Aan de wandel.

Een brochure uit het verre verleden van de ‘Vereeniging tot behoud van Natuurschoon Nietap-Leek en Omgeving’ is eigenlijk wel het laatste wat je op een weblog, die voornamelijk gaat over de lange en rijke geschiedenis van het voormalige esgehucht de Zulte en de gelijknamige streek ten noorden van het dorp Roden, zou verwachten. Naar waarschijnlijkheid betreft het hier echter een latere uitgave of een herdruk van een wandelkaart die de vereniging uit heeft gegeven enkele jaren na de oprichting. 

En toch is het niet verwonderlijk dat de wandelkaart hier een plaatsje krijgt. Een groot gedeelte van het gebied dat zich heden ten dage in de omgeving van Nietap-Terheijl bevindt, werd tot het jaar 1804 nog tot de Zulte gerekend. Na dat jaar nam men de Toutenburgsingel als de grens tussen de Zulte en Terheijl. Na de invoering van het Kadastrale stelsel vanaf 1832 behoorde het gebied tot de Sectie K genaamd Terheil en troffen we de streek op de bladen 3 en 4 van de eerdergenoemde sectie aan. 

De voorzijde van de brochure die destijds door de ‘Vereeniging tot behoud van Natuurschoon Nietap-Leek en Omgeving’ was uitgegeven en naast historische informatie ook nog een getekende kaart van het door de vereniging aangekocht gebied bevatte.

Of de wandelkaart enigszins een financiële waarde bezit weet ik niet, wel besef ik dat de historische waarde van de brochure aanwezig is en deze graag met u wil delen. Voor meer informatie over het gebied kunt u onder andere op de website van Buurtschap Nietap-Terheijl aantreffen: Vereniging tot behoud Natuurschoon Nietap, Leek en omgeving

De ligging van de gebieden van de vereniging zoals deze er in het jaar 1923 erbij lagen.

Het gebied bezit nog steeds een prachtig stelsel van wandelpaden en is daarom zeer de moeite om te gaan bezoeken. Onderaan deze post zijn de beide kanten van de wandelkaart te downloaden. 

De ligging van het gebied op een luchtfoto uit het jaar 2006 (bron: Topotijdreis).

Door op de onderstaande afbeeldingen te klikken, kunt u de desbetreffende zijde van de brochure downloaden.

Veilen in het Sieveen

In het gebied dat rondom het voormalig esgehucht de Zulte en ten noorden van het dorp Roden ligt, zijn de oude sporen van de terugtrekkende gletsjer tijdens de een-na-laatste ijstijd op veel plaatsen nog duidelijk zichtbaar. Ondanks de oprukkende woningbouw en de zeer intensieve veeteelt uit het verleden kan men met het blote oog nog de hoogten en verdiepingen in het landschap gemakkelijk waarnemen. Vanzelfsprekend geven de benamingen van de gebieden waar deze sporen voorkomen ons ook een kleine inkijk van wat de restanten van de smeltende gletsjer hier hebben achtergelaten. Zo verwijst de benaming ‘Es’ op een verhoging in het landschap, wat op een restant van een stuwwal kan betekenen en werd een depressie in het gebied doorgaans met ‘Veen’ aangeduid. Doorgaans vanwege het feit dat er vanaf het einde van de laatste ijstijd er water in bleef staan en er na verloop van tijd veen in de verdieping vormde.

Nu waren veel van de depressies in het landschap tijdens de laatste ijstijd opgevuld met onder andere zand, dat afkomstig was van het Gronings gedeelte van de Hondsrug en destijds door de poolwinden hierheen werd vervoerd en daarom niet meer als zodanig herkenbaar. De depressies in het gebied waren ontstaan door de grote hoeveelheid smeltwater dat vrijkwam, toen de grote massa landijs begon te smelten en het water zich een weg zocht naar de lager gelegen delen en hierbij grote, diepe smeltwatergeulen door het zand vormde. Samen met het smeltwater meegevoerde residu dat vrijkwam uit het landijs en de hier aanwezige keileem, ontstond er onder in de geulen een waterdichte laag.

De smeltwatergeul die achterbleef nadat de gletsjer uit het gebied verdwenen was aan het einde van het Saalien, de voorlaatste ijstijd zo’n 130.000 jaar geleden. Op de bovenstaande afbeelding is het restant van de smeltwatergeul duidelijk zichtbaar op de zogenaamde hoogte/laagte beelden (Bron: Actueel Hoogtebestand Nederland).

Dankzij deze waterdichte laag en de doorgaans geleidelijke schuine zijkanten van de voormalige smeltwatergeulen, kon het water amper of helemaal niet meer wegzakken en bleef het in de verdieping staan. Door het warmer worden van het klimaat en de toenemende neerslag, begon het gebied steeds natter te worden en stierven de aanwezige planten af. Hierop groeiden weer nieuwe planten, die vervolgens ook weer afstierven en zich ophoopten in het zuurstofarme water. Doordat de plantenresten niet werden afgebroken door de afwezigheid van zuurstof, kon er zich zo in de duizenden jaren een forse veenlaag ontwikkelen.

Inmiddels heerst er in het Sieveen een ander waterregime dan in het verleden en zie je de vernatting weer toenemen. Was vroeger nog het motto dat het water zo snel mogelijk afgevoerd diende te worden, tegenwoordig is de schouw van de sloten hier verdwenen en zie weer vochtminnende planten terugkeren in het gebied.

De in het gehele gebied aanwezige laag keileem zorgde niet alleen dat er in de depressies veenvorming kon ontstaan, maar ook dat op de natte en moerassige ondergrond planten gingen groeien, die de zeer vochtige ondergrond konden waarderen. Langzaamaan begon ook op de hoger gelegen gebieden een vorm van vegetatie te ontstaan, die voornamelijk uit mossen, grasachtige vegetatie en gewone dophei bestond; natte heide. Bomen zullen hier lange tijd niet hebben kunnen groeien en zal de struiklaag met dwergstruiken zoals de gewone dophei, struikhei en een aantal zeldzamere soorten zoals kraaihei, grote veenbes en lavendelhei het uitzicht voor een lange tijd hier hebben bepaald.

Op de oude Franse legerkaart uit 1810/1811 is goed te zien dat het gebied ten westen van het voormalig esgehucht de Zulte bestond uit immens grote, natte heidevelden. Van landbouwactiviteiten in het gebied is natuurlijk nog geen sprake. Wel is het pad duidelijk te zien waar langs de schaapskudde van de Zulte richting het noorden ging om de heide van de Markegenoten te bereiken (BronDrents Archief).

Tot ver in de negentiende eeuw bleef het gebied onberoerd en was het voor boeren te nat en te moerassig om het hier te gaan ontginnen en zodoende het vee te kunnen laten grazen. Een enkele keer zal de schaapskudde van de Zulte hier hebben gegraasd en op enkele landweggetjes na om binnen door te kunnen gaan, had de mens hier dan ook niets te zoeken. Pas halverwege de negentiende eeuw begon men in de omgeving van de huidige Toutenburgsingel voorzichtig met het ontginnen van de drogere stukken voor de landbouw en veeteelt. Echter, het gebrek aan een goed bemestingsbeleid destijds en een kortzichtige blik op de toekomst, zorgde ervoor dat ook de nattere gedeelten ontgonnen moesten worden.

Op de kaart die stamt uit 1845 laat maar weinig veranderingen zien in het gebied ten westen van het esgehucht de Zulte. (Bron: Gronings Archief).

In die tijd dat de boeren hun begerige blik op het gebied wierpen en vonden dat de natte heide niets toevoegde aan hun bedrijf, bepaalde echter het gebrek aan een deugdelijk stelsel van sloten om het water af te voeren het gebruik van het land. Langzamerhand waren de hoger gelegen gebieden inmiddels in gebruik als bouw- of weiland, maar met het lager gelegen gebied wist men vooralsnog geen raad.

Op de kaart uit 1853 zijn zowel de bouwlanden als het eerste weiland ten zuiden van de Toutenburgsingel in het Sieveen zichtbaar. Langzamerhand verlegde men de agrarische activiteiten steeds meer richting het westen. Ook is de voormalige steenfabriek ten noorden van de singel te zien (BronDrents Archief).

Rond de jaren zestig in de negentiende eeuw begon men met de daadwerkelijke ontginning van de natte heide en werd het veen, dat zich in de duizenden voorafgaande jaren had gevormd, gewonnen en als bemesting gebruik voor de hier nog te planten bomen. Waarschijnlijk stamt de naam van dit gebied, het Sieveen, dan ook uit deze tijd en zal zoveel betekenen als het naastgelegen veen in het hier gesproken Drents dialect.

De diepe sloot die langs de voormalige schapendrift en het water uit onder andere het Sieveen naar de Zulter Bitse moest vervoeren, bestaat nog steeds en heeft zijn functie als zodanig behouden. In principe heeft de sloot zijn exacte locatie behouden, echter het laatste gedeelte loopt nu richting het noorden in plaats van het zuiden. Dat gedeelte is veranderd tijdens de aanleg van de twee vijvers in het stroomgebied van de Zulter Bitse begin jaren zeventig van de twintigste eeuw.

De hier door de eigenaar aangeplante bomen bestonden uit snelgroeiende naaldbomen. Echter om het gebied geschikt te maken voor de aanplant moet de eigenaar de nodige ingrepen doen om het een en ander mogelijk te maken. Het voornaamste was het kwijtraken van het vele water dat in het gebied voorkwam. Daarvoor werd een lange en diepe sloot richting het oosten tot aan de weg in de Zulte gegraven, die vervolgens langs de weg naar het zuiden liep om in de Zulter Bitse te eindigen. Nadat de afvoersloot gereed was en al bezig was het vele water af te voeren, begonnen de arbeiders dwars op de brede sloot verzamelsloten graven waarop weer de afwateringssloten het water loosden. Dit slotenstelsel is nog steeds duidelijk zichtbaar op satellietbeelden die de hoogte in het gebied weergeven.

De afwateringssloten, die in de negentiende eeuw gegraven waren om het water af te voeren zodat de aangeplante bomen gen last van natte voeten kregen, zijn nog steeds duidelijk zichtbaar in het gebied. Weliswaar verdwijnen ze geleidelijk doordat zowel de bodembegroeiing, de mossen en de gronderosie in het gebied de sloten langzaam maar zeker opvullen.

Niet alleen de ontwikkeling van het gebied kwam in een stroomversnelling terecht, ook de vervaardiging van accurate landkaarten, atlassen en plattegronden had een vogelvlucht genomen en de cartografie bleek steeds nauwkeuriger te worden. Vanaf het begin van de twintigste eeuw waren niet alleen de gemeenten en het Kadaster de enigen met zeer nauwkeurige en duidelijke kaarten; ze waren ook voor de gewone man toegankelijk geworden. Zeker richting het einde van de twintigste eeuw ziet men een toename van topografische kaart, waarbij satellietbeelden gebruikt worden. Dankzij het gebruik van de satellietbeelden is het heden ten dage ook mogelijk om bijvoorbeeld de hoogten en de laagten in een bepaald gebied in kaart te brengen.

De veranderingen in het Sieveen die tussen 1903 en 1935 plaatsvonden, zijn op de bovenstaande topografische kaarten duidelijk zichtbaar. Langzamerhand verdwenen de productiebossen en maakten plaats voor weilanden (bron: topotijdreis.nl).

Naast het stelsel van sloten waren natuurlijk ook wegen belangrijk om het gebied bereikbaar te maken voor de arbeiders om de sloten te kunnen graven en om het pootgoed aan te voeren. Deze wegen hebben in het Sieveen tot ongeveer het begin van de jaren dertig van de twintigste eeuw gelegen en zijn na de houtkap in oktober 1930 verdwenen. Daar waar ze door een perceel bos en langs de voormalige steenbakkerij liepen, werden na 1935 in gepoot met Amerikaanse eiken (Quercus rubra). Echter, liep de aanplant op de plaats bij de voormalige steenfabriek volgens plan, bij het perceel bos bleek echter dat echter niet de Amerikaanse eik, maar de moeraseik (Quercus palustris) gebruikt was op het weggetje te beplanten.

Een medewerker heeft jaren geleden vergeten zijn schep, een zogenaamde bats, mee te nemen na zijn werkzaamheden in het bos. Na ruim veertig jaar staat deze nog steeds parmantig te wachten op de medewerker die nooit meer in dit bos zal komen en van zijn pensioen aan het genieten is.

De bossen in het Sieveen werden vanaf het begin van de twintigste eeuw gebruikt voor de houtkap en zullen vooral richting Limburg afgevoerd zijn, waar het hout in de kolenmijnen ter ondersteuning gebruikt werd. Dit zal tot begin 1931 het geval geweest zijn. Op maandag 29 september 1930 verscheen in het Nieuwsblad van het Noorden een advertentie van de dan 63-jarige Harmannus Aukema, waarin het verboden werd om nog langer gebruik te maken van het pad door het Sieveen. De op donderdag 11 april 1867 in de Zulte geboren Harmannus was een zoon van de landbouwer Roelf Jans Aukema en Everdina Harmannus Bakker en overleed op 77-jarige leeftijd op dinsdag 18 april 1944 te Roden.

Restanten van het weggetje dat in het verleden door de bossen van het Sieveen liep, zijn nog duidelijk zichtbaar in het weiland. Op de achtergrond is het bos te zien dat de bomenkap tijdens de eerste dertig jaren van de twintigste eeuw ontlopen is.

Niet alle bossen in het Sieveen werden gekapt en enkele bossen bleven staan. Deze bossen bestonden vooral uit loofbomen met hier en daar nog een enkele naaldboom. Later kwamen deze bossen, zo rond de jaren zestig van de vorige eeuw, in het bezit van Staatsbosbeheer en zijn ze daarna nog een tijd als productiebos gebruikt.

Al snel krijg je het vermoeden wanneer je het bovenstaande verhaal leest, dat vooral bosbouw dit gebied in het verleden heeft plaatsgevonden. Voor een gedeelte van het Sieveen gaat dat eigenlijk ook wel op, maar daarnaast deed veel ook van het gebied dienst als weiland. Zeker nadat landbouwer Harmannus Aukema de bossen liet kappen en het uitmuntende stelsel van sloten grote delen van het gebied redelijk droog wist te houden, deden de landerijen hier dienst als weiland. Nu waren er al delen in het Sieveen aanwezig die eerder aangelegd waren en er waren ook al in de jaren vijftig van de negentiende eeuw pogingen gedaan om hier akkerbouw rendabel te maken.

Op de satellietbeelden die het verschil in hoogte en laagte weergeven, zijn de hoogten in het noorden van het Sieveen duidelijk zichtbaar. Ligt de gemiddelde hoogte van de blauwgekleurde gebieden tussen de 2.70 en de 3.15 meter boven N.A.P., de groene delen tussen de 3.15 en 3.75 meter boven het Normaal Amsterdams Peil en de rood ingekleurde delen variëren tussen de 3.75 en 5 meter boven het al eerder vermelde N.A.P. (Bron: Actueel Hoogtebestand Nederland).

Bleef het bij de akkerbouw nog tot enkele pogingen die blijkbaar gedoemd waren om te mislukken, het aanleggen van gras- en weilanden op de hoger gelegen gedeelten bleek echter succesvol. Deze gedeelten bevonden zich in het noordelijk gedeelte van het Sieveen en maakten zoals de smeltwatergeul deel uit van de grondmorene die achterbleef na het verdwijnen van het landijs. De hoogte van verhogingen varieerde grofweg van 3,75 tot 5 meter boven N.A.P. en bestonden deels uit fijn zand. Waarschijnlijk waren ze in het verleden hoger, maar zullen de straffe poolwinden tijdens de laatste ijstijd deze hebben doen afslijten.

Al met al zat er veel historie hier in de bodem van het Sieveen en de boeren in het gebied maakten daar gebruik van. Niet dat de boeren destijds het besef hadden dat de karakteristieke ondergrond behouden moest worden voor de toekomstige generaties, nee, totaal niet. Erg begrijpelijk want de bedrijfseconomische drijfveer was in die dagen noodzakelijk om het hoofd boven het water te kunnen houden. Dat gold niet alleen voor de twee zonen van Roelof Jans Aukema, Jan Roelofs en Harmannus, maar ook voor Roelof Deodatus Pzn., die eveneens land in het Sieveen bezat. Beide heren bezaten trouwens veel grond in de omgeving van het voormalig esgehucht de Zulte rond die tijd.

In het begin van het jaar 1918 laat Roelof Deodatus Pzn. in een advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden weten dat er op de ochtend van de donderdag 17 januari van dat jaar dat hij schil-, week- en klomphout publiekelijk wenst te verkopen in het café Van der Molen in het dorp Roden, daar waar de weduwe van Roelf van der Molen, Janna samen met haar zoons met de scepter zwaaide. Het hout dat uit het Sieveen kwam, zal voornamelijk schil- en weekhout geweest zijn. Het hout dat rondom de boerderij van Baving stond, was voornamelijk zogenaamd ‘Pöppelnholt’ (populieren hout) en werd gebruikt als klompenholt (klompenhout). Er staan trouwens nog steeds behoorlijk forse populieren bij de huidige boerderij.

De advertentie die Roelof Deodatus Pzn. in de krant liet plaatsen om onder andere hout uit het Sieveen te verkopen (Bron: Zaterdag 5 januari 1918 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 12, 31ste jaargang, No. 4)

Later dat jaar, begin oktober 1918, liet Deodatus wederom een advertentie plaatsen in het Nieuwsblad van het Noorden van donderdag 3 oktober, waarin hij onder andere 4¼ hectare weiland en 1¼ hectare bouwland in het Sieveen voor maar liefst 5 jaar wenst te verhuren. Deodatus vond het blijkbaar zo belangrijk dat de interesse behoorlijk groot was, dat hij de advertentie nogmaals op zaterdag 5 oktober, woensdag 9 oktober en zaterdag 12 oktober in het nieuwsblad liet plaatsen. Het een en ander vond wederom plaats in het café van de weduwe van der Molen in Roden, nu op de woensdag 16 oktober 1918 ’s avonds om 18.00 uur. Het betrof hier de meest noordelijk gelegen percelen in het Sieveen.

De advertentie van 3 oktober 1918 waarin Roelof Deodatus Pzn. belangstellenden opriep om op 16 oktober van dat jaar te komen naar het café van weduwe van der Molen. (Bron: Donderdag 3 oktober 1918 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 6, 31ste jaargang, No. 232).

Ruim vier maanden later, op maandag 17 februari 1919, komen wij een advertentie tegen in de Provinciale Drentsche en Asser courant van de in Zuidhorn woonachtige Jan Roelofs Aukema, broer van Harmannus, waarin hij aangeeft drie percelen hakbos bij palmslag te willen verkopen in het zogenaamd Klein Sieveen. Palmslag is een gebaar waarbij koper en verkoper elkaar in de palm van de hand slaan ter bezegeling van een verkoop. De veiling van de drie percelen zouden volgens de advertentie op zaterdag 1 maart 1919 ’s ochtend om 10.00 uur plaatsvinden in het café W. Scheepstra te Roden.

De advertentie van Jan Roelofs Aukema uit Zuidhorn in de Provinciale Drentsche en Asser Courant waarin hij laat weten drie percelen met hakhout in het Klein Sieveen te willen verkopen (Bron: Maandag 17 februari 1919 Provinciale Drentsche en Asser courant, Pagina 4, 96ste jaargang, No. 40).

Het Klein Sieveen was het gedeelte dat in het midden in het Sieveen lag, zoals op de onderstaande kaart uit 1926 te zien is. Het meest noordelijk gelegen perceel met het nummer 31 bestond uit zowel dennen en loofhout en was 1.4870 hectare groot, percelen 32 en 33 waren respectievelijk 0.9380 en 0.4520 hectare groot en bestonden beiden uit hak- en ingepoot bos. Voor Aukema zal het een mes geweest zijn die van twee kant sneed; geld verdienen aan het verkopen van hout en dan de percelen wederom verpachten als weiland.

Op de bovenstaande kaart zijn de drie percelen te zien waar in 1919 nog bos stond en rond dit tijdstip inmiddels als weiland in gebruik waren genomen (bron: topotijdreis.nl).

Het land in het Klein Sieveen was na de houtkap weliswaar weiland geworden en er lag een goed werkend stelsel van sloten, toch bleef het land er in de nattere seizoenen op veel plaatsen nog behoorlijk drassig. Tot ver in de jaren zeventig van de vorige eeuw was dit zeker het geval en moest de eigenaar van het land, Job Dijk uit de Zulte, er beducht op zijn dat er tijdens het hooien niet met tractor en boerenwagen stil werd gestaan. De kans was enorm groot dat de wagen vast kan te zitten. Daarom zorgden zijn zonen Gerrit en Wietse ervoor, dat er nooit meer dan twee lagen hooipakjes op de boerenwagen werden gestapeld.

Het Klein Sieveen op een winterse dag aan het einde van het jaar 2014. Langzamerhand krijgen de inheemse wilde planten weer grip op het gebied. Doorgaans zijn het wel de vochtminnende planten die zich hier enorm thuis voelen.

Nu was de akkerbouw in het Sieveen niet echt succesvol, maar zo nu en dan deed men toch weer een poging iets te verbouwen. De heer G. D. Boswijk, notaris te Roden, liet in het jaar 1928 een advertentie laten plaatsen in het Nieuwsblad van het Noorden van Zaterdag 7 juli voor een aantal landbouwers uit de omgeving van het prachtige Noord-Drentse dorp Roden. De al eerder aangehaalde Harmannus Aukema deed ook mee en probeerde tijdens de publieke verkoping die op de vrijdagmiddag van 13 juli 1928 in het Café van H. M. de Vries te Roden een perceel Zwarte Orion haver in het Sieveen te verkopen.

De advertentie die verscheen in het Nieuwsblad van het Noorden van zaterdag 7 juli die geplaatst was in opdracht van de Roner notaris G. D. Boswijk. (Bron: Zaterdag 7 juli 1928 Nieuwsblad van het Noorden, Pagina 19, 41ste jaargang, No. 159).

Harmannus Aukema had het in die dagen druk als boer met het een en ander te regelen. En er moest natuurlijk brood op de plank komen, dus er diende geld verdiend te worden. Door onder andere de toenemende kolenwinning in Zuid-Limburg steeg de vraag naar hout in heel Nederland en ach, Harmannus had nog wel ’n paar bunder hakbos staan. Nu was het op stel en sprong kappen van de bomen om snel een paar guldens aan het hout te gaan verdienen en dan zo snel mogelijk van de percelen gras- of weilanden maken niet zo maar gedaan.

De advertentie die Harmannus Aukema in het jaar 1930 tweemaal liet plaatsen in het Nieuwsblad van het Noorden (Bron: Maandag 29 september 1930 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 11, derde blad, 43ste jaargang, No. 229).

Het gebied was inmiddels ontdekt door de wandelaars en de dagjesmensen, die enorm van dit gebied konden genieten. Daarnaast was het voor velen een binnen doorweggetje geworden om de Toutenburgsingel te bereiken, om vervolgens dan richting Terheijl, Leek of Nietap hun weg te vervolgen. Nadat Aukema in 1930 alles geregeld had voor de bomenkap in het gebied, plaatste de landbouwer eind september van dat jaar een advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden, waarin hij liet weten dat met ingang van 4 oktober het Sieveen voor iedereen verboden was. Twee dagen later, woensdag 1 oktober, werd de advertentie nogmaals geplaatst.

Dit maal was het de landbouwer Roelof Deodatus Pzn. die de notaris Boswijk uit Roden een advertentie liet plaatsen in het Nieuwsblad van het Noorden op zaterdag 7 februari 1931 (Bron: Zaterdag 7 februari 1931 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 26, zevende blad, 44ste jaargang, No. 32).

Notaris Boswijk uit Roden had het in die jaren niet alleen druk met regelen van de vele verkopingen, ook het organiseren van het verhuren en/of het verpachten ging gewoon door. Ook Roelof Deodatus Pzn. deed zijn best om de notaris bezig te houden in het begin van de jaren dertig. Zoals Aukema dat al eerder had laten doen, liet Deodatus de notaris eveneens een advertentie opstellen waarin hij een huis en twee percelen weiland te huur aanbood. De advertentie verscheen in het Nieuwsblad van het Noorden van zaterdag 7 februari 1931. Een van de percelen was circa vier hectare groot en lag in het Sieveen. Waarschijnlijk begon men zich nu wel aan de kadastrale indeling uit 1832 te houden en ineens ligt het Sieveen in Terheijl. De gesloten briefjes dienden voor of op woensdag 18 Februari 1931 bij de notaris te worden ingeleverd.

De advertentie die de twee notarissen voor Deodatus hadden opgesteld en die eerst op zaterdag 28 november en daarna weer op 5 december in het Nieuwsblad van het Noorden verscheen. (Bron: Zaterdag 28 november 1936 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 24, zesde blad, 49ste jaargang, No. 282).

Bijna vijf jaren later heeft Deodatus weer een klusje voor de notaris Boswijk uit Roden. Voor vrijdag 11 december 1936 ’s middags om 15:00 uur staat een evenement gepland in het hotel van der Molen te Roden, waarbij publiek bij inzate een paar boerenbehuizingen, diverse percelen heide, bouw-, hooi-, en weilanden worden geveild. Een beste klus die de Roner notaris niet in zijn eentje doen kan en daarom hulp krijgt van zijn collega F. R. M. Th. Gouverne uit de stad Groningen. De advertentie voor de veiling verschijnt zaterdag 28 november voor het eerst in het Nieuwsblad van het Noorden en een week later, zaterdag vijf december 1936, werd de advertentie nogmaals herhaald.

Waarschijnlijk had men de inhoud van de verkoping/aanbesteding in de advertentie beperkt tot de hoofdpunten en wilde men meer informatie, dan was men genoodzaakt de zogenaamde veilingboekjes voor 10 cent aan te schaffen. Daarnaast had men ook op het kantoor van de notaris een kadastrale kaart ter inzage liggen. De samenvatting in de krant was echter wel een goede suggestie wanneer men er belang bij had om landerijen van Deodatus te gaan kopen. Een andere en zeker niet een mindere opmerking in deze advertentie was toch wel, dat de betaling op 1 mei 1937 diende te geschieden. Niet geheel verwonderlijk, blijkbaar zat Roelof Deodatus Pzn. toch behoorlijk om geld te springen.

De afloop van verkoop en aanbesteding die 11 december 1936 plaatsvond in hotel van der Molen te Roden. Op de drie percelen had Jacob Siegers uit Roden 5580 gulden ingezet (Bron: Zaterdag 12 december 1936 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 10, derde blad, 49ste jaargang, No. 294).

Een week later nadat de tweede advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden van 5 december was verschenen, werd in de krant van vrijdag 12 december 1936 de afloop van de verkoping en aanbesteding bekend gemaakt door de twee notarissen Boswijk en Gouverne. De veiling van de percelen vond in het hotel van der Molen in Roden plaats. Het kavel D omvatte drie percelen weiland in het Sieveen ter grootte 6,163 hectare: perceel 11, weiland Sieveen 2,063 hectare, perceel 12, weiland Sieveen 1,4 hectare, en perceel 13, weiland Sieveen 2,7 hectare. In de aankondiging advertentie stond echter het foutieve getal: D. Weiland “Sieveen” , groot 6,153 hectare, minder dan de daadwerkelijke oppervlakte.

De aankondiging in de krant dat op 22 december 1936 in hotel Zuiderveld te Roden een belangrijke verkoping plaats zal vinden (Bron: Zaterdag 19 December 1936 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 23, zesde blad, 49ste jaargang, No. 300).

Voor de drie percelen weiland in het Sieveen had de dan 45-jarige uit Roden afkomstige Jacob Siegers ingezet op een totaalbedrag van 5580 gulden. Vervolgens gingen de twee notarissen weer naar het Nieuwsblad van het Noorden en lieten zij een advertentie plaatsen in de zaterdageditie die op de zaterdag 19 december verscheen. Hierin stonden de weer de aangeboden kavels, maar nu met de ingezette bedragen. Over het kavel D., een weiland in het Sieveen, groot 6,168 hectare vermeld de advertentie dat deze is ingezet op f 5580,-. En weer zal het ondeugende zetduiveltje bij de krant zijn slag hebben geslagen, nu wordt het kavel weer groter aangeven dan deze werkelijk is.

Het een en ander zou volgens de advertentie publiek bij palmslag verkocht worden op dinsdag 22 december 1936 om drie ’s middags in het hotel Zuiderveld te Roden. Voor de rest wijkt deze advertentie maar weinig af van de advertentie die eerder op 28 november verscheen, echter dat het nu in hotel Zuiderveld in plaats van hotel van der Molen plaatsvond en de ingezette bedragen stonden nu bij de kavels.

Uiteindelijk heeft niet Jacob Siegers uit Roden de drie percelen in het Sieveen gekocht, maar ene J. A. Meijer wonende te Eenrum (Gr.) (Bron: Woensdag 23 december 1936 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 6, tweede blad, 49ste jaargang, No. 303).

In het Nieuwsblad van het Noorden die op woensdag 23 december 1936 verscheen, deden de twee notarissen verslag van de belangrijke palmslag in Roden. Naast de andere kavels werden ook de drie percelen weiland, kavel E., verkocht. Had de Roner Jacob Siegers nog ingezet op 5580 gulden voor de drie weilanden, het was de uit het Groningse Eenrum afkomstige J. A. Meijer die met de drie percelen aan de haal ging. De Ainrumer kon maar liefst 8300 gulden gaan betalen voor de drie weilanden in het Sieveen.

Ruim vier jaren later komen we Roelof Deodatus Pzn. weer tegen in het Nieuwsblad van het Noorden. Nu in een advertentie van de Roner Notaris G. D. Boswijk, waarin hij voor meerdere eigenaren van percelen met bos aangeeft dat er op maandag 20 januari 1941 een grote bosverkoping plaats zal vinden in het café van J. Scheepstra nabij de kerk in Roden. De notaris omschreef het als volgt: ‘Voor den heer R. Deodatus Pzn. te Zulte: 2 perceelen bosch in het Sieveen, afk. van H. Deodatus’.

De advertentie van notaris Boswijk waarin hij voor een aantal eigenaren bos te koop heeft gezet (Bron: Zaterdag 18 januari 1941 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 16, vierde blad, 54ste jaargang, No. 15).

Tap en Winkel-Neering langs de Leekster Dyk

In het jaar 1789 kondigden zich belangrijke gebeurtenissen aan ten noordwesten van de Zulte. Niet alleen het huwelijk tussen Willem de Lille en Arend Sloet’s weduwe Johanna Philippina van Dedem op vier januari 1789, waardoor de Lille heer en meester werd op Huize Ter Heyl, maar ook een grote aanbesteding in de maand oktober van dat jaar zorgde voor reuring in de omgeving.

Een gedeelte van een kaart die de situatie rond 1781 in de omgeving van het Noord-Drentse dorp Roden weergeeft. De Zulte wordt nog als ‘de Sult’ op de kaart aangegeven.

In de twee grootste kranten van dat moment, de Groninger Courant en de Leeuwarder Saturdagse Courant, verschenen er bekendmaakingen met de mededeling dat de goedkoopste aannemer zich kon verheugen op een flinke portie werk voor de komende winter. De aanbesteding zou op vrijdag 30 oktober van dat jaar plaatsvinden bij Huize Ter Heyl. De advertentie in de Groninger Courant verscheen eerst in de editie van dinsdag 13 oktober er werd nogmaals geplaatst in de uitgave van dinsdag 20 oktober. De Leeuwarder Saturdagse Courant plaatste de advertentie in de editie van zaterdag 17 oktober in een licht afwijkende versie.

De advertentie van de aanbesteding in Groninger Courant No. 82, Dingsdag Den 13 October 1789, tweede blad. Te Groningen by A.S. Hoitsema in de Oude Boteringe Straat.

‘Op den 30 October 1789, zal op ’t HUIS TER HEYL by de Nientap, aan de minste aannemende besteed worden, diverse Aardwerk, als het uitgraven en verdiepen van eenige honderd Roeden Hoofddiep en wyken, het aanleggen van nieuwe Cingels, Graaven van Slooten, Aardwenden en wat dies meer is, alles bekwaam Winterwerk , volgens Bestek kan aldaar 8 dagen bevorens te zien.’

De afwijkende tekst in de Leeuwarder Saturdagse Courant No. 1942, van Den 17 october 1789, negende blad. Te Leeuwarden by de Erven van A. Ferwerda in de Slotmakers-Straat, staat hieronder.

‘Op den 30 October 1789, zal op ’t Huis ter Heyl by de Nyentap, aan de minstaannemende besteed worden: Diverse AARDWERK, als het uitgraven en verdiepen van eenige Hondert Roeden Hoofd-diep en wyken, het Aanleggen van Nieuwe Zingels, Graven van Slooten, Aardwenden en wat dies meer is, alles bekwaam Winterwerk volgens bestekken, aldaar 8 dagen voor af te zien.’

Het werk bestond onder andere uit aardwerk, zoals het uitgraven en verdiepen van enkele honderden roeden Hoofddiep en wijken (zijkanalen in een verveningsgebied). Of er sprake was van de Groninger roede die uit 14 voet bestond en een lengte bezat van 4,12 meter of dat de Steenwijker roede gebruikt werd, die 16 voet groot (4,7 m) was, durf ik niet te zeggen. Maar het lijkt mij logisch dat de Steenwijker roede werd toegepast, daar deze alom werd aangezien als de veenmaat in Drenthe. Naast het bovengenoemde onderhoud aan de waterwegen, bestond het werk ook uit het aanleggen van nieuwe singels, sloten en andere voorkomende werkzaamheden.

De huidige Toutenburgsingel richting het oosten gezien in de herfst van het jaar 2018. Op de achtergrond is de boerderij te zien, die halverwege de negentiende eeuw op de plaats van de herberg is gebouwd.

Een andere ingrijpende gebeurtenis aan het einde van dat jaar was dat er niet alleen een singel vanaf Huize Ter Heyl richting de Leekster Dyk (de weg tussen Rhoden en Nientap, de huidige J. P. Santeeweg) werd aangelegd, maar er begonnen zich ook bouwactiviteiten  te ontplooien aan de oostelijke zijde. Met het afbraakmateriaal van het huis Toutenburg dat zich destijds in Vollenhove (Overijssel) bevond, liet Willem de Lille een gebouw oprichten dat de naam ‘Tautenborg’ kreeg.


Zo zou de net gebouwde herberg annex winkel ‘Tautenborg’ er aan het begin van het jaar 1790 uit hebben kunnen zien. De breedte van het gebouw was ongeveer acht meter, de lengte bedroeg zo’n 12 meter en de hoogte zal ruim vijf meter geweest zijn.

Het gebouw, dat ongeveer aan het einde van de maand maart 1790 gereed was, kreeg de functie van zowel herberg en kroeg als een winkel. De ligging van het gebouw was zeker goed gekozen daar deze aan de weg tussen Roden en Nietap lag een gunstige plaats was om bijvoorbeeld de paarden van onder andere koetsen te verzorgen.

Enkele driedimensionale impressies van de herberg ‘Tautenburg’. Natuurlijk het blijft speculeren hoe het gebouw er daadwerkelijk uit heeft gezien, daar er geen afbeeldingen of een bouwtekening van de herberg hebben of nog bestaan.

Maar ondanks het vele speculeren over het uiterlijk van het gebouw, kunnen we vandaag de dag het een en ander aan de hand van oude sporen in de bodem reconstrueren tot een mooi plaatje. Toch het mooiste en duidelijkste bewijs van het oude gebouw zou de indrukwekkende kelder kunnen zijn, die in de voor de achttiende typerende bouwwijze is aangelegd. Op de onderstaande afbeelding is een impressie te zien van hoe het geweest zou kunnen zijn.

Met een klein beetje fantasie zou de herberg met de prachtige kelder er zo hebben uit gezien rond 1790.

De kelder die uitblinkt door de prachtige oude tegels, die rood/oranje en grijszwart gekleurd zijn, is waarschijnlijk aangelegd door vaklieden. Of het lokale arbeiders waren die goedkoper waren, of juist vakmensen (mijn vermoeden), zal altijd wel een raadsel blijven. Maar dat hier een puik stukje werk uit het einde van de achttiende eeuw ligt, moge duidelijk zijn.

Op de afbeelding zijn zowel de prachtige vloer- en wandtegels te zien als de forse muren. (De bovenstaande foto is gemaakt en geplaatst met de uitdrukkelijke toestemming van de eigenaar van het pand.)

Maar goed, de herberg met tap en winkelnering was inmiddels gereed voor gebruik. Hiervoor moest De Lille iemand aantrekken die het beroep van herbergier en kastelein kon en niet onbelangrijk, deze klus wilde vervullen. Om iemand voor het werk te vinden toog De Lille in april 1790 naar de Oude Boteringestraat in de stad Groningen, om bij boekdrukker A.S. Hoitsema een advertentie te laten plaatsten.

De advertentie van Willem de Lille in de Groninger Courant No. 32, Dingsdag Den 20 April 1790, tweede blad. Te Groningen by A.S. Hoitsema in de Oude Boteringe Straat.

Naast boekdrukker was Hoitsema ook uitgever van de Groninger Courant, de krant waar in de editie van 20 april 1790 op het tweede blad een oproep verscheen met het verzoek of iemand genegen was, om de Tap en Winkel-Neering plus de herberg te bestieren. De prachtig gelegen herberg bezat onder andere stallen, singels en een visvijver. Belangstellenden konden zich melden bij de opzichter van Huize Ter Heyl J. L. Lange. Twee weken later verscheen er in de editie van vier mei 1790 de advertentie nogmaals.

‘Iemand genegen zynde op voordeelige Conditien uit de Hand te Huuren, een zeer logeabele, voor Tap en Winkel-Neering wel gelegene Herberg, TAUTENBORG genaamt, met Stallinge, Hof en Veldgrond, Cingels en Vischvyver, alles nieuw getimmerd en aangelegd tusschen de Nientap en Rhoden in de Landschap DRENTHE, te aanvaarden op, May of November 1790, kan zig addresseeren op den Huize Ter HEIL, en aldaar aan de Opzigter J. L. LANGE. ‘

De prachtige ligging van de herberg rond 1790 aan het grote heideveld en naast een groot bos ten noorden van het esgehucht de Zulte.

De herberg werd dan ook als zodanig de volgende zestien jaar gebruikt. De vele verkopingen die in die jaren rondom het landgoed plaatsvonden, werden doorgaans op het terrein van Huize Ter Heyl of in de kroeg van Marten Harmens Vroom, de Druif, plaats. Zoals de onderstaande advertentie in de Groninger Courant van dinsdag 22 juni 1790 met een aanbesteding die het jaar ervoor nog op Huize Ter Heyl plaatsvond:

‘Op WOENSDAG den 30 Juny 1790, zal men ten Huize van de Kastelein MARTEN VROOM op de Nientap, des nademiddags te drie uuren, besteden het Graven van eenige honderd Roeden Vaart, boven het Sevenhuister Hoofddiep, en verder Aardwerk, waar van de Bestekken te zien op den Huize Ter Heyl.’

Zo komen wij negen jaren later in de Groninger Courant van dinsdag 1 januari 1799 een advertentie tegen waarin veel hout te koop aangeboden werd: 

‘Uit de hand te Koop een groote quantiteit gekapt Elzen en Berken Hout van verschillende dikte en geschikt tot Paalen, Balksleeten, Hopstaaken, Bonestokken, Erfte, en Bezemrys, Takkenbossen, alsmede Korvemakers Twyg op TER HEYL by de Nietap.’

De omgeving van Huize Ter Heyl aan het begin van de negentiende eeuw, waar de vele bossen, veen, vijvers en weilanden het gezicht van het gebied wisten te bepalen.

Na de schaapsscheerderskou van het jaar 1805, laat de Lille schapen uit zijn kudde en de wol afkomstig van de dieren verkopen op Huize Ter Heyl. Waarschijnlijk het laatste jaar dat dit evenement in Ter Heyl plaatvond, daar in het volgend jaar deze plaats  had nabij de herberg. De advertentie die verscheen in de Ommelander Courant van dinsdag 11 juni 1805, komen wij de onderstaande tekst tegen, die de Lille waarschijnlijk ook een jaar later enigszins aangepast weer gebruikte:

‘Uit de hand, Stukswyze en by de Party, te Koop een aantal Vachten of Vliezen uitmuntende witte WOLLE; door vermenging van inlandsche Ooyen met SPAANSCHE Rammen verfynd: Als ook een Jaarige Ram, en ondersscheydene Ram lammeren uit egt SPAANSCH Ras, van de eerste tot de vyfde generatie; geschikt tot voortteeling, en tot verfyning der inlandsche WOLLE; Benevens nog eenige Ooyen, en Ooy – lammeren desgelyks uit SPAANSCH Ras: Wie daar voor liefhebbery heeft, of gading in maakt vervoege zig van nu af aan op den Huyze TER HEYL, en aldaar by Albert Roelofs:  Die het eerste komt gaat het eerst in de keur. ZEGT H E T VOORT.’

De advertentie zoals deze verscheen in het jaar 1805 op het voorblad van de Ommelander Courant No. 47 van Dingsdag den 11 Juny.

Het was ook rond deze tijd er ook veranderingen begonnen op te treden in de toenmalige Nederlandse spelling en de schrijfwijze. Het zogenaamde Nieuwnederlands dat in 1804 dankzij Matthijs Siegenbeek zijn invoering kende en er voor moest zorgen, dat de spelling de beschaafde Hollandse uitspraak van het woord moest weergeven; de Spelling-Siegenbeek.

Dat een eenduidige schrijfwijze nodig was, blijkt wel uit de onderstaande advertenties welke verschenen de drie regionale kranten die in de omgeving van de Zulte werden gepubliceerd. Het was niet dat men zich direct aan de voorstellen van Siegenbeek ging houden, nee verre van dat, dit zou pas geschieden in de jaren tachtig van de negentiende eeuw.

Het evenement dat op vrijdag 30 mei 1806 zou worden gehouden bij de herberg Toutenborg (of ‘Touterborg’ zoals de Ommelander Courant de herberg noemde). De eerste advertentie komen wij tegen in de Ommelander Courant van vrijdag 23 mei 1806, de volgende komt uit de Leeuwarder Courant die zaterdag 24 mei 1806 verscheen en de laatste werd in de Groninger Courant van dinsdag 27 mei van dat jaar geplaatst.

De advertentie die een jaar later verscheen in de Ommelander Courant No. 41, Vrydag den 23 May 1806, tweede blad. Te Groningen ter Boekdrukkery der Ommelanden, onder firma van Leonard Bolt.

‘Op Vrydag den 30sten Mey 1806. des namiddags te 2 uuren praecies zal in de Herberg Touterborg onder TER HEYL aan de Leeksterdyk tussen de Leek en Roden stukswyze aan de meestbiedende worden Verkogt een Koppel van tussen de 60 á 70 Schaapen met derzelver Vachten, alle geteeld uit egt SPAANSCH RAS, bestaande uit 20 Melk-Ooijen, ten hoogsten een, twee, of driemaal geschooren, met derzelver 30 zo Ram als Ooijlammeren, en 14 Guste Enterooijen, met een Jaarige Ram, meerendeels gebragt tot den hoogsten graad van verfijning der Wolle, en zynde alle gezond, en wel gevoed. De Liefhebbers van de Schaapeteelt en Wol-verfyning daar in gading makende vervoegen zig op tyd en plaats voorschreeven, en koopen hun genoegen !’

Leeuwarder Courant No. 2808, van Saturdag den 24sten May 1806, zevende blad. Te Leeuwarden by de Erven van A. Ferwerda, op de Eewal.

‘Op Vrydag den 30sten Mey 1806. des nademiddags te 2 uuren praecies zal in de Herberg Touterborg onder TER HEYL aan de Leeksterdyk tussen de Leek en Roden stukswyze aan de Meestbiedende worden Verkogt; een Koppel van tussen de 6o á 70 SCHAAPEN met derzelver VACHTEN, alle geteeld uit egt SPAANSCH RAS, bestaande in 20 Melk Ooyen, ten hoogsten één, twee á driemaal geschooren, met derzelver 30 zo Ram als Ooylammeren, en 14 Guste Enter Ooyen, met een Jaarige Ram; meerendeels gebragt tot den hoogsten graad van verfijning der Wolle, en zynde alle gezond, en wel gevoed. De Liefhebbers van de Schaapeteelt en Wol-verfyning daar in gading makende, vervoegen zig op tyd en plaatse voorschreeven, en Koopen hun genoegen.’

De advertentie in de Groninger Courant No. 42, Dingsdag den 27 May 1806, tweede blad. Te Groningen by A.S. Hoitsema, Drukker der Groninger Courant in de Oude Boteringe Straat.

‘Op Vrydag den 30sten May 1806 des namiddags te 2 uuren precis, zal in de Herberg Toutenborg onder TER HEYL aan de Leeksterdyk, tussen de Leek en Roden stukswyze aan de meest biedende worden verkogt: Een koppel van tussen de 6o en 70 Schaapen met derzelver Vachten, alle geteeld uit egt SPAANSCH RAS, bestaande uit 20 Melk ooyen, ten hoogsten een, twee, of drie maal geschoooren, met derzelver 30 zo Ram als ooylammeren, en 14 Guste Enterooyen met een jarige Ram; meerendeels gebragt tot den hoogsten graad van verfyning der Wolle, en zynde alle gezond en wel gegevoed. De Liefhebbers van de Schapeteelt en wolverfyning, daar in gading maakende vervoegen zig op tyd en plaats voorschreeven, en koopen hun genoegen.’

Waarschijnlijk was het evenement slechts een eenmalige gebeurtenis daar er niets meer over te vinden is in de latere jaren. Pas in het jaar 1810 komen we de herberg tegen in de regionale dagbladen. In de omgeving van het esgehucht de Zulte maakten aan het einde van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw eigenlijk maar twee mensen de dienst uit. Deze mensen, Floris Aukema bezat veel grond in de directe omgeving van het gehucht, en Willem de Lille, die ten noorden en in het westen grond in eigendom had.

Op de oude Franse legerkaart van 1810/1811 is goed te zien dat er veel bossen (geel gekleurd op de kaart) ten noorden van het brinkgehucht de Zulte stonden.

Naast dat er in het gebied rondom de Zulte veel drassige, natte gebieden en een kleine beek voorkwamen, waren de vele en grote bossen een ander kenmerk van het gebied. Bossen hadden grondbezitters niet veel aan; er viel niets aan te verdienen want niemand wilde ze pachten. Pas later in de achttiende eeuw kwam het besef dat er geld viel te verdienen aan het hout en als het bos was gekapt, kon er pacht worden geïnd.

Het hout dat nu veel waarde bezat, werd tijdens een veilig per ‘afslag bij afmijning’ verkocht. Deed Aukema dit bij de boerderij van Harm Vogelsang, de Lille zijn erfgenamen deden dit bij de herberg Toutenborg, waar kastelein Hendrik Caspers met de scepter zwaaide.

De advertentie die respectievelijk op vrijdag 2, dinsdag 6 en vrijdag 9 november 1810 in de Groninger Courant verscheen. (Te Groningen by A.S. Hoitsema, Drukker der Groninger Courant in de Oude Boteringe Straat.)

‘Men is voornemens op Maandag den 12 November 1810, aan de meestbiedende op Boelgoeds-Conditien te verkopen: Eene aanzienelyke kwantiteit EIKEN STAMBOOMEN, waar onder geschikt voor Molenmakers, Wagenmakers en Scheepstimmerlieden, inzonderheid tot Palissaden, Gordingen en allerhande Timmerhout, als mede diverze SCHELBOSSCHEN, alle staande in de Bosschen en op de Boeren Plaatsen onder den Huize Ter Heyl behorende, in ‘t Schoutampt van Rhoden, wie nader berigt en aanwyzinge begeerd, kan zich vervoegen by de Castelein HENDRIK CASPERS op Toutenborg, zullende de verkoping beginnen des voormiddags te 9 uuren.  Z E G T H E T V O O R T. ‘

Vanzelfsprekend zou je haast gaan zeggen, komen wij de advertentie ook tegen in de Ommelander Courant. Eigenlijk verschilt deze maar weinig van die uit de Groninger Courant, maar toch zit er een wezenlijk verschil in. Vanaf maandag 9 juli 1810 hield het koninkrijk Holland op te bestaan en behoorde ons land tot het Frans Keizerrijk. Naast dat de Franse taal een nadrukkelijke stempel kreeg, immers wij maakten nu deel uit van Frankrijk, was een deel van de bevolking die terug ging naar oude Nederlandse benamingen van de maanden en waren geïnspireerd door de Franse republikeinse kalender. November werd nu door bijvoorbeeld Ommelander Courant ‘Slagtmaand’ genoemd.

De advertentie zoals deze in edities No. 89 en No. 90 van dinsdag 6 november en vrijdag 9 november 1810 in de Ommelander Courant werden geplaatst. (Te Groningen, by M. Van Heyningen Bosch, in de Oude Ebbinge-straat.)

‘Men is voornemens op Maandag den 12 van Slagtmaand 1810, aan de meestbiedende. op Boelgoeds-Conditien te verkoopen: Eene aanzienelyke kwantiteit EIKEN STAMBOOMEN, waar onder geschikt voor Molenmakers, Wagenmakers en Scheepstimmerlieden, inzonderheid tot Palissaden, Gordingen en allerhande Timmerhout, als mede diverze SCHELBOSSCHEN, alle staande in de Bosschen en op de Boeren Plaatsen onder den Huize Ter Heyl behorende, in ‘t Schoutampt van Rhoden, wie nader berigt en aanwyzinge begeerd, kan zich vervoegen by de Castelein HENDRIK CASPER op Toutenborg, zullende de verkoping beginnen des voormiddags te 9 uren.  Z E G T   H E T  V O O R T.’

De hierboven genoemde Hendrik Caspers heette eigenlijk Hindrik Caspers Denkella en was zesenvijftig jaar oud. De in november 1754 te Zuidhorn geboren en op de zondag 8 december van dat jaar gedoopte Hindrik trouwde op zaterdag 1 januari van het jaar 1785 in Midwolde met de op donderdag 23 augustus 1764 in Roden geboren Elisabet Everdina Arnoldus. Het echtpaar woonde met hun zeven kinderen in het huis waarin ook het etablissement gevestigd was. Naast kastelein vervulde Hindrik Caspers ook de taak als opzichter in dienst van de eigenaren van Huize Ter Heijl. Hindrik overleed donderdag 20 januari 1842 in Terheijl op 87 jarige leeftijd, zestien jaren later dan zijn vrouw.

Niet alleen publieke verkopen vonden rond die tijd plaats in de herberg, ook verkopen tussen Cornelis Reijntjes die als gevolmachtigde van J.P. van Dedem douairière de Lille optrad, werden hier besloten. Johanna Philippina van Dedem tot den Gelder mocht zich douairière noemen, daar zij de weduwe van een edelman (haar eerste echtgenoot Arend baron Sloet tot Tweenijenhuizen was van adel) was. Reijntjes tekende op dinsdag 19 februari 1811 in Huise Tautenburg een koopbrief in opdracht een aantal percelen in gebruik onder beklemming van de 74 jaren oude en inmiddels in Leutingewolde wonende keuter en weduwnaar Cornelis Jacobs. Jacobs overleed enkele maanden later op maandag 15 juli 1811.

Ruim een maand later, op vrijdag 22 maart 1811, wordt de bovenstaande overdracht geregeld tussen Cornelis Reijntjes en Mr. G.W. van der Feltz provinciaal gekwalificeerd tot het waarnemen van de functie van notaris, aan wie de volmacht van Cornelis Jacobs  aan de uit Leutingewolde afkomstige Otte Kornelis overhandigd was, in Toutenborg onder Zulte.

Enkele weken later, in het begin van de maand maart 1811, komen wij de herberg Toutenburg weer tegen. Of zou de herberg nu in het Frans als ‘Auberge Toutenburg’ genoemd worden? Niet zo’n rare gedachte, want wij zijn inmiddels een deel van het grote Franse keizerrijk geworden en de couranten in de omgeving noemen zichzelf al ‘Gazette’.

De Ommelander Courant die door M. Van Heyningen Bosch in de Oude Ebbinge-straat te Groningen werd uitgegeven, prijkte ‘Gazette D’Ommelande’ op de voorpagina en was tweetalig. De linker kolom was in de Franse taal, de rechter in het Nederlands. Althans op de voorpagina, de andere pagina’s waren nog steeds in het Nederlands.

Op zowel vrijdag 1 maart als dinsdag 5 maart 1811 komen wij in de Gazette D’Ommelande wederom een advertentie tegen, waarin wederom een aanzienlijke hoeveelheid hout op de domeinen van Huize Ter Heyl te koop wordt aangeboden.

Gazette D’Ommelande No. 18, Vendredi le 1 Mars 1811/Ommelander Courant No. 18, Vrydag den 1 Maart 1811, tweede blad. Te Groningen, by M. Van Heyningen Bosch, in de Oude Ebbinge-straat.

‘Men is voornemens op Zaturdag den 9 Maart 1811, dus voordemiddags te 9 uren, aan de meestbiedende op Boelgoeds Conditien te laten Verkoopen: Eene aanzienlyke kwantiteit DENNEN, ELZEN en BERKEN HOUT, liggen de alles gekapt op de Cingels en Plantagien van den Huize Ter Heyl, in het Schout-Ambt van Rhoden, digt by het Water, kunnende gemakkelyk naar elders worden getransporteerd; zeer geschikt voor alle Timmerlieden, Pompemakers enz. Wie nader berigt en aanwyzing begeerd, kan zich vervoegen by den Kastelein HENDRIK CASPERS, op Toutenburg.’

Rond deze tijd waren de advertenties in zowel de Gazette D’Ommelande als in de Gazette De Groningue (Groninger Courant) vrijwel identiek aan elkaar en zou het invoegen van de advertentie niets toevoegen. Deze verschenen op vrijdag 1 maart, dinsdag 5 maart en vrijdag 8 maart 1811.

In het Advertentieblad van het departement van de Wester-Eems No. 34, Donderdag den 24 October 1811, komen wij op het hoofdblad een aantal advertenties van de weduwe van Willem de Lille tegen. Het zijn de laatste berichten uit de negentiende eeuw waarin de herberg werd genoemd.

Advertentieblad van het departement van de Wester-Eems No. 34, Donderdag den 24 October 1811. Te Groningen, by M. Van Heyningen Bosch, in de Oude Ebbinge-straat, Redacteur en Drukker der beide Nieuwspapieren in het departement van de Wester-Eems. De prijs van ieder nummer is 4 duiten.

‘De ondergetekende is voornemens op Dingsdag den 5 November 1811, des voormiddags te 10 uren, door Mr. M. S. GRATAMA Keizerlyk Notaris te Assen, publiek aan de meestbiedende op de gewoone Conditien te doen verkoopen; Diverse aanzienlyke percelen EIKEN SCHELBOSSCHEN, staande in de Bosschen en Plantagien van den Huize Ter Heil, in de Gemeente van Rhoden, Canton Assen, en naby het water gelegen. Wie nader berigt en aanwyzinge begeerd, kan zich vervoegen by den Kastelein HENDRIK CASPERS op Toutenborg. J. P. van DEDEM, Douairière DE LILLE.’

‘De ondergetekende is voornemens op Donderdag den 7 November 1811 des voormiddags te 9 uren, publiek aan de meestbiedende op de gewoone Conditien te laten verkoopen: Een aantal EIKEN en ESSCHEN STAMBOOMEN, als mede diverse aanzienelyke percelen EIKEN SCHELBOSSCHEN, staande op de Ter Heilsche Boeren Plaatsen op de Zevenhuizen, Canton Hoofdplaats de Leek, digt by het water, kunnende gemakkelyk na elders worden getransporteert; wie nader berigt en aanwyzinge begeerd, kan zich vervoegen by den Kastelein HENDRIK CASPERS op Toutenborg. J. P. van DEDEM, Douairière DE LILLE.’

Kadastrale kaart van de Gemeente Roden. Sectie I, genaamd de Zulte, derde blad, 1832. Opgemeten door A. C. Meijer, Landmeter der Eerste Klasse.

Op de Kadastrale kaart van de Gemeente Roden, Sectie I, de Zulte, derde blad, komen wij de herberg tegen met de naam ‘Stouten-burg’. Het was inmiddels de zoveelste naam voor het gebouw dat in het midden van de negentiende eeuw werd gesloopt.