Revolutie, een Engelse soldaat en een patriot in de Zulte.

Toen het verzet van de Britse-Hessische-Hannoverse-Staatse geallieerden aan het einde van het jaar 1794 in Nederland was gebroken door Franse troepen onder leiding van generaal Jean-Charles Pichegru en de erfstadhouder Willem V samen met veel orangisten op zondag 18 januari 1795 in een hoog tempo richting Engeland waren gevlucht, werd een dag later de Bataafsche Republiek uitgeroepen. De patriotten in ons land hadden al jaren met veel jaloezie naar de ontwikkelingen in Frankrijk gekeken en hadden nu hun eigen ‘revolutie’. Ondanks dat de patriotten spraken van de Bataafsche Revolutie, vernoemd naar de Germaanse stam die in de Romeinse tijd in ons land vertoefde, en was in feite een fluwelen revolutie waarbij geen druppel bloed vloeide.

De nieuwe kaart van het Vrye Landschap Drenthe uit 1795 dat bij het boek Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden; Behelzende de Inleiding der Beschryving van het Landschap Drenthe hoorde (bron: Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden; Behelzende de Inleiding der Beschryving van het Landschap Drenthe. Te Amsterdam, Leiden, Dord. en Harlingen, by J. de Groot, G. Warnars, S. en J. Luchtmans, A. en P. Blussé, en V. van der Plaats. MDCCXCV).

In het voormalig landschap Drenthe werden de gevolgen van de veranderingen binnen wat nu de Bataafsche Republiek heette, waren de ontwikkelingen in de rest van het land nog lang niet merkbaar en ging men zijn eigen gang. Daarnaast kon een groot gedeelte van de inwoners in en rondom de Zulte niet lezen of schrijven en had het te druk met overleven in deze barre tijden. Maar toch, er was iemand die de ontwikkelingen vanuit Holland nauwlettend in de gaten hield en het nieuws op de voet volgde. Deze man, Willem de Lille, die in 1789 met Johanna Philippina van Dedem tot den Gelder, weduwe van Arend Sloet tot Nyenhuizen was getrouwd en in huize Ter Heyl woonde, had al sinds het midden van de tachtiger jaren in de achttiende eeuw al sympathie voor de zaak van de Drentse patriotten.

Zo zou de omgeving van Huize Ter Heyl er aan het begin van de negentiende uit hebben kunnen zien. Een groot huis met een markante vorm tussen de vele bossen en weilanden die het gebied destijds rijk was.

Vooralsnog sprak men nog van de zes dingspelen en de bijbehorende kerspelen (carspels) van het landschap Drenthe zoals men dit voor de aanstormende veranderingen deed en leek alles hier nog pais en vree. Zelfs in het boek ‘De Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden; Beschryving van het Landschap Drenthe’ spraken de schrijvers in 1795 nog in de stijl die heel gewoon was in de tijden voor de Bataafsche Revolutie: “Behalven het Wild, dat de andere Provinciën met dit Landschap gemeen hebben, als Hazen, Patryzen, Snippen enz. heeft men hier ook, meer byzonder, de Korhoenderen, die zig meest by en omtrent de Boekweiten venen onthouden, aldaar hunne jongen uitbroeden, en zig vervolgens, door dit Landschap, en zelfs, tot buiten hetzelve, verspreiden. De Jagt op de Korhoenderen is hier om ’t vierde jaar verboden, op de boete van honderd goud gulden op ieder hoen, dat tegen dit verbod geschoten of gefangen wordt. Dit is zedert veranderd, zynde de Korhoendervangst om het vierde jaar niet meer verboden1. Het kon verkeren in het jaar 1795, je druk maken over het reglement van de jacht op korhoenders.

Natuurlijk voerden de nieuwe machthebbers in de Bataafsche Republiek allerlei vergaande veranderingen in, die gebaseerd waren op de toen geldende Franse wetten en regelgeving, en vanaf 1796 spreekt de heer Jacobus van der Scheer uit Coevorden over ‘onze Bataafsche Gewesten’. De uitgever en boekverkoper van der Scheer brengt in dat jaar het boek ‘Lijst van de telling des volks van Drenthe’ uit waarin hij in het voorwoord schrijft: “Zie daar Landgenoten, de Lijst der Telling van het Volk van Drenthe op welker Juistheid Gij staat kunt maken , als zijnde opgemaakt uit de Lijsten die de Carspels ter Secretarie dezer Landschap volgens Publicatie van Gecommitteerde Representanten van het Volk van Drenthe in dato den 16. November 1795 hebben ingezonden2. Het staat er echt, hij begint met Landgenoten! Dat was voorheen totaal ongehoord, zoiets deed men niet.

Het voorwoord van Jacobus van de Scheer uit het boek ‘Lijst van de telling des volks van Drenthe’, dat in het jaar 1796 verscheen (bron: Lijst van de telling des volks van Drenthe. Te Coevorden, by J. van der Scheer, 1796).

Op de onderstaande afbeelding waar de statistieken van de kerspelen Roden en Roderwolde op pagina 10 door de schrijver vermeld waren, zien wij dat ter Heil samengevoegd is met de Zulte. Iets wat trouwens ook steeds weer in de oude archieven terugkeert; ter Heil rekende men tot de Zulte. Uit de statistieken blijkt dat er destijds 94 mensen woonden (48 mannen en 46 vrouwen). Op pagina 12 van het boek sluit de uitgever en boekverkoper Jacobus van der Scheer af met het de volgende zin: “Bovenstaande Lijst bevat 20434 Manlijke en 19238 Vrouwlijke Personen. Totaal 39673 menschen2. Wat wij echter niet in deze statistieken terug zien maar wel in die van de Bataafsche Republiek uit 1796, zijn de vermeldingen van de grondvergaderingen. De Eerste Nationale Vergadering bestond in de periode 1 maart 1796 tot en met 31 augustus 1797 en telde 126 leden. De leden werden gekozen door een kiescollege, dat op haar beurt door grondvergaderingen was gekozen. In ieder district (met 15.000 kiezers) waren er 30 grondvergaderingen. Aan de verkiezingen van de grondvergaderingen mochten alle mannen van twintig jaar en ouder deelnemen, mits zij het oude regeringssysteem hadden afgezworen 3.

Op pagina 10 van het boek ‘Lijst van de telling des volks van Drenthe’, dat in het jaar 1796 verscheen, kunnen wij zien dat er op dat moment in het Carspel Rhoden (kerspel Roden) 1015 mensen wonen in het Carspel Rhoderwolde 243 (bron: Lijst van de telling des volks van Drenthe, pagina 10. Te Coevorden, by J. van der Scheer, 1796).

In het boek ‘Volks-Tellinge in de Nederlandsche Republiek’, uitgegeven op last der Commissie tot het ontwerpen van een plan van Constitutie voor het Volk van Nederland, komen wij Rhoden, Lyveren, Steenbarge, Zulte en Ter Heil, Nytap, Leutengewolde en Foxwolde op pagina 13 tegen met hun 1015 inwoners. Achter de namen staat een accolade waar het aantal grondvergaderingen staan, twee. Rhoderwolde, Sanderber en Matsloot mogen samen 1 grondvergadering houden. De plaatsen vallen in 1796 nog onder de zogenaamde kiezersvergadering Vries. Samen met de kiezersvergaderingen Meppel en Zweelo koos Vries 3 provisionele representanten voor de districten met dezelfde naam voor Drenthe.

De vermelding van Rhoden, Lyveren, Steenbarge, Zulte en Ter Heil, Nytap, Leutengewolde en Foxwolde met 2 grondvergaderingen en Rhoderwolde, Sanderber en Matsloot met 1 grondvergadering. De plaatsen vielen in 1796 onder de kiezersvergadering Vries (bron: Volks-Tellinge in de Nederlandsche Republiek, pagina 13. Uitgegeven op last der Commissie tot het ontwerpen van een plan van Constitutie voor het Volk van Nederland. In den Haag ter ‘sLands Drukkery).

Vanuit Groningen werden er maar liefst 8 provisionele representanten gekozen door 240 grondvergaderingen. Het totale inwonersaantal van Groningen bedroeg destijds 114.655 personen, bijna driemaal zoveel inwoners als in Drenthe. In de gehele Bataafsche Republiek, die bestond uit Friesland, Groningen, Drenthe, Overyssel, Gelderland, Bataafsch Braband, Zeeland, Holland en Utrecht, woonden er maar liefst 1.880.463 mensen die dus 126 representanten hadden gekozen. Ook dit was voor het jaar schier onmogelijk geweest in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, waar het verdelen van baantjes binnen de regentenklasse  absurde vormen had aangenomen.

Het provisionele representanten dat door de zogenaamde kiezersvergaderingen van Groningen, Drenthe en Overyssel in 1796 waren gekozen (bron: Volks-Tellinge in de Nederlandsche Republiek, pagina 134. Uitgegeven op last der Commissie tot het ontwerpen van een plan van Constitutie voor het Volk van Nederland. In den Haag ter ‘sLands Drukkery).

Maar laten wij terug gaan naar het begin van de jaren negentig in de achttiende eeuw waar Willem de Lille de touwtjes stevig in handen heeft rondom Ter Heyl. De Lille zit niet stil en heeft enkele jaren daarvoor de huidige Toutenburgsingel laten aanleggen en de herberg Tautenborg laten bouwen. Daarnaast zal de hij de nodige energie in de omgeving van Huize Ter Heyl hebben laten aanpakken. Hoveniers waren dan ook van belang voor de Lille en zijn vrouw, die samen van prachtige tuinen hielden. Het hebben van een eigen hovenier was blijkbaar in kerspel Roden verplicht om te melden en wij komen dit dat ook tegen in de papieren van het Haardstedengeldregister uit 1794 van Roden.

De vermelding in het Haardstedengeldregister uit 1794 van het kerspel Roden van het gebruikmaken van een hovenier (Bron: Oude Staten Archieven (OSA), toegangsnummer 0001, inventarisnummer 868.24, Haardstedengeld Roden, Zulte, 1794, pagina 3747).

Een van de hoveniers die voor de heer de Lille gewerkt heeft en naar alle waarschijnlijkheid ook in of nabij Huize Ter Heyl onderdak had, was een Jan Upton van Encher uit het Osnabrugsche. Deze Jan Upton verbleef dus in Ter Heil en was op zaterdag 10 december 1791 te Vries in het huwelijk getreden met Aaltien Hindriks van Bunne, die in de Sulte woonde. Aaltien, in de Roder archieven Aaltje genoemd, kwam dus van Bunne en het was dan ook niet verwonderlijk, dat de twee in Vries zijn getrouwd. Daar de twee echter in het kerspel Roden woonden, was het niet meer dan logisch dat er een afschrift van het huwelijk naar dit dorp gestuurd werd. Waar het foutje zat en wat de oorzaak was, zal nooit aan het licht komen, maar ineens is de plaats waar Aaltje vandaan komt geen Bunne meer, maar Bunde, een plaats in Duitsland nabij de grens met Nederland.

Uit het trouwregister van het jaar 1791 van Vries. Hierin staat dat Jan Upton van Encher uit het Osnabrugsche, wonende te Ter Heil met Aaltien Hindriks van Bunne, wonende in de Sulte op 10 december in de echt getreden zijn (bron: Trouwregister Vries 117, archiefnummer 0176.01, inventarisnummer 117, aktenummer 0176.01 Gemeente: Vries Religie: herv. 10-12-1791, Collectie Xerokopieen DTOB, boek 154 (trouwboek, 1750-1825), pagina 050).

Dat het land Duitsland een belangrijke rol in dit huwelijk speelde staat buiten kijf, Jan Upton kwam immers uit de omgeving van het Duitse Osnabrück, het plaatsje Engter. De naam Upton klinkt niet erg Duits en dat is het dan ook niet. Upton heet eigenlijk Johann Thomas Opten en is de zoon van Thomas Opten, een uit het Engelse leger gedeserteerde soldaat die Thomas den Engelander werd genoemd en met een Duitse vrouw was getrouwd. Samen met zijn broer Carl Opten vertrok Johann Thomas naar Groningen en vonden ieder een vrouw in Nederland. Op vrijdag 24 maart 1815 overleed Aaltien Hindriks in de stad Groningen, 56 jaar oud en liet Jan Opten achter. Jan trouwt anderhalf jaar later met Trientje Abels.

In het trouwregister van Roden is te lezen dat Aatje Hindriks niet uit Bunne maar uit Bunde lijkt te komen (Bron: Trouwregister Roden 89, archiefnummer 0176.01, inventarisnummer 89, aktenummer 0176.01 Gemeente: Roden Religie: herv. 14-12-1791, Collectie Xerokopieen DTOB, boek 121 (doop-, trouw- en lidmatenboek, 1714-1793), pagina 233).

Voor meer informatie over Jan Upton zijn de webpagina’s ‘Infantrist Thomas Opten uit Engeland trouwt met Duitse Anna‘ en ‘De nazaten van Thomas Upton‘ onmisbaar.

 1 Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden; Behelzende de Inleiding der Beschryving van het Landschap Drenthe. Te Amsterdam, Leiden, Dord. en Harlingen, by J. de Groot, G. Warnars, S. en J. Luchtmans, A. en P. Blussé, en V. van der Plaats. MDCCXCV. Pagina’s 36 & 37.

 2 Lijst van de telling des volks van Drenthe. Te Coevorden, by J. van der Scheer, 1796.

3 Bataafse parlementen 1798-1806 https://www.parlement.com/id/vh8lnhrsd1rf/bataafse_parlementen_1798_1806

Buurtuig, goorsprake en boze heksen

Angst en onwetendheid sierde ons land tijdens de zestiende eeuw in alle hevigheid en waarbij bijgeloof eerder de regel dan uitzondering was. Ook bij de doorgaans zeer nuchtere Drenten was het geloof in duivelse machten zeer groot. Ondanks dat de angsten voor het duistere niet meer zo groot was als in de voorgaande eeuwen, nog steeds kreeg men koude rillingen als er over boze geesten, demonen, en andere creaties uit de boze onderwereld gesproken werd. Nee, de angst voor alles wat maar met het slechte te maken had heerste over het kille, ruige land van Drenthe.

Noord-Drenthe en het Westerkwartier op een kaart uit het jaar 1568. Het spreekt voor zich dat de kaarten uit deze periode lang niet zo gedetailleerd zijn als die van vandaag de dag, maar er is toch een redelijk beeld te vormen van hoe men de omgeving van Roeden (Roden) destijds zag. (Utriusque Frisiorum regionis noviss. descriptio. 1568)

In de Sulte rond 1574 was het niet anders gesteld dan in de rest van de landschap Drenthe en in de donkere uren was het gevaarlijk op de slecht verlichte paden en de woeste, natte heide.  Zeker als in de herfst het begon te schemeren en de eerste mistflarden begonnen zich te vormen over de grote heide en weiland, dan moest je oppassen want dan kwamen de ‘Witte wieven’. Boosaardige mythische wezens die enkel uit boosheid bestonden en kwaadaardige dingen deden. Het was opletten geblazen want ze probeerden je te verleiden om ze te gaan volgen richting de moerassen van het Sieveen met het resultaat dat je voor altijd verdween.

De mistflarden over de heide en moerasgronden die in het verleden gezien werden als gevaarlijke wezens die onschuldigen probeerden te verleiden om ze vervolgens voor altijd te laten verdwijnen. Hier hangen de witte wieven boven een weiland nabij het Sieveen.

Het waren barre tijden voor de bewoners van Drenthe en het leek wel of zelfs de natuur samenspande met de witte wieven. Overal langs de paden groeide een plant, Groot heksenkruid (Circaea lutetiana), die het doel had om de arme zielen te laten verdwalen wanneer deze de plant op hun pad aantroffen. De natuur van toen werd gezien als een geduchte tegenstander, waar zeker niet mee te spotten viel.

Nog steeds treffen wij Groot heksenkruid (Circaea lutetiana) aan in de Zulte, maar niet in die grote hoeveelheden zoals deze in de zestiende eeuw hier voorkwamen.

Dit gold ook voor paddenstoelen die met name in de herfst verschenen in zogenaamde ‘heksenkringen’ die verschenen op de plaats waar heksen hadden gedanst. De Grote stinkzwam (Phallus impudicus) is ook een schoolvoorbeeld van het verband tussen de heksen en de natuur. De paddenstoel van de zwam weet een zeer penetrante aasgeur te verspreiden om vliegen en kevers aan te trekken. Het is echter niet de vieze geur die de zwam in het verleden met heksen verbinding bracht, maar zijn explosieve groei. Het vruchtlichaam of knol waaruit de paddenstoel ontstaat heeft veel weg van een ei. In de volksmond sprak men vroeger van een ‘Duivelsei’ en deze waren her en der door heksen neergelegd nadat zij bevrucht waren door de duivel.

Phallus impudicus is de wetenschappelijke naam voor de Grote stinkzwam en past in het geheel bij deze paddenstoel, gezien de snelheid waaruit een paddenstoel uit een zogenaamde duivelsei ontstaat. Op de voorgrond van de afbeelding is een duivelsei te zien.

Zoals men vandaag de dag duidelijker laat blijken dan ooit, bestonden er in de jaren zeventig van de zestiende eeuw ook mensen die de natuur helemaal niet zagen als een vijand maar eerder als een goede vriend en daar ook voor uitkwamen. De vele soorten planten die in de wijde omgeving van de Sulte voorkwamen bezaten heilzame krachten en werden dan ook door ‘Kruidenvrouwen’ verzameld. Een heel oud gebruik dat al werd toegepast door de Germanen lang voordat het christelijk geloof zijn intrede op het Drentse land deed.

Werden deze vrouwen nog zeer gewaardeerd ten tijde van de Germanen, vanaf de dertiende eeuw veranderde dat beeld van de kruidenvrouw helemaal en waren ze hun leven niet meer zeker. De Dominicanen en de kerk van Rome trokken de wereld in om deze te zuiveren van heidense rituelen en ketterse gedachten. Kruidenvrouwen en andere mensen met ‘vreemde’ ideeën, ook wel tovenaars genoemd, werden als bondgenoten gezien van Satan en het duivelse kwaad met het doel de christen geloofsgemeenschap van het rechte pad af te brengen. Het lieve oude vrouwtje dat voorheen door de Sulter bossen struinde op zoek naar kruiden was nu ineens een groot gevaar geworden.

Molckentoversche!”, riep men nu en verjoeg haar van de weilanden waar het vee liep. Zij zorgde ervoor dat de koeien ziek werden, geen melk meer wilden geven en dat de schapen een zeer pijnlijke dood ondergingen. Dat het melkvee geen melk meer gaf en de schapen doodgingen had maar weinig te doen met het kruidenvrouwtje dat nu als een heks werd aangezien. Tegenwoordig heeft elke melkveehouder wel een tabelletje van welke voedingsstoffen er aan de bodem moet worden toegevoegd voor een hogere melkopbrengst en geeft hij zijn koeien en schapen medicatie tegen de beruchte Leverbot (Fasciola hepaticia), een parasiet die voorkomt bij onder andere rundvee, schapen, geiten, paarden, maar bijvoorbeeld ook bij reeën, hazen, en konijnen.

Zoals heksen aan het begin van de zestiende eeuw gezien werden in grote delen van Europa. (Noorder Rondblik, Nieuwsblad van het Noorden no. 33, pagina 12, woensdag 9 februari 1983)

Een molkentoverse genoemd te worden was destijds niet zomaar iets zoals in de huidige tijd, waarbij een vrouw de schouders optrekt als zij door opgeschoten hangjeugd een heks genoemd wordt. In de middeleeuwen met de heksenwaan, die vanuit het katholiek geloof enorm werd aangewakkerd, was het levensgevaarlijk om van tovenarij beschuldigd te worden. Menig man en vrouw eindigden hun leven op een brandstapel als heks of tovenaar. Zeker toen de godsdiensttwisten aan het begin van de zestiende eeuw het religieus fanatisme aanwakkerde, ontstond er een klimaat waarbij de angst voor heksen de meest vreeslijke vormen aannam en die een hoogtepunt beleefde aan het eind van de 16e en in het begin van de 17e eeuw.

Op deze 18e eeuwse houtsnede zijn drie heksen uitgebeeld, die aan tovenarij doen en op bezems door de lucht vliegen. (Uit ‘Hexen’ van Hans Biedermann, Graz, 1974). (Noorder Rondblik, Nieuwsblad van het Noorden no. 33, pagina 12, woensdag 9 februari 1983)

Nu verliep deze hectische periode een stuk rustiger in het rustieke Noordenveld, of het Noerdevelder Dinxpel zoals het in die tijd genoemd werd, gelegen in de landschap Drenthe en werden hier geen heksen verbrand. Dit neemt echter niet weg dat er ook hier in het dingspel ook heksenprocessen zijn geweest, waarbij het er niet vriendelijk te keer ging. Nou ja, processen is dan ook weer zo’n groot woord, laten we het maar inhoudelijke behandelingen noemen. Dat neemt echter niet weg dat menigeen die naar een zitting ging, aangeraden werd om er rekening mee te houden, dat het uit de hand kon gaan lopen.

Goespraecke’ of Ghoesprake’ was een dingspilsgewijze rechtszitting in het landschap Drenthe  die ook wel ‘Goorsprake’ genoemd wordt en waar de inwoners de inbreuk op hun rechten naar voren brachten. De dorpen binnen een dingspil kwamen op regelmatige tijden bijeen. In het dingspil Noordenveld stonden deze goorspraken tussen 1567 en 1577 onder leiding van de Drost van Drenthe, Evert van Ensse en een landschrijver. Tijdens de goorsprake beslisten de buren (buir- of buurschap) over misdaden en overtredingen die aangegeven waren. Deze vorm van rechtspraak binnen een dingspil noemde men ‘buirtuich’ (buurtuig).

Nog een 18e eeuwse houtsnede met een heks, die aan tovenarij doet en ook op een bezemsdoor de lucht vliegt. (Uit ‘Hexen’ van Hans Biedermann, Graz, 1974). (Noorder Rondblik, Nieuwsblad van het Noorden no. 33, pagina 12, woensdag 9 februari 1983)

Het is op de zaterdag 23 maart van het jaar 1574 dat er in Eelde een goorsprake plaats heeft onder de toezicht van de Drost van Drenthe Evert van Ensse en waarbij de Sulter Jan Rotgers zich beklaagd had over Fenne Alberts. Mevrouw Alberts had over de vrouw van Rotgers het gerucht verspreid dat zij kon toveren. De echtgenoot van Fenne, Albert (meyer in de Helle), spreekt de beschuldiging tegen en men verlangt van Jan Rotgers dat hij binnen twee weken bewijs van het gezegde moet overleggen.

Goespraecke over Noerdevelder dinxpel tho Eelde opten 23 Martij 1574.

De buiren vertuighen, nadenmael Jan Rotgers claeget over Fenne Alberts, dat Fenne syn huisfrouwe beruchtiget heft, dat sie thoveren kan, und Albert, meyer in de Helle, secht van wegen syn huisfrouwe, dat sie haer geene thoverye angethegen heft, daeromme Jan Rotgers op syn bewys, dat hie Fenne overbewysen sal binnen 2 weken, alse lantrecht is, dat Fenne hoer angethegen heft, dat si thoveren kan.(Bron: Goorspraken van Drenthe 1572 – 1577, Werken der Vereeniging tot uitgaaf der bronnen van het Oud-Vaderlandsche Recht, derde reeks no. 1 pag. 165. Uitgegeven door Kemink en Zoon N.V., Utrecht 1931.)

Op een oude kaart uit het jaar 1579 heette het dorp weer Roden en werd huize Mensinge nog Eeusum genoemd. Ook nu nog waren de kaarten slecht gedetailleerd en werden enkel de belangrijkste dingen vermeld. (Abraham Ortelius – Frisia Occidentalis 1579)

Het ziet er naar uit dat Jan Rotgers de beschuldiging van de roddels die door Fenna Alberts over zijn echtgenote verspreid waren, niet kon bewijzen en zal daarom er verder geen gewag van hebben gemaakt. Het zal zeker vrijwel onmogelijk geweest zijn om het geroddel op een goorsprake bewezen te krijgen, zeker zonder getuigen. Maar soms gebeurde dit soort aantijgingen in het openbaar in de aanwezigheid van getuigen en dan heeft het een en ander gevolgen voor diegene die de beschuldiging(en) uitte.

Op de goorsprake van woensdag 15 juni gehouden in Vries moest de koster van Roeden (Roden), de heer Willem, het gelag betalen voor zijn grote mond. De koster had in een gelagkamer te Roden waarschijnlijk enkele alcoholische drankjes genuttigd en gedonder gekregen met de echtgenote van Roeloff Staels. Hierbij heeft hij haar uitgemaakt voor molckentoversche ten overstaan van getuigen. Dit levert heer Willem een aangifte van de buren op.

Dat heksen geen oerlelijke oude wijven hoefden te zijn liet Jan van de Velde in het jaar 1626 zien. (Bron)

Heer Willem zal geschrokken zijn van de gevolgen die zijn opmerking over de vrouw van Roeloff Staels hebben gebracht en zeker toen het besef doordrong, dat de buren de koster van Roeden hadden aangeklaagd. De buren beslissen zelfs dat heer Willem binnen twee weken zijn beschuldiging waar moet maken. Doet hij dit niet, dan zal hij schuldig verklaart worden volgens het Drentse Landrecht. De ondeugende koster krijgt 2 weken de tijd om in beroep te gaan en gaat in appèl van deze beslissing. Ook dit geval zal met een sisser aflopen.

Ghoesprake geholden to Vries, opten 15 Junii 77 by de e. Evert van Ensse, Drost.

De buiren brengen an, dat heer Willem, de koster toe Roeden, heft Roeloff Staels huisfrouwe overgesacht, dat sie eene molckentoversche is in eenen open gelach. Daerop de buiren van Roen vertuigen, dat heer Willem sal schuldich wesen de woirden waer te maicken binnen 2 weecken oft selver in de stede staen; voirts op slants brieff. Dese buirtuich heft heer Willem binnen de 2 weken beropen. (Bron: Goorspraken van Drenthe 1572 – 1577, Werken der Vereeniging tot uitgaaf der bronnen van het Oud-Vaderlandsche Recht, derde reeks no. 1 pag. 390. Uitgegeven door Kemink en Zoon N.V., Utrecht 1931.)

Het zal de nuchterheid van de Noord-Drenten zijn geweest die de jacht op heksen niet tot een bloederig hoogtepunt hebben laten komen waarbij de martelkamers en de brandstapels overuren draaiden. De enigen die aan het einde van de zestiende eeuw in het kerspel Roden zich zorgen moesten maken, waren de katholieke priesters die in het geheim hun kerkdiensten bleven uitvoeren.