.nr. 34.)

Het was destijds al bekend dat goed maaien een moeilijk vak was en dat het maar weinigen gegeven was om het vak goed te verstaan. Zeker wanneer men in groepen het weiland opging om het gras te maaien, dan was een zekere vorm van uniformiteit gewenst om de hooiers tevreden te houden. Het maaien met een zeis wat dus duidelijk iets wat een boer of arbeider goed onder de knie moest hebben, wilde deze optimaal gebruik kunnen maken van het lange gras. Een zeis, of zais zoals deze in de Zulte genoemd werd, was toen en nog steeds, eigenlijk niets meer dan landbouwhandwerktuig dat uit twee onderdelen bestond.

Een afbeelding van een zeis zoals deze in het verleden in de Zulte werd gebruikt. De termen zijn in het dialect zoals deze in de omgeving van het voormalig esgehucht werd gesproken. a) Zaisboom, b) Dollen, c)’t Oort, d) De hak, e) De hekel, f) De ring, g) De kiel, h) De rug, j) De aege, k) De strekel, l) Hoarspit, m) Hoarhoamer, n) toujaoger. (Afbeelding: Dr. C.C.W.J. Hijszeler: Boerenvoortvaring in de oude landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe. De tekeningen werden vervaardigd door de J. Witpaard te Meppel en N. Overdiep te Groningen. Uitgegeven te Assen bij Van Gorcum & Comp. N.V. (G.A. Hak & H.J. Prakke) (MCMXL))

De zeis bestond uit twee delen; een sikkelvormig mes en de boom. De boom noemde men ook wel ‘de zaisboom’ (a) en was een lange, rechte, ronde stok waarop twee gebogen handvatten zaten, de zogenaamde ‘dollen’ (b). De dollen zorgden niet alleen voor een goede grip, maar waren ook nog eens zo geplaatst dat de gebruiker de maximale slag kon met het gereedschap kon maken. Het sikkelvormig gebogen mes, dat eigenlijk de zeis is, bezat aan de ene zijde een scherpe, spitse punt, die ‘’t oort’ (c) heette en aan de andere zijde recht afgesneden is. Dit gedeelte van werd destijds ‘de hak’ (d) genoemd in het Noord-Drents dialect dat in de omgeving van de Zulte door de mensen werd gesproken.

Een in de geschiedenis van de Zulte veelvoorkomend beeld; een boer of en arbeider die aan het maaien is met de zeis en de strekel daarbij in de hand houdend. (Afbeelding: pagina 30, Ton de Joode – Landleven, het boerenbestaan van toen. Foto Peter Schütte. MCMLXXXI Elsevier-Amsterdam/Brussel)

Aan het gedeelte dat de hak heette, zat een rechthoekig gebogen stuk dat veel weg had van een handvat. Dit gebogen  stuk noemde men ‘de hekel’ (e) zat door middel van een wig, ‘de kiel’ (g), vast in een gat dat de naam ‘’t hekelgat’ droeg. ’t Hekelgat was een vervorming in een stuk ijzer, ‘de ring’ (f). De kiel en de ring, ‘’t bijwark’, zorgden ervoor dat het mes stevig aan de zeisboom bleef zitten tijdens het gebruik van de zeis. De bovenzijde van het mes heette ‘de rug’ (h) en het scherpe gedeelte, zeg maar het mes, was ‘de aege’ (j).

Het gebruik van een strekel door een boer om de zeis weer scherp te maken. Bestond in het verre verleden het laagje om de zeis te scherpen uit bijvoorbeeld vet, koemest of teer, en iets later uit scherp zand, tegenwoordig is deze van cement gemaakt. (Afbeelding: pagina 31, Ton de Joode – Landleven, het boerenbestaan van toen. Foto Peter Schütte. MCMLXXXI Elsevier-Amsterdam/Brussel)

Om snel en goed te kunnen maaien met de zeis, was het regelmatig scherpen van het mes noodzakelijk, dit noemde men ook wel ‘de zais striek’n’. Om het mes van de zeis te kunnen scherpen, draaide men de zeis om, plaatste de bovenkant van de zeisboom op de grond en pakte de maaier ‘de strekel’ (k). Een strekel was volgens het Nieuw Groninger Woordenboek van K. Ter Laan “een houten werktuig, waarmee de zeis scherp gestreken wordt. Insgelijks de stok, waarmee de korenmaat wordt glad gestreken. De swoa wordt strookn met de strekel (d. V.) = de saais wordt streekn. (1). Veel Groningse woorden kwamen ook voor in het Noord-Drentse dialect dat in Roden en omgeving werd sproken. De maaier ging met de strekel beurtelings langs de snede van het mes van boven naar beneden, maar nooit op en neer. Dit was de beste manier om de zais te striek’n. Soms gebruikte men na het strijken met de strekel nog een wetsteen. De gebruiker spuugde wat speeksel op het mes en ging in dezelfde volgorde als de strekel met de wetsteen van boven naar beneden.

Het scherp strijken van de zeis door een arbeider op ’t Groninger Land door middel van een houten werktuig, de zogenaamde strekel. (Afbeelding: Fig. 293. Striékn mit strekel. Pagina 986 Nieuw Groninger Woordenboek door K. Ter Laan met kaarten en platen van Johan Dijkstra e.a.. J.B. Wolters’ U.M. – Groningen, Den Haag, 1929.)

Soms kwam het ook voor dat de zeis zo erg stomp geworden was, dat de strekel geen uitkomst meer bracht. Dan was de maaier gedwongen om het blad te haren, ‘hoar’n’ noemde men dat in de Zulte destijds. Hoar’n gebeurde met speciaal gereedschap, een ‘hoarhoamer’ (m) en ‘hoarspit’ (l), dat ‘hoartuug(1) genoemd werd. De hoarspit was een kruisvormige, ijzeren pin met een brede kop die enigszins schuin in de grond werd gestoken. Vervolgens werd de scherpe kant van de zeis op de brede kop gelegd en behamerde de maaier deze met de bek van de hoarhoamer.

Het hoar’n van de zicht of zichter, zoals een zeis met een korte handvat werd genoemd, bij een akker met vlas achter de boerderij van Rietema rond 1924-1925, destijds gelegen aan de Ommelanderweg in Hornhuizen. De man vooraan is mogelijk Van de Velde, de man rechts mogelijk Van der Veen. (Afbeelding: Beeldbank Groningen, identificatienummer NL-GnGRA_2516_8 Groninger Archieven 2516_0008.jpg)

Het maaien van het lange gras gebeurde ruim tweehonderd jaar geleden doorgaans in een groep, waarbij er door de eerste maaier aan de linkerkant van het perceel begonnen werd en de volgende maaier op enige afstand rechts van de eerste maaier volgde. De volgende maaiers volgden in hetzelfde patroon en bleven aan de rechterzijde achter de voorganger. Een maaier, ook wel ‘mëijer’ genoemd in het dialect, vormde een zwade of zwad, de hoeveelheid gras die met één slag van de zeis werd neergelegd. In het in de Zulte gesproken Noord-Drents dialect sprak men echter doorgaans van een ‘swat’.

Het Landelijk Kennisnetwerk Levende Have was op bezoek bij Jan Oldenkamp van Landschap Overijssel. Hij heeft precies verteld hoe het zeisen in zijn werk gaat. Alle voor- en nadelen van het werken van een zeis komen aan bod.

Nu zat er nogal wat verschil op wijze waarop de ene maaier de zeis hanteerde dan een andere maaier. Had de maaier een techniek waarbij hij het achtereinde van de zeis, de zogenaamde hak, te hoog liet lopen, dan bleef er rechts vaak wat gras staan, terwijl links alles werd weggemaaid. Maaiers die op deze wijze de zeis hanteerden, zorgden er dus voor dat er een lage ril gras bleef staan, die vervolgens een ‘kam’ genoemd werd. Over deze maaiers werd dan ook gezegd, dat ze aan het ‘swatkammen’ waren. In de omgeving van Roden zei men destijds echter: ‘De mëijer haüwt met de hak(2), de maaier slaat met de hak, het achtereinde van de zeis dus.

Een tweede vorm van maaien met de zeis was dat de maaier deze zo vasthield, dat er in het midden van de zwad meer gras gemaaid werd dan aan de zijkanten, dan zei men: ‘Mëijde de mëijer swienebakk’n(2). Er bestonden ook maaiers die zo met zeis maaiden, dat de punt van het blad (’t oort) te ver naar achteren liep en er links voorbij de snede wat gras bleef staan. In dat geval sprak men van: ‘De mëijer oort niet deur’ (2). In de omgeving van Roden werd er dan spottend gezegd: ‘Er blif ’n heeg staon(2) (Er blijft een heg/haag staan). Dit laatste kon ook het gevolg zijn van het feit, dat de maaier de zeis ten opzichte van de hekel (angel van een zeis) te ruim stond en daardoor een te grote hoek maakte. Voor diegene de het afgemaaide gras met een hark moest bewerken, was het gras dat bovenop het gedeelte lag dat niet goed gemaaid was, een nare klus en zorgde voor nogal wat wrevel en gescheld van de hooiers op de maaiers. De hark bleef namelijk achter het hogere gras haken, wat bij de hooiers leidde tot uitspraken zoals: ’t swat omtrekk’n’.

Zo zou het er rond 1820 in weilanden in de omgeving van de Zulteresch gezien vanuit het westen richting het oosten uit hebben kunnen zien. Niets van een grote, groene zee van Engels raaigras zoals dit vandaag de dag het geval is, waar vrijwel geen bloem te vinden is, laat staan een grote insecten populatie, maar een uitbundig gekleurd mengsel van grassen, kruiden en bloemen. Het spreekt voor zich dat destijds hier een groot en een zeer gevarieerd insectenbestand aanwezig was. Op de achtergrond lag in die tijd het Groot Noordholt, een enorm groot oerbos dat moest wijken voor de expansiedrift van de groeiende boerenbedrijven.

Naast dat de weersomstandigheden voor de boeren in de Zulte belangrijk waren bij de snelheid en de kwaliteit van het maaien én het hooien, het bleef immers mensenwerk, maar ook de inrichting van het perceel was een bepalende factor die niet te onderschatten viel. In de huidige tijd maakt de toestand van het te maaien land niet zoveel meer uit, immers door de mechanisatie in de landbouw zijn de maaimachines niet meer kieskeurig en is het gras snel gemaaid. In vroegere tijden voordat de mechanisatie was ingezet, was dit echter een geheel ander verhaal. Doordat het gras nooit rechtop staat en door de weersinvloeden zoals door weer en wind vrijwel altijd een schuine stand bezit, diende de maaier ook hier rekening mee te houden.

Het gebied in de Zulteresch dat eerder in de afbeelding hierboven werd omschreven, maar dan vanuit het oosten richting het westen gezien. Kenmerkend voor het gebied rondom de Zulte waren niet alleen de vele kruidenrijke graslanden, maar ook nog de destijds talrijk aanwezige en deels zeer oude bossen.

De door de maaiers te maaien wei- en hooilanden lagen in het gebied rondom het voormalig esgehucht de Zulte niet alleen op de essen, maar ook in het beekdalgebied van de Zulter Bitse. Daarnaast lagen de graslanden ook naast bijvoorbeeld vele kampen, die in het gebied voorkwamen en omringd waren met houtwallen. Eigenlijk is er dan ook geen standaardvorm van een grasland in de wijde omgeving van de Zulte aan te wijzen. Zo waren bijvoorbeeld de graslanden langs de beek slechts aan drie kanten omgeven door een houtwal of ondiepe sloot. Ook in de wallen zaten diverse verschillen qua uitvoering en inrichting.

Donkere onweerswolken boven het perceel met het te maaien gras. Sinds jaar en dag is de boer afhankelijk van het weer tijdens de hooiperiode. Het hooien van toen en op de wijze zoals deze heden ten dage plaatsvindt, is stomweg niet te vergelijken. Vandaag de dag is het voor de moderne boer slechts een fluitje van een cent om even de weersverwachting erbij te nemen en dan wel of niet te gaan maaien. In het verleden zouden de onweerswolken de toenmalige boer tot waanzin hebben gedreven als het gras gemaaid op het land lag en moest drogen

Tevens speelde ook ligging van de weilanden en de wallen op de, aan de, of juist ver van de nattere gronden zoals de madelanden een grote rol. De madelanden waren natte graslanden, die meestal alleen gebruikt werden als hooilanden als het weer het toeliet en bevonden destijds voornamelijk uit zogenaamde blauwgraslanden (Cirsio dissecti-Molinietum). Door hun vochtige toestand waren de blauwgras- en madelanden niet geschikt om er vee te laten weiden en dienden ze als hooilanden. In een zeer gunstig jaar met een droge nazomer kon het nogal eens gebeuren dat de ondergrond droog genoeg was en liet men er alsnog vee grazen. Tegenwoordig bevindt zich het gebied waar de madelanden vroeger lagen, nu tussen de straten de Klimop, De Hulst en Kamperfoelie in de Bomenbuurt van Roden.

Het houten toegangshek zat meestal in de houtwal aan de voorzijde van het te maaien perceel. Deze vorm van hek werd ‘wring’ genoemd en hier is meer over een wring te lezen.

Doorgaans bestonden de wallen vooral uit houtwallen de beplant waren met Zomereiken (Quercus robur) en een tal van andere iets lager blijvende loofbomen. In de nattere en lagergelegen gedeelten waren het juist Zwarte elzen (Alnus glutinosa) of ondiepe sloten die zorgen voor de afscheiding. Deze wallen bevonden zich meestal aan de zijkanten van een perceel en werden daarom dan ook ‘zijwallen’ genoemd. De zijwallen konden wel honderden meters lang zijn, lagen langs diverse percelen en gingen dan in sloten over. De toegangshekken zaten in de wallen aan de voorzijde.

Aan het einde van een zogenaamde zijwal nabij bijvoorbeeld een beek ging deze doorgaans over in en ondiepe sloot, die echter voldoende diep en breed was om het vee in het weiland te houden.

De maaiers diende dus rekening te houden met de schuine stand van het gras wanneer zij begonnen te maaien. Daarom probeerden zij altijd als het mogelijk was, nooit tegen de ligging van het gras in te maaien. De maairichting die zij dan aanhielden, was vaak van het westen richting het oosten of van het zuidwesten naar het noordoosten. Eigenlijk is er in de richting van waaruit de wind vandaag de dag waait maar weinig veranderd met de windrichting, die de wind zo’n tweehonderd jaren geleden had. Toch moest men op de dag zelf van het maaien wel degelijk rekening houden met de richting waaruit de wind waaide.

Tegenwoordig hoeft het gemaaide gras niet meer extreem droog te zijn om hooibroei te voorkomen, het gras wordt ingekuild. Inkuilen van gras is een conserveringsmethode, net als wekken, vriezen, drogen, zouten of inblikken, om ruwvoer te kunnen bewaren. Voor het inkuilen is het juist belangrijk dat het gras niet te lang blijft liggen tijdens de zogenaamde veldperiode.

Een ander en zeker één van de belangrijke omstandigheden tijdens het maaien destijds was toch wel, dat het gras veel dunner op het land stond dan vandaag de dag. Doordat de bemesting van de weilanden in die tijd lang niet zo hevig en zwaar was als heden ten dage, stond het gras verder uit elkaar dan het nu het geval is. Daarnaast gebruiken de boeren tegenwoordig andere grassoorten die een hogere opbrengst per vierkante meter garanderen. Het uit Engeland afkomstige Ryegrass dat daar al sinds 1600 in Oxfordshire geteeld werd, is hier een goed voorbeeld van. Dit zaad werd in het Nederlands taalgebied onder de naam Engels raaigras (Lolium perenne) in de handel gebracht en is een dichte zodevormende, vaste plant.

Een weiland langs de Zulter Bitse en het restant van het Groot Noordhout kleurt groen door het Engels raaigras (Lolium perenne). Een grassoort dat voor de moderne boer onmisbaar is geworden, maar voor de biodiversiteit van planten en insecten in het gebied catastrofaal is gebleken.

Om het zogenaamde ‘dun gras’ als hooi binnen te kunnen halen, begon de boer indien het weer dit toeliet, al in de eerste helft van de maand juni met het werk. Als er gemaaid kon worden en er waren meer dan één maaiers, dan ging er eerst een maaier vooruit om een ‘’n swat veurlanges’ te maken, zodat de andere maaiers beter het te maaien gedeelte konden inzetten. De maaier die voor de andere maaiers een zwad voorbereidde noemde men destijds ook wel de veurmëijer, voormaaier dus. Doorgaans begon deze voormaaier aan de voor hem linkerzijde van het te maaien perceel grasland, vrij dicht bij de sloot langs en zodra deze aan het einde van het perceel was aangekomen, draaide hij zich om en maaide dan het gedeelte tussen het gemaaide en de sloot. Zo ontstond er doordat er twee zwadden, in de Zulte sprak men van ‘de swaod’n’ tegen elkaar lagen, een zogenaamde ‘’n goarswat’. Dit werd ook wel ‘’n goarswat mëij’n’ genoemd. In de tijd dat de voormaaier de goarswat vormde, maaiden de andere maaiers de overige slootkanten, ‘de slootkaant opmëij’n’. Dit werd echter ook wel het allerlaatste door de maaiers gedaan.

Vers gemaaid gras langs de oever van de Zulter Bitse. Het perceel dat ten westen van het beekje lag en na de ontginning van van dit deel van het oerbos in de jaren twintig in de negentiende eeuw, de naam ‘Klein Noordholt’ had gekregen, deed sindsdien dienst als grasland.

Wanneer dit was gebeurd, zetten de maaiers, de een na de ander, in het te maaien gedeelte in. Men hanteerde de zeis tegelijk. Het mooiste was, tree voor tree voorwaarts gaande, telkens een zwad te maaien. Maar dit was zeer zwaar werk. Wanneer men de naam wilde hebben om een flinke maaier te zijn, dan moest ‘’n dagwark’ (zestig roe) of ‘’n mat’ (halve bunder) geen probleem zijn. Maar zoals u al eerder kon lezen, snel en goed maaien met de zeis was én is nog steeds een kunst. IJdelheid en stoer doen tussen de arbeiders en knechten onderling was dan ook niet van de lucht op de graslanden rondom het voormalig esgehucht. Het spreekt voor zich dat men elkaar ging kleineren als het op de prestaties aankwam. Bekend was het rijmpje dat men destijds met enige regelmaat in de omgeving van Roden kon horen in de maaitijd: ‘Maaj’n is niks as bukk’n en draaj’n, Maor wol teiz’n , das vlais verleiz’n’ (Maaien is niets anders dan bukken en draaien, maar wol uit elkaar halen is vlees verliezen) (2). Wol teiz’n was een bezigheid die in heel Drenthe plaatsvond en was niets anders dan met duim en vinger de wol uit elkaar pluizen.

Het maaien zoals dat door de boer in het verleden gebeurde verschilde enorm met de huidige tijd, maar één gebeurtenis blijft toch wel hetzelfde; de ooienvaars die achter de maaiers aan liepen om voedsel te zoeken, lopen nu in het spoor van een tractor. Misschien is de overeenkomst met vroeger wel dat er tegenwoordig ook weer veel ooienvaars zijn, dit was een dertig tal jaren geleden wel heel anders.

Vervolgens werd het gras op het perceel strook voor strook gemaaid, elke zwad apart: ‘elk swat apaart’. Zodra de maaiers een bepaald punt hadden bereikt,  dit kon het einde van het perceel zijn of de plaats die zij wilden bereiken, dan stopten de maaiers en ging de zeis op de schouder en liepen ze naar de locatie waar men met het maaien begonnen was. Dit werd in de omgeving van Roden ook wel ‘n’ Groot oaf ’n kleinswat maaj’n’’ genoemd en betekende niets anders dat men de te maaien strook breder of juist smaller nam dan gewoonlijk. Hier zetten de maaiers opnieuw in en ging men weer aan de slag. Dan werd er gezegd dat de maaiers ‘’n neij swat anhoal’n’. Aan het einde van een maaidag of wanneer de maaiers ophielden met het gras maaien, gingen zij eerst nog de zeis hoar’n (haren). Men deed dit zodat de zeis scherp bleef en de maaiers dan weer de volgende dag direct konden beginnen met het maaien. Doorgaans haarde men voor het gras maaien de zeis tweemaal per dag. Als het gehele perceel gemaaid was, zei men ‘’t Gras ligt in ’t swat’. Het gras bleef een dag of juist meerdere dagen liggen, totdat de bovenste laag gras iets bestorven was.

Na het maaien liet men doorgaans in de negentiende eeuw rondom de Zulte het gemaaide gras een poosje liggen, soms een dag, een andere keer meerdere dagen, zodat de bovenste laag van het gras iets bestorven raakte. Op de afbeelding is het stroomdalgebied van de Zulter Bitse te zien.

(1) Bron: Nieuw Groninger Woordenboek door K. Ter Laan met kaarten en platen van Johan Dijkstra e.a.. J.B. Wolters’ U.M. – Groningen, Den Haag, 1929.

(2) Bron: Dr. C.C.W.J. Hijszeler: Boerenvoortvaring in de oude landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe. Uitgegeven te Assen bij Van Gorcum & Comp. N.V. (G.A. Hak & H.J. Prakke) (MCMXL)

Wringen en verklikkende voorsteinen

Tot zo’n zeventig jaar geleden, zo rond 1950, waren akkerbouw en veeteelt in de omgeving van het voormalig esgehucht niets bijzonders om van op te kijken. Het steeds groter wordend dorp Roden had het gehucht de Zulte nog niet opgeslokt en van de zich al aandienende schaalvergroting binnen de agrarische sector was voorlopig in dit gedeelte van Drenthe niets te merken. En toch begon het een en ander in de tweede helft van de twintigste eeuw zodanig te veranderen, dat de kleinschalige boerenbedrijven geleidelijk aan in een gestaag tempo uit het gebied verdwenen. De bedrijven die het wel wisten te redden en met de schaalvergroting meegingen, werden groter en groter. Boerderijen werden woonhuizen of verdwenen helemaal om plaats te maken voor huizenbouw en het leggen van straten. Ook was de akkerbouw vrijwel geheel verdwenen op de Zulteresch en daar waar nog gras stond, liepen koeien, paarden, of schapen. Langzaamaan begonnen ook de laatste groene weilanden te verdwijnen ten behoeve van de steeds sneller stijgende vraag naar woningen, het groeiende inwonersaantal, en de onstilbare uitbreidingsdrang van het dorp Roden.

Echter met het verdwijnen van de kleinschalige boer in en rondom het esgehucht verdwenen niet alleen de mensen en hun boerderijen, maar ook de wijze waarop zij hun beroep uitoefenden en hun gereedschappen hanteerden. Naast dit verdwenen ook de gebruiken, oude termen, en de handigheden die de vroegere boer gebruikte om de ontstane problemen zelf op te kunnen lossen. Weliswaar bleef de traditie nog bestaan om de oude gebruiken van de vader op de zoon en van de zoon op de kleinzoon te overdragen, maar het verwaterde snel doordat de aangewezen opvolgers geen heil meer zagen in het zware beroep en er voor kozen om door te leren. Heel af en toe tref je nog een oud persoon die iets heeft weten te bewaren wat zijn vader en grootvader hem of haar hebben verteld, maar de spoeling wordt ras dun.

De akkers die destijds op de Zulter Esch lagen op een zogenaamde schattingskaart vervaardigd door de tekenaars van het Kadaster ten behoeve van de schatting van percelen voor de herziening van de belastbare opbrengst van ongebouwde eigendommen. De kaart geeft waarschijnlijk de situatie tussen 1860 en 1880 weer. De tekenaar was destijds H. Baggelaar. (Bron: Drents Archief)

Ruim honderdvijftig jaar geleden verschilde de omgeving van het voormalig esgehucht op het gebied van de landbouw en gebruiken echt niet zoveel van de rest van de provincie Drenthe. Ook hier waren de sporen nog duidelijk zichtbaar die de gletsjer tijdens het Saale-glaciaal had achtergelaten. De door het terugtrekken en smelten van de gletsjer ontstane verhogingen en de daarna gevormde zandheuvels, die tijdens de zandverstuivingen in het Weichselien plaatsvonden, was er een ideaal landschap voor de boer gecreëerd. De verhogingen waren dus op een natuurlijke wijze ontstaan en niet zoals op veel andere plaatsen, door het opbrengen van potstalmest en kregen de naam ‘esch’ of ‘es’. Zo komen wij in de Zulte bijvoorbeeld de Westeresch en de Zulteresch tegen. Niet alle essen in het gebied hadden het woord es of esch in hun naam, de es Kostverloren is hier een voorbeeld van.

De bodem van de es lag dus doorgaans hoger en dat leidde ertoe, dat de oude boeren in het verre verleden vaak met een kennersblik de vruchtbaarste plekken op de met keileem bedekte es tot bouwland hebben uitgekozen. Voor de vroegere boeren was de es, die ook wel ‘communis esca’ genoemd en dat eigenlijk in collectief gehouden werd, een grote, onafgebroken en uitgestrekt stuk bouwland, dat bestond uit de gezamenlijke bouwakkers van de gezamenlijke boeren. De es was omgeven met houtwallen die grotendeels uit bijvoorbeeld Zomereiken (Quercus robur) bestonden en al dan niet op een aarden wal waren geplant. Sommige zijden van een es hoefde helemaal geen houtwal aangelegd worden daar er een groot bos naast lag. Naast communis esca bestond er nog ‘privata esca’, wat voor als privé tuin of erf staat en er hier verder niet tot doet.

De essen ten noordoosten van het voormalig esgehucht de Zulte op een kaart uit het jaar 1935. De kaart werd verkend in 1899 en herzien in het jaar 1933. Kaart no. 114 Roden heeft een schaal van 1:25000. (Bron: Drents Archief)

Daarnaast vormde het bezit van één boer niet een aaneengesloten complex, maar lagen deze kriskras tussen de akkers van de andere eigenaren in. Een mooi voorbeeld van de bouwakkers op een es waren de Körtakkers op de Zulteresch, waarbij de verdeelde percelen van elkaar gescheiden werden door diepere ploegvoren en de grenzen waren aangegeven met grote stenen. Bij een korte akker lagen de stenen alleen op of dicht bij de hoeken (voorstenen) en bij een langere akker lagen er stenen aan de lengtezijden. De voorsteinen of ‘veursteinen’ zoals ze in de Zulte ook wel genoemd werden, zorgden vaak voor onenigheid, doordat boeren die het niet zo nauw namen met de eerlijkheid, ze verlegden. Daarom gebruikte men zogenaamde ’verklikkers’, stenen die iets dieper lagen dan de voorstenen en bij een geschil de juiste plaats aantoonden.

Voor het gebruik van de akkers waren spelregels bedacht waar men zich aan diende te houden en min of meer overal in de provincie op hetzelfde neerkwamen. De bouwakkers die langs de randen van de es of langs een weggetje door de es lagen, waren ten alle tijde toegankelijk. Er bevonden zich echter ook percelen bouwland op de es die doorgaans alleen via het land van de buren of door de voren te bereiken waren. Deze waren dan ook niet toegankelijk voor de eigenaar als het koren te velde staat. Het bezaaien van de verschillende akkers met de diverse soorten graan was dan ook alleen maar toegestaan op de rand- en wegakkers van de es. Dit zal ook de reden geweest zijn dat het boerschap (buir- of buurschap) van het gehucht bij elkaar kwam om te bepalen welke graansoorten door wie, waar en wanneer gezaaid en geoogst zouden gaan worden.

Zoals op de kaart van de Körtakkers mooi te zien is, zijn niet alle akkers regelmatig en recht van vorm. Weliswaar waren de meeste percelen rechthoekig, daarentegen bezaten weer andere akkers een vorm waarbij het boven breder of smaller was dan het benedeneind; de zogenaamde ‘geerakkers’. Als de akker geploegd werd volgen de voren de vorm van het perceel en dan werden deze schuinlopende voren ook wel ‘geeren’ genoemd. Er werd dan ook wel gezegd dat de akker ‘geert’. Deze akkers bezaten dus min of meer een wigvorm en kregen naast geerakkers ook wel de naam ‘kielakkers’. Dan sprak men van dat een kielende akker of de akker kielt. Was het einde van het perceel bouwland een punt, dan was er sprake van een ‘tipakker’ en zei men gemakshalve ‘tip’ tegen de akker.

Naast de Körtakkers op de Zulteresch waren er in de directe nabijheid ook nog een aantal bouwlandcomplexen te vinden, echter waren deze doorgaans langer en gelijkmatiger recht van vorm dan die op de eerder genoemde Körtakkers.  Zo lag er op de Westeresch een es met zo’n zeventien percelen bouwland en op de Vöörste Zulteresch bevonden zich eveneens 17 akkers, die qua samenstelling niet veel verschilden van de andere essen in de omgeving van de Zulte.

Met enige regelmaat kom je nog sporen tegen van de akkerbouw die in het verleden op de essen van de Zulte plaatsvond. Zo kom je hier en daar nog steeds verwilderde Rogge (Secale cereale) tegen langs de oude essen. Rogge werd op de essen veel verbouwd.

Op veel plaatsen had men de toegangswegen naar de akkers op de es afgesloten met een hek om bijvoorbeeld het vee buiten te houden. Het kan zijn dat zoals bij de Zulte geen hek aanwezig was of dat de herinnering aan een hek geheel verdwenen is in de loop der tijd. Mochten ze wel aanwezig geweest zijn, dan kunnen wij deze hekken gaan vergelijken met die, die destijds toegang gaven tot de weilanden. De hekken bezaten dezelfde vorm. We kunnen wel een hek reconstrueren door middel van een beschrijving uit het verleden. Het hek dat hier gebruikt werd door de boeren ‘wring’ genoemd en bestond uit twee evenwijdig aan elkaar lopende balken, de boven- ende onderboom. Deze twee waren onderling verbonden door smalle planken die ‘scheijen’ genoemd werden en door middel van een pen en gat verbinding aan elkaar vast waren gemaakt. De bovenboom werd ook wel als ‘hekboom’ omschreven en bezat aan het einde een verdikking, die enigszins schuin naar beneden liep en vrij zwevend het hek in evenwicht hield zonder opzettelijke verzwaring. Dit gedeelte heette ‘de staart’.

Zo had het hek bij de es Körtakkers eruit kunnen zien als hier een gestaan had. Deze vorm van hek werd ‘wring’ genoemd en bestond uit de volgende onderdelen: 1. boven- of hekboom, 2. onderboom, 3. scheijen, 4. de staart, 5. de prop, 6. de klauw, 7. proppoal, 8. slagpoal, 9. de zweerd.

Aan de onderste balk, de onderboom dus, bevond zich aan de zijde waar een stevige paal (proppoal) in de grond geplaatst was, die aan de bovenzijde tot op een pindikte was verdund (de prop). Op deze paal draaide het hek. Aan deze zijde van de onderboom zat een gaffelvormig uiteinde (de klauw) die links en rechts om de proppoal heen greep, waardoor het draaien van het hek een stuk gemakkelijker ging. Boven-, onderboom en scheijen waren voor de stevigheid onderling nog weer verbonden door twee planken die elkaar kruisten, die ‘de zweerd’ werden genoemd. De andere paal, de zogenaamde slagpaol, sloeg het hek tegenaan of wanneer er aan het einde van de paal een gaffel zat, kwam deze hierop te liggen. Op sommige plaatsen legde men ook wel twee grote veldkeien aan weerszijden nabij het hek neer om over het hek te kunnen zonder dat deze geopend hoefde te worden.

Een hek nabij de Lieverseweg naast de plaats waar in het verleden het Oostervoortsche Diep heeft gelegen. Tegenwoordig komen wij hier in de omgeving nieuwe hekken tegen, maar in het verleden kwamen de hierboven beschreven wring veelvuldig voor, zoals Dr. C. C. W. J. Hijszeler dit al in 1940 beschreef.

Bron van de gegevens over de akkers etc. – Boerenvoortvaring in de oude Landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe door Dr. C. C. W. J. Hijszeler. In het jaar MCMXL uitgegeven te Assen bij van Gorcum & Comp. nv. (G. A. Hak & H. J. Prakke) 1940

Kleverige prut aan de stevels

Niets is zo controversieel als de aanwezige keileemlaag in het grote gebied ten noorden van het idyllisch gelegen dorp Roden in de prachtige kop van Drenthe. Met name in de omgeving van het voormalig esgehucht de Zulte waar deze keileem aan of vlak onder het oppervlak ligt en daar het uiterlijk weet te bepalen. Zeker in de nattere jaargetijden met een groot aanbod van hemelwater kan het werkelijk een groot drama zijn wanneer je als boer of loonwerker hier met zware machines aan de slag moet. Hier en daar zijn er zelfs plaatsen waar het vrijwel onmogelijk is om te lopen zonder dat de kans bestaat om je laarzen kwijt te raken aan deze glibberige, taaie en klevende substantie.

Over keileem zal vermoedelijk met net zoveel met bewondering gepraat en geschreven zijn als erop gescholden werd door de vroegere boer die deze ‘proeksel’ vervloekte. En nog steeds zorgt deze restant van de Saalien-ijstijd voor menig verwensing die ik hier maar niet zal herhalen. Eigenlijk betekent het woord ‘proeksel’ de rotzooi van smeltende sneeuw op de weg in het Gronings, maar de boer vond dat de keileem minstens net zo erg dat hij de term gebruikte en ergens kon ik mij daar wel in vinden. En keileem is niet kieskeurig wat betreft de plaats waar het voorkomt. Je zou haast het vermoeden krijgen dat het zich heeft neergelegd op plaatsen waar het niet opvalt of op schuine hellingen met het idee om de moderne mens hier het leven zuur te maken. Het is wat de boer zei; dikke proeksel! Zou de beste man ooit geweten hebben dat Drenthe ondanks zijn hoge ligging en de zandige ondergrond in het verleden door de aanwezigheid van keileem tot een van de natste provincies van ons land behoorde?

Waarschijnlijk zag de gletsjer die vanuit het noordoosten ons land binnentrok tijdens het Saale Glaciaal er op deze wijze uit. Miljarden tonnen ijs drukten zowel de bodem naar voren als naar beneden en lieten niets heel van het landschap dat zich na de Elster-ijstijd had gevormd.

Hoe je het ook wendt of keert, ruim 150 duizend jaar geleden begon het allemaal toen een grote gletsjer die vanuit het noordoosten onze omgeving was binnengedrongen, zich terug begon te trekken en een zogenaamde ‘grondmorene’ achterliet die vooral bestond uit (zwerf)keien, grind, zand, klei en leem. Door de samenstelling van het mengsel, dat grotendeels ontstaan was door het afslijten en het verpulveren van de keien door het gewicht en de snelheid (ongeveer 100 meter per jaar) van het pakket landijs, bezat de grondmorene ook veel kalk. Daarnaast pikte de gletsjer ook plaatselijk materiaal op dat een eindje verderop weer werd afgezet. De grondmorene komt op veel plaatsen voor en staat in Duitsland als ‘Geschiebelehm’ en in Engeland als ‘Lodgement Till’ of ‘Boulder-Clay’ bekend.

Een mooi voorbeeld van hoe de gletsjers in het verleden iets ten zuiden van Lieveren een grondmorene met keileem achterlieten en die grotendeels verweerd zijn, het zand op de deklaag stamt uit de Weichsel-ijstijd en is door de poolwinden hierheen geblazen. De plaats waar de grondmorene te zien was bevond zich langs het Oostervoortse Diep nabij waar deze in het Groote Diep uitmondde. Dit gedeelte is inmiddels gedempt ten behoeve van het weer laten meanderen van het Groote Diep.

Eigenlijk mogen en kunnen wij niet van een enkele grondmorene spreken. De gletsjer uit de Saale-ijstijd was niet zo maar een groot pak ijs dat over het Drentse landschap trok, eerder bestond het landijs in het noorden van ons land uit drie verschillende fasen. Voor ons zijn eigenlijk de eerste en de tweede fase van belang. De eerste fase kwam eerst niet verder dan het oosten van de provincies Groningen en Drenthe waar het ijs eerst stagneerde. Toen er weer meer ijs werd aangevoerd, schoof het pakket door tot de lijn Texel-Oldenzaal. Vervolgens kwam er de tweede fase waarin de hernieuwde aanvoer van landijs richting het zuidwesten ging en daar stopte, waar nu de Utrechtse Heuvelrug ligt.

De derde fase is zeker minstens net zo interessant als de twee voorgaande ijsverplaatsingen, alleen vond deze niet plaats in onze omgeving waar zich op dat moment enkel ‘doodijs’ bevond. Ten oosten van de lijn Roden-Assen-Smilde stroomde vanuit het noordwesten een pakket landijs met hoge snelheid richting het zuidoosten en vormde daardoor ten oosten van de Hondsrug een diepe glaciale geul, het huidige Hunzedal. Nee, het ging er zeker onstuimiger in de provincie Drenthe aan toe dan tijdens de vorige ijstijd. Door de verschillende fasen van landijs dat over ons gebied heenschoof, varieerde de plaatsen en de samenstelling van de grondmorene dan ook met enige regelmaat. Dat zien wij dan ook terug in de afzetting van de grondmorene, de keileem dus, in de ondergrond van de Zulte.

Op de bovenstaande afbeeldingen is te zien hoe het smeltproces van het pakket landijs zich voltrok. Naast de vele stuwwallen die deze gletsjer achterliet, bleef ook een indrukwekkende grondmorene achter in het noorden van Nederland.

Is de aankomst en het verblijf van het enorm groot pakket landijs in ons gebied al erg interessant, het vertrek met het bijbehorende smeltproces van de gletsjer maakt misschien nog wel meer indruk. Smolt de gletsjer tijdens de voorgaande ijstijd nog op een wijze waarbij het smeltwater van de grote hoogte naar beneden stortte en diepe geulen achterliet die met sediment werden opgevuld, het landijs dat hier lag brak in stukken uit elkaar. De grote stukken ijs gleden van de gletsjer af en duwden de doorweekte bodem voor zich uit en vormden zo ook weer stuwwallen. Het pakket landijs trok verder terug richting het noordoosten en de brokken bleven liggen waar ze in hun geheel wegsmolten.

Had de gletsjer tijdens het oprukken vanuit het noordoosten zowel grond als ander materiaal aan de onderzijde deze richting op vervoerd, in het ijs was ook behoorlijk veel sediment terecht gekomen en dit bleef achter doordat de terugtrekkende gletsjer verder smolt. Op de plaatsen waar de afgebroken en weggesmolten brokken lagen, bevond zich een grotere concentratie gletsjerpuin dat ook wel ‘Melt-dow Till’ genoemd wordt. Op een aantal plaatsen zijn tijdens dit sedimentatieproces de voorgaande en het nieuwere smelt residu door elkaar gemengd en kregen we weer een andere grondmorene. Zo is het dus mogelijk dat je verschillende afzettingen kunt tegenkomen die veroorzaakt zijn door een enkele gletsjer.

Een zwerfkei in de Zulte nabij het Volkstuinencomplex te Roden die overduidelijk sporen door slijtage draagt van zijn transport uit het noorden van Zweden. De steen bestaat uit zogenaamd Revsundgraniet, een opvallende granietsoort uit Noord-Zweden.

De naam ‘keileem’ heeft deze leemsoort te danken aan de verschillende formaten van de keien die er geregeld in voorkomen en gewoonlijk merendeels van Scandinavische of in het algemeen Baltische afkomst zijn. De keien zijn vaak aan de oppervlakte gepolijst en soms op voor deze stenen zeer karakteristieke wijze bekrast, die duiden op de voorgeschiedenis tijdens de reis naar ons gebied en die duidelijk en zeer nauw met de wijze van het vormen van de keileem samenhangt. De afzettingen door het landijs omvatten eveneens de afzettingen door het smeltwater van de gletsjer zoals fijn- tot zeer grofkorrelig grindhoudend zand met stenen. Deze afzettingen worden ook wel de ‘Formatie van Drente‘ genoemd.

Op de essen rondom het oude brinkgehucht zal menig zwerfsteen de vroege boer tot ergernis hebben gedreven.  Zo was er een boer nabij Leutingewolde die elke keer tijdens het maaien een steen raakte en hierdoor steeds schade aan de machines opliep. Gefrustreerd stapte de man uit zijn tractor, pakte een schep en begon te graven. Uiteindelijk bleken er twee graafmachines nodig te zijn om de hardwerkende boer van de vervelende zwerfsteen te verlossen! De overlast veroorzakende veldkei pronkt nu op de erf van de hardwerkende veehouder.

De door het grote pakket landijs hierheen gesleepte stenen kregen de naam ‘zwerfsteen’, ‘zwerfkeien’ of ‘veldkeien’ mee en worden in het hier gesproken dialect ook wel ‘flinten’ genoemd. Namen die wij nog steeds overal tegen komen zoals bij een groepsaccommodatie bij Roderesch en de OBS de Flint in Nietap. Het Steenbergerveld dat ten zuidwesten van het dorp Roden nabij het plaatsje Steenbergen ligt, stond er bekend om dat hier vele kleine veldkeitjes lagen. Menig straat in Groningen is bestraat met de keitjes toen het gebied ontgonnen werd.

De kaart van Nederland met daarop de glaciale afzettingen binnen de Formatie van Drente die vandaag de dag nog bestaan afgebeeld. De kaart is afkomstig van DINOloket.nl (TNO-GDN (2020). Formatie van Drente. In: Stratigrafische Nomenclator van Nederland, TNO – Geologische Dienst Nederland. Geraadpleegd op 2020 op DINOloket.)

Bij enkele weilanden rondom het voormalig esgehucht treffen wij dan ook met enige regelmaat hopen met kleine en middelgrote veldkeien aan die door de boeren hier gestapeld werden. Voor de boer hadden deze veldkeien geen enkel nut vanuit een economisch standpunt gezien en om eerlijk te zijn, ze vonden het niet erg dat iemand ze meenam op de tuin er mee te verfraaien. Zo eindigden dus vele keien als ornamenten in een mooie tuin.

Iets wat je overal langs een weiland of een weg kunt zien wanneer je door het noorden van Nederland gaat. Kleine hopen met veldkeien waarvan de boer last had en deze terzijde heeft gelegd.

Ten zuiden van het dorp Roden in de Noorder Duinen nabij het gehucht Steenbergen wisten de boeren van het Trechterbekervolk er zo’n 5500 jaar geleden wel raad mee. Zij gebruikten de grote zwerfstenen voor het bouwen van grafkelders, de zogenaamde hunebedden. Dit hunebed, D1 genaamd, is de meest noordelijk gelegen exemplaar in de provincie Drenthe.

Een berg stenen waaraan het plaatsje Steenbergen zijn naam te danken heeft. In het verleden dacht met dat grote reuzen de stenen zo neergelegd hebben.

Niet alle grote veldkeien kwamen direct uit Scandinavië onze kant op, een gedeelte was vanuit het noorden met bijvoorbeeld de gletsjer uit de Elster-ijstijd naar het zuiden vervoerd. Toen het pakket landijs uit het noordoosten over het gebied heen schoof waar de vorige gletsjer de stenen had laten liggen, kwamen de keien onze kant op. Waarschijnlijk gaat dit ook op voor bepaalde soorten vuurstenen die zich in de keileem bevinden. Mijn ervaring is dat er zowel zeer brosse vuursteensoorten die klein van formaat zijn als redelijk forse brokken van een zeer harde stevigheid in de keileemlagen zitten. Zo komen wij in de omgeving van het voormalig esgehucht de Zulte een stuk donkerrood vuursteen tegen dat in het verleden zeer gewild was bij de zeer vroege bewoners van het gebied. Zo vond Jaap Beuker in 2010 een halffabricaat van een vuistbijl gemaakt van rode Helgoland-vuursteen bij het plaatsje Een.

Een stuk rode Helgoland -vuursteen dat in de Zulte aan de oppervlakte kwam na recente werkzaamheden. De zeldzame rode vuursteen kan een kleur bezitten die varieert van vleeskleurig tot een paarsrode kleur. Een ander typerend kenmerk van de de vuursteensoort zijn de witte insluitsels.

Al eerder waren er grote veldkeien vanuit Scandinavië en de Baltische Staten in de omgeving van Roden aangekomen. Miljoenen jaren geleden stroomde ten noorden van het dorp een enorme rivier die zijn oorsprong in het huidige Lapland heeft en Eridanos genoemd wordt. Deze rivier was een miljoen jaar geleden tijdens het Bavel Interglaciaal ongeveer 2700 kilometer lang en vrijwel geheel Noordwest Europa tot aan de huidige Noordzee vormde zijn delta. Tijdens de dooiperioden in de bovenloop van de rivier zullen er stukken ijs van een gletsjer zijn afgebroken waar forse keien in opgesloten zaten en richting de delta gestroomd zijn. Toen de grote brokken ijs in rustiger en ondiep water terechtkwamen, kwamen ze vast te zitten en smolten, waarna de grote keien bedekt werden door rivierslib en ander sediment.

Nog een prachtig voorbeeld van een veldkei die vanuit het noordoosten naar ons land vervoerd is. Niet alle zwerfkeien en andere stenen die met de gletsjer deze kant opkwamen kwamen direct uit het noorden van Scandinavië. Veel van de stenen waren tijdens de vorige Elster-ijstijd al richting het zuiden vervoerd en het nieuwe pakket landijs pikte ze op en bracht ze hierheen.

Het vermoeden bestaat dat er op een gelijke wijze ook tijdens de Saale-ijstijd zwerfkeien richting het zuiden van ons land zijn gedreven. Grote stukken smeltend landijs die met het smeltwater voorbij de huidige Utrechtse Heuvelrug helemaal tot in Noord-Brabant terecht kwamen. Dit verklaart waarom er daar stenen gevonden worden uit die periode met een Scandinavische of Baltische achtergrond.

Zoals u al eerder kon lezen bestaat er niet echt een vaste soort grondmorene of keileem na het verdwijnen van het landijs uit onze omgeving. Dr. G. H. Leopold spreekt al in 1910 van drie soorten in zijn ‘Over het keileem in het Nederlandsch Diluvium. Keileem als geologisch afzettingsproduct; zijn voorkomen; zijne chemische samenstelling; zijne beteekenis voor de cultuur’. Eigenlijk is alleen de eerste soort die hij benoemd van belang voor de aanwezigheid van de dagzomende keileem in dit gebied.

Een van de kleine veldkeien die te voorschijn kwam in het Klein Noordhout uit de soort keileem die door Dr. Leopold als ‘grauwe keileem’ werd omschreven.

Als eerste soort draagt hij de grijze of grauwe keileem aan, die zeer algemeen is en van Gelderland tot aan het westen van de provincie Friesland voorkomt. Deze grauwe keileem is doorgaans lichtgrijs van kleur waarin geel tot roodkleurige vlekken of aderen voorkomen die de ene keer zeer duidelijk zichtbaar zijn en een andere keer weer zeer wazig zijn. Een ander keer bezit de keileem weer een oranje-gele tint, zoals vaak in het gebied nabij het voormalig esgehucht te zien is. De gele tot rode kleur van de keileem wordt veroorzaakt door het oxideren (roesten) van ijzerdeeltjes in de leem. Af en toe bezit de keileem een zachte lichtgroene kleur dat veroorzaakt wordt door glauconiet, een zand dat voorkomt in zuurstofarme lagen van het sediment in ondiep zeewater. Het percentage klei hangt af van waar de keileem voorkomt.

De grauwe of grijze keileem de Dr. Leopold omschrijft als zeer algemeen, wordt tegenwoordig omschreven als het Heerenveen-type in de Heerenveengroep. Leopold benoemt dat de keileem doorgaans lichtgrijs van kleur is en waarin geel tot roodkleurige vlekken of aderen voorkomen die de ene keer zeer duidelijk zichtbaar zijn en een andere keer weer zeer wazig zijn

De rode keileemsoort komt voornamelijk voor op de zandruggen van het Hondsrug-complex in Oost-Drenthe. Ten zuiden van het dorp Roden treffen wij op het oog ook rode keileem aan langs het Lieversche Diep, maar naar mijn inschatting is hier de grauwe keileem doordrongen met ijzeroer. Hier komt veel ijzerhoudend en zuurstofarm kwelwater aan de oppervlakte, dat een verbinding aangaat met de zuurstof in de lucht en waarna vrijwel alles in en om het water een roodbruine kleur krijgt. Kwelwater komt ook op veel plaatsen rondom de Zulte aan het oppervlak.

De gemengde keileem- en ijzeroerlagen langs het Lieversche Diep ten zuiden van Roden. Met name de grauwe keileem ligt onder de oer en is duidelijk zichtbaar. Deze leemsoort heeft echter niets met de rode keileem van doen.

Een derde vorm van keileem is het in de provincie Drenthe veelvuldig voorkomende witte of blauw-witte keileem, een in tegenstelling met de eerstgenoemde soorten zeer stug en steriel leem, dat voor een belangrijk deel uit zeer fijn kwarts zand schijnt opgebouwd en waarschijnlijk dezelfde grondsoort is, waaraan de Duitse onderzoeker Dr. Emil Ramann in zijn boek ‘Bodenkunde’ uit 1905 de naam ‘Heidelehm’ aan geeft.

Licht gekleurde en zandige keileem met veel vuursteentjes dat uit het beekje de Zulter Bitse komt. Waarschijnlijk behoort deze keileem ook toe aan het type dat de Heerenveen-groep kenmerkt, maar is de keileem ‘uitgespoeld’ door het water van de beek.

Zo’n 110 jaar later kunnen wij inmiddels spreken van zeven soorten keileemtypes die in vier keileemgroepen verdeeld zijn. De eerste groep heet Heerenveen en bestaat uit slechts een type; Heerenveen-type. Een sterk zandige ontkalkte keileem dat grotendeels uit Zuid-Zweden en de Oostzee afkomstig is. Dit type is waarschijnlijk afgezet tijdens de eerste fasen van de vergletsjering en is dominant aanwezig in Oost- en West- Groningen, westen van Drenthe en Friesland.

Toen in de nacht van dinsdag 4 op woensdag 5 juni 2019 enkele windhozen hun geweld loslieten op de vele bossen in de omgeving van de Zulte, konden heel veel bomen de kracht van de wind niet weerstaan en sneuvelden. Het geweld was niet kieskeurig en keek niet naar de ouderdom van de bomen. In het beekdalgebied van de Zulter Bitse was het niet anders en forse zomereiken gingen met wortel en al ondersteboven, waarbij de onderzijde van het wortelpakket goed zichtbaar werd. Hierboven zijn de vuurstenen te zien die de laatste overblijfselen zijn van de bovenste laag van de keileemafzetting in dit gebied. Tijdens en na de laatste ijstijd hebben zowel de poolwinden als het beekwater de keileem doen oplossen en de vuurstenen gepolijst.

De volgende groep heeft de naam Emmen-groep en bestaat uit twee types; de kalkhoudende Nieuweschoot-type en de ontkalkte Emmen-type. Beide varianten komen vooral voor op de oostelijke Hondsrugtak in Drenthe, maar ook ten noorden bij de dorpen Sauwerd en Winsum in Groningen. De Emmengroep wordt vooral aangetroffen op types uit uit de Assengroep.

De derde groep is de Assen-groep en bestaat eveneens uit een kalkhoudende en ontkalkte keileem-type. De Noordhorn-type is de kalkhoudende variant en komen wij tegen bij de noord-einden van de Hondsrug, de Tynaarlorug en de zandrug van Rolde, respectievelijk tussen de plaatsen Haren en Groningen, bij Hoogkerk en op de keileemhoogte van Zuidhorn en Noordhorn. Deze keileem is rijk aan vuurstenen en als de keileem niet verweerd is, zijn de meeste vuurstenen zwart, grijs of bruin van kleur. Vooral de zwarte vuursteen komt veel voor, ook in grote stukken, vaak met restanten aanhangend krijt. De ontkalkte keileemlaag binnen de Assen-groep heet Assen-type en is een sterk zandige keileem, die door uitloging uit de kalkrijke Noordhornkeileem is ontstaan. Ook deze keileem is rijk aan vuurstenen.

Zwarte vuursteen met dunne witte cortex dat niet verweerd is. Cortex is een overgangslaag en bestaat uit poreus kalk- en kiezelmateriaal dat van het moedergesteente afkomstig is.

De vierde en de laatste verzameling keileemtypes komen wij tegen in de Voorst-groep, waarbij er ook hier een ontkalkte en een kalkhoudende keileem hoort.  De twee types staan ook bekend als ‘Schollenleem’ of ‘Flow-Till’ waarbij de afkomst terug te wijzen is naar het smeltproces van een gletsjer. De kalkhoudende keileem heet Voorst-type en komt samen met de ontkalkte Oudemirdum-type vooral voor op en ten oosten van de Hondsrug.

Keileem uit de Heerenveen-groep langs de Zulter Bitse is blootgelegd tijdens het onderhoud aan de beek. Door de invloeden van het weer begint de keileem te eroderen.

De keileem uit de Heerenveen-groep die in de wijde omgeving van het voormalig esgehucht voorkomt en op veel plaatsen vlak aan het oppervlak te voorschijn komt, het niet alleen slechte kanten zoals het modderig maken van gebieden. Soms zijn andere elementen uit bijvoorbeeld een latere ijstijd prachtig om te zien. Zoals de pingoruïne ten noordoosten van de Zulte, waar het grondwater door de permafrost drong en na het smelten van het ijs in de pingo, er een zandige doorgang in de keileem was achtergebleven (Een geheimzinnige diepte). Weliswaar loopt de verdieping in het land bij een groot aanbod van regenwater snel vol, maar het is een kwestie van een paar dagen dat vrijwel al het water weer verdwenen is.

Bij een groot aanbod van hemelwater is de pingoruïne volgelopen en is nu duidelijk zichtbaar in het weiland. In het midden van de ruïne zit een soort pijp van zand waardoor het water weer snel wegzakt.

Laten wij even teruggaan naar het jaar 1910 waar Dr. Leopold ons laat weten dat de invloed van wat hij de grauwe noemt, keileem in de gebieden waar deze voorkomt, niet licht kan worden overschat. Om het in zijn woorden te zeggen: ‘Waar het aan de oppervlakte ligt of door eene zandlaag van geringe dikte bedekt is, schijnt het meestal een der beste bouw-, wei- en boschgronden te vormen, die wij kennen. En zelfs al wordt het door een dik zanddek bedolven, ook dan nog is het onderscheid met den armeren enkel zandbodem vaak verrassend en treden welige loofhoutbosschen of van nature reeds welvarende akkers en weiden in de plaats van naaldhout, heide of stuifzand ; de voor water weinig of niet doorlaatbare keileembank vertraagt of verhindert namelijk het wegzakken van het regenwater en geeft aldus gelegenheid tot het vormen van een ondergronds waterkapitaal, dat bosschen en landbouwgewassen in de droge tijden ten goede komt.’ (Dr. G. H. Leopold – Over het keileem in het Nederlandsch Diluvium. Keileem als geologisch afzettingsproduct; zijn voorkomen; zijne chemische samenstelling; zijne beteekenis voor de cultuur, 1910)

Naast dat de keileem in de nattere perioden geen water doorlaat, is het tijdens droogten eveneens een kwelling voor de boer. De. Leopold omschrijft het als volgt: ‘Daarentegen bestaat daar groot gevaar voor een volmaakt uitdrogen van de bouwkruin in droge tijden, daar de leembank het capillair opstijgen van het grondwater verhindert. Dit laatste komt in Drente op talrijke plaatsen voor, waar het witte dorre keileem den ondergrond vormt.’

Leopold merkt op dat de loofhoutbossen op de bodem met een ondergrond van keileem het zeer goed doen. Dit verklaart ook waarom op de plaatsen waar de keileem dagzoomt in het verleden ook vele bossen stonden. Typerende struiken die keileembodem zeer weten te waarderen en in dit gebied veel voorkomen zowel solitair als in struwelen, zijn de Sleedoorn (Prunus spinosa) en de Tweestijlige meidoorn (Crataegus laevigata).

De blauwe vrucht van de Sleedoorn die ook wel ‘bekketrekker’ genoemd wordt vanwege zijn zeer zure smaak. Pas als er een nachtvorst overheen geweest is schijnt het zure in de vrucht een stuk minder te zijn. De heerlijk ogende blauwe vruchten zijn vaak al ver voor de eerste nachtvorst rijp en menigeen die verleiding niet kan weerstaan en een vrucht in zijn of haar mond stopt, zal de meest vreemde grimassen laten zien. Rare bekken trekken dus.

Naast de vieze glibberige bende die de keileemlaag veroorzaakt doordat deze laag vrijwel geen water doorlaat, zorgt de keileem dus ook nog voor een specifieke huishouding op het gebied van planten, waarbij de Pitrus (Juncus effusus) hét kenmerkende gezicht is van een keileemrijk gebied. De plant die ook wel ‘Ruskepol’ genoemd wordt in het dialect wat men hier spreekt, komt hier op heel veel plaatsen in grote getale voor. Het is een liefhebber van drasse, natte gronden en kan zelfs in zuurstofloze gronden groeien. Zeker in de gebieden waar men gestopt is met het bemesten van het land (inclusief de bekalking en het verlagen van het aanbod van fosfaten), komt de plant vandaag de dag massaal voor. In het verleden kreeg een boer met veel Pitrus in zijn land het advies om kalk te gaan gebruiken om de plant zo te bestrijden.

Het gevolg van het nalaten van de bemesting in een weiland waar de keileem vrijwel aan het oppervlak ligt. De Pitrus (Juncus effusus)) tiert hier nu welig. De oude Pitruspollen rechts op de foto zijn de oude planten van vorig jaar die niet door de eigenaar zijn omgemaaid.

Voor meer informatie over keileem verwijs ik graag naar:

Kijk eens omlaag Een website waar je vrijwel alles kan vinden wat maar met onze ondergrond te maken heeft.

Stenen zoeken Waar ligt de steen en waar komt deze vandaan, de antwoorden vindt u hier.

Geologie van Nederland Een tijdreis van 500 miljoen jaar.

Een geheimzinnige diepte

Het was moar ’n natte bende doar”, vertelde de boer mij toen ik hem vroeg of hij wist hoe oud de verdieping in zijn land was, “Een nat vies veengat, joa dat was’t west”. Een verdieping in het gebied waar vroeger eens het enorm oerbos lag dat Groot Noordholt werd genoemd, was zeker geen zegen voor de landeigenaar. De op sommige plekken forse laag taaie keileem vlak onder of aan de oppervlakte zorgde ervoor dat het regenwater niet in de grond weg kon zakken, maar via de bovenzijde van de grond een weg naar lager gelegen gebieden zocht. Zeker in de tijden dat het gebied niet over een effectief stelsel van afwateringssloten beschikte, was het water amper weg te krijgen richting het Leekstermeer.

Instemmend knikte ik met hem mee, want ik wist de oorzaak van de verdieping in zijn perceel waarschijnlijk wel. Dit stuk land is daarom ook een van de laatste stukken die aan het begin van de twintigste eeuw hier ontgonnen werd. Net zoals ik, verwonderde de boer zich over het feit dat als er eenmaal veel water stond in dat perceel, het water toch weer vrij snel verdwenen is. Mijn vermoeden, die ik dan ook prompt met de boer deelde, is dat er een verstoring in de forse laag keileem moet zitten, waardoor het water de onderliggende zandlagen in kan zakken. Dat er in het verleden ook nog een een forse veenlaag lag waar het bos overheen gegroeid was, wist ik voldoende.

De verdieping in het land van de boer dat in het verleden in het Groot Noordholt lag en voor de ontginning van het gebied vol met veen zat. Tevens is de depressie minder diep dan voorheen door het intensief gebruik van het land.

Veen kwam best veel voor in de wijde omgeving van het voormalig esgehucht de Zulte. Weliswaar niet zoveel als bijvoorbeeld nabij Ter Heijl en richting Zevenhuizen, maar bijvoorbeeld in het Sieveen iets ten noorden van het herstellingsoord zat een fors pakket veen onder de natte heide. Grote delen in het gebied ten westen van Roden tussen Leutingewolde en Een bestond vrijwel uit moerassige, natte heidevelden. De moerassige heidevelden waren niet in de eerste plaats voor ontginning geschikt; zij waren te vochtig, de bodem was er niet poreus en te arm aan voedingstoffen.  

De depressie in het Sieveen achter het voormalig herstellingsoord waar vroeger een kleine dobbe lag. De verdieping in de grond is ontstaan door het smelten van de gletsjer, waarbij het smeltwater geulen vormde in de zachte ondergrond.

Prof. Dr. H. Blink vertelde er over in zijn boek ‘Woeste gronden, ontginning en bebossching in Nederland, voormaals en thans’ op pagina 29 dat in 1929 door de Nederlandsche Vereeniging voor Economische Geographie werd uitgegeven: “Zoover het oog reikte zag men niets dan heide, veenplassen, ongebaande wegen, en hier en daar verdwaald een armoedigen groven den en berk, en grootere en kleinere keien en vuursteenen in grooten getale over het terrein verspreid. Dop en struikheide, bunt en pijperaai, gagel, blauwe gentiaan, vliegenvangertje, de laatste drie vooral planten van een vochthoudenden bodem, vormden het hoofdbestanddeel van den typischen plantengroei, als overal op de Drenthsche heide. In en rondom de veenplanten groeiden het wollegras en de veenbies, terwijl rendier-, pen- en bekermos er de mossen vertegenwoordigden.

Dat er verlekkerd naar de enorme heidevelden werd gekeken is niet zo vreemd. Aan woeste grond was voor een eigenaar niets te verdienen en de enkele schaapskudde op de hei zag er wel mooi uit, maar het leverde niets op. Het zal u dan ook niet verbazen dat de woeste gronden in de provincie Drenthe aan het begin van de twintigste eeuw in een ras tempo verdwenen. Tussen 1901 en 1918 werden er in Drenthe 9.538 hectare heide en zand tot bouwland, 2.545 hectare tot grasland, en 1.222 hectare tot bos. Maar liefst 13.305 hectare heide en zand waren verdwenen, wat neerkomt op zo’n 0.782 hectare per jaar. Van 1918 tot 1928 bedroeg het totaal ontgonnen heide en zand maar liefst 12.434 hectare, gemiddeld 1.243 per jaar.  (Bron: ‘Prof. Dr. H. Blink – Woeste gronden, ontginning en bebossching in Nederland, voormaals en thans’ 1929, pagina 71.)

De noordzijde van de vermoedelijke pingoruïne gezien vanuit het zuiden. De voor een pingoruïne typische aarden wal kwam in het verleden de boer goed uit; bomen er op planten en klaar is de houtwal.

Het veengat zoals de boer het veenmoerasje noemde onder het grote bos, zal rond 1901 ontgonnen zijn net als vele andere percelen rondom Roden en in de provincie Drenthe om plaats te maken voor grasland. Van grasland had de toenmalige boer veel meer profijt dan van een bos waar je eigenlijk geen rendement van hebt. Nou ja, een paar richelpalen en lange stokken voor bonenteelt. Ja, die stokken kon je daar wel weghalen, het wemelde daar van de Hazelaars (Corylus avellana) met hun lange, rechte takken.

De eerder genoemde aarden wal van de verdieping in het weiland richting het westen. Door de verschillende factoren zoals de aanplant van bomen, de slechte staat van de bodem (keileem) en het vee dat de daardoor altijd natte, modderige bodem heeft vertrapt, moet je goed opletten om de wal te kunnen zien.

De plaats van de depressie ligt op een plaats waar je deze niet direct te zien krijgt. En om heel eerlijk te zijn, de boer/eigenaar van het perceel zit daar ook helemaal niet mee. Maar het is juist het onopvallende dat lijnrecht staat tegenover de feiten van pak hem beet, zo’n 18 duizend jaar geleden. Toen bestonden grote delen van Noord-Nederland en Overijssel uit een constante bevroren bodem die samengesteld was uit mossen, zand, stenen, sneeuw en ijs. In deze grote poolachtige toendrawoestijn bevonden zich hier en daar heuvels in het gebied. De heuvels die doorgaans een hoogte bezaten van enkele tientallen meters, moeten het gezicht van de toendra hebben gedomineerd.

Op deze foto is te zien hoe groot de depressie in het weiland is. Aan de linkerzijde is het hoogte verschil duidelijk zichtbaar. Helaas zijn veel kenmerkende aanwijzingen door het gebruik in de loop der tijd verdwenen.

De grote heuvels waren ontstaan aan het einde van de laatste ijstijd toen de bodem al eeuwenlang enkele tientallen meters diep bevroren was en permafrost genoemd wordt, waarbij het iets warmere grondwater met een steeds grotere druk tegen deze laag permafrost aandrukte. Het bovenste gedeelte van het grondwater bevroor en vormde een lensvormige laag ijs tegen de permafrost aan. De laag ijs die in deze situatie ontstaat, heet daarom dan ook een ‘ijslens’. Het opstijgende grondwater blijft tegen de ijslens aandrukken waardoor de druk blijft toenemen en de laag ijs steeds dikker gaat worden. Op een gegeven moment heeft de ijslens een fors formaat aangenomen en is de druk van het grondwater zo hoog geworden, dat de bevroren bodem wel omhoog moet gaan. Op deze manier ontstonden er talloze ijsheuvels in het poollandschap van Noord-Nederland, die de naam ‘Pingo’ meekregen. De naam werd door de Groenlandse Eskimo’s (Inuit) gegeven en betekent ‘heuvel van ijs of kleine heuvel’.

De overgang van het weiland naar het bos richting het noordwesten. Weliswaar ligt vrijwel het grootste gedeelte van de vermoedelijke pingoruïne in het weiland, een klein gedeelte ligt echter ook nog in het bos.

Volgens een Deens onderzoek is het 11.711 jaar geleden (bron) dat er een einde aan de laatste ijstijd en het enorme pakket landijs dat niet zuidelijker was gekomen dan de plaats waar nu de stad Hamburg ligt, zich weer richting het noordoosten terugtrok. Het was ook de periode dat het in onze contoureien warmer begon te worden en de permafrost langzaamaan wegsmolt. Hierbij verdween ook de deklaag op de ijsheuvel en gleden er stukken ontdooide aarde van de heuvel af. Doordat de aarde van de grote klomp ijs afgleed, kreeg de aan kracht toenemende zon meer vat op het blootgevallen ijs en liet deze eveneens smelten.

Grofweg zou het bovenstaande gebeurd kunnen zijn op de plaats in het weiland waar nu een verdieping ligt. Van ijsheuvel naar een meertje.

Hoe meer het ijs binnen de heuvel smolt, des te kleiner werd deze en stortte verder in. Daarnaast zorgde het vele smeltwater voor meertjes en kleine beekjes daar het water niet door de nog bevroren bodem kon wegzakken. Na verloop van tijd was er niet veel meer over van de eens zo machtige ijsheuvel dan een diep meertje met een doorsnede tussen de 70 tot wel 240 meter. Deze meertjes worden ook wel pingoruïnes, vennen of veenmeertjes genoemd. De vermoedelijke pingoruïne ten noordoosten van de Zulte nabij de Dobben had waarschijnlijk een diameter van zo’n honderd meter.

Op het hierboven afgebeelde plaatje van het hoogteprofiel van het gebied, is de verdieping duidelijk zichtbaar. Het laagste gedeelte in de depressie ligt op zo’n halve meter boven N.A.P., het hoogst gelegen gedeelte op bijna 3 meter.

Vermoedelijk schreef ik omdat van de vele vennetjes en ronde plasjes in het noorden van Nederland niet zeker is als het hier ook daadwerkelijk pingoruïnes betreft. Het zouden natuurlijk ook depressies kunnen zijn die tijdens de vorige ijstijd werden gevormd door de terugtrekkende ijskap of stuifkommen, die door de poolwinden zijn gecreëerd. Ook in deze verlagingen met een slechte waterdoorlatende bodem bleef water staan en vormde zich veen.

De pingoruïne ten westen van de Zulte met de mooie naam Vagevuur gezien vanaf de Toutenburgsingel. Enkele jaren geleden was de ruïne geheel aan het zicht ontrokken door de vele bomen, maar de eigenaar heeft radicaal ingegrepen en nu ziet het er weer lekker fris uit. Het Vagevuur heeft een diameter van ongeveer 90 meter.

Aan één van de typerende kenmerken voor een pingoruïne in Noord-Drenthe voldoet de depressie wel; hij ligt pal langs de helling van het beekdalgebied van de Zulter Bitse. Vermoedelijk door het hoogteverschil van dit gebied tijdens de ijstijd kon hier het grondwater een lange tijd blijven vloeien en een pingo vormen. Ook komen we ze tegen aan de rand van het Drents Plateau, waar de omstandigheden eveneens gunstig waren voor het ontstaan van vele ijsheuvels.

Ook de ligging van de gebieden met de veldnamen de Dobben en de Dobberesch kunnen verwijzen naar menig poel en kuil – door de mens gegraven of natuurlijk ontstaan door een wel – die in dit gebied voorkwamen en dienden als drinkplaatsen voor het vee. Frappant is het toch wel te noemen dat men in Friesland spreekt van ‘Dobben’ in plaats van pingoruïnes.

Een zogenaamde dobbe in het Sieveen. In het verleden door een boer verder uitgegraven zodat het vee eruit kon drinken. De huidige eigenaar heeft de dobbe verder uitgegraven en er een kikkerpoel van gemaakt.

Door de toenemende stijging van de temperatuur en de hoeveelheid neerslag, steeg niet alleen het grondwater in ons land, maar ook de laag veen in de vele depressies in het Noord-Drentse landschap. De verschillende opeenvolgende fases van het Holoceen zorgen ervoor dat de diverse soorten landschapstypen het beeld vormden.  In de ruim afgelopen tienduizend jaar zijn menig veenmeertjes en moerassen verdwenen door verlanding of werden ze drooggelegd voor de turfwinning of de landbouw. De depressie in het land van de boer is slechts een van de velen in het noorden van Nederland.

Een mooi filmpje op Youtube over het ontstaan van een pingoruïne geplaatst door De Hondsrug UNESCO Global Geopark

Er bestaat een website met een kaart waarop de officiële pingoruïnes en de vermoedelijke gevallen staan. De website heet ‘Natuurlijke schatkamers van Drenthe, Pingoruïnes’ (even klikken) en is zeer zeker een bezoekje waard!