Kostbare aardappelen.

Op de woensdag van de twaalfde april in het jaar 1848 kreeg een inwoner van de Zulte, de toen 32-jarige landbouwer Hindrik Jans Riemers, in de Arrondissement Rechtbank te Assen de uitspraak te horen in een strafzaak die de officier van Justitie tegen hem had aangespannen nu een uit de hand gelopen conflict met Egbert Jans Noord, arbeider wonende te Roden, over aardappelen dat eerder in het jaar had plaatsgevonden. Waarschijnlijk zal boer Riemers vol ongeloof met zijn hoofd hebben geschud tijdens het oplezen van het vonnis door Mr. Westra, de presiderend rechter, waaruit bleek dat de oorwassing die hij in het begin van dat jaar, op vrijdag 25 februari 1848, de eerdergenoemde Noord had gegeven, een duur geintje was geworden.  

Aardappelen gerooid uit de Zulter bodem. Of het dezelfde soort aardappelen zijn die landbouwer Hindrik Jan Riemers eveneens in de Zulte had opgeslagen durf ik niet te zeggen, maar ze zijn enorm lekker!

“Het die lammeling mien eerpels mitnomen en mag ‘k hum niet de woarheid vertellen”, zal hij gedacht hebben, “En dan hum ok nog acht guldens betaolen!”. Nee, Noord was zeker niet te spreken over het uitgesproken vonnis en zal dat zeker in de rechtszaal hebben laten blijken. Daarnaast mocht de verontwaardigde boer ook nog eens de kosten van het geding, die begroot waren op de som van dertien gulden en vierenzeventig centen, gaan betalen.  

Landbouwer Hindrik Jans Riemers had toch eerder die woensdag 12 april de rechters én de officier van justitie duidelijk uitgelegd hoe de hooivork in de steel zat en dat niet hij, maar die verdraaide Egbert Jans Noord hier voor het hekje behoorde te staan! “Joa!”, zal hij met verheffende stem hebben geroepen, “Joe hebben de verkeerde hier veur ’t hekje stoan!”. Nee, de beste man kon niet begrijpen dat hij zelf blijkbaar behoorlijk over de schreef was gegaan en hiervoor werd beboet. 

De woning op de Dobber Esch waar Hindrik Jans Riemers op zaterdag 3 februari 1816 in het huis van zijn vader, Hindrik Jans Riemers, werd geboren afgebeeld op de Kadastrale kaart uit het jaar 1832 en had het perceelnummer Roden I-593  (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).

De op de zaterdag 3 februari 1816 op de Dobber Esch nabij Leutingewolde 92a (nu Turfweg 4) als eerstgeboren zoon van Jan Hindriks Riemers en Annechien Thijs Stel, Hindrik Jans Riemers, woonde in het jaar 1848 aan de Zulte 44 samen met Trijntje Berends Boukamp. Trijntje was de dochter van de met de in Peize geboren landbouwer Berend Bouwkamp hertrouwde Abeltje Jacobs Venema, die weduwe was van de in 1812 overleden Pieter Hindriks Riemers. Abeltje Jacobs overleed later in 1832 in Leutingewolde op het adres Westeinde 1. De toen 26-jarige Hindrik Jans en vijfentwintig jaar oude Trijntje Berends traden op de zaterdag 7 mei 1842 te Roden ten overstaan van Coenraad Wolter Ellents Kymmell, burgemeester en ambtenaar van de Burgerlijke stand der gemeente Roden in het huwelijk. 

De familiekaart van het gezin Hindrik Jans Riemers uit het jaar 1853. Het adres van het gezin is Zulte 44 (bron: Drents Archief Bevolkingsregister Deel 1, 1852-1862, archiefnummer 2001.21, inventarisnummer 3 Gemeente: Roden).

Aan het begin van het jaar 1848 bestond het gezin Riemers uit vier personen. Naast de twee eerdergenoemde echtlieden Hindrik Jans en Trijntje Berends, waren inmiddels dochter Annegien (dinsdag 16 juli 1844) en zoon Jan (maandag 10 januari 1948) in het gezin verschenen. Nu was het leven van een landbouwer in het midden van de negentiende eeuw zeker geen luxeleventje en moest er hard gewerkt worden om elke dag brood op de plank te krijgen. Het waren voor landbouwer Riemers en zijn vrouw lange werkdagen en korte nachten, vooral met de net zes weken oude zoon die ook de nodige nachtrust zal hebben gekost. 

De Zulte afgebeeld op een kaart uit het jaar 1853. Waarschijnlijk zal het er in het jaar 1848 net zo uit hebben gezien als op de hierboven afgebeelde kaart (bron: 354 – 354 Topographische en militaire kaart van Koningrijk der Nederlanden. 354.4 Assen 12; 1853 Drents Archief).

Het spreekt voor zich dat dit een behoorlijke invloed op je gemoedstoestand heeft en dat de tenen op dit soort momenten behoorlijk lang zijn. Dan is het verklaarbaar wanneer iemand in je eigen belevingswereld met zijn tengels aan je spullen zit, dat je hem dan even flink je mening laat horen. Soms meer dan jezelf in gedachten had, maar ook dit is begrijpelijk. De eerste de beste die zich dan in je schootsveld waagt is het haasje. Het was deze vrijdag, de 25 februari, dat de bom bij Riemers barstte. 

De op maandag 17 november 1806 te Roden geboren en aan het West- en Noordeinde 220 eveneens in Roden wonende arbeider Egbert Jans Noord die samen met zijn vrouw, de in Peize geboren Anna Egberts Been, was gezegend met het feit dat hij voor hem op het verkeerde moment op de meest foute plaats bevond waar hij zich maar kon bevinden. Niet dat Noord hier ook maar enigszins een idee van had, hij deed immers naar zijn eigen mening gewoon zijn werk. Egbert Jans werkte bij de kuil waar de aardappelen opgeslagen lagen op het erf bij de woning van landbouwer Riemers en waar hij met het uitdelen van de aardappelen was belast. 

Of de aardappelrooiers in de Zulte ook zo hebben gewerkt als die op de hierboven afgebeelde aquarel van Anton Mauve uit de periode 1848-1888 is maar de vraag, maar verbazen zou mij dat echter niet. Het was hard en zwaar werk waar doorgaans het hele gezin van de arbeider moest helpen om de oogst op tijd binnen te krijgen (bron: Rijksmuseum Amsterdam © Anton Mauve/Rijksmuseum http://www.rijksmuseum.nl/collectie/SK-A-2446).

Briesend stormde Hindrik Jans Riemers op de arbeider Noord af, die op dat moment met een tweetal mannen stond te praten over het verdelen van de aardappelen. “En wanneer denkst de eerpels te betoalen die doe lest zo mitnomen hest?”, tierde de van woede kokende landbouwer, “D’r bin goend die doar haard veur moeten waarken!”. Nu was Egbert Jans Noord niet iemand die zijn mening onder stoelen of banken stak en dit hem ook nogal eens boze blikken had opgeleverd, maar dit was werkelijk ongehoord waar de landbouwer hem van beschuldigde. 

“Ach, kerel”, begon Egbert Jans zich te verdedigen richting landbouwer Riemers, “Deugst doe wel? Mij hier oetmoaken veur dief?”. Dreigend stapte Noord op Riemers af en wilde hem zijn mening wel even luid en duidelijk laten horen. Ervan overtuigd zijnde dat zijn dreigende houding behoorlijk wat indruk zou maken op de landbouwer én de twee mannen die het geheel gade sloegen, ging hij ook nog eens zo voor hem staan dat deze op z’n minst de woorden zou terug gaan nemen. 

Voordat Egbert Jans Noord het in de gaten had, hadden de twee vuisten van Hindrik Jans Riemers hun werk al gedaan. In een flits landen de beide vuisten in het gezicht van de verbijsterde Noord en lieten hem zwijgen. Met een hevig bloedende neus maakte Egbert Jans dat hij van het erf van de landbouwer verdween. “Wacht moar of doe röttige poetzak!”, brulde de letterlijk en figuurlijk overdonderde Noord terwijl hij het bloed van zijn gezicht afveegde, “Ik krieg die nog wal!”. Ook deze gebeurtenis werd later door de twee aanwezige getuigen bevestigd. 

Of Riemers de dreigementen van Noord serieus heeft genomen blijft voor altijd een vraag. Feit is echter wel dat de slagen die de landbouwer de arbeider Noord had toegediend, niet zonder gevolgen konden blijven. Het is niet onvoorstelbaar dat Egbert Jans vrijwel direct naar het Zuideinde in Roden is gegaan om de gebeurtenissen te vertellen aan zijn oudere broer, Jan Jans Noord, die tevens veldwachter was in het dorp. Vanzelfsprekend zal Jan Jans het verhaal in zijn geheel hebben aangehoord en zijn broer aangeraden hebben om aangifte te doen. 

Bijna een maand later na het voorval, op woensdag 22 maart 1848, klopte de eerdergenoemde veldwachter Jan Jans Noord bij de familie Riemers aan de deur om een dagvaarding af te geven die door de officier van justitie in Assen uitgeven was naar aanleiding van het strafbare feit dat Hindrik Jans had gepleegd door Egbert Jans Noord op die bewuste vrijdag een pak op zijn donder te hebben gegeven. 

En daar stond hij dan zeer verontwaardigd voor de drie rechters, de al de inleiding genoemde presiderend rechter Mr. Westra, rechter Alstorphius Grevelink en de plaatsvervangende rechter A. Homan. En Riemers vond met alle zekerheid die er bestand dat niet hij maar die drommelse Noord hier hoorde te staan! Hij had dat toch al een keer duidelijk uitgelegd wat er gebeurd was en hoe hemel schreiend het was dat hij hier zich voor de edel geleerde heren nu moest verdedigen.

De arrondissementsrechtbank te Assen zag het één en ander toch heel anders dan de verontwaardigde landbouwer Riemers uit de Zulte en veroordeelde hem tot een geldboete van acht gulden waarbij hij ook no eens de kosten van het geding, die begroot waren op de som van dertien gulden vier en zeventig cent, boete en kosten desnoods te verhalen bij lijfsdrang. Lijfsdrang, later ook lijfsdwang genoemd, is een zwaar dwangmiddel in het Nederlands burgerlijk recht waarbij een schuldenaar wordt opgesloten in een huis van bewaring tot hij een rechterlijk vonnis nakomt.

Of landbouwer Hindrik Jans Riemers direct in de gaten had dat hij daadwerkelijk fout was geweest of dat het besef pas later kwam, is niet bekend. Wel dat de beste man zijn leven als hardwerkende landbouwer weer had opgepakt en nogmaals vader werd van een zoon Berend (1851) en een dochter Aaltien (1855). Na het hele gebeuren zal Riemers arbeider Egbert Jans Noord naar alle waarschijnlijkheid niet meer in dienst hebben genomen.

De eerste pagina van het vonnis dat de Arrondissementsrechtbank te Assen in 1848 uitsprak over het geschil tussen de landbouwer Hindrik Jans Riemers en de arbeider Egbert Jans Noord, dat uitliep in een pak slaag voor de arbeider (bron: Vonnisregister Arrondissementsrechtbank te Assen (1829) 1838-1877, Deel: 5, Periode: 1838-1877, Assen, archief 0106, inventaris­num­mer 5, 1848, Vonnisregister 1838-1877, aktenummer 1347).
De tweede en derde pagina van het vonnis (bron: Vonnisregister Arrondissementsrechtbank te Assen (1829) 1838-1877, Deel: 5, Periode: 1838-1877, Assen, archief 0106, inventaris­num­mer 5, 1848, Vonnisregister 1838-1877, aktenummer 1347).

Hieronder staat de gehele uitspraak die de arrondissementsrechtbank te Assen op de woensdag twaalf april in het jaar 1848 uitsprak:

Vonnis 1347
De Arrondissements Regtbank te Assen provincie Drenthe, oordeelende in strafzaken
In de zaak van den Officier bij gemelde regtbank eischer uitkrachte der dagvaarding van den 22sten Maart 1848 tegen Hendrik Jan Riemers, volgens opgave oud 32 jaren, geboren en wonende in de Zulte, gemeente Roden, van beroep landbouwer.
Gehoord de voordragt der zaak door den Officier.
Gehoord de onder eede afgelegde verklaringen der getuigen op last van het openbaar Ministerie verschenen, zoomede van die ten verzoeke van den beklaagde gehoord.
Gehoord de opgaven van den beklaagde.
Gehoord en gezien het requisitoir van den Officier, strekkende daartoe dat de beklaagde zal worden schuldig verklaard aan het moedwillig toebrengen van slagen of stooten, bij acte van dagvaarding vermeld, en dat hij dien volgende onder toepassing van de artikels 311, 309 en 52 van het wetboek van Strafregt zal worden veroordeeld tot correctionele gevangensstraf voor den tijd van drie maanden, voorts in eene geldboete van acht gulden, alsmede in de kosten van het geding desnoods te verhalen bij lijfsdrang.
Gehoord den beklaagde in zijne verdediging door hemzelven.
Overwegende, dat uit het onderzoek op de teregtzitting van den twaalfden April 1800 acht en veertig naar aanleiding der dagvaarding wettig en overtuigend gebleken dat de beklaagde op den vijfentwintigsten Februarij jongstleden moedwillig slagen of stooten heeft toegebragt aan den persoon Egbert Jans Noord, arbeider te Roden, in den hof der beklaagde bij gelegenheid dat aldaar aardappelen werden verdeeld.
Overwegende, dat het wettig bewijs dien daadzaak is verkregen door dien dezelve door meer dan een getuige is verklaard.
Overwegende, dat deze alzoo wettig bewezen daadzaak daarstelt het wanbedrijf van moedwillig toebrenging van slagen.
Overwegende, dat invoegen voorschreven en alzoo wettig den schuld van den beklaagde is bewezen.
Overwegende, dat mitsdien op den beklaagde moet worden toegepast de straf bij artikel 309 in verband met artikel 311 van het wetboek van Strafregt op het wanbedrijf van moedwillige toebrenging van slagen gesteld, zoodanig evenwel dat hier in aanmerking kunnen worden genomen in de straf met voorkomende verzachtende bepalingen, vermits de schade door het wanbedrijf veroorzaakt de som van vijfentwintig franken niet te boven gaat en ten aanzien van hetzelfde als verschoonende omstandigheid kan worden beschouwd dat de beleedigde Noord in hevige en ongepaste bewoordingen uitvoer tegen den beklaagden, die in den meening was, dat voor en aleer de aardappelen uit de kuil werden weggenomen, het daarvoor verschuldigde te moeten vorderen van Egbert Noord, die met de uitdeling belast was met de twee eerste getuigen.
Regt doende in naam en vanwege den Koning.
Verklaart als wettig en overtuigend bewezen den beklaagden schuldig aan het wanbedrijf van moedwillige toebrenging van slagen. geene schade boven de vijfentwintig franken veroorzaakt hebbende en gepleegd onder omstandigheden die hetzelfde schijnen te verkleinen, door onder de vermelde verschoonende omstandigheid en zonder veroorzaking eener schade bovengemelde som, ten tijde en plaatse voorschreven den persoon van Egbert Jans Noord slagen of stooten te hebben toegebragt.
Gezien artikels 227 en 209 van het Wetboek van Strafvorderingen en artikels 309, 311, 463 en 52 van dat van Strafregt, welke artikelen voor zooverre hieronderingevoegd luiden:
Art 309 “Met het tuchthuis zal gestraft worden al wie iemand kwetsuren slagen ot stooten toegebracht zal hebben ingeval uit deze gewelddadigheden eene ziekte of beletsel van te werken ontdaan is van meer dan twintig dagen”.
Art 311 “Wanneer de kwetsuren of slagen generlee ziekte of beletsel van te werken als bij art. 309 gemeld, veroorzaakt zullen hebben, zal de schuldige met eene gevangenzetting van eene maand tot twee jaren en eene geldboete van zestien tot twee honderd franken gestraft worden”.
Art 463 “In alle de gevallen waarin de straf van gevangenis bij dit wetboek gesteld wordt, worden de vierscharen gemagtigd om bij aldien het veroorzaakte nadeel geene vijfentwintig franken te boven gaat en bij aldien de omstandigheden het wanbedrijf schijnen te verkleinen, de gevangenis zelfs tot beneden de zes dagen en de boete zelfs tot beneden de zestien franken te verminderen. Zij zullen ook de eene of de andere dezer straffen afzonderlijk mogen wijzen zonder dat zij echter in eenig geval beneden de bloote politie straffen zal zijn”.
Veroordeelt mitsdien den alzoo schuldig verklaarden persoon van Hendrik Jans Riemers tot eene geldboete van acht gulden en in de kosten van het geding begroot op de som van dertien gulden vier en zeventig cent, boete en kosten des noods te verhalen bij lijfsdrang.
Aldus gewezen door Mr. Westra presiderend regter, Alstor phius Grevelink regter en A. Homan plaatsvervangend regter en is in dit vonnis in de gewone openbare teregtzitting van woensdag den twaalfden April 1800 acht en veertig door Mr. Westra presiderend regter uitgesproken in tegenwoordigheid van opgenoemden regter en plaatsvervangend regter, van den Officier en den gestileerd griffier
.
(bron: Vonnisregister Arrondissementsrechtbank te Assen (1829) 1838-1877, Deel: 5, Periode: 1838-1877, Assen, archief 0106, inventaris­num­mer 5, 1848, Vonnisregister 1838-1877, aktenummer 1347).

Zorgden potstallen voor dood en verderf in de Zulte? 

Veel van de kleinere boerderijen zoals van de keuters, ook wel katers genoemd, bezatten tot ver in laatste kwartaal van de negentiende eeuw, een zogenaamde potstal. Een potstal is een stal waar het vee op hun eigen mest stond of liep. De mest werd met enige regelmaat met organisch materiaal zoals gras-, heideplaggen of bladeren aangevuld en dan door de stal verspreid. Het kon zelfs gebeuren dat er teelaarde van de akkers gebruikt werd. 

Of de tweejarige dochter van de schaapsherder Roelof Doedes en zijn vrouw Hinderkien Harms Hummel, Jebbechien Roelofs Doedes en die op de woensdag 25 februari 1818 in de Zulte overleed, ook aan een ziekte zoals cholera of tyfus leed, is niet voor mij te achterhalen. Feit is echter wel, dat veel kinderen in die tijd stierven door de gevolgen van de twee eerder genoemde ziekten (bron: Drents Archief: Overlijden (Overlijden), Roden, 26-02-1818, aktenummer 4, Roden. BS Overlijden. 0167.021. 1818. 4.).

Op deze wijze hadden de koeien een enigszins droog ligbed en werd bovendien de hoeveelheid mest vergroot. Dit ging net zolang door totdat de laag mest en het organische materiaal te hoog werd. Dan pas werd de stal leeggemaakt en verdween het mengsel bijvoorbeeld naar een es of tuin, waarbij de twee deuren aan de achterkant gebruikt werden om de mest met de mestkar of de kruiwagen weg te brengen. Dit wordt ook wel een ‘potstalcultuur’ 1 genoemd. 

Vooral de kleinere essen verder richting het zuiden van de Zulte werden zo in de loop der tijd verhoogd en door deze vorm van bemesten zeer voedselrijk voor de te planten gewassen. In het voormalig esgehucht werd de potstalmest onder andere gebruikt voor de hopteelt op het Hoppenkamp, waarbij de mest in de kuilen gedaan werd, die bestemd waren om de hop in te planten. 

De voor de boerderijen in de wijde omgeving van het dorp Roden zo typerende waterput naast het huis. Nadat de waterleiding met schoon drinkwater zijn intrede deed, was de waterput overbodig geworden en werd op veel plaatsen gedempt. De afbeelding stamt uit het jaar 1964 en komt uit een privécollectie.

De essen in en nabij de Zulte waren van nature al behoorlijk hoog ondanks dat het gehucht aan de rand van het Drents Plateau lag. Een ander voordeel was de aanwezigheid van kwel- en grondwater nabij het oppervlak. Door dit gegeven konden de bewoners vaak vlak naast hun huis een put aanleggen en zo verzekerd zijn van schoon drinkwater. 

Dezelfde waterput als die op de afbeelding hierboven staat afgebeeld, maar dan 49 jaren later. De waterput werd nooit gedempt en gezien de emmer die er bovenop ligt, is deze nog steeds in gebruik. De waterput stamt uit de jaren twintig van de vorige eeuw.

Een ander gegeven was dat dat al vanaf de zestiende eeuw al een aantal van deze kleine keuterboerderijtjes aanwezig in de Zulte waren en constant bewoond waren. Op sommige plaatsen werd de woning afgebroken wanneer deze te gevaarlijk was geworden om te bewonen en op vrijwel dezelfde plaats weer herbouwd met materiaal van het vorige huis. Doorgaans bleef de indeling van het huis vrijwel hetzelfde en kwam er natuurlijk weer een potstal in de kleine boerderij, die tot het Saksische- of hallehuis type behoorde.  

De Saksische- of hallehuis typen waarvan de linker afgebeelde variant de oudste vorm is en ook wel een ‘los hoes’ genoemd wordt. De indeling van deze boerderij was zag er zo uit: 1. halle, 2. stallen, 3. woongedeelte, 4. wendezûle (een draaibare galg, waaraan een kookketel hing, die naar behoefte boven het vuur werd gedraaid), 5. bedsteden. Rechts op de afbeelding in een typische Saksiche boerderij uit een later tijdperk met een zogenaamde brandmuur te zien waarbij de indeling als volgt was: 1. deel, 2. veestal, 3 paardenstal, 4. spoelplaats (geut), 5. woonkeuken, 6. slaapkamer. (bron: Nederlandsche boerderijen. Ir. P.J. ’t Hooft b.i., Allert de Lange – Amsterdam, 1945. Koninklijke Bibliotheek.)

Grofweg kunnen wij een hallehuis omschrijven als een rechthoekig gebouw waarin het voorste gedeelte dienstdeed als woonruimte met daarachter een gedeelte dat diende als stallen en waar de opslagruimte zich bevond. De twee gedeelten werden vanaf het begin van de achttiende eeuw gescheiden door een zogenaamde brandmuur, dat in die tijd als een echte verbetering werd gezien. Tegen deze brandmuur werd de stookplaats geplaatst en daarboven zat een schoorsteen die de rook afvoerde. 

Een hallehuis uit de Hallehuisgroep. Het betreft hier een Drentse vorm van het dwarsdeeltype, dat uit het einde van de achttiende eeuw stamt (bron: Duizend jaar bouwen in Nederland (deel 2). S.J. Fockema Andreae, R.C. Hekker en E.H. ter Kuile. Allert de Lange, Amsterdam 1958. (https://www.dbnl.org/tekst/fock001duiz01_01/index.php) ).

Het gedeelte waar de stallen zich bevonden waren in drie gedeelten verdeeld, waar wij twee variaties van een potstal tegen konden komen. Bij de eerste vorm (zijpotstal) bevonden een aantal kleine stallen aan de zijkanten van de boerderij die om de zoveel weken werden leeggehaald. De andere variant, de middenstal, bevond zich in het middelste gedeelte en werd ongeveer na een half jaar uitgemest.2 Maar het was vooral zijpotstal die wij bij de keuters in de Zulte aantroffen. 

Een andere vorm van een hallehuis uit de Hallehuisgroep is het Drents middenlangsdeeltype met aangebouwde hooischuur. Het spreekt voor zich dat deze boerderij niet werd bewoond door een keuterboer (bron: Duizend jaar bouwen in Nederland (deel 2). S.J. Fockema Andreae, R.C. Hekker en E.H. ter Kuile. Allert de Lange, Amsterdam 1958. (https://www.dbnl.org/tekst/fock001duiz01_01/index.php) ).

Ondanks dat er her en der weleens met een romantische toon over de oude potstallen wordt gesproken, is het niet voor niets dat deze vorm van mestverwerking verdwenen is. Met de uitzondering van een enkele de biologische veehouderij1, schapenstal of schaapskooi waar wij heden ten dage deze vorm nog kunnen aantreffen. 

Nee, zo romantisch was het niet in die donkere, vochtige stal tussen het vee dat ook nog eens smerig was. De kleine boeren kenden het woord hygiëne niet en laat staan dat er handen met zeep gewassen werden. Sterker nog, het zou nog tot ver in de negentiende eeuw duren voordat zeep ingeburgerd was. 

De kleine boeren hadden slechts enkele koeien die doorgaans alleen vanaf de herfst de stal opgingen en pas weer in het voorjaar naar buiten konden. Ze moesten dus in de donkere en koude periode de koeien in die vochtige, stinkende stal melken. Iets wat de kwaliteit van de melk niet echt bevorderde. Daarnaast waren de kwalijke ammoniakdampen niet alleen schadelijk voor mens en dier, maar ook voor de opgeslagen goederen zoals het hooi en de oogstprodukten op de daarboven gelegen zolder. 

Het esgehucht de Zulte op een kaart uit 1832 waarop een tal van de hallehuis boerderijen te zien zijn. Ook in deze kleine boerderijen trof men destijds de potstallen aan. De boeren die in die tijd in deze boerderijen woonden, pachten deze van Jannes Hindriks Winsingh uit Roden en de erven van Floris Aukema uit Leutingewolde. (bron: Drents Archief).

Een even groot gevaar, of misschien nog wel gevaarlijker dan de stinkende ammoniakdampen, waren de vloeibare delen van de mest. Deze sijpelden door de vloer van de potstal de bodem in en drongen diep in de ondergrond. Vaak bestond de vloer uit een laagje zand en later werd hiervoor keileem gebruikt. Eenmaal diep in de bodem doorgedrongen, kwamen deze stoffen in aanraking met het als drinkwater dienende grondwater.  

Waarschijnlijk zal het 1 of 2 generaties geduurd hebben voordat de nadelige gevolgen hun uitwerking hadden op de gebruikers van dat water. Door het drinken van het door de giftige stoffen vervuild water kregen de mensen ziektes zoals cholera, tyfus en dysenterie. Een gedeelte van de bewoners, waaronder veel kinderen, stierven dan ook voortijdig door het nuttigen van het vervuilde water aan de gevolgen van de hiervoor genoemde ziekten. 

Een afbeelding van Levy Ali Cohen (1807-1889) arts en hygiënist die te Groningen, in de ouderdom van ruim 72 jaren aan myelitis overleed. Dr. Cohen was in 1869 inspecteur voor het geneeskundig staatstoezicht voor de provinciën Overijssel en Drenthe (bron: Wikipedia).

De in het jaar 1817 te Meppel geboren en te Groningen in 1889 overleden medicus Levy Ali Cohen3 die in 1869 als inspecteur voor het geneeskundig staatstoezicht voor de provinciën Overijssel en Drenthe werkte. Later dat jaar keerde hij als inspecteur naar zijn geliefde Groningen terug nu voor de provincies Groningen en Friesland. Spoedig na zijn aantreden als inspecteur in het jaar 1866 kreeg hij in Drenthe te maken met een cholera-epidemie en vier jaren later met een tyfusepidemie. In zijn boek ‘Handboek der Openbare Gezondheidsregeling en der Geneeskundige Politie‘ uit 1869 beschrijft hij het gevaar van een vervuilende potstal. 

“Nabij Ommen ( digt bij de Regge) onderzocht ik, pas voor eenige weken, op eene boerderij een opene put, na het gebruik van welks water de boter die daarmede bereid werd, van tijd tot tijd slecht, soms geheel oneetbaar werd. Ik bevond o. a. dat de potstal (waarin gedurende den ganschen zomer de mest wordt opgespaard) geene 3 Ned. el van den put verwijderd was, en dat de bodem hier zóo poreus is, dat de hoogere of lagere waterstand van de Regge dadelijk in den put merkbaar is. (De rivier bevindt zich op 1 à 1½ minuten afstands van de boerderij.)” 4 

De kans is vrij klein dat Dr. Cohen in zijn functie als inspecteur voor het geneeskundig staatstoezicht voor de provinciën Overijssel en Drenthe ook het kleine esgehucht de Zulte destijds heeft bezocht, maar zijn bevindingen zullen zeker hebben meegewogen om de potstal te gaan vervangen door de groepstal, ook wel ‘grupstal‘ genoemd, binnen de landbouw van de negentiende eeuw. 

De achterzijde van een oude schuur achter Leutingewolde laat mooi zien hoe het er heden ter dage bij een kleine hobbyboer uitziet. De typerende mestbult bevindt zich natuurlijk achter de schuur en ligt zo uit het zicht vanaf de weg.

Door het vervangen van de potstal door het groepstalprincipe, verbeterde niet alleen de hygiënische situatie van de bewoners en nam de kwaliteit van het water uit de put toe, ook voor het vee werden de leefomstandigheden een stuk beter. De dieren waren niet meer smerig door de schone ondergrond die bestond uit stro en de mest kwam direct in een goot terecht, de zogenaamde groep of grup. Het was nu een stuk eenvoudiger geworden om zowel de koeien te melken als de mest af te voeren5

Dat het vervangen van de potstal in de boerderijen ervoor heeft gezorgd dat de kwaliteit van het leven en daardoor de levensduur van de negentiende-eeuwse mens in de Zulte een stuk beter werd, durf ik niet te zeggen, maar het heeft er wel aan bijgedragen dat de hygiëne destijds enorm verbeterde. 

Heden ten dage hebben de koeien het een stuk beter dan in de tijd waar de dieren achter in een schuur stonden in een potstal. Nu bezitten de boeren gemiddeld zo’n 160 dieren en hebben ze grote schuren, waar de dieren het doorgaans uitermate naar hun zin hebben.

1 Potstal (https://nl.wikipedia.org/wiki/Potstal)  

2 AgriWiki Potstal (https://www.agriwiki.nl/index.php?title=Potstal) 

3 Geheugen van Drenthe: Levy Ali Cohen. (https://www.geheugenvandrenthe.nl/ali-cohen-levy) 

4 Handboek der Openbare Gezondheidsregeling en der Geneeskundige Politie, met het oog op de behoeften en de wetgeving van Nederland, eerte deel. Door Dr. L. Ali Cohen, met medewerking van Dr. S. Sr. Coronel, wijlen Dr. A. Drielsma, Dr. L. J. Egeling, F. C. hekmeijer, Dr. J. A. van Ketwich Verschuur, Dr. C. P. Pous Koolhaas, Dr. D. Lubach, Dr. G. van Overbeek de Meijer en Dr. W. J. de Meijer. Groningen, 1869. J. B. Wolters. Pagina 177. 

5 AgriWiki Grupstal. (https://www.agriwiki.nl/index.php?title=Grupstal 

Het loerende gevaar in de Zulte.

Lijkbleek van de schrik en trillend van de angst stond hij daar te kijken hoe de vrachtwagen van zijn werkgever tussen de olijfgroene goederentram en de dikke eiken aan de Zulthe totaal gesloopt was. De van woede kokende machinist bij wie bijna de stoom uit de oren kwam en die hem van alles naar zijn hoofd wierp, hoorde hij niet. De gebroeders Woldring, Jan en Dirk, moesten alle zeilen bijzetten om de rood aangelopen bestuurder van de tram weer tot rust te krijgen. De vrachtwagenchauffeur D. K. had het gevoel dat hij van boven naar beneden keek en het tafereel dat tussen de twee vrome broers en de machinist plaatsvond volgde en dat alles wat hier op die woensdagochtend van de zesde juli in het jaar 1958 in het voormalig esgehucht de Zulte gebeurde, voor hem onwerkelijk was.

MBS 451 met een goederentrein nabij Haaksbergen. Het model diesellocomotief uit de 450 serie van de Nederlandse Spoorwegen dat aan het einde van de jaren vijftig over het spoor in de Zulte reed. De locomotief die de vrachtwagen van de firma Meijering tot een hoop verwrongen staal veranderde, was de bijna 9 meter lange en 38 ton zware NS 455. In 1970 verdween de locomotief van het traject Groningen – Drachten (foto: Niels Karsdorp, Dh3201 – Eigen werk, https://nl.m.wikipedia.org/wiki/Bestand:MBS_loc_451.jpg)

Een van deze transportondernemingen op het gebied van het vervoeren van zowel kunstmest als veevoeder in de wijde omgeving K. werkte als vrachtwagenchauffeur voor de Lukkenwolmer firma Meijering die destijds aan de Turfweg gevestigd was op nummer 67. Zijn werkgever, Albert Meijering, bedreef daar aan het einde van de jaren vijftig van de twintigste eeuw een veevoederhandel. Hiernaast verzorgde Meijering ook nog de nodige boeren in de wijde omgeving van andere benodigdheden zoals kunstmest, likstenen en wat een landbouwer/veehouder nodig had. Het spreekt voor zich dat de vrachtwagen van de veevoederhandel Meijering amper stil mocht staan en voor Albert was heel simpel; er moest geld verdiend worden.

In het huis dat nu het adres Turfweg 10 heeft, had in 1958 het adres Leutingewolde 67 en daar bevond zich de veevoederhandel van Albert Meijering.

Toen K. eenmaal in de cabine van de vrachtwagen was geklommen, het gevaarte aan de loop had gekregen en linksaf de Turfweg opdraaide richting de weg tussen Nietap en Roden, kon hij iets rustiger aan gaan doen. Immers, in het jaar 1958 waren er nog niet bijster veel telefoons in de omgeving en de mobiele versie bestond nog lang niet, dus het gehijg van de baas voelde hij nu niet meer in zijn nek. Eerst moest hij naar Roden, zakken kunstmest ophalen om bij de boeren af te leveren. Zo moest hij ook die ochtend ook bij de boerderij van Henk Woldring aan de Zulthe 12 het een en ander bezorgen.

De plaats waar de boerderij van Woldring zich in het verleden bevond is aangegeven door eer rode pijl. De kaart stamt uit het jaar 1970 en inmiddels lag de boerderij aan de Leeksterweg. Rechts van de boerderij is de inmiddels ook al verdwenen Noordenveldhal te zien (kaart: Topotijdreis).

Henk Woldring was een paar maanden eerder komen te overlijden en ondanks dat de oude man hem regelmatig aansprak op zijn manier van parkeren, kreeg hij toch altijd een kop koffie van Henk met een dikke plak koek erbij. De oude man had hem al verschillende keren gezegd dat als hij spullen moest lossen, dan kon K. beter de vrachtwagen op weg keren en dan met de kont er in steken; achteruit de dam oprijden dus. De oude boer hoefde hem niet te vertellen hoe hij een vrachtwagen moest besturen en K. vond, dat hij het beter bij zijn koeien kon houden.

Het enige dat ons nog aan de boerderij van Woldring in de Zulte doet herinneren zijn de oude Lindebomen die eens voor de woning stonden. De vier Lindes zijn links op de afbeelding te zien.

Nu stonden zijn twee zonen bij de boerderij en namen de goederen in ontvangst.  K. had allang geschoten dat hij vandaag hier geen koffie kon verwachten en stapte weer in de cabine van de vrachtwagen. Gemoedelijk reed hij langzaam naar achteren en dacht er aan hoe weer naar de Turfweg moest gaan voor een nieuwe lading. Helemaal in gedachten verzonken drukte hij het gaspedaal dieper in en hoorde niet hoe de twee broers hem riepen om te stoppen. Op het laatste moment kwam hij weer tot zichzelf en zag hoe de broers Woldring luid gilden en hevig met hun armen aan het zwaaien waren. Snel keek hij naar rechts en zag een toeterende gevaarte op zich afkomen. D. K. bedacht zich niet en sprong uit de vrachtwagen.

Het bericht van het ongeval tussen de trein en de vrachtwagen in het Nieuwsblad van het Noorden, ook wel het Nieuwsbladje genoemd, van woensdag 16 juli 1958 (bron: Nieuwsblad van het Noorden, Woensdag 16 juli 1958, 71ste jaargang, No, 164, pagina 13).

De olijfgroene trein kwam vanuit richting Roden en de machinist van de bijna 9 meter lange en 38 ton zware diesellocomotief met het nummer 455, zag hoe de achterzijde van de vrachtwagen langzaam achteruit het spoor opreed. Hevig remmend en luid toeterend probeerde de machinist te vergeefs de chauffeur te waarschuwen. Een luide knal gevolgd door het geluid van scheurend ijzer vulden de lucht voor de boerderij van Woldring. De zware locomotief had de vrachtwagen opzij gedrukt en hem een tiental meters meegesleept. Toen de trein tot stilstand kwam, bleef er van de vrachtwagen niets anders over dan een hoop verwrongen staal.

Ook de Provinciale Drentsche en Asser courant van donderdag 17 juli 1958 plaatste een bericht over het ongeval dat een dag eerder had plaatsgevonden voor de boerderij van Woldring in de Zulte (bron: Provinciale Drentsche en Asser courant, donderdag 17 juli 1958, 133e jaargang nummer 165, pagina 7).

Zulte 37; Sinninges in de Zulte.

Op dinsdag 29 april 1845 verschijnt er in de Groninger courant, het algemeen dagblad voor de stad Groningen en Ommelanden dat inmiddels in zijn 104e jaargang zit, een oproep van de uit Norg afkomstige notaris Mr. Nicolaas Wilhelm Schroeder Hofstede tegen, die hij een dag eerder had opgesteld in zijn kantoor. Mr. Hofstede verzoekt een ieder die nog iets te vorderen heeft of verschuldigd is aan de wijlen Jacob Jans Sinninge en Janke Piers Holtrop, binnen een maand de opgave van de schulden of de betaling van het verschuldigde te doen bij zijn kantoor in Norg. Dit dient echter wel op de maandagen te gebeuren, daar de notaris dan in zijn kantoor zal vaceren (zitting houden) om vervolgens na die periode tot Likwidatie (liquidatie) te kunnen overgaan.

De oproep die notaris Mr. Nicolaas Wilhelm Schroeder Hofstede in de Groninger Courant van dingsdag 29 april 1845 doet. Destijds schreef men nog ‘dingsdag’ in plaats van ‘dinsdag’ zoals wij dat heden ten dage doen. (Bron: Groninger Courant, 29 april 1845, vierde blad, te Groningen bij C. M. Bolhuis Hoitsema, Boekdrukker).

Het betreft hier de op vrijdag 11 april 1845 overleden landbouwer Jacob Jans Sinninge die samen met zijn vrouw Janke Piers Holtrop in de Zulte op de boerderij met het huisnummer 37 woonde. Naar alle waarschijnlijkheid was Jacob Jans samen met zijn broers en zuster Steven Jans, Geert Jans, Jantien Jans en Hinderk Jans gemeenschappelijke eigenaren van het pand geworden nadat aan hun ouders Jan Jacobs en Grietjen Geerts in respectievelijk 1809 (moeder) en 1810 (vader) waren overleden. Dit impliceert ook waarom de notaris Hofstede het over de ‘Mandeeligen Boedel’ heeft. Mandeligheid ontstaat, wanneer een onroerende zaak gemeenschappelijk eigendom is van de eigenaars van twee of meer erven en door hen tot gemeenschappelijk nut van die erven wordt bestemd. Mandeligheid impliceert dus ook gemeenschappelijk eigendom.

De grote boerderij waar Jacob Jans Sinninge en zijn vrouw Janke Piers Holtrop woonde in de Zulte. Voor Jacob Jans woonden zijn ouders Jan Jacobs en Grietjen Geerts in de kapitale boerderij. (Kaart 1832Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort)

Na de volkstelling van 1840 verblijven er in het huis dat dus het huisnummer Zulte 37 draagt en kadastraal ingedragen stond als Roden I-166, huis en erf, vijf personen. Het echtpaar dat kinderloos was gebleven, Jacob Jans was 50 jaar en Janke Piers 44 bij hun huwelijk, maar had de zorg op hun genomen voor de toen twaalfjarige Wieger Hindriks Holtrup. Zoals het wel vaker in die tijd gebeurde, was de naam van Wieger Hendriks Holtrop dus net even anders geschreven dan het hoorde. De jongen was het jongste kind van Janke Piers haar broer Hendrik Piers Holtrop en zijn vrouw Lutske Derks Hummel. Het kind was op donderdag 1 februari 1827 in Marum geboren, zeven maanden voor het overlijden van de 54-jarige Hendrik Piers op dinsdag 11 september 1827, eveneens te Marum. Naast Jacob Jans, Janke Piers en Wieger Hendriks woonden de boerenknecht Fokke Louwes Hummel en de dienstmeid Annechien Hindriks Warners eveneens in het huis.

De vermelding van Jacob Jans Sinninge, Janke Piers Holtrop, Fokke Louwes Hummel, Annechien Hindriks Warners en Wieger Hindriks Holtrup tijdens de volkstelling uit 1840. (Bron: Drents Archief. Roden, Volkstelling, 1840 (toeg. 2001.21; nr. 2)).

Zo’n anderhalf jaar later, in november van het jaar 1846, plaatst notaris Mr. Nicolaas Wilhelm Schroeder Hofstede zowel in de Drentsche Courant als in de Groninger Courant namens de erven van Jacob Jans Sinninge, een advertentie met de mededeling dat zij voornemens zijn om de boerenplaats en de bijbehorende landerijen te gaan verkopen. De boerenplaats bestond destijds uit een grote boerderij, een erf en een bijbehorende boomgaard. Op de kadastrale kaart uit 1832 is duidelijk te zien dat het inderdaad een fors gebouw is dat dienst deed als boerderij. Op de kadastrale kaart die uit het jaar 1887 stamt, is de kapitale boerderij verdwenen en staat er nu een veel kleiner gebouw. Een deel van de landerijen waaronder opgaand bos, tuin, bouw- en weilanden bevonden zich in de directe omgeving van het erf.

De advertentie in de Drentsche courant van vrijdag 6 november 1846, waarin kenbaar wordt gemaakt dat de boerenplaats, de bouw-, hooi- en weilanden, bossen en heidegronden van wijlen Jacob Jans Sinninge door de erven te koop worden aangeboden. (Bron: Drentsche Courant, 6 november 1846, vierde blad, te Assen, bij van Gorcum en Comp., Provinciale Drukkers).

De inzate (inzet bij een verkoping van onroerend goed) vond op woensdag 18 november ‘s ochtend om 10 uur plaats in de herberg van Harm Schuring in Roden, ongeveer op de plaats waar nu de ‘Pompstee’ staat. Harm Schuring was naast logementhouder ook de schoonzoon van Berendje Voget, de weduwe van Thyle Geerts Krijthe, die eveneens logementhouder tijdens zijn leven was geweest. Daarnaast was de beste man ook nog eens een bierbrouwer geweest. Maar goed, terug naar Harm Schuring die door zijn huwelijk met Margaretha van Baden Krijthe en na het overlijden van Berendje eigenaar van het pand was geworden. Het wrange aan het geheel was dat zijn vrouw Margaretha een half jaar voor de verkoping, op vrijdag 15 mei 1846, was overleden.

De advertentie van de notaris Hofstede die dinsdag 10 november 1846 in de Groninger Courant verscheen. (Bron: Groninger Courant, 10 november 1846, vierde blad, te Groningen bij C. M. Bolhuis Hoitsema, Boekdrukker).

De omgeving van het voormalig esgehucht de Zulte zag er rond het midden van de jaren veertig tijdens de negentiende eeuw er heel anders uit dan heden ten dage. Veel van de bossen, bouw-, hooi-, weide- en heidegronden zijn inmiddels verdwenen en hebben plaatsgemaakt voor woningbouw. Het bosje aan de Postemastraat is slechts een van de weinige overblijfselen die eens tot het bezit van Jacob Jans Sinninge behoorde. Vermoedelijk zijn vrijwel alle 25 bunders aan landerijen verkocht tijdens de verkoping. De meeste kopers zullen doorgaans landbouwers uit de omgeving van het dorp Roden zijn geweest die de kans schoon zagen om hun bezittingen uit te kunnen breiden.

Op de kadastrale kaart uit het jaar 1887 is goed te zien dat de kapitale boerderij is verdwenen en plaats heeft gemaakt voor een kleiner gebouw. (Bron: Drents Archief).

Niet alle gronden die Jacob Jans in de Zulte gebruikte, konden verkocht worden. Immers, de beste man had een verbond met zijn broers en zuster, waarbij de geërfde goederen en landerijen bij hen in gezamenlijk bezit kwamen, deelgenoten dus. Consorten van Jacob Jans werden zij in de kadastrale stukken uit 1832 genoemd. Het kan ook zo geweest zijn dat er onenigheid tussen de consorten was ontstaan over het verkopen of juist de prijs, we weten het niet. Feit is wel dat niet alle percelen bij de verkoping verkocht zijn.

De situatie op de plaats waar eens de kapitale boerderij van Jacob Jans Sinninge gestaan heeft in het midden van de jaren zestig van de vorige eeuw. De originele kaart stamt uit het einde van de negentiende eeuw en werd later gebruikt door de ambtenaren om de vorderende woningbouw binnen het dorp in kaart te brengen. Het betreft hier op de kaart de plaats waar tegenwoordig het Wethouder Deodatusplantsoen ligt. (Bron: Drents Archief).

Wat de reden tot verkoop was, blijft voor mij onbekend. Waarschijnlijk kon men geen opvolger vinden binnen de familie die het bedrijf over wilde nemen of de opbrengsten waren te verleidelijk om te weerstaan, het blijft speculeren. Wat de reden tot verkoop was, blijft voor mij onbekend. Wel is duidelijk dat de vrouw van Jacob Jans, de op zondag 11 mei 1777 te Marum geboren Janke Piers Holtrop en waarmee hij op vrijdag 10 mei 1822 in het huwelijk trad, na zijn overlijden weer terugkeerde naar haar geboorteplaats, het Groningse Marum. Op woensdag 24 november 1847 sloot de weduwe daar haar ogen voor de laatste maal, zeventig jaar oud.

De boerderij van Steven Jans Sinninge en Roelfien Eitens Oosterhof op de kadastrale kaart uit 1832.Voor dat dit gezin er kwam wonen, woonden Eyte Alberts Oosterhof en Jantjen Datema hier. (Kaart 1832Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).

Dat Jacob Jans Sinninge als boer en eigenaar de boerderij van zijn ouders overnam was destijds heel gewoon. Doorgaans nam de oudste zoon het bedrijf van de ouders over en de andere zonen moesten maar een andere plaats gaan zoeken om verder te kunnen boeren. Zo verging het ook de jongere broer van Jacob Jans, Steven Jans Sinninge. De in 1776 in de Zulte geboren Steven Jans trouwde op zondag 8 mei 1803 in de kerk van Roden met de in 1782 te Leutingewolde geboren Roelfien Eitens Oosterhof, dochter van Eite (Eyte) Alberts Oosterhof en Jantjen Datema. Steven Jans en Roelfien Eitens betrokken de boerderij van haar ouders in Leutingewolde, dat het nummer 96 droeg.

Bleef het huwelijk van Jacob Jans en Janke Piers nog kinderloos en moest men zijn boerderij gaan verkopen omdat er waarschijnlijk geen opvolger was, bij Steven Jans en Roelfien Eitens Speelde dit probleem in het geheel niet en het echtpaar kreeg maar liefst negen kinderen samen. De opvolging van het bedrijf binnen de familie bleek gewaarborgd te zijn en hun vijfde kind, zoon Jacob Stevens Sinninge, die op zaterdag 15 mei 1813 geboren was in Leutingewolde, werd in het jaar 1860 de hoofdbewoner van het pand.

De familie Sinninge uit Leutingewolde werden foutief vermeld als Sinninga tijdens de volkstelling van 1840. Ook de broer van Roelfien Eitens, Albert Eites Oosterhof, woonde bij het gezin Sinninge in. (Bron: Drents Archief. Roden, Volkstelling, 1840 (toeg. 2001.21; nr. 2))

Zesentwintig jaar eerder, op dinsdag 11 februari in het jaar 1834, verwisselde Steven Jans Sinninge op 58-jarige leeftijd het tijdelijke met het eeuwige leven en moest Roelfien Eitens Oosterhof het alleen zien te redden. Wanneer wij de documenten van de volkstelling van 1840 binnen de gemeente Roden erbij pakken, valt het op dat Roelfien haar vrijgezelle broer inwonend is. Albert Eites Oosterhof was vier jaar jonger dan zijn zuster en werd geboren op woensdag 1 maart 1786 te Roden geboren. Hij werkte voorheen als boerenknecht in Roderwolde en woonde eveneens in dat dorp bij de Rowolmer bakker Jan Sikkens Datema in het huis met het nummer 24. Na het overlijden van zijn zwager Steven Jans zal Albert Eites wellicht een deel van zijn taken hebben overgenomen. Zelf komt Albert Eites op dinsdag 27 januari 1845 eveneens op 58-jarige leeftijd in Leutingewolde te overlijden.

Het is in het jaar 1848 als we weer iets van de familie Sinninge uit Leutingewolde vernemen. Het is alweer twee jaar geleden dat men de boedel van de overleden Jacob Jans gelegen in de Zulte in de kroeg van Harm Schuring in Roden heeft geprobeerd te verkopen en ondanks dat Steven Jans dit alles niet mee hoefde te maken, zal de dan al 66-jarige Roelfien Eitens de touwtjes bij het gebeuren strak in de handen hebben gehad. Het is ook goed voor te stellen dat de weduwe inmiddels genoeg heeft gekregen van het zware boerenleven en het rustiger aan wil gaan doen.

De advertentie van notaris van Lier in de Drentsche Courant waar hij aankondigt dat er een boeldag ten huize van de weduwe van Steven Jans Sinninge. (Bron: Drentsche Courant, 17 maart 1848, vierde blad, te Assen, bij van Gorcum en Comp., Provinciale Drukkers).

Nu heeft de in Assen woonachtige notaris Herman Hubert van Lier te Assen (Kaap de Goede Hoop, donderdag 9 augustus 1792 – Assen, zondag 8 maart 1863) de opdracht gekregen van de weduwe en de erven van Steven Jans een boeldag te organiseren om het een en ander te verkopen. De zeer ervaren notaris gaat direct aan de slag en plaatst in de Drentsche courant van vrijdag 17 maart 1848 een advertentie met de aankondiging van de te houden boeldag. Het is echter niet de bedoeling om het huis, maar meer om het vee, 4 paarden, 21 stuks hoornvee en twee varkens, 2 wagens, boerengereedschap, melkgereedschap en allerlei huisraad te verkopen. De boeldag wordt op de woensdag 22 maart gehouden bij de boerderij ‘s ochtends om tien uur.

Ruim een maand later klopt notaris van Lier nogmaals bij de Drentsche Courant op de deur van redactie met een nieuwe advertentie van de weduwe en de erven van wijlen Steven Jans Sinninge. Nu zijn zij voornemens om de boerenplaats, bestaande uit een behuizinge, en bouw-, weide- en hooilanden, veld en veen en enige grondpachten gelegen in Leutingewolde. Ook wordt er vermelding gemaakt van dat er eveneens veld en veen in de markte van Bunde, gemeente Vries. Deze percelen waren eigendom van en werden door de broer Geert Jans Sinninge bewerkt. Geert Jans overleed op donderdag 13 oktober 1842 in het plaatsje Yde binnen de Gemeente Vries. Ook de jongste boer van Jacob Jans, Geert Jans, Stevens Jan en Jantien Jans, broer Hindrik Jans Sinninge, was al op zaterdag 23 juni 1821 in de Zulte overleden, 37 jaar en 7 maand oud.

De advertentie met de vermelding dat de weduwe en erven van Steven Jans Sinninge de boerenplaats, bouw-, weide-, en hooilanden etc. voornemens te zijn om te gaan verkopen. (Bron: Drentsche Courant, 25 april 1848, vierde blad, te Assen, bij van Gorcum en Comp., Provinciale Drukkers).

Blijkbaar drukte de voormalige boerderij en de bijbehorende landerijen van de overleden Jacob Jans toch op het een en ander. In de advertentie staat duidelijk dat “eindelijk huis en land te Zulte, gemeente Roden, vroeger bewoond geweest door wijlen Jacob Jans Sinninge”. Zou het ‘eindelijk’ er mee te maken hebben dat de vrouw van Jacob Jans, de weduwe Janke Piers Holtrop, aan het einde van de maand november in het jaar 1847 kwam te overlijden? En doordat zij wellicht het deel van de mandeligheid van haar man na zijn dood had toegewezen gekregen, de verkoop tegen weten te houden? Het zou wel een hoop over de verkoop van de boerderij in de Zulte kunnen verklaren.

Ondanks het gekrakeel over het verkoop van de boerderij in de Zulte met het huisnummer 37, kan notaris van Lier op maandag 1 mei 1848 des voormiddags (’s ochtends)  te elf uur met de openbare verkoping beginnen. Gezien de stukken in het archief van de notaris in Assen was er volop belangstelling en komen we onder andere namen als Landbouwer Jan Assies te Roden tegen, de koper van de boerderij in Leutingewolde of de Roner broodbakker Roelof Roelofs Deodatus. Daarnaast zijn er een tal van inwoners van Leutingewolde, Lieveren, Roden, Zeijen, en de Zulte aanwezig die ook meedoen aan het kopen van allerlei bezittingen van de familie Sinnige/Oosterhof.

De plaats waar eens de boerderij van Steven Jans en Roelfien Eitens stond, doet heden ten dage dienst als weiland. De woning stond links van de boerderij op de afbeelding. (Afbeelding: Topotijdreis.nl).

Ruim tien jaar later na de openbare verkoping op zaterdag 13 november 1858 komt de weduwe van Steven Jans Sinninge in Leutingewolde te overlijden. De dan 76-jarige voormalige landbouwersche en dochter van Eite Alberts Oosterhof en Jantjen Datema, Roelfien Eitens Oosterhof (ook wel als Roelofje Eitens Oosterhoff beschreven) heeft een zeer bewogen leven achter haar rug wanneer zij voor de laatste maal haar ogen sluit.

Beide boerderijen zijn inmiddels afgebroken, die van Jacob Jans in de Zulte waarschijnlijk in het midden van de negentiende eeuw en die van Steven Jans in Leutingewolde werd in het jaar 1949 afgebroken en is sindsdien weiland. Op de plaats waar Jacob Jans en Janke Piers in de Zulte woonden, staan nu huizen en heet nu het Wethouder Deodatusplantsoen. Dit gedeelte van het toenmalig esgehucht maakt nu deel uit van het dorp Roden.

Luchtfoto van het gedeelte aan de huidige Wethouder Deodatusplantsoen te Roden waar eens de boerderij van Jacob Jans Sinninge en Janke Piers Holtrop woonden. Tegenwoordig staan er vrijstaande woningen.(Afbeelding: Topotijdreis.nl)