Een klasse apart onder de boeren in en rondom het voormalig esgehucht de Zulte waren wel de ‘Meijers’, de boeren die hun beroep uitoefenden op een zogenaamde meijerij of pachtboerderij, die in het bezit waren van een grootgrondbezitter. Meestal waren dit boerderijen van de adel op havenzate Mensinge of van Nienoord in Leek en grote boeren rondom het dorp Roden. Daarnaast bezat het klooster in Aduard en later de bewoners van huize Ter Heijl hier nog enkele boerderijen, die zij verpachten aan boeren. Een mooi voorbeeld hiervan is de vermelding van de pachter Harm Geerts in het Haardstedenregister van de Zulte uit 1742, waarin de man omschreven werd als ‘Majer van de Najnoort in de Helle’. Destijds werd de Helle (Terheijl) nog tot de Zulte gerekend.
De vermelding van Harm Geerts in de Helle in het Haardstedenregister van de Zulte uit 1742 met de vermelding dat hij een meijer is van Nienoord (bron: Haardstedegeld 868.24, archiefnummer 0001, Drents Archief, inventarisnummer 868.24).
De meijer, de pachter dus, had een belangrijke functie in de omgeving waar de beste man boerde. Doorgaans had de beste man een aantal knechten, meiden en een varkensjongen aan het werk en afhankelijk van het seizoen, kwamen daar ook nog een groep landarbeiders en dagloners bij. Dat het voor de meijer geen vetpot was, blijkt wel uit het Drents gezegde: ‘As meierboer haj meestal meer wark as geld’. Voor veel landarbeiders en dagloners was het seizoenswerk bittere noodzaak om te kunnen overleven. Weliswaar hadden veel van hen een klein boerenbedrijfje, waarbij zij een klein stukje grond bezaten dat als moestuin gebruikt werd en een enkeling bezat een paar schapen of geiten, maar het was te weinig om van rond te komen. Vandaar dat zij dus de extra werkzaamheden bij de pachtboeren deden.
Even buiten het esgehucht langs de weg richting het dorp Roden, ter hoogte van de Boschkampe, stonden een aantal van deze kleine boerenbedrijfjes waar de arbeiders Harm Lammers Kroon, Egbert Louwes Meulema, Cornelis Lammers Kroon en Lammert Jans Noord en hun gezinnen woonden rond het jaar 1830. Sommige arbeiders bezaten net iets meer grond konden redelijk rondkomen en hoefden slechts een paar keer extra werk te doen bij de meijers. Deze dagloners, de kleine boertjes dus, werden ook wel ‘Ceuters’ (keuters) genoemd.
In het roodgekleurd huis dat aan de linkerzijde staat op het perceel I-298 was van Harm Lammers Kroon, I-301 bevond zich het huis van Egbert Louwes Meulema, daarnaast, I-305, het perceel van Cornelis Lammers Kroon en geheel rechts stond het huis van Lammert Jans Noord op I-306 (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).
De eerder vermelde opmerking dat je als meijer meer werkt hebt dan geld, is zeer begrijpelijk. Niet alleen het personeel, de dieren en het zaaigoed koste de boer veel geld, maar ook de pacht en de gemeentelijke belastingen hijgden de best man behoorlijk in zijn nek. Daarnaast lag er op veel percelen het zogenaamd ‘tiendrecht’. Boeren die deze landerijen destijds pachten en bewerkten waarop de tiendenplicht ruste, hadden de verplichting per jaar een tiende van de oogst afdragen aan diegene die het land met het tiendenrecht bezat. Was het eerst nog dat de afdracht in nature diende te gebeuren, later kon men de waarde ook in geld gaan afdragen. Voor de reformatie in de zestiende eeuw bezat het klooster in Aduard grote landerijen rondom de Zulte en met het heffen van de tienden konden zij het onderhoud van de gebouwen en de kloosterlingen in dit gebied financieren. Na de reformatie nam de adel een deel van de landerijen over, het andere deel werd door boeren overgenomen, die inmiddels grootgrondbezitters waren geworden en de adel naar de kroon staken.
De in de zestiende eeuw gebouwde boerderij met de naam ‘De Spijker’ in Roden had in het verleden de functie om onder andere de inkomsten van het tiendrecht, dat bij de bewoners van havenzate Mensinge lag, in nature op te kunnen slaan. De Spijker was dus de voormalige schoutsboerderij van Roden en werd ook voor andere inkomsten gebruikt naast het tiendrecht, die natura betaald diende te worden. Waarschijnlijk had de toenmalige boerderij met de naam Vogelsang even ten noorden van het voormalig esgehucht deze functie ook gekregen toen het aan het begin van de achttiende eeuw gebouwd werd in opdracht van de heren van Nienoord. Immers, zij bezaten inmiddels ook behoorlijke percelen in de Zulte nabij te Helle.
De voormalige schoutboerderij Vogelsang lag in het verleden ten noorden van het voormalig esgehucht de Zulte. De boerderij is ruim 270 jaar oud en nog steeds een markant beeld in de omgeving.
Er bestonden diverse vormen van de tiendrecht, ook wel tiende recht genoemd, en met een beetje geluk, dan kon de beste man maar liefst driemaal de knip trekken om aan zijn verplichtingen te kunnen voldoen. Zo had je bijvoorbeeld de zogenaamde oude en novale tienden. De novale tienden konden pas geïnd gaan worden, als de ondergrond bijvoorbeeld heide, recentelijk was ontgonnen. Dus had de boer zijn schapen op de heide lopen dan hoefde hij hier over niets te betalen, maar was het ontgonnen en diende het nu als weiland, dan kon de eigenaar nu wel aanspraak op het tiende recht maken.
De uitleg over het tiende recht in een leerboek voor notarissen die in 1768 gedrukt is (Afbeelding: Redenerend vertoog over ’t Notaris Ampt. Bevattende eene duidelyke, nette en uitgebreide verklaring van deszelfs wezendlyke gronden omtrent veelerlye gevallen in de practycq. Tweede deel. Opgestelt, veel vermeerdert, en gecorrigeert door Arent Lybreghts, Notaris in ’s Gravenhage. Vyfde druk. Te Amsterdam, by J. Roman, G. de Groot, J. Loveringh, G. Tielenburg, S. V. Esveldt en P. Schouten. MDCCLXVIII.Pagina 191 & 192).
We kunnen het tiende recht onderscheiden in drie varianten: a). Maat tienden, ook wel grove of korentienden genoemd en betrof graan (rogge, tarwe, haver, gerst enz.). b). Smalle of kleine tienden werd over tuinvruchten (moes, knollen, radijs, appels, peren, noten etc.), gras, hooi, hop, hout en vanaf 1731 ook over aardappelen en aardperen. c). Krijtende tienden, die gingen over jonge dieren zoals veulens, kalveren, lammeren, biggen, maar ook over ganzen, bijen en ander geboorte van jonge dieren.
Het tiende recht, het recht van een heer als belasting het tiende deel van de oogst of van jonggeboren vee op te eisen en is van kerkelijke oorsprong en is oorspronkelijk gebaseerd op het Oude Testament, werd in Nederland met ingang van vrijdag 1 januari 1909 afgeschaft.
In het jaar 1789 kondigden zich belangrijke gebeurtenissen aan ten noordwesten van de Zulte. Niet alleen het huwelijk tussen Willem de Lille en Arend Sloet’s weduwe Johanna Philippina van Dedem op vier januari 1789, waardoor de Lille heer en meester werd op Huize Ter Heyl, maar ook een grote aanbesteding in de maand oktober van dat jaar zorgde voor reuring in de omgeving.
Een gedeelte van een kaart die de situatie rond 1781 in de omgeving van het Noord-Drentse dorp Roden weergeeft. De Zulte wordt nog als ‘de Sult’ op de kaart aangegeven.
In de twee grootste kranten van dat moment, de Groninger Courant en de Leeuwarder Saturdagse Courant, verschenen er bekendmaakingen met de mededeling dat de goedkoopste aannemer zich kon verheugen op een flinke portie werk voor de komende winter. De aanbesteding zou op vrijdag 30 oktober van dat jaar plaatsvinden bij Huize Ter Heyl. De advertentie in de Groninger Courant verscheen eerst in de editie van dinsdag 13 oktober er werd nogmaals geplaatst in de uitgave van dinsdag 20 oktober. De Leeuwarder Saturdagse Courant plaatste de advertentie in de editie van zaterdag 17 oktober in een licht afwijkende versie.
De advertentie van de aanbesteding in Groninger Courant No. 82, Dingsdag Den 13 October 1789, tweede blad. Te Groningen by A.S. Hoitsema in de Oude Boteringe Straat.
‘Op den 30 October 1789, zal op ’t HUIS TER HEYL by de Nientap, aan de minste aannemende besteed worden, diverse Aardwerk, als het uitgraven en verdiepen van eenige honderd Roeden Hoofddiep en wyken, het aanleggen van nieuwe Cingels, Graaven van Slooten, Aardwenden en wat dies meer is, alles bekwaam Winterwerk , volgens Bestek kan aldaar 8 dagen bevorens te zien.’
De afwijkende tekst in de Leeuwarder Saturdagse Courant No. 1942, van Den 17 october 1789, negende blad. Te Leeuwarden by de Erven van A. Ferwerda in de Slotmakers-Straat, staat hieronder.
‘Op den 30 October 1789, zal op ’t Huis ter Heyl by de Nyentap, aan de minstaannemende besteed worden: Diverse AARDWERK, als het uitgraven en verdiepen van eenige Hondert Roeden Hoofd-diep en wyken, het Aanleggen van Nieuwe Zingels, Graven van Slooten, Aardwenden en wat dies meer is, alles bekwaam Winterwerk volgens bestekken, aldaar 8 dagen voor af te zien.’
Het werk bestond onder andere uit aardwerk, zoals het uitgraven en verdiepen van enkele honderden roeden Hoofddiep en wijken (zijkanalen in een verveningsgebied). Of er sprake was van de Groninger roede die uit 14 voet bestond en een lengte bezat van 4,12 meter of dat de Steenwijker roede gebruikt werd, die 16 voet groot (4,7 m) was, durf ik niet te zeggen. Maar het lijkt mij logisch dat de Steenwijker roede werd toegepast, daar deze alom werd aangezien als de veenmaat in Drenthe. Naast het bovengenoemde onderhoud aan de waterwegen, bestond het werk ook uit het aanleggen van nieuwe singels, sloten en andere voorkomende werkzaamheden.
De huidige Toutenburgsingel richting het oosten gezien in de herfst van het jaar 2018. Op de achtergrond is de boerderij te zien, die halverwege de negentiende eeuw op de plaats van de herberg is gebouwd.
Een andere ingrijpende gebeurtenis aan het einde van dat jaar was dat er niet alleen een singel vanaf Huize Ter Heyl richting de Leekster Dyk (de weg tussen Rhoden en Nientap, de huidige J. P. Santeeweg) werd aangelegd, maar er begonnen zich ook bouwactiviteiten te ontplooien aan de oostelijke zijde. Met het afbraakmateriaal van het huis Toutenburg dat zich destijds in Vollenhove (Overijssel) bevond, liet Willem de Lille een gebouw oprichten dat de naam ‘Tautenborg’ kreeg.
Zo zou de net gebouwde herberg annex winkel ‘Tautenborg’ er aan het begin van het jaar 1790 uit hebben kunnen zien. De breedte van het gebouw was ongeveer acht meter, de lengte bedroeg zo’n 12 meter en de hoogte zal ruim vijf meter geweest zijn.
Het gebouw, dat ongeveer aan het einde van de maand maart 1790 gereed was, kreeg de functie van zowel herberg en kroeg als een winkel. De ligging van het gebouw was zeker goed gekozen daar deze aan de weg tussen Roden en Nietap lag een gunstige plaats was om bijvoorbeeld de paarden van onder andere koetsen te verzorgen.
Enkele driedimensionale impressies van de herberg ‘Tautenburg’. Natuurlijk het blijft speculeren hoe het gebouw er daadwerkelijk uit heeft gezien, daar er geen afbeeldingen of een bouwtekening van de herberg hebben of nog bestaan.
Maar ondanks het vele speculeren over het uiterlijk van het gebouw, kunnen we vandaag de dag het een en ander aan de hand van oude sporen in de bodem reconstrueren tot een mooi plaatje. Toch het mooiste en duidelijkste bewijs van het oude gebouw zou de indrukwekkende kelder kunnen zijn, die in de voor de achttiende typerende bouwwijze is aangelegd. Op de onderstaande afbeelding is een impressie te zien van hoe het geweest zou kunnen zijn.
Met een klein beetje fantasie zou de herberg met de prachtige kelder er zo hebben uit gezien rond 1790.
De kelder die uitblinkt door de prachtige oude tegels, die rood/oranje en grijszwart gekleurd zijn, is waarschijnlijk aangelegd door vaklieden. Of het lokale arbeiders waren die goedkoper waren, of juist vakmensen (mijn vermoeden), zal altijd wel een raadsel blijven. Maar dat hier een puik stukje werk uit het einde van de achttiende eeuw ligt, moge duidelijk zijn.
Op de afbeelding zijn zowel de prachtige vloer- en wandtegels te zien als de forse muren. (De bovenstaande foto is gemaakt en geplaatst met de uitdrukkelijke toestemming van de eigenaar van het pand.)
Maar goed, de herberg met tap en winkelnering was inmiddels gereed voor gebruik. Hiervoor moest De Lille iemand aantrekken die het beroep van herbergier en kastelein kon en niet onbelangrijk, deze klus wilde vervullen. Om iemand voor het werk te vinden toog De Lille in april 1790 naar de Oude Boteringestraat in de stad Groningen, om bij boekdrukker A.S. Hoitsema een advertentie te laten plaatsten.
De advertentie van Willem de Lille in de Groninger Courant No. 32, Dingsdag Den 20 April 1790, tweede blad. Te Groningen by A.S. Hoitsema in de Oude Boteringe Straat.
Naast boekdrukker was Hoitsema ook uitgever van de Groninger Courant, de krant waar in de editie van 20 april 1790 op het tweede blad een oproep verscheen met het verzoek of iemand genegen was, om de Tap en Winkel-Neering plus de herberg te bestieren. De prachtig gelegen herberg bezat onder andere stallen, singels en een visvijver. Belangstellenden konden zich melden bij de opzichter van Huize Ter Heyl J. L. Lange. Twee weken later verscheen er in de editie van vier mei 1790 de advertentie nogmaals.
‘Iemand genegen zynde op voordeelige Conditien uit de Hand te Huuren, een zeer logeabele, voor Tap en Winkel-Neering wel gelegene Herberg, TAUTENBORG genaamt, met Stallinge, Hof en Veldgrond, Cingels en Vischvyver, alles nieuw getimmerd en aangelegd tusschen de Nientap en Rhoden in de Landschap DRENTHE, te aanvaarden op, May of November 1790, kan zig addresseeren op den Huize Ter HEIL, en aldaar aan de Opzigter J. L. LANGE. ‘
De prachtige ligging van de herberg rond 1790 aan het grote heideveld en naast een groot bos ten noorden van het esgehucht de Zulte.
De herberg werd dan ook als zodanig de volgende zestien jaar gebruikt. De vele verkopingen die in die jaren rondom het landgoed plaatsvonden, werden doorgaans op het terrein van Huize Ter Heyl of in de kroeg van Marten Harmens Vroom, de Druif, plaats. Zoals de onderstaande advertentie in de Groninger Courant van dinsdag 22 juni 1790 met een aanbesteding die het jaar ervoor nog op Huize Ter Heyl plaatsvond:
‘Op WOENSDAG den 30 Juny 1790, zal men ten Huize van de Kastelein MARTEN VROOM op de Nientap, des nademiddags te drie uuren, besteden het Graven van eenige honderd Roeden Vaart, boven het Sevenhuister Hoofddiep, en verder Aardwerk, waar van de Bestekken te zien op den Huize Ter Heyl.’
Zo komen wij negen jaren later in de Groninger Courant van dinsdag 1 januari 1799 een advertentie tegen waarin veel hout te koop aangeboden werd:
‘Uit de hand te Koop een groote quantiteit gekapt Elzen en Berken Hout van verschillende dikte en geschikt tot Paalen, Balksleeten, Hopstaaken, Bonestokken, Erfte, en Bezemrys, Takkenbossen, alsmede Korvemakers Twyg op TER HEYL by de Nietap.’
De omgeving van Huize Ter Heyl aan het begin van de negentiende eeuw, waar de vele bossen, veen, vijvers en weilanden het gezicht van het gebied wisten te bepalen.
Na de schaapsscheerderskou van het jaar 1805, laat de Lille schapen uit zijn kudde en de wol afkomstig van de dieren verkopen op Huize Ter Heyl. Waarschijnlijk het laatste jaar dat dit evenement in Ter Heyl plaatvond, daar in het volgend jaar deze plaats had nabij de herberg. De advertentie die verscheen in de Ommelander Courant van dinsdag 11 juni 1805, komen wij de onderstaande tekst tegen, die de Lille waarschijnlijk ook een jaar later enigszins aangepast weer gebruikte:
‘Uit de hand, Stukswyze en by de Party, te Koop een aantal Vachten of Vliezen uitmuntende witte WOLLE; door vermenging van inlandsche Ooyen met SPAANSCHE Rammen verfynd: Als ook een Jaarige Ram, en ondersscheydene Ram lammeren uit egt SPAANSCH Ras, van de eerste tot de vyfde generatie; geschikt tot voortteeling, en tot verfyning der inlandsche WOLLE; Benevens nog eenige Ooyen, en Ooy – lammeren desgelyks uit SPAANSCH Ras: Wie daar voor liefhebbery heeft, of gading in maakt vervoege zig van nu af aan op den Huyze TER HEYL, en aldaar by Albert Roelofs: Die het eerste komt gaat het eerst in de keur. ZEGT H E T VOORT.’
De advertentie zoals deze verscheen in het jaar 1805 op het voorblad van de Ommelander Courant No. 47 van Dingsdag den 11 Juny.
Het was ook rond deze tijd er ook veranderingen begonnen op te treden in de toenmalige Nederlandse spelling en de schrijfwijze. Het zogenaamde Nieuwnederlands dat in 1804 dankzij Matthijs Siegenbeek zijn invoering kende en er voor moest zorgen, dat de spelling de beschaafde Hollandse uitspraak van het woord moest weergeven; de Spelling-Siegenbeek.
Dat een eenduidige schrijfwijze nodig was, blijkt wel uit de onderstaande advertenties welke verschenen de drie regionale kranten die in de omgeving van de Zulte werden gepubliceerd. Het was niet dat men zich direct aan de voorstellen van Siegenbeek ging houden, nee verre van dat, dit zou pas geschieden in de jaren tachtig van de negentiende eeuw.
Het evenement dat op vrijdag 30 mei 1806 zou worden gehouden bij de herberg Toutenborg (of ‘Touterborg’ zoals de Ommelander Courant de herberg noemde). De eerste advertentie komen wij tegen in de Ommelander Courant van vrijdag 23 mei 1806, de volgende komt uit de Leeuwarder Courant die zaterdag 24 mei 1806 verscheen en de laatste werd in de Groninger Courant van dinsdag 27 mei van dat jaar geplaatst.
De advertentie die een jaar later verscheen in de Ommelander Courant No. 41, Vrydag den 23 May 1806, tweede blad. Te Groningen ter Boekdrukkery der Ommelanden, onder firma van Leonard Bolt.
‘Op Vrydag den 30sten Mey 1806. des namiddags te 2 uuren praecies zal in de Herberg Touterborg onder TER HEYL aan de Leeksterdyk tussen de Leek en Roden stukswyze aan de meestbiedende worden Verkogt een Koppel van tussen de 60 á 70 Schaapen met derzelver Vachten, alle geteeld uit egt SPAANSCH RAS, bestaande uit 20 Melk-Ooijen, ten hoogsten een, twee, of driemaal geschooren, met derzelver 30 zo Ram als Ooijlammeren, en 14 Guste Enterooijen, met een Jaarige Ram, meerendeels gebragt tot den hoogsten graad van verfijning der Wolle, en zynde alle gezond, en wel gevoed. De Liefhebbers van de Schaapeteelt en Wol-verfyning daar in gading makende vervoegen zig op tyd en plaats voorschreeven, en koopen hun genoegen !’
Leeuwarder Courant No. 2808, van Saturdag den 24sten May 1806, zevende blad. Te Leeuwarden by de Erven van A. Ferwerda, op de Eewal.
‘Op Vrydag den 30sten Mey 1806. des nademiddags te 2 uuren praecies zal in de Herberg Touterborg onder TER HEYL aan de Leeksterdyk tussen de Leek en Roden stukswyze aan de Meestbiedende worden Verkogt; een Koppel van tussen de 6o á 70 SCHAAPEN met derzelver VACHTEN, alle geteeld uit egt SPAANSCH RAS, bestaande in 20 Melk Ooyen, ten hoogsten één, twee á driemaal geschooren, met derzelver 30 zo Ram als Ooylammeren, en 14 Guste Enter Ooyen, met een Jaarige Ram; meerendeels gebragt tot den hoogsten graad van verfijning der Wolle, en zynde alle gezond, en wel gevoed. De Liefhebbers van de Schaapeteelt en Wol-verfyning daar in gading makende, vervoegen zig op tyd en plaatse voorschreeven, en Koopen hun genoegen.’
De advertentie in de Groninger Courant No. 42, Dingsdag den 27 May 1806, tweede blad. Te Groningen by A.S. Hoitsema, Drukker der Groninger Courant in de Oude Boteringe Straat.
‘Op Vrydag den 30sten May 1806 des namiddags te 2 uuren precis, zal in de Herberg Toutenborg onder TER HEYL aan de Leeksterdyk, tussen de Leek en Roden stukswyze aan de meest biedende worden verkogt: Een koppel van tussen de 6o en 70 Schaapen met derzelver Vachten, alle geteeld uit egt SPAANSCH RAS, bestaande uit 20 Melk ooyen, ten hoogsten een, twee, of drie maal geschoooren, met derzelver 30 zo Ram als ooylammeren, en 14 Guste Enterooyen met een jarige Ram; meerendeels gebragt tot den hoogsten graad van verfyning der Wolle, en zynde alle gezond en wel gegevoed. De Liefhebbers van de Schapeteelt en wolverfyning, daar in gading maakende vervoegen zig op tyd en plaats voorschreeven, en koopen hun genoegen.’
Waarschijnlijk was het evenement slechts een eenmalige gebeurtenis daar er niets meer over te vinden is in de latere jaren. Pas in het jaar 1810 komen we de herberg tegen in de regionale dagbladen. In de omgeving van het esgehucht de Zulte maakten aan het einde van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw eigenlijk maar twee mensen de dienst uit. Deze mensen, Floris Aukema bezat veel grond in de directe omgeving van het gehucht, en Willem de Lille, die ten noorden en in het westen grond in eigendom had.
Op de oude Franse legerkaart van 1810/1811 is goed te zien dat er veel bossen (geel gekleurd op de kaart) ten noorden van het brinkgehucht de Zulte stonden.
Naast dat er in het gebied rondom de Zulte veel drassige, natte gebieden en een kleine beek voorkwamen, waren de vele en grote bossen een ander kenmerk van het gebied. Bossen hadden grondbezitters niet veel aan; er viel niets aan te verdienen want niemand wilde ze pachten. Pas later in de achttiende eeuw kwam het besef dat er geld viel te verdienen aan het hout en als het bos was gekapt, kon er pacht worden geïnd.
Het hout dat nu veel waarde bezat, werd tijdens een veilig per ‘afslag bij afmijning’ verkocht. Deed Aukema dit bij de boerderij van Harm Vogelsang, de Lille zijn erfgenamen deden dit bij de herberg Toutenborg, waar kastelein Hendrik Caspers met de scepter zwaaide.
De advertentie die respectievelijk op vrijdag 2, dinsdag 6 en vrijdag 9 november 1810 in de Groninger Courant verscheen. (Te Groningen by A.S. Hoitsema, Drukker der Groninger Courant in de Oude Boteringe Straat.)
‘Men is voornemens op Maandag den 12 November 1810, aan de meestbiedende op Boelgoeds-Conditien te verkopen: Eene aanzienelyke kwantiteit EIKEN STAMBOOMEN, waar onder geschikt voor Molenmakers, Wagenmakers en Scheepstimmerlieden, inzonderheid tot Palissaden, Gordingen en allerhande Timmerhout, als mede diverze SCHELBOSSCHEN, alle staande in de Bosschen en op de Boeren Plaatsen onder den Huize Ter Heyl behorende, in ‘t Schoutampt van Rhoden, wie nader berigt en aanwyzinge begeerd, kan zich vervoegen by de Castelein HENDRIK CASPERS op Toutenborg, zullende de verkoping beginnen des voormiddags te 9 uuren. Z E G T H E T V O O R T. ‘
Vanzelfsprekend zou je haast gaan zeggen, komen wij de advertentie ook tegen in de Ommelander Courant. Eigenlijk verschilt deze maar weinig van die uit de Groninger Courant, maar toch zit er een wezenlijk verschil in. Vanaf maandag 9 juli 1810 hield het koninkrijk Holland op te bestaan en behoorde ons land tot het Frans Keizerrijk. Naast dat de Franse taal een nadrukkelijke stempel kreeg, immers wij maakten nu deel uit van Frankrijk, was een deel van de bevolking die terug ging naar oude Nederlandse benamingen van de maanden en waren geïnspireerd door de Franse republikeinse kalender. November werd nu door bijvoorbeeld Ommelander Courant ‘Slagtmaand’ genoemd.
De advertentie zoals deze in edities No. 89 en No. 90 van dinsdag 6 november en vrijdag 9 november 1810 in de Ommelander Courant werden geplaatst. (Te Groningen, by M. Van Heyningen Bosch, in de Oude Ebbinge-straat.)
‘Men is voornemens op Maandag den 12 van Slagtmaand 1810, aan de meestbiedende. op Boelgoeds-Conditien te verkoopen: Eene aanzienelyke kwantiteit EIKEN STAMBOOMEN, waar onder geschikt voor Molenmakers, Wagenmakers en Scheepstimmerlieden, inzonderheid tot Palissaden, Gordingen en allerhande Timmerhout, als mede diverze SCHELBOSSCHEN, alle staande in de Bosschen en op de Boeren Plaatsen onder den Huize Ter Heyl behorende, in ‘t Schoutampt van Rhoden, wie nader berigt en aanwyzinge begeerd, kan zich vervoegen by de Castelein HENDRIK CASPER op Toutenborg, zullende de verkoping beginnen des voormiddags te 9 uren. Z E G T H E T V O O R T.’
De hierboven genoemde Hendrik Caspers heette eigenlijk Hindrik Caspers Denkella en was zesenvijftig jaar oud. De in november 1754 te Zuidhorn geboren en op de zondag 8 december van dat jaar gedoopte Hindrik trouwde op zaterdag 1 januari van het jaar 1785 in Midwolde met de op donderdag 23 augustus 1764 in Roden geboren Elisabet Everdina Arnoldus. Het echtpaar woonde met hun zeven kinderen in het huis waarin ook het etablissement gevestigd was. Naast kastelein vervulde Hindrik Caspers ook de taak als opzichter in dienst van de eigenaren van Huize Ter Heijl. Hindrik overleed donderdag 20 januari 1842 in Terheijl op 87 jarige leeftijd, zestien jaren later dan zijn vrouw.
Niet alleen publieke verkopen vonden rond die tijd plaats in de herberg, ook verkopen tussen Cornelis Reijntjes die als gevolmachtigde van J.P. van Dedem douairière de Lille optrad, werden hier besloten. Johanna Philippina van Dedem tot den Gelder mocht zich douairière noemen, daar zij de weduwe van een edelman (haar eerste echtgenoot Arend baron Sloet tot Tweenijenhuizen was van adel) was. Reijntjes tekende op dinsdag 19 februari 1811 in Huise Tautenburg een koopbrief in opdracht een aantal percelen in gebruik onder beklemming van de 74 jaren oude en inmiddels in Leutingewolde wonende keuter en weduwnaar Cornelis Jacobs. Jacobs overleed enkele maanden later op maandag 15 juli 1811.
Ruim een maand later, op vrijdag 22 maart 1811, wordt de bovenstaande overdracht geregeld tussen Cornelis Reijntjes en Mr. G.W. van der Feltz provinciaal gekwalificeerd tot het waarnemen van de functie van notaris, aan wie de volmacht van Cornelis Jacobs aan de uit Leutingewolde afkomstige Otte Kornelis overhandigd was, in Toutenborg onder Zulte.
Enkele weken later, in het begin van de maand maart 1811, komen wij de herberg Toutenburg weer tegen. Of zou de herberg nu in het Frans als ‘Auberge Toutenburg’ genoemd worden? Niet zo’n rare gedachte, want wij zijn inmiddels een deel van het grote Franse keizerrijk geworden en de couranten in de omgeving noemen zichzelf al ‘Gazette’.
De Ommelander Courant die door M. Van Heyningen Bosch in de Oude Ebbinge-straat te Groningen werd uitgegeven, prijkte ‘Gazette D’Ommelande’ op de voorpagina en was tweetalig. De linker kolom was in de Franse taal, de rechter in het Nederlands. Althans op de voorpagina, de andere pagina’s waren nog steeds in het Nederlands.
Op zowel vrijdag 1 maart als dinsdag 5 maart 1811 komen wij in de Gazette D’Ommelande wederom een advertentie tegen, waarin wederom een aanzienlijke hoeveelheid hout op de domeinen van Huize Ter Heyl te koop wordt aangeboden.
Gazette D’Ommelande No. 18, Vendredi le 1 Mars 1811/Ommelander Courant No. 18, Vrydag den 1 Maart 1811, tweede blad. Te Groningen, by M. Van Heyningen Bosch, in de Oude Ebbinge-straat.
‘Men is voornemens op Zaturdag den 9 Maart 1811, dus voordemiddags te 9 uren, aan de meestbiedende op Boelgoeds Conditien te laten Verkoopen: Eene aanzienlyke kwantiteit DENNEN, ELZEN en BERKEN HOUT, liggen de alles gekapt op de Cingels en Plantagien van den Huize Ter Heyl, in het Schout-Ambt van Rhoden, digt by het Water, kunnende gemakkelyk naar elders worden getransporteerd; zeer geschikt voor alle Timmerlieden, Pompemakers enz. Wie nader berigt en aanwyzing begeerd, kan zich vervoegen by den Kastelein HENDRIK CASPERS, op Toutenburg.’
Rond deze tijd waren de advertenties in zowel de Gazette D’Ommelande als in de Gazette De Groningue (Groninger Courant) vrijwel identiek aan elkaar en zou het invoegen van de advertentie niets toevoegen. Deze verschenen op vrijdag 1 maart, dinsdag 5 maart en vrijdag 8 maart 1811.
In het Advertentieblad van het departement van de Wester-Eems No. 34, Donderdag den 24 October 1811, komen wij op het hoofdblad een aantal advertenties van de weduwe van Willem de Lille tegen. Het zijn de laatste berichten uit de negentiende eeuw waarin de herberg werd genoemd.
Advertentieblad van het departement van de Wester-Eems No. 34, Donderdag den 24 October 1811. Te Groningen, by M. Van Heyningen Bosch, in de Oude Ebbinge-straat, Redacteur en Drukker der beide Nieuwspapieren in het departement van de Wester-Eems. De prijs van ieder nummer is 4 duiten.
‘De ondergetekende is voornemens op Dingsdag den 5 November 1811, des voormiddags te 10 uren, door Mr. M. S. GRATAMA Keizerlyk Notaris te Assen, publiek aan de meestbiedende op de gewoone Conditien te doen verkoopen; Diverse aanzienlyke percelen EIKEN SCHELBOSSCHEN, staande in de Bosschen en Plantagien van den Huize Ter Heil, in de Gemeente van Rhoden, Canton Assen, en naby het water gelegen. Wie nader berigt en aanwyzinge begeerd, kan zich vervoegen by den Kastelein HENDRIK CASPERS op Toutenborg. J. P. van DEDEM, Douairière DE LILLE.’
‘De ondergetekende is voornemens op Donderdag den 7 November 1811 des voormiddags te 9 uren, publiek aan de meestbiedende op de gewoone Conditien te laten verkoopen: Een aantal EIKEN en ESSCHEN STAMBOOMEN, als mede diverse aanzienelyke percelen EIKEN SCHELBOSSCHEN, staande op de Ter Heilsche Boeren Plaatsen op de Zevenhuizen, Canton Hoofdplaats de Leek, digt by het water, kunnende gemakkelyk na elders worden getransporteert; wie nader berigt en aanwyzinge begeerd, kan zich vervoegen by den Kastelein HENDRIK CASPERS op Toutenborg. J. P. van DEDEM, Douairière DE LILLE.’
Kadastrale kaart van de Gemeente Roden. Sectie I, genaamd de Zulte, derde blad, 1832. Opgemeten door A. C. Meijer, Landmeter der Eerste Klasse.
Op de Kadastrale kaart van de Gemeente Roden, Sectie I, de Zulte, derde blad, komen wij de herberg tegen met de naam ‘Stouten-burg’. Het was inmiddels de zoveelste naam voor het gebouw dat in het midden van de negentiende eeuw werd gesloopt.