Aan de wandel.

Een brochure uit het verre verleden van de ‘Vereeniging tot behoud van Natuurschoon Nietap-Leek en Omgeving’ is eigenlijk wel het laatste wat je op een weblog, die voornamelijk gaat over de lange en rijke geschiedenis van het voormalige esgehucht de Zulte en de gelijknamige streek ten noorden van het dorp Roden, zou verwachten. Naar waarschijnlijkheid betreft het hier echter een latere uitgave of een herdruk van een wandelkaart die de vereniging uit heeft gegeven enkele jaren na de oprichting. 

En toch is het niet verwonderlijk dat de wandelkaart hier een plaatsje krijgt. Een groot gedeelte van het gebied dat zich heden ten dage in de omgeving van Nietap-Terheijl bevindt, werd tot het jaar 1804 nog tot de Zulte gerekend. Na dat jaar nam men de Toutenburgsingel als de grens tussen de Zulte en Terheijl. Na de invoering van het Kadastrale stelsel vanaf 1832 behoorde het gebied tot de Sectie K genaamd Terheil en troffen we de streek op de bladen 3 en 4 van de eerdergenoemde sectie aan. 

De voorzijde van de brochure die destijds door de ‘Vereeniging tot behoud van Natuurschoon Nietap-Leek en Omgeving’ was uitgegeven en naast historische informatie ook nog een getekende kaart van het door de vereniging aangekocht gebied bevatte.

Of de wandelkaart enigszins een financiële waarde bezit weet ik niet, wel besef ik dat de historische waarde van de brochure aanwezig is en deze graag met u wil delen. Voor meer informatie over het gebied kunt u onder andere op de website van Buurtschap Nietap-Terheijl aantreffen: Vereniging tot behoud Natuurschoon Nietap, Leek en omgeving

De ligging van de gebieden van de vereniging zoals deze er in het jaar 1923 erbij lagen.

Het gebied bezit nog steeds een prachtig stelsel van wandelpaden en is daarom zeer de moeite om te gaan bezoeken. Onderaan deze post zijn de beide kanten van de wandelkaart te downloaden. 

De ligging van het gebied op een luchtfoto uit het jaar 2006 (bron: Topotijdreis).

Door op de onderstaande afbeeldingen te klikken, kunt u de desbetreffende zijde van de brochure downloaden.

Zulte 37; Sinninges in de Zulte.

Op dinsdag 29 april 1845 verschijnt er in de Groninger courant, het algemeen dagblad voor de stad Groningen en Ommelanden dat inmiddels in zijn 104e jaargang zit, een oproep van de uit Norg afkomstige notaris Mr. Nicolaas Wilhelm Schroeder Hofstede tegen, die hij een dag eerder had opgesteld in zijn kantoor. Mr. Hofstede verzoekt een ieder die nog iets te vorderen heeft of verschuldigd is aan de wijlen Jacob Jans Sinninge en Janke Piers Holtrop, binnen een maand de opgave van de schulden of de betaling van het verschuldigde te doen bij zijn kantoor in Norg. Dit dient echter wel op de maandagen te gebeuren, daar de notaris dan in zijn kantoor zal vaceren (zitting houden) om vervolgens na die periode tot Likwidatie (liquidatie) te kunnen overgaan.

De oproep die notaris Mr. Nicolaas Wilhelm Schroeder Hofstede in de Groninger Courant van dingsdag 29 april 1845 doet. Destijds schreef men nog ‘dingsdag’ in plaats van ‘dinsdag’ zoals wij dat heden ten dage doen. (Bron: Groninger Courant, 29 april 1845, vierde blad, te Groningen bij C. M. Bolhuis Hoitsema, Boekdrukker).

Het betreft hier de op vrijdag 11 april 1845 overleden landbouwer Jacob Jans Sinninge die samen met zijn vrouw Janke Piers Holtrop in de Zulte op de boerderij met het huisnummer 37 woonde. Naar alle waarschijnlijkheid was Jacob Jans samen met zijn broers en zuster Steven Jans, Geert Jans, Jantien Jans en Hinderk Jans gemeenschappelijke eigenaren van het pand geworden nadat aan hun ouders Jan Jacobs en Grietjen Geerts in respectievelijk 1809 (moeder) en 1810 (vader) waren overleden. Dit impliceert ook waarom de notaris Hofstede het over de ‘Mandeeligen Boedel’ heeft. Mandeligheid ontstaat, wanneer een onroerende zaak gemeenschappelijk eigendom is van de eigenaars van twee of meer erven en door hen tot gemeenschappelijk nut van die erven wordt bestemd. Mandeligheid impliceert dus ook gemeenschappelijk eigendom.

De grote boerderij waar Jacob Jans Sinninge en zijn vrouw Janke Piers Holtrop woonde in de Zulte. Voor Jacob Jans woonden zijn ouders Jan Jacobs en Grietjen Geerts in de kapitale boerderij. (Kaart 1832Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort)

Na de volkstelling van 1840 verblijven er in het huis dat dus het huisnummer Zulte 37 draagt en kadastraal ingedragen stond als Roden I-166, huis en erf, vijf personen. Het echtpaar dat kinderloos was gebleven, Jacob Jans was 50 jaar en Janke Piers 44 bij hun huwelijk, maar had de zorg op hun genomen voor de toen twaalfjarige Wieger Hindriks Holtrup. Zoals het wel vaker in die tijd gebeurde, was de naam van Wieger Hendriks Holtrop dus net even anders geschreven dan het hoorde. De jongen was het jongste kind van Janke Piers haar broer Hendrik Piers Holtrop en zijn vrouw Lutske Derks Hummel. Het kind was op donderdag 1 februari 1827 in Marum geboren, zeven maanden voor het overlijden van de 54-jarige Hendrik Piers op dinsdag 11 september 1827, eveneens te Marum. Naast Jacob Jans, Janke Piers en Wieger Hendriks woonden de boerenknecht Fokke Louwes Hummel en de dienstmeid Annechien Hindriks Warners eveneens in het huis.

De vermelding van Jacob Jans Sinninge, Janke Piers Holtrop, Fokke Louwes Hummel, Annechien Hindriks Warners en Wieger Hindriks Holtrup tijdens de volkstelling uit 1840. (Bron: Drents Archief. Roden, Volkstelling, 1840 (toeg. 2001.21; nr. 2)).

Zo’n anderhalf jaar later, in november van het jaar 1846, plaatst notaris Mr. Nicolaas Wilhelm Schroeder Hofstede zowel in de Drentsche Courant als in de Groninger Courant namens de erven van Jacob Jans Sinninge, een advertentie met de mededeling dat zij voornemens zijn om de boerenplaats en de bijbehorende landerijen te gaan verkopen. De boerenplaats bestond destijds uit een grote boerderij, een erf en een bijbehorende boomgaard. Op de kadastrale kaart uit 1832 is duidelijk te zien dat het inderdaad een fors gebouw is dat dienst deed als boerderij. Op de kadastrale kaart die uit het jaar 1887 stamt, is de kapitale boerderij verdwenen en staat er nu een veel kleiner gebouw. Een deel van de landerijen waaronder opgaand bos, tuin, bouw- en weilanden bevonden zich in de directe omgeving van het erf.

De advertentie in de Drentsche courant van vrijdag 6 november 1846, waarin kenbaar wordt gemaakt dat de boerenplaats, de bouw-, hooi- en weilanden, bossen en heidegronden van wijlen Jacob Jans Sinninge door de erven te koop worden aangeboden. (Bron: Drentsche Courant, 6 november 1846, vierde blad, te Assen, bij van Gorcum en Comp., Provinciale Drukkers).

De inzate (inzet bij een verkoping van onroerend goed) vond op woensdag 18 november ‘s ochtend om 10 uur plaats in de herberg van Harm Schuring in Roden, ongeveer op de plaats waar nu de ‘Pompstee’ staat. Harm Schuring was naast logementhouder ook de schoonzoon van Berendje Voget, de weduwe van Thyle Geerts Krijthe, die eveneens logementhouder tijdens zijn leven was geweest. Daarnaast was de beste man ook nog eens een bierbrouwer geweest. Maar goed, terug naar Harm Schuring die door zijn huwelijk met Margaretha van Baden Krijthe en na het overlijden van Berendje eigenaar van het pand was geworden. Het wrange aan het geheel was dat zijn vrouw Margaretha een half jaar voor de verkoping, op vrijdag 15 mei 1846, was overleden.

De advertentie van de notaris Hofstede die dinsdag 10 november 1846 in de Groninger Courant verscheen. (Bron: Groninger Courant, 10 november 1846, vierde blad, te Groningen bij C. M. Bolhuis Hoitsema, Boekdrukker).

De omgeving van het voormalig esgehucht de Zulte zag er rond het midden van de jaren veertig tijdens de negentiende eeuw er heel anders uit dan heden ten dage. Veel van de bossen, bouw-, hooi-, weide- en heidegronden zijn inmiddels verdwenen en hebben plaatsgemaakt voor woningbouw. Het bosje aan de Postemastraat is slechts een van de weinige overblijfselen die eens tot het bezit van Jacob Jans Sinninge behoorde. Vermoedelijk zijn vrijwel alle 25 bunders aan landerijen verkocht tijdens de verkoping. De meeste kopers zullen doorgaans landbouwers uit de omgeving van het dorp Roden zijn geweest die de kans schoon zagen om hun bezittingen uit te kunnen breiden.

Op de kadastrale kaart uit het jaar 1887 is goed te zien dat de kapitale boerderij is verdwenen en plaats heeft gemaakt voor een kleiner gebouw. (Bron: Drents Archief).

Niet alle gronden die Jacob Jans in de Zulte gebruikte, konden verkocht worden. Immers, de beste man had een verbond met zijn broers en zuster, waarbij de geërfde goederen en landerijen bij hen in gezamenlijk bezit kwamen, deelgenoten dus. Consorten van Jacob Jans werden zij in de kadastrale stukken uit 1832 genoemd. Het kan ook zo geweest zijn dat er onenigheid tussen de consorten was ontstaan over het verkopen of juist de prijs, we weten het niet. Feit is wel dat niet alle percelen bij de verkoping verkocht zijn.

De situatie op de plaats waar eens de kapitale boerderij van Jacob Jans Sinninge gestaan heeft in het midden van de jaren zestig van de vorige eeuw. De originele kaart stamt uit het einde van de negentiende eeuw en werd later gebruikt door de ambtenaren om de vorderende woningbouw binnen het dorp in kaart te brengen. Het betreft hier op de kaart de plaats waar tegenwoordig het Wethouder Deodatusplantsoen ligt. (Bron: Drents Archief).

Wat de reden tot verkoop was, blijft voor mij onbekend. Waarschijnlijk kon men geen opvolger vinden binnen de familie die het bedrijf over wilde nemen of de opbrengsten waren te verleidelijk om te weerstaan, het blijft speculeren. Wat de reden tot verkoop was, blijft voor mij onbekend. Wel is duidelijk dat de vrouw van Jacob Jans, de op zondag 11 mei 1777 te Marum geboren Janke Piers Holtrop en waarmee hij op vrijdag 10 mei 1822 in het huwelijk trad, na zijn overlijden weer terugkeerde naar haar geboorteplaats, het Groningse Marum. Op woensdag 24 november 1847 sloot de weduwe daar haar ogen voor de laatste maal, zeventig jaar oud.

De boerderij van Steven Jans Sinninge en Roelfien Eitens Oosterhof op de kadastrale kaart uit 1832.Voor dat dit gezin er kwam wonen, woonden Eyte Alberts Oosterhof en Jantjen Datema hier. (Kaart 1832Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).

Dat Jacob Jans Sinninge als boer en eigenaar de boerderij van zijn ouders overnam was destijds heel gewoon. Doorgaans nam de oudste zoon het bedrijf van de ouders over en de andere zonen moesten maar een andere plaats gaan zoeken om verder te kunnen boeren. Zo verging het ook de jongere broer van Jacob Jans, Steven Jans Sinninge. De in 1776 in de Zulte geboren Steven Jans trouwde op zondag 8 mei 1803 in de kerk van Roden met de in 1782 te Leutingewolde geboren Roelfien Eitens Oosterhof, dochter van Eite (Eyte) Alberts Oosterhof en Jantjen Datema. Steven Jans en Roelfien Eitens betrokken de boerderij van haar ouders in Leutingewolde, dat het nummer 96 droeg.

Bleef het huwelijk van Jacob Jans en Janke Piers nog kinderloos en moest men zijn boerderij gaan verkopen omdat er waarschijnlijk geen opvolger was, bij Steven Jans en Roelfien Eitens Speelde dit probleem in het geheel niet en het echtpaar kreeg maar liefst negen kinderen samen. De opvolging van het bedrijf binnen de familie bleek gewaarborgd te zijn en hun vijfde kind, zoon Jacob Stevens Sinninge, die op zaterdag 15 mei 1813 geboren was in Leutingewolde, werd in het jaar 1860 de hoofdbewoner van het pand.

De familie Sinninge uit Leutingewolde werden foutief vermeld als Sinninga tijdens de volkstelling van 1840. Ook de broer van Roelfien Eitens, Albert Eites Oosterhof, woonde bij het gezin Sinninge in. (Bron: Drents Archief. Roden, Volkstelling, 1840 (toeg. 2001.21; nr. 2))

Zesentwintig jaar eerder, op dinsdag 11 februari in het jaar 1834, verwisselde Steven Jans Sinninge op 58-jarige leeftijd het tijdelijke met het eeuwige leven en moest Roelfien Eitens Oosterhof het alleen zien te redden. Wanneer wij de documenten van de volkstelling van 1840 binnen de gemeente Roden erbij pakken, valt het op dat Roelfien haar vrijgezelle broer inwonend is. Albert Eites Oosterhof was vier jaar jonger dan zijn zuster en werd geboren op woensdag 1 maart 1786 te Roden geboren. Hij werkte voorheen als boerenknecht in Roderwolde en woonde eveneens in dat dorp bij de Rowolmer bakker Jan Sikkens Datema in het huis met het nummer 24. Na het overlijden van zijn zwager Steven Jans zal Albert Eites wellicht een deel van zijn taken hebben overgenomen. Zelf komt Albert Eites op dinsdag 27 januari 1845 eveneens op 58-jarige leeftijd in Leutingewolde te overlijden.

Het is in het jaar 1848 als we weer iets van de familie Sinninge uit Leutingewolde vernemen. Het is alweer twee jaar geleden dat men de boedel van de overleden Jacob Jans gelegen in de Zulte in de kroeg van Harm Schuring in Roden heeft geprobeerd te verkopen en ondanks dat Steven Jans dit alles niet mee hoefde te maken, zal de dan al 66-jarige Roelfien Eitens de touwtjes bij het gebeuren strak in de handen hebben gehad. Het is ook goed voor te stellen dat de weduwe inmiddels genoeg heeft gekregen van het zware boerenleven en het rustiger aan wil gaan doen.

De advertentie van notaris van Lier in de Drentsche Courant waar hij aankondigt dat er een boeldag ten huize van de weduwe van Steven Jans Sinninge. (Bron: Drentsche Courant, 17 maart 1848, vierde blad, te Assen, bij van Gorcum en Comp., Provinciale Drukkers).

Nu heeft de in Assen woonachtige notaris Herman Hubert van Lier te Assen (Kaap de Goede Hoop, donderdag 9 augustus 1792 – Assen, zondag 8 maart 1863) de opdracht gekregen van de weduwe en de erven van Steven Jans een boeldag te organiseren om het een en ander te verkopen. De zeer ervaren notaris gaat direct aan de slag en plaatst in de Drentsche courant van vrijdag 17 maart 1848 een advertentie met de aankondiging van de te houden boeldag. Het is echter niet de bedoeling om het huis, maar meer om het vee, 4 paarden, 21 stuks hoornvee en twee varkens, 2 wagens, boerengereedschap, melkgereedschap en allerlei huisraad te verkopen. De boeldag wordt op de woensdag 22 maart gehouden bij de boerderij ‘s ochtends om tien uur.

Ruim een maand later klopt notaris van Lier nogmaals bij de Drentsche Courant op de deur van redactie met een nieuwe advertentie van de weduwe en de erven van wijlen Steven Jans Sinninge. Nu zijn zij voornemens om de boerenplaats, bestaande uit een behuizinge, en bouw-, weide- en hooilanden, veld en veen en enige grondpachten gelegen in Leutingewolde. Ook wordt er vermelding gemaakt van dat er eveneens veld en veen in de markte van Bunde, gemeente Vries. Deze percelen waren eigendom van en werden door de broer Geert Jans Sinninge bewerkt. Geert Jans overleed op donderdag 13 oktober 1842 in het plaatsje Yde binnen de Gemeente Vries. Ook de jongste boer van Jacob Jans, Geert Jans, Stevens Jan en Jantien Jans, broer Hindrik Jans Sinninge, was al op zaterdag 23 juni 1821 in de Zulte overleden, 37 jaar en 7 maand oud.

De advertentie met de vermelding dat de weduwe en erven van Steven Jans Sinninge de boerenplaats, bouw-, weide-, en hooilanden etc. voornemens te zijn om te gaan verkopen. (Bron: Drentsche Courant, 25 april 1848, vierde blad, te Assen, bij van Gorcum en Comp., Provinciale Drukkers).

Blijkbaar drukte de voormalige boerderij en de bijbehorende landerijen van de overleden Jacob Jans toch op het een en ander. In de advertentie staat duidelijk dat “eindelijk huis en land te Zulte, gemeente Roden, vroeger bewoond geweest door wijlen Jacob Jans Sinninge”. Zou het ‘eindelijk’ er mee te maken hebben dat de vrouw van Jacob Jans, de weduwe Janke Piers Holtrop, aan het einde van de maand november in het jaar 1847 kwam te overlijden? En doordat zij wellicht het deel van de mandeligheid van haar man na zijn dood had toegewezen gekregen, de verkoop tegen weten te houden? Het zou wel een hoop over de verkoop van de boerderij in de Zulte kunnen verklaren.

Ondanks het gekrakeel over het verkoop van de boerderij in de Zulte met het huisnummer 37, kan notaris van Lier op maandag 1 mei 1848 des voormiddags (’s ochtends)  te elf uur met de openbare verkoping beginnen. Gezien de stukken in het archief van de notaris in Assen was er volop belangstelling en komen we onder andere namen als Landbouwer Jan Assies te Roden tegen, de koper van de boerderij in Leutingewolde of de Roner broodbakker Roelof Roelofs Deodatus. Daarnaast zijn er een tal van inwoners van Leutingewolde, Lieveren, Roden, Zeijen, en de Zulte aanwezig die ook meedoen aan het kopen van allerlei bezittingen van de familie Sinnige/Oosterhof.

De plaats waar eens de boerderij van Steven Jans en Roelfien Eitens stond, doet heden ten dage dienst als weiland. De woning stond links van de boerderij op de afbeelding. (Afbeelding: Topotijdreis.nl).

Ruim tien jaar later na de openbare verkoping op zaterdag 13 november 1858 komt de weduwe van Steven Jans Sinninge in Leutingewolde te overlijden. De dan 76-jarige voormalige landbouwersche en dochter van Eite Alberts Oosterhof en Jantjen Datema, Roelfien Eitens Oosterhof (ook wel als Roelofje Eitens Oosterhoff beschreven) heeft een zeer bewogen leven achter haar rug wanneer zij voor de laatste maal haar ogen sluit.

Beide boerderijen zijn inmiddels afgebroken, die van Jacob Jans in de Zulte waarschijnlijk in het midden van de negentiende eeuw en die van Steven Jans in Leutingewolde werd in het jaar 1949 afgebroken en is sindsdien weiland. Op de plaats waar Jacob Jans en Janke Piers in de Zulte woonden, staan nu huizen en heet nu het Wethouder Deodatusplantsoen. Dit gedeelte van het toenmalig esgehucht maakt nu deel uit van het dorp Roden.

Luchtfoto van het gedeelte aan de huidige Wethouder Deodatusplantsoen te Roden waar eens de boerderij van Jacob Jans Sinninge en Janke Piers Holtrop woonden. Tegenwoordig staan er vrijstaande woningen.(Afbeelding: Topotijdreis.nl)

Een geheimzinnige diepte

Het was moar ’n natte bende doar”, vertelde de boer mij toen ik hem vroeg of hij wist hoe oud de verdieping in zijn land was, “Een nat vies veengat, joa dat was’t west”. Een verdieping in het gebied waar vroeger eens het enorm oerbos lag dat Groot Noordholt werd genoemd, was zeker geen zegen voor de landeigenaar. De op sommige plekken forse laag taaie keileem vlak onder of aan de oppervlakte zorgde ervoor dat het regenwater niet in de grond weg kon zakken, maar via de bovenzijde van de grond een weg naar lager gelegen gebieden zocht. Zeker in de tijden dat het gebied niet over een effectief stelsel van afwateringssloten beschikte, was het water amper weg te krijgen richting het Leekstermeer.

Instemmend knikte ik met hem mee, want ik wist de oorzaak van de verdieping in zijn perceel waarschijnlijk wel. Dit stuk land is daarom ook een van de laatste stukken die aan het begin van de twintigste eeuw hier ontgonnen werd. Net zoals ik, verwonderde de boer zich over het feit dat als er eenmaal veel water stond in dat perceel, het water toch weer vrij snel verdwenen is. Mijn vermoeden, die ik dan ook prompt met de boer deelde, is dat er een verstoring in de forse laag keileem moet zitten, waardoor het water de onderliggende zandlagen in kan zakken. Dat er in het verleden ook nog een een forse veenlaag lag waar het bos overheen gegroeid was, wist ik voldoende.

De verdieping in het land van de boer dat in het verleden in het Groot Noordholt lag en voor de ontginning van het gebied vol met veen zat. Tevens is de depressie minder diep dan voorheen door het intensief gebruik van het land.

Veen kwam best veel voor in de wijde omgeving van het voormalig esgehucht de Zulte. Weliswaar niet zoveel als bijvoorbeeld nabij Ter Heijl en richting Zevenhuizen, maar bijvoorbeeld in het Sieveen iets ten noorden van het herstellingsoord zat een fors pakket veen onder de natte heide. Grote delen in het gebied ten westen van Roden tussen Leutingewolde en Een bestond vrijwel uit moerassige, natte heidevelden. De moerassige heidevelden waren niet in de eerste plaats voor ontginning geschikt; zij waren te vochtig, de bodem was er niet poreus en te arm aan voedingstoffen.  

De depressie in het Sieveen achter het voormalig herstellingsoord waar vroeger een kleine dobbe lag. De verdieping in de grond is ontstaan door het smelten van de gletsjer, waarbij het smeltwater geulen vormde in de zachte ondergrond.

Prof. Dr. H. Blink vertelde er over in zijn boek ‘Woeste gronden, ontginning en bebossching in Nederland, voormaals en thans’ op pagina 29 dat in 1929 door de Nederlandsche Vereeniging voor Economische Geographie werd uitgegeven: “Zoover het oog reikte zag men niets dan heide, veenplassen, ongebaande wegen, en hier en daar verdwaald een armoedigen groven den en berk, en grootere en kleinere keien en vuursteenen in grooten getale over het terrein verspreid. Dop en struikheide, bunt en pijperaai, gagel, blauwe gentiaan, vliegenvangertje, de laatste drie vooral planten van een vochthoudenden bodem, vormden het hoofdbestanddeel van den typischen plantengroei, als overal op de Drenthsche heide. In en rondom de veenplanten groeiden het wollegras en de veenbies, terwijl rendier-, pen- en bekermos er de mossen vertegenwoordigden.

Dat er verlekkerd naar de enorme heidevelden werd gekeken is niet zo vreemd. Aan woeste grond was voor een eigenaar niets te verdienen en de enkele schaapskudde op de hei zag er wel mooi uit, maar het leverde niets op. Het zal u dan ook niet verbazen dat de woeste gronden in de provincie Drenthe aan het begin van de twintigste eeuw in een ras tempo verdwenen. Tussen 1901 en 1918 werden er in Drenthe 9.538 hectare heide en zand tot bouwland, 2.545 hectare tot grasland, en 1.222 hectare tot bos. Maar liefst 13.305 hectare heide en zand waren verdwenen, wat neerkomt op zo’n 0.782 hectare per jaar. Van 1918 tot 1928 bedroeg het totaal ontgonnen heide en zand maar liefst 12.434 hectare, gemiddeld 1.243 per jaar.  (Bron: ‘Prof. Dr. H. Blink – Woeste gronden, ontginning en bebossching in Nederland, voormaals en thans’ 1929, pagina 71.)

De noordzijde van de vermoedelijke pingoruïne gezien vanuit het zuiden. De voor een pingoruïne typische aarden wal kwam in het verleden de boer goed uit; bomen er op planten en klaar is de houtwal.

Het veengat zoals de boer het veenmoerasje noemde onder het grote bos, zal rond 1901 ontgonnen zijn net als vele andere percelen rondom Roden en in de provincie Drenthe om plaats te maken voor grasland. Van grasland had de toenmalige boer veel meer profijt dan van een bos waar je eigenlijk geen rendement van hebt. Nou ja, een paar richelpalen en lange stokken voor bonenteelt. Ja, die stokken kon je daar wel weghalen, het wemelde daar van de Hazelaars (Corylus avellana) met hun lange, rechte takken.

De eerder genoemde aarden wal van de verdieping in het weiland richting het westen. Door de verschillende factoren zoals de aanplant van bomen, de slechte staat van de bodem (keileem) en het vee dat de daardoor altijd natte, modderige bodem heeft vertrapt, moet je goed opletten om de wal te kunnen zien.

De plaats van de depressie ligt op een plaats waar je deze niet direct te zien krijgt. En om heel eerlijk te zijn, de boer/eigenaar van het perceel zit daar ook helemaal niet mee. Maar het is juist het onopvallende dat lijnrecht staat tegenover de feiten van pak hem beet, zo’n 18 duizend jaar geleden. Toen bestonden grote delen van Noord-Nederland en Overijssel uit een constante bevroren bodem die samengesteld was uit mossen, zand, stenen, sneeuw en ijs. In deze grote poolachtige toendrawoestijn bevonden zich hier en daar heuvels in het gebied. De heuvels die doorgaans een hoogte bezaten van enkele tientallen meters, moeten het gezicht van de toendra hebben gedomineerd.

Op deze foto is te zien hoe groot de depressie in het weiland is. Aan de linkerzijde is het hoogte verschil duidelijk zichtbaar. Helaas zijn veel kenmerkende aanwijzingen door het gebruik in de loop der tijd verdwenen.

De grote heuvels waren ontstaan aan het einde van de laatste ijstijd toen de bodem al eeuwenlang enkele tientallen meters diep bevroren was en permafrost genoemd wordt, waarbij het iets warmere grondwater met een steeds grotere druk tegen deze laag permafrost aandrukte. Het bovenste gedeelte van het grondwater bevroor en vormde een lensvormige laag ijs tegen de permafrost aan. De laag ijs die in deze situatie ontstaat, heet daarom dan ook een ‘ijslens’. Het opstijgende grondwater blijft tegen de ijslens aandrukken waardoor de druk blijft toenemen en de laag ijs steeds dikker gaat worden. Op een gegeven moment heeft de ijslens een fors formaat aangenomen en is de druk van het grondwater zo hoog geworden, dat de bevroren bodem wel omhoog moet gaan. Op deze manier ontstonden er talloze ijsheuvels in het poollandschap van Noord-Nederland, die de naam ‘Pingo’ meekregen. De naam werd door de Groenlandse Eskimo’s (Inuit) gegeven en betekent ‘heuvel van ijs of kleine heuvel’.

De overgang van het weiland naar het bos richting het noordwesten. Weliswaar ligt vrijwel het grootste gedeelte van de vermoedelijke pingoruïne in het weiland, een klein gedeelte ligt echter ook nog in het bos.

Volgens een Deens onderzoek is het 11.711 jaar geleden (bron) dat er een einde aan de laatste ijstijd en het enorme pakket landijs dat niet zuidelijker was gekomen dan de plaats waar nu de stad Hamburg ligt, zich weer richting het noordoosten terugtrok. Het was ook de periode dat het in onze contoureien warmer begon te worden en de permafrost langzaamaan wegsmolt. Hierbij verdween ook de deklaag op de ijsheuvel en gleden er stukken ontdooide aarde van de heuvel af. Doordat de aarde van de grote klomp ijs afgleed, kreeg de aan kracht toenemende zon meer vat op het blootgevallen ijs en liet deze eveneens smelten.

Grofweg zou het bovenstaande gebeurd kunnen zijn op de plaats in het weiland waar nu een verdieping ligt. Van ijsheuvel naar een meertje.

Hoe meer het ijs binnen de heuvel smolt, des te kleiner werd deze en stortte verder in. Daarnaast zorgde het vele smeltwater voor meertjes en kleine beekjes daar het water niet door de nog bevroren bodem kon wegzakken. Na verloop van tijd was er niet veel meer over van de eens zo machtige ijsheuvel dan een diep meertje met een doorsnede tussen de 70 tot wel 240 meter. Deze meertjes worden ook wel pingoruïnes, vennen of veenmeertjes genoemd. De vermoedelijke pingoruïne ten noordoosten van de Zulte nabij de Dobben had waarschijnlijk een diameter van zo’n honderd meter.

Op het hierboven afgebeelde plaatje van het hoogteprofiel van het gebied, is de verdieping duidelijk zichtbaar. Het laagste gedeelte in de depressie ligt op zo’n halve meter boven N.A.P., het hoogst gelegen gedeelte op bijna 3 meter.

Vermoedelijk schreef ik omdat van de vele vennetjes en ronde plasjes in het noorden van Nederland niet zeker is als het hier ook daadwerkelijk pingoruïnes betreft. Het zouden natuurlijk ook depressies kunnen zijn die tijdens de vorige ijstijd werden gevormd door de terugtrekkende ijskap of stuifkommen, die door de poolwinden zijn gecreëerd. Ook in deze verlagingen met een slechte waterdoorlatende bodem bleef water staan en vormde zich veen.

De pingoruïne ten westen van de Zulte met de mooie naam Vagevuur gezien vanaf de Toutenburgsingel. Enkele jaren geleden was de ruïne geheel aan het zicht ontrokken door de vele bomen, maar de eigenaar heeft radicaal ingegrepen en nu ziet het er weer lekker fris uit. Het Vagevuur heeft een diameter van ongeveer 90 meter.

Aan één van de typerende kenmerken voor een pingoruïne in Noord-Drenthe voldoet de depressie wel; hij ligt pal langs de helling van het beekdalgebied van de Zulter Bitse. Vermoedelijk door het hoogteverschil van dit gebied tijdens de ijstijd kon hier het grondwater een lange tijd blijven vloeien en een pingo vormen. Ook komen we ze tegen aan de rand van het Drents Plateau, waar de omstandigheden eveneens gunstig waren voor het ontstaan van vele ijsheuvels.

Ook de ligging van de gebieden met de veldnamen de Dobben en de Dobberesch kunnen verwijzen naar menig poel en kuil – door de mens gegraven of natuurlijk ontstaan door een wel – die in dit gebied voorkwamen en dienden als drinkplaatsen voor het vee. Frappant is het toch wel te noemen dat men in Friesland spreekt van ‘Dobben’ in plaats van pingoruïnes.

Een zogenaamde dobbe in het Sieveen. In het verleden door een boer verder uitgegraven zodat het vee eruit kon drinken. De huidige eigenaar heeft de dobbe verder uitgegraven en er een kikkerpoel van gemaakt.

Door de toenemende stijging van de temperatuur en de hoeveelheid neerslag, steeg niet alleen het grondwater in ons land, maar ook de laag veen in de vele depressies in het Noord-Drentse landschap. De verschillende opeenvolgende fases van het Holoceen zorgen ervoor dat de diverse soorten landschapstypen het beeld vormden.  In de ruim afgelopen tienduizend jaar zijn menig veenmeertjes en moerassen verdwenen door verlanding of werden ze drooggelegd voor de turfwinning of de landbouw. De depressie in het land van de boer is slechts een van de velen in het noorden van Nederland.

Een mooi filmpje op Youtube over het ontstaan van een pingoruïne geplaatst door De Hondsrug UNESCO Global Geopark

Er bestaat een website met een kaart waarop de officiële pingoruïnes en de vermoedelijke gevallen staan. De website heet ‘Natuurlijke schatkamers van Drenthe, Pingoruïnes’ (even klikken) en is zeer zeker een bezoekje waard!