Zorgden potstallen voor dood en verderf in de Zulte? 

Veel van de kleinere boerderijen zoals van de keuters, ook wel katers genoemd, bezatten tot ver in laatste kwartaal van de negentiende eeuw, een zogenaamde potstal. Een potstal is een stal waar het vee op hun eigen mest stond of liep. De mest werd met enige regelmaat met organisch materiaal zoals gras-, heideplaggen of bladeren aangevuld en dan door de stal verspreid. Het kon zelfs gebeuren dat er teelaarde van de akkers gebruikt werd. 

Of de tweejarige dochter van de schaapsherder Roelof Doedes en zijn vrouw Hinderkien Harms Hummel, Jebbechien Roelofs Doedes en die op de woensdag 25 februari 1818 in de Zulte overleed, ook aan een ziekte zoals cholera of tyfus leed, is niet voor mij te achterhalen. Feit is echter wel, dat veel kinderen in die tijd stierven door de gevolgen van de twee eerder genoemde ziekten (bron: Drents Archief: Overlijden (Overlijden), Roden, 26-02-1818, aktenummer 4, Roden. BS Overlijden. 0167.021. 1818. 4.).

Op deze wijze hadden de koeien een enigszins droog ligbed en werd bovendien de hoeveelheid mest vergroot. Dit ging net zolang door totdat de laag mest en het organische materiaal te hoog werd. Dan pas werd de stal leeggemaakt en verdween het mengsel bijvoorbeeld naar een es of tuin, waarbij de twee deuren aan de achterkant gebruikt werden om de mest met de mestkar of de kruiwagen weg te brengen. Dit wordt ook wel een ‘potstalcultuur’ 1 genoemd. 

Vooral de kleinere essen verder richting het zuiden van de Zulte werden zo in de loop der tijd verhoogd en door deze vorm van bemesten zeer voedselrijk voor de te planten gewassen. In het voormalig esgehucht werd de potstalmest onder andere gebruikt voor de hopteelt op het Hoppenkamp, waarbij de mest in de kuilen gedaan werd, die bestemd waren om de hop in te planten. 

De voor de boerderijen in de wijde omgeving van het dorp Roden zo typerende waterput naast het huis. Nadat de waterleiding met schoon drinkwater zijn intrede deed, was de waterput overbodig geworden en werd op veel plaatsen gedempt. De afbeelding stamt uit het jaar 1964 en komt uit een privécollectie.

De essen in en nabij de Zulte waren van nature al behoorlijk hoog ondanks dat het gehucht aan de rand van het Drents Plateau lag. Een ander voordeel was de aanwezigheid van kwel- en grondwater nabij het oppervlak. Door dit gegeven konden de bewoners vaak vlak naast hun huis een put aanleggen en zo verzekerd zijn van schoon drinkwater. 

Dezelfde waterput als die op de afbeelding hierboven staat afgebeeld, maar dan 49 jaren later. De waterput werd nooit gedempt en gezien de emmer die er bovenop ligt, is deze nog steeds in gebruik. De waterput stamt uit de jaren twintig van de vorige eeuw.

Een ander gegeven was dat dat al vanaf de zestiende eeuw al een aantal van deze kleine keuterboerderijtjes aanwezig in de Zulte waren en constant bewoond waren. Op sommige plaatsen werd de woning afgebroken wanneer deze te gevaarlijk was geworden om te bewonen en op vrijwel dezelfde plaats weer herbouwd met materiaal van het vorige huis. Doorgaans bleef de indeling van het huis vrijwel hetzelfde en kwam er natuurlijk weer een potstal in de kleine boerderij, die tot het Saksische- of hallehuis type behoorde.  

De Saksische- of hallehuis typen waarvan de linker afgebeelde variant de oudste vorm is en ook wel een ‘los hoes’ genoemd wordt. De indeling van deze boerderij was zag er zo uit: 1. halle, 2. stallen, 3. woongedeelte, 4. wendezûle (een draaibare galg, waaraan een kookketel hing, die naar behoefte boven het vuur werd gedraaid), 5. bedsteden. Rechts op de afbeelding in een typische Saksiche boerderij uit een later tijdperk met een zogenaamde brandmuur te zien waarbij de indeling als volgt was: 1. deel, 2. veestal, 3 paardenstal, 4. spoelplaats (geut), 5. woonkeuken, 6. slaapkamer. (bron: Nederlandsche boerderijen. Ir. P.J. ’t Hooft b.i., Allert de Lange – Amsterdam, 1945. Koninklijke Bibliotheek.)

Grofweg kunnen wij een hallehuis omschrijven als een rechthoekig gebouw waarin het voorste gedeelte dienstdeed als woonruimte met daarachter een gedeelte dat diende als stallen en waar de opslagruimte zich bevond. De twee gedeelten werden vanaf het begin van de achttiende eeuw gescheiden door een zogenaamde brandmuur, dat in die tijd als een echte verbetering werd gezien. Tegen deze brandmuur werd de stookplaats geplaatst en daarboven zat een schoorsteen die de rook afvoerde. 

Een hallehuis uit de Hallehuisgroep. Het betreft hier een Drentse vorm van het dwarsdeeltype, dat uit het einde van de achttiende eeuw stamt (bron: Duizend jaar bouwen in Nederland (deel 2). S.J. Fockema Andreae, R.C. Hekker en E.H. ter Kuile. Allert de Lange, Amsterdam 1958. (https://www.dbnl.org/tekst/fock001duiz01_01/index.php) ).

Het gedeelte waar de stallen zich bevonden waren in drie gedeelten verdeeld, waar wij twee variaties van een potstal tegen konden komen. Bij de eerste vorm (zijpotstal) bevonden een aantal kleine stallen aan de zijkanten van de boerderij die om de zoveel weken werden leeggehaald. De andere variant, de middenstal, bevond zich in het middelste gedeelte en werd ongeveer na een half jaar uitgemest.2 Maar het was vooral zijpotstal die wij bij de keuters in de Zulte aantroffen. 

Een andere vorm van een hallehuis uit de Hallehuisgroep is het Drents middenlangsdeeltype met aangebouwde hooischuur. Het spreekt voor zich dat deze boerderij niet werd bewoond door een keuterboer (bron: Duizend jaar bouwen in Nederland (deel 2). S.J. Fockema Andreae, R.C. Hekker en E.H. ter Kuile. Allert de Lange, Amsterdam 1958. (https://www.dbnl.org/tekst/fock001duiz01_01/index.php) ).

Ondanks dat er her en der weleens met een romantische toon over de oude potstallen wordt gesproken, is het niet voor niets dat deze vorm van mestverwerking verdwenen is. Met de uitzondering van een enkele de biologische veehouderij1, schapenstal of schaapskooi waar wij heden ten dage deze vorm nog kunnen aantreffen. 

Nee, zo romantisch was het niet in die donkere, vochtige stal tussen het vee dat ook nog eens smerig was. De kleine boeren kenden het woord hygiëne niet en laat staan dat er handen met zeep gewassen werden. Sterker nog, het zou nog tot ver in de negentiende eeuw duren voordat zeep ingeburgerd was. 

De kleine boeren hadden slechts enkele koeien die doorgaans alleen vanaf de herfst de stal opgingen en pas weer in het voorjaar naar buiten konden. Ze moesten dus in de donkere en koude periode de koeien in die vochtige, stinkende stal melken. Iets wat de kwaliteit van de melk niet echt bevorderde. Daarnaast waren de kwalijke ammoniakdampen niet alleen schadelijk voor mens en dier, maar ook voor de opgeslagen goederen zoals het hooi en de oogstprodukten op de daarboven gelegen zolder. 

Het esgehucht de Zulte op een kaart uit 1832 waarop een tal van de hallehuis boerderijen te zien zijn. Ook in deze kleine boerderijen trof men destijds de potstallen aan. De boeren die in die tijd in deze boerderijen woonden, pachten deze van Jannes Hindriks Winsingh uit Roden en de erven van Floris Aukema uit Leutingewolde. (bron: Drents Archief).

Een even groot gevaar, of misschien nog wel gevaarlijker dan de stinkende ammoniakdampen, waren de vloeibare delen van de mest. Deze sijpelden door de vloer van de potstal de bodem in en drongen diep in de ondergrond. Vaak bestond de vloer uit een laagje zand en later werd hiervoor keileem gebruikt. Eenmaal diep in de bodem doorgedrongen, kwamen deze stoffen in aanraking met het als drinkwater dienende grondwater.  

Waarschijnlijk zal het 1 of 2 generaties geduurd hebben voordat de nadelige gevolgen hun uitwerking hadden op de gebruikers van dat water. Door het drinken van het door de giftige stoffen vervuild water kregen de mensen ziektes zoals cholera, tyfus en dysenterie. Een gedeelte van de bewoners, waaronder veel kinderen, stierven dan ook voortijdig door het nuttigen van het vervuilde water aan de gevolgen van de hiervoor genoemde ziekten. 

Een afbeelding van Levy Ali Cohen (1807-1889) arts en hygiënist die te Groningen, in de ouderdom van ruim 72 jaren aan myelitis overleed. Dr. Cohen was in 1869 inspecteur voor het geneeskundig staatstoezicht voor de provinciën Overijssel en Drenthe (bron: Wikipedia).

De in het jaar 1817 te Meppel geboren en te Groningen in 1889 overleden medicus Levy Ali Cohen3 die in 1869 als inspecteur voor het geneeskundig staatstoezicht voor de provinciën Overijssel en Drenthe werkte. Later dat jaar keerde hij als inspecteur naar zijn geliefde Groningen terug nu voor de provincies Groningen en Friesland. Spoedig na zijn aantreden als inspecteur in het jaar 1866 kreeg hij in Drenthe te maken met een cholera-epidemie en vier jaren later met een tyfusepidemie. In zijn boek ‘Handboek der Openbare Gezondheidsregeling en der Geneeskundige Politie‘ uit 1869 beschrijft hij het gevaar van een vervuilende potstal. 

“Nabij Ommen ( digt bij de Regge) onderzocht ik, pas voor eenige weken, op eene boerderij een opene put, na het gebruik van welks water de boter die daarmede bereid werd, van tijd tot tijd slecht, soms geheel oneetbaar werd. Ik bevond o. a. dat de potstal (waarin gedurende den ganschen zomer de mest wordt opgespaard) geene 3 Ned. el van den put verwijderd was, en dat de bodem hier zóo poreus is, dat de hoogere of lagere waterstand van de Regge dadelijk in den put merkbaar is. (De rivier bevindt zich op 1 à 1½ minuten afstands van de boerderij.)” 4 

De kans is vrij klein dat Dr. Cohen in zijn functie als inspecteur voor het geneeskundig staatstoezicht voor de provinciën Overijssel en Drenthe ook het kleine esgehucht de Zulte destijds heeft bezocht, maar zijn bevindingen zullen zeker hebben meegewogen om de potstal te gaan vervangen door de groepstal, ook wel ‘grupstal‘ genoemd, binnen de landbouw van de negentiende eeuw. 

De achterzijde van een oude schuur achter Leutingewolde laat mooi zien hoe het er heden ter dage bij een kleine hobbyboer uitziet. De typerende mestbult bevindt zich natuurlijk achter de schuur en ligt zo uit het zicht vanaf de weg.

Door het vervangen van de potstal door het groepstalprincipe, verbeterde niet alleen de hygiënische situatie van de bewoners en nam de kwaliteit van het water uit de put toe, ook voor het vee werden de leefomstandigheden een stuk beter. De dieren waren niet meer smerig door de schone ondergrond die bestond uit stro en de mest kwam direct in een goot terecht, de zogenaamde groep of grup. Het was nu een stuk eenvoudiger geworden om zowel de koeien te melken als de mest af te voeren5

Dat het vervangen van de potstal in de boerderijen ervoor heeft gezorgd dat de kwaliteit van het leven en daardoor de levensduur van de negentiende-eeuwse mens in de Zulte een stuk beter werd, durf ik niet te zeggen, maar het heeft er wel aan bijgedragen dat de hygiëne destijds enorm verbeterde. 

Heden ten dage hebben de koeien het een stuk beter dan in de tijd waar de dieren achter in een schuur stonden in een potstal. Nu bezitten de boeren gemiddeld zo’n 160 dieren en hebben ze grote schuren, waar de dieren het doorgaans uitermate naar hun zin hebben.

1 Potstal (https://nl.wikipedia.org/wiki/Potstal)  

2 AgriWiki Potstal (https://www.agriwiki.nl/index.php?title=Potstal) 

3 Geheugen van Drenthe: Levy Ali Cohen. (https://www.geheugenvandrenthe.nl/ali-cohen-levy) 

4 Handboek der Openbare Gezondheidsregeling en der Geneeskundige Politie, met het oog op de behoeften en de wetgeving van Nederland, eerte deel. Door Dr. L. Ali Cohen, met medewerking van Dr. S. Sr. Coronel, wijlen Dr. A. Drielsma, Dr. L. J. Egeling, F. C. hekmeijer, Dr. J. A. van Ketwich Verschuur, Dr. C. P. Pous Koolhaas, Dr. D. Lubach, Dr. G. van Overbeek de Meijer en Dr. W. J. de Meijer. Groningen, 1869. J. B. Wolters. Pagina 177. 

5 AgriWiki Grupstal. (https://www.agriwiki.nl/index.php?title=Grupstal 

Het tiende recht.

Een klasse apart onder de boeren in en rondom het voormalig esgehucht de Zulte waren wel de ‘Meijers’, de boeren die hun beroep uitoefenden op een zogenaamde meijerij of pachtboerderij, die in het bezit waren van een grootgrondbezitter. Meestal waren dit boerderijen van de adel op havenzate Mensinge of van Nienoord in Leek en grote boeren rondom het dorp Roden. Daarnaast bezat het klooster in Aduard en later de bewoners van huize Ter Heijl hier nog enkele boerderijen, die zij verpachten aan boeren. Een mooi voorbeeld hiervan is de vermelding van de pachter Harm Geerts in het Haardstedenregister van de Zulte uit 1742, waarin de man omschreven werd als ‘Majer van de Najnoort in de Helle’. Destijds werd de Helle (Terheijl) nog tot de Zulte gerekend.

De vermelding van Harm Geerts in de Helle in het Haardstedenregister van de Zulte uit 1742 met de vermelding dat hij een meijer is van Nienoord (bron: Haardstedegeld 868.24, archiefnummer 0001, Drents Archief, inventarisnummer 868.24).

De meijer, de pachter dus, had een belangrijke functie in de omgeving waar de beste man boerde. Doorgaans had de beste man een aantal knechten, meiden en een varkensjongen aan het werk en afhankelijk van het seizoen, kwamen daar ook nog een groep landarbeiders en dagloners bij. Dat het voor de meijer geen vetpot was, blijkt wel uit het Drents gezegde: ‘As meierboer haj meestal meer wark as geld’. Voor veel landarbeiders en dagloners was het seizoenswerk bittere noodzaak om te kunnen overleven. Weliswaar hadden veel van hen een klein boerenbedrijfje, waarbij zij een klein stukje grond bezaten dat als moestuin gebruikt werd en een enkeling bezat een paar schapen of geiten, maar het was te weinig om van rond te komen. Vandaar dat zij dus de extra werkzaamheden bij de pachtboeren deden.

Even buiten het esgehucht langs de weg richting het dorp Roden, ter hoogte van de Boschkampe, stonden een aantal van deze kleine boerenbedrijfjes waar de arbeiders Harm Lammers Kroon, Egbert Louwes Meulema, Cornelis Lammers Kroon en Lammert Jans Noord en hun gezinnen woonden rond het jaar 1830. Sommige arbeiders bezaten net iets meer grond konden redelijk rondkomen en hoefden slechts een paar keer extra werk te doen bij de meijers. Deze dagloners, de kleine boertjes dus, werden ook wel ‘Ceuters’ (keuters) genoemd.

In het roodgekleurd huis dat aan de linkerzijde staat op het perceel I-298 was van Harm Lammers Kroon, I-301 bevond zich het huis van Egbert Louwes Meulema, daarnaast, I-305, het perceel van Cornelis Lammers Kroon en geheel rechts stond het huis van Lammert Jans Noord op I-306 (Kaart 1832Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).

De eerder vermelde opmerking dat je als meijer meer werkt hebt dan geld, is zeer begrijpelijk. Niet alleen het personeel, de dieren en het zaaigoed koste de boer veel geld, maar ook de pacht en de gemeentelijke belastingen hijgden de best man behoorlijk in zijn nek. Daarnaast lag er op veel percelen het zogenaamd ‘tiendrecht’. Boeren die deze landerijen destijds pachten en bewerkten waarop de tiendenplicht ruste, hadden de verplichting per jaar een tiende van de oogst afdragen aan diegene die het land met het tiendenrecht bezat. Was het eerst nog dat de afdracht in nature diende te gebeuren, later kon men de waarde ook in geld gaan afdragen. Voor de reformatie in de zestiende eeuw bezat het klooster in Aduard grote landerijen rondom de Zulte en met het heffen van de tienden konden zij het onderhoud van de gebouwen en de kloosterlingen in dit gebied financieren. Na de reformatie nam de adel een deel van de landerijen over, het andere deel werd door boeren overgenomen, die inmiddels grootgrondbezitters waren geworden en de adel naar de kroon staken.

De in de zestiende eeuw gebouwde boerderij met de naam ‘De Spijker’ in Roden had in het verleden de functie om onder andere de inkomsten van het tiendrecht, dat bij de bewoners van havenzate Mensinge lag, in nature op te kunnen slaan. De Spijker was dus de voormalige schoutsboerderij van Roden en werd ook voor andere inkomsten gebruikt naast het tiendrecht, die natura betaald diende te worden. Waarschijnlijk had de toenmalige boerderij met de naam Vogelsang even ten noorden van het voormalig esgehucht deze functie ook gekregen toen het aan het begin van de achttiende eeuw gebouwd werd in opdracht van de heren van Nienoord. Immers, zij bezaten inmiddels ook behoorlijke percelen in de Zulte nabij te Helle.

De voormalige schoutboerderij Vogelsang lag in het verleden ten noorden van het voormalig esgehucht de Zulte. De boerderij is ruim 270 jaar oud en nog steeds een markant beeld in de omgeving.

Er bestonden diverse vormen van de tiendrecht, ook wel tiende recht genoemd, en met een beetje geluk, dan kon de beste man maar liefst driemaal de knip trekken om aan zijn verplichtingen te kunnen voldoen. Zo had je bijvoorbeeld de zogenaamde oude en novale tienden. De novale tienden konden pas geïnd gaan worden, als de ondergrond bijvoorbeeld heide, recentelijk was ontgonnen. Dus had de boer zijn schapen op de heide lopen dan hoefde hij hier over niets te betalen, maar was het ontgonnen en diende het nu als weiland, dan kon de eigenaar nu wel aanspraak op het tiende recht maken.

De uitleg over het tiende recht in een leerboek voor notarissen die in 1768 gedrukt is (Afbeelding: Redenerend vertoog over ’t Notaris Ampt. Bevattende eene duidelyke, nette en uitgebreide verklaring van deszelfs wezendlyke gronden omtrent veelerlye gevallen in de practycq. Tweede deel. Opgestelt, veel vermeerdert, en gecorrigeert door Arent Lybreghts, Notaris in ’s Gravenhage. Vyfde druk. Te Amsterdam, by J. Roman, G. de Groot, J. Loveringh, G. Tielenburg, S. V. Esveldt en P. Schouten. MDCCLXVIII. Pagina 191 & 192).

We kunnen het tiende recht onderscheiden in drie varianten: a). Maat tienden, ook wel grove of korentienden genoemd en betrof graan (rogge, tarwe, haver, gerst enz.). b). Smalle of kleine tienden werd over tuinvruchten (moes, knollen, radijs, appels, peren, noten etc.), gras, hooi, hop, hout en vanaf 1731 ook over aardappelen en aardperen. c). Krijtende tienden, die gingen over jonge dieren zoals veulens, kalveren, lammeren, biggen, maar ook over ganzen, bijen en ander geboorte van jonge dieren.

Het tiende recht, het recht van een heer als belasting het tiende deel van de oogst of van jonggeboren vee op te eisen en is van kerkelijke oorsprong en is oorspronkelijk gebaseerd op het Oude Testament, werd in Nederland met ingang van vrijdag 1 januari 1909 afgeschaft.

Gedonder in de Noordeindiger Kampen.

Al ver voor de achttiende eeuw bezaten de bewoners van havezate Mensinge grote stukken grond en woningen in de omgeving van het dorp Roden en die doorgaans verpacht werden aan boeren en burgers. Meestal waren dit boeren en burgers die in de buurt van de percelen woonden en voor de grootgrondbezitter was het de manier om aan de huizen en de percelen een beste stuiver te verdienen. Naast dat de verschuldigde pacht in keiharde pecunia voldaan diende te worden, bood men de pachters de mogelijkheid om deze in natura te voldoen. Dit gebeurde dan bij de Spijker, een schoutsboerderij die nabij huize Mensinge en die waarschijnlijk al sinds het midden van de zeventiende eeuw deze taak kreeg toegewezen.

Dit was niet veel anders toen de in Zuidlaren geboren Coenraad Wolter Ellents huize Mensinge in 1764 kocht en waar hij vanaf vrijdag 6 maart 1767 met zijn vrouw Gesina Oldenhuis ging wonen. Coenraad Wolter verhuurde zo’n stuk grond, ook wel kamp genoemd, aan de zoon van Joris Martens (Korvemaker) en Griete. Joris was de korvenmaker of kurver in het Westeijnde van het dorp  Roden en hij maakte niet alleen manden en korven, maar ook de zittingen van stoelen en was in rond 1713 in Roden getrouwd. Zijn vrouw die eerst genoemd werd als Griete, was de rond 1685 geboren Grietien Jacops. Joris Martens werd in 1742 aangeslagen voor haardstedengeld zo blijkt uit de archieven en de inmiddels weduwnaar geworden Joris moest 2 guldens betalen zijnde een keuter en zijn zoon Gerrit als korvenmaker.

De vermelding van Joris Korvemaker in het Haardstedengeldregister van het dorp Roden uit 1742. (Bron: Oude Staten Archieven (OSA), toegangsnummer 0001, inventarisnummer 868.24, Haardstedengeld Roden, Westeijnde, 1742, pagina 3677)

De korvenmaker Joris en zijn vrouw Grietien kregen in juni 1714 hun eerste gezonde zoon Pieter Joris. De tweede zoon kwam in maart 1718 ter wereld als Gerrit Joris. De zoon werd op zondag 13 maart 1718 in de deels romanogotische en deels gotische in de dertiende eeuw gebouwde Catharinakerk van Roden gedoopt als Gerrit, zoon van Joris Korvemaker en huisvrouw Griete. Naast Pieter en Gerrit waren er nog twee andere kinderen binnen het gezin aan het Westeijnde in Roden, zoon Jacob (januari 1723) en dochter Heijeltien (maart 1726). De rond 1685 in Roden geboren Joris Martens en vader van de eerdergenoemde kinderen, was een zoon van de eveneens in Roden woonachtige Marten Pieters.

Op zondag 13 maart 1718 werden er in de Catharinakerk van Roden drie kinderen gedoopt, te weten: Meerten, Gerrit en Annegien. (Bron: Drents Archief: Doopregister Roden 89, archiefnummer 0176.01, inventarisnummer 89, aktenummer 89)

Twee jaar later na de vermelding van Joris Korvemaker in het Haardstedengeldregister van het dorp Roden uit 1742 komen wij zijn dan 26-jarige zoon Gerrit tegen in het Drentse dorp Eelde. Om precies te zijn in het hoofdstuk ‘Trouwen 1737-1811’  uit het Doop, Trouw en Begraaf Register van het dorp. Het blijkt dat Gerrit op de zaterdag 25 april van het jaar 1744 aldaar in het huwelijk was getreden met de rond 1720 geboren en uit Bakkeveen afkomstige 24-jarige Hinkje Harms.

De vermelding in het Doop, Trouw en Begraaf Register van het dorp Eelde dat Gerrit in het huwelijk was getreden met zijn Hinkje. (Bron: Drents Archief Trouwregister Eelde 25, archiefnummer 0176.01, inventarisnummer 25, aktenummer 0176.01)

Precies een jaar later, op zondag 25 april 1745 wordt hun eerste zoon genaamd Joras gedoopt in de prachtige Catharinakerk te Roden, daar waar zijn vader ruim 27 jaar daarvoor eveneens was gedoopt. In het midden van de achttiende eeuw was er eigenlijk nog geen sprake van een standaard binnen de Nederlandse taal zoals wij deze vandaag de dag kennen en dit bracht natuurlijk de nodige problemen en verwarringen met zich mee. Daarnaast was de naamgeving met een verplichte achternaam die voor elk geboren kind binnen de familie diende te gelden, nog lang niet ingevoerd en gold doorgaans de voornaam van de vader als achternaam. Zelden werd het beroep zoals bakker of timmerman gebruikt en dan nog gold deze eerder als een verwijzing naar het beroep dan naar de familie van de drager.

De eerste zoon van Gerrit Joras en Hinkien Harms werd als Joras gedoopt, maar later verbasterde de naam naar Joris. (Bron: Drents Archief: Doopregister Roden 89, archiefnummer 0176.01, inventarisnummer 89, aktenummer 89)

Dit gold eveneens voor de eerst geborene binnen het gezin Gerrit Joras en Hinkien Harms. De naam Joris wordt ineens Joras en ook de nog in 1744 hetende Hinkje is nu Hinkien geworden. Op zich niet geheel vreemd dat de naam van Joris zijn echtgenote veranderde van Hinkje naar Hinkien, immers in grote delen van Drenthe werd een verkleinwoord uitgesproken met een ‘ien’ aan het einde en schreef men alles op zoals het klonk, waarvan zelfs veel in het aldaar gesproken dialect. Niet verbazingwekkend is het ook natuurlijk dat de naam genoteerd werd zoals de schrijver deze hoorde en zodanig interpreteerde.

De verwarring wordt alleen nog maar groter wanneer zoon Joras later naar de stad Groningen vertrekt en in het jaar 1818 komt te overlijden en in de Groningse archieven nu weer Joris heet, Joris Ferwerda. Zijn ouders worden in de overlijdensakte nu Gerrit Ferwerda en Enkje Harms genoemd. De op de leeftijd van 73 jaar tussen 13:00 en 14:00 op donderdag 8 januari 1818 overleden Joris was gehuwd met Eesina Reneman. De beste man overleed in het in het Gereformeerde diaconie arm- en kinderhuis, Hofstraat, Letter M, no.26, Kanton no.1 te Groningen. De aangifte van zijn overlijden volgde op zaterdag 10 januari 1818 en de twee aangevers waren Jan Versteegh, oud 62 jaar, kokvader en de 65-jarige Hindrik van Duren die breidemeester (iemand die aan de jongens ’t breien moest leren in de breidekamer van ’t Groene Weeshuis te Groningen) was, beide wonende te Groningen.

De vermelding van de in Roon geboren Joris Ferwerda, Zoon van Gerrit Ferwerda en Enkje Harms in het Overlijdensregister van de stad Groningen uit 1818. (Bron: Gemeente Groningen Overlijdensregister 1818, aktenummer 21)

Om de naam Ferwerda te kunnen verklaren binnen de familie moeten wij terug naar het begin van de zeventiende eeuw. Weliswaar moeten we het eerdergenoemde probleem van het opschrijven van namen in het achterhoofd houden, maar in de doopakte van de eerste zoon van Joris en Grietien wordt de vader Joris Martens Ferseda genoemd. Mijn vermoeden is dat de naam Ferwerda altijd al bij de familie heeft gehoord en op de achtergrond aanwezig is geweest, maar dat het niet gebruikelijk was om deze mee te noteren. Ferseda zal waarschijnlijk verkeerd zijn opgeschreven door de notulist.

Maar goed, laten wij terug gaan naar de korvenmaker Gerrit Joris en moeder Hinkien Harms, die op zondag 18 september 1746 hun tweede kind mogen dopen; Folkert. Of zoals het mooi werd opgeschreven in dat jaar: ‘Folkert, een soon gedoopt van Gerrit Joris en Hinkien Harms genaamd Folkert den 10. Sept.’.

De vermelding in het Doopregister van de tweede zoon Folkert. (Bron: Drents Archief: Doopregister Roden 89, archiefnummer 0176.01, inventarisnummer 89, aktenummer 89)

Ruim 3 jaar later volgt hun derde kind, eveneens een zoon die de naam Harremannus krijgt. Deze zoon wordt op zondag 9 november 1749 net zoals zijn oudere broers in de Catharinakerk te Roden gedoopt. Ook een ander verschijnsel dat in het verleden veel voorkwam, trof ook het gezin van Gerrit en Hinkien, kindersterfte. In de periode tussen 1749 en 1752 sterft hun tweede kind Folkert.

Op zondag 9 november 1749 wordt er in Roden ‘een soon gedoopt van Gerrit Joris en Hinkien Harms den 9 nov. genaamd Harremannus’. (Bron: Drents Archief: Doopregister Roden 89, archiefnummer 0176.01, inventarisnummer 89, aktenummer 89)

 In juni 1752 verwelkomt het gezin hun vierde kind die eveneens een zoon is en op zondag 25 juni 1752 wordt hij gedoopt met de naam Folkert. Iets wat je in die dagen veel vaker zag was dat de naam van een overleden kind gebruikt werd door een volgend kind van hetzelfde geslacht.

De vermelding in het Doopregister van de vierde zoon van Gerrit en Hinkien Folkert. (Bron: Drents Archief: Doopregister Roden 89, archiefnummer 0176.01, inventarisnummer 89, aktenummer 89)

Vier jaar later is het binnen het Nederlands Hervormd gezin weer feest. Het vijfde kind dat op zondag 30 mei 1756 gedoopt wordt in de mooie kerk van Roden is een dochter en krijgt de naam Geertruit. 1763 is het jaar waarin het laatste kind geboren en gedoopt wordt.

De bijschrijving van dochter Geertruit in het Doopregister van de hervormde kerk in Roden. (Bron: Drents Archief Doopregister Roden 89, archiefnummer 0176.01, inventarisnummer 89, aktenummer 89)

Op zondag 12 juni 1763 krijgt dochter Grietjen het heilige water op haar hoofd in de Catharinakerk zoals dit ook bij haar broers en zuster gebeurd was. Opvallend blijft toch wel dat zowel de achternaam van Gerrit dan weer als Joris en dan weer als Joras gebruikt wordt. Bij het laatste kind heet zelfs Hinkien ineens Inkien. Het blijkt maar weer, goed luisteren en schrijven was in die dagen echt een kunst.

Bij de vermelding van de doop van dochter Grietjen wordt moeder Hinkien ineens Inkien genoemd. Typerend voor die tijd en het zou mij niets verbazen als Grietjen in latere archieven als Grietien werd vermeld. (Bron: Drents Archief Doopregister Roden 89, archiefnummer 0176.01, inventarisnummer 89, aktenummer 89 Gemeente: Roden)

Nu veranderde de spelling met enige regelmaat in de Nederlanden van de achttiende eeuw en soms moet je even je hoofd erbij houden om het een en ander goed te kunnen interpreteren. Neem nu het Haardstedegeldarchief van het toenmalige kerspel Roden uit 1764, waarin we Gerrijt Joras tegenkomen zijnde een ceuter (keuter) in het buurtschap Rhoden en die 1 gulden betaald had. In die dagen was het dorp niet zo dicht bewoond zoals het vandaag de dag is en hielden de bewoners enkele dieren en een kleine moestuin om in de dagelijkse behoeften te kunnen voorzien.

De vermelding van Gerrijt Joras als ceuter in het buurtschap Rhoden. (Bron: Oude Staten Archieven (OSA), toegangsnummer 0001, inventarisnummer 868.24, Haardstedengeld Roden, Rhoden, 1764, pagina 3706)

De jaren zeventig en tachtig van de achttiende eeuw breken aan en met enige regelmaat komen wij de korvenmaker Gerrit Joras/Joris in de archieven weer tegen. Zo huurde Gerrit vanaf het jaar 1770 een kamp land te Rhoden van Coenraad Wolter Ellents, de bewoner en eigenaar van huize Mensinge. Blijkbaar gaan het boeren en de mandenmakerij Gerrit niet goed af en de dan nog in het buurtschap Westeijnde wonende keuter wordt in de belastingarchieven uit het jaar 1774 omschreven als: ‘Gerrijt Joras in bedrijf als ceuter onmagtigh om te betalen’. De man hoefde dan ook geen belasting te betalen. Tien jaar later in het register van het Haardstedengeld van het kerspel Roden uit 1784 van het buurschap Roden verschijnt Gerrijt Joras weer en wederom is de aangeslagene niet in staat op de belasting op te hoesten; ‘Onmagtigh’.

In de belastingarchieven uit het jaar 1774 omschreven als: ‘Gerrijt Joras in bedrijf als ceuter onmagtigh om te betalen’. Hetzelfde lot onderging ook de eveneens in het Westeijnde wonende Lambert Ottens. (bron: Oude Staten Archieven (OSA), toegangsnummer 0001, inventarisnummer 868.24, Haardstedengeld Roden, Westeijnde, 1774, pagina 3719)

Vanaf 1785 begint de ellende pas goed voor de 67-jarige Gerrit. Waarschijnlijk waren de schuldeisers het gedrag van de steeds in schulden verkerende keuter en korvenmaker meer dan beu en zeggen hem de wacht aan. Het kan ook zijn dat Coenraad Wolter Ellents een zwak voor de man had en hem daardoor ontzag om zijn schulden in een rap tempo te voldoen. Ellents verwisseld echter op zondag 12 september1784 het tijdelijke met het eeuwige en het jaar daarop zal zijn weduwe genoeg hebben gehad van Gerrit Joras. In het archief van Huis Mensinge te Roden tussen de stukken van zakelijke aard komen wij een exploot tegen die  uitgebracht was namens Gesina Oldenhuis aan Gerrit Joras te Roden, houdende een aanzegging om in 1786 een schuld af te lossen en de zogenaamde Noordeindiger kamp te verlaten. Een ‘exploot’ is een proces verbaal van de ambtshandeling van een deurwaarder: het leggen van beslag, het constateren van bepaalde waarnemingen, of het betekenen van een dagvaarding of een ander processtuk.

De vermelding uit 1784 dat Gerrit Joras niet in staat is om de belastingen te kunnen betalen. (Bron: Oude Staten Archieven (OSA), toegangsnummer 0001, inventarisnummer 868.24, Haardstedengeld Roden, Rhoden, 1784, pagina 3728)

Laat in de maand mei van het jaar 1790 krijgt de  in het Oosteijnde wonende timmerman Jan Harms de opdracht om een lijkkist voor het lichaam van de overleden vrouw van Gerrijt Joris te maken. Uit het kasboek van de timmerman blijkt dat deze de kist op maandag 24 mei 1790 heeft gemaakt. Hinkje Harms zal ongeveer zeventig jaar oud geworden zijn. In de tussentijd blijft het conflict tussen Gesina Oldenhuis en Gerrit Joras doorsudderen. In 1792 stuurt Gerrit Joras te Roden een verzoekschrift aan de schulte Jan Willinge van Peize inzake een geschil tussen de eerste en Gesina Oldenhuis over de verpanding van een perceel land te Roden.

Blijkbaar heeft het verzoekschrift niet geholpen en is de weduwnaar Gerrit in 1793 gedwongen zijn eigendommen te verkopen. De in huize Terheijl wonende Willem de Lille was rond die tijd al druk bezig met het uitbreiden van de bezittingen in Terheijl en de Zulte, waarbij hij dit buitenkansje niet liet liggen en op dinsdag 5 februari 1793 werd de koop beklonken. Volgens de archieven van de 30e/40e penning staat op het bewijs van overdracht vermeld dat Mr. De Lille de behuizing en hof van Gerrit heeft gekocht voor 250 gulden, waarbij de 30e penning voldaan werd met 6 en de 40e penning met 5 gulden. De 30e/40e penning was een vorm van belasting over de aan- en verkoop van onroerende goederen.

Een fotokopie van de akte uit het archief van de 30e en 40e penning waarin vermeld staat dat Mr. de Lille de behuizing en hof van Gerrit Joras dezelfs voor 250 gulden heeft gekocht. (Bron: Drents Archief 30e  en 40e penningen (1679-1797), rekendag 05-02-1793, pagina 8256)

Het geld dat Gerrit voor het verkopen van zijn eigendommen in het Noordeindiger kamp kreeg, zal hij nodig hebben gehad om zijn schulden af te betalen en als we dan weer in de archieven van het lokale belastingarchief duiken, komen wij de beste man nogmaals tegen. Waarschijnlijk woont hij nu bij één van zijn kinderen. Maar is nog steeds zo arm als een kerkrat. Van de belastingplichtige staat er nu in het Haardstedegeldarchief: ‘Gerrit Joras, is niet onder de Diaconie doch onmagtig om te betaalen’. Niet onder diaconie wil zeggen dat diegene zich niet in een armenhuis van bijvoorbeeld de hervormde gemeente bevond.

De registratie van de belastingplichtige Gerrit Joras uit het jaar 1794 waarin te lezen valt dat de beste man eigenlijk geen nagel meer had om zijn achterste te krabben. (Bron: Oude Staten Archieven (OSA), toegangsnummer 0001, inventarisnummer 868.24, Haardstedengeld Roden, Roden, 1794, pagina 3742)

Na bijna tachtig jaar is het moeizame en zware leven van de weduwnaar en korvenmaker Gerrit Joris voorbij en sluit hij op donderdag 4 januari 1798 zijn ogen voor de laatste keer. Als overlijdensoorzaak werd in het overlijdens -, ondertrouw- en trouwboek 1793-1811 van Roden  ‘aan verval van krachten’ vermeld.

De vermelding van het overlijden van de bijna tachtig jaar oude weduwnaar en korvenmaker Gerrit Joris in overlijdens -, ondertrouw- en trouwboek 1793-1811 van Roden. (Bron: Drents Archief Doop, Trouw en Begraaf RegistersSoort registratie: Begraafregistratie(Akte)datum: 04-01-1798 )