Over ossenkracht en voedermaïs.

Vloekend en tierend joeg de landarbeider de twee slome trekossen over een akker in de omgeving van het voormalig esgehucht de Zulte. De rottende heideplaggen, die hier al een poos lagen nadat ze gestoken waren, dienden als bemesting voor de bodem en dienden daarom ondergeploegd te worden. Een zware klus voor de trekossen daar niet alleen de heideplaggen kleiig waren, de ondergrond was eveneens zwaar te bewerken door de aanwezigheid van de kleverige keileem en hier en daar kwam zelfs de stugge potklei aan de oppervlakte. Nee, het ontginnen van de heide om er goede landbouwgrond van te maken, had in het verleden veel voeten in de aarde nodig gehad om dit voor elkaar te krijgen.

Dat de ondergrond in de wijde omgeving van het esgehucht nogal kon verschillen, was al bij de vroege bewoners in het gebied bekend. De zanderige en vruchtbare essen, de grote bossen die zowel op zand als op de keileem stonden en de lagere delen waar de zware, taaie potklei en de stugge, kleverige keileem zorgden voor drassige en natte gebieden. Al vroeg ontdekte men ook de voordelen van de natte gebieden en verschenen er Cisterciënzer monniken in hun kenmerkende grijze pijen, die afkomstig waren uit de St. Bernardusabdij te Aduard en stichten de uithof ter Helle, waarna zij turf en klei begonnen te winnen.

De cisterciënzer monniken in hun kenmerkende grijze pijen aan het werk in de natte, venige gebieden rondom de Zulte. Met name nabij Terheijl en Roderwolde bij het Leekstermeer (Monniken aan het turfsteken. Schilderij van Geert Schreuder. Foto Veenkoloniaal Museum Veendam. bron: Uithof ter Helle).

Tegen het einde van de middeleeuwen, zo ongeveer in de vijftiende eeuw, waren op de hoger gelegen essen in de Zulte al de nodige boerderijen en bouwlanden gemaakt door de eerste boeren. Zij vormden de eerste akkers op de hoger gelegen essen, die door hun zanderige ondergrond redelijk eenvoudig te bewerken waren. Inmiddels waren de monniken in de uithof ook niet meer die hardwerkende mannen in lange, zware pijen aan boetedoening deden, maar was de vertegenwoordiger van het klooster net als de adel en de rijke boeren, ook een grootgrondbezitter geworden en verkreeg inkomen door het verpachten van grond. De uithof werd dan ook als zodanig aangeslagen door het kerspel Roden op de schattingslijst van 1546 vermeld als: ‘Dat tichgelwerck yn dye Hell ende zijn heerschup de monnick’.

Het ploegen met trekossen afgebeeld op het kalenderblad voor de maand maart uit het kleurrijke boek ‘Les Très Riches Heures du duc de Berry’ uit het jaar 1410. De ploeg op de afbeelding lijkt op de ploegen die destijds in onze omgeving werden gebruikt (bron: Wikipedia).

Om gebruik te kunnen maken van de vruchtbare bodem op de essen, moest er nogal wat gebeuren om het een en ander te gebeuren om de ontginning in gang te zetten. Bomen dienden gekapt en gerooid te worden, de heide moest worden afgeplagd. Vooral daar waar zich heide op een kleiige ondergrond bevond, was het afsteken van de plaggen zwaar werk. Waren de plaggen afgestoken, dan werden deze op elkaar gelegd en liet men ze ongeveer een anderhalf jaar liggen. Door dat de plaggen op elkaar lagen, begonnen ze te broeien en waren ze geschikt om als bemesting te dienen. Vervolgens kwam de zogenaamde ‘osseknecht’ met de twee trekossen en de ploeg om het geheel onder de grond te werken. Iets wat in de omgeving van de Zulte nog in 1810 gebeurde.

Een zogenaamde voor, een door ploegen ontstaande groef in de bodem. Eerst gebeurde dit in de Zulte door twee trage trekossen, later door sneller werkende paarden en tegenwoordig met een dikke tractor voor de ploeg,

In het Magazijn van Vaderlandschen Landbouw, deel 6 uit het jaar 1810, doet de heer Jan Kops in hoofdstuk 12 op de pagina’s 171 en 172 verslag van een onderzoek door de verschillende commissies van landbouw in het Koningrijk Holland over het nut van het gebruik van trekossen in plaats van paarden in de landbouw: ‘De Commissie van Landbouw in Drenthe, heeft tenduidelijkste aangetoond, dat de Werk- en Trekossen, voor dat Departement niet aanteraden en zelfs nadeelig zouden zijn, zijnde het verslag dezer Commissie, als volgt: Vooreerst, dat in dit Departement geen Trek-ossen gebruikt worden, dan op den Huíze Ter Heyl, toebehoorende aan Mevrouw de Wed. de Lille, terwijl de Heer Mr. P. Hofstede dezelve bereids sinds eenige Jaren heeft afgeschaft, en dat wy van wegen de Osse-knechten, welke bij de zelve Trek-ossen gediend hebben, onderrigt zijn, dat de Trek-ossen bij den Akkerbouw den voorrang zouden verdienen boven de Paarden; bij aankoop naar evenredigheid minder zouden kosten; bij verkoop na eenige jaren dienstbaarheid evenredig meerder opbrengen, en minder voeder zouden noodig hebben, dan de Paarden, welke daarentegen geschikter zouden zijn voor het Transport. Ten tweede, dat wij, als niet door ondervinding bekend met de voordeelige eigenschappen, welke de Heer Ten Cate, en met hem de genoemde Osse-knechten, aan de Trek-ossen toeschrijven ‚ ons buiten staat bevinden, om door vergelíjking derzelve tegen die der Paarden, een besluit optemaken, welk meer dan louter speculatief zoude zijn; doch dat het ons is voor gekomen, dat het gebruik van Trek-ossen tot den Landbouw, in plaats van Paarden‚ voor den Drentschen Landbouw en het Rijk niet voordeelig zijn zoude’. 1

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is ossen004-1.jpg
De zogenaamde Drentse stelploeg. Deze ploeg werd vooral in het Noorden van Drenthe gebruikt om het land te ploegen (Afbeelding: Dr. C.C.W.J. Hijszeler: Boerenvoortvaring in de oude landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe. De tekeningen werden vervaardigd door de J. Witpaard te Meppel en N. Overdiep te Groningen. Uitgegeven te Assen bij Van Gorcum & Comp. N.V. (G.A. Hak & H.J. Prakke) (MCMXL)).

Nadat de restanten van de heideplaggen behoorlijk waren omgeploegd, werd het ontgonnen bouwland geschikt gemaakt voor gebruik en zaaide men in het eerste jaar rogge in de grond. Na de daarop volgende oogst van de rogge, die men naar de molen ten zuiden van het dorp Roden bracht om daar tot meel gemalen te worden, werd direct weer begonnen met ploegen. Dit deed men om de akker geschikt te maken voor winterrogge.

Het zogenaamde ‘vaalg’n’ heeft hier al plaats gevonden. De akker is ondiep omgeploegd en de stoppels zijn grotendeels onder de aarde terecht gekomen.

Het stoppelland werd eerst ondiep geploegd, in de omgeving van de Zulte noemde men dit ‘vaalg’n’ (het land zwart maken d.w.z. dat je alleen maar zwarte grond op de akker zag). Dit gebeurde door middel van brede voren, waarbij niet het hele land werd omgeploegd maar wel de grond over de stoppels kwam te liggen. De voren, de ploegsporen dus, bleven open liggen. Het werk moest dan voor de laatste donderdag in augustus klaar zijn, “’k Heb ’t laand klaor ligg’n”, zei de Zulter boer dan.

De stelploeg en zijn onderdelen: a). ramshor’n, b). ’t halve gat, c). de klaver, d). de klöp, e). touhamer, f). de spaon, g). ’t ater, h). de ket (Afbeelding: Dr. C.C.W.J. Hijszeler: Boerenvoortvaring in de oude landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe. De tekeningen werden vervaardigd door de J. Witpaard te Meppel en N. Overdiep te Groningen. Uitgegeven te Assen bij Van Gorcum & Comp. N.V. (G.A. Hak & H.J. Prakke) (MCMXL)).

Na een week of twee tot drie bleef de akker zo liggen en als het weer meewerkte, kon de grond goed uitdrogen en de stoppels verrotten. ’t Laand wordt d’r mul (rul, los) van zei men dan. Vervolgens ging men het land slichten met een eg, of zoals men in de Zulte zei: ”’t laand slicht’n met ’n aaide”. Het eggen werd in de wijde omgeving van het dorp Roden ook wel ‘aaiden’ genoemd. Voor het slichten gebruikte de boer een grote, zware eg, de oseege of osaaide. Wellicht herinnert de naam nog aan het feit, dat hier in Noord-Drenthe ossen als trekdieren werden gebruikt. Het was zogenaamde viefbalks aaide (vijfbalks eg), van hout en met lange, ijzeren tanden. De grond werd door deze eg goed verkruimeld en schoon gemaakt. Was de eg nog niet zwaar genoeg, dan legde men er een zware paal of iets anders zoals zwerfstenen op.

Tegenwoordig gaat het eggen mechanisch met een forse trekker en een metalen eg, maar het effect blijft hetzelfde als voor tweehonderd jaren geleden, het gaat echter veel sneller dan toen.

Had men de akker slicht gemaakt, dan werd er bemest met stal- of schapenmest, die met een wagen op het land werd gereden. De bemesting was in vroeger tijden behoorlijk armelijk. Om het volume van de hoeveelheid mest toch maar te vergroten, werd de mest telkens in de stal met zand en (heide)plaggen vermengd. Het is dus ook niet verwonderlijk, dat er in vergelijking met vandaag de dag zodoende weinig wilde groeien. De schapenmest werd eerst met n messlep in vierkante stukken gestoken. Zo’n vierkant stuk schapenmest noemde men ’n bol. De stal- en schaopmest werd met de vork (een drie- of viertandigevork) op de wagen geladen, het zogenaamde mestlaod’n.

De eg, of aaide zoals deze in de omgeving van Roden werd genoemd. a). bovenzijde van de grote Drentse eg, b). onderzijde van de grote Drentse eg, c). voor het veurtrekk’n en de roagge inschraankel’n gebruikte men twee kleine eggen, die naast, doch schuin achter elkaar liepen, zodat er tussen de beide geëgde strooken geen strook ongeëgd bleef (Afbeelding: Dr. C.C.W.J. Hijszeler: Boerenvoortvaring in de oude landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe. De tekeningen werden vervaardigd door de J. Witpaard te Meppel en N. Overdiep te Groningen. Uitgegeven te Assen bij Van Gorcum & Comp. N.V. (G.A. Hak & H.J. Prakke) (MCMXL)).

Nadat men in het eerste jaar de rogge had gezaaid en geoogst, werd in het tweede jaar na de ontginning haver gezaaid. Vervolgens werden er in het derde jaar aardappelen in de grond gepoot. Na deze drie jaren was de ontginning van het bouwland geslaagd en ging men over op de normale bemesting en verbouwde men ieder jaar tarwe. In tegenstelling tot vandaag de dag waarbij vrijwel elke graankorrel mechanisch wordt opgevangen, was dit ruim 200 jaren geleden wel anders. Was het graan zeer rijp en vielen de graankorrels eenvoudig uit de graanhalm, dan diende men het graan voorzichtig binnen te halen. Om de gevallen graankorrels toch te kunnen verzamelen en er meel van laten te maken, had men een eenvoudige oplossing bedacht om de korrels in te zamelen. Een zogenaamde zaadzeef, een driehoek gemaakt van drie latten, werd over het bouwland gesleept om de uitgevallen graankorrels van het land te krijgen.

Moesten vroeger de knechten de aardappelen met hand poten en daardoor de gehele dag gebukt lopen, tegenwoordig gaat het poten machinaal. Op de afbeelding is mooi te zien dat de machinist de aardappelen even iets te vroeg liet vallen.

Waarschijnlijk is het gebruik van de trekossen in de omgeving van het voormalig esgehucht na 1810 snel afgenomen en maakten de trage dieren plaats voor de sneller bewegende paarden, waardoor het transport sneller verliep. Daarnaast konden de trekossen zeer zinnig zijn; hadden de dieren geen zin om iets te doen, dan deden ze ook daadwerkelijk niets en lag alles stil. In het zuiden van ons land bleef de trekos nog zeer populair en werd tot ver in de twintigste eeuw nog gebruikt in de landbouw. Daar hoorde hij dan ook het mopje: ‘De Noord-Brabantsche boer eet zijn paard en slaapt bij den voerman’, omdat het vooral ‘vrouwen en meiden’ waren, die op de vrachtkar de leidsels hanteerden. 2

Tegenwoordig dienen de meeste akkers in de omgeving van de Zulte voor de aanbouw van voedermaïs, dat de boeren naast hooi en kuilgras aan hun koeien voeren. Veel akkers zijn echter niet meer in de Zulte te vinden, ze moesten plaats maken voor graslanden. In de bodem van de bovenstaande akker bevinden zich echter aardappelen.

Was de ontginning van de immens grote heide en het verbouwen van graan op de bouwlanden in het verleden nog een bittere noodzaak, vandaag de dag zijn vrijwel alle akkers verdwenen en hebben plaats gemaakt voor grasland. De enkele akkers die men hier en daar nog in het oude gebied van de Zulte tegenkomt, zijn akkers met voedermaïs. De rode maïskorrels schijnen een heerlijk hapje voor het rundvee te zijn.

In veel akkers is er weer voedermaïs aangebouwd, een heerlijk hapje voor het vee. De boer kuilt de kolven in of hakselt de hele plant en gebruikt deze de hele winter als voer.

Van het oude boerenleven in de Zulte is niets meer over en van paardenkrachten wordt enkel nog gesproken als het om de tractor gaat, laat staan dat er nog de term ossenkracht nog bestaat. Eigenlijk is het niet meer voor te stellen dat wij best wel veel aan deze trekossen te danken hebben.

In het jaar 2011 had de eigenaar van de percelen aan de Zulthe ook voedermaïs verbouwd, zoals op de luchtfoto goed te zien is. (afbeelding: Topotijdreis.nl)

1 J. Kops – Magazijn van vaderlandschen landbouw Deel 06, te Haarlem, bij A. Loosjes, Pz. 1810.

2 Hans Miltenburg en Reimer Strikwerda, Koe voor de kar en op de kaart, 2007.

Het tiende recht.

Een klasse apart onder de boeren in en rondom het voormalig esgehucht de Zulte waren wel de ‘Meijers’, de boeren die hun beroep uitoefenden op een zogenaamde meijerij of pachtboerderij, die in het bezit waren van een grootgrondbezitter. Meestal waren dit boerderijen van de adel op havenzate Mensinge of van Nienoord in Leek en grote boeren rondom het dorp Roden. Daarnaast bezat het klooster in Aduard en later de bewoners van huize Ter Heijl hier nog enkele boerderijen, die zij verpachten aan boeren. Een mooi voorbeeld hiervan is de vermelding van de pachter Harm Geerts in het Haardstedenregister van de Zulte uit 1742, waarin de man omschreven werd als ‘Majer van de Najnoort in de Helle’. Destijds werd de Helle (Terheijl) nog tot de Zulte gerekend.

De vermelding van Harm Geerts in de Helle in het Haardstedenregister van de Zulte uit 1742 met de vermelding dat hij een meijer is van Nienoord (bron: Haardstedegeld 868.24, archiefnummer 0001, Drents Archief, inventarisnummer 868.24).

De meijer, de pachter dus, had een belangrijke functie in de omgeving waar de beste man boerde. Doorgaans had de beste man een aantal knechten, meiden en een varkensjongen aan het werk en afhankelijk van het seizoen, kwamen daar ook nog een groep landarbeiders en dagloners bij. Dat het voor de meijer geen vetpot was, blijkt wel uit het Drents gezegde: ‘As meierboer haj meestal meer wark as geld’. Voor veel landarbeiders en dagloners was het seizoenswerk bittere noodzaak om te kunnen overleven. Weliswaar hadden veel van hen een klein boerenbedrijfje, waarbij zij een klein stukje grond bezaten dat als moestuin gebruikt werd en een enkeling bezat een paar schapen of geiten, maar het was te weinig om van rond te komen. Vandaar dat zij dus de extra werkzaamheden bij de pachtboeren deden.

Even buiten het esgehucht langs de weg richting het dorp Roden, ter hoogte van de Boschkampe, stonden een aantal van deze kleine boerenbedrijfjes waar de arbeiders Harm Lammers Kroon, Egbert Louwes Meulema, Cornelis Lammers Kroon en Lammert Jans Noord en hun gezinnen woonden rond het jaar 1830. Sommige arbeiders bezaten net iets meer grond konden redelijk rondkomen en hoefden slechts een paar keer extra werk te doen bij de meijers. Deze dagloners, de kleine boertjes dus, werden ook wel ‘Ceuters’ (keuters) genoemd.

In het roodgekleurd huis dat aan de linkerzijde staat op het perceel I-298 was van Harm Lammers Kroon, I-301 bevond zich het huis van Egbert Louwes Meulema, daarnaast, I-305, het perceel van Cornelis Lammers Kroon en geheel rechts stond het huis van Lammert Jans Noord op I-306 (Kaart 1832Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).

De eerder vermelde opmerking dat je als meijer meer werkt hebt dan geld, is zeer begrijpelijk. Niet alleen het personeel, de dieren en het zaaigoed koste de boer veel geld, maar ook de pacht en de gemeentelijke belastingen hijgden de best man behoorlijk in zijn nek. Daarnaast lag er op veel percelen het zogenaamd ‘tiendrecht’. Boeren die deze landerijen destijds pachten en bewerkten waarop de tiendenplicht ruste, hadden de verplichting per jaar een tiende van de oogst afdragen aan diegene die het land met het tiendenrecht bezat. Was het eerst nog dat de afdracht in nature diende te gebeuren, later kon men de waarde ook in geld gaan afdragen. Voor de reformatie in de zestiende eeuw bezat het klooster in Aduard grote landerijen rondom de Zulte en met het heffen van de tienden konden zij het onderhoud van de gebouwen en de kloosterlingen in dit gebied financieren. Na de reformatie nam de adel een deel van de landerijen over, het andere deel werd door boeren overgenomen, die inmiddels grootgrondbezitters waren geworden en de adel naar de kroon staken.

De in de zestiende eeuw gebouwde boerderij met de naam ‘De Spijker’ in Roden had in het verleden de functie om onder andere de inkomsten van het tiendrecht, dat bij de bewoners van havenzate Mensinge lag, in nature op te kunnen slaan. De Spijker was dus de voormalige schoutsboerderij van Roden en werd ook voor andere inkomsten gebruikt naast het tiendrecht, die natura betaald diende te worden. Waarschijnlijk had de toenmalige boerderij met de naam Vogelsang even ten noorden van het voormalig esgehucht deze functie ook gekregen toen het aan het begin van de achttiende eeuw gebouwd werd in opdracht van de heren van Nienoord. Immers, zij bezaten inmiddels ook behoorlijke percelen in de Zulte nabij te Helle.

De voormalige schoutboerderij Vogelsang lag in het verleden ten noorden van het voormalig esgehucht de Zulte. De boerderij is ruim 270 jaar oud en nog steeds een markant beeld in de omgeving.

Er bestonden diverse vormen van de tiendrecht, ook wel tiende recht genoemd, en met een beetje geluk, dan kon de beste man maar liefst driemaal de knip trekken om aan zijn verplichtingen te kunnen voldoen. Zo had je bijvoorbeeld de zogenaamde oude en novale tienden. De novale tienden konden pas geïnd gaan worden, als de ondergrond bijvoorbeeld heide, recentelijk was ontgonnen. Dus had de boer zijn schapen op de heide lopen dan hoefde hij hier over niets te betalen, maar was het ontgonnen en diende het nu als weiland, dan kon de eigenaar nu wel aanspraak op het tiende recht maken.

De uitleg over het tiende recht in een leerboek voor notarissen die in 1768 gedrukt is (Afbeelding: Redenerend vertoog over ’t Notaris Ampt. Bevattende eene duidelyke, nette en uitgebreide verklaring van deszelfs wezendlyke gronden omtrent veelerlye gevallen in de practycq. Tweede deel. Opgestelt, veel vermeerdert, en gecorrigeert door Arent Lybreghts, Notaris in ’s Gravenhage. Vyfde druk. Te Amsterdam, by J. Roman, G. de Groot, J. Loveringh, G. Tielenburg, S. V. Esveldt en P. Schouten. MDCCLXVIII. Pagina 191 & 192).

We kunnen het tiende recht onderscheiden in drie varianten: a). Maat tienden, ook wel grove of korentienden genoemd en betrof graan (rogge, tarwe, haver, gerst enz.). b). Smalle of kleine tienden werd over tuinvruchten (moes, knollen, radijs, appels, peren, noten etc.), gras, hooi, hop, hout en vanaf 1731 ook over aardappelen en aardperen. c). Krijtende tienden, die gingen over jonge dieren zoals veulens, kalveren, lammeren, biggen, maar ook over ganzen, bijen en ander geboorte van jonge dieren.

Het tiende recht, het recht van een heer als belasting het tiende deel van de oogst of van jonggeboren vee op te eisen en is van kerkelijke oorsprong en is oorspronkelijk gebaseerd op het Oude Testament, werd in Nederland met ingang van vrijdag 1 januari 1909 afgeschaft.

Scheuveln op de dobbe van olle Hindrik Heuker.

“Zeg, kest die dobbe van olle Heuker nog vinden?”, vroeg zij aan mij, “Doar gingen wai as kinder altied hen te scheuveln”. Een vraag van een inwoonster die de tijd nog mee heeft gemaakt, dat het voormalig esgehucht nog niet opgeslokt was dor het dorp Roden. De vraag was voor mij niet zo raar daar ik zelf nog heb meegemaakt dat er geschaatst werd op de dobbe tegenover de boerderij van Woldring aan de Leeksterweg. Maar nee, die dobbe bedoelde zij niet, Heuker’s dobbe! Na een kleine uitleg begreep ik welke dobbe de dame bedoelde en waar deze ongeveer gelegen moet hebben. Zelf kon ik die dobbe waar zij om vroeg, niet  herinneren en was deze waarschijnlijk al drooggevallen of gedempt toen ik daar als kwajongen rondstruinde.

Sinds jaar en dag staat de naam de Vries in Roden en wijde omgeving synoniem voor het aanschaffen van goede schaatsen en vele generaties Roners hebben het ‘scheuveln’ op schaatsen van de Vries geleerd. In de winter van 1932 was dit niet anders (bron: Nieuwsblad van het Noorden maandag 12 december 1932 vierde blad, pagina 14).

Dobben kwamen in allerlei vormen en maten voor in en rondom de Zulte waarbij er zelfs nog enkelen bestaan. Het zijn doorgaans kleine poelen met een doorsnede van niet meer dan een meter of tien, die zowel door opborrelend grondwater zijn ontstaan of gegraven werden door de hier aanwezige boeren. Op een enkele uitzondering na, waren veel van deze dobben niet erg diep en bevroren dus ook dan snel ten tijde van een winterse periode. Het waren ideale plaatsten voor de jeugd uit de omgeving om redelijk veilig te kunnen gaan schaatsen. De diepere dobben die gevoed werden door regionaal kwelwater dat daar aan de oppervlakte kwam, bevroren niet zo snel of helemaal niet en werden dus minder door de jeugd bezocht.

Een bekend gezicht dat je in het verleden vaak zag in de omgeving van de Zulte. Een al dan niet gegraven dobbe aan de rand of in een hoek van een weiland. De bovenstaande dobbe is een natuurlijke dobbe en zeker al honderden jaren oud.

Dat de meestal ondiepe poelen in de winter gebruikt werden door de schaatsgrage jeugd uit de omgeving was meegenomen en zorgde voor veel vertier, maar de dobben hadden eigenlijk een andere functie. Vrijwel de meeste dobben dienden als drinkplaats voor het aanwezige vee en bespaarde de toenmalige boeren veel tijd omdat zij niet met de vele liters water hoefden te slepen. Een aantal dobben waren in der loop ontstaan doordat grond- of kwelwater door de keileemlaag was gedrongen en afhankelijk van plaats en de waterdruk in de poel, zelfs een enkele beek was gevormd. Anderen werden gegraven op plaatsen waar men een vermoeden had, dat er water onder de grond zat. Hierbij werd soms zelfs de hulp van een lokale wichelroedeloper ingeroepen om een ondergrondse waterstroom te vinden. De dobbe die naast de boerderij van de gebroeders Baving aan de Zulthe heeft gelegen, was hier een goed voorbeeld van.

De eerder afgebeelde dobbe enkele jaren eerder. Het is op de afbeelding goed te zien dat de randen te steil zijn voor het vee om er bij te kunnen komen om te drinken. De eigenaar van het vee moet dan dagelijks het water voor de dieren bijvullen. Naast dat dit soort dobben een steile rand bezitten, kunnen ze ook behoorlijk diep zijn.

Ook de vorm én de locatie van een dobbe speelde een rol van belang als het op het water geven van het vee aankwam. Bij de gegraven dobben waren de kanten doorgaans zo schuin afgegraven, dat het vee er eenvoudig bij kon komen. Dit was trouwens ook in de weilanden het geval waar de Zulter Bitse doorheen liep, de oevers waren niet zo steil als het vandaag het geval is en kon het vee water uit de beek drinken. Vrijwel alle dobben in het gebied dat de naam de Zulte droeg, bevonden zich aan de rand nabij de afscheiding of in een hoek van het weiland. Een patroon dat je trouwens rondom heel Roden tegenkomt.

Andere dobben die door de mens gegraven waren, bezaten doorgaans niet zo’n grote doorsnede zoals de natuurlijke dobben bezaten en waren hooguit een meter of vijf breed. Zoals al eerder vermeld waren de kanten van zo’n dobbe lang niet zo steil en werden ze ook niet zo diep uitgegraven. In deze dobben kon het vee doorheen lopen, iets wat in de zeer warme zomers dan ook gebeurde. Zo’n ondiepe gegraven dobbe ligt heden ten dage in de nabijheid van de Toutenburgsingel waar eens de pannenfabriek heeft gestaan. Deze dobbe is hooguit veertig centimeter diep, zoals op de onderstaande foto goed te zien is.

Een blauwe reiger (Ardea cinerea) in de bovenstaande dobbe nabij de Toutenburgsingel. Het dier staat midden in de dobbe op kikkers te loeren.

De dobbe van Heuker bevond iets ten noorden van de Zulte in het land van Hendrik Heuker in het zuidwesten van de Westeresch. Hendrik, die in de volksmond Hindrik genoemd werd, was op zaterdag 30 juni 1894 als zoon van Paulus en Aaltien Heuker-Riemers geboren. Hindrik trouwde op zaterdag 12 mei 1923 met de in Tolbert  geboren Froukje Feenstra. In het jaar 1933 kwamen zij in het huis te wonen met het nummer 175, tegenwoordig Turfweg nummer 6. Het huis was voorheen al in het bezit van de familie Heuker, maar werd steeds weer verhuurd aan pachters.

Boven is een kaart uit het einde van de jaren 50 uit de vorige eeuw te zien, daaronder is de huidige situatie zichtbaar. Er is vandaag de dag niets meer te zien van de oude dobbe van Hendrik Heuker in de Zulte.

Heden ten dage is er niets meer te zien van wat eens Heuker’s dobbe was. Van de kinderen die eens in het verleden de kans waarnamen om hier te gaan schaatsen, heeft een groot deel inmiddels het tijdelijke leven met het eeuwige verwisseld en heel langzaam verdwijnen de mooie jeugdverhalen uit dit toch wel zeer uniek gebied met de mensen die ze beleefd hebben. Jeugdverhalen zoals het scheuveln op Heuker’s dobbe! Bedankt Roelie.

Hardrijderij op de schaatsen voor vrouwen op de ijsbaan te Roden op 12 februari in het jaar 1935. Op de voorgrond de toen bekende hardrijdster mejuffrouw Jantje Helder uit Paterswolde. Wedstrijden als hierboven vonden niet plaats op de bevroren dobben nabij de Zulte (foto: Trouw, donderdag 28 januari 1954, pagina 5).

De man met de zeis.

Zo’n tweehonderd jaren geleden bestonden er nog geen moderne landbouwvoertuigen zoals wij die vandaag de dag kennen en kwam het aan op harde, noeste en lichamelijke arbeid. Niets van een stoere tractor met een hippe cyclomaaier waarmee je het gras op land in een poep en een scheet omgemaaid hebt en een vlotte hooischudder om het gras te schudden. Nee, alles gebeurde op de graslanden rondom het voormalig esgehucht de Zulte door de boeren, knechten en arbeiders nog met de hand en pure spierkracht. Het spreekt voor zich dat de één meer bedreven in het maaien met de zeis was dan een ander of juist weer een andere techniek gebruikte, waarover door de arbeiders en knechten die het zware werk in het hooi moesten doen, dan ook de nodige opmerkingen werden geopperd. Een aantal van deze termen, die in het verleden werden gebruikt in de gebieden in en rondom de Zulte tijdens de negentiende en twintigste eeuw, passeren hier dan ook de revue.

Een aquarel uit het jaar 1824 van de kunstenaar A. Kosters met in het midden van de afbeelding een maaier die met de zeis en hark onderweg is. (Afbeelding: Beeldbank Groningen, identificatienummer NL-GnGRA_1536_5363, Groninger Archieven, Archief Academie Minerva, toegangsnummer 1448, inv.nr. 34.)

Het was destijds al bekend dat goed maaien een moeilijk vak was en dat het maar weinigen gegeven was om het vak goed te verstaan. Zeker wanneer men in groepen het weiland opging om het gras te maaien, dan was een zekere vorm van uniformiteit gewenst om de hooiers tevreden te houden. Het maaien met een zeis wat dus duidelijk iets wat een boer of arbeider goed onder de knie moest hebben, wilde deze optimaal gebruik kunnen maken van het lange gras. Een zeis, of zais zoals deze in de Zulte genoemd werd, was toen en nog steeds, eigenlijk niets meer dan landbouwhandwerktuig dat uit twee onderdelen bestond.

Een afbeelding van een zeis zoals deze in het verleden in de Zulte werd gebruikt. De termen zijn in het dialect zoals deze in de omgeving van het voormalig esgehucht werd gesproken. a) Zaisboom, b) Dollen, c)’t Oort, d) De hak, e) De hekel, f) De ring, g) De kiel, h) De rug, j) De aege, k) De strekel, l) Hoarspit, m) Hoarhoamer, n) toujaoger. (Afbeelding: Dr. C.C.W.J. Hijszeler: Boerenvoortvaring in de oude landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe. De tekeningen werden vervaardigd door de J. Witpaard te Meppel en N. Overdiep te Groningen. Uitgegeven te Assen bij Van Gorcum & Comp. N.V. (G.A. Hak & H.J. Prakke) (MCMXL))

De zeis bestond uit twee delen; een sikkelvormig mes en de boom. De boom noemde men ook wel ‘de zaisboom’ (a) en was een lange, rechte, ronde stok waarop twee gebogen handvatten zaten, de zogenaamde ‘dollen’ (b). De dollen zorgden niet alleen voor een goede grip, maar waren ook nog eens zo geplaatst dat de gebruiker de maximale slag kon met het gereedschap kon maken. Het sikkelvormig gebogen mes, dat eigenlijk de zeis is, bezat aan de ene zijde een scherpe, spitse punt, die ‘’t oort’ (c) heette en aan de andere zijde recht afgesneden is. Dit gedeelte van werd destijds ‘de hak’ (d) genoemd in het Noord-Drents dialect dat in de omgeving van de Zulte door de mensen werd gesproken.

Een in de geschiedenis van de Zulte veelvoorkomend beeld; een boer of en arbeider die aan het maaien is met de zeis en de strekel daarbij in de hand houdend. (Afbeelding: pagina 30, Ton de Joode – Landleven, het boerenbestaan van toen. Foto Peter Schütte. MCMLXXXI Elsevier-Amsterdam/Brussel)

Aan het gedeelte dat de hak heette, zat een rechthoekig gebogen stuk dat veel weg had van een handvat. Dit gebogen  stuk noemde men ‘de hekel’ (e) zat door middel van een wig, ‘de kiel’ (g), vast in een gat dat de naam ‘’t hekelgat’ droeg. ’t Hekelgat was een vervorming in een stuk ijzer, ‘de ring’ (f). De kiel en de ring, ‘’t bijwark’, zorgden ervoor dat het mes stevig aan de zeisboom bleef zitten tijdens het gebruik van de zeis. De bovenzijde van het mes heette ‘de rug’ (h) en het scherpe gedeelte, zeg maar het mes, was ‘de aege’ (j).

Het gebruik van een strekel door een boer om de zeis weer scherp te maken. Bestond in het verre verleden het laagje om de zeis te scherpen uit bijvoorbeeld vet, koemest of teer, en iets later uit scherp zand, tegenwoordig is deze van cement gemaakt. (Afbeelding: pagina 31, Ton de Joode – Landleven, het boerenbestaan van toen. Foto Peter Schütte. MCMLXXXI Elsevier-Amsterdam/Brussel)

Om snel en goed te kunnen maaien met de zeis, was het regelmatig scherpen van het mes noodzakelijk, dit noemde men ook wel ‘de zais striek’n’. Om het mes van de zeis te kunnen scherpen, draaide men de zeis om, plaatste de bovenkant van de zeisboom op de grond en pakte de maaier ‘de strekel’ (k). Een strekel was volgens het Nieuw Groninger Woordenboek van K. Ter Laan “een houten werktuig, waarmee de zeis scherp gestreken wordt. Insgelijks de stok, waarmee de korenmaat wordt glad gestreken. De swoa wordt strookn met de strekel (d. V.) = de saais wordt streekn. (1). Veel Groningse woorden kwamen ook voor in het Noord-Drentse dialect dat in Roden en omgeving werd sproken. De maaier ging met de strekel beurtelings langs de snede van het mes van boven naar beneden, maar nooit op en neer. Dit was de beste manier om de zais te striek’n. Soms gebruikte men na het strijken met de strekel nog een wetsteen. De gebruiker spuugde wat speeksel op het mes en ging in dezelfde volgorde als de strekel met de wetsteen van boven naar beneden.

Het scherp strijken van de zeis door een arbeider op ’t Groninger Land door middel van een houten werktuig, de zogenaamde strekel. (Afbeelding: Fig. 293. Striékn mit strekel. Pagina 986 Nieuw Groninger Woordenboek door K. Ter Laan met kaarten en platen van Johan Dijkstra e.a.. J.B. Wolters’ U.M. – Groningen, Den Haag, 1929.)

Soms kwam het ook voor dat de zeis zo erg stomp geworden was, dat de strekel geen uitkomst meer bracht. Dan was de maaier gedwongen om het blad te haren, ‘hoar’n’ noemde men dat in de Zulte destijds. Hoar’n gebeurde met speciaal gereedschap, een ‘hoarhoamer’ (m) en ‘hoarspit’ (l), dat ‘hoartuug(1) genoemd werd. De hoarspit was een kruisvormige, ijzeren pin met een brede kop die enigszins schuin in de grond werd gestoken. Vervolgens werd de scherpe kant van de zeis op de brede kop gelegd en behamerde de maaier deze met de bek van de hoarhoamer.

Het hoar’n van de zicht of zichter, zoals een zeis met een korte handvat werd genoemd, bij een akker met vlas achter de boerderij van Rietema rond 1924-1925, destijds gelegen aan de Ommelanderweg in Hornhuizen. De man vooraan is mogelijk Van de Velde, de man rechts mogelijk Van der Veen. (Afbeelding: Beeldbank Groningen, identificatienummer NL-GnGRA_2516_8 Groninger Archieven 2516_0008.jpg)

Het maaien van het lange gras gebeurde ruim tweehonderd jaar geleden doorgaans in een groep, waarbij er door de eerste maaier aan de linkerkant van het perceel begonnen werd en de volgende maaier op enige afstand rechts van de eerste maaier volgde. De volgende maaiers volgden in hetzelfde patroon en bleven aan de rechterzijde achter de voorganger. Een maaier, ook wel ‘mëijer’ genoemd in het dialect, vormde een zwade of zwad, de hoeveelheid gras die met één slag van de zeis werd neergelegd. In het in de Zulte gesproken Noord-Drents dialect sprak men echter doorgaans van een ‘swat’.

Het Landelijk Kennisnetwerk Levende Have was op bezoek bij Jan Oldenkamp van Landschap Overijssel. Hij heeft precies verteld hoe het zeisen in zijn werk gaat. Alle voor- en nadelen van het werken van een zeis komen aan bod.

Nu zat er nogal wat verschil op wijze waarop de ene maaier de zeis hanteerde dan een andere maaier. Had de maaier een techniek waarbij hij het achtereinde van de zeis, de zogenaamde hak, te hoog liet lopen, dan bleef er rechts vaak wat gras staan, terwijl links alles werd weggemaaid. Maaiers die op deze wijze de zeis hanteerden, zorgden er dus voor dat er een lage ril gras bleef staan, die vervolgens een ‘kam’ genoemd werd. Over deze maaiers werd dan ook gezegd, dat ze aan het ‘swatkammen’ waren. In de omgeving van Roden zei men destijds echter: ‘De mëijer haüwt met de hak(2), de maaier slaat met de hak, het achtereinde van de zeis dus.

Een tweede vorm van maaien met de zeis was dat de maaier deze zo vasthield, dat er in het midden van de zwad meer gras gemaaid werd dan aan de zijkanten, dan zei men: ‘Mëijde de mëijer swienebakk’n(2). Er bestonden ook maaiers die zo met zeis maaiden, dat de punt van het blad (’t oort) te ver naar achteren liep en er links voorbij de snede wat gras bleef staan. In dat geval sprak men van: ‘De mëijer oort niet deur’ (2). In de omgeving van Roden werd er dan spottend gezegd: ‘Er blif ’n heeg staon(2) (Er blijft een heg/haag staan). Dit laatste kon ook het gevolg zijn van het feit, dat de maaier de zeis ten opzichte van de hekel (angel van een zeis) te ruim stond en daardoor een te grote hoek maakte. Voor diegene de het afgemaaide gras met een hark moest bewerken, was het gras dat bovenop het gedeelte lag dat niet goed gemaaid was, een nare klus en zorgde voor nogal wat wrevel en gescheld van de hooiers op de maaiers. De hark bleef namelijk achter het hogere gras haken, wat bij de hooiers leidde tot uitspraken zoals: ’t swat omtrekk’n’.

Zo zou het er rond 1820 in weilanden in de omgeving van de Zulteresch gezien vanuit het westen richting het oosten uit hebben kunnen zien. Niets van een grote, groene zee van Engels raaigras zoals dit vandaag de dag het geval is, waar vrijwel geen bloem te vinden is, laat staan een grote insecten populatie, maar een uitbundig gekleurd mengsel van grassen, kruiden en bloemen. Het spreekt voor zich dat destijds hier een groot en een zeer gevarieerd insectenbestand aanwezig was. Op de achtergrond lag in die tijd het Groot Noordholt, een enorm groot oerbos dat moest wijken voor de expansiedrift van de groeiende boerenbedrijven.

Naast dat de weersomstandigheden voor de boeren in de Zulte belangrijk waren bij de snelheid en de kwaliteit van het maaien én het hooien, het bleef immers mensenwerk, maar ook de inrichting van het perceel was een bepalende factor die niet te onderschatten viel. In de huidige tijd maakt de toestand van het te maaien land niet zoveel meer uit, immers door de mechanisatie in de landbouw zijn de maaimachines niet meer kieskeurig en is het gras snel gemaaid. In vroegere tijden voordat de mechanisatie was ingezet, was dit echter een geheel ander verhaal. Doordat het gras nooit rechtop staat en door de weersinvloeden zoals door weer en wind vrijwel altijd een schuine stand bezit, diende de maaier ook hier rekening mee te houden.

Het gebied in de Zulteresch dat eerder in de afbeelding hierboven werd omschreven, maar dan vanuit het oosten richting het westen gezien. Kenmerkend voor het gebied rondom de Zulte waren niet alleen de vele kruidenrijke graslanden, maar ook nog de destijds talrijk aanwezige en deels zeer oude bossen.

De door de maaiers te maaien wei- en hooilanden lagen in het gebied rondom het voormalig esgehucht de Zulte niet alleen op de essen, maar ook in het beekdalgebied van de Zulter Bitse. Daarnaast lagen de graslanden ook naast bijvoorbeeld vele kampen, die in het gebied voorkwamen en omringd waren met houtwallen. Eigenlijk is er dan ook geen standaardvorm van een grasland in de wijde omgeving van de Zulte aan te wijzen. Zo waren bijvoorbeeld de graslanden langs de beek slechts aan drie kanten omgeven door een houtwal of ondiepe sloot. Ook in de wallen zaten diverse verschillen qua uitvoering en inrichting.

Donkere onweerswolken boven het perceel met het te maaien gras. Sinds jaar en dag is de boer afhankelijk van het weer tijdens de hooiperiode. Het hooien van toen en op de wijze zoals deze heden ten dage plaatsvindt, is stomweg niet te vergelijken. Vandaag de dag is het voor de moderne boer slechts een fluitje van een cent om even de weersverwachting erbij te nemen en dan wel of niet te gaan maaien. In het verleden zouden de onweerswolken de toenmalige boer tot waanzin hebben gedreven als het gras gemaaid op het land lag en moest drogen

Tevens speelde ook ligging van de weilanden en de wallen op de, aan de, of juist ver van de nattere gronden zoals de madelanden een grote rol. De madelanden waren natte graslanden, die meestal alleen gebruikt werden als hooilanden als het weer het toeliet en bevonden destijds voornamelijk uit zogenaamde blauwgraslanden (Cirsio dissecti-Molinietum). Door hun vochtige toestand waren de blauwgras- en madelanden niet geschikt om er vee te laten weiden en dienden ze als hooilanden. In een zeer gunstig jaar met een droge nazomer kon het nogal eens gebeuren dat de ondergrond droog genoeg was en liet men er alsnog vee grazen. Tegenwoordig bevindt zich het gebied waar de madelanden vroeger lagen, nu tussen de straten de Klimop, De Hulst en Kamperfoelie in de Bomenbuurt van Roden.

Het houten toegangshek zat meestal in de houtwal aan de voorzijde van het te maaien perceel. Deze vorm van hek werd ‘wring’ genoemd en hier is meer over een wring te lezen.

Doorgaans bestonden de wallen vooral uit houtwallen de beplant waren met Zomereiken (Quercus robur) en een tal van andere iets lager blijvende loofbomen. In de nattere en lagergelegen gedeelten waren het juist Zwarte elzen (Alnus glutinosa) of ondiepe sloten die zorgen voor de afscheiding. Deze wallen bevonden zich meestal aan de zijkanten van een perceel en werden daarom dan ook ‘zijwallen’ genoemd. De zijwallen konden wel honderden meters lang zijn, lagen langs diverse percelen en gingen dan in sloten over. De toegangshekken zaten in de wallen aan de voorzijde.

Aan het einde van een zogenaamde zijwal nabij bijvoorbeeld een beek ging deze doorgaans over in en ondiepe sloot, die echter voldoende diep en breed was om het vee in het weiland te houden.

De maaiers diende dus rekening te houden met de schuine stand van het gras wanneer zij begonnen te maaien. Daarom probeerden zij altijd als het mogelijk was, nooit tegen de ligging van het gras in te maaien. De maairichting die zij dan aanhielden, was vaak van het westen richting het oosten of van het zuidwesten naar het noordoosten. Eigenlijk is er in de richting van waaruit de wind vandaag de dag waait maar weinig veranderd met de windrichting, die de wind zo’n tweehonderd jaren geleden had. Toch moest men op de dag zelf van het maaien wel degelijk rekening houden met de richting waaruit de wind waaide.

Tegenwoordig hoeft het gemaaide gras niet meer extreem droog te zijn om hooibroei te voorkomen, het gras wordt ingekuild. Inkuilen van gras is een conserveringsmethode, net als wekken, vriezen, drogen, zouten of inblikken, om ruwvoer te kunnen bewaren. Voor het inkuilen is het juist belangrijk dat het gras niet te lang blijft liggen tijdens de zogenaamde veldperiode.

Een ander en zeker één van de belangrijke omstandigheden tijdens het maaien destijds was toch wel, dat het gras veel dunner op het land stond dan vandaag de dag. Doordat de bemesting van de weilanden in die tijd lang niet zo hevig en zwaar was als heden ten dage, stond het gras verder uit elkaar dan het nu het geval is. Daarnaast gebruiken de boeren tegenwoordig andere grassoorten die een hogere opbrengst per vierkante meter garanderen. Het uit Engeland afkomstige Ryegrass dat daar al sinds 1600 in Oxfordshire geteeld werd, is hier een goed voorbeeld van. Dit zaad werd in het Nederlands taalgebied onder de naam Engels raaigras (Lolium perenne) in de handel gebracht en is een dichte zodevormende, vaste plant.

Een weiland langs de Zulter Bitse en het restant van het Groot Noordhout kleurt groen door het Engels raaigras (Lolium perenne). Een grassoort dat voor de moderne boer onmisbaar is geworden, maar voor de biodiversiteit van planten en insecten in het gebied catastrofaal is gebleken.

Om het zogenaamde ‘dun gras’ als hooi binnen te kunnen halen, begon de boer indien het weer dit toeliet, al in de eerste helft van de maand juni met het werk. Als er gemaaid kon worden en er waren meer dan één maaiers, dan ging er eerst een maaier vooruit om een ‘’n swat veurlanges’ te maken, zodat de andere maaiers beter het te maaien gedeelte konden inzetten. De maaier die voor de andere maaiers een zwad voorbereidde noemde men destijds ook wel de veurmëijer, voormaaier dus. Doorgaans begon deze voormaaier aan de voor hem linkerzijde van het te maaien perceel grasland, vrij dicht bij de sloot langs en zodra deze aan het einde van het perceel was aangekomen, draaide hij zich om en maaide dan het gedeelte tussen het gemaaide en de sloot. Zo ontstond er doordat er twee zwadden, in de Zulte sprak men van ‘de swaod’n’ tegen elkaar lagen, een zogenaamde ‘’n goarswat’. Dit werd ook wel ‘’n goarswat mëij’n’ genoemd. In de tijd dat de voormaaier de goarswat vormde, maaiden de andere maaiers de overige slootkanten, ‘de slootkaant opmëij’n’. Dit werd echter ook wel het allerlaatste door de maaiers gedaan.

Vers gemaaid gras langs de oever van de Zulter Bitse. Het perceel dat ten westen van het beekje lag en na de ontginning van van dit deel van het oerbos in de jaren twintig in de negentiende eeuw, de naam ‘Klein Noordholt’ had gekregen, deed sindsdien dienst als grasland.

Wanneer dit was gebeurd, zetten de maaiers, de een na de ander, in het te maaien gedeelte in. Men hanteerde de zeis tegelijk. Het mooiste was, tree voor tree voorwaarts gaande, telkens een zwad te maaien. Maar dit was zeer zwaar werk. Wanneer men de naam wilde hebben om een flinke maaier te zijn, dan moest ‘’n dagwark’ (zestig roe) of ‘’n mat’ (halve bunder) geen probleem zijn. Maar zoals u al eerder kon lezen, snel en goed maaien met de zeis was én is nog steeds een kunst. IJdelheid en stoer doen tussen de arbeiders en knechten onderling was dan ook niet van de lucht op de graslanden rondom het voormalig esgehucht. Het spreekt voor zich dat men elkaar ging kleineren als het op de prestaties aankwam. Bekend was het rijmpje dat men destijds met enige regelmaat in de omgeving van Roden kon horen in de maaitijd: ‘Maaj’n is niks as bukk’n en draaj’n, Maor wol teiz’n , das vlais verleiz’n’ (Maaien is niets anders dan bukken en draaien, maar wol uit elkaar halen is vlees verliezen) (2). Wol teiz’n was een bezigheid die in heel Drenthe plaatsvond en was niets anders dan met duim en vinger de wol uit elkaar pluizen.

Het maaien zoals dat door de boer in het verleden gebeurde verschilde enorm met de huidige tijd, maar één gebeurtenis blijft toch wel hetzelfde; de ooienvaars die achter de maaiers aan liepen om voedsel te zoeken, lopen nu in het spoor van een tractor. Misschien is de overeenkomst met vroeger wel dat er tegenwoordig ook weer veel ooienvaars zijn, dit was een dertig tal jaren geleden wel heel anders.

Vervolgens werd het gras op het perceel strook voor strook gemaaid, elke zwad apart: ‘elk swat apaart’. Zodra de maaiers een bepaald punt hadden bereikt,  dit kon het einde van het perceel zijn of de plaats die zij wilden bereiken, dan stopten de maaiers en ging de zeis op de schouder en liepen ze naar de locatie waar men met het maaien begonnen was. Dit werd in de omgeving van Roden ook wel ‘n’ Groot oaf ’n kleinswat maaj’n’’ genoemd en betekende niets anders dat men de te maaien strook breder of juist smaller nam dan gewoonlijk. Hier zetten de maaiers opnieuw in en ging men weer aan de slag. Dan werd er gezegd dat de maaiers ‘’n neij swat anhoal’n’. Aan het einde van een maaidag of wanneer de maaiers ophielden met het gras maaien, gingen zij eerst nog de zeis hoar’n (haren). Men deed dit zodat de zeis scherp bleef en de maaiers dan weer de volgende dag direct konden beginnen met het maaien. Doorgaans haarde men voor het gras maaien de zeis tweemaal per dag. Als het gehele perceel gemaaid was, zei men ‘’t Gras ligt in ’t swat’. Het gras bleef een dag of juist meerdere dagen liggen, totdat de bovenste laag gras iets bestorven was.

Na het maaien liet men doorgaans in de negentiende eeuw rondom de Zulte het gemaaide gras een poosje liggen, soms een dag, een andere keer meerdere dagen, zodat de bovenste laag van het gras iets bestorven raakte. Op de afbeelding is het stroomdalgebied van de Zulter Bitse te zien.

(1) Bron: Nieuw Groninger Woordenboek door K. Ter Laan met kaarten en platen van Johan Dijkstra e.a.. J.B. Wolters’ U.M. – Groningen, Den Haag, 1929.

(2) Bron: Dr. C.C.W.J. Hijszeler: Boerenvoortvaring in de oude landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe. Uitgegeven te Assen bij Van Gorcum & Comp. N.V. (G.A. Hak & H.J. Prakke) (MCMXL)