Toen vele jaren geleden, zo rond 1825, de weg van Roden naar het voormalig esgehucht de Zulte naar de herberg met de mooie naam Stoutenburg doorgetrokken werd, veranderde er veel voor de bewoners rond de brink en ook het rustieke uiterlijk kreeg een ander uiterlijk. Hier en daar zal er wel een inwoner iets hebben gemompeld dat het voor hem allemaal niet nodig was geweest, maar de meeste bewoners zullen de veranderingen hebben toegejuicht. Het esgehucht was nu ook uit de richting van Nietap en de Leek makkelijker te bereiken, iets wat de nodige tijdwinst opleverde voor menigeen die hier op doorreis was.
Een niet minder belangrijke verandering in het esgehucht was wel, dat de wispelturige beek de Zulter Bitse enigszins getemd werd en dat men nu over het beekje kon gaan. Iets dat voor de aanleg van de weg tijdens zeer natte perioden schier onmogelijk was, daar het beekje dan door de enorme toename van regenwater via bovenlaag in het gebied, wist uit te groeien tot en forse stroom. Daarnaast was de samenstelling van de boden hier van zo’n slechte kwaliteit, delen keileem en potklei bedekt met een dunne laag zand of aarde, dat bij de toename van de aanvoer van water het hier een grote modderbende werd.
Op de Franse legerkaart uit 1810/1811 is de Zulter Bitse te zien die door het voormalig esgehucht de Zulte stroomt. Rond deze tijd was het in de nattere perioden van het jaar waarschijnlijk een grote modderbende op de plaats waar men door de beek moest gaan (afbeelding: Drents Archief).
Nee, doorgaans was men zeer positief over het feit dat de weg nu doorgetrokken werd en men met droge voeten de beek kon oversteken. Met name de op de donderdag 15 augustus van het jaar 1792 te Zevenhuizen geboren schaapsherder van de Zulte, Jan Harms Hummel, die vanuit het oostelijk van het gehucht gelegen Noordeinde kwam, was de brug een zegen. Jan Harms, die samen met zijn vrouw Aaltje en hun kinderen bij Harm Lammerts Sikkes Kroon en Jantje Knelles in het huis met het adres Noordeinde 223 woonde, moest voorheen in de nattere perioden door de braggel heen om bij de schaapskudde te geraken.
Nadat de Zulter Bitse rond 1825 was omgelegd en later in de negentiende eeuw hier een oprit werd aangelegd voor de boerderij die in 1886 hier werd gebouwd naast de plaats van de vorige boerderij, werden hier ook de sporen zichtbaar van het verleden. Blijkbaar bevinden zich hier nog enkele ondergrondse waterstromen die er voor zorgen, dat de ondergrond hier zier instabiel blijft. En gezien de plaats waar het verzakt, is het duidelijk dat dit niet door het verkeer komt.
Jan Harms Hummel was er zeker niet rouwig over dat hij nu met droog schoeisel over de nieuwe houten brug kon lopen richting de Zulter schaapskooi. Ja, het was een simpel houten bruggetje over de beek geworden, maar hij voldeed prima. Ook de loop van de beek was veranderd en grotendeels gekanaliseerd, of beter gezegd, rechtgetrokken en liep nu zo’n vijftig meter noordelijker onder de nieuwe brug door. De oorspronkelijke weg tussen het dorp Roden en de herberg Stoutenburg aan de Leekster Dyk ten oosten van het esgehucht, had zijn functie grotendeels verloren en verdween in de loop der tijd.
De Zulte op de Kadastrale kaart uit 1832 waarbij het houten bruggetje over de Zulter Bitse goed te zien is. Jan Harms Hummel zal verheugd geweest zijn dat hij nu met droge voeten bij de schaapskudde kon komen (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort)
Hier en daar zijn de sporen van dit weggetje nog terug te vinden in het gebied, ondanks dat de toenmalige gemeente Roden zijn blik op dit gebied had geworpen, nadat de ‘beter gesitueerde’ inwoners van het dorp de woningbouw in hun achtertuin in het zuiden van Roden hadden weten tegen te houden en dat dit het gevolg had, dat hier met alle geweld een woonwijk uit de grond stampte. Het waren andere tijden. De tijd dat het toenmalig gemeentebestuur de ambitie had om de stad Groningen qua grootte en inwonersaantallen naar de kroon te steken.
In het verlengde van de Klimop bij de Hulst staat nu nog een landhek die plaats markeert waar de weg richting de herberg Stoutenburg zich bevond. Nadat de weg door de Zulte naar de herberg was aangelegd, had de weg zijn functie verloren en werd langzamerhand in het landschap opgenomen.
Maar goed, de vier voorgaande eeuwen waren nu afgesloten en de ontwikkeling rondom het voormalig esgehucht gingen gestaag door. Immers, door de aanleg van de weg was het redelijk beschut gelegen gehucht onderdeel geworden van de weg tussen Roden en de Leek en deed het mee in de evolutie van het gebied. Langzamerhand verdwenen de boerderijen die er al vanaf de vijftiende eeuw stonden en kwamen er nieuwe boerderijen bij, die geheel voldeden aan de eisen die men stelde aan de woningen in het midden van de negentiende eeuw.
Een segment van een kaart uit het jaar 1861 met de titel “Een lengte-profil en situatie-teekening van den weg van Roden naar Nietap bij De Leek”. Op de inzet is de gemetselde duiker te zien (afbeelding: Drents Archief).
Het begin van de jaren zestig van die eeuw waren de jaren dat er serieus naar de wegen binnen de toenmalige gemeente Roden gekeken werd en daar waar het ging, verharding door middel van grind werd toegepast. Een nadeel van storten van forse laag grind als verharding van de weg is onder andere het gewicht dat op de ondergrond komt. Het spreekt dan ook voor zich, dat de houten brug werd vervangen door een doorgang voor het water dat tegen deze druk bestand was. Er werd voor een gemetselde duiker met een gebogen vorm en een diameter van ongeveer 1 meter gekozen. De waterdruk op de Zulter Bitse was destijds vele malen groter dan heden ten dage, daar waar de vele sloten en het effectief afwateringsysteem binnen de gemeente de functie van de beken heeft overgenomen.
De percelen waarvan een strook werd onteigend nabij de Zulter Bitse in een advertentie in alle landelijke bladen verscheen. Deze advertentie was afkomstig uit de Leeuwarder Courant van 25 september 1911. Van Roelof Deodatus Pietersz.werd een brede strook van het perceel I-275, dat bestond uit hakbosch, onteigend. Van Roelf Brink werd van de percelen I-1513 (huis en bouwland), I-1008 (huis, schuur, stookhuis en erf) en I-1114 (weg) een strook onteigend voor de aanleg van het tramspoor. De Bitse had het nummer Ong., en was eigendom van de gemeente Roden.
Met de aanleg van de tramlijn Drachten-Groningen door de Nederlandse Tramweg Maatschappij te Heerenveen moest nu ook weer het een en ander aangepast worden in de Zulte. Vanaf 1911 werden delen grond van de eigenaren langs het toekomstig traject onteigend en kon de aanleg van het spoor beginnen. Er werd niet alleen een spoorbaan aangelegd voor de stoomtram, maar ook de duiker die onder de weg lag, moest ook worden verlengd. De waterdruk op het beekje was inmiddels zo afgenomen, dat de duiker onder het spoor weliswaar in dezelfde vorm werd gemetseld, maar nu in een diameter van zo’n 85 centimeter. Op de woensdag 1 oktober in het jaar 1913 werd de tramlijn in gebruik genomen.
Een afbeelding van het traject over de Zulter Bitse en langs de weg tussen Roden en De Leek uit 1911, waarbij de vermelding staat dat er een stenen duiker komt te liggen met die 0, 85 meter wijd is. De boerderijen links- en rechtsboven op de tekening waren in het bezit van landbouwer Roelf Brink, de boerderij rechtsonder was eigendom van Roelof Deodatus Pietersz., die eveneens landbouwer was (afbeelding: Drents Archief).
Dat de tram en later de treinen voor de nodige ongelukken en overlast hebben gezorgd, staat verderop op deze weblog beschreven. Door een inmiddels geperfectioneerd stelsels van sloten en watelopen dat er voor had gezorgd, dat de functie van de Zulter Bitse eigenlijk tot nul gereduceerd was. Immers, het nieuwe stelsel wist ervoor te zorgen, dat het water binnen een halve dag al bij Lauwersoog was en daar in de Waddenzee gespuid kon worden.
De bovenloop van de Zulter Bitse heden ten dage bij de Zulthe. De duiker is al jaren geleden verdwenen toen ook het spoor weggehaald werd. Tegenwoordig ligt er een voetpad langs de sloot.
In de jaren veertig, vijftig en zestig van de vorige eeuw was er van een actieve beek allang geen sprake meer en verschilde de waterstand nogal per seizoen. Zo stond deze in de zomer zo laag, dat de beek in het gehucht vrijwel droog stond en de lokale jeugd de duiker onder de weg gebruikte als sluipweg om appels en steenperen bij de boerderij van Deodatus te plukken. In de nattere perioden tijdens de late herfst en de winter was het aanbod van water zo groot, dat de beek de woeste vormen van vroeger aannam en het water met donderend geweld richting het Leekstermeer werd afgevoerd. Ook hier wist de lokale jeugd ook wel raad mee en zetten zij zelfgemaakte papieren bootjes nabij de duiker in de Bitse. De sport was dan, om zo snel mogelijk op de fiets bij de Turfweg te zijn om het bootje voorbij te zien komen.
In de extreem droge zomer in het jaar 2022 stond de bovenloop van de Zulter Bitse wederom droog. Nu stond de beek in de voorgaande jaren ook regelmatig droog in de zomer, maar dit jaar was het volgens een buurtbewoner wel heel erg. Bleef de bodem in de eerdere jaren altijd wel is van modderig en zacht, in 2022 was de bodem kurkdroog en keihard. Dit had de beste man dan ook nog nooit meegemaakt.
Vanaf het midden van de jaren zestig van de eerder genoemde eeuw was men de overlast die de beek dus in de nattere perioden van het jaar veroorzaakte meer dan beu en werd daar waar het kon de loop van de beek aangepast. Zo kwam er bij het Valkenveldsbos een kleine stuw om de waterstand beter te kunnen regelen en toen het gedeelte tussen het bos en het Leekster Hoofddiep gereed was, begon het waterschap samen met de gemeente Roden aan het aanpassen van de bovenloop en het bouwrijp maken van het aangrenzend gebied.
De stuw KST-351 die in de jaren zestig van de vorige eeuw in de Zulter Bitse naast het Valkenveldsbos was geplaatst. De stuw werd aan het einde van de jaren zeventig nog een punt van discussie waarbij de toenmalige wethouder van de gemeente Roden, de oorzaak van slecht beleid op het gebeid van de waterhuishouding op het plaatsen van de stuw door het waterschap probeerde te schuiven. De wethouder kon naar de geëiste tienduizend gulden fluiten en het gedeelte tussen de Van Bergenstraat en de Vredelaan bleef nog lang wateroverlast houden door een slecht functionerende riolering.
Voor de beek en zijn unieke uitstraling was geen plaats meer en aan het begin van de jaren zeventig werd het laatste deel van de beek getemd en werden er twee vijvers gegraven met het doel om de waterstand te kunnen controleren en als het even kon, de prijs van de percelen bouwgrond bij de tweede vijver aan de huidige Klimop net even iets hoger te verkopen dan de bedoeling was. De eerste vijver, waar nu het water uit de omringende sloten naar afgevoerd werd, legde men aan tussen de Zulthe en de Klimop naast de boerderij Tilkamp en stond door midden van een rechthoekige betonnen duiker in verbinding met de andere vijver.
Het begin van de eerste vijver tussen de Zulthe en Klimop naast de prachtige boerderij Tilkamp. Het water dat vroeger via de sloten in de Zulter Bitse kwam, komt nu hier terecht.
Het gedeelte van de beek die vanaf de duiker in de Zulte tot aan het einde van de nieuw gegraven vijver bleef bewaard en heeft nog steeds min of meer een waterafvoerende functie inclusief een schouw, die door het waterschap Noorderzijlvest strak wordt gehandhaafd. Tot aan het punt dat het water regelmatig vervuild raakte doordat het gemeentebestuur van de toenmalige gemeente Roden toestond dat het ongezuiverde rioolwater in de beek terecht kwam, hebben wij als kinderen menigmaal achter bij Wiebe Brink jonge visjes gevangen met een schepnetje gemaakt van een oude panty.
Het punt waar de tweede vijver via een duiker onder de weg doorgaat en de Zulter Bitse zijn oude vorm aanneemt. Ook het gedeelte waar de beek hier onder de Hulst doorloopt is al tig keren veranderd naar gelang de grillen van het waterschap of de gemeente.
Na het jaar 1985, toen de trein voor het laatst door de Zulte reed, is het spoor langs de weg verwijderd en is er een tegelpad voor in de plaats gekomen. Hierbij werd ook de duiker verwijderd en naar alle waarschijnlijkheid is dit vrij knullig gebeurd. Sinds jaar en dag verzakt hier de de asfaltweg en iedere keer na een herstelbeurt, verschijnen er weer vrij snel scheuren in de weg en is het kenmerkende ‘pop-pop’ te horen als er auto’s over deze plaats in de weg rijden. Dankzij de bewoners die langs de voormalige bovenloop van de beek wonen, heeft deze zijn karakteristieke vorm in dit gebied behouden.
Inmiddels zijn de beruchte scheuren in het wegdek weer verschenen en is het afwachten wanneer het kenmerkende ‘pop-pop’ geluid de buurtbewoners langs de Zulthe ’s nachts weer in slaap gaat wiegen.
Het is vandaag de dag nog amper voor te stellen hoe de omgeving van het oude esgehucht de Zulte er uit moet hebben gezien ruim 12.000 jaar geleden. Met een beetje fantasie kunnen we een beeld gaan schetsen van een gebied, dat net herstellende was van de vele zandverplaatsingen en waar de vegetatie langzaam hier en daar weer behoorlijke vormen aan begon te nemen. Toen de laatste koude periode met de naam de Jonge Dryas-stadiaal tijdens de eindfase van de Weichsel-ijstijd, ook wel het Weichselien genoemd, voorbij was en de temperatuur snel begon te stijgen, kreeg ook de oorspronkelijke grondmorene van de laatste gletsjer zijn huidige vorm.
Tijdens deze periode moet er veel sneeuw gevallen zijn en dit in combinatie met de hevige poolwinden, is er veel fijn en grof zand vanuit de noordelijke richtingen over het gebied verplaatst. Van de hoge stuwwallen sleet de ijzige wind delen van de keileem af en nam het onderliggende zand mee, dat op zijn beurt hier en daar de oorspronkelijke smeltwater stroomgeulen van de oude gletsjer er weer mee opvulde. Een stroomgeul word ook wel een smeltwaterdal genoemd en is ontstaan toen door het smeltende ijs van de gletsjer door middel van erosie, geulen in de zachte ondergrond vormde. Daarnaast zorgde het fijnere zand dat met de wind en de sneeuw soms wel kilometers ver werd meegevoerd en creëerden zo nieuwe duinen. Grof zand was zwaarder en werd zelden ver weg getransporteerd en bleef dus in de buurt liggen.
De Dryas octopetala, ook wel Achtster, Bergavens, Witte Dryas, Zilverblad, Zilverkruid of Zilverwortel genoemd, is een altijd groene dwergstruik die grote kolonies vormt en tijdens de koude perioden (Stadialen) van het Laat-Glaciaal tijdens het Weichselien massaal groeide op de toendrasteppe waar nu het dorp Roden ligt. De plant die haar naam heeft gegeven aan de drie stadialen van dit tijdvak (Vroege-, Oudste- en Oude Dryas) vormde destijds een voedselbron voor de grazende mammoeten en rendieren. (Afbeelding Dryas octopetala: Dryas octopetale & Saxifraga-Willem van Kruijsbergen.jpg www.freenatureimages.eu)
Dit is bijvoorbeeld gebeurd in de omgeving van het punt waar de Hulst en de Zulthe samenkomen. Hier was een behoorlijk zandpakket afgezet langs de noordelijke zijde van de stroomgeul en hierdoor de keileem met forse laag dekzand bedekte. Op deze plaats verrees later een behoorlijk bos en toen deze gekapt werd, dacht de boer die de bomen liet kappen, dat hier geen keileem lag. Er was wel keileem, maar dat lag een behoorlijk stuk dieper en werd daarom niet aangetroffen. Naast dit gedeelte van de Zulte, bevonden zich op de plaatsen waar het dekzand eveneens een laag over de keileem had gevormd, ook een tal van bossen die later gekapt werden om plaats te maken voor de landbouw en veeteelt in het gebied.
De verschillende lagen dekzand ter hoogte van de Hulst en de Zulthe die hier aan het einde van het Weichselien door de ijzige poolwinden zijn afgezet in een door het smeltwater van de gletsjer gevormde smeltwaterdal. Het dekzand bedekte hier de keileemlaag en het residu dat het smeltwater hier eveneens had afgezet.
Bleef de aangerichte schade door het verstuiven in de Zulte beperkt tot slijtage aan de bovenzijde van de stuwwallen en het opvullen van een gedeelte van een oude smeltwaterbedding, in andere delen van Noord-Drenthe kwamen de oude rivierbeddingen ook vol met zand te liggen en werden de beken gedwongen een andere route te kiezen richting de lager gelegen gronden, waarbij een aantal nieuwe stroomgebieden ontstonden zoals dit bij de Drentse Aa en zijn zijtakken het geval was.
Een ander fenomeen dat zich aan het begin van het Holoceen begon voor te doen was de toename van het grondwater in het gebied. De bodem die tijdens de laatste periode van het Laatglaciaal stijf bevroren was geweest en waar de permafrost meters diep in de grond had gezeten, was geheel ontdooid en op veel plaatsen in het gebied kwam heel voorzichtig een vies ruikende bruine substantie omhoog. De bruine waterige derrie die hier omhoog kwam, was zuurstof en sulfaatarm en bestond vooral uit basen en ijzer, en vormde hier en daar in de lager gelegen gebieden kleine poelen.
Zo zou het er hebben uitgezien op vele plaatsen in het gebied ten noorden van het dorp Roden nadat het Jonge Dryas-stadiaal voorbij was en het Holoceen een aanvang had genomen. Op de plaatsen waar er nog maar weinig keileem aanwezig was, borrelde de bruine drab naar boven en vormde kleine poeltjes. De door het grond- en kwelwater gevormde kleine poelen worden in deze omgeving ook wel ‘dobben’ genoemd.
De bruine substantie die hier in de Zulte uit de bodem omhoog borrelde, was grondwater dat afkomstig was van het hoger gelegen Drents Plateau, een hoogvlakte in Drenthe en die zo’n tien tot twintig meter boven het zeeniveau ligt. Dit grondwater dat onder druk aan de oppervlakte kwam, wordt ook wel kwel of kwelwater genoemd en is ontstaan door een ondergrondse waterstroom, die van een hoger naar een lager gelegen gebied stroomde, waar het een bron vormde. Het grondwater kon echter alleen een bron vormen als het door de ondergrond kon dringen op bijvoorbeeld plaatsen, waar amper of geen keileem aanwezig was en daardoor er geen water ondoorlatende laag was ontstaan.
Door de toenemende druk en de hoeveel water dat werd aangevoerd, begonnen de kleine poelen groter te worden en op sommige plaatsen ontstonden kleine stroompjes richting de lager gelegen gebieden. In andere poelen bleef het water staan of de poeltjes droogden zelfs op doordat de watertoevoer afnam en stopte. Het is goed te zien dat in het kwelwater op de afbeelding veel ijzer zit.
Afhankelijk van de druk op het grondwater, de omgeving en de plaats waar het water aan het oppervlak kwam, ontstond er een poel die in grote en vorm enorm kon variëren. Deze poelen worden in de omgeving van het dorp Roden ook wel ‘dobben’ genoemd en komen veel voor in het gebied rondom het Noord Drentse dorp. Er ligt zelfs een gebied ten noorden van het voormalig esgehucht met de naam ‘Dobben’ en de es heeft de naam ‘Dobberesch’. Normaal gesproken bezit een dobbe geen aan- of afvoer van waterlopen en is dus afhankelijk van grondwater.
Hier en daar treffen wij in de omgeving van het voormalig esgehucht nog een kleine dobbe aan die niet door de mens gegraven is. Deze dobbe is geheel afhankelijk van de aanvoer van kwelwater en in een geringe mate van regenwater, waarbij deze droog valt in de zomer. Het water is doorgaans erg helder doordat het hier vooral lokale kwel betreft dat arm is aan basen en ijzer.
Veel van de dobben ten noorden van het dorp Roden zijn afhankelijk van zogenaamd lokaal kwelwater en vallen droog in de zomer. Lokaal kwelwater zakt bijvoorbeeld als regenwater door de zandlagen naar beneden en komen in de directe omgeving weer aan de oppervlakte. Dit water is arm aan basen en ijzer, maar behoorlijk stikstofrijk. Daarnaast bevat lokale kwel ook maar weinig mineralen, dit in tegenstelling tot regionaal kwelwater.
Het ijzerhoudend vlies dat typerend is voor zuurstofarm en ijzerrijk regionaal kwelwater. Het water dat deze vorm van kwelwater vormt, kan honderden jaren oud zijn en kilometers diep onder de grond afgelegd hebben voordat het aan de oppervlakte komt. Het vlies ontstaat wanneer het ijzer een verbinding met fosfaten in het water aangaat,
Echter op een enkele plaats was de aanvoer van grondwater zo hevig dat de poel overliep en het water zijn weg begon te zoeken naar lager gelegen gebieden. Waarschijnlijk was het in het begin maar een armtierig stroompje wat meer weg had van een waterplas, maar toch, het water zocht zijn weg. Met name in het begin van het stroompje zal alles rood geweest zijn van het ijzer uit het water, dat contact had gemaakt met de zuurstof uit de lucht, begon te roesten. Samen met micro-organismen ontstond er een reactie waarbij het ijzer als vlokken ijzeroxide neersloeg op de bodem en op de planten die in en langs het water stonden.
Het ijzer dat samen met basen in het kwelwater was opgelost is een reactie aangegaan met zuurstof en begon daardoor te oxideren (roesten). Daarna gingen bacteriën een reactie aan met de roest en zodoende ontstonden de vlokkerige klonten, die vervolgens op de bodem terecht kwamen of aan planten bleven vastzitten.
Ook ging het ijzer in het water een verbinding aan met de aanwezige fosfaten en zo ontstond een vliesje op het water dat oogde als een dun laagje olie. Fosfaten in het water dienden voor de planten als meststoffen en nu de gebonden werden met het ijzer, verdwenen de planten die van een voedselrijke ondergrond hielden en deze maakten plaats voor planten die het wel goed deden op de voedselarme ondergrond.
Door de toenemende druk op het grondwater belandde er steeds meer water in de kleine poel en op een gegeven moment stroomde deze over en begon het sneller stromende water een weg te zoeken naar de lager gelegen gebieden. Door de samenstelling van het grondwater waarin de fosfaten waren verdwenen, bleek slechts een beperkt aantal planten groeien langs het iele waterstroompje.
En toch begon de druk op het grondwater steeds meer toe te nemen en zal het miezerig natte stukje, waar het roodbruin was van de roest en dat meer weg had van een mager waterplasje, iets meer op een stroompje zijn gaan lijken. Waarschijnlijk zal ook de warmer wordende temperatuur en de stijgende zeespiegel als gevolg hiervan ook een grote rol hebben gepeeld in het stijgen van het grondwater. En ander effect van het warmer worden was dat, ondanks het droge klimaat dat hier heerste, het stijgen van het zeewater door bleef gaan en ervoor zorgde dat er moerassen in het gebied ontstonden.
De aanvoer van zowel grond- als regenwater begon steeds meer toe te nemen waardoor het stroompje sneller begon te stromen en langzaamaan breder werd. Nog kwam het stroompje niet verder dan enkele meters vanaf de bron en nam de bodem en de omliggende vegetatie het water op. Daarnaast voedde het op zijn beurt ook de moerassen die in de directe omgeving van de poel lagen.
Dit vond ook plaats in de omgeving van waar later het esgehucht zou ontstaan en dan met name in de lager gelegen gebieden zoals de voormalige smeltwaterdalen. Door het stijgen van het grondwater, de water ondoorlatendheid van de keileemlaag en het toenemen van de neerslag, bleef het water langer staan in de laagste gedeelten van het smeltwaterdalgebied en ontwikkelde zich in de loop der tijd een weelderig plantengebied waar vooral moerasplanten en mossen het gezicht bepaalden.
Veenmos (Sphagnum) is een geslacht van mossen dat bestaat uit meer dan honderd soorten en droeg bij aan de vervening van de moerassen en vormde grote veenmosplekken op de vochtige heidevelden.
In de tijd dat er zich door de stijgende temperaturen en de toenemende vochtigheid in deze moerassen veen begon te ontwikkelen, deed zich in de gebieden rondom de moerassen een ander fenomeen voor. Langzaamaan werden de iets hoger gelegen gronden bedekt door grote, vochtige heidevelden die duizenden jaren het gezicht bepaalden van het gebied. Op de hoger gelegen delen waar ook veel dekzand voorkwam, ontwikkelden zich eerst naaldhout- en later loofbossen.
Inmiddels was het aanbod van grond- en regenwater richting de poel enorm toegenomen en dat resulteerde in een toename van water in het stroompje. Doordat er meer water in het stroompje terecht kwam, nam de stroomsnelheid ook toe en ‘vrat’ het water zich een weg door de bovenlaag.
Het was ook de tijd dat het wegsijpelende water uit de poelen inmiddels een klein stroompje had gevormd en dankzij de dichte keileemlaag aan de oppervlakte, begon ook steeds meer regenwater in zowel de poelen als de stroompjes te lopen. Weliswaar kwamen de stroompjes in het begin niet verder dan enkele meters van de poel en nam de aanwezige vegetatie veel van het water op. Waarschijnlijk verdween het overgebleven gedeelte van het water in de nog droge en onverzadigde bodem.
Toen het Atlanticum aanbrak kreeg een warm en nat klimaat vat op het gebied in wat nog Nederland moest worden en door de temperaturen die gemiddeld hoger lagen dan vandaag de dag, begon meer poolijs te smelten en steeg het zeewater nog meer. De stijging van het zeewater had ook invloed op het grondwater dat ook begon te stijgen. Net zoals het stijgende water had ook de neerslag een grote invloed op de ontwikkeling van de stroompjes die aan de rand van het Drents Plateau waren ontsprongen.
Door de toenemende aanvoer van water, dat zowel via de bron als de oppervlakte in het stroompje terecht kwam, kreeg het steeds meer het uiterlijk van een smal beekje. Van een beekdal was uiteraard zo’n 8000 jaar geleden nog geen sprake, maar de ontwikkeling hiervan was al in volle gang.
De toenemende neerslag, die het gevolg was van het steeds natter wordende klimaat, zakte weliswaar boven op het Drents Plateau in de zanderige bodem weg, maar voedde wel de kwelwaterstromen die in formaat toenamen en daardoor de druk op het grondwater verhoogden. Door de toename van zowel grondwater als de toeloop van regenwater richting de poel, nam het stroompje niet alleen toe in formaat, maar nu was de aanvoer van die mate dat het steeds verder een weg kon gaan vervolgen richting het lager gelegen gebied in het noorden.
Doordat de aanvoer van water in het stroompje bleef toenemen evenals het formaat, begon deze langzaam maar gestaag meer zand en keileem af te voeren en werd hierdoor steeds dieper. Nu is diep natuurlijk erg relatief en zeker in die eerste duizenden jaren zal het water in het stroompje gestegen zijn daar waar een natuurlijke hindernis de doorstroming verhinderde en zodoende zorgde de natuurlijke stuwing voor enige diepte. Maar ondertussen zette de erosie van de ondergrond door en vrat het stroompje zich een weg door de bovenlaag.
De aanwezigheid van zuurstofarm en ijzerhoudend kwelwater zal zelfs nog op enkele honderden meters afstand van de poel duidelijk zichtbaar zijn geweest is het stroompje dat zich een weg zocht door het gebied.
Nu was de begroeide bovenlaag sowieso al behoorlijk zacht geworden door het vele vocht dat de moerassen en de natte heide vasthielden, waardoor het stroompje steeds meer vorm kreeg in de lagere delen van het gebied dat door de laatste gletsjer was geschapen. De keileem die met de gletsjer vanuit noordoosten was aangevoerd vormde weliswaar op veel plaatsen een ondoordringbare laag voor het water, maar bleek aan de oppervlakte toch gevoeliger te zijn voor het weer en daarop volgende erosie dan je op het eerste gezicht zou denken. In het artikel “Kleverige prut aan de stevels” op dit weblog komt de samenstelling en de herkomst van de keileem volledig aan bod.
Een andere eigenschap van kwelwater is de constante temperatuur die rond de 10 graden Celsius schommelt en daardoor niet snel bevriest. De aanwezigheid van kwelwater in bijvoorbeeld sloten of weilanden is in de winter dan ook eenvoudig te herkennen vanwege het gebrek van sneeuw en ijs.
Zo’n zesduizend jaar geleden begon het zogenaamde Subboreaal, een qua klimaat koeler en drogere periode dan het voorgaand tijdperk, maar toch was het destijds warmer dan het heden ten dage is. Het iets koelere klimaat bevorderde echter de aangroei van de aanwezige natte heidevelden in de lagere delen van het gebied en deze zal naar alle waarschijnlijkheid de omgeving het stroompje, dat langzaam de vormen van een beekje begon te krijgen, hebben gedomineerd. Op de iets hoger geleden delen van de grondmorene zal de droge heide de overhand hebben gekregen en boven op de resten van de stuwwallen en andere hoogten zullen nu loofbossen hebben gestaan.
De nu door de natte heidevelden gedomineerde omgeving waar het smalle beekje zijn weg naar het laagste punt zocht om samen te komen met de andere beken, die eveneens aan de rand van het Drents Plateau waren ontstaan, werd niet alleen breder maar ook steeds dieper. De kracht van het steeds sneller stromende water vrat zich dieper en dieper door de bodem waarbij het fijnere materiaal afgevoerd werd en het grove gedeelte van de keileem zoals stenen, bleef liggen. Het fijne materiaal uit de keileem zal het water op grote afstanden een bruinachtige kleur hebben gegeven.
Op enkele honderden meters van de bron is het effect van het warme kwelwater verdwenen en zal het smalle beek deels bevroren geweest zijn daar waar het water langzamer stroomde.
Echter de eerste honderden meter zal dankzij het nog steeds ijzerhoudende element van het kwelwater het uiterlijk in en langs het beekje er behoorlijk roestig hebben uitgezien. Niet alleen de vorm, de stroomsnelheid en de kleur in het beekje begonnen te veranderen, ook de vegetatie in en langs het water begon zich duidelijker te manifesteren. Veel kwelminnende planten zoals Waterviolier (Hottonia palustris), Dotterbloem (Caltha palustris subsp. palustris) en Liesgras (Glyceria maxima) verschenen in of op de oevers langs het beekje.
Niet alleen de zuurstofarme en ijzerhoudende componenten van het kwelwater hadden een grote invloed op de directe omgeving van het beekje, ook de temperatuur speelde een belangrijke rol. De gemiddelde temperatuur van het kwelwater zal zo om en nabij de 10 °C gelegen hebben toen het in de poel omhoog borrelde. Hierdoor bevroor de poel in de winter slechts als het heel erg streng vroor en in de zomer was het water altijd koel. De plaatsen waar kwelwater aan de oppervlakte komt zijn dan ook heel eenvoudig te herkennen in de winter door ontbreken van sneeuw en ijs.
De Waterviolier (Hottonia palustris) is een waterplant die veel schaduw verdraagt en als een indicator voor kwelwater gezien wordt. Heden ten dage is de plant nog steeds een veel voorkomende verschijning in de sloten en vijvers in de huidige Zulthe.
Niet alleen de poel en het regenwater waren de enige leveranciers van water voor de steeds groeiende beek die inmiddels zijn eindpunt bereikt had in de een beek die later ‘De Leecke’ zou gaan heten, maar ook het kwel dat in het stroomgebied van het beekje naar boven kwam, vloeide in het stroompje. Iets wat vandaag de dag trouwens nog steeds voorkomt in het stroompje, weliswaar sporadisch doordat de vele sloten het vele kwel opvangen en afvoeren. Op deze plaatsen treffen wij dan ook met enige regelmaat de kwelindicatoren als Waterviolier, Dotterbloem en Liesgras aan.
De stroomsnelheid in het beekje zal van tijd tot tijd enorm verschillend zijn geweest, afhankelijk van het aanbod van water. Weliswaar nam de aanvoer van grondwater tijdens het opvolgende Subatlanticum behoorlijk toe door met name de stijging van het zeewater, maar de toename zal grotendeels in het najaar hebben plaatsgevonden door de regen die viel. Het is tegenwoordig amper nog voor te stellen hoe het water via het oppervlak het beekje instroomde dankzij het netwerk van sloten, dat het regenwater in een mum van tijd weet af te voeren. Heel af en toe viel er recentelijk nog zo veel water, dat de slecht onderhouden sloten en buizen het aanbod niet aankonden en je een voorzichtige indruk kreeg van hoe het er ruim drieduizend jaar geleden uit moet hebben gezien.
Mede door de toename van het grondwater in de bron van het inmiddels kleine beekje begon ook in de zomerperiode tijdens het Subatlanticum het water sneller te stromen. De bovenstaande afbeelding geeft mooi weer hoe het er destijds uit moet hebben gezien.
Was het beekje in de droge zomermaanden slechts een idyllisch voortkabbelend stroompje in het natte heidegebied en waar de libellen van diverse pluimage hongerig op de vele insecten joegen, vanaf de herfst was het een geheel ander verhaal. In de maanden die op de zomer volgden zal er veel meer regen gevallen zijn en door de schier ondoordringbare keileemlaag in het gebied stroomde dit naar het laagst gelegen punt. Het beekje liep door de laagste delen ten noorden van waar het esgehucht de Zulte zou verschijnen en verzamelde zo het vele regenwater.
Het effect van het vele regenwater uit het gehele gebied dat zich in de lager geleden delen verzamelde was dat de beek niet alleen in stroomsnelheid toenam, maar ook in volume. Deze combinatie zorgde ervoor dat de erosie van de omgeving waar het beekje doorheen ging enorm begon toe te nemen en door deze slijtage begon zich en prachtig beekdal te vormen. Doordat het eerder door de boeren aangelegde stelsel van sloten nog lang niet bestond er het vele water zijn eigen weg kon bepalen, ontstond er een fors beekdalgebied waarvan we de sporen in de huidige tijd nog goed kunnen waarnemen.
Het huidig beekdalgebied van het huidige stroompje in de warme zomermaanden, toen de huidige eigenaar drainage moest aanleggen om voor een betere afvoer van het regenwater te zorgen en zodoende het vee hier met droge voeten te kunnen laten lopen.
De breedte van het beekje varieerde dus van ruim een halve meter tot wel enkele tientallen meter naarmate deze richting het lager gelegen gebied van de beek de Leecke liep. Daar waar het beekje fors breed werd tijdens de wintermaanden, nam het snelstromend water het dekzand en de restanten van de geërodeerde keileemlaag mee en zodoende kreeg het stroomgebied zijn huidige vorm. Dit gold ook voor de stroompjes die op de hoger gelegen delen van het gebied ontstonden door de regenval tijdens het najaar en de winter. In het voorjaar wanneer de regenval voorbij was en het warmer begon te worden, verdwenen deze weer en lieten een droge bedding achter. Hier en daar zijn ook deze sporen nog terug te vinden in het landschap, met name op de Westeresch.
Het beekdalgebied enkele jaren later tijdens de winter gezien vanaf de Westeresch. Ook vanaf de Westeresch stroomde in het verleden grote hoeveelheden regenwater richting het kleine beekje. Hier en daar zijn ondanks de intensieve bewerking van het gebied, de sporen nog duidelijk zichtbaar.
Een van de vele landschapselementen uit het verleden die wij in het gebied rondom het oude esgehucht de Zulte konden aantreffen, waren de vele akkers. Straatnamen in het prachtige dorp Roden verwijzen eveneens naar de vroege landbouwactiviteiten die hier vroeger in de wijde omgeving plaatsvonden. Straten met namen als De Akkers, Doornakker, Duinakker, Geerakker, Steenakker en Walakker verwijzen allemaal naar een rijke geschiedenis, die langzaamaan toch dreigt te verdwijnen.
Doorgaans waren de akkers, of beter gezegd bouwlanden zoals ze hier vroeger genoemd werden, toch redelijk kleine perceeltjes waar boeren, burgers en buitenlui hun cultuurgewassen zoals granen en groenten op verbouwden en later aan het begin van de negentiende eeuw, ook de aardappel. De percelen bouwland waren vaak van elkaar gescheiden door een afrasteringen, greppel, sloot, heggen of een houtwal. Pas veel later kwam prikkeldraad in aanmerking als effectief afrasteringsmateriaal.
Op een hoogtekaart van het gebied waar de Körtakkers lagen in een dynamische opmaak waarbij de kleuren de hoogte in het gebied aangeven, van blauw (laag) naar donker oranje (hoog). (Bron: Algemeen Hoogtebestand Nederland)
De bouwlanden in de nabijheid van het oude esgehucht de Zulte, bevonden zich vooral bovenop de Zultheresch vanwege de bodemgesteldheid. Hier bevond zich een hogere uitloper van het Drents Plateau en aan de oostelijke zijde was de keileemlaag een stuk dunner en op enkele plaatsen trof men zelfs zand aan. Het was niet vanzelfsprekend in grote delen van de provincie Drenthe dat een hoge ondergrond ook droge voeten betekende. Op veel plaatsen vormde zich hoogveen op de plaatsen waar de keileemlaag behoorlijk dik was en het verbouwen van gewassen was daar dus niet mogelijk.
Op de bovenstaande hoogtekaart in een dynamische opmaak van het gebied waar de Körtakkers lagen, is het hoogteverschil goed te zien. De laagste gedeelte in het gebied bevond zich in het noordwesten van bouwlanden ter hoogte waar de Ceintuurbaan Noord kruist met de Acacialaan en lagen op een hoogte van 3,5 meter boven N.A.P. (blauw gekleurde delen). Zoals op de kaart goed te zien is liggen de hoger gelegen delen in het oosten op een hoogte van zo’n 5,8 meter boven het Normaal Amsterdams Peil langs de huidige Zulthereschweg.
Waarschijnlijk vond op deze plaats al vanaf de vijftiende eeuw hier al akkerbouw plaats, maar de vroege sporen zijn verdwenen door de latere landbouwactiviteiten en de woningbouw die hier vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw plaatsvond.
Op de Franse legerkaart uit 1810/1811 waarop aan de linkerzijde het esgehucht de Zulte ligt, zijn aan de rechterzijde ten westen van de weg tussen Roden en Leutingewolde de weilanden zichtbaar, die naast de Körtakkers liggen. (Bron: Drents Archief)
Een ander oud gegeven is dat de bewoners en gebruikers bepaalde gebieden een naam gaven die de ene bij meer mensen bekend was dan een andere keer. Deze termen worden vandaag de dag ook wel ‘Veldnamen’ genoemd en kunnen al eeuwenlang gebruikt worden. De Boschkampe is hier een goed voorbeeld van. Op de plaats waar een aantal huizen aan de rand van een groot bos in het verleden lagen , ligt er nu een langwerpig plantsoen en een straat die vanaf de Leeksterweg helemaal tot aan de Nieuweweg loopt en de naam ‘Boskamp‘ draagt.
Op de oude Franse legerkaart uit 1810/1811 is goed te zien hoe de huizen zich nabij de bosrand bevonden. Vandaag de dag is er enkel nog een straatnaam die ons aan de Boschkampe doet herinneren. (Bron: Drents Archief)
Een van de vele veldnamen die voorbij komt als het over de oude Zulteresch en de vroege akkerbouw gaat, zijn de Körtakkers. Waarschijnlijk al vanaf de vijftiende tot aan het begin van de twintigste eeuw in gebruik geweest, werd hier een groep van zo’n 38 percelen met een oppervlakte van 7,242 hectare bedoeld. De cluster akkers of bouwgronden zouden vandaag de dag grofweg in het vierkant Ceintuurbaan Noord/de Hulst, Acacialaan, Esdoornstraat en de Zulthereschweg hebben gelegen.
Het gebied zoals dit er rond 1825 uit zou hebben kunnen gezien. Een gedeelte van de bossen is gekapt en de akkers zijn duidelijk zichtbaar.
De naam Körtakkers betekend niet minder dan korte akkers. De vlakvormige elementen waren veelal een aantal kleine, vierkante of rechthoekige percelen met een oppervlakte van niet meer dat 0,75 tot 1,5 hectare, maar doorgaans waren ze veel kleiner. Van de achtendertig percelen waren er 34 bouwland, 2 weiland en 2 hakbosch. De twee percelen hakbos waren wellicht restanten van een veel groter bos dat hier ooit heeft gelegen, of het was gewoon een klein bos. Waarschijnlijk werden ze gebruikt als geriefbosjes, waaruit het hout werd geoogst voor huiselijk gebruik als brandhout, het maken van afrasteringen en gereedschap.
Een hoop dingen worden duidelijk wanneer wij de Kadastrale kaarten en de bijbehorende registers ter hand gaan nemen. Alles begint wanneer koning Willem I de door de Fransen ingezette kadastrering rond 1816 nieuw leven inblaast. In het jaar 1823 levert het Topographisch Bureau van het Ministerie van Oorlog de ‘Choro-topographische kaart’ op. Weliswaar is het de eerste landsdekkende topografische kaart, maar echt effectief voor bijvoorbeeld het berekenen van de te innen belastingen was de kaart niet.
De invoering van het Kadaster vond plaats op 1 oktober 1832. Het doel van deze nieuwe organisatie was te komen tot een eerlijkere heffing van de grondbelasting, een belasting op onroerende zaken, gebaseerd op de grootte en kwaliteit van de grond en het gebouwde. Bij de invoering van het Burgerlijk Wetboek in 1838 kwam er een belangrijk element bij, namelijk het verschaffen van een grotere rechtszekerheid aan de burgers. Het vermelden van kadastrale kenmerken in akten werd vanaf 1838 verplicht. (Bron: Kadaster BHC) Een gunstig bijeffect was dat de overheid nu ook wist waar de weerbare mannen zich bevonden.
De kerk van Roden op het tweede blad van Sectie E genaamd Roden van de gemeente Roden. Dit punt werd door de landmeter gebruikt als middelpunt van de Kadastrale gemeente. Het is goed te zien dat de twee blauwe lijnen vanuit de kerktoren naar het noorden, oosten, zuiden en westen gaan. (Bron: Drents Archief)
Het werkte eigenlijk vrij eenvoudig. De kadastrale gemeente Roden werd verdeeld in secties die met een hoofdletter werden aangeduid. De secties werden op hun beurt weer verdeeld in genummerde percelen. Om het middelpunt van de Kadastrale gemeente te bepalen, gebruikte de landmeter een vast en herkenbaar punt, zoals hierboven te zien is, Hier diende de kerktoren van de Catharinakerk in Roden als middelpunt voor de metingen. De kaarten van de gemeente Roden werden opgemeten door A. C. Meijer, landmeter van de Eerste Klasse.
In het register werd bijgehouden in welke gemeente en sectie het genummerde perceel zich bevond en wie de desbetreffende eigenaar was. Ook werd vermeld wat zijn of haar beroep was, de woonplaats en het artikelnummer (persoonlijk nummer van de eigenaar) en wat voor soort eigendom het was, de inhoudsgrootte. Daarnaast stond het kadastraal en belastbaar inkomen er ook bij vermeld.
De Kadastrale kaart uit het jaar 1832 waarop de genummerde percelen van de eigenaren op de Körtakkers zijn ingetekend. De veldnamen staan sporadisch op deze kaarten ingevuld. (Bron: Drents Archief)
De eerste eigenaar die wij tegenkomen op Körtakkers is de van oorsprong uit Eemster (Dwingeloo) afkomstige landbouwer Willem Bloemberg en Cons.. Althans, Willem was in naam aanwezig daar hij al op maandag 12 februari was overleden. De op zondag 12 september 1762 in Diever geboren Bloemberg was op de vrijdag 27 augustus 1802 in ondertrouw en twee weken later op zondag 12 september 1802 in het huwelijk getreden met de weduwe Geesje Fredriks Zantinge te Roden. Geesje was gedoopt zondag 23 november 1766 te Diever en overleed op zondag 24 augustus 1823 in Eemster, Dwingeloo op 56-jarige leeftijd.
De band die Willem had met het dorp Roden ging verder dan dat hij er in het jaar 1802 gehuwd was. Een dochter uit een vorig huwelijk van Geesje was ruim twee jaar tevoren met de uit Roden afkomstige Hinderikus Kriethe getrouwd. Hij werd overigens in het doop- en trouwboek van Diever Hendericus Krijthea uit Rhoon genoemd. Hinderikus trad op donderdag 6 februari 1800 met Geesje Zantinge in Diever in ondertrouw en op zondag 9 maart 1800 in Roden in het huwelijk. Volgens het doop-, ondertrouw en trouwboek van Roden heette de dame nu Geesjen Zantinge uit Eemse (Eemster). Lang heeft het huwelijk niet mogen duren, op zaterdag 18 juli 1801 kwam de beste man te overlijden op 43-jarige leeftijd aan wat destijds ‘teering’ werd genoemd, een benaming voor tuberculose.
De vermoedelijke Consorten van Willem in 1832 zullen zijn zoon Jan Willems Bloemberg (1805 – 1838) en wellicht de weduwe Geesje van Hinderikus en dochter van Geesje Fredriks Zantinge geweest zijn. De afkorting Cons. betekende Consorten, dat voor deelgenoten staat. De percelen die zij in bezit hadden bestonden uit bouwland (I-711, I-712, I-713, I-745, I-751, I-764 en I-778), weiland (I-743) en het perceel I-753 dat uit hakbosch bestond. De negen percelen, die op de onderstaande afbeelding een iets donkergrijze kleur hebben, bedroegen een totale oppervlakte van zo’n 8020 vierkante meter. (Bron: Drents Archief)
De volgende eigenaar van drie percelen bouwland (I-714, I-715 en I-755) op de Körtakkers in het jaar 1832 en een perceel dat uit hakbosch bestond (I-752) was volgens het Kadaster Jannus Winsing uit Roden. Eigenlijk was het perceel hakbosch in het bezit van Jannus Winsing en cons.. Waarschijnlijk deelde Jannes dit perceel met zijn zwagers. De uit Roden afkomstige landbouwer Jannes Hindriks Winsingh was geboren zaterdag 29 december 1759 te Roden en overleden op zondag 10 april 1842 in Roden 82 jaar oud. De toen veertigjarige Jannes trouwde op zondag 22 juni 1800 met Hinderkien Floris Aukema, geboren op woensdag 10 mei 1775 te Roden en overleden op maandag 16 juni 1856 in Roden, 81 jaar oud. Hinderkien was de jongste dochter van Floris Aukema en zijn tweede vrouw, Lammechien Roelofs Smeenk. Het echtpaar Winsingh woonde destijds in 1830 aan het Zuideinde 153. De vier percelen zijn het donkerst grijs ingekleurd en hadden een oppervlakte van 1,228 hectare. (Bron: Drents Archief)
Het licht grijs ingekleurde perceel bouwland I-716 op de onderstaande afbeelding en dat 3140 m2 groot was, behoorde toe aan aan een man die men in register van het Kadaster Jan Arends Oosterhuis noemde. Het gebeurde wel vaker dat namen verkeerd werden opgeschreven vanwege slecht verstaanbaarheid, een onleesbaar handschrift of een eigen interpretatie door de desbetreffende ambtenaar. De achternaam van Jan Arends Oosterhuis moet eigenlijk Oosterling zijn. Timmerman Jan Arends Oosterling was op zondag 23 oktober 1785 getrouwd geweest met Grietje Jans, die op donderdag 21 juni 1804 op 43-jarige leeftijd overleed. Jan trad op zaterdag 24 mei 1806 in ondertrouw met Jantje (Jantien) Pieters. Hij overleed precies 17 jaren later na Grietje Jans op dinsdag 21 juni 1831, 74 jaar en 3 maanden oud. Jantje sloot haar ogen voor altijd op woensdag 19 juni 1839 66 jaar oud. Het gezin woonde in 1830 aan het Oosteinde 193. (Bron: Drents Archief)
Het eerste gedeelte van de plattegrond van de Körtakkers uit 1832 met de percelen van Willem Bloemberg en Cons., Jannus Winsing en Jan Arends Oosterling.
De volgende drie percelen op de onderstaande afbeelding, weiland (I-742) en bouwland (I-744 en I-749) met een totale oppervlakte van 0,74 hectare waren het eigendom van de Kindren van Floris Aukema. Eigenlijk een raar gegeven dat de kinderen van een overleden persoon als eigenaar worden aangeduid. De drie kinderen van de inmiddels overleden landbouwer Floris Egberts Aukema, Eeffien Floris (Zulthe, 14 augustus 1821), Egbert Floris (Zulthe, 6 augustus 1822), Annechien Floris (Zulthe, 3 april 1824) waren nog te jong om de goederen van hun vader te bestieren en daarom nam een voogd hun taken waar.
De op de zaterdag 17 januari in Leutingewolde geboren zoon van Egbert Aukema, Floris Egberts Aukema, huwde op 19-jarige leeftijd in Roden met de op zondag 20 november 1796 te Roderwolde geboren Aaltien Roelfs Boer (Weering) (Aeltie Roelfs Wering). Floris overleed op woensdag 26 maart 1828 te Leutingewolde, op de nog jonge leeftijd van 26 jaar en 9 maanden. Zijn vrouw Aaltien overleed op dinsdag 12 juli 1842 45 jaar oud. Het gezin woonde in Leutingewolde op nummer 95. (Bron: Stamboom Aukema 1)
De volgende eigenaar van twee percelen was de weduwe van Lambert Oortwijn uit Langelo, Frouwkje Stratingh. De in Langelo op zondag 2 mei 1751 gedoopte landbouwer Lambert Oortwijn trouwde, 58 jaar oud, op zaterdag 21 oktober 1809 met de 32 jaren jongere Frouwkje Stratingh uit Norg. Frouwje werd gedoopt op zondag 14 september 1783. Op woensdag 23 oktober 1822 om drie uur ‘s nachts verwisselde Lambert het tijdelijke met het eeuwige en werd Frouwkje eigenaar van zijn bezittingen, waaronder de twee percelen bouwland, I-746 en I-760, samen 1840 vierkante meter groot. Op zondag 7 december 1862 om half tien ’s avonds sloot zij op 79-jarige leeftijd voor het laatst haar ogen in Norg. (Bron: dtb Norg).
Drie percelen bouwland (I-747, I-761 en I-771) met een oppervlakte van 0,786 hectare waren in het bezit van de landbouwer Geert Klaassens van der Oor, geboren januari 1780 in Roden en overleden op zondag 31 januari 1864 te Roden 84 jaar oud. Hij had een relatie met Freerkien Harms, geboren 1756 in Hoogkerk en overleden op woensdag 3 juni 1846 te Roden, 90 jaar oud. (Bron: Drents Archief)
Ook de weduwe van brouwer en logementhouder Thyle Geerts Krijthe, de uit Oostfriesland afkomstige Berendje Voget bezat een perceel bouwland met het nummer I-748 en een grootte van 1920 vierkante meter. Herbergier Thyle, werd ook wel als Thijle geschreven, werd op de regenachtige zondag 8 november 1761 in het mooie dorp Roden geboren en trouwde op vrijdag 10 augustus 1798 met zijn geliefde Berendje Voget in de Oosfriese plaats Jemgum. Jemgum was de geboorteplaats van Berendje waar zij op dinsdag 23 augustus 1763 voor het eerst het levenslicht zag. Op vrijdag 23 januari 1818 overleed de 56-jarige Thijle en liet Berendje met hun bezittingen achter. Berendje, die herbergiersche van beroep was, overleed op zaterdag 20 november 1841 net zoals haar geliefde man, in Roden. Het logement van Krijthe bevond zich aan het Zuideinde met het nummer 165. (Bron: Drents Archief)
Het tweede gedeelte van de plattegrond van de Körtakkers uit 1832 met de percelen van de Kindren van Floris Aukema, weduwe Lambert Oortwijn, Geert Klaassens van der Oor en de weduwe van Thyle Geerts Krijthe.
De volgende perceeleigenaar met een stukje bouwland van 880 vierkante meter en het nummer I-750 was de Jacob Hendrik Koopman uit Roden, die koopman als beroep had. Jacob Hindriks of Hindk zoals hij ook wel genoemd werd en die op woensdag 29 juni 1768 in Eelde geboren was, trouwde hij op 57-jarige leeftijd op dinsdag 30 mei 1826 in Roden met Jantien Jacobs Lodewijks. De toen 35-jarige Jantien Jacobs kwam uit Roden waar zij op maandag 10 januari 1791 geboren was. Jacob Hindriks maakte niet meer mee dat zijn eigendom in het register van ’t Kadaster in 1832 werd opgenomen; hij overleed op donderdag 3 februari 1831 in Roden, 62 jaar en 8 maand oud. Jantien Jacobs overleed 61 jaar en 2 maand oud te Haren op vrijdag 28 maart 1862. Jacob Hindriks en Jantien Jacobs woonden aan het West en Noordeinde 206. (Bron: Drents Archief)
Ook de weduwe Trientje Jans van Gasteren van de Roner bakker Roelof Pieters Deodatus had een perceel bouwland met het nummer I-754 in haar bezit. Het 1320 vierkante meter groot perceel was na zondag 11 april 1830 haar eigendom nadat de op zondag 15 december 1765 in Roden gedoopte Roelof Pieters het brood bakken voor gezien hield en zijn ogen sloot. Hij was 64 jaar en 4 maand oud geworden. Trientje Jans die zowel in Anloo geboren was en aldaar op zondag 9 februari 1772 gedoopt werd, overleed op 76-jarige leeftijd op zaterdag 11 maart 1848 te Roden. Het echtpaar woonden aan het Zuideinde nummer 16. (Bron: Drents Archief)
Met zo’n 1, 586 hectare aan bouwland op de Körtakkers verdeeld over vijf percelen (I-759, I-772, I-774, I-775 en I-777) was de landbouwer Jan Aukema uit Luttingewolde (Leutingewolde) een grote boer in het gebied. De op dinsdag 2 juni te Leutingewolde geboren en inmiddels 39 jaar oud zoon van Floris Aukema en zwager van de eerder genoemde Jannes Winsingh, was op vrijdag 21 juni 1811 in Roden met Eltien Jans Arends getrouwd, die geboren was in november 1780 te Roden. Jan overleed op woensdag 20 september 1849 op 78-jarige leeftijd, Eltien Jans was hem al eerder voor gegaan, zij overleed op donderdag 25 november 1841, 61 jaar oud. Het echtpaar woonde in 1832 in Leutingewolde met het nummer 98. (Bron: Stamboom Aukema 1)
De Kosterij van de hervormde kerk in Roden bezat ook enkele percelen bouwgrond op de Körtakkers. De drie percelen, I-762, I-776 en I-780, waren goed voor 4690 vierkante meter. Waarschijnlijk verbouwde de koster hier voedsel voor onder andere zichzelf, de predikant Jodocus Henricus Reddingius en de armen binnen de gemeente.
Het derde gedeelte van de plattegrond van de Körtakkers uit 1832 met de percelen van Jacob Hendrik Koopman, weduwe Roelof Pieters Deodatus, Jan Aukema en de Kosterij.
Het perceel bouwland met het nummer I-763 en een oppervlakte van 610 meter behoorde in 1832 toe aan de in Lieveren op zaterdag 3 oktober 1789 geboren arbeider Klaas Jans Ananias. Ananias was op woensdag 28 mei 1817 in Roden met de 19-jarige dienstmaagd Aaltje Tjipkes Scheepstra, geboren te Roden op vrijdag 24 november 1797 in Roden, getrouwd. Klaas Jans overleed 75 jaar en 11 maand oud op donderdag 10 september 1863 in Roden. Aaltien overleed op zondag 22 maart 1874 te Roden, zij was toen 76 jaar en 4 maand oud. Het echtpaar Ananias woonde aan het West en Noordeinde 227. (Bron: Drents Archief)
Theodoris Hubers (Theodorus Huberts), geboren op zaterdag 2 oktober 1756 te Peize en overleden op zaterdag 16 april 1836 en was gehuwd op 18 mei 1783 in Roden met Geertien Sikkens, gedoopt zondag 22 mei 1757 in Lieveren en overleden te Roden op donderdag 4 mei 1826. De weduwnaar Huberts woonde in 1830 in het Oosteinde te Roden op nummer 196. Theodorus was naast landbouwer ook schoenmaker. Het 1400 vierkante meter groot perceel bouwland met het nummer I-770 behoorde hem toe. (Bron: Drents Archief)
De uit Roden afkomstige landbouwer Jan Lamberts Beuving werd geboren op woensdag 21 oktober 1789 te Roden. Beuving bezat een perceel bouwland van 1330 vierkante meter groot op de Körtakkers met het kadastraal nummer I-773. Hij trouwde op 27-jarige leeftijd op zaterdag 14 juni 1817 te Norg met Jacobje Jans Hofman, 23 jaar oud, geboren op donderdag 21 november 1793 te Norg. Het echtpaar Beuving woonde aan het West en Noordeinde 225. Jan Lamberts overleed op zondag 6 september 1863 te Roden, Jacobje Jans sloot op zaterdag 8 juli 1871 voor het laatst haar ogen. (Bron: Drents Archief)
De twee laatste percelen op de Körtakkers, I-779 en I-783, samen 1,404 hectare groot, behoorden toe aan de landbouwer Jan Sikkens Rademaker, die aan het Oosteinde 168 in in her zeer bekoorlijke Roden woonde. Rademaker die ook wel Jan Sikkes of Jan Sikken genoemd werd, kwam op maandag 29 december 1788 in Roden ter wereld. Jan Sikkes werd verliefd op de in april 1782 te Nietap geboren Aaltje Roelfs Weeman, die op dat moment in Niebert woonachtig was. Den 21 van Grasmaand 1809, 21 april 1809, komen wij de twee jonge mensen tegen in het ondertrouwboek van de gemeente Roden tegen. Op 19 mei 1809 lezen wij het volgende over de twee vanuit Nuis:
“Dat de huwelijks geboden tusschen Jan Sikken Rademaker van Roden en Aaltje Roelfs Weeman van ’t Niebert, alhier drie agtereenvolgende Zondagen zijn afgekondigt, zonder enige tusschen komende verhinderingen; zo dat bovengem. personen dezen aangaande in den huwelijken staat bevestigt mogen worden, getuigt mits dezen de ondertekende bij gebrek van Zegel op ongezegeld papier zullende dit gebrek door een omslag Zegel van 10 st. verholpen worden. Gegeven te Nuis den 19 Maai 1809. G.J. Piënius, Pred: ter plaats.”
Het echtpaar woonde aan het Oosteinde 168 te Roden. Jan Sikkes overleed op 52-jarige leeftijd op zondag 21 februari 1841. Zijn echtgenote Aaltje Roelfs is overleden op donderdag 18 maart 1858 in Roden 76 jaar oud. (Bron: Drents Archief)
Het vierde gedeelte van de plattegrond van de Körtakkers uit 1832 met de percelen van Klaas Jans Ananias, Theodoris Hubers, Jan Lamberts Beuving en Jan Sikkens Rademaker.
Na het jaar 1832 verschenen er eigenlijk pas rond 1860 nieuw Kadastrale kaarten van het gebied op de Zulteresch. Dit gold echter niet voor topografische kaarten van de omgeving van het esgehucht de Zulte. Niet de kaarten er gedetailleerder op werden, maar in grote lijnen volgen ze wel de vele veranderingen die zich in de negentiende eeuw voordeden.
De omgeving van de Zulte op een kaart uit die uit 1845 stamt. Ook op deze topografische kaart zijn nog bossen te zien (donkergroene vlakken) en heet de Roonder Bitse nu Schipsloot. (Bron kaart: Historisch en Geografisch Informatiesysteem)
Op de volgende kaart vervaardigd door de tekenaar H. Baggelaar van het Kadaster ten behoeve van de schatting van percelen voor de herziening van de belastbare opbrengst van ongebouwde eigendommen, lijkt er maar weinig veranderd op de Körtakkers. Waarschijnlijk is het overgrote gedeelte gewoon van de kaart 1832 overgenomen. De nieuwe kaarten moesten worden gemaakt en dit kwam door een herziening van de belastbare opbrengst der ongebouwde eigendommen (wet van 25 april 1879, Staatsblad no. 89).
De Körtakkers op een zogenaamde schattingskaart vervaardigd door de tekenaars van het Kadaster ten behoeve van de schatting van percelen voor de herziening van de belastbare opbrengst van ongebouwde eigendommen. De kaart geeft waarschijnlijk de situatie tussen 1860 en 1880 weer. De tekenaar was destijds H. Baggelaar. (Bron: Drents Archief)
Aan het begin van de twintigste eeuw werden oude zandwegen zoals de huidige Zulthereschweg belangrijker en ontstond er langs deze zandwegen woningbouw. Vooral de drie markante woningen aan een zandpad die nu een weg is en de Hulst heet, zijn nog steeds duidelijk aanwezig en vormen een ideaal markeringspunt in het onderzoeken van het gebied op de voormalige Zulteresch. Dit is goed op de onderstaande foto te zien.
De drie huizen van respectievelijk Ruiter, van Zanten en Siegers (van links naar rechts) aan de huidige de Hulst rond 1959/1960. Onderaan de foto zijn nog de bouwlanden van de Körtakkers zichtbaar. (Bron: Drents Archief)
Vanaf de jaren vijftig in de twintigste eeuw neemt de woningbouw grote sprongen en verdwijnen de bouwlanden op de Körtakkers in een gestaag tempo. De Kadastrale kaarten werden door de ambtenaren van de gemeente gebruikt om de nieuwe woningen in te tekenen en heetten nu Netteplan.
Het gebied waar zich de Körtakkers bevonden op een Netteplan die van oorsprong uit mei 1879 stamt en waarin later aanpassingen zijn aangebracht toen in de jaren vijftig van de vorige eeuw de woningbouw hier toenam. (Bron: Drents Archief)
Op 17 mei 1958 verschijnt er een artikel in het Nieuwsblad van het Noorden dat er 42 koopwoningen aan de Zulteresweg gebouwd gaan worden door de firma N.V. Drebo, het aannemersbedrijf dat dezelfde directie heeft als de N.V. Jarino uit Roden. De architect van de woningen is de heer D. Lautenbach uit Leek. Zo verschijnen er in 1959/1958 dus 42 huizen in drie hofjes aan de huidige Zulthereschweg.
De bouw van de woningen aan de Acacialaan en de Lindelaan in de Bomenbuurt van Roden aan het begin van de jaren zestig. (Bron: Drents Archief)
Enkele jaren komen wij in het Nieuwsblad van het Noorden van 13 april 1963 een opmerkelijke advertentie tegen van de eerder genoemde Roner bouwfirma Jarino: “DE 1000Ste IN RODEN. Vandaag is de DUIZENDSTE na de oorlog in Roden gebouwde woning aan de LINDELAAN no. 50 officieel geopend. Wij nodigen u gaarne uit voor een gratis bezichtiging tussen 16 april en 10 mei aanstaande. Architect: D Lautenbach, Leek. Woninginrichting: Rijpma, Roden. Electriciteit: Gebr. Bijlsma, Rottevalle. Benewgas: Smeding, Sebaldeburen. Complete bouw: Jarino-Roden Telefoon 05908 – 9233 ’s avonds 05945 – 2474, 05908 – 9273”
De 1000ste woning in Roden na de oorlog gebouwd. (Bron: Nieuwsblad van het Noorden van 13 april 1963, blad 21.)
Het is een drukte van belang op de Zulteresch tijdens de jaren zestig van de twintigste eeuw. Huizen en wegen schieten als paddenstoelen uit de grond. Zijn de huizen aan het begin van de jaren 60 nog van een degelijke kwaliteit, na 1966 worden er op de plaats waar de Körtakkers eens lag, goedkope woningen geplaatst die meer weg hadden van bouwpakketten dan van huizen; de zogenaamde Hako-woningen.
De woningen aan de Lindelaan op een oude ansichtkaart. (Bron: Lautenbach.name)
Aan het einde van de jaren zestig was er nog maar weinig over van de oorspronkelijke Zulteresch en de daarop gelegen Körtakkers. Het gebied ten noorden van de voormalige bouwlanden bleef nog jaren gespaard en was tot aan de aanleg van de rondweg Noordholt en het woonboulevard Westeresch een baken van de oude landbouw die hier had plaatsgevonden.
Rond de tijd dat de huizen aan Acacialaan en de Lindelaan werden gebouwd, stonden er ook al woningen aan de Esdoornstraat. (Bron: Drents Archief)
Het is pas de laatste jaren dat er bij bijvoorbeeld het bouwen van een huis etc. naar archeologische sporen worden gezocht in de ondergrond. Niet dat ik de ik een illusie dat men destijds bij het bouwen op de plaats van de Körtakkers iets zou hebben gevonden. Maar het idee dat er wellicht heel oude sporen uit de prehistorie van bewerkte akkers naar boven waren gekomen houdt mij wel stiekem bezig.
Het Netteplan met de titel Roden I 7 van 27 januari 1987 met de bebouwing op de plaats waar in het verleden de Körtakkers lagen. (Bron: Drents Archief)