Giganten in de Zulte.

Met een luide, ijzige kreet stortte het grote lijf op de grond, zuchtte diep en na een paar stuiptrekkingen, verstijfde het gigantisch lichaam en zou nooit weer bewegen. Heel snel stortten de groep jagende neanderthalers (Homo neanderthalensis) zich op het nog warme karkas van een zo juist gedode Europese bosolifant (Palaeoloxodon antiquus), die de pech had om op de verkeerde tijd en de meest foute plaats zich te bevinden zo’n 400.000 jaren geleden tijdens een warmere periode in het geologisch tijdvak Holsteinien. 

Noord-Europa ruim 465 tot 418 duizend jaar geleden tijdens het glaciaal Elsterien, toen enorme ijsgletsjers grote stukken land bedekten met sneeuw en ijs (afbeelding: Geschenk der Gletscher – Wie die Eiszeiten Europa formten https://www.ndr.de/fernsehen/programm/epg/Geschenk-der-Gletscher-Wie-die-Eiszeiten-Europa-formten,sendung1499796.html#:~:text=Vor%20etwa%20450.000%20Jahren%20wurde,nicht%20denkbar%20ohne%20die%20Eiszeiten Donnerstag, 26. Dezember 2024).

Of dit tafereel ook in het gebied rondom de Zulte in het holsteinien ook plaatsgevonden heeft is vandaag de dag moeilijk te achterhalen. Het gebied zag er destijds heel anders uit dan heden ten dage en de sporen van een dergelijke slachtpartij zouden dan naar alle waarschijnlijkheid door de gletsjer tijdens de opvolgende ijstijd, het saalien, zo verstoord zijn dat er vrijwel niets van het gebeuren terug te vinden zal zijn. 

Maar toch is het niet geheel onvoorstelbaar dat de afstammelingen van één van grootste olifanten die ooit hebben geleefd op dit gedeelte van de wereld, hier in het gebied van de huidige Zulte voor zijn gekomen en bejaagd werden door onder andere de hier voorkomende neanderthalers. Dat er in het gebied nabij de es Kostverloren gereedschappen van vuursteen gebruikt zijn, blijkt uit de recente opgravingen die hier hebben plaatsgevonden in het kader van de geplande woningbouw. Het spreekt voor zich dat het hier gevonden vuurstenen gereedschap niet door de neanderthalers, maar naar alle waarschijnlijkheid door de moderne mens zo’n vijftigduizend jaren geleden is gemaakt. 

Een afbeelding van een Europese bosolifant of Euraziatische oude olifant (Palaeoloxodon antiquus, voorheen ook Elephas antiquus genoemd) zoals deze in het landschap voorkwam, dat later de Zulte zou gaan heten. (afbeelding: Geschenk der Gletscher – Wie die Eiszeiten Europa formten https://www.ndr.de/fernsehen/programm/epg/Geschenk-der-Gletscher-Wie-die-Eiszeiten-Europa-formten,sendung1499796.html#:~:text=Vor%20etwa%20450.000%20Jahren%20wurde,nicht%20denkbar%20ohne%20die%20Eiszeiten Donnerstag, 26. Dezember 2024).

Door zijn formaat, een mannelijk exemplaar van de Europese bosolifant ook wel stier genoemd, bezat een schouderhoogte van ongeveer 4,20 meter en kon wel 11 ton (11.000 kilo!) zwaar worden, waren het behoorlijke tegenstanders waar niet mee te spotten viel (1). Waarschijnlijk leefden de Europese bosolifanten in kuddes en trokken ze door de bosrijke gebieden in wat tegenwoordig Noord-Nederland heet. 

Sporen op botten van bosolifanten die ruim 150.000 jaar geleden werden gedood, tonen aan dat er met vuurstenen gereedschap vrijwel al het vet en vlees werd gehaald door middel van schrapen. Volgens wetenschappers kon het vlees van 1 olifant ongeveer honderd mensen een maandlang hebben kunnen voeden (2). Volgens de wetenschappers bestonden de groepen neanderthalers echter uit zo’n 25 personen en hadden deze drie tot vijf dagen nodig om het vlees van een dier te halen. Dat men op de botten van de olifanten vrijwel geen sporen heeft aangetroffen van aas-etende roofdieren laat zien dat ze grondig te werk gingen.  

Onderzoeker Sabine Gaudzinski-Windheuser (1,60 meter) naast een gereconstrueerde Euraziatische bosolifant. Beeld: Lutz Kindler/LEIZA (Afbeelding: Neanderthalers slachtten gigantische olifanten https://www.newscientist.nl/nieuws/neanderthalers-slachtten-gigantische-olifanten/).

Mochten er echter neanderthalers in het gebied op dieren hebben gejaagd met wapens die van lokaal gevonden vuurstenen waren vervaardigd, dan zal dit naar alle waarschijnlijkheid in de periode plaats hebben gevonden tussen het saalien (238.000 tot 126.000 jaar geleden) en het weichselien (116 tot 11,7 duizend jaar geleden). In enkele keileemlagen op sommige plaatsen in de Zulte zitten enorm veel vuurstenen. De vuurstenen die na het weichselien gevonden werden, waren zo door de zeer strenge vorst aangetast, dat deze vrijwel niet meer gebruikt konden worden. 

(1) Europäischer Waldelefant (https://de.wikipedia.org/wiki/Europ%C3%A4ischer_Waldelefant

(2) Clare Wilson – Neanderthalers slachtten gigantische olifanten (https://www.newscientist.nl/nieuws/neanderthalers-slachtten-gigantische-olifanten/

Over ossenkracht en voedermaïs.

Vloekend en tierend joeg de landarbeider de twee slome trekossen over een akker in de omgeving van het voormalig esgehucht de Zulte. De rottende heideplaggen, die hier al een poos lagen nadat ze gestoken waren, dienden als bemesting voor de bodem en dienden daarom ondergeploegd te worden. Een zware klus voor de trekossen daar niet alleen de heideplaggen kleiig waren, de ondergrond was eveneens zwaar te bewerken door de aanwezigheid van de kleverige keileem en hier en daar kwam zelfs de stugge potklei aan de oppervlakte. Nee, het ontginnen van de heide om er goede landbouwgrond van te maken, had in het verleden veel voeten in de aarde nodig gehad om dit voor elkaar te krijgen.

Dat de ondergrond in de wijde omgeving van het esgehucht nogal kon verschillen, was al bij de vroege bewoners in het gebied bekend. De zanderige en vruchtbare essen, de grote bossen die zowel op zand als op de keileem stonden en de lagere delen waar de zware, taaie potklei en de stugge, kleverige keileem zorgden voor drassige en natte gebieden. Al vroeg ontdekte men ook de voordelen van de natte gebieden en verschenen er Cisterciënzer monniken in hun kenmerkende grijze pijen, die afkomstig waren uit de St. Bernardusabdij te Aduard en stichten de uithof ter Helle, waarna zij turf en klei begonnen te winnen.

De cisterciënzer monniken in hun kenmerkende grijze pijen aan het werk in de natte, venige gebieden rondom de Zulte. Met name nabij Terheijl en Roderwolde bij het Leekstermeer (Monniken aan het turfsteken. Schilderij van Geert Schreuder. Foto Veenkoloniaal Museum Veendam. bron: Uithof ter Helle).

Tegen het einde van de middeleeuwen, zo ongeveer in de vijftiende eeuw, waren op de hoger gelegen essen in de Zulte al de nodige boerderijen en bouwlanden gemaakt door de eerste boeren. Zij vormden de eerste akkers op de hoger gelegen essen, die door hun zanderige ondergrond redelijk eenvoudig te bewerken waren. Inmiddels waren de monniken in de uithof ook niet meer die hardwerkende mannen in lange, zware pijen aan boetedoening deden, maar was de vertegenwoordiger van het klooster net als de adel en de rijke boeren, ook een grootgrondbezitter geworden en verkreeg inkomen door het verpachten van grond. De uithof werd dan ook als zodanig aangeslagen door het kerspel Roden op de schattingslijst van 1546 vermeld als: ‘Dat tichgelwerck yn dye Hell ende zijn heerschup de monnick’.

Het ploegen met trekossen afgebeeld op het kalenderblad voor de maand maart uit het kleurrijke boek ‘Les Très Riches Heures du duc de Berry’ uit het jaar 1410. De ploeg op de afbeelding lijkt op de ploegen die destijds in onze omgeving werden gebruikt (bron: Wikipedia).

Om gebruik te kunnen maken van de vruchtbare bodem op de essen, moest er nogal wat gebeuren om het een en ander te gebeuren om de ontginning in gang te zetten. Bomen dienden gekapt en gerooid te worden, de heide moest worden afgeplagd. Vooral daar waar zich heide op een kleiige ondergrond bevond, was het afsteken van de plaggen zwaar werk. Waren de plaggen afgestoken, dan werden deze op elkaar gelegd en liet men ze ongeveer een anderhalf jaar liggen. Door dat de plaggen op elkaar lagen, begonnen ze te broeien en waren ze geschikt om als bemesting te dienen. Vervolgens kwam de zogenaamde ‘osseknecht’ met de twee trekossen en de ploeg om het geheel onder de grond te werken. Iets wat in de omgeving van de Zulte nog in 1810 gebeurde.

Een zogenaamde voor, een door ploegen ontstaande groef in de bodem. Eerst gebeurde dit in de Zulte door twee trage trekossen, later door sneller werkende paarden en tegenwoordig met een dikke tractor voor de ploeg,

In het Magazijn van Vaderlandschen Landbouw, deel 6 uit het jaar 1810, doet de heer Jan Kops in hoofdstuk 12 op de pagina’s 171 en 172 verslag van een onderzoek door de verschillende commissies van landbouw in het Koningrijk Holland over het nut van het gebruik van trekossen in plaats van paarden in de landbouw: ‘De Commissie van Landbouw in Drenthe, heeft tenduidelijkste aangetoond, dat de Werk- en Trekossen, voor dat Departement niet aanteraden en zelfs nadeelig zouden zijn, zijnde het verslag dezer Commissie, als volgt: Vooreerst, dat in dit Departement geen Trek-ossen gebruikt worden, dan op den Huíze Ter Heyl, toebehoorende aan Mevrouw de Wed. de Lille, terwijl de Heer Mr. P. Hofstede dezelve bereids sinds eenige Jaren heeft afgeschaft, en dat wy van wegen de Osse-knechten, welke bij de zelve Trek-ossen gediend hebben, onderrigt zijn, dat de Trek-ossen bij den Akkerbouw den voorrang zouden verdienen boven de Paarden; bij aankoop naar evenredigheid minder zouden kosten; bij verkoop na eenige jaren dienstbaarheid evenredig meerder opbrengen, en minder voeder zouden noodig hebben, dan de Paarden, welke daarentegen geschikter zouden zijn voor het Transport. Ten tweede, dat wij, als niet door ondervinding bekend met de voordeelige eigenschappen, welke de Heer Ten Cate, en met hem de genoemde Osse-knechten, aan de Trek-ossen toeschrijven ‚ ons buiten staat bevinden, om door vergelíjking derzelve tegen die der Paarden, een besluit optemaken, welk meer dan louter speculatief zoude zijn; doch dat het ons is voor gekomen, dat het gebruik van Trek-ossen tot den Landbouw, in plaats van Paarden‚ voor den Drentschen Landbouw en het Rijk niet voordeelig zijn zoude’. 1

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is ossen004-1.jpg
De zogenaamde Drentse stelploeg. Deze ploeg werd vooral in het Noorden van Drenthe gebruikt om het land te ploegen (Afbeelding: Dr. C.C.W.J. Hijszeler: Boerenvoortvaring in de oude landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe. De tekeningen werden vervaardigd door de J. Witpaard te Meppel en N. Overdiep te Groningen. Uitgegeven te Assen bij Van Gorcum & Comp. N.V. (G.A. Hak & H.J. Prakke) (MCMXL)).

Nadat de restanten van de heideplaggen behoorlijk waren omgeploegd, werd het ontgonnen bouwland geschikt gemaakt voor gebruik en zaaide men in het eerste jaar rogge in de grond. Na de daarop volgende oogst van de rogge, die men naar de molen ten zuiden van het dorp Roden bracht om daar tot meel gemalen te worden, werd direct weer begonnen met ploegen. Dit deed men om de akker geschikt te maken voor winterrogge.

Het zogenaamde ‘vaalg’n’ heeft hier al plaats gevonden. De akker is ondiep omgeploegd en de stoppels zijn grotendeels onder de aarde terecht gekomen.

Het stoppelland werd eerst ondiep geploegd, in de omgeving van de Zulte noemde men dit ‘vaalg’n’ (het land zwart maken d.w.z. dat je alleen maar zwarte grond op de akker zag). Dit gebeurde door middel van brede voren, waarbij niet het hele land werd omgeploegd maar wel de grond over de stoppels kwam te liggen. De voren, de ploegsporen dus, bleven open liggen. Het werk moest dan voor de laatste donderdag in augustus klaar zijn, “’k Heb ’t laand klaor ligg’n”, zei de Zulter boer dan.

De stelploeg en zijn onderdelen: a). ramshor’n, b). ’t halve gat, c). de klaver, d). de klöp, e). touhamer, f). de spaon, g). ’t ater, h). de ket (Afbeelding: Dr. C.C.W.J. Hijszeler: Boerenvoortvaring in de oude landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe. De tekeningen werden vervaardigd door de J. Witpaard te Meppel en N. Overdiep te Groningen. Uitgegeven te Assen bij Van Gorcum & Comp. N.V. (G.A. Hak & H.J. Prakke) (MCMXL)).

Na een week of twee tot drie bleef de akker zo liggen en als het weer meewerkte, kon de grond goed uitdrogen en de stoppels verrotten. ’t Laand wordt d’r mul (rul, los) van zei men dan. Vervolgens ging men het land slichten met een eg, of zoals men in de Zulte zei: ”’t laand slicht’n met ’n aaide”. Het eggen werd in de wijde omgeving van het dorp Roden ook wel ‘aaiden’ genoemd. Voor het slichten gebruikte de boer een grote, zware eg, de oseege of osaaide. Wellicht herinnert de naam nog aan het feit, dat hier in Noord-Drenthe ossen als trekdieren werden gebruikt. Het was zogenaamde viefbalks aaide (vijfbalks eg), van hout en met lange, ijzeren tanden. De grond werd door deze eg goed verkruimeld en schoon gemaakt. Was de eg nog niet zwaar genoeg, dan legde men er een zware paal of iets anders zoals zwerfstenen op.

Tegenwoordig gaat het eggen mechanisch met een forse trekker en een metalen eg, maar het effect blijft hetzelfde als voor tweehonderd jaren geleden, het gaat echter veel sneller dan toen.

Had men de akker slicht gemaakt, dan werd er bemest met stal- of schapenmest, die met een wagen op het land werd gereden. De bemesting was in vroeger tijden behoorlijk armelijk. Om het volume van de hoeveelheid mest toch maar te vergroten, werd de mest telkens in de stal met zand en (heide)plaggen vermengd. Het is dus ook niet verwonderlijk, dat er in vergelijking met vandaag de dag zodoende weinig wilde groeien. De schapenmest werd eerst met n messlep in vierkante stukken gestoken. Zo’n vierkant stuk schapenmest noemde men ’n bol. De stal- en schaopmest werd met de vork (een drie- of viertandigevork) op de wagen geladen, het zogenaamde mestlaod’n.

De eg, of aaide zoals deze in de omgeving van Roden werd genoemd. a). bovenzijde van de grote Drentse eg, b). onderzijde van de grote Drentse eg, c). voor het veurtrekk’n en de roagge inschraankel’n gebruikte men twee kleine eggen, die naast, doch schuin achter elkaar liepen, zodat er tussen de beide geëgde strooken geen strook ongeëgd bleef (Afbeelding: Dr. C.C.W.J. Hijszeler: Boerenvoortvaring in de oude landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe. De tekeningen werden vervaardigd door de J. Witpaard te Meppel en N. Overdiep te Groningen. Uitgegeven te Assen bij Van Gorcum & Comp. N.V. (G.A. Hak & H.J. Prakke) (MCMXL)).

Nadat men in het eerste jaar de rogge had gezaaid en geoogst, werd in het tweede jaar na de ontginning haver gezaaid. Vervolgens werden er in het derde jaar aardappelen in de grond gepoot. Na deze drie jaren was de ontginning van het bouwland geslaagd en ging men over op de normale bemesting en verbouwde men ieder jaar tarwe. In tegenstelling tot vandaag de dag waarbij vrijwel elke graankorrel mechanisch wordt opgevangen, was dit ruim 200 jaren geleden wel anders. Was het graan zeer rijp en vielen de graankorrels eenvoudig uit de graanhalm, dan diende men het graan voorzichtig binnen te halen. Om de gevallen graankorrels toch te kunnen verzamelen en er meel van laten te maken, had men een eenvoudige oplossing bedacht om de korrels in te zamelen. Een zogenaamde zaadzeef, een driehoek gemaakt van drie latten, werd over het bouwland gesleept om de uitgevallen graankorrels van het land te krijgen.

Moesten vroeger de knechten de aardappelen met hand poten en daardoor de gehele dag gebukt lopen, tegenwoordig gaat het poten machinaal. Op de afbeelding is mooi te zien dat de machinist de aardappelen even iets te vroeg liet vallen.

Waarschijnlijk is het gebruik van de trekossen in de omgeving van het voormalig esgehucht na 1810 snel afgenomen en maakten de trage dieren plaats voor de sneller bewegende paarden, waardoor het transport sneller verliep. Daarnaast konden de trekossen zeer zinnig zijn; hadden de dieren geen zin om iets te doen, dan deden ze ook daadwerkelijk niets en lag alles stil. In het zuiden van ons land bleef de trekos nog zeer populair en werd tot ver in de twintigste eeuw nog gebruikt in de landbouw. Daar hoorde hij dan ook het mopje: ‘De Noord-Brabantsche boer eet zijn paard en slaapt bij den voerman’, omdat het vooral ‘vrouwen en meiden’ waren, die op de vrachtkar de leidsels hanteerden. 2

Tegenwoordig dienen de meeste akkers in de omgeving van de Zulte voor de aanbouw van voedermaïs, dat de boeren naast hooi en kuilgras aan hun koeien voeren. Veel akkers zijn echter niet meer in de Zulte te vinden, ze moesten plaats maken voor graslanden. In de bodem van de bovenstaande akker bevinden zich echter aardappelen.

Was de ontginning van de immens grote heide en het verbouwen van graan op de bouwlanden in het verleden nog een bittere noodzaak, vandaag de dag zijn vrijwel alle akkers verdwenen en hebben plaats gemaakt voor grasland. De enkele akkers die men hier en daar nog in het oude gebied van de Zulte tegenkomt, zijn akkers met voedermaïs. De rode maïskorrels schijnen een heerlijk hapje voor het rundvee te zijn.

In veel akkers is er weer voedermaïs aangebouwd, een heerlijk hapje voor het vee. De boer kuilt de kolven in of hakselt de hele plant en gebruikt deze de hele winter als voer.

Van het oude boerenleven in de Zulte is niets meer over en van paardenkrachten wordt enkel nog gesproken als het om de tractor gaat, laat staan dat er nog de term ossenkracht nog bestaat. Eigenlijk is het niet meer voor te stellen dat wij best wel veel aan deze trekossen te danken hebben.

In het jaar 2011 had de eigenaar van de percelen aan de Zulthe ook voedermaïs verbouwd, zoals op de luchtfoto goed te zien is. (afbeelding: Topotijdreis.nl)

1 J. Kops – Magazijn van vaderlandschen landbouw Deel 06, te Haarlem, bij A. Loosjes, Pz. 1810.

2 Hans Miltenburg en Reimer Strikwerda, Koe voor de kar en op de kaart, 2007.

Veilen in het Sieveen

In het gebied dat rondom het voormalig esgehucht de Zulte en ten noorden van het dorp Roden ligt, zijn de oude sporen van de terugtrekkende gletsjer tijdens de een-na-laatste ijstijd op veel plaatsen nog duidelijk zichtbaar. Ondanks de oprukkende woningbouw en de zeer intensieve veeteelt uit het verleden kan men met het blote oog nog de hoogten en verdiepingen in het landschap gemakkelijk waarnemen. Vanzelfsprekend geven de benamingen van de gebieden waar deze sporen voorkomen ons ook een kleine inkijk van wat de restanten van de smeltende gletsjer hier hebben achtergelaten. Zo verwijst de benaming ‘Es’ op een verhoging in het landschap, wat op een restant van een stuwwal kan betekenen en werd een depressie in het gebied doorgaans met ‘Veen’ aangeduid. Doorgaans vanwege het feit dat er vanaf het einde van de laatste ijstijd er water in bleef staan en er na verloop van tijd veen in de verdieping vormde.

Nu waren veel van de depressies in het landschap tijdens de laatste ijstijd opgevuld met onder andere zand, dat afkomstig was van het Gronings gedeelte van de Hondsrug en destijds door de poolwinden hierheen werd vervoerd en daarom niet meer als zodanig herkenbaar. De depressies in het gebied waren ontstaan door de grote hoeveelheid smeltwater dat vrijkwam, toen de grote massa landijs begon te smelten en het water zich een weg zocht naar de lager gelegen delen en hierbij grote, diepe smeltwatergeulen door het zand vormde. Samen met het smeltwater meegevoerde residu dat vrijkwam uit het landijs en de hier aanwezige keileem, ontstond er onder in de geulen een waterdichte laag.

De smeltwatergeul die achterbleef nadat de gletsjer uit het gebied verdwenen was aan het einde van het Saalien, de voorlaatste ijstijd zo’n 130.000 jaar geleden. Op de bovenstaande afbeelding is het restant van de smeltwatergeul duidelijk zichtbaar op de zogenaamde hoogte/laagte beelden (Bron: Actueel Hoogtebestand Nederland).

Dankzij deze waterdichte laag en de doorgaans geleidelijke schuine zijkanten van de voormalige smeltwatergeulen, kon het water amper of helemaal niet meer wegzakken en bleef het in de verdieping staan. Door het warmer worden van het klimaat en de toenemende neerslag, begon het gebied steeds natter te worden en stierven de aanwezige planten af. Hierop groeiden weer nieuwe planten, die vervolgens ook weer afstierven en zich ophoopten in het zuurstofarme water. Doordat de plantenresten niet werden afgebroken door de afwezigheid van zuurstof, kon er zich zo in de duizenden jaren een forse veenlaag ontwikkelen.

Inmiddels heerst er in het Sieveen een ander waterregime dan in het verleden en zie je de vernatting weer toenemen. Was vroeger nog het motto dat het water zo snel mogelijk afgevoerd diende te worden, tegenwoordig is de schouw van de sloten hier verdwenen en zie weer vochtminnende planten terugkeren in het gebied.

De in het gehele gebied aanwezige laag keileem zorgde niet alleen dat er in de depressies veenvorming kon ontstaan, maar ook dat op de natte en moerassige ondergrond planten gingen groeien, die de zeer vochtige ondergrond konden waarderen. Langzaamaan begon ook op de hoger gelegen gebieden een vorm van vegetatie te ontstaan, die voornamelijk uit mossen, grasachtige vegetatie en gewone dophei bestond; natte heide. Bomen zullen hier lange tijd niet hebben kunnen groeien en zal de struiklaag met dwergstruiken zoals de gewone dophei, struikhei en een aantal zeldzamere soorten zoals kraaihei, grote veenbes en lavendelhei het uitzicht voor een lange tijd hier hebben bepaald.

Op de oude Franse legerkaart uit 1810/1811 is goed te zien dat het gebied ten westen van het voormalig esgehucht de Zulte bestond uit immens grote, natte heidevelden. Van landbouwactiviteiten in het gebied is natuurlijk nog geen sprake. Wel is het pad duidelijk te zien waar langs de schaapskudde van de Zulte richting het noorden ging om de heide van de Markegenoten te bereiken (BronDrents Archief).

Tot ver in de negentiende eeuw bleef het gebied onberoerd en was het voor boeren te nat en te moerassig om het hier te gaan ontginnen en zodoende het vee te kunnen laten grazen. Een enkele keer zal de schaapskudde van de Zulte hier hebben gegraasd en op enkele landweggetjes na om binnen door te kunnen gaan, had de mens hier dan ook niets te zoeken. Pas halverwege de negentiende eeuw begon men in de omgeving van de huidige Toutenburgsingel voorzichtig met het ontginnen van de drogere stukken voor de landbouw en veeteelt. Echter, het gebrek aan een goed bemestingsbeleid destijds en een kortzichtige blik op de toekomst, zorgde ervoor dat ook de nattere gedeelten ontgonnen moesten worden.

Op de kaart die stamt uit 1845 laat maar weinig veranderingen zien in het gebied ten westen van het esgehucht de Zulte. (Bron: Gronings Archief).

In die tijd dat de boeren hun begerige blik op het gebied wierpen en vonden dat de natte heide niets toevoegde aan hun bedrijf, bepaalde echter het gebrek aan een deugdelijk stelsel van sloten om het water af te voeren het gebruik van het land. Langzamerhand waren de hoger gelegen gebieden inmiddels in gebruik als bouw- of weiland, maar met het lager gelegen gebied wist men vooralsnog geen raad.

Op de kaart uit 1853 zijn zowel de bouwlanden als het eerste weiland ten zuiden van de Toutenburgsingel in het Sieveen zichtbaar. Langzamerhand verlegde men de agrarische activiteiten steeds meer richting het westen. Ook is de voormalige steenfabriek ten noorden van de singel te zien (BronDrents Archief).

Rond de jaren zestig in de negentiende eeuw begon men met de daadwerkelijke ontginning van de natte heide en werd het veen, dat zich in de duizenden voorafgaande jaren had gevormd, gewonnen en als bemesting gebruik voor de hier nog te planten bomen. Waarschijnlijk stamt de naam van dit gebied, het Sieveen, dan ook uit deze tijd en zal zoveel betekenen als het naastgelegen veen in het hier gesproken Drents dialect.

De diepe sloot die langs de voormalige schapendrift en het water uit onder andere het Sieveen naar de Zulter Bitse moest vervoeren, bestaat nog steeds en heeft zijn functie als zodanig behouden. In principe heeft de sloot zijn exacte locatie behouden, echter het laatste gedeelte loopt nu richting het noorden in plaats van het zuiden. Dat gedeelte is veranderd tijdens de aanleg van de twee vijvers in het stroomgebied van de Zulter Bitse begin jaren zeventig van de twintigste eeuw.

De hier door de eigenaar aangeplante bomen bestonden uit snelgroeiende naaldbomen. Echter om het gebied geschikt te maken voor de aanplant moet de eigenaar de nodige ingrepen doen om het een en ander mogelijk te maken. Het voornaamste was het kwijtraken van het vele water dat in het gebied voorkwam. Daarvoor werd een lange en diepe sloot richting het oosten tot aan de weg in de Zulte gegraven, die vervolgens langs de weg naar het zuiden liep om in de Zulter Bitse te eindigen. Nadat de afvoersloot gereed was en al bezig was het vele water af te voeren, begonnen de arbeiders dwars op de brede sloot verzamelsloten graven waarop weer de afwateringssloten het water loosden. Dit slotenstelsel is nog steeds duidelijk zichtbaar op satellietbeelden die de hoogte in het gebied weergeven.

De afwateringssloten, die in de negentiende eeuw gegraven waren om het water af te voeren zodat de aangeplante bomen gen last van natte voeten kregen, zijn nog steeds duidelijk zichtbaar in het gebied. Weliswaar verdwijnen ze geleidelijk doordat zowel de bodembegroeiing, de mossen en de gronderosie in het gebied de sloten langzaam maar zeker opvullen.

Niet alleen de ontwikkeling van het gebied kwam in een stroomversnelling terecht, ook de vervaardiging van accurate landkaarten, atlassen en plattegronden had een vogelvlucht genomen en de cartografie bleek steeds nauwkeuriger te worden. Vanaf het begin van de twintigste eeuw waren niet alleen de gemeenten en het Kadaster de enigen met zeer nauwkeurige en duidelijke kaarten; ze waren ook voor de gewone man toegankelijk geworden. Zeker richting het einde van de twintigste eeuw ziet men een toename van topografische kaart, waarbij satellietbeelden gebruikt worden. Dankzij het gebruik van de satellietbeelden is het heden ten dage ook mogelijk om bijvoorbeeld de hoogten en de laagten in een bepaald gebied in kaart te brengen.

De veranderingen in het Sieveen die tussen 1903 en 1935 plaatsvonden, zijn op de bovenstaande topografische kaarten duidelijk zichtbaar. Langzamerhand verdwenen de productiebossen en maakten plaats voor weilanden (bron: topotijdreis.nl).

Naast het stelsel van sloten waren natuurlijk ook wegen belangrijk om het gebied bereikbaar te maken voor de arbeiders om de sloten te kunnen graven en om het pootgoed aan te voeren. Deze wegen hebben in het Sieveen tot ongeveer het begin van de jaren dertig van de twintigste eeuw gelegen en zijn na de houtkap in oktober 1930 verdwenen. Daar waar ze door een perceel bos en langs de voormalige steenbakkerij liepen, werden na 1935 in gepoot met Amerikaanse eiken (Quercus rubra). Echter, liep de aanplant op de plaats bij de voormalige steenfabriek volgens plan, bij het perceel bos bleek echter dat echter niet de Amerikaanse eik, maar de moeraseik (Quercus palustris) gebruikt was op het weggetje te beplanten.

Een medewerker heeft jaren geleden vergeten zijn schep, een zogenaamde bats, mee te nemen na zijn werkzaamheden in het bos. Na ruim veertig jaar staat deze nog steeds parmantig te wachten op de medewerker die nooit meer in dit bos zal komen en van zijn pensioen aan het genieten is.

De bossen in het Sieveen werden vanaf het begin van de twintigste eeuw gebruikt voor de houtkap en zullen vooral richting Limburg afgevoerd zijn, waar het hout in de kolenmijnen ter ondersteuning gebruikt werd. Dit zal tot begin 1931 het geval geweest zijn. Op maandag 29 september 1930 verscheen in het Nieuwsblad van het Noorden een advertentie van de dan 63-jarige Harmannus Aukema, waarin het verboden werd om nog langer gebruik te maken van het pad door het Sieveen. De op donderdag 11 april 1867 in de Zulte geboren Harmannus was een zoon van de landbouwer Roelf Jans Aukema en Everdina Harmannus Bakker en overleed op 77-jarige leeftijd op dinsdag 18 april 1944 te Roden.

Restanten van het weggetje dat in het verleden door de bossen van het Sieveen liep, zijn nog duidelijk zichtbaar in het weiland. Op de achtergrond is het bos te zien dat de bomenkap tijdens de eerste dertig jaren van de twintigste eeuw ontlopen is.

Niet alle bossen in het Sieveen werden gekapt en enkele bossen bleven staan. Deze bossen bestonden vooral uit loofbomen met hier en daar nog een enkele naaldboom. Later kwamen deze bossen, zo rond de jaren zestig van de vorige eeuw, in het bezit van Staatsbosbeheer en zijn ze daarna nog een tijd als productiebos gebruikt.

Al snel krijg je het vermoeden wanneer je het bovenstaande verhaal leest, dat vooral bosbouw dit gebied in het verleden heeft plaatsgevonden. Voor een gedeelte van het Sieveen gaat dat eigenlijk ook wel op, maar daarnaast deed veel ook van het gebied dienst als weiland. Zeker nadat landbouwer Harmannus Aukema de bossen liet kappen en het uitmuntende stelsel van sloten grote delen van het gebied redelijk droog wist te houden, deden de landerijen hier dienst als weiland. Nu waren er al delen in het Sieveen aanwezig die eerder aangelegd waren en er waren ook al in de jaren vijftig van de negentiende eeuw pogingen gedaan om hier akkerbouw rendabel te maken.

Op de satellietbeelden die het verschil in hoogte en laagte weergeven, zijn de hoogten in het noorden van het Sieveen duidelijk zichtbaar. Ligt de gemiddelde hoogte van de blauwgekleurde gebieden tussen de 2.70 en de 3.15 meter boven N.A.P., de groene delen tussen de 3.15 en 3.75 meter boven het Normaal Amsterdams Peil en de rood ingekleurde delen variëren tussen de 3.75 en 5 meter boven het al eerder vermelde N.A.P. (Bron: Actueel Hoogtebestand Nederland).

Bleef het bij de akkerbouw nog tot enkele pogingen die blijkbaar gedoemd waren om te mislukken, het aanleggen van gras- en weilanden op de hoger gelegen gedeelten bleek echter succesvol. Deze gedeelten bevonden zich in het noordelijk gedeelte van het Sieveen en maakten zoals de smeltwatergeul deel uit van de grondmorene die achterbleef na het verdwijnen van het landijs. De hoogte van verhogingen varieerde grofweg van 3,75 tot 5 meter boven N.A.P. en bestonden deels uit fijn zand. Waarschijnlijk waren ze in het verleden hoger, maar zullen de straffe poolwinden tijdens de laatste ijstijd deze hebben doen afslijten.

Al met al zat er veel historie hier in de bodem van het Sieveen en de boeren in het gebied maakten daar gebruik van. Niet dat de boeren destijds het besef hadden dat de karakteristieke ondergrond behouden moest worden voor de toekomstige generaties, nee, totaal niet. Erg begrijpelijk want de bedrijfseconomische drijfveer was in die dagen noodzakelijk om het hoofd boven het water te kunnen houden. Dat gold niet alleen voor de twee zonen van Roelof Jans Aukema, Jan Roelofs en Harmannus, maar ook voor Roelof Deodatus Pzn., die eveneens land in het Sieveen bezat. Beide heren bezaten trouwens veel grond in de omgeving van het voormalig esgehucht de Zulte rond die tijd.

In het begin van het jaar 1918 laat Roelof Deodatus Pzn. in een advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden weten dat er op de ochtend van de donderdag 17 januari van dat jaar dat hij schil-, week- en klomphout publiekelijk wenst te verkopen in het café Van der Molen in het dorp Roden, daar waar de weduwe van Roelf van der Molen, Janna samen met haar zoons met de scepter zwaaide. Het hout dat uit het Sieveen kwam, zal voornamelijk schil- en weekhout geweest zijn. Het hout dat rondom de boerderij van Baving stond, was voornamelijk zogenaamd ‘Pöppelnholt’ (populieren hout) en werd gebruikt als klompenholt (klompenhout). Er staan trouwens nog steeds behoorlijk forse populieren bij de huidige boerderij.

De advertentie die Roelof Deodatus Pzn. in de krant liet plaatsen om onder andere hout uit het Sieveen te verkopen (Bron: Zaterdag 5 januari 1918 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 12, 31ste jaargang, No. 4)

Later dat jaar, begin oktober 1918, liet Deodatus wederom een advertentie plaatsen in het Nieuwsblad van het Noorden van donderdag 3 oktober, waarin hij onder andere 4¼ hectare weiland en 1¼ hectare bouwland in het Sieveen voor maar liefst 5 jaar wenst te verhuren. Deodatus vond het blijkbaar zo belangrijk dat de interesse behoorlijk groot was, dat hij de advertentie nogmaals op zaterdag 5 oktober, woensdag 9 oktober en zaterdag 12 oktober in het nieuwsblad liet plaatsen. Het een en ander vond wederom plaats in het café van de weduwe van der Molen in Roden, nu op de woensdag 16 oktober 1918 ’s avonds om 18.00 uur. Het betrof hier de meest noordelijk gelegen percelen in het Sieveen.

De advertentie van 3 oktober 1918 waarin Roelof Deodatus Pzn. belangstellenden opriep om op 16 oktober van dat jaar te komen naar het café van weduwe van der Molen. (Bron: Donderdag 3 oktober 1918 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 6, 31ste jaargang, No. 232).

Ruim vier maanden later, op maandag 17 februari 1919, komen wij een advertentie tegen in de Provinciale Drentsche en Asser courant van de in Zuidhorn woonachtige Jan Roelofs Aukema, broer van Harmannus, waarin hij aangeeft drie percelen hakbos bij palmslag te willen verkopen in het zogenaamd Klein Sieveen. Palmslag is een gebaar waarbij koper en verkoper elkaar in de palm van de hand slaan ter bezegeling van een verkoop. De veiling van de drie percelen zouden volgens de advertentie op zaterdag 1 maart 1919 ’s ochtend om 10.00 uur plaatsvinden in het café W. Scheepstra te Roden.

De advertentie van Jan Roelofs Aukema uit Zuidhorn in de Provinciale Drentsche en Asser Courant waarin hij laat weten drie percelen met hakhout in het Klein Sieveen te willen verkopen (Bron: Maandag 17 februari 1919 Provinciale Drentsche en Asser courant, Pagina 4, 96ste jaargang, No. 40).

Het Klein Sieveen was het gedeelte dat in het midden in het Sieveen lag, zoals op de onderstaande kaart uit 1926 te zien is. Het meest noordelijk gelegen perceel met het nummer 31 bestond uit zowel dennen en loofhout en was 1.4870 hectare groot, percelen 32 en 33 waren respectievelijk 0.9380 en 0.4520 hectare groot en bestonden beiden uit hak- en ingepoot bos. Voor Aukema zal het een mes geweest zijn die van twee kant sneed; geld verdienen aan het verkopen van hout en dan de percelen wederom verpachten als weiland.

Op de bovenstaande kaart zijn de drie percelen te zien waar in 1919 nog bos stond en rond dit tijdstip inmiddels als weiland in gebruik waren genomen (bron: topotijdreis.nl).

Het land in het Klein Sieveen was na de houtkap weliswaar weiland geworden en er lag een goed werkend stelsel van sloten, toch bleef het land er in de nattere seizoenen op veel plaatsen nog behoorlijk drassig. Tot ver in de jaren zeventig van de vorige eeuw was dit zeker het geval en moest de eigenaar van het land, Job Dijk uit de Zulte, er beducht op zijn dat er tijdens het hooien niet met tractor en boerenwagen stil werd gestaan. De kans was enorm groot dat de wagen vast kan te zitten. Daarom zorgden zijn zonen Gerrit en Wietse ervoor, dat er nooit meer dan twee lagen hooipakjes op de boerenwagen werden gestapeld.

Het Klein Sieveen op een winterse dag aan het einde van het jaar 2014. Langzamerhand krijgen de inheemse wilde planten weer grip op het gebied. Doorgaans zijn het wel de vochtminnende planten die zich hier enorm thuis voelen.

Nu was de akkerbouw in het Sieveen niet echt succesvol, maar zo nu en dan deed men toch weer een poging iets te verbouwen. De heer G. D. Boswijk, notaris te Roden, liet in het jaar 1928 een advertentie laten plaatsen in het Nieuwsblad van het Noorden van Zaterdag 7 juli voor een aantal landbouwers uit de omgeving van het prachtige Noord-Drentse dorp Roden. De al eerder aangehaalde Harmannus Aukema deed ook mee en probeerde tijdens de publieke verkoping die op de vrijdagmiddag van 13 juli 1928 in het Café van H. M. de Vries te Roden een perceel Zwarte Orion haver in het Sieveen te verkopen.

De advertentie die verscheen in het Nieuwsblad van het Noorden van zaterdag 7 juli die geplaatst was in opdracht van de Roner notaris G. D. Boswijk. (Bron: Zaterdag 7 juli 1928 Nieuwsblad van het Noorden, Pagina 19, 41ste jaargang, No. 159).

Harmannus Aukema had het in die dagen druk als boer met het een en ander te regelen. En er moest natuurlijk brood op de plank komen, dus er diende geld verdiend te worden. Door onder andere de toenemende kolenwinning in Zuid-Limburg steeg de vraag naar hout in heel Nederland en ach, Harmannus had nog wel ’n paar bunder hakbos staan. Nu was het op stel en sprong kappen van de bomen om snel een paar guldens aan het hout te gaan verdienen en dan zo snel mogelijk van de percelen gras- of weilanden maken niet zo maar gedaan.

De advertentie die Harmannus Aukema in het jaar 1930 tweemaal liet plaatsen in het Nieuwsblad van het Noorden (Bron: Maandag 29 september 1930 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 11, derde blad, 43ste jaargang, No. 229).

Het gebied was inmiddels ontdekt door de wandelaars en de dagjesmensen, die enorm van dit gebied konden genieten. Daarnaast was het voor velen een binnen doorweggetje geworden om de Toutenburgsingel te bereiken, om vervolgens dan richting Terheijl, Leek of Nietap hun weg te vervolgen. Nadat Aukema in 1930 alles geregeld had voor de bomenkap in het gebied, plaatste de landbouwer eind september van dat jaar een advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden, waarin hij liet weten dat met ingang van 4 oktober het Sieveen voor iedereen verboden was. Twee dagen later, woensdag 1 oktober, werd de advertentie nogmaals geplaatst.

Dit maal was het de landbouwer Roelof Deodatus Pzn. die de notaris Boswijk uit Roden een advertentie liet plaatsen in het Nieuwsblad van het Noorden op zaterdag 7 februari 1931 (Bron: Zaterdag 7 februari 1931 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 26, zevende blad, 44ste jaargang, No. 32).

Notaris Boswijk uit Roden had het in die jaren niet alleen druk met regelen van de vele verkopingen, ook het organiseren van het verhuren en/of het verpachten ging gewoon door. Ook Roelof Deodatus Pzn. deed zijn best om de notaris bezig te houden in het begin van de jaren dertig. Zoals Aukema dat al eerder had laten doen, liet Deodatus de notaris eveneens een advertentie opstellen waarin hij een huis en twee percelen weiland te huur aanbood. De advertentie verscheen in het Nieuwsblad van het Noorden van zaterdag 7 februari 1931. Een van de percelen was circa vier hectare groot en lag in het Sieveen. Waarschijnlijk begon men zich nu wel aan de kadastrale indeling uit 1832 te houden en ineens ligt het Sieveen in Terheijl. De gesloten briefjes dienden voor of op woensdag 18 Februari 1931 bij de notaris te worden ingeleverd.

De advertentie die de twee notarissen voor Deodatus hadden opgesteld en die eerst op zaterdag 28 november en daarna weer op 5 december in het Nieuwsblad van het Noorden verscheen. (Bron: Zaterdag 28 november 1936 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 24, zesde blad, 49ste jaargang, No. 282).

Bijna vijf jaren later heeft Deodatus weer een klusje voor de notaris Boswijk uit Roden. Voor vrijdag 11 december 1936 ’s middags om 15:00 uur staat een evenement gepland in het hotel van der Molen te Roden, waarbij publiek bij inzate een paar boerenbehuizingen, diverse percelen heide, bouw-, hooi-, en weilanden worden geveild. Een beste klus die de Roner notaris niet in zijn eentje doen kan en daarom hulp krijgt van zijn collega F. R. M. Th. Gouverne uit de stad Groningen. De advertentie voor de veiling verschijnt zaterdag 28 november voor het eerst in het Nieuwsblad van het Noorden en een week later, zaterdag vijf december 1936, werd de advertentie nogmaals herhaald.

Waarschijnlijk had men de inhoud van de verkoping/aanbesteding in de advertentie beperkt tot de hoofdpunten en wilde men meer informatie, dan was men genoodzaakt de zogenaamde veilingboekjes voor 10 cent aan te schaffen. Daarnaast had men ook op het kantoor van de notaris een kadastrale kaart ter inzage liggen. De samenvatting in de krant was echter wel een goede suggestie wanneer men er belang bij had om landerijen van Deodatus te gaan kopen. Een andere en zeker niet een mindere opmerking in deze advertentie was toch wel, dat de betaling op 1 mei 1937 diende te geschieden. Niet geheel verwonderlijk, blijkbaar zat Roelof Deodatus Pzn. toch behoorlijk om geld te springen.

De afloop van verkoop en aanbesteding die 11 december 1936 plaatsvond in hotel van der Molen te Roden. Op de drie percelen had Jacob Siegers uit Roden 5580 gulden ingezet (Bron: Zaterdag 12 december 1936 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 10, derde blad, 49ste jaargang, No. 294).

Een week later nadat de tweede advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden van 5 december was verschenen, werd in de krant van vrijdag 12 december 1936 de afloop van de verkoping en aanbesteding bekend gemaakt door de twee notarissen Boswijk en Gouverne. De veiling van de percelen vond in het hotel van der Molen in Roden plaats. Het kavel D omvatte drie percelen weiland in het Sieveen ter grootte 6,163 hectare: perceel 11, weiland Sieveen 2,063 hectare, perceel 12, weiland Sieveen 1,4 hectare, en perceel 13, weiland Sieveen 2,7 hectare. In de aankondiging advertentie stond echter het foutieve getal: D. Weiland “Sieveen” , groot 6,153 hectare, minder dan de daadwerkelijke oppervlakte.

De aankondiging in de krant dat op 22 december 1936 in hotel Zuiderveld te Roden een belangrijke verkoping plaats zal vinden (Bron: Zaterdag 19 December 1936 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 23, zesde blad, 49ste jaargang, No. 300).

Voor de drie percelen weiland in het Sieveen had de dan 45-jarige uit Roden afkomstige Jacob Siegers ingezet op een totaalbedrag van 5580 gulden. Vervolgens gingen de twee notarissen weer naar het Nieuwsblad van het Noorden en lieten zij een advertentie plaatsen in de zaterdageditie die op de zaterdag 19 december verscheen. Hierin stonden de weer de aangeboden kavels, maar nu met de ingezette bedragen. Over het kavel D., een weiland in het Sieveen, groot 6,168 hectare vermeld de advertentie dat deze is ingezet op f 5580,-. En weer zal het ondeugende zetduiveltje bij de krant zijn slag hebben geslagen, nu wordt het kavel weer groter aangeven dan deze werkelijk is.

Het een en ander zou volgens de advertentie publiek bij palmslag verkocht worden op dinsdag 22 december 1936 om drie ’s middags in het hotel Zuiderveld te Roden. Voor de rest wijkt deze advertentie maar weinig af van de advertentie die eerder op 28 november verscheen, echter dat het nu in hotel Zuiderveld in plaats van hotel van der Molen plaatsvond en de ingezette bedragen stonden nu bij de kavels.

Uiteindelijk heeft niet Jacob Siegers uit Roden de drie percelen in het Sieveen gekocht, maar ene J. A. Meijer wonende te Eenrum (Gr.) (Bron: Woensdag 23 december 1936 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 6, tweede blad, 49ste jaargang, No. 303).

In het Nieuwsblad van het Noorden die op woensdag 23 december 1936 verscheen, deden de twee notarissen verslag van de belangrijke palmslag in Roden. Naast de andere kavels werden ook de drie percelen weiland, kavel E., verkocht. Had de Roner Jacob Siegers nog ingezet op 5580 gulden voor de drie weilanden, het was de uit het Groningse Eenrum afkomstige J. A. Meijer die met de drie percelen aan de haal ging. De Ainrumer kon maar liefst 8300 gulden gaan betalen voor de drie weilanden in het Sieveen.

Ruim vier jaren later komen we Roelof Deodatus Pzn. weer tegen in het Nieuwsblad van het Noorden. Nu in een advertentie van de Roner Notaris G. D. Boswijk, waarin hij voor meerdere eigenaren van percelen met bos aangeeft dat er op maandag 20 januari 1941 een grote bosverkoping plaats zal vinden in het café van J. Scheepstra nabij de kerk in Roden. De notaris omschreef het als volgt: ‘Voor den heer R. Deodatus Pzn. te Zulte: 2 perceelen bosch in het Sieveen, afk. van H. Deodatus’.

De advertentie van notaris Boswijk waarin hij voor een aantal eigenaren bos te koop heeft gezet (Bron: Zaterdag 18 januari 1941 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 16, vierde blad, 54ste jaargang, No. 15).

Het ontstaan van een beekje in de Zulte.

Het is vandaag de dag nog amper voor te stellen hoe de omgeving van het oude esgehucht de Zulte er uit moet hebben gezien ruim 12.000 jaar geleden. Met een beetje fantasie kunnen we een beeld gaan schetsen van een gebied, dat net herstellende was van de vele zandverplaatsingen en waar de vegetatie langzaam hier en daar weer behoorlijke vormen aan begon te nemen. Toen de laatste koude periode met de naam de Jonge Dryas-stadiaal tijdens de eindfase van de Weichsel-ijstijd, ook wel het Weichselien genoemd, voorbij was en de temperatuur snel begon te stijgen, kreeg ook de oorspronkelijke grondmorene van de laatste gletsjer zijn huidige vorm.

Tijdens deze periode moet er veel sneeuw gevallen zijn en dit in combinatie met de hevige poolwinden, is er veel fijn en grof zand vanuit de noordelijke richtingen over het gebied verplaatst. Van de hoge stuwwallen sleet de ijzige wind delen van de keileem af en nam het onderliggende zand mee, dat op zijn beurt hier en daar de oorspronkelijke smeltwater stroomgeulen van de oude gletsjer er weer mee opvulde. Een stroomgeul word ook wel een smeltwaterdal genoemd en is ontstaan toen door het smeltende ijs van de gletsjer door middel van erosie, geulen in de zachte ondergrond vormde. Daarnaast zorgde het fijnere zand dat met de wind en de sneeuw soms wel kilometers ver werd meegevoerd en creëerden zo nieuwe duinen. Grof zand was zwaarder en werd zelden ver weg getransporteerd en bleef dus in de buurt liggen.

De Dryas octopetala, ook wel Achtster, Bergavens, Witte Dryas, Zilverblad, Zilverkruid of Zilverwortel genoemd, is een altijd groene dwergstruik die grote kolonies vormt en tijdens de koude perioden (Stadialen) van het Laat-Glaciaal tijdens het Weichselien massaal groeide op de toendrasteppe waar nu het dorp Roden ligt. De plant die haar naam heeft gegeven aan de drie stadialen van dit tijdvak (Vroege-, Oudste- en Oude Dryas) vormde destijds een voedselbron voor de grazende mammoeten en rendieren. (Afbeelding Dryas octopetala: Dryas octopetale & Saxifraga-Willem van Kruijsbergen.jpg  www.freenatureimages.eu)

Dit is bijvoorbeeld gebeurd in de omgeving van het punt waar de Hulst en de Zulthe samenkomen. Hier was een behoorlijk zandpakket afgezet langs de noordelijke zijde van de stroomgeul en hierdoor de keileem met forse laag dekzand bedekte. Op deze plaats verrees later een behoorlijk bos en toen deze gekapt werd, dacht de boer die de bomen liet kappen, dat hier geen keileem lag. Er was wel keileem, maar dat lag een behoorlijk stuk dieper en werd daarom niet aangetroffen. Naast dit gedeelte van de Zulte, bevonden zich op de plaatsen waar het dekzand eveneens een laag over de keileem had gevormd, ook een tal van bossen die later gekapt werden om plaats te maken voor de landbouw en veeteelt in het gebied.

De verschillende lagen dekzand ter hoogte van de Hulst en de Zulthe die hier aan het einde van het Weichselien door de ijzige poolwinden zijn afgezet in een door het smeltwater van de gletsjer gevormde smeltwaterdal. Het dekzand bedekte hier de keileemlaag en het residu dat het smeltwater hier eveneens had afgezet.

Bleef de aangerichte schade door het verstuiven in de Zulte beperkt tot slijtage aan de bovenzijde van de stuwwallen en het opvullen van een gedeelte van een oude smeltwaterbedding, in andere delen van Noord-Drenthe kwamen de oude rivierbeddingen ook vol met zand te liggen en werden de beken gedwongen een andere route te kiezen richting de lager gelegen gronden, waarbij een aantal nieuwe stroomgebieden ontstonden zoals dit bij de Drentse Aa en zijn zijtakken het geval was.

Een ander fenomeen dat zich aan het begin van het Holoceen begon voor te doen was de toename van het grondwater in het gebied. De bodem die tijdens de laatste periode van het Laatglaciaal stijf bevroren was geweest en waar de permafrost meters diep in de grond had gezeten, was geheel ontdooid en op veel plaatsen in het gebied kwam heel voorzichtig een vies ruikende bruine substantie omhoog. De bruine waterige derrie die hier omhoog kwam, was zuurstof en sulfaatarm en bestond vooral uit basen en ijzer, en vormde hier en daar in de lager gelegen gebieden kleine poelen.

Zo zou het er hebben uitgezien op vele plaatsen in het gebied ten noorden van het dorp Roden nadat het Jonge Dryas-stadiaal voorbij was en het Holoceen een aanvang had genomen. Op de plaatsen waar er nog maar weinig keileem aanwezig was, borrelde de bruine drab naar boven en vormde kleine poeltjes. De door het grond- en kwelwater gevormde kleine poelen worden in deze omgeving ook wel ‘dobben’ genoemd.

De bruine substantie die hier in de Zulte uit de bodem omhoog borrelde, was grondwater dat afkomstig was van het hoger gelegen Drents Plateau, een hoogvlakte in Drenthe en die zo’n tien tot twintig meter boven het zeeniveau ligt. Dit grondwater dat onder druk aan de oppervlakte kwam, wordt ook wel kwel of kwelwater genoemd en is ontstaan door een ondergrondse waterstroom, die van een hoger naar een lager gelegen gebied stroomde, waar het een bron vormde. Het grondwater kon echter alleen een bron vormen als het door de ondergrond kon dringen op bijvoorbeeld plaatsen, waar amper of geen keileem aanwezig was en daardoor er geen water ondoorlatende laag was ontstaan.

Door de toenemende druk en de hoeveel water dat werd aangevoerd, begonnen de kleine poelen groter te worden en op sommige plaatsen ontstonden kleine stroompjes richting de lager gelegen gebieden. In andere poelen bleef het water staan of de poeltjes droogden zelfs op doordat de watertoevoer afnam en stopte. Het is goed te zien dat in het kwelwater op de afbeelding veel ijzer zit.

Afhankelijk van de druk op het grondwater, de omgeving en de plaats waar het water aan het oppervlak kwam, ontstond er een poel die in grote en vorm enorm kon variëren. Deze poelen worden in de omgeving van het dorp Roden ook wel ‘dobben’ genoemd en komen veel voor in het gebied rondom het Noord Drentse dorp. Er ligt zelfs een gebied ten noorden van het voormalig esgehucht met de naam ‘Dobben’ en de es heeft de naam ‘Dobberesch’. Normaal gesproken bezit een dobbe geen aan- of afvoer van waterlopen en is dus afhankelijk van grondwater.

Hier en daar treffen wij in de omgeving van het voormalig esgehucht nog een kleine dobbe aan die niet door de mens gegraven is. Deze dobbe is geheel afhankelijk van de aanvoer van kwelwater en in een geringe mate van regenwater, waarbij deze droog valt in de zomer. Het water is doorgaans erg helder doordat het hier vooral lokale kwel betreft dat arm is aan basen en ijzer.

Veel van de dobben ten noorden van het dorp Roden zijn afhankelijk van zogenaamd lokaal kwelwater en vallen droog in de zomer. Lokaal kwelwater zakt bijvoorbeeld als regenwater door de zandlagen naar beneden en komen in de directe omgeving weer aan de oppervlakte. Dit water is arm aan basen en ijzer, maar behoorlijk stikstofrijk. Daarnaast bevat lokale kwel ook maar weinig mineralen, dit in tegenstelling tot regionaal kwelwater.

Het ijzerhoudend vlies dat typerend is voor zuurstofarm en ijzerrijk regionaal kwelwater. Het water dat deze vorm van kwelwater vormt, kan honderden jaren oud zijn en kilometers diep onder de grond afgelegd hebben voordat het aan de oppervlakte komt. Het vlies ontstaat wanneer het ijzer een verbinding met fosfaten in het water aangaat,

Echter op een enkele plaats was de aanvoer van grondwater zo hevig dat de poel overliep en het water zijn weg begon te zoeken naar lager gelegen gebieden. Waarschijnlijk was het in het begin maar een armtierig stroompje wat meer weg had van een waterplas, maar toch, het water zocht zijn weg. Met name in het begin van het stroompje zal alles rood geweest zijn van het ijzer uit het water, dat contact had gemaakt met de zuurstof uit de lucht, begon te roesten. Samen met micro-organismen ontstond er een reactie waarbij het ijzer als vlokken ijzeroxide neersloeg op de bodem en op de planten die in en langs het water stonden.

Het ijzer dat samen met basen in het kwelwater was opgelost is een reactie aangegaan met zuurstof en begon daardoor te oxideren (roesten). Daarna gingen bacteriën een reactie aan met de roest en zodoende ontstonden de vlokkerige klonten, die vervolgens op de bodem terecht kwamen of aan planten bleven vastzitten.

Ook ging het ijzer in het water een verbinding aan met de aanwezige fosfaten en zo ontstond een vliesje op het water dat oogde als een dun laagje olie. Fosfaten in het water dienden voor de planten als meststoffen en nu de gebonden werden met het ijzer, verdwenen de planten die van een voedselrijke ondergrond hielden en deze maakten plaats voor planten die het wel goed deden op de voedselarme ondergrond.

Door de toenemende druk op het grondwater belandde er steeds meer water in de kleine poel en op een gegeven moment stroomde deze over en begon het sneller stromende water een weg te zoeken naar de lager gelegen gebieden. Door de samenstelling van het grondwater waarin de fosfaten waren verdwenen, bleek slechts een beperkt aantal planten groeien langs het iele waterstroompje.

En toch begon de druk op het grondwater steeds meer toe te nemen en zal het miezerig natte stukje, waar het roodbruin was van de roest en dat meer weg had van een mager waterplasje, iets meer op een stroompje zijn gaan lijken. Waarschijnlijk zal ook de warmer wordende temperatuur en de stijgende zeespiegel als gevolg hiervan ook een grote rol hebben gepeeld in het stijgen van het grondwater. En ander effect van het warmer worden was dat, ondanks het droge klimaat dat hier heerste, het stijgen van het zeewater door bleef gaan en ervoor zorgde dat er moerassen in het gebied ontstonden.

De aanvoer van zowel grond- als regenwater begon steeds meer toe te nemen waardoor het stroompje sneller begon te stromen en langzaamaan breder werd. Nog kwam het stroompje niet verder dan enkele meters vanaf de bron en nam de bodem en de omliggende vegetatie het water op. Daarnaast voedde het op zijn beurt ook de moerassen die in de directe omgeving van de poel lagen.

Dit vond ook plaats in de omgeving van waar later het esgehucht zou ontstaan en dan met name in de lager gelegen gebieden zoals de voormalige smeltwaterdalen. Door het stijgen van het grondwater, de water ondoorlatendheid van de keileemlaag en het toenemen van de neerslag, bleef het water langer staan in de laagste gedeelten van het smeltwaterdalgebied en ontwikkelde zich in de loop der tijd een weelderig plantengebied waar vooral moerasplanten en mossen het gezicht bepaalden.

Veenmos (Sphagnum) is een geslacht van mossen dat bestaat uit meer dan honderd soorten en droeg bij aan de vervening van de moerassen en vormde grote veenmosplekken op de vochtige heidevelden.

In de tijd dat er zich door de stijgende temperaturen en de toenemende vochtigheid in deze moerassen veen begon te ontwikkelen, deed zich in de gebieden rondom de moerassen een ander fenomeen voor. Langzaamaan werden de iets hoger gelegen gronden bedekt door grote, vochtige heidevelden die duizenden jaren het gezicht bepaalden van het gebied. Op de hoger gelegen delen waar ook veel dekzand voorkwam, ontwikkelden zich eerst naaldhout- en later loofbossen.

Inmiddels was het aanbod van grond- en regenwater richting de poel enorm toegenomen en dat resulteerde in een toename van water in het stroompje. Doordat er meer water in het stroompje terecht kwam, nam de stroomsnelheid ook toe en ‘vrat’ het water zich een weg door de bovenlaag.

Het was ook de tijd dat het wegsijpelende water uit de poelen inmiddels een klein stroompje had gevormd en dankzij de dichte keileemlaag aan de oppervlakte, begon ook steeds meer regenwater in zowel de poelen als de stroompjes te lopen. Weliswaar kwamen de stroompjes in het begin niet verder dan enkele meters van de poel en nam de aanwezige vegetatie veel van het water op. Waarschijnlijk verdween het overgebleven gedeelte van het water in de nog droge en onverzadigde bodem.

Toen het Atlanticum aanbrak kreeg een warm en nat klimaat vat op het gebied in wat nog Nederland moest worden en door de temperaturen die gemiddeld hoger lagen dan vandaag de dag, begon meer poolijs te smelten en steeg het zeewater nog meer. De stijging van het zeewater had ook invloed op het grondwater dat ook begon te stijgen. Net zoals het stijgende water had ook de neerslag een grote invloed op de ontwikkeling van de stroompjes die aan de rand van het Drents Plateau waren ontsprongen.

Door de toenemende aanvoer van water, dat zowel via de bron als de oppervlakte in het stroompje terecht kwam, kreeg het steeds meer het uiterlijk van een smal beekje. Van een beekdal was uiteraard zo’n 8000 jaar geleden nog geen sprake, maar de ontwikkeling hiervan was al in volle gang.

De toenemende neerslag, die het gevolg was van het steeds natter wordende klimaat, zakte weliswaar boven op het Drents Plateau in de zanderige bodem weg, maar voedde wel de kwelwaterstromen die in formaat toenamen en daardoor de druk op het grondwater verhoogden. Door de toename van zowel grondwater als de toeloop van regenwater richting de poel, nam het stroompje niet alleen toe in formaat, maar nu was de aanvoer van die mate dat het steeds verder een weg kon gaan vervolgen richting het lager gelegen gebied in het noorden.

Doordat de aanvoer van water in het stroompje bleef toenemen evenals het formaat, begon deze langzaam maar gestaag meer zand en keileem af te voeren en werd hierdoor steeds dieper. Nu is diep natuurlijk erg relatief en zeker in die eerste duizenden jaren zal het water in het stroompje gestegen zijn daar waar een natuurlijke hindernis de doorstroming verhinderde en zodoende zorgde de natuurlijke stuwing voor enige diepte. Maar ondertussen zette de erosie van de ondergrond door en vrat het stroompje zich een weg door de bovenlaag.

De aanwezigheid van zuurstofarm en ijzerhoudend kwelwater zal zelfs nog op enkele honderden meters afstand van de poel duidelijk zichtbaar zijn geweest is het stroompje dat zich een weg zocht door het gebied.

Nu was de begroeide bovenlaag sowieso al behoorlijk zacht geworden door het vele vocht dat de moerassen en de natte heide vasthielden, waardoor het stroompje steeds meer vorm kreeg in de lagere delen van het gebied dat door de laatste gletsjer was geschapen. De keileem die met de gletsjer vanuit noordoosten was aangevoerd vormde weliswaar op veel plaatsen een ondoordringbare laag voor het water, maar bleek aan de oppervlakte toch gevoeliger te zijn voor het weer en daarop volgende erosie dan je op het eerste gezicht zou denken. In het artikel “Kleverige prut aan de stevels” op dit weblog komt de samenstelling en de herkomst van de keileem volledig aan bod.

Een andere eigenschap van kwelwater is de constante temperatuur die rond de 10 graden Celsius schommelt en daardoor niet snel bevriest. De aanwezigheid van kwelwater in bijvoorbeeld sloten of weilanden is in de winter dan ook eenvoudig te herkennen vanwege het gebrek van sneeuw en ijs.

Zo’n zesduizend jaar geleden begon het zogenaamde Subboreaal, een qua klimaat koeler en drogere periode dan het voorgaand tijdperk, maar toch was het destijds warmer dan het heden ten dage is. Het iets koelere klimaat bevorderde echter de aangroei van de aanwezige natte heidevelden in de lagere delen van het gebied en deze zal naar alle waarschijnlijkheid de omgeving het stroompje, dat langzaam de vormen van een beekje begon te krijgen, hebben gedomineerd. Op de iets hoger geleden delen van de grondmorene zal de droge heide de overhand hebben gekregen en boven op de resten van de stuwwallen en andere hoogten zullen nu loofbossen hebben gestaan.

De nu door de natte heidevelden gedomineerde omgeving waar het smalle beekje zijn weg naar het laagste punt zocht om samen te komen met de andere beken, die eveneens aan de rand van het Drents Plateau waren ontstaan, werd niet alleen breder maar ook steeds dieper. De kracht van het steeds sneller stromende water vrat zich dieper en dieper door de bodem waarbij het fijnere materiaal afgevoerd werd en het grove gedeelte van de keileem zoals stenen, bleef liggen. Het fijne materiaal uit de keileem zal het water op grote afstanden een bruinachtige kleur hebben gegeven.

Op enkele honderden meters van de bron is het effect van het warme kwelwater verdwenen en zal het smalle beek deels bevroren geweest zijn daar waar het water langzamer stroomde.

Echter de eerste honderden meter zal dankzij het nog steeds ijzerhoudende element van het kwelwater het uiterlijk in en langs het beekje er behoorlijk roestig hebben uitgezien. Niet alleen de vorm, de stroomsnelheid en de kleur in het beekje begonnen te veranderen, ook de vegetatie in en langs het water begon zich duidelijker te manifesteren. Veel kwelminnende planten zoals Waterviolier  (Hottonia palustris), Dotterbloem  (Caltha palustris subsp. palustris) en Liesgras (Glyceria maxima) verschenen in of op de oevers langs het beekje.

Niet alleen de zuurstofarme en ijzerhoudende componenten van het kwelwater hadden een grote invloed op de directe omgeving van het beekje, ook de temperatuur speelde een belangrijke rol. De gemiddelde temperatuur van het kwelwater zal zo om en nabij de 10 °C gelegen hebben toen het in de poel omhoog borrelde. Hierdoor bevroor de poel in de winter slechts als het heel erg streng vroor en in de zomer was het water altijd koel. De plaatsen waar kwelwater aan de oppervlakte komt zijn dan ook heel eenvoudig te herkennen in de winter door ontbreken van sneeuw en ijs.

De Waterviolier (Hottonia palustris) is een waterplant die veel schaduw verdraagt en als een indicator voor kwelwater gezien wordt. Heden ten dage is de plant nog steeds een veel voorkomende verschijning in de sloten en vijvers in de huidige Zulthe.

Niet alleen de poel en het regenwater waren de enige leveranciers van water voor de steeds groeiende beek die inmiddels zijn eindpunt bereikt had in de een beek die later ‘De Leecke’ zou gaan heten, maar ook het kwel dat in het stroomgebied van het beekje naar boven kwam, vloeide in het stroompje. Iets wat vandaag de dag trouwens nog steeds voorkomt in het stroompje, weliswaar sporadisch doordat de vele sloten het vele kwel opvangen en afvoeren. Op deze plaatsen treffen wij dan ook met enige regelmaat de kwelindicatoren als Waterviolier, Dotterbloem en Liesgras aan.

De stroomsnelheid in het beekje zal van tijd tot tijd enorm verschillend zijn geweest, afhankelijk van het aanbod van water. Weliswaar nam de aanvoer van grondwater tijdens het opvolgende Subatlanticum behoorlijk toe door met name de stijging van het zeewater, maar de toename zal grotendeels in het najaar hebben plaatsgevonden door de regen die viel. Het is tegenwoordig amper nog voor te stellen hoe het water via het oppervlak het beekje instroomde dankzij het netwerk van sloten, dat het regenwater in een mum van tijd weet af te voeren. Heel af en toe viel er recentelijk nog zo veel water, dat de slecht onderhouden sloten en buizen het aanbod niet aankonden en je een voorzichtige indruk kreeg van hoe het er ruim drieduizend jaar geleden uit moet hebben gezien.

Mede door de toename van het grondwater in de bron van het inmiddels kleine beekje begon ook in de zomerperiode tijdens het Subatlanticum het water sneller te stromen. De bovenstaande afbeelding geeft mooi weer hoe het er destijds uit moet hebben gezien.

Was het beekje in de droge zomermaanden slechts een idyllisch voortkabbelend stroompje in het natte heidegebied en waar de libellen van diverse pluimage hongerig op de vele insecten joegen, vanaf de herfst was het een geheel ander verhaal. In de maanden die op de zomer volgden zal er veel meer regen gevallen zijn en door de schier ondoordringbare keileemlaag in het gebied stroomde dit naar het laagst gelegen punt. Het beekje liep door de laagste delen ten noorden van waar het esgehucht de Zulte zou verschijnen en verzamelde zo het vele regenwater.

Het effect van het vele regenwater uit het gehele gebied dat zich in de lager geleden delen verzamelde was dat de beek niet alleen in stroomsnelheid toenam, maar ook in volume. Deze combinatie zorgde ervoor dat de erosie van de omgeving waar het beekje doorheen ging enorm begon toe te nemen en door deze slijtage begon zich en prachtig beekdal te vormen. Doordat het eerder door de boeren aangelegde stelsel van sloten nog lang niet bestond er het vele water zijn eigen weg kon bepalen, ontstond er een fors beekdalgebied waarvan we de sporen in de huidige tijd nog goed kunnen waarnemen.

Het huidig beekdalgebied van het huidige stroompje in de warme zomermaanden, toen de huidige eigenaar drainage moest aanleggen om voor een betere afvoer van het regenwater te zorgen en zodoende het vee hier met droge voeten te kunnen laten lopen.

De breedte van het beekje varieerde dus van ruim een halve meter tot wel enkele tientallen meter naarmate deze richting het lager gelegen gebied van de beek de Leecke liep. Daar waar het beekje fors breed werd tijdens de wintermaanden, nam het snelstromend water het dekzand en de restanten van de geërodeerde keileemlaag mee en zodoende kreeg het stroomgebied zijn huidige vorm. Dit gold ook voor de stroompjes die op de hoger gelegen delen van het gebied ontstonden door de regenval tijdens het najaar en de winter. In het voorjaar wanneer de regenval voorbij was en het warmer begon te worden, verdwenen deze weer en lieten een droge bedding achter. Hier en daar zijn ook deze sporen nog terug te vinden in het landschap, met name op de Westeresch.

Het beekdalgebied enkele jaren later tijdens de winter gezien vanaf de Westeresch. Ook vanaf de Westeresch stroomde in het verleden grote hoeveelheden regenwater richting het kleine beekje. Hier en daar zijn ondanks de intensieve bewerking van het gebied, de sporen nog duidelijk zichtbaar.

Wringen en verklikkende voorsteinen

Tot zo’n zeventig jaar geleden, zo rond 1950, waren akkerbouw en veeteelt in de omgeving van het voormalig esgehucht niets bijzonders om van op te kijken. Het steeds groter wordend dorp Roden had het gehucht de Zulte nog niet opgeslokt en van de zich al aandienende schaalvergroting binnen de agrarische sector was voorlopig in dit gedeelte van Drenthe niets te merken. En toch begon het een en ander in de tweede helft van de twintigste eeuw zodanig te veranderen, dat de kleinschalige boerenbedrijven geleidelijk aan in een gestaag tempo uit het gebied verdwenen. De bedrijven die het wel wisten te redden en met de schaalvergroting meegingen, werden groter en groter. Boerderijen werden woonhuizen of verdwenen helemaal om plaats te maken voor huizenbouw en het leggen van straten. Ook was de akkerbouw vrijwel geheel verdwenen op de Zulteresch en daar waar nog gras stond, liepen koeien, paarden, of schapen. Langzaamaan begonnen ook de laatste groene weilanden te verdwijnen ten behoeve van de steeds sneller stijgende vraag naar woningen, het groeiende inwonersaantal, en de onstilbare uitbreidingsdrang van het dorp Roden.

Echter met het verdwijnen van de kleinschalige boer in en rondom het esgehucht verdwenen niet alleen de mensen en hun boerderijen, maar ook de wijze waarop zij hun beroep uitoefenden en hun gereedschappen hanteerden. Naast dit verdwenen ook de gebruiken, oude termen, en de handigheden die de vroegere boer gebruikte om de ontstane problemen zelf op te kunnen lossen. Weliswaar bleef de traditie nog bestaan om de oude gebruiken van de vader op de zoon en van de zoon op de kleinzoon te overdragen, maar het verwaterde snel doordat de aangewezen opvolgers geen heil meer zagen in het zware beroep en er voor kozen om door te leren. Heel af en toe tref je nog een oud persoon die iets heeft weten te bewaren wat zijn vader en grootvader hem of haar hebben verteld, maar de spoeling wordt ras dun.

De akkers die destijds op de Zulter Esch lagen op een zogenaamde schattingskaart vervaardigd door de tekenaars van het Kadaster ten behoeve van de schatting van percelen voor de herziening van de belastbare opbrengst van ongebouwde eigendommen. De kaart geeft waarschijnlijk de situatie tussen 1860 en 1880 weer. De tekenaar was destijds H. Baggelaar. (Bron: Drents Archief)

Ruim honderdvijftig jaar geleden verschilde de omgeving van het voormalig esgehucht op het gebied van de landbouw en gebruiken echt niet zoveel van de rest van de provincie Drenthe. Ook hier waren de sporen nog duidelijk zichtbaar die de gletsjer tijdens het Saale-glaciaal had achtergelaten. De door het terugtrekken en smelten van de gletsjer ontstane verhogingen en de daarna gevormde zandheuvels, die tijdens de zandverstuivingen in het Weichselien plaatsvonden, was er een ideaal landschap voor de boer gecreëerd. De verhogingen waren dus op een natuurlijke wijze ontstaan en niet zoals op veel andere plaatsen, door het opbrengen van potstalmest en kregen de naam ‘esch’ of ‘es’. Zo komen wij in de Zulte bijvoorbeeld de Westeresch en de Zulteresch tegen. Niet alle essen in het gebied hadden het woord es of esch in hun naam, de es Kostverloren is hier een voorbeeld van.

De bodem van de es lag dus doorgaans hoger en dat leidde ertoe, dat de oude boeren in het verre verleden vaak met een kennersblik de vruchtbaarste plekken op de met keileem bedekte es tot bouwland hebben uitgekozen. Voor de vroegere boeren was de es, die ook wel ‘communis esca’ genoemd en dat eigenlijk in collectief gehouden werd, een grote, onafgebroken en uitgestrekt stuk bouwland, dat bestond uit de gezamenlijke bouwakkers van de gezamenlijke boeren. De es was omgeven met houtwallen die grotendeels uit bijvoorbeeld Zomereiken (Quercus robur) bestonden en al dan niet op een aarden wal waren geplant. Sommige zijden van een es hoefde helemaal geen houtwal aangelegd worden daar er een groot bos naast lag. Naast communis esca bestond er nog ‘privata esca’, wat voor als privé tuin of erf staat en er hier verder niet tot doet.

De essen ten noordoosten van het voormalig esgehucht de Zulte op een kaart uit het jaar 1935. De kaart werd verkend in 1899 en herzien in het jaar 1933. Kaart no. 114 Roden heeft een schaal van 1:25000. (Bron: Drents Archief)

Daarnaast vormde het bezit van één boer niet een aaneengesloten complex, maar lagen deze kriskras tussen de akkers van de andere eigenaren in. Een mooi voorbeeld van de bouwakkers op een es waren de Körtakkers op de Zulteresch, waarbij de verdeelde percelen van elkaar gescheiden werden door diepere ploegvoren en de grenzen waren aangegeven met grote stenen. Bij een korte akker lagen de stenen alleen op of dicht bij de hoeken (voorstenen) en bij een langere akker lagen er stenen aan de lengtezijden. De voorsteinen of ‘veursteinen’ zoals ze in de Zulte ook wel genoemd werden, zorgden vaak voor onenigheid, doordat boeren die het niet zo nauw namen met de eerlijkheid, ze verlegden. Daarom gebruikte men zogenaamde ’verklikkers’, stenen die iets dieper lagen dan de voorstenen en bij een geschil de juiste plaats aantoonden.

Voor het gebruik van de akkers waren spelregels bedacht waar men zich aan diende te houden en min of meer overal in de provincie op hetzelfde neerkwamen. De bouwakkers die langs de randen van de es of langs een weggetje door de es lagen, waren ten alle tijde toegankelijk. Er bevonden zich echter ook percelen bouwland op de es die doorgaans alleen via het land van de buren of door de voren te bereiken waren. Deze waren dan ook niet toegankelijk voor de eigenaar als het koren te velde staat. Het bezaaien van de verschillende akkers met de diverse soorten graan was dan ook alleen maar toegestaan op de rand- en wegakkers van de es. Dit zal ook de reden geweest zijn dat het boerschap (buir- of buurschap) van het gehucht bij elkaar kwam om te bepalen welke graansoorten door wie, waar en wanneer gezaaid en geoogst zouden gaan worden.

Zoals op de kaart van de Körtakkers mooi te zien is, zijn niet alle akkers regelmatig en recht van vorm. Weliswaar waren de meeste percelen rechthoekig, daarentegen bezaten weer andere akkers een vorm waarbij het boven breder of smaller was dan het benedeneind; de zogenaamde ‘geerakkers’. Als de akker geploegd werd volgen de voren de vorm van het perceel en dan werden deze schuinlopende voren ook wel ‘geeren’ genoemd. Er werd dan ook wel gezegd dat de akker ‘geert’. Deze akkers bezaten dus min of meer een wigvorm en kregen naast geerakkers ook wel de naam ‘kielakkers’. Dan sprak men van dat een kielende akker of de akker kielt. Was het einde van het perceel bouwland een punt, dan was er sprake van een ‘tipakker’ en zei men gemakshalve ‘tip’ tegen de akker.

Naast de Körtakkers op de Zulteresch waren er in de directe nabijheid ook nog een aantal bouwlandcomplexen te vinden, echter waren deze doorgaans langer en gelijkmatiger recht van vorm dan die op de eerder genoemde Körtakkers.  Zo lag er op de Westeresch een es met zo’n zeventien percelen bouwland en op de Vöörste Zulteresch bevonden zich eveneens 17 akkers, die qua samenstelling niet veel verschilden van de andere essen in de omgeving van de Zulte.

Met enige regelmaat kom je nog sporen tegen van de akkerbouw die in het verleden op de essen van de Zulte plaatsvond. Zo kom je hier en daar nog steeds verwilderde Rogge (Secale cereale) tegen langs de oude essen. Rogge werd op de essen veel verbouwd.

Op veel plaatsen had men de toegangswegen naar de akkers op de es afgesloten met een hek om bijvoorbeeld het vee buiten te houden. Het kan zijn dat zoals bij de Zulte geen hek aanwezig was of dat de herinnering aan een hek geheel verdwenen is in de loop der tijd. Mochten ze wel aanwezig geweest zijn, dan kunnen wij deze hekken gaan vergelijken met die, die destijds toegang gaven tot de weilanden. De hekken bezaten dezelfde vorm. We kunnen wel een hek reconstrueren door middel van een beschrijving uit het verleden. Het hek dat hier gebruikt werd door de boeren ‘wring’ genoemd en bestond uit twee evenwijdig aan elkaar lopende balken, de boven- ende onderboom. Deze twee waren onderling verbonden door smalle planken die ‘scheijen’ genoemd werden en door middel van een pen en gat verbinding aan elkaar vast waren gemaakt. De bovenboom werd ook wel als ‘hekboom’ omschreven en bezat aan het einde een verdikking, die enigszins schuin naar beneden liep en vrij zwevend het hek in evenwicht hield zonder opzettelijke verzwaring. Dit gedeelte heette ‘de staart’.

Zo had het hek bij de es Körtakkers eruit kunnen zien als hier een gestaan had. Deze vorm van hek werd ‘wring’ genoemd en bestond uit de volgende onderdelen: 1. boven- of hekboom, 2. onderboom, 3. scheijen, 4. de staart, 5. de prop, 6. de klauw, 7. proppoal, 8. slagpoal, 9. de zweerd.

Aan de onderste balk, de onderboom dus, bevond zich aan de zijde waar een stevige paal (proppoal) in de grond geplaatst was, die aan de bovenzijde tot op een pindikte was verdund (de prop). Op deze paal draaide het hek. Aan deze zijde van de onderboom zat een gaffelvormig uiteinde (de klauw) die links en rechts om de proppoal heen greep, waardoor het draaien van het hek een stuk gemakkelijker ging. Boven-, onderboom en scheijen waren voor de stevigheid onderling nog weer verbonden door twee planken die elkaar kruisten, die ‘de zweerd’ werden genoemd. De andere paal, de zogenaamde slagpaol, sloeg het hek tegenaan of wanneer er aan het einde van de paal een gaffel zat, kwam deze hierop te liggen. Op sommige plaatsen legde men ook wel twee grote veldkeien aan weerszijden nabij het hek neer om over het hek te kunnen zonder dat deze geopend hoefde te worden.

Een hek nabij de Lieverseweg naast de plaats waar in het verleden het Oostervoortsche Diep heeft gelegen. Tegenwoordig komen wij hier in de omgeving nieuwe hekken tegen, maar in het verleden kwamen de hierboven beschreven wring veelvuldig voor, zoals Dr. C. C. W. J. Hijszeler dit al in 1940 beschreef.

Bron van de gegevens over de akkers etc. – Boerenvoortvaring in de oude Landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe door Dr. C. C. W. J. Hijszeler. In het jaar MCMXL uitgegeven te Assen bij van Gorcum & Comp. nv. (G. A. Hak & H. J. Prakke) 1940

Kleverige prut aan de stevels

Niets is zo controversieel als de aanwezige keileemlaag in het grote gebied ten noorden van het idyllisch gelegen dorp Roden in de prachtige kop van Drenthe. Met name in de omgeving van het voormalig esgehucht de Zulte waar deze keileem aan of vlak onder het oppervlak ligt en daar het uiterlijk weet te bepalen. Zeker in de nattere jaargetijden met een groot aanbod van hemelwater kan het werkelijk een groot drama zijn wanneer je als boer of loonwerker hier met zware machines aan de slag moet. Hier en daar zijn er zelfs plaatsen waar het vrijwel onmogelijk is om te lopen zonder dat de kans bestaat om je laarzen kwijt te raken aan deze glibberige, taaie en klevende substantie.

Over keileem zal vermoedelijk met net zoveel met bewondering gepraat en geschreven zijn als erop gescholden werd door de vroegere boer die deze ‘proeksel’ vervloekte. En nog steeds zorgt deze restant van de Saalien-ijstijd voor menig verwensing die ik hier maar niet zal herhalen. Eigenlijk betekent het woord ‘proeksel’ de rotzooi van smeltende sneeuw op de weg in het Gronings, maar de boer vond dat de keileem minstens net zo erg dat hij de term gebruikte en ergens kon ik mij daar wel in vinden. En keileem is niet kieskeurig wat betreft de plaats waar het voorkomt. Je zou haast het vermoeden krijgen dat het zich heeft neergelegd op plaatsen waar het niet opvalt of op schuine hellingen met het idee om de moderne mens hier het leven zuur te maken. Het is wat de boer zei; dikke proeksel! Zou de beste man ooit geweten hebben dat Drenthe ondanks zijn hoge ligging en de zandige ondergrond in het verleden door de aanwezigheid van keileem tot een van de natste provincies van ons land behoorde?

Waarschijnlijk zag de gletsjer die vanuit het noordoosten ons land binnentrok tijdens het Saale Glaciaal er op deze wijze uit. Miljarden tonnen ijs drukten zowel de bodem naar voren als naar beneden en lieten niets heel van het landschap dat zich na de Elster-ijstijd had gevormd.

Hoe je het ook wendt of keert, ruim 150 duizend jaar geleden begon het allemaal toen een grote gletsjer die vanuit het noordoosten onze omgeving was binnengedrongen, zich terug begon te trekken en een zogenaamde ‘grondmorene’ achterliet die vooral bestond uit (zwerf)keien, grind, zand, klei en leem. Door de samenstelling van het mengsel, dat grotendeels ontstaan was door het afslijten en het verpulveren van de keien door het gewicht en de snelheid (ongeveer 100 meter per jaar) van het pakket landijs, bezat de grondmorene ook veel kalk. Daarnaast pikte de gletsjer ook plaatselijk materiaal op dat een eindje verderop weer werd afgezet. De grondmorene komt op veel plaatsen voor en staat in Duitsland als ‘Geschiebelehm’ en in Engeland als ‘Lodgement Till’ of ‘Boulder-Clay’ bekend.

Een mooi voorbeeld van hoe de gletsjers in het verleden iets ten zuiden van Lieveren een grondmorene met keileem achterlieten en die grotendeels verweerd zijn, het zand op de deklaag stamt uit de Weichsel-ijstijd en is door de poolwinden hierheen geblazen. De plaats waar de grondmorene te zien was bevond zich langs het Oostervoortse Diep nabij waar deze in het Groote Diep uitmondde. Dit gedeelte is inmiddels gedempt ten behoeve van het weer laten meanderen van het Groote Diep.

Eigenlijk mogen en kunnen wij niet van een enkele grondmorene spreken. De gletsjer uit de Saale-ijstijd was niet zo maar een groot pak ijs dat over het Drentse landschap trok, eerder bestond het landijs in het noorden van ons land uit drie verschillende fasen. Voor ons zijn eigenlijk de eerste en de tweede fase van belang. De eerste fase kwam eerst niet verder dan het oosten van de provincies Groningen en Drenthe waar het ijs eerst stagneerde. Toen er weer meer ijs werd aangevoerd, schoof het pakket door tot de lijn Texel-Oldenzaal. Vervolgens kwam er de tweede fase waarin de hernieuwde aanvoer van landijs richting het zuidwesten ging en daar stopte, waar nu de Utrechtse Heuvelrug ligt.

De derde fase is zeker minstens net zo interessant als de twee voorgaande ijsverplaatsingen, alleen vond deze niet plaats in onze omgeving waar zich op dat moment enkel ‘doodijs’ bevond. Ten oosten van de lijn Roden-Assen-Smilde stroomde vanuit het noordwesten een pakket landijs met hoge snelheid richting het zuidoosten en vormde daardoor ten oosten van de Hondsrug een diepe glaciale geul, het huidige Hunzedal. Nee, het ging er zeker onstuimiger in de provincie Drenthe aan toe dan tijdens de vorige ijstijd. Door de verschillende fasen van landijs dat over ons gebied heenschoof, varieerde de plaatsen en de samenstelling van de grondmorene dan ook met enige regelmaat. Dat zien wij dan ook terug in de afzetting van de grondmorene, de keileem dus, in de ondergrond van de Zulte.

Op de bovenstaande afbeeldingen is te zien hoe het smeltproces van het pakket landijs zich voltrok. Naast de vele stuwwallen die deze gletsjer achterliet, bleef ook een indrukwekkende grondmorene achter in het noorden van Nederland.

Is de aankomst en het verblijf van het enorm groot pakket landijs in ons gebied al erg interessant, het vertrek met het bijbehorende smeltproces van de gletsjer maakt misschien nog wel meer indruk. Smolt de gletsjer tijdens de voorgaande ijstijd nog op een wijze waarbij het smeltwater van de grote hoogte naar beneden stortte en diepe geulen achterliet die met sediment werden opgevuld, het landijs dat hier lag brak in stukken uit elkaar. De grote stukken ijs gleden van de gletsjer af en duwden de doorweekte bodem voor zich uit en vormden zo ook weer stuwwallen. Het pakket landijs trok verder terug richting het noordoosten en de brokken bleven liggen waar ze in hun geheel wegsmolten.

Had de gletsjer tijdens het oprukken vanuit het noordoosten zowel grond als ander materiaal aan de onderzijde deze richting op vervoerd, in het ijs was ook behoorlijk veel sediment terecht gekomen en dit bleef achter doordat de terugtrekkende gletsjer verder smolt. Op de plaatsen waar de afgebroken en weggesmolten brokken lagen, bevond zich een grotere concentratie gletsjerpuin dat ook wel ‘Melt-dow Till’ genoemd wordt. Op een aantal plaatsen zijn tijdens dit sedimentatieproces de voorgaande en het nieuwere smelt residu door elkaar gemengd en kregen we weer een andere grondmorene. Zo is het dus mogelijk dat je verschillende afzettingen kunt tegenkomen die veroorzaakt zijn door een enkele gletsjer.

Een zwerfkei in de Zulte nabij het Volkstuinencomplex te Roden die overduidelijk sporen door slijtage draagt van zijn transport uit het noorden van Zweden. De steen bestaat uit zogenaamd Revsundgraniet, een opvallende granietsoort uit Noord-Zweden.

De naam ‘keileem’ heeft deze leemsoort te danken aan de verschillende formaten van de keien die er geregeld in voorkomen en gewoonlijk merendeels van Scandinavische of in het algemeen Baltische afkomst zijn. De keien zijn vaak aan de oppervlakte gepolijst en soms op voor deze stenen zeer karakteristieke wijze bekrast, die duiden op de voorgeschiedenis tijdens de reis naar ons gebied en die duidelijk en zeer nauw met de wijze van het vormen van de keileem samenhangt. De afzettingen door het landijs omvatten eveneens de afzettingen door het smeltwater van de gletsjer zoals fijn- tot zeer grofkorrelig grindhoudend zand met stenen. Deze afzettingen worden ook wel de ‘Formatie van Drente‘ genoemd.

Op de essen rondom het oude brinkgehucht zal menig zwerfsteen de vroege boer tot ergernis hebben gedreven.  Zo was er een boer nabij Leutingewolde die elke keer tijdens het maaien een steen raakte en hierdoor steeds schade aan de machines opliep. Gefrustreerd stapte de man uit zijn tractor, pakte een schep en begon te graven. Uiteindelijk bleken er twee graafmachines nodig te zijn om de hardwerkende boer van de vervelende zwerfsteen te verlossen! De overlast veroorzakende veldkei pronkt nu op de erf van de hardwerkende veehouder.

De door het grote pakket landijs hierheen gesleepte stenen kregen de naam ‘zwerfsteen’, ‘zwerfkeien’ of ‘veldkeien’ mee en worden in het hier gesproken dialect ook wel ‘flinten’ genoemd. Namen die wij nog steeds overal tegen komen zoals bij een groepsaccommodatie bij Roderesch en de OBS de Flint in Nietap. Het Steenbergerveld dat ten zuidwesten van het dorp Roden nabij het plaatsje Steenbergen ligt, stond er bekend om dat hier vele kleine veldkeitjes lagen. Menig straat in Groningen is bestraat met de keitjes toen het gebied ontgonnen werd.

De kaart van Nederland met daarop de glaciale afzettingen binnen de Formatie van Drente die vandaag de dag nog bestaan afgebeeld. De kaart is afkomstig van DINOloket.nl (TNO-GDN (2020). Formatie van Drente. In: Stratigrafische Nomenclator van Nederland, TNO – Geologische Dienst Nederland. Geraadpleegd op 2020 op DINOloket.)

Bij enkele weilanden rondom het voormalig esgehucht treffen wij dan ook met enige regelmaat hopen met kleine en middelgrote veldkeien aan die door de boeren hier gestapeld werden. Voor de boer hadden deze veldkeien geen enkel nut vanuit een economisch standpunt gezien en om eerlijk te zijn, ze vonden het niet erg dat iemand ze meenam op de tuin er mee te verfraaien. Zo eindigden dus vele keien als ornamenten in een mooie tuin.

Iets wat je overal langs een weiland of een weg kunt zien wanneer je door het noorden van Nederland gaat. Kleine hopen met veldkeien waarvan de boer last had en deze terzijde heeft gelegd.

Ten zuiden van het dorp Roden in de Noorder Duinen nabij het gehucht Steenbergen wisten de boeren van het Trechterbekervolk er zo’n 5500 jaar geleden wel raad mee. Zij gebruikten de grote zwerfstenen voor het bouwen van grafkelders, de zogenaamde hunebedden. Dit hunebed, D1 genaamd, is de meest noordelijk gelegen exemplaar in de provincie Drenthe.

Een berg stenen waaraan het plaatsje Steenbergen zijn naam te danken heeft. In het verleden dacht met dat grote reuzen de stenen zo neergelegd hebben.

Niet alle grote veldkeien kwamen direct uit Scandinavië onze kant op, een gedeelte was vanuit het noorden met bijvoorbeeld de gletsjer uit de Elster-ijstijd naar het zuiden vervoerd. Toen het pakket landijs uit het noordoosten over het gebied heen schoof waar de vorige gletsjer de stenen had laten liggen, kwamen de keien onze kant op. Waarschijnlijk gaat dit ook op voor bepaalde soorten vuurstenen die zich in de keileem bevinden. Mijn ervaring is dat er zowel zeer brosse vuursteensoorten die klein van formaat zijn als redelijk forse brokken van een zeer harde stevigheid in de keileemlagen zitten. Zo komen wij in de omgeving van het voormalig esgehucht de Zulte een stuk donkerrood vuursteen tegen dat in het verleden zeer gewild was bij de zeer vroege bewoners van het gebied. Zo vond Jaap Beuker in 2010 een halffabricaat van een vuistbijl gemaakt van rode Helgoland-vuursteen bij het plaatsje Een.

Een stuk rode Helgoland -vuursteen dat in de Zulte aan de oppervlakte kwam na recente werkzaamheden. De zeldzame rode vuursteen kan een kleur bezitten die varieert van vleeskleurig tot een paarsrode kleur. Een ander typerend kenmerk van de de vuursteensoort zijn de witte insluitsels.

Al eerder waren er grote veldkeien vanuit Scandinavië en de Baltische Staten in de omgeving van Roden aangekomen. Miljoenen jaren geleden stroomde ten noorden van het dorp een enorme rivier die zijn oorsprong in het huidige Lapland heeft en Eridanos genoemd wordt. Deze rivier was een miljoen jaar geleden tijdens het Bavel Interglaciaal ongeveer 2700 kilometer lang en vrijwel geheel Noordwest Europa tot aan de huidige Noordzee vormde zijn delta. Tijdens de dooiperioden in de bovenloop van de rivier zullen er stukken ijs van een gletsjer zijn afgebroken waar forse keien in opgesloten zaten en richting de delta gestroomd zijn. Toen de grote brokken ijs in rustiger en ondiep water terechtkwamen, kwamen ze vast te zitten en smolten, waarna de grote keien bedekt werden door rivierslib en ander sediment.

Nog een prachtig voorbeeld van een veldkei die vanuit het noordoosten naar ons land vervoerd is. Niet alle zwerfkeien en andere stenen die met de gletsjer deze kant opkwamen kwamen direct uit het noorden van Scandinavië. Veel van de stenen waren tijdens de vorige Elster-ijstijd al richting het zuiden vervoerd en het nieuwe pakket landijs pikte ze op en bracht ze hierheen.

Het vermoeden bestaat dat er op een gelijke wijze ook tijdens de Saale-ijstijd zwerfkeien richting het zuiden van ons land zijn gedreven. Grote stukken smeltend landijs die met het smeltwater voorbij de huidige Utrechtse Heuvelrug helemaal tot in Noord-Brabant terecht kwamen. Dit verklaart waarom er daar stenen gevonden worden uit die periode met een Scandinavische of Baltische achtergrond.

Zoals u al eerder kon lezen bestaat er niet echt een vaste soort grondmorene of keileem na het verdwijnen van het landijs uit onze omgeving. Dr. G. H. Leopold spreekt al in 1910 van drie soorten in zijn ‘Over het keileem in het Nederlandsch Diluvium. Keileem als geologisch afzettingsproduct; zijn voorkomen; zijne chemische samenstelling; zijne beteekenis voor de cultuur’. Eigenlijk is alleen de eerste soort die hij benoemd van belang voor de aanwezigheid van de dagzomende keileem in dit gebied.

Een van de kleine veldkeien die te voorschijn kwam in het Klein Noordhout uit de soort keileem die door Dr. Leopold als ‘grauwe keileem’ werd omschreven.

Als eerste soort draagt hij de grijze of grauwe keileem aan, die zeer algemeen is en van Gelderland tot aan het westen van de provincie Friesland voorkomt. Deze grauwe keileem is doorgaans lichtgrijs van kleur waarin geel tot roodkleurige vlekken of aderen voorkomen die de ene keer zeer duidelijk zichtbaar zijn en een andere keer weer zeer wazig zijn. Een ander keer bezit de keileem weer een oranje-gele tint, zoals vaak in het gebied nabij het voormalig esgehucht te zien is. De gele tot rode kleur van de keileem wordt veroorzaakt door het oxideren (roesten) van ijzerdeeltjes in de leem. Af en toe bezit de keileem een zachte lichtgroene kleur dat veroorzaakt wordt door glauconiet, een zand dat voorkomt in zuurstofarme lagen van het sediment in ondiep zeewater. Het percentage klei hangt af van waar de keileem voorkomt.

De grauwe of grijze keileem de Dr. Leopold omschrijft als zeer algemeen, wordt tegenwoordig omschreven als het Heerenveen-type in de Heerenveengroep. Leopold benoemt dat de keileem doorgaans lichtgrijs van kleur is en waarin geel tot roodkleurige vlekken of aderen voorkomen die de ene keer zeer duidelijk zichtbaar zijn en een andere keer weer zeer wazig zijn

De rode keileemsoort komt voornamelijk voor op de zandruggen van het Hondsrug-complex in Oost-Drenthe. Ten zuiden van het dorp Roden treffen wij op het oog ook rode keileem aan langs het Lieversche Diep, maar naar mijn inschatting is hier de grauwe keileem doordrongen met ijzeroer. Hier komt veel ijzerhoudend en zuurstofarm kwelwater aan de oppervlakte, dat een verbinding aangaat met de zuurstof in de lucht en waarna vrijwel alles in en om het water een roodbruine kleur krijgt. Kwelwater komt ook op veel plaatsen rondom de Zulte aan het oppervlak.

De gemengde keileem- en ijzeroerlagen langs het Lieversche Diep ten zuiden van Roden. Met name de grauwe keileem ligt onder de oer en is duidelijk zichtbaar. Deze leemsoort heeft echter niets met de rode keileem van doen.

Een derde vorm van keileem is het in de provincie Drenthe veelvuldig voorkomende witte of blauw-witte keileem, een in tegenstelling met de eerstgenoemde soorten zeer stug en steriel leem, dat voor een belangrijk deel uit zeer fijn kwarts zand schijnt opgebouwd en waarschijnlijk dezelfde grondsoort is, waaraan de Duitse onderzoeker Dr. Emil Ramann in zijn boek ‘Bodenkunde’ uit 1905 de naam ‘Heidelehm’ aan geeft.

Licht gekleurde en zandige keileem met veel vuursteentjes dat uit het beekje de Zulter Bitse komt. Waarschijnlijk behoort deze keileem ook toe aan het type dat de Heerenveen-groep kenmerkt, maar is de keileem ‘uitgespoeld’ door het water van de beek.

Zo’n 110 jaar later kunnen wij inmiddels spreken van zeven soorten keileemtypes die in vier keileemgroepen verdeeld zijn. De eerste groep heet Heerenveen en bestaat uit slechts een type; Heerenveen-type. Een sterk zandige ontkalkte keileem dat grotendeels uit Zuid-Zweden en de Oostzee afkomstig is. Dit type is waarschijnlijk afgezet tijdens de eerste fasen van de vergletsjering en is dominant aanwezig in Oost- en West- Groningen, westen van Drenthe en Friesland.

Toen in de nacht van dinsdag 4 op woensdag 5 juni 2019 enkele windhozen hun geweld loslieten op de vele bossen in de omgeving van de Zulte, konden heel veel bomen de kracht van de wind niet weerstaan en sneuvelden. Het geweld was niet kieskeurig en keek niet naar de ouderdom van de bomen. In het beekdalgebied van de Zulter Bitse was het niet anders en forse zomereiken gingen met wortel en al ondersteboven, waarbij de onderzijde van het wortelpakket goed zichtbaar werd. Hierboven zijn de vuurstenen te zien die de laatste overblijfselen zijn van de bovenste laag van de keileemafzetting in dit gebied. Tijdens en na de laatste ijstijd hebben zowel de poolwinden als het beekwater de keileem doen oplossen en de vuurstenen gepolijst.

De volgende groep heeft de naam Emmen-groep en bestaat uit twee types; de kalkhoudende Nieuweschoot-type en de ontkalkte Emmen-type. Beide varianten komen vooral voor op de oostelijke Hondsrugtak in Drenthe, maar ook ten noorden bij de dorpen Sauwerd en Winsum in Groningen. De Emmengroep wordt vooral aangetroffen op types uit uit de Assengroep.

De derde groep is de Assen-groep en bestaat eveneens uit een kalkhoudende en ontkalkte keileem-type. De Noordhorn-type is de kalkhoudende variant en komen wij tegen bij de noord-einden van de Hondsrug, de Tynaarlorug en de zandrug van Rolde, respectievelijk tussen de plaatsen Haren en Groningen, bij Hoogkerk en op de keileemhoogte van Zuidhorn en Noordhorn. Deze keileem is rijk aan vuurstenen en als de keileem niet verweerd is, zijn de meeste vuurstenen zwart, grijs of bruin van kleur. Vooral de zwarte vuursteen komt veel voor, ook in grote stukken, vaak met restanten aanhangend krijt. De ontkalkte keileemlaag binnen de Assen-groep heet Assen-type en is een sterk zandige keileem, die door uitloging uit de kalkrijke Noordhornkeileem is ontstaan. Ook deze keileem is rijk aan vuurstenen.

Zwarte vuursteen met dunne witte cortex dat niet verweerd is. Cortex is een overgangslaag en bestaat uit poreus kalk- en kiezelmateriaal dat van het moedergesteente afkomstig is.

De vierde en de laatste verzameling keileemtypes komen wij tegen in de Voorst-groep, waarbij er ook hier een ontkalkte en een kalkhoudende keileem hoort.  De twee types staan ook bekend als ‘Schollenleem’ of ‘Flow-Till’ waarbij de afkomst terug te wijzen is naar het smeltproces van een gletsjer. De kalkhoudende keileem heet Voorst-type en komt samen met de ontkalkte Oudemirdum-type vooral voor op en ten oosten van de Hondsrug.

Keileem uit de Heerenveen-groep langs de Zulter Bitse is blootgelegd tijdens het onderhoud aan de beek. Door de invloeden van het weer begint de keileem te eroderen.

De keileem uit de Heerenveen-groep die in de wijde omgeving van het voormalig esgehucht voorkomt en op veel plaatsen vlak aan het oppervlak te voorschijn komt, het niet alleen slechte kanten zoals het modderig maken van gebieden. Soms zijn andere elementen uit bijvoorbeeld een latere ijstijd prachtig om te zien. Zoals de pingoruïne ten noordoosten van de Zulte, waar het grondwater door de permafrost drong en na het smelten van het ijs in de pingo, er een zandige doorgang in de keileem was achtergebleven (Een geheimzinnige diepte). Weliswaar loopt de verdieping in het land bij een groot aanbod van regenwater snel vol, maar het is een kwestie van een paar dagen dat vrijwel al het water weer verdwenen is.

Bij een groot aanbod van hemelwater is de pingoruïne volgelopen en is nu duidelijk zichtbaar in het weiland. In het midden van de ruïne zit een soort pijp van zand waardoor het water weer snel wegzakt.

Laten wij even teruggaan naar het jaar 1910 waar Dr. Leopold ons laat weten dat de invloed van wat hij de grauwe noemt, keileem in de gebieden waar deze voorkomt, niet licht kan worden overschat. Om het in zijn woorden te zeggen: ‘Waar het aan de oppervlakte ligt of door eene zandlaag van geringe dikte bedekt is, schijnt het meestal een der beste bouw-, wei- en boschgronden te vormen, die wij kennen. En zelfs al wordt het door een dik zanddek bedolven, ook dan nog is het onderscheid met den armeren enkel zandbodem vaak verrassend en treden welige loofhoutbosschen of van nature reeds welvarende akkers en weiden in de plaats van naaldhout, heide of stuifzand ; de voor water weinig of niet doorlaatbare keileembank vertraagt of verhindert namelijk het wegzakken van het regenwater en geeft aldus gelegenheid tot het vormen van een ondergronds waterkapitaal, dat bosschen en landbouwgewassen in de droge tijden ten goede komt.’ (Dr. G. H. Leopold – Over het keileem in het Nederlandsch Diluvium. Keileem als geologisch afzettingsproduct; zijn voorkomen; zijne chemische samenstelling; zijne beteekenis voor de cultuur, 1910)

Naast dat de keileem in de nattere perioden geen water doorlaat, is het tijdens droogten eveneens een kwelling voor de boer. De. Leopold omschrijft het als volgt: ‘Daarentegen bestaat daar groot gevaar voor een volmaakt uitdrogen van de bouwkruin in droge tijden, daar de leembank het capillair opstijgen van het grondwater verhindert. Dit laatste komt in Drente op talrijke plaatsen voor, waar het witte dorre keileem den ondergrond vormt.’

Leopold merkt op dat de loofhoutbossen op de bodem met een ondergrond van keileem het zeer goed doen. Dit verklaart ook waarom op de plaatsen waar de keileem dagzoomt in het verleden ook vele bossen stonden. Typerende struiken die keileembodem zeer weten te waarderen en in dit gebied veel voorkomen zowel solitair als in struwelen, zijn de Sleedoorn (Prunus spinosa) en de Tweestijlige meidoorn (Crataegus laevigata).

De blauwe vrucht van de Sleedoorn die ook wel ‘bekketrekker’ genoemd wordt vanwege zijn zeer zure smaak. Pas als er een nachtvorst overheen geweest is schijnt het zure in de vrucht een stuk minder te zijn. De heerlijk ogende blauwe vruchten zijn vaak al ver voor de eerste nachtvorst rijp en menigeen die verleiding niet kan weerstaan en een vrucht in zijn of haar mond stopt, zal de meest vreemde grimassen laten zien. Rare bekken trekken dus.

Naast de vieze glibberige bende die de keileemlaag veroorzaakt doordat deze laag vrijwel geen water doorlaat, zorgt de keileem dus ook nog voor een specifieke huishouding op het gebied van planten, waarbij de Pitrus (Juncus effusus) hét kenmerkende gezicht is van een keileemrijk gebied. De plant die ook wel ‘Ruskepol’ genoemd wordt in het dialect wat men hier spreekt, komt hier op heel veel plaatsen in grote getale voor. Het is een liefhebber van drasse, natte gronden en kan zelfs in zuurstofloze gronden groeien. Zeker in de gebieden waar men gestopt is met het bemesten van het land (inclusief de bekalking en het verlagen van het aanbod van fosfaten), komt de plant vandaag de dag massaal voor. In het verleden kreeg een boer met veel Pitrus in zijn land het advies om kalk te gaan gebruiken om de plant zo te bestrijden.

Het gevolg van het nalaten van de bemesting in een weiland waar de keileem vrijwel aan het oppervlak ligt. De Pitrus (Juncus effusus)) tiert hier nu welig. De oude Pitruspollen rechts op de foto zijn de oude planten van vorig jaar die niet door de eigenaar zijn omgemaaid.

Voor meer informatie over keileem verwijs ik graag naar:

Kijk eens omlaag Een website waar je vrijwel alles kan vinden wat maar met onze ondergrond te maken heeft.

Stenen zoeken Waar ligt de steen en waar komt deze vandaan, de antwoorden vindt u hier.

Geologie van Nederland Een tijdreis van 500 miljoen jaar.

Een geheimzinnige diepte

Het was moar ’n natte bende doar”, vertelde de boer mij toen ik hem vroeg of hij wist hoe oud de verdieping in zijn land was, “Een nat vies veengat, joa dat was’t west”. Een verdieping in het gebied waar vroeger eens het enorm oerbos lag dat Groot Noordholt werd genoemd, was zeker geen zegen voor de landeigenaar. De op sommige plekken forse laag taaie keileem vlak onder of aan de oppervlakte zorgde ervoor dat het regenwater niet in de grond weg kon zakken, maar via de bovenzijde van de grond een weg naar lager gelegen gebieden zocht. Zeker in de tijden dat het gebied niet over een effectief stelsel van afwateringssloten beschikte, was het water amper weg te krijgen richting het Leekstermeer.

Instemmend knikte ik met hem mee, want ik wist de oorzaak van de verdieping in zijn perceel waarschijnlijk wel. Dit stuk land is daarom ook een van de laatste stukken die aan het begin van de twintigste eeuw hier ontgonnen werd. Net zoals ik, verwonderde de boer zich over het feit dat als er eenmaal veel water stond in dat perceel, het water toch weer vrij snel verdwenen is. Mijn vermoeden, die ik dan ook prompt met de boer deelde, is dat er een verstoring in de forse laag keileem moet zitten, waardoor het water de onderliggende zandlagen in kan zakken. Dat er in het verleden ook nog een een forse veenlaag lag waar het bos overheen gegroeid was, wist ik voldoende.

De verdieping in het land van de boer dat in het verleden in het Groot Noordholt lag en voor de ontginning van het gebied vol met veen zat. Tevens is de depressie minder diep dan voorheen door het intensief gebruik van het land.

Veen kwam best veel voor in de wijde omgeving van het voormalig esgehucht de Zulte. Weliswaar niet zoveel als bijvoorbeeld nabij Ter Heijl en richting Zevenhuizen, maar bijvoorbeeld in het Sieveen iets ten noorden van het herstellingsoord zat een fors pakket veen onder de natte heide. Grote delen in het gebied ten westen van Roden tussen Leutingewolde en Een bestond vrijwel uit moerassige, natte heidevelden. De moerassige heidevelden waren niet in de eerste plaats voor ontginning geschikt; zij waren te vochtig, de bodem was er niet poreus en te arm aan voedingstoffen.  

De depressie in het Sieveen achter het voormalig herstellingsoord waar vroeger een kleine dobbe lag. De verdieping in de grond is ontstaan door het smelten van de gletsjer, waarbij het smeltwater geulen vormde in de zachte ondergrond.

Prof. Dr. H. Blink vertelde er over in zijn boek ‘Woeste gronden, ontginning en bebossching in Nederland, voormaals en thans’ op pagina 29 dat in 1929 door de Nederlandsche Vereeniging voor Economische Geographie werd uitgegeven: “Zoover het oog reikte zag men niets dan heide, veenplassen, ongebaande wegen, en hier en daar verdwaald een armoedigen groven den en berk, en grootere en kleinere keien en vuursteenen in grooten getale over het terrein verspreid. Dop en struikheide, bunt en pijperaai, gagel, blauwe gentiaan, vliegenvangertje, de laatste drie vooral planten van een vochthoudenden bodem, vormden het hoofdbestanddeel van den typischen plantengroei, als overal op de Drenthsche heide. In en rondom de veenplanten groeiden het wollegras en de veenbies, terwijl rendier-, pen- en bekermos er de mossen vertegenwoordigden.

Dat er verlekkerd naar de enorme heidevelden werd gekeken is niet zo vreemd. Aan woeste grond was voor een eigenaar niets te verdienen en de enkele schaapskudde op de hei zag er wel mooi uit, maar het leverde niets op. Het zal u dan ook niet verbazen dat de woeste gronden in de provincie Drenthe aan het begin van de twintigste eeuw in een ras tempo verdwenen. Tussen 1901 en 1918 werden er in Drenthe 9.538 hectare heide en zand tot bouwland, 2.545 hectare tot grasland, en 1.222 hectare tot bos. Maar liefst 13.305 hectare heide en zand waren verdwenen, wat neerkomt op zo’n 0.782 hectare per jaar. Van 1918 tot 1928 bedroeg het totaal ontgonnen heide en zand maar liefst 12.434 hectare, gemiddeld 1.243 per jaar.  (Bron: ‘Prof. Dr. H. Blink – Woeste gronden, ontginning en bebossching in Nederland, voormaals en thans’ 1929, pagina 71.)

De noordzijde van de vermoedelijke pingoruïne gezien vanuit het zuiden. De voor een pingoruïne typische aarden wal kwam in het verleden de boer goed uit; bomen er op planten en klaar is de houtwal.

Het veengat zoals de boer het veenmoerasje noemde onder het grote bos, zal rond 1901 ontgonnen zijn net als vele andere percelen rondom Roden en in de provincie Drenthe om plaats te maken voor grasland. Van grasland had de toenmalige boer veel meer profijt dan van een bos waar je eigenlijk geen rendement van hebt. Nou ja, een paar richelpalen en lange stokken voor bonenteelt. Ja, die stokken kon je daar wel weghalen, het wemelde daar van de Hazelaars (Corylus avellana) met hun lange, rechte takken.

De eerder genoemde aarden wal van de verdieping in het weiland richting het westen. Door de verschillende factoren zoals de aanplant van bomen, de slechte staat van de bodem (keileem) en het vee dat de daardoor altijd natte, modderige bodem heeft vertrapt, moet je goed opletten om de wal te kunnen zien.

De plaats van de depressie ligt op een plaats waar je deze niet direct te zien krijgt. En om heel eerlijk te zijn, de boer/eigenaar van het perceel zit daar ook helemaal niet mee. Maar het is juist het onopvallende dat lijnrecht staat tegenover de feiten van pak hem beet, zo’n 18 duizend jaar geleden. Toen bestonden grote delen van Noord-Nederland en Overijssel uit een constante bevroren bodem die samengesteld was uit mossen, zand, stenen, sneeuw en ijs. In deze grote poolachtige toendrawoestijn bevonden zich hier en daar heuvels in het gebied. De heuvels die doorgaans een hoogte bezaten van enkele tientallen meters, moeten het gezicht van de toendra hebben gedomineerd.

Op deze foto is te zien hoe groot de depressie in het weiland is. Aan de linkerzijde is het hoogte verschil duidelijk zichtbaar. Helaas zijn veel kenmerkende aanwijzingen door het gebruik in de loop der tijd verdwenen.

De grote heuvels waren ontstaan aan het einde van de laatste ijstijd toen de bodem al eeuwenlang enkele tientallen meters diep bevroren was en permafrost genoemd wordt, waarbij het iets warmere grondwater met een steeds grotere druk tegen deze laag permafrost aandrukte. Het bovenste gedeelte van het grondwater bevroor en vormde een lensvormige laag ijs tegen de permafrost aan. De laag ijs die in deze situatie ontstaat, heet daarom dan ook een ‘ijslens’. Het opstijgende grondwater blijft tegen de ijslens aandrukken waardoor de druk blijft toenemen en de laag ijs steeds dikker gaat worden. Op een gegeven moment heeft de ijslens een fors formaat aangenomen en is de druk van het grondwater zo hoog geworden, dat de bevroren bodem wel omhoog moet gaan. Op deze manier ontstonden er talloze ijsheuvels in het poollandschap van Noord-Nederland, die de naam ‘Pingo’ meekregen. De naam werd door de Groenlandse Eskimo’s (Inuit) gegeven en betekent ‘heuvel van ijs of kleine heuvel’.

De overgang van het weiland naar het bos richting het noordwesten. Weliswaar ligt vrijwel het grootste gedeelte van de vermoedelijke pingoruïne in het weiland, een klein gedeelte ligt echter ook nog in het bos.

Volgens een Deens onderzoek is het 11.711 jaar geleden (bron) dat er een einde aan de laatste ijstijd en het enorme pakket landijs dat niet zuidelijker was gekomen dan de plaats waar nu de stad Hamburg ligt, zich weer richting het noordoosten terugtrok. Het was ook de periode dat het in onze contoureien warmer begon te worden en de permafrost langzaamaan wegsmolt. Hierbij verdween ook de deklaag op de ijsheuvel en gleden er stukken ontdooide aarde van de heuvel af. Doordat de aarde van de grote klomp ijs afgleed, kreeg de aan kracht toenemende zon meer vat op het blootgevallen ijs en liet deze eveneens smelten.

Grofweg zou het bovenstaande gebeurd kunnen zijn op de plaats in het weiland waar nu een verdieping ligt. Van ijsheuvel naar een meertje.

Hoe meer het ijs binnen de heuvel smolt, des te kleiner werd deze en stortte verder in. Daarnaast zorgde het vele smeltwater voor meertjes en kleine beekjes daar het water niet door de nog bevroren bodem kon wegzakken. Na verloop van tijd was er niet veel meer over van de eens zo machtige ijsheuvel dan een diep meertje met een doorsnede tussen de 70 tot wel 240 meter. Deze meertjes worden ook wel pingoruïnes, vennen of veenmeertjes genoemd. De vermoedelijke pingoruïne ten noordoosten van de Zulte nabij de Dobben had waarschijnlijk een diameter van zo’n honderd meter.

Op het hierboven afgebeelde plaatje van het hoogteprofiel van het gebied, is de verdieping duidelijk zichtbaar. Het laagste gedeelte in de depressie ligt op zo’n halve meter boven N.A.P., het hoogst gelegen gedeelte op bijna 3 meter.

Vermoedelijk schreef ik omdat van de vele vennetjes en ronde plasjes in het noorden van Nederland niet zeker is als het hier ook daadwerkelijk pingoruïnes betreft. Het zouden natuurlijk ook depressies kunnen zijn die tijdens de vorige ijstijd werden gevormd door de terugtrekkende ijskap of stuifkommen, die door de poolwinden zijn gecreëerd. Ook in deze verlagingen met een slechte waterdoorlatende bodem bleef water staan en vormde zich veen.

De pingoruïne ten westen van de Zulte met de mooie naam Vagevuur gezien vanaf de Toutenburgsingel. Enkele jaren geleden was de ruïne geheel aan het zicht ontrokken door de vele bomen, maar de eigenaar heeft radicaal ingegrepen en nu ziet het er weer lekker fris uit. Het Vagevuur heeft een diameter van ongeveer 90 meter.

Aan één van de typerende kenmerken voor een pingoruïne in Noord-Drenthe voldoet de depressie wel; hij ligt pal langs de helling van het beekdalgebied van de Zulter Bitse. Vermoedelijk door het hoogteverschil van dit gebied tijdens de ijstijd kon hier het grondwater een lange tijd blijven vloeien en een pingo vormen. Ook komen we ze tegen aan de rand van het Drents Plateau, waar de omstandigheden eveneens gunstig waren voor het ontstaan van vele ijsheuvels.

Ook de ligging van de gebieden met de veldnamen de Dobben en de Dobberesch kunnen verwijzen naar menig poel en kuil – door de mens gegraven of natuurlijk ontstaan door een wel – die in dit gebied voorkwamen en dienden als drinkplaatsen voor het vee. Frappant is het toch wel te noemen dat men in Friesland spreekt van ‘Dobben’ in plaats van pingoruïnes.

Een zogenaamde dobbe in het Sieveen. In het verleden door een boer verder uitgegraven zodat het vee eruit kon drinken. De huidige eigenaar heeft de dobbe verder uitgegraven en er een kikkerpoel van gemaakt.

Door de toenemende stijging van de temperatuur en de hoeveelheid neerslag, steeg niet alleen het grondwater in ons land, maar ook de laag veen in de vele depressies in het Noord-Drentse landschap. De verschillende opeenvolgende fases van het Holoceen zorgen ervoor dat de diverse soorten landschapstypen het beeld vormden.  In de ruim afgelopen tienduizend jaar zijn menig veenmeertjes en moerassen verdwenen door verlanding of werden ze drooggelegd voor de turfwinning of de landbouw. De depressie in het land van de boer is slechts een van de velen in het noorden van Nederland.

Een mooi filmpje op Youtube over het ontstaan van een pingoruïne geplaatst door De Hondsrug UNESCO Global Geopark

Er bestaat een website met een kaart waarop de officiële pingoruïnes en de vermoedelijke gevallen staan. De website heet ‘Natuurlijke schatkamers van Drenthe, Pingoruïnes’ (even klikken) en is zeer zeker een bezoekje waard!

De Zulte en hoe zat dat ook alweer met de zee?

Het gebied waarin we brinkgehucht aantreffen, is natuurlijk een behoorlijk stuk ouder dan de periode die in de vorige artikelen beschreven werden. Veel van het verleden van dit specifiek gebied is nooit beschreven en zal ook altijd wel een gedeelte speculatie blijven. Doordat het gebied ook nog eens redelijk onbekend is bij veel inwoners van het dorp Roden en de aanwezigheid van monniken in de omgeving van het noordwestelijk gelegen Terheijl, ontstaan er de meest vreemde verhalen over het gebied, die we het beste met een korreltje zout kunnen nemen. Zout is dan ook weer zoiets, dat in de verhalen regelmatig terugkeert. Zo wordt de naam van het buurtschap de Zulte en indirect het Leekstermeer, dat in het verleden ook wel het Zultermeer genoemd werd, ook constant in verband gebracht met natriumchloride (NaCl). Of beter gezegd, de link met zeezout duikt regelmatig op in de verhalen.

  Zeezout, dat bestaat uit calciumchloride (CaCl2), magnesiumbromide (MgBr2), magnesiumchloride (MgCl2), natriumchloride (NaCl) en natriumsulfaat (Na2SO4), en voorkomt in het zeewater. Een veel gehoorde opvatting is dat de naam verwijst naar verleden, toen de zee veel invloed in dit gebied zou hebben gehad. De vondst van zowel schelpen als zeezout tijdens grondboringen in de wijde omgeving van het dorp Roden zouden deze theorie ondersteunen. Daarnaast zou het woord “zilt”, dat verwijst naar het zoutgehalte in het zeewater, aan de grondslag van de naam de Zulte (zilte) hebben gelegen. Een andere verklaring die mij werd aangereikt, was dat het Leekstermeer in een heel ver verleden deel moet hebben uitgemaakt van de voormalige Lauwerszee, het huidige Lauwersmeer.

  Daarnaast speelt mee in de  verhalen  over dat  de zee  hier  zijn invloed  had  laten merken  en  dat deze tot ver in de negentiende eeuw voor eb en vloed in de stad Groninger grachten en kanalen had gezorgd. Dit was pas voorbij, toen in 1877 de twee zeesluizen bij Zoutkamp gereed kwamen en het Reitdiep geen directe verbinding meer met de zee had. De wens van hoe het er hier vroeger uit moet hebben gezien, begint dan als snel de vader van de gedachte worden en dat resulteert op zijn beurt weer in de meest vreemde verhalen.

  Een andere verklaring, die eveneens zou moeten wijzen naar de aanwezigheid van zeewater in het gebied, is de oude naam van de J. P. Santeeweg. Aan het begin van de negentiende eeuw heette de weg nog de Leekster Dyk. Waarbij het woordje ‘Dyk‘ zou moeten verwijzen naar een dijk, die in dit geval het zeewater zou moeten beletten om het buurtschap de Zulte te overspoelen. Echter, het woord ‘Dyk‘ of ‘Dijk‘ werd ook gebruikt voor een verhoging in natte gebieden waarop zich een pad of weg bevond. En erg verbazingwekkend is dit dan ook niet, gezien de toestand van het gebied toen deze weg werd aangelegd. Immers, een groot gedeelte van het gebied ten noorden en noordwesten van het dorp Roden bestond destijds uit een enorm groot en nat heideveld.

De voormalige Leekster Dyk op een kadastrale kaart uit 1832. Tegenwoordig heet de weg richting Nietap de J. P. Santeeweg.

  De oorzaak hiervan kunnen we naar mijn mening zoeken in het onbekende van dit gebied. Zijn van veel gebieden rondom het dorp Roden nog enigszins betrouwbare bronnen te vinden, over het gebied waarin de Zulthe vandaag de dag ligt, is dit niet het geval. Kortom; er bestaat hier en daar nogal wat verwarring en onduidelijkheid over de naamgeving van het gebied.

  De meest aannemelijke theorie over de naam van het oude buurtschap de Zulte, lijkt mij toch die van Professor dr. Maurits Gysseling (1919-1997). Gysseling houdt rekening met de oudere schrijfvorm Sulta, een Germaans verzamelwoord, dat voor modderig gebied staat. Gezien de toestand van het gebied tot ver in de twintigste eeuw, is dit toch wel een zeer aannemelijke theorie. Door de vrijwel waterdichte laag die de taaie potklei in combinatie met de keileem in dit gebied heeft gevormd, bestaat er hier vrijwel alleen maar een horizontale afvoer van water. Hierdoor wordt de bovenlaag zeer drassig en kan dit op veel plaatsen ook heel lang blijven.

  En toch, het idee dat de zee zijn invloed in de omgeving van zowel het buurtschap als bij het Leekstermeer achter heeft gelaten, niet zo raar. Immers, tot ver in de zestiger jaren waren de invloeden van eb en vloed merkbaar in het grondwater onder de stad Groningen. Echter, voor een duidelijk merkbare invloed van het zeewater in het gebied, moeten we een behoorlijk eind teruggaan in de tijd. Op zich zijn de vondsten van fossiele schelpdieren en lagen zeezout tijdens grondboringen in de bodem rondom het rustige Noord-Drentse Roden niet zo enorm verrassend en verbazingwekkend als het op het eerste gezicht mag lijken.

Een andere verklaring voor het aantreffen van zoutsporen in sloten nabij weilanden in de omgeving van de huidige de Zulthe is deze, dat de resten van vrijwel geheel opgebruikte likstenen, ook wel zoutstenen genoemd, door de eigenaar destijds hier gedumpt werden.