Toen de op donderdag 7 december 1792 te Amsterdam geboren heer Abraham Jacob van der Aa als Nederlandse letterkundige en lexicograaf in het jaar 1839 zich waagde aan zijn uitdaging om van alle plaatsen in het Nederlands koninkrijk het wetenswaardigste bijeen te brengen, kon hij niet bevroeden hoeveel plezier een aantal bewoners van het koninkrijk zou gaan bezorgen. Nou ja, het kleine gedeelte dat met enige regelmaat met zijn of haar neus in één van de veertien delen van het ‘Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden‘ zit te pluizen om de geschiedenis van een bepaalde plaats of gebeurtenis op te zoeken.
Ondanks dat zijn 14-delig naslagwerk een goed beeld geeft van hoe het in het Nederland van het midden van de negentiende eeuw eruit moet hebben gezien, zonder de kaarten uit die periode blijft het soms toch behoorlijk gissen waar wat gelegen heeft, of juist niet! Weliswaar was de Kadastrale kaart die de situatie weergaf rond het jaar 1832 behoorlijk betrouwbaar, maar dit was echter eerder een uitzondering dan de regel.
Op deze uitsnede van een kaart van de Provincie Groningen opgemaakt door. A. Smit van der Vegt, Landmeter bij het Kadaster in het jaar 1837, is in tegenstelling tot de kaarten van het Kadaster, te zien dat deze niet geheel correct was getekend. Zo ligt bijvoorbeeld de Westeinder Weg ten oosten van het dorp Roden, terwijl deze ten westen van Roden lag en naar het huidige dorp Nieuw-Roden liep (bron: Groninger Archieven. Kaart van de Provincie Groningen opgemaakt onder toezigt van G. Acker Stratingh, Med. Doctr. doorI. A. Smit van der Vegt, Landmeter bij het Kadaster, 1837.).
Desondanks dat de kaarten redelijk betrouwbaar waren en van der Aa verreweg de meeste plaatsen die hij beschrijft nooit heeft bezocht, blijft zijn naslagwerk een prachtige handleiding om het een en ander te weten te komen van het gebied in, rondom en ten noordwesten van het voormalig esgehucht de Zulte in de periode tussen de jaren 1839 tot en met 1851.
Ook op deze uitsnede van de kaart van de Provincie Groningen opgemaakt door. A. Smit van der Vegt, Landmeter bij het Kadaster in het jaar 1837, wordt het stroompje de Zulter Bitse ineens de Winsumer sloot en komt het uit in het Leekstermeer in plaats van het Leekster Hoofddiep. (bron: Groninger Archieven. Kaart van de Provincie Groningen opgemaakt onder toezigt van G. Acker Stratingh, Med. Doctr. doorI. A. Smit van der Vegt, Landmeter bij het Kadaster, 1837.).
Zeker gezien in de tijdgeest van het midden van de negentiende eeuw en eigenlijk alleen de welgestelden, hogescholen en universiteiten zich het konden veroorloven om exemplaren van het Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden aan te schaffen, blijft het een prachtige reis door de tijd.
Het spreekt voor zich om de alfabetische volgorde aan te houden en dan het eerste het beste artikel te gaan behandelen dat ook maar enigszins iets met de Zulte te maken heeft, maar op een of andere manier vind ik dat toch niet helemaal in het verhaaltje passen en begint het verhaal juist met het dertiende deel van het Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden uit 1851 waar we voormalig esgehucht ten noorden van het dorp Roden tegenkomen.
Op pagina 329 in het dertiende deel van het Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden uit 1851 komen het voormalig esgehucht tegen. Vanzelfsprekend zonder de ‘h’ aan het eind van de naam die ergens in de jaren dertig van de vorige eeuw door een overijverige ambtenaar aan de naam werd toegevoegd (bron: Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, bijeengebragt door A. J. van der Aa, onder medewerking van eenige Vaderlandsche Geleerden. Dertiende deel. Z. Te Gorinchem, bij Jacobus Noordduyn. 1851. Pagina 329.).
Het voormalig esgehucht ligt volgens het boekwerk in het dingspil van Noordenveld, dat gelegen is in de provincie Drenthe. De Zulte bevindt zich op ruim 4 uren ten noordnoordwesten van de gemeente Assen en op 5 minuten loopafstand noordwestelijk van het dorp Roden. Het gebied dat tot de Zulte werd gerekend was ongeveer 13 hectare groot en er woonden volgens het Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden destijds 80 mensen.
Het in het boek genoemde aantal inwoners van de Zulte klopt vrij aardig, zeker gezien de gegevens die men destijds ter beschikking had. Het exacte aantal bewoners van het esgehucht was na de volkstelling in het jaar 1830 83 personen en tien jaar later bij de volgende volkstelling in 1840 zelfs 86 inwoners, zoals hierboven te zien is (bron: alledrenten.nl. Roden | Bevolkingsregister | 2001.21 | 2 | Gedigitaliseerde bevolkingsregisters van de voormalige gemeente Roden | Volkstelling, 1840).
In dit deel komen wij op pagina 329 naast de Zulte ook het Zultermeer tegen. Het Zultermeer, ook wel Sulte- of Sultermeer genoemd, is natuurlijk het huidige Leekstermeer. Het ondiepe en zeer visrijke meer dankt zijn oorspronkelijke naam aan de vlakke oevers die zeer drassig waren. Meer over het ontstaan en de naamgeving van het gebied kunt u in het artikel ‘Sülte en het moeras’ lezen.
(bron: Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, bijeengebragt door A. J. van der Aa, onder medewerking van eenige Vaderlandsche Geleerden. Dertiende deel. Z. Te Gorinchem, bij Jacobus Noordduyn. 1851. Pagina 329.).
Dat het Leekstermeer erg ondiep was en zeker voordat het meer geschikt werd gemaakt voor onder andere de pleziervaart, was mij al duidelijk na verhalen die mijn in de Zulte geboren grootvader mij vertelde. Hoe hij met passie vertelde dat hij als bengel aan het begin van de twintigste eeuw van de ene zijde naar de andere zijde van het meer liep, van zuid naar noord, en zijn haren niet nat had gekregen tijdens het lopen.
De vermelding van het Sulte-meer op pagina 801 van het Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, Tiende deel S uit het jaar 1847 (bron: Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, bijeengebragt door A. J. van der Aa, onder medewerking van eenige Vaderlandsche Geleerden. Tiende deel. S. Te Gorinchem, bij Jacobus Noordduyn. 1847. Pagina 801.).
En als er over de effecten die de eb en vloed op de waterstand moeten hebben gehad volgens enkelen werd gesproken, schudde hij zijn hoofd en zei hij: “Die luu bent niet wies, bent dreumers!”. Van het effect van de zee, daar had hij nooit wat van vernomen, in al die jaren dat hij bij het Leekstermeer kwam.
De beschrijving van het Leekstermeer in het zevende deel van het Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden. (bron: Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, bijeengebragt door A. J. van der Aa, onder medewerking van eenige Vaderlandsche Geleerden. Zevende deel. L. M. Te Gorinchem, bij Jacobus Noordduyn. 1845. Pagina 98.).
Een ander effect op het ontstaan van het huidige Leekstermeer was het beekje de Leeke, de Leke of de Lek, dat zijn oorsprong had iets onder het gehucht Terheijl, waar het op het toen immens groot natte heideveld ontsprong en het meer van water verzorgde. Later toen het Leekster Hoofddiep rond 1560 werd gegraven in opdracht van Wigbold van Ewsum jr., voor de afwatering en als vaarweg voor turfschepen, kwam deze grotendeels in de bedding van de Leeke te liggen.
Een pagina eerder in het zevende deel van het Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden komen wij de vermelding van het beekje de Leeke tegen. (bron: Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, bijeengebragt door A. J. van der Aa, onder medewerking van eenige Vaderlandsche Geleerden. Zevende deel. L. M. Te Gorinchem, bij Jacobus Noordduyn. 1845. Pagina 97.).Op de kaart van A. Smit van der Vegt uit 1837 heet de beek de Lek. (bron: Groninger Archieven. Kaart van de Provincie Groningen opgemaakt onder toezigt van G. Acker Stratingh, Med. Doctr. doorI. A. Smit van der Vegt, Landmeter bij het Kadaster, 1837.).
Er was maar weinig drukte langs het zandpad, toen het rijtuig van de landdrost mr. Petrus Hofstede op de vroege donderdagochtend van de negende juni 1808 ten oosten van het voormalig esgehucht de Zulte voorbij kwam. De overwegend uit boeren en arbeiders bestaande bevolking van het gehucht, had wel andere dingen aan het hoofd dan langs de weg te gaan staan omdat er een hoogwaardigheidsbekleder voorbij kwam. De schapen moesten geschoren worden en hier en daar was al een boer begonnen met het maaien van het gras. Behalve ter hoogte van de herberg Tautenborg van kastelein Hindrik Caspers Denkela aan de Leekster Dyk. Daar hadden zich enkele arbeiders verzameld, die in dienst waren van mr. Willem de Lille of bij zijn pachters en juichten toen het rijtuig voorbij kwam.
De met de rode kleur aangeven route op de Franse legerkaart uit 1810/13 zal de landdrost Petrus Hofstede met zijn gezelschap in het jaar 1808 hebben afgelegd in hun rijtuig richting huis ter Heil (Bron: Drents Archief).
De landdrost voerde in het jaar 1808 een inspectiereis uit door het departement Drenthe en deed op woensdag 8 en donderdag 9 juni het dorp Roden aan. Petrus Hofstede was ruim een jaar eerder op maandag 18 mei 1807 tot landdrost van Drenthe benoemd. Tijdens zijn reis vanuit Assen richting het dorp Roden werd het gezelschap even buiten Lieveren opgewacht door een groep jongelui, die onder leiding stond van pachter Jan Noord. De landdrost werd door de groep verwelkomd en men verzocht hem of zij het rijtuig naar Roden mochten begeleiden. Rond elf uur plaatselijke tijd kwam het gezelschap aan bij het huis van de brouwer en herbergier Thijle Krijthe en zijn vrouw Berendje Voget.
In de herberg van Krijthe werd het gezelschap begroet door de schulte van Roden Steven Hindriks Winsingh en de volmachten, mr. J. L. Roman schulte van Vries, raadsheer mr. Willem de Lille en een commissie uit de kerkenraad bestaande uit de heren ds. Voget en mr. J. W. Kijmmell. Hier werden de kohieren, boeken waarin de invordering van onbetaalde belastingen en de inbeslagneming en verkoop van goederen ten gevolge van onbetaalde belastingen staan geregistreerd, van vaste goederen van Roden, Roderwolde, Vries, Norg, Peize en Eelde geëxamineerd (onderzocht). Tevens werd er met de schulten van Roden en Vries over de heffing der lasten gesproken. 1
De huidige havezate Mensinge werd aan het begin van de negentiende eeuw nog huize Rhoden genoemd. Het huis was voor landdrost Hofstede een plaats waar hij regelmatig op bezoek kwam.
Na het officiële gedeelte in de herberg van de brouwer Thijle Krijthe, vertrok de landdrost ’s middags naar huize Rhoden (de huidige havezate Mensinge) waar de weduwe Ellents hem ontving en het gezelschap de rest van de dag doorbracht. Hier werd waarschijnlijk het avondmaal genuttigd en ’s avonds bij kaarslicht oude herinneringen opgehaald. De band tussen de families Hofstede en Ellents was behoorlijk hecht. Zo hecht zelfs, dat Hofstede een zoon naar Coenraad Wolter Ellents had vernoemd.
Landdrost Mr. Petrus Hofstede (1755-1839) (afbeelding: Abraham Anne van de Kasteele – Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie Origineel in: Provinciaal Museum van Drenthe).
Het was voor de landdrost Hofstede sowieso een inspectiereis waarbij hij veel bekenden ontmoette. Was de band met de weduwe Ellents al behoorlijk hecht, die met de raadsheer mr. Willem de Lille op het huis ter Heil was op zijn minst ook bijzonder te noemen. Een paar jaren eerder, op vrijdag 25 oktober van het jaar 1805, werd als uitvloeisel van een onderzoek door Jan Kops naar de toestand van de landbouw in ons land, een commissie van landbouw in het departement Drenthe gevormd. Deze commissie die niet uit landbouwers, maar uit landeigenaren bestond en waarin zowel Hofstede als de Lille zitting hadden. In deze commissie werd Hofstede voorzitter en bekleedde dit ambt tot maandag 18 mei 1807, toen hij tot landdrost van Drenthe werd benoemd.
De Lille had zijn draai gevonden in deze commissie en was in tegenstelling tot de doorgaans zeer conservatieve grondeigenaren rondom het kerspel Roden, zeer progressief bezig en bleek een goede inzicht te hebben wat bij onder andere de eigenaren van de schapen leefde. Ondanks dat hij en zijn vrouw vrome bezoekers van de kerk in Roden waren, durfde hij het aan om de schapen van de schaapskudde van ter Heijl te gaan inenten. Dit zal hem zeker enkele boze blikken van veel beter gesitueerde bezoekers hebben opgeleverd; men greep destijds niet in bij zaken die van bovenaf door de Schepperwaren geregeld. Het zal de Lille een zorg zijn geweest en ondanks dat er al enkele besmettingen met de schaapspokken zich hadden voorgedaan, besloot hij om alle 130 schapen van de kudde te laten inenten. Waarschijnlijk behoorden vrijwel alle dieren hem dan ook toe.
Huis ter Heijl op een oude prent uit het archief. Het was de woning van raadsheer Mr. Willem de Lille en waar hij in het jaar 1808 landdrost Mr. Petrus Hofstede ontving (afbeelding:Drents Archief).
Dat dit behoorlijk indruk maakte bij Jan Kops, die vanaf 1805 ieder jaar een verslag schreef over de staat van de landbouw in ons land, blijkt wel uit wat hij in ‘Staat van den Landbouw in het Koningrijk van Holland gedurende het jaar 1807’ wist te vermelden: “Er vertoonden zich in Drenthe eenige Pokken aan de Schapen onder Oostermoer, en Vooral in het Dingspil Noordenveld bij verscheide kudden. De Heer De Lille, Lid der Commissie, heeft onder zijn troep 130 aan deze ziekte gehad, waarvan 13 gestorven zijn: deze Heer zou de Inenting ondernomen hebben, bijaldien de besmetting zich hier niet reeds bij de ontdekking te veel verspreid had” 2. De schaapspokken waren zeer besmettelijk en zorgen tot ver in de dertiger jaren van de negentiende eeuw voor veel slachtoffers onder de dieren.
Door de band die de landdrost Hofstede met de raadsheer de Lille had opgebouwd in de jaren van zijn voorzitterschap in de commissie, vond hij dat een bezoek aan het huis ter Heil op zijn plaats was en op de vroege donderdagochtend van de negende juni begaf het gezelschap zich richting ter Heijl. Het gezelschap reed grofweg over de plaats waar nu de Klimop ligt, voorbij de boerderij Vogelsang richting de Herberg Tautenborg. Er werd beleefd teruggezwaaid naar de enkelen die voor de herberg stonden te juichen en het rijtuig draaide naar links, de toenmalige Tautenborgsingel op en kwam aan bij huis ter Heil.
Hier verbleef de landdrost met zijn gezelschap de gehele dag en vertrok vervolgens de volgende dag weer richting Assen, waarbij hij wederom begeleid werd door de groep jongelui, die hem twee dagen eerder ook had opgewacht toen hij in de buurt van Roden was.
1Een inspectiereis van den landdrost Mr. Petrus Hofstede door Drenthe 1808. Door Alb. Oltmans. Overgedrukt uit de Prov. Dr. en Asser Courant. Assen, 1911. Pag. 20/21.
2Jan Kops – Staat van den Landbouw in het Koningrijk van Holland gedurende het jaar 1807. Paraaf 36. Schapen. Pag. 59/60.
“Het was moar ’n natte bende doar”, vertelde de boer mij toen ik hem vroeg of hij wist hoe oud de verdieping in zijn land was, “Een nat vies veengat, joa dat was’t west”. Een verdieping in het gebied waar vroeger eens het enorm oerbos lag dat Groot Noordholt werd genoemd, was zeker geen zegen voor de landeigenaar. De op sommige plekken forse laag taaie keileem vlak onder of aan de oppervlakte zorgde ervoor dat het regenwater niet in de grond weg kon zakken, maar via de bovenzijde van de grond een weg naar lager gelegen gebieden zocht. Zeker in de tijden dat het gebied niet over een effectief stelsel van afwateringssloten beschikte, was het water amper weg te krijgen richting het Leekstermeer.
Instemmend knikte ik met hem mee, want ik wist de oorzaak van de verdieping in zijn perceel waarschijnlijk wel. Dit stuk land is daarom ook een van de laatste stukken die aan het begin van de twintigste eeuw hier ontgonnen werd. Net zoals ik, verwonderde de boer zich over het feit dat als er eenmaal veel water stond in dat perceel, het water toch weer vrij snel verdwenen is. Mijn vermoeden, die ik dan ook prompt met de boer deelde, is dat er een verstoring in de forse laag keileem moet zitten, waardoor het water de onderliggende zandlagen in kan zakken. Dat er in het verleden ook nog een een forse veenlaag lag waar het bos overheen gegroeid was, wist ik voldoende.
De verdieping in het land van de boer dat in het verleden in het Groot Noordholt lag en voor de ontginning van het gebied vol met veen zat. Tevens is de depressie minder diep dan voorheen door het intensief gebruik van het land.
Veen kwam best veel voor in de wijde omgeving van het voormalig esgehucht de Zulte. Weliswaar niet zoveel als bijvoorbeeld nabij Ter Heijl en richting Zevenhuizen, maar bijvoorbeeld in het Sieveen iets ten noorden van het herstellingsoord zat een fors pakket veen onder de natte heide. Grote delen in het gebied ten westen van Roden tussen Leutingewolde en Een bestond vrijwel uit moerassige, natte heidevelden. De moerassige heidevelden waren niet in de eerste plaats voor ontginning geschikt; zij waren te vochtig, de bodem was er niet poreus en te arm aan voedingstoffen.
De depressie in het Sieveen achter het voormalig herstellingsoord waar vroeger een kleine dobbe lag. De verdieping in de grond is ontstaan door het smelten van de gletsjer, waarbij het smeltwater geulen vormde in de zachte ondergrond.
Prof. Dr. H. Blink vertelde er over in zijn boek ‘Woeste gronden, ontginning en bebossching in Nederland, voormaals en thans’ op pagina 29 dat in 1929 door de Nederlandsche Vereeniging voor Economische Geographie werd uitgegeven: “Zoover het oog reikte zag men niets dan heide, veenplassen, ongebaande wegen, en hier en daar verdwaald een armoedigen groven den en berk, en grootere en kleinere keien en vuursteenen in grooten getale over het terrein verspreid. Dop en struikheide, bunt en pijperaai, gagel, blauwe gentiaan, vliegenvangertje, de laatste drie vooral planten van een vochthoudenden bodem, vormden het hoofdbestanddeel van den typischen plantengroei, als overal op de Drenthsche heide. In en rondom de veenplanten groeiden het wollegras en de veenbies, terwijl rendier-, pen- en bekermos er de mossen vertegenwoordigden.”
Dat er verlekkerd naar de enorme heidevelden werd gekeken is niet zo vreemd. Aan woeste grond was voor een eigenaar niets te verdienen en de enkele schaapskudde op de hei zag er wel mooi uit, maar het leverde niets op. Het zal u dan ook niet verbazen dat de woeste gronden in de provincie Drenthe aan het begin van de twintigste eeuw in een ras tempo verdwenen. Tussen 1901 en 1918 werden er in Drenthe 9.538 hectare heide en zand tot bouwland, 2.545 hectare tot grasland, en 1.222 hectare tot bos. Maar liefst 13.305 hectare heide en zand waren verdwenen, wat neerkomt op zo’n 0.782 hectare per jaar. Van 1918 tot 1928 bedroeg het totaal ontgonnen heide en zand maar liefst 12.434 hectare, gemiddeld 1.243 per jaar. (Bron: ‘Prof. Dr. H. Blink – Woeste gronden, ontginning en bebossching in Nederland, voormaals en thans’ 1929, pagina 71.)
De noordzijde van de vermoedelijke pingoruïne gezien vanuit het zuiden. De voor een pingoruïne typische aarden wal kwam in het verleden de boer goed uit; bomen er op planten en klaar is de houtwal.
Het veengat zoals de boer het veenmoerasje noemde onder het grote bos, zal rond 1901 ontgonnen zijn net als vele andere percelen rondom Roden en in de provincie Drenthe om plaats te maken voor grasland. Van grasland had de toenmalige boer veel meer profijt dan van een bos waar je eigenlijk geen rendement van hebt. Nou ja, een paar richelpalen en lange stokken voor bonenteelt. Ja, die stokken kon je daar wel weghalen, het wemelde daar van de Hazelaars (Corylus avellana) met hun lange, rechte takken.
De eerder genoemde aarden wal van de verdieping in het weiland richting het westen. Door de verschillende factoren zoals de aanplant van bomen, de slechte staat van de bodem (keileem) en het vee dat de daardoor altijd natte, modderige bodem heeft vertrapt, moet je goed opletten om de wal te kunnen zien.
De plaats van de depressie ligt op een plaats waar je deze niet direct te zien krijgt. En om heel eerlijk te zijn, de boer/eigenaar van het perceel zit daar ook helemaal niet mee. Maar het is juist het onopvallende dat lijnrecht staat tegenover de feiten van pak hem beet, zo’n 18 duizend jaar geleden. Toen bestonden grote delen van Noord-Nederland en Overijssel uit een constante bevroren bodem die samengesteld was uit mossen, zand, stenen, sneeuw en ijs. In deze grote poolachtige toendrawoestijn bevonden zich hier en daar heuvels in het gebied. De heuvels die doorgaans een hoogte bezaten van enkele tientallen meters, moeten het gezicht van de toendra hebben gedomineerd.
Op deze foto is te zien hoe groot de depressie in het weiland is. Aan de linkerzijde is het hoogte verschil duidelijk zichtbaar. Helaas zijn veel kenmerkende aanwijzingen door het gebruik in de loop der tijd verdwenen.
De grote heuvels waren ontstaan aan het einde van de laatste ijstijd toen de bodem al eeuwenlang enkele tientallen meters diep bevroren was en permafrost genoemd wordt, waarbij het iets warmere grondwater met een steeds grotere druk tegen deze laag permafrost aandrukte. Het bovenste gedeelte van het grondwater bevroor en vormde een lensvormige laag ijs tegen de permafrost aan. De laag ijs die in deze situatie ontstaat, heet daarom dan ook een ‘ijslens’. Het opstijgende grondwater blijft tegen de ijslens aandrukken waardoor de druk blijft toenemen en de laag ijs steeds dikker gaat worden. Op een gegeven moment heeft de ijslens een fors formaat aangenomen en is de druk van het grondwater zo hoog geworden, dat de bevroren bodem wel omhoog moet gaan. Op deze manier ontstonden er talloze ijsheuvels in het poollandschap van Noord-Nederland, die de naam ‘Pingo’ meekregen. De naam werd door de Groenlandse Eskimo’s (Inuit) gegeven en betekent ‘heuvel van ijs of kleine heuvel’.
De overgang van het weiland naar het bos richting het noordwesten. Weliswaar ligt vrijwel het grootste gedeelte van de vermoedelijke pingoruïne in het weiland, een klein gedeelte ligt echter ook nog in het bos.
Volgens een Deens onderzoek is het 11.711 jaar geleden (bron) dat er een einde aan de laatste ijstijd en het enorme pakket landijs dat niet zuidelijker was gekomen dan de plaats waar nu de stad Hamburg ligt, zich weer richting het noordoosten terugtrok. Het was ook de periode dat het in onze contoureien warmer begon te worden en de permafrost langzaamaan wegsmolt. Hierbij verdween ook de deklaag op de ijsheuvel en gleden er stukken ontdooide aarde van de heuvel af. Doordat de aarde van de grote klomp ijs afgleed, kreeg de aan kracht toenemende zon meer vat op het blootgevallen ijs en liet deze eveneens smelten.
Grofweg zou het bovenstaande gebeurd kunnen zijn op de plaats in het weiland waar nu een verdieping ligt. Van ijsheuvel naar een meertje.
Hoe meer het ijs binnen de heuvel smolt, des te kleiner werd deze en stortte verder in. Daarnaast zorgde het vele smeltwater voor meertjes en kleine beekjes daar het water niet door de nog bevroren bodem kon wegzakken. Na verloop van tijd was er niet veel meer over van de eens zo machtige ijsheuvel dan een diep meertje met een doorsnede tussen de 70 tot wel 240 meter. Deze meertjes worden ook wel pingoruïnes, vennen of veenmeertjes genoemd. De vermoedelijke pingoruïne ten noordoosten van de Zulte nabij de Dobben had waarschijnlijk een diameter van zo’n honderd meter.
Op het hierboven afgebeelde plaatje van het hoogteprofiel van het gebied, is de verdieping duidelijk zichtbaar. Het laagste gedeelte in de depressie ligt op zo’n halve meter boven N.A.P., het hoogst gelegen gedeelte op bijna 3 meter.
Vermoedelijk schreef ik omdat van de vele vennetjes en ronde plasjes in het noorden van Nederland niet zeker is als het hier ook daadwerkelijk pingoruïnes betreft. Het zouden natuurlijk ook depressies kunnen zijn die tijdens de vorige ijstijd werden gevormd door de terugtrekkende ijskap of stuifkommen, die door de poolwinden zijn gecreëerd. Ook in deze verlagingen met een slechte waterdoorlatende bodem bleef water staan en vormde zich veen.
De pingoruïne ten westen van de Zulte met de mooie naam Vagevuur gezien vanaf de Toutenburgsingel. Enkele jaren geleden was de ruïne geheel aan het zicht ontrokken door de vele bomen, maar de eigenaar heeft radicaal ingegrepen en nu ziet het er weer lekker fris uit. Het Vagevuur heeft een diameter van ongeveer 90 meter.
Aan één van de typerende kenmerken voor een pingoruïne in Noord-Drenthe voldoet de depressie wel; hij ligt pal langs de helling van het beekdalgebied van de Zulter Bitse. Vermoedelijk door het hoogteverschil van dit gebied tijdens de ijstijd kon hier het grondwater een lange tijd blijven vloeien en een pingo vormen. Ook komen we ze tegen aan de rand van het Drents Plateau, waar de omstandigheden eveneens gunstig waren voor het ontstaan van vele ijsheuvels.
Ook de ligging van de gebieden met de veldnamen de Dobben en de Dobberesch kunnen verwijzen naar menig poel en kuil – door de mens gegraven of natuurlijk ontstaan door een wel – die in dit gebied voorkwamen en dienden als drinkplaatsen voor het vee. Frappant is het toch wel te noemen dat men in Friesland spreekt van ‘Dobben’ in plaats van pingoruïnes.
Een zogenaamde dobbe in het Sieveen. In het verleden door een boer verder uitgegraven zodat het vee eruit kon drinken. De huidige eigenaar heeft de dobbe verder uitgegraven en er een kikkerpoel van gemaakt.
Door de toenemende stijging van de temperatuur en de hoeveelheid neerslag, steeg niet alleen het grondwater in ons land, maar ook de laag veen in de vele depressies in het Noord-Drentse landschap. De verschillende opeenvolgende fases van het Holoceen zorgen ervoor dat de diverse soorten landschapstypen het beeld vormden. In de ruim afgelopen tienduizend jaar zijn menig veenmeertjes en moerassen verdwenen door verlanding of werden ze drooggelegd voor de turfwinning of de landbouw. De depressie in het land van de boer is slechts een van de velen in het noorden van Nederland.
Er bestaat een website met een kaart waarop de officiële pingoruïnes en de vermoedelijke gevallen staan. De website heet ‘Natuurlijke schatkamers van Drenthe, Pingoruïnes’ (even klikken) en is zeer zeker een bezoekje waard!