Drama in de Boschkampe

Op de zomerse vrijdag 17 augustus van het jaar 1787 ziet ver van de Zulte een jongen in de Friese plaats IJlst als zoon van Meinte Tjebbels van der Velde (1759) en Trijntje Reins (1761) voor het eerst het levenslicht. Deze stoere Friese knaap, Tjebbele Meintes van der Velde genaamd, woonde inmiddels in de Zulte en stond bekend als een hardwerkende timmermansknecht. Voor de 25-jarige timmerknegt kon het geluk ook niet op toen hij in het jaar 1813 de geboren te Groningen en even oude arbeidster Maria Meijers tegen het lijf was aangelopen. Voor Tjebbele Meintes zal het liefde op het eerste gezicht geweest zijn en voor de dochter van Willem Meijers en Anna Nijman uit de stad Groningen, was het een nieuwe poging om het geluk in het leven te vinden. 

De op de donderdag 26 juli in 1787 geboren Maria was het jaar daarvoor op 23-jarige leeftijd weduwe geworden toen haar echtgenoot Egbert Jans Been op dinsdag vijftien april 1812 in Peize kwam te overlijden, slechts 31 jaar oud. Volgens de archieven liet de als dakdekker werkende Been de zwangere Maria met een kind achter, de op dinsdag 29 november 1809 te Peize geboren Anna Egberts Been. Op een of andere manier bleef het noodlot haar achtervolgen en net zoals haar vader, kwam hun dochter Jakken Been, die aan het eind van het jaar 1812 ter wereld kwam, aan het einde van de maand december van het jaar 1813 in Peize te overlijden. 

Trouwakte van Tjebbel en Maria uit 1814: Bruidegom: Tjebble Meintes van der Velde, geboren te IJlst op 17-08-1787; leeftijd: 26 jaar; beroep: timmerknegt , zoon van Meinte Tjebbles en Trijntje Reins. Bruid: Maria Meijer, geboren te Groningen op 02-08-1787; leeftijd: 26; beroep: arbeidster , dochter van Willem Meijer en Anna Nijmans . (bron: Huwelijk, Roden, 19-05-1814, aktenummer 5)
De plaats in het huidige Roden, het pleintje op de hoek van de Boskamp en het Padkamp, waar vanaf 1814 het huis van Tjebbele Meintes van der Velde heeft gestaan.

De ontmoeting met Tjebbele, die inmiddels ook wel Tjebbel genoemd werd, leek het voor de inmiddels in Foxwolde woonachtige Maria Meijers na het overlijden van haar dochtertje een nieuw startpunt te zijn. Bijna vijf maanden na het heengaan van haar dochter, de woensdag 18 mei 1814, gaven Tjebbel en Maria in gemeente Roden, Kanton Assen in het departement van de Wester-Eems elkaar het ja-woord en gingen ze in de Zulte wonen. Het huwelijk tussen de beide lieden kwam niet zomaar uit de lucht vallen. Op de woensdag 9 november 1814 kwam de aap uit de mouw of beter gezegd; Maria beval van hun zoon Meinte van der Velde en de zaterdag daarop kon de trotse vader zijn eerste zoon aangeven.

Ondanks dat het inmiddels verplicht was om een achternaam te voeren, bleef het gebruik om het kind de naam van zijn of haar vader mee te geven. Zo kreeg zoon Meinte als tweede naam ‘Tjebbels’ mee, zoals het al eeuwenlang in grote delen van Nederland gebruikelijk was. In 1817 volgde op woensdag 16 april 1817 zoon Henderijks van der Velde en wederom kon de 29-jarige Tjebbel die inmiddels timmerman was geworden, weer richting de burgerlijke stand vertrekken om hem in geboorteregister van Roden bij te laten schrijven. Een maand later kon de timmerman de reis richting de burgerlijke stand weer maken, op de woensdag 14 mei 1817 blies de zuigeling zijn laatste adem uit en liet zijn ouders verdrietig achter. 

Het pleintje op de plaats waar in het verleden het huis van Tjebbel en Maria heeft gestaan in de Boschkampe op een luchtfoto uit het jaar 2014 (afbeelding: topotijdreis.nl).

Maar ondanks de grote tegenslag van een verloren kind, iets wat in die tijd vaker voorkwam en waarbij de hoge kindersterfte voor enorm veel verdriet zorgde, leek het geluk Tjebbel en Maria weer toe te lachen. Op woensdag 25 maart 1818 beviel Maria van hun eerste en haar derde dochter. De 30-jarige ouders noemden het meisje Trijntje, later werd ook wel als Trientje omschreven. Bijna 3,5 jaren later, op zaterdag 28 augustus 1821, volgde hun tweede dochter Annegien van der Velde. In het jaar 1823, toen Tjebbel en Maria allebei 36 jaren oud waren, verscheen op de koude zaterdag 29 november hun derde zoon Henderikus.

De woning van het gezin van der Velde bevond zich in wat in het verleden de Boschkampe heette en lag grofweg op zo’n vijfhonderd meter afstand ten zuidoosten van de centraal gelegen brink in het voormalig esgehucht de Zulte. Het huis stond precies op de plaats waar nu een basketbal/rolschaatspleintje aan de Boskamp en Padkamp ligt. Het gebouw zal zo rond 1814 gebouwd zijn op grond dat van de eigenaar, Johanna Philippina van Dedem tot den Gelder; de weduwe van Willem de Lille, gekocht was. En naar alle waarschijnlijkheid zal Tjebbel zelf mee hebben gewerkt aan de bouw van het huis. 

Het basketbal/rolschaatspleintje op de hoek van de Boskamp en Padkamp, gezien vanuit de laatst genoemde. Op deze plaats stond ongeveer vanaf het jaar 1814 het huis van Tjebbel en Maria.

Het was weliswaar een redelijk nieuwe woning die degelijk was gebouwd, maar naar de huidige maatstaven zou het niet voldoen aan de tegenwoordige eisen. Deze huizen waren slecht warm te houden en naast de kou, zal het tochten en de vocht ook een grote rol hebben gespeeld bij de gezondheid van de bewoners. Met name in de tijden dat het vroor zal het geen pretje geweest zijn om er te wonen. Dit soort woonomstandigheden zijn heden ten dage niet meer voor te stellen en het verklaart de hoge sterfcijfers onder de mensen die rond die tijd in de Zulte woonden. 

Waarschijnlijk zullen deze omstandigheden er aan bij hebben gedragen dat eerst dochter Martien Tjebbels van der Velde, die op maandag 27 februari 1826 was geboren en 2 jaar en 11 maanden later op woensdag 24 januari 1827 kwam te overlijden. Bijna twee jaren later beviel Maria een dag voor oud jaar, dinsdag 30 december 1828 op 41-jarige leefdtijd van hun laatste kind, een meisje die eveneens de naam Martien kreeg. Ook hier bleek het ongeluk op de loer te liggen en moesten de twee verdrietige ouders na zes weken wederom afscheid nemen van een kind. 

De bladzijde uit het boek ‘Volkstelling 1830’ van de gemeente Roden, waarin Tjebbel en Maria, hun kinderen en oma Anna Hinderikus Niemeijer als bewoners van het West en Noordeinde 220 vermeld werden (bron: Volkstelling, 1830, archiefnummer 2001.21, inventarisnummer 1 Gemeente: Roden).

In het jaar 1829 vond er in de wijde omgeving van de toenmalige gemeente Roden een volkstelling onder de bevolking plaats die later gepubliceerd werd als ‘Volkstelling 1830’. Het huis van Tjebbel en Maria heeft dan het adres West en Noordeinde 220 en volgens de archieven wonen er naast de twee echtlieden van 42 jaar, ook hun zoon Meinte van 15, dochter Trientje of Trijntje 11 jaar oud, dochter Annechien 8 jaar en de 6-jarige zoon Henderikus in de woning. Een andere inwonende is de 66-jarige Anna Hinderikus Niemeijer, die in de stad Groningen is geboren en de moeder is van Maria.

De inmiddels volwassen dochter van Maria uit het huwelijk met Egbert Jans Been, Anna Egberts Been, die voorheen bij haar moeder en stiefvader inwoonde, woonde nu samen met haar 23-jarige man Egbert Jans Noord en hun half jaar oude zoon Jan Egberts Noord op het adres West en Noordeinde 202b. Bij het gezin van der Velde gaat het leven zijn gang en bij Maria’s dochter en schoonzoon verloopt de gezinsuitbreiding ook zeer voorspoedig.

De twee percelen van Tjebbel, I-150 (tuin) en I-151 (huis en erf), op de Kadastrale kaart van de gemeente Roden, Sectie I genaamd de Zulte in drie bladen, eerste blad uit 1832 (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).

In het jaar 1832 Komen wij Tjebbel van der Velde tegen in de archieven van het Kadaster als eigenaar van de twee percelen I-150 (tuin) en I-151 (huis en erf). Echter, zoals wel vaker het geval was bij de oude archieven, wordt Tjebbel als timmerman Gebbeke Meints van der Velde omschreven als eigenaar van beide percelen in het register van het Kadaster, dat bij het eerste van drie bladen van de gemeente Roden, Sectie I de Zulte behoorde. 

 Aan al het geluk komt een einde als Maria het tijdelijke leven op de kille dinsdag van 14 november 1837 om twaalf uur ’s middags voor het eeuwige verwisseld op de leefdtijd van 50 jaren in hun woning in de Boschkamp. Voor Tjebbel lijkt de wereld te eindigen en na het weg moeten brengen van drie kinderen, is de tijd gekomen om voor altijd afscheid te nemen van zijn geliefde Maria Meijers. Een half jaar kan Tjebbel het nog volhouden, maar op zondag 13 mei 1838 knapt er iets bij de timmerman en besluit hij een einde aan zijn leven te maken. 

De vijvers langs de Toutenburgsingel waar het lichaam van Tjebbel gevonden werd op de Kadastrale kaart uit 1832 (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort)

De volgende ochtend rond een uur of zeven wordt het levenloze lichaam van Tjebbel in één van de vijvers bij de Toutenburgsingel, ook wel de Klaidobben genoemd, door de arbeiders Hindrik Stoffers Rozema, zijn buurman van nummer 221 en Tunnis Roelfs Tooms uit Leutingewolde gevonden. Dat juist zijn buurman hem heeft gevonden, zou er op kunnen wijzen dat men de timmerman met zijn gebroken hart al vrij snel vermist heeft en hem is gaan zoeken. 

De overlijdensakte van de timmerman Tjebbele Meintes van der Velde uit 1838 (bron: Overlijdensregister Roden 1838, archiefnummer 0167.021, inventarisnummer 1838, aktenummer 9 Gemeente: Roden Periode: 1838).

Na het overlijden van Tjebbel van der Velde gaan de oudste dochter van Maria, Anna Egberts Been, haar man Egbert Jans Noord en hun kinderen in het huis wonen. Het huis zal in de jaren ’50 van de vorige gesloopt zijn om plaats te maken voor de uitbreidingsplannen van de toenmalige gemeente Roden. 

Bladzijde uit het boekwerk ‘Volkstelling 1840’ waarbij goed te zien is dat Anna Egberts Been en haar man de woning inmiddels bewonen. Ook de buurman die het lichaam van Tjebbel vond, Hindrik Stoffers Rozema, woont nog steeds op nummer 221 (bron: Volkstelling, 1840, archiefnummer 2001.21, inventarisnummer 2 Gemeente: Roden).

22 nieuw huizen aan de Ceintuurbaan Noord!

Halverwege de jaren zestig van de vorige eeuw verdween het landelijke uitzicht rondom de Zulte met een hoge snelheid en de landerijen waar vroeger door noeste arbeid van boeren een prachtig gebied was ontstaan, schoven nu zware bulldozers en grote kranen die bewerkte grond zo ter zijde. Slechts in enkele jaren was er nog maar heel weinig over van het ruimtelijk gebied en het contrast met enkele tientallen jaren kon niet groter zijn. De omgeving van het dorp Roden moest klaargestoomd worden voor de jaren ’70, het tijdperk dat het eens kleine dorp Roden de grote stad Groningen naar de kroon ging steken. En ja, als de plaatselijke politiek zijn zin zou krijgen, dan ging Roden zelfs de stad voorbij!

Dat niet iedereen de uiterst ambitieuze plannen van de politiek deelde, spreekt voor zich en hier en daar was er toch behoorlijk wat weerstand tegen de roekeloze woningbouw. Met name in het zuidoostelijk gedeelte van het dorp, waar toch de iets beter gesitueerde bevolking van Roden woonde, zag met de woningbouw en de aanleg van de Ceintuurbaan Oost niet zitten en verdwenen de plannen dan ook net zo snel als ze geopperd werden. Aangeven dat de woningbouw richting het gebied nabij het Ronostrand ook een goede mogelijkheid was, werd niet eens in overweging genomen. Sterker nog, hier rust nog steeds een taboe op. Of zoals een verbitterde boer uit de Zulte eens tegen mij zei: “As je moar ’n beste bult centen hebt, dan luustern ze wel noar je.” Of het waar is, durf ik niet te zeggen,  feit is wel dat het prachtig gebied voor altijd verdwenen is.

Door de combinatie van het toenemend aantal bedrijven dat zich in de jaren zestig in het dorp Roden ging vestigen en de daardoor gestegen vraag naar woningen, waarbij het aantal inwoners ook behoorlijk toe begon te nemen, nam de woningbouw ten oosten van het voormalig esgehucht ook in een rap tempo toe. Zo waren er vanaf 1966 al een behoorlijk aantal sociale huurwoningen langs de nieuwe Ceintuurbaan Noord verschenen en in 1969 kwamen er maar liefst 22 nieuwe premiewoningen bij in het gedeelte tussen de Hop en de Hazelaar.

Op donderdag 4 september 1969 verscheen deze advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden, waarin Makelaardij Van Loon uit Groningen aangeeft, dat er nog enkele huizen te koop zijn (bron: Nieuwsblad van het Noorden, donderdag 4 september 1969, 82e jaargang, nummer 207, pagina 20).

Op donderdag 4 september van dat jaar verscheen er in het Nieuwsblad van het Noorden een advertentie van Makelaardij Van Loon uit Groningen, waarbij men aangaf dat er nog enkele artistieke woonhuizen aan de Ceintuurbaan Noord te Roden beschikbaar waren. Het betrof hier een paar tussenwoningen die inclusief alle kosten voor 47.000 gulden gekocht konden worden. Kijk, dat Roden ambities had om de stad Groningen voorbij te streven, vonden ze daar geen probleem zolang er maar een beste smak geld verdiend kon worden.

De werkelijk prachtige tekening van de vier woningen aan de Hazelaar, die door de architectenbureaus van der Scheer en Faber in 1969 gemaakt werd. Opvallend in de overeenkomst met de foto van het woonblok die verderop geplaatst is (bron: Nieuwsblad van het Noorden, zaterdag 4 oktober 1969, 82e jaargang, nummer 233, pagina 19).

Een maand later plaatst de Groninger makelaar weer een advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden, nu met een prachtige tekening van de premiewoningen. De huizen op de afbeelding, het enige blok met vier woningen, werd niet aan de Ceintuurbaan Noord maar aan de Hazelaar gebouwd. De andere drie blokken bestonden wel uit zes woningen en stonden wel langs de Ceintuurbaan Noord. De royale en voor die tijd moderne eengezinshuizen met centrale verwarming waren ontworpen door de architectenbureaus van der Scheer aan de Larixlaan 2 in Roden en Faber uit Stadskanaal. Het bouwbedrijf Giezen was verantwoordelijk voor de bouw van de 22 woningen.

De vier ingekleurde blokken geven de 22 premiewoningen weer die hier in het jaar 1969 tussen de Hazelaar en de Hop aan de Ceintuurbaan Noord gebouwd werden.

Naast de toenemende druk van de nieuwe inwoners op de woningmarkt, begon zich een ander probleem voor te doen; het verkeer. Door de toenemende welvaart en de dalende prijzen van auto’s, zagen de bestuurders van het dorp Roden zich genoodzaakt om nu ook het belabberde wegenpark in en rondom het dorp aan te gaan pakken. Aan het begin van de zestiger jaren had men al een soort rondweg om Roden bedacht, die de verkeersdruk uit het dorp moest gaan opvangen. De weg kreeg de naam Ceintuurbaan, dat van het Latijnse ‘cingere’ (omringen) afkomstig is en verbasterde tot cingulum of singulum, dat letterlijk ceintuur of riem betekent.

Het enige blok met vier woning van de in totaal 22 woningen staat aan de Hazelaar. De andere 18 bevinden zich aan de Ceintuurbaan Noord. Aan de linkerzijde zijn meer woningen te zien die tot de serie van 22 behoren. De situatie met 1969 en vandaag de dag is geheel verschillend te noemen. Tot ver in de jaren tachtig van de vorige eeuw werd de Ceintuurbaan Noord gebruikt als een snelweg.

De nieuwe rondweg lag dus om het hele dorp heen en was in vier stukken verdeeld. De Ceintuurbaan Noord was tussen het Oosteinde en de Leeksterweg gepland en ging dan over in de Ceintuurbaan West die tot de Nieuweweg liep. De Ceintuurbaan Zuid ging vanaf de Nieuweweg tot aan de Norgerweg, waarna de Ceintuurbaan Oost vervolgens in het gedeelte tussen de Norgerweg en het Oosteinde zou komen te liggen. Net zoals het met de woningbouw in het gebied van de Ceintuurbaan Oost het geval was, waren ook hiervoor weer veel bezwaren van wat de oude boer in de Zulte ‘die rieke stinkerds’ noemde en ging dat deel van de weg dus niet door.

Het tweede en derde blok met eider zes premiewoningen aan de Ceintuurbaan Noord gezien richting de Hazelaar.

Bijna twintig jaren later was de druk op de Ceintuurbaan Noord inmiddels zo verhoogd dat de aanwonenden het idee te hebben aan een racebaan te wonen. Een gezegde rond die tijd was dat wanneer de Vrachtwagens bij het voormalige Cordisgebouw de Ceintuurbaan Noord opdraaiden, zij begonnen te toeteren zodat het verkeer van rechts wist dat er een vrachtwagen aankwam. Op het hoogtepunt van de overlast was het volgens enkele fietsers uit die tijd, een ware survivaltocht om via de Ceintuurbaan Noord te gaan fietsen. Dat was nait best!

Het vierde en laatste blok van de 22 premiewoningen die in het jaar 1969 gebouwd werden gezien vanaf de Hop richting de Hazelaar. Ook dit blok bestond evenals de twee voorgaande blokken uit zes woningen.

Toen het zelfs voor de gemeente Roden te erg werd, besloot men in te gaan grijpen en voerde men snelheid beperkende middelen in zoals verkeersdrempels en later werd het een 30 kilometerzone.  Na de nodige beschadigde spoilers en uitlaten hadden de maatregelen toch hun doel bereikt: een einde maken aan deze racebaan.

De huidige situatie aan de Ceintuurbaan Noord tussen de Hop en de Hazelaar. Naast dat er verkeersdrempels in de weg zijn geplaatst, is er maar weinig veranderd met het kaartje uit het jaar 1969.

Daarnaast had de politiek van de toenmalige Roden inmiddels ingezien dat hun ambitieuze plannen om de stad Groningen qua inwoners, en dus ook inkomsten, niet meer te halen en van deze tijd waren en verdwenen dan ook geruisloos in de prullenbak. Heel af en toe steekt er nog bij een politiek warhoofd het idee op dat Roden de stad nog steeds voorbij zou kunnen streven, Dat hierbij oud en historierijk gebied dient te verdwijnen zegt zo’n iemand niets. “Het is toch alleen maar gras”, zegt de man dan maar. Iets wat te verwachten is van iemand die enkel oppervlakkig denkt en geen diepgang heeft.

Wollig gespreksstof in en over de Kostverloren.

Als we de pagina over ‘Kostverloren’ van het almachtige internetorakel Wikipedia raadplegen, dan blijkt dat de naam grofweg verklaart kan worden als zijnde een verloren slag (de cost) nabij een vesting. Daarnaast vinden wij op de pagina van het internetmedium twaalf verwijzingen naar buurtschappen, wijken en diverse andere locaties met de naam ‘Kostverloren’. Vijf van deze genoemde plaatsen bevinden zich in de provincie Groningen, waarbij de wijk in de stad Groningen wel de bekendste is. Waarschijnlijk hebben meer plaatsen, streken of essen deze naam ook gekregen, maar zijn ze in verloop van tijd in vergetelheid geraakt. Soms duiken deze namen weer op als er oude kaarten of verhalen verschijnen van een plaats of streek, waarbij enthousiastelingen diep in de geschiedenis weten te wurmen om bepaalde plaatsen, buurtschappen of uitdrukkingen voor het nageslacht te bewaren.

Enkele oude en armtierig ogende bomen in een weiland. Deze bomen maakten echter in het verleden deel uit van een oud bos en later van een oude houtwal ten zuiden van de schapendrift.

In het gebied dat ten noordwesten van het voormalig esgehucht de Zulte lag, bevond zich eveneens een gebied dat de naam ‘Kostverloren’ droeg. Het was een gebied op een es waar zowel hakbossen, bouwlanden en weilanden aanwezig waren. Daarnaast bevond zich hier ook de schapendrift van gemeenschappelijke schaapskudde van het esgehucht, die de voormalige schaapskooi met het immens groot en uitgestrekt heideveld dat ten westen van de Zulte lag, verbond.

De laatste restanten van het grote bos dat eens ten noorden van de schapendrift lag. Het zijn nog slechts enkele zomereiken die hier staan en gezien de plannen voor woningbouw in dit uniek gebied, hebben zij ook hun langste tijd hier gehad.

De schapendrift werd omstreeks 1832 in de archieven van het Kadaster omschreven als zijnde een groene weg  met het nummer I-257bis en was eigendom van de Markgenoten in de Zulte. Markgenoten, ook wel een markgenootschap genoemd, was een middeleeuwse organisatie van het grondeigendom ten gunste van velen. De markgenoten waren gezamenlijk eigenaar van een zogenaamde mark, velden en weiden in een bepaald gebied. Het mark werd bestuurd door een voogd, een zogenaamde markgenoot.

De huidige situatie waar eens de schapendrift lag vanuit de lucht gezien. Boven de zomereiken en iets lager van noord naar zuid de andere bomen.

Vrijwel de gehele es met de naam Kostverloren en de zuidelijk gelegen aangrenzende percelen waren in het bezit van de in Roden woonachtige landbouwer Jannes (Jannus) Hindriks Winsingh en naar alle waarschijnlijkheid zal de landbouwer tijdens zijn volwassen leven ook de voogd, de markgenoot dus, van het perceel geweest zijn. Het zuidelijk van de schapendrift gelegen gebied droeg in het verleden de naam ‘Hop- of Hoppenkamp’ en bestond vooral uit bossen en bouwlanden. Lees meer hierover in het artikel Hop in de Zulte.

Door het gebruik te maken van de ondergrondgegevens van het Algemeen Hoogtebestand Nederland kunnen wij vandaag de dag nog steeds de sporen zien die de schapen na honderden jaren in de grond hebben achtergelaten.

Hoe raar het ook moge klinken, veel van de oude geschiedenis is met een beetje kennis van het gebied snel terug te vinden. Zo zijn we in staat om met moderne technieken de sporen uit het verleden in de ondergrond te herleiden naar bijvoorbeeld de voormalige schapendrift, waar de schapen bijna tweehonderd jaar geleden hun sporen achterlieten vanuit de schaapskooi richting het heideveld. Of de oude zomereiken langs de sloot in het weiland, waar eens een groot bos aan de schapendrift grensde.

De situatie in de Zulte rond het jaar 1820. Van de vele bossen die zich in de omgeving van de schapendrift bevinden zal slechts het noordelijk gelegen bos het nog honderd jaar volhouden voordat deze ook gekapt werd om plaats te maken voor weiland.

Enkele andere oude bomen die zuidelijk van de zomereiken staan zijn restanten van een ander oud bos en hebben als een houtwal gediend. Deze bomenrij is net zoals de voorheen genoemde houtwalrestanten terug te voeren naar oude kaarten waarop de plaatsen te zien zijn waar ze eens stonden.

Op de Kadastrale kaart uit 1832 is de schaapskooi te zien en lijkt op een klein schuurtje nabij het omgelegde stroompje de Zulter Bitse in de nieuwe weg naar Roden op het perceel I-282. Het perceel werd omschreven als een weiland en was eigendom van de Kindren van Floris Aukema. (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort)

Nabij de schapendrift bevond zich tot ongeveer het jaar 1830 eveneens een vrijstaande schaapskooi, waarin tussen de 80 en 130 dieren van de plaatselijke schaapskudde onderdak vonden. De schaapskooi in de Zulte was waarschijnlijk een zogenaamde potstal en diende als onderkomen voor de schapen die de ruige heidegronden in de omgeving begraasden. In de schaapskooi werden heideplaggen neergelegd waarop de schapen vervolgens lagen. Ook deden de dieren hun behoefte op de plaggen en doordat de dieren door de schaapskooi liepen, vermengde de mest zich met de heideplaggen. De ontstaande mest was zeer vruchtbaar en werd na het leeg maken van de stal verdeeld over de akkers in het voormalig esgehucht.

De voormalige schaapskooi die in het noorden van het voormalig esgehucht de Zulte lag, zou er zo uitgezien kunnen hebben zoals op de bovenstaande afbeelding. Vermoedelijk stamde het gebouwtje uit de zeventiende eeuw.

De schapen die de kudde vormden in de Zulte behoorden tot het ras ‘Drentse heideschaap’, een klein en tenger schaap dat wordt gezien als het oudste schapenras in West-Europa. Het sobere en sterke dier was vanwege zijn eigenschappen uitermate geschikt voor de begrazing van arme, onvruchtbare en ruige heidegronden die in de wijde omgeving van het voormalig esgehucht lagen. De schapen werden gehoed door scheper Jan Harms Hummel en zijn honden, die tot ongeveer 1830 schaapherder van de kudde van het gehucht bleef.

Een driedimensionale impressie van hoe de schaapskooi er aan het einde van de achttiende of begin van de negentiende eeuw eruit zou hebben kunnen gezien. Zoals bij veel schaapskooien in het Drents Landschap het geval was, waren de muren van hout en bestond het dak uit riet.

Jan Harms was op zondag 9 september 1792 in het Groningse Zevenhuizen geboren en huwde als 25-jarige jongeman op zaterdag 15 mei 1818 de toen 21-jarige dienstmaagd en inmiddels zwangere Aaltje Harms. Aaltje, die ook wel Aaltien genoemd werd, was dochter van Harm Lammerts en Jantje Knellis. Lammerts woonde op de hoek van de Boschkampe en de nieuwe weg naar Roden. Het gedeelte waar de Lammerts woonde, werd ‘Elzenkamp’ genoemd en zal zijn naam te danken hebben aan de vele zwarte elzen (Alnus glutinosa), die hier welig in grote bossen hebben gegroeid. Later zou de familie Lammerts de achternaam Kroon aannemen.

Als we de Kadastrale kaart uit 1832 er nogmaals bij pakken zien we de twee roodomrande percelen (I-298 en I-299) waar Harm Lammerts en zijn gezin woonde, naast het punt waar de weg uit de Boschkampe op de nieuwe weg naar Roden uitkomt. Deze plaats werd in het verleden ‘Elzenkamp’ genoemd. In de archieven wordt Harm Lammerts als Harm Lammers omschreven. (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort)

Het was rond die tijd al bekend dat schapen voor een betere bemesting van de akkers en graslanden zorgden dan rundvee. Men wist al dat schapenmest zich beter verspreidde over het weiland dan de mest van koeien. De mest van schapen verbindt zich beter met de grond en verteerd niet door de werking van zuurstof, dit in tegenstelling tot koemest, dat in het eerste jaar het gras weg bijt, in het tweede jaar voor gele vlekken in het gras zorgt waar het vee bij wegblijft en in het derde jaar is uitgewerkt. Daarnaast zou door het afgrazen door schapen gecombineerd met hun mest, er gras gaat groeien van een betere kwaliteit. Echter, aan het bemesten van weilanden door er schapen op te houden bracht een groot nadeel met zich mee, als er een ziek schaap tussen loopt kan een ziekte eenvoudig verspreid worden.

Drentse heideschapen. De bovenstaande dieren behoren tot de schaapskudde van Exloo en zijn gefotografeerd op 9 januari 2018. Voor meer informatie: de schaapskudde Exloo.

Niet alleen zorgden de schapen voor een betere bemesting van de graslanden dan de runderen het deden, maar naar verhouding brachten zij ook nog eens mee mest op het land. Tel daar bij op dat een schaap goedkoper was in de aanschaf dan een koe en in de belastingen, dan wist een boer het wel. De belasting die men voor een enkele koe moest betalen vanaf het jaar 1808 bedroeg twee stuivers. Hetzelfde bedrag moest een boer ook betalen voor acht schapen, dus op het gebied van het bemesten was een schaap goedkoper dan een koe. De twee stuivers belasting voor de schapen diende de eigenaar voor het einde van de maand september voldaan te hebben.

Op de vroege ochtend van dinsdag 9 januari 2018 begon de schaapskudde van Exloo aan de tocht richting het heideveld dwars door het dorp. Zou het er ook rond 1823 in de Zulte hebben uitgezien toen Jan Harms Hummel met zijn kudde naar de immens grote heidevelden trok?

Nu was het hoeden van schapen op het heideveld niet even een klusje, waarbij je een schaapherder met zijn honden en de kudde de heide op liet en dan zijn gang kon gaan. Nee, het was haast een landbouwkundige wetenschap geworden vanaf de jaren twintig in de negentiende eeuw. Er zaten natuurlijk de nodige haken en ogen aan het laten weiden van schapen op een heideveld en de kans bestond dat de dier ziek werden op het altijd vochtige en soms zeer natte heideveld ten westen van het buurtschap.

Door zijn compacte lichaamsbouw oogt het Drentse heideschaap niet erg groot en zijn het aantal dieren in een kudde vaak meer dan je op het eerste gezicht zou verwachten.

Wilde men de stukken van het heideveld waar de schapen graasden voor de dieren geschikt maken en het grazen veilig was, dan diende men er voor te zorgen dat er voldoende greppels aanwezig waren en het overtollige regenwater afgevoerd kon worden. Het van het water afvoeren voorkwam niet alleen dat de grond nog meer verzuurde, maar ook dat de dieren die graag in de lager gelegen gedeelten en bij poeltjes verblijven, niet ‘gallig’ werden en daaraan stierven.(1)

De schaapskudde van Exloo is inmiddels op het grote heideveld aangekomen. Als de dieren zo staan en nog niet bijeen gedreven zijn. is goed te zien dat de kudde in 2018 door veel exemplaren gevormd werd.

De galligheid werd ook wel ‘bot in den lever’ genoemd en werd veroorzaakt door een parasiet (Fasciola hepatica) die vooral de lever en de galwegen aantastte. Deze parasitaire platworm heeft de leverbotslak (Galba truncatula) nodig als tussengastheer en het slakje bevindt zich naast in ondiep stilstaand water maar ook op natte, vochtige weides en glooiende overgangen tussen natte en droge gebieden. Daarnaast kunnen de slakjes een lange periode van droogte overleven waardoor de kans op besmetting lange tijd blijft bestaan. Een besmetting van een schaap vindt plaats wanneer het dier tijdens het grazen bijvoorbeeld besmet gras of slakjes binnenkrijgt.

Met een beetje fantasie zou je de Drentse heideschapen uit de kudde van Jan Harms Hummel nog door het gebied rondom de Zulte kunnen horen én ruiken terwijl ze onderweg zijn naar het perceel heide ten noorden van de Toutenburgsingel. Dit perceel droeg in 1832 het kadastraal nummer K-210 en behoorde toe aan de markgenoten van Roden.

De ongeveer vier tot vijf meter brede en vermoedelijk uit de zeventiende eeuw stammende schaapskooi, zal een lengte van zo’n tien meter hebben gehad. Nadat de nieuwe weg naar Roden rond 1825 was aangelegd moest de scheper nu met zijn schaapskudde door het stroompje heen om de schapendrift te kunnen bereiken.  Waarschijnlijk zal het gebouwtje de functie van een schaapskooi na 1830 niet meer hebben vervuld en is hierdoor dan ook in verval geraakt. De voormalige schaapskooi is op de Kadastrale kaart uit 1832 afgebeeld als een schuurtje in een weiland.

De plaats waar in het verleden de Zulter Bitse liep en deze gedempt werd voor de aanleg van de nieuwe weg, ligt vandaag de dag de oprit naar een woning. Blijkbaar is het dempen niet goed gedaan en verzakt de bestrating keer op keer.

Had de schaapskooi nog het geluk dat deze niet verdween door de aanleg van de nieuwe weg naar Roden, voor het stroompje dat door het esgehucht liep veranderde echter wel behoorlijk veel. Destijds dacht men er niet over om een milieueffectrapportage procedure te starten of om de omwonenden te vragen wat zij ervan vonden. Nee, daar stond men aan het begin van de negentiende eeuw niet bij stil. De gevolgen bleven dan ook niet uit. Zowel op de plaats waar de Zulter Bitse van oorsprong eerst stroomde en locatie waar het stroompje later langs geleid werd, zijn vandaag de dag nog steeds de weer terugkerende verzakkingen duidelijk zichtbaar in de bestrating van de stoep en de asfalt van de huidige weg de Zulthe.

De plaats in de weg waar de Zulter Bitse in het midden van de jaren twintig in de negentiende eeuw kwam te liggen. Ook hier zal waarschijnlijk na het dempen van het stroompje de ondergrond niet goed behandeld zijn en daardoor verzakt de weg steeds weer.

In een advertentie die in juni van het jaar 1932 in het Nieuwsblad van het Noorden verscheen, stond er een een paar zinnen van de heer Deodatus waarin hij aangeeft dat het gras van 4 percelen, voor een goede prijs te koop staat. Deze percelen lagen (of eigenlijk liggen ze er nog zolang het duurt) naast het huis van de familie Deodatus en geven aan waar de oude es ‘Kostverloren‘ ligt. Op deze locatie staat nu woningbouw in de planning en zal voor altijd verloren zijn.

Een gedeelte uit een advertentie die verscheen in het Nieuwsblad van het Noorden van zaterdag 18 juni 1932 waarin de heer R. Deodatus Pzn. aangeeft, vier percelen met gras te willen verkopen naast het huis aan de Zulte en het daarnaast gelegen Kostverloren (bron: Nieuwsblad van het Noorden zaterdag 18 juni 1932 vijfde blad, pagina 19).

(1) Beknopte schets van den Landbouw in min vruchtbare streken. J. H. van Wolda, Instituteur aan de Kweekschool voor den Landbouw der Maatschappij van Weldadigheid, te Wateren. Uitgegeven te Groningen door J. Oomkes, 1841.