Nummer 100; Sporten in de Zulte.

Toen rond het midden van de jaren negentig in de vorige eeuw de Noordenveldhal plaats moest maken voor woningbouw, verdween er niet alleen een oud gebouw, maar ook een stukje cultuur voor veel Roners. Immers, wie ouder is dan een jaar of 25 en destijds in Roden woonde, heeft hier gesport, rondgehangen of iets anders beleefd.

De Noordenveldhal in betere tijden.

Rond het einde van de jaren zestig in de twintigste eeuw groeide het dorp Roden als kool. Door de vele fabrieken die zich in en rondom het dorp vestigden, kwamen veel mensen die hier kwamen te werken met hun gezinnen te wonen. Hierdoor nam ook het aantal kinderen toe op de aanwezige lagere scholen, die spoedig uit hun voegen zouden barsten. Naast nieuwe scholen bleek er ook behoefte te bestaan aan een grote sporthal binnen het dorp. Dit bleek de honderdste sporthal van ons land te zijn.

Dat de Noordenveldhal de honderdste sporthal van ons land werd, bleef dan ook niet onopgemerkt en vele regionale en landelijke kranten besteden dan hier ook aandacht aan. En soms met een klein beetje geluk tref je nog iemand aan, die bij de feestelijke opening aanwezig was.

In de krant Trouw werd op vrijdag 6 december 1968 aandacht besteed aan het feit, dat de sporthal in Roden, de honderdste sporthal van Nederland zou gaan worden.

Het lawaai van hamers die met volle kracht op het metalen casco werden geslagen, bepaalden voor een groot deel van de zomeravonden van het jaar 1968 het geluid dat te horen was in de wijde omgeving van de Zulte. Menigeen die destijds nog een kind was en hier in de omgeving woonde, zal zeker met moeite in slaap zijn gevallen door het lawaai, dat door de arbeiders werd veroorzaakt. Een jaar eerder, na het besluit in oktober 1967 om de sporthal te gaan bouwen, had het gemeente bestuur van de toenmalige gemeente Roden besloten, dat de aanbesteding van de nog te bouwen sporthal door middel van een advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden bekend werd gemaakt.

De openbare aanbesteding van de toenmalige gemeente Roden zoals deze in het Nieuwsblad van het Noorden op vrijdag 3 november 1967 verscheen.

Maar zoals het betaamd voor, tijdens of na redelijk grote besluiten in de gemeenteraad van het dorp Roden, ontstond er weer een ‘relletje’ en kon het voorkomen dat de gemoederen hoog opliepen. Er werd dan ook niet door de een of de andere geschuwd om zijn gelijk te halen via een ingezonden stuk bij een krant. Hieronder is een ingezonden stuk te lezen dat zaterdag 4 november 1967 in de rubriek ‘Het woord is aan de lezer’ van het Nieuwsblad van het Noorden verscheen.

Maar goed, ondanks het gekissebis op de achtergrond loopt het project als een trein en in tegenstelling tot vandaag, blijkt zelfs dat de aanleg van de sporthal maar liefst vijftigduizend gulden goedkoper uitvalt dan verwacht. Heden ten dage is dit al een fors bedrag, maar zeker zo’n 51 jaar geleden was dit een zeer grote meevaller.

Nieuwsblad van het Noorden zaterdag 20 januari 1968.

In het jaar 1968 werd er dan ook daadwerkelijk met de bouw van de sporthal begonnen in de Zulte naast de boerderij van Job Diek, zoals de veehouder J. Dijk door de inheemse bevolking genoemd werd. Iets oostelijk van de bouwplaats bevond zich de kleuterschool ’t Wilgekatje en de bouwactiviteiten die hier plaatsvonden, zullen menig kleuter betoverd hebben.

Artikel uit het Nieuwsblad van het Noorden dat zaterdag 29 juni 1968 in de krant verscheen, waarvan de bijgaande tekst als volgt luidde: De nieuwe sporthal in Roden staat er momenteel nog wat magertjes bij: men kan zijn ribben tellen! Maar dat zal niet zo lang meer duren, want dit najaar zal de hal klaar voor gebruik zijn. Links op deze luchtfoto ziet men de kleuterschool ’t Wilgekatje, dan de Lijsterbesstraat van links onder naar midden boven. Rechts op de foto de boerderij van de heer J. Dijk. Van links midden naar rechts onder loopt de Cederlaan. Geheel in de hoek rechts beneden ziet men nog net iets van de bomen langs de Leeksterweg. Boven aan de foto een deel van de bebouwing in het uitbreidingsplan Zulthe 11. („AF OPHOTO EELDE” foto Conens).

Op zaterdag 21 december 1968 was het dan zover. De nieuwe sporthal heet nu de Noordenveld-hal en werd die zaterdag feestelijk geopend, waarbij menig inwoner van Roden aanwezig was. Het artikel dat in het Nieuwsblad van het Noorden verscheen, staat in zijn geheel hieronder.

Afbeelding van de Noordenveld-hal uit het Nieuwsblad van het Noorden van maandag 23 december 1968.

Noordenveld-hal in Roden de 100ste.

Sporthallen volgen elkaar nu steeds sneller op.

(Van één onzer verslaggevers)

Met vliegend vaandel en slaande trom heeft Roden zaterdag de Noordenveldhal als 100ste sporthal in Nederland in gebruik genomen. Zaterdagmiddag volgde Oegstgeest met de 101ste hal. Staatssecrearis mr. H. J. van de Poel riep in Roden het muziekkorps binnen door een druk op de bel na zijn rede, waarin hij zich verheugde over de steeds snellere opeenvolging der sporthallen in ons land. Van de 100 nu in gebruik zijnde hallen werden er 76 de laatste drie jaar gerealiseerd; de eerste 24 hallen kwamen in 12 jaar tot stand.

Staatssecretaris Van de Poel wees er op, dat de Nederlandse weersomstandigheden onmiskenbaar hun stempel op de sportbeoefening drukken. Zo dreigt veldhandbal geheel te verdwijnen ten bate van zaalhandbal, terwijl ook andere zaalsporten snel opkomen. Tien jaar geleden telde ons land een miljoen georganiseerde sportbeoefenaars, nu meer dan twee miljoen. Verheugend achtte mr. Van de Poel het daarbij, dat nu ook de ouderen meer en meer aan sport gaan doen, waarbij hij verband De nieuwe sporthal legde met de opkomst der zaalsporten.

Nieuwsblad van het Noorden van maandag 23 december 1968.

125 200 300

Lange tijd heeft men in Nederland de behoefte aan sporthallen op circa 125 gesteld (één per 100.000 inwoners). Nu dit cijfer over enige maanden bereikt zal zijn, wordt de behoefte al geraamd op tenminste 200. Voor een iets verdere toekomst kwam de staatssecretaris tot een prognose van 350 sporthallen in Nederland. Burgemeester M. Bushoff van Roden, die talloze gasten had te verwelkomen, filosofeerde in zijn inleidend woord over de verhouding tussen sport en cultuur de eeuwen door, van de oude Grieken via de Romeinen en de middeleeuwen tot in onze tijd toe. Hij deed dit, omdat Roden binnenkort ook het cultureel centrum Winsinghof zal openen. Hij kwam tot de conclusie, dat we dankbaar moeten zijn te leven in deze tijd, waarin meer dan ooit kan worden tegemoetgekomen aan de wensen van verschillende categorieën onder de bevolking en waarin aan zoveel aspecten van de samenleving kan worden gewerkt.

Nieuwsblad van het Noorden van maandag 23 december 1968.

Kosten 1.132.268.

De Noordenveld-hal heeft een obstakelvrije hoogte van zeven meter en een speelveld van 28 bij 48 meter, waarop velden zijn uitgezet voor volleybal (3—4), basketbal (2—3), badminton (5—9), zaalhockey, zaalvoetbal, zaal- handbal, microkorfbal (elk één veld), tennis (3—4). Boven de kleedkamers is een vaste tribune voor 600 bezoekers, die met demontabele tribunes tot 1000 zitplaatsen is uit te breiden. Het restaurant met uitzicht op de speelvelden biedt plaats aan 80 bezoekers. Bij de bouw is rekening gehouden met gebruik van het geheel voor exposities en congressen. De totale bouwkosten beliepen inclusief grond, parkeerterrein en dergelijke 1132.268.—, waarin de Nederlandse Sportfederatie een subsidie van 75.000.— uit de toto-pot gaf, waarvan 50.000.— fonds perdu en 25.000.— als renteloos voorschot gedurende 20 jaar. Jhr. mr. A. Feith, voorzitter van de NSF, kwam deze bijdrage zaterdag symbolisch aanbieden. De architectuur van de Noordenveld- hal was van de Dienst Gemeentewerken te Roden. De bouw van de hal begon maart van dit jaar. Hoofdaannemer was Siersma’s Bouwbedrijf uit Tolbert, dat mede namens de andere bouwers, zaterdag een scorebord aanbood. De plaatselijke verenigingen zorgden bij monde van de heer Vos voor een klok.

Nieuwsblad van het Noorden van maandag 23 december 1968.

Enkele jaren later, in het jaar 1971, komen we een bericht in de krant tegen, waarin duidelijk wordt hoe de toenmalige wethouder van Roden Y. de Boer (Gemeente Belangen), de beheerder-exploitant van de hal de heer Jager op een niet zo’n nette wijze buitenspel heeft gezet.

Het artikel dat op vrijdag 29 oktober 1971 in het Nieuwsblad van het Noorden gepubliceerd werd.

Aan het eind van het jaar 1971 komen wij een artikel in het Nieuwsblad van het Noorden tegen, waarin de heer Jager zijn weerwoord kan vertellen. En niet zo verwonderlijk komen wij een term als ‘vriendjespolitiek’ tegen. Iets wat in het verleden samen met het behartigen van de eigen belangen, in de ogen van een groot aantal inwoners van het dorp Roden aan een aantal wethouders is blijven kleven.

Nieuwsblad van het Noorden, Woensdag 29 december 1971.

Mient

Een groot voorrecht dat de families en de adel voor hen als grootgrondbezitter destijds bezaten, was het verkopen van hout dat zich op hun grondgebied bevond. Zo komen wij al vanaf het midden van de achttiende eeuw advertenties, ook wel ‘Bekentmakingen’ genoemd, tegen in de lokale kranten waarin het hout te koop wordt aangeboden. Het is dan vooral de heer W. baron van In- en kniphuisen, heer van Nienoord, Enum en Aykema, die verkondigd dat hij ‘5 à 600 zware eyken stambomen en  eykenschilbossen bij havesaat, het huys Ter Heyl genaamt, en in ’t Noordholt onder Roon in ’t Landschap Drenthe geleegen’ wenst te verkopen. Waarschijnlijk werd het enorm grote oerbos ten oosten van het brinkgehucht de Sult bedoeld, dat het Groot Noordholt heette.

De hierboven aangehaalde advertentie uit de Opregte Groninger Courant van vrijdag 24 december 1762, waarin de heer W. baron van In- en kniphuisen, heer van Nienoord, Enum en Aykema bekendmaakte dat hij vijf tot zeshonderd zware eiken te koop aanbood.

  Doorgaans werden grote percelen bos, vaak aangeduid in het aantal bomen op den wortel, publiekelijk geveild. De bomen werden dan per afslag bij ‘afmyning’ verkocht aan diegene die het genoemde bedrag de juiste prijs vond van het hout. Afmijning of afmyninge is een veiling waarbij een product op een te hoge prijs wordt ingezet, waarna de prijs daalt totdat iemand akkoord gaat. Wanneer deze akkoord gaat met de prijs, riep de koper ‘mijn of mient’.

  Voor de eigenaar van de percelen bos die verkocht werden bracht niet alleen het hout geld in het laatje, de door de bomenkap vrijgekomen grond kon op hun beurt weer verpacht worden aan kleine boeren, die er bouw- of grasland van maakten. Het voordeel hiervan was dat de eigenaar amper of geen moeite hoefde te doen om de gronden te bewerken en zodoende te blijven onderhouden en hij kreeg er pacht voor. Dit was naast het geld dat hij verdiende aan het verkopen van het hout, een extra bron van inkomsten van een perceel dat anders enkel geld kostte.

  Maar niet alleen leverde het kappen een verdienste op voor de eigenaar, het leverde ook nog eens een stuk werkgelegenheid op voor de arbeiders in de directe omgeving. De bomen moesten worden gekapt, de wortels dienden uit de grond te worden gehaald, de stam moest van de kruin en de takken ontdaan worden, waarna ze gereed werden gemaakt voor transport. Dan werden de bomen vervoerd naar bijvoorbeeld een zaagmolen waar er planken en balken voor aannemers, molenbouwers, meubelmakers of scheepshout van werd gemaakt. Vandaag de dag roepen dit soort massale boomkapacties veel weerstand op onder de bevolking, maar destijds was het een belangrijke economische stimulans in het gebied. Met principes vul je geen hongerige magen. Het is dan ook niet zo verbazingwekkend dat er vandaag de dag nog maar weinig sporen terug zijn te vinden van de enorme bossen die het gebied eens kenmerkten.

Op de afgebeelde oude Franse legerkaart uit het begin van de negentiende eeuw is goed te zien hoeveel bossen, die geel ingekleurd zijn, zich in de omgeving van de Zulte bevonden.

  Vanaf het jaar 1790 komen wij dan regelmatig advertenties in de regionale dagbladen tegen van de familie Aukema, waarin met name grote eiken te koop worden aangeboden. Vooral in de Zulte, waar zich destijds enorm veel grote en zeer oude bossen bevonden (afbeelding hierboven), heeft de familie Aukema behoorlijk veel geld verdient aan het verkopen van het hier aanwezige hout en daardoor voor veel werkgelegenheid gezorgd. Door de werkgelegenheid die door het kappen van de bomen ontstond, trokken ook arbeiders uit de verre omgeving richting Rhoden, zoals het dorp inmiddels werd beschreven. De arbeiders namen vaak hun gezin mee, zochten onderdak en zullen bij menig grondeigenaar een kleine woning of perceel hebben gehuurd.

  Naast het kappen van de grote eiken werden ook de kleinere eiken gerooid om te schillen. Arbeiders die de bast van de eiken schilden werden ‘Eekschillers’ genoemd. Als de bast van de boom af was gehaald, werd deze gedroogd en kon de eikenschors, ook wel eekschors of bark genoemd, vervoerd worden naar een zogenaamde barkmolen. Hier werd de bark door molenstenen fijngemalen waarna er door water aan toe te voegen, de ‘run’ ontstond. Run werd gebruikt om dierhuiden te looien. Waarschijnlijk werd de bark naar de stad Groningen vervoerd, waar zich een ‘Barckmeulen’ bevond aan de oostzijde van het Winschoterdiep. Ze konden daar zien wanneer de molen bark aan het malen was doordat dan alle deuren van de molen openstonden. Zodoende konden de huid-irriterende stoffen die vrijkwamen tijdens het maalproces, snel wegwaaien.

De Barckmeulen bij de stad Groningen op een kaart uit 1643. Stadscaerte van Groeningen : De kaart van Egbert Haubois

  Blijkbaar was de tweeënzeventig jarige Floris Aukema toch behoorlijk in zijn wiek geschoten, toen zijn advertentie van dinsdag 23 november 1790 in de Groninger Courant niet klopte (zie afbeelding hieronder). Het kan ook zijn dat de advertentie gewoon niet correct geplaatst was, iets dat wel vaker in die tijd voorkwam. Onleesbare handschriften, een slecht verstaanbare uitspraak of een onoplettende letterzetter zorgden nogal eens voor onduidelijkheid. Bij de laatstgenoemde werd de schuld snel doorverwezen naar het ‘zetduiveltje’, een term die gebruikt werd wanneer er zich fouten in het zetwerk hadden voorgedaan.

De advertentie van dinsdag 23 november 1790 in de Groninger Courant waarin Flerys Ankema voornemens is om 500 zware eiken stambomen op de Zulte publiekelijk te verkopen. Dat Floris Aukema niet tevreden was met het geplaatste bleek wel, toen drie dagen later een verbeterde versie van de advertentie in dezelfde krant verscheen. me.wordp

  Maar goed, laten wij de advertentie van die bewuste dinsdag 23 november 1790 eens gaan bekijken: ‘FLERYS ANKEMA is voornemens publyk te laten Verkoopen , om de 500 zware en lange opgaande Eiken Stambomen , zeer geschikt voor Aannemers , als mede Scheepstimmer , Wagen , Molens en Kromhout , op Woensdag den 1 December 1790 , des morgens om 9 uur op de Zulte , na voor te lezene Conditien’. Het zal Floris, die in de advertentie ‘Flerys Ankema’ genoemd werd, zeker niet hebben behaagd om verkeerd benoemd te worden in de krant. ‘Oh mijn God’, zal hij hebben gezegd en na een diepe zucht, zijn tweede vrouw Lammechien Smeengh bij zich hebben geroepen, waarna de landbouwer zijn beklag bij haar deed over het gepruts bij de krant.

  Het kan natuurlijk ook de in zijn ogen onduidelijkheid van de advertentie geweest zijn, die hem totaal niet zinde. Floris zal een stuk papier, een pen en inktpot hebben gepakt en zich voorover hebben gebogen om een nieuwe advertentie te schrijven. Nadat hij het geschrifte en aantal malen goed doorgelezen had, zal hij ervoor gezorgd hebben dat de nu correcte advertentie bij de krant kwam.

  Drie dagen later, op vrijdag 26 november 1790, stond er een verbeterde versie van de advertentie in de Groninger Courant en de godvrezende landbouwer uit Leutingewolde zal deze met een instemmende knik hebben gelezen: ‘FLORYS AUKEMA is voornemens by Uitmyninge te laten Verkoopen , om de 500 zware en lange opgaande Eiken Stambomen , zeer geschikt voor Aannemers , als mede Scheeps , Molen , Timmer en Kromhout , staande op de Wortel in deszelfs Bosschen tot de Zulte 1/2 uur van de Leek op Woensdag den 1 December 1790 , des morgens om 9 uur te beginnen by ’t huis van Harm Vogelsang , na voor te lezene Conditien’.  

De desbetreffende en verbeterde advertentie van Floris Aukema in de Groninger Courant van vrijdag 26 november 1790, die een stuk duidelijker qua informatie.

  Het huis dat in de advertentie vermeld werd en waar de toen tachtig jarige Harm Vogelsang woonde, lag ongeveer 400 meter noordelijk van het brinkgehucht Zulte nabij de oude weg tussen de Boschkampe en de herberg Toutenburg en droeg de naam ‘Vogelsang’. Op de plaats waar het oude huis stond is in de jaren negentig van de vorige eeuw en nieuw huis geplaatst met de naam ‘Old Voochelsang’. De familie Vogelzang dankt hun familienaam daarnaast ook aan de oude boerderij.

Locatie en informatie over de Barckmeulen kunt u HIER vinden.