Vogelkampen in de Zulte

Er zijn nogal wat gebieden in de Zulte waarvan de streeknamen niet direct duidelijk zijn of bij gebrek aan kennis van het gebied, zorgen daardoor voor behoorlijk veel speculatie. Soms gaat de speculatie zover, dat er geen andere mogelijkheid bestaat en het kan niet anders zijn, het gespeculeerde moet wel waar zijn. Neem nu het voorbeeld over het ontstaan van de naam de Zulte, waarvan nog steeds een aantal mensen serieus menen dat deze is afgeleid van zout en dat daardoor de invloed van de zee in dit gebied heel sterk is geweest. Zelfs gerenommeerde wetenschappers nemen dit soort gedachten over ondanks dat de feiten iets anders laten zien.

Zoiets dergelijks komen wij ook tegen in het gebied dat zich ten noordwesten van het voormalig esgehucht bevond. Rondom de boerderij die in het verleden de naam ‘Voogelsank’ droeg, bevonden zich een aantal al dan niet omheinde percelen die ‘de Vogelkampen’ werden genoemd. Toen in het jaar 1742 de gebroeders Jans de boerderij Voogelsank in de Sult pachten van de succesvolle ondernemers en broers Albert en Steven Barkman, waren nog veel gebieden hier nog niet ontgonnen. De gebroeders Jans zorgden ervoor dat enkele delen rondom de boerderij ontgonnen werden en in gebruik konden worden als bouw- en weiland. Het gebied zag er in de jaren veertig van de achttiende eeuw heel anders dan tegenwoordig en het is nog amper voor te stellen, dat het hier enorm bebost was.

Een kaartje uit 1748 waarop het gebied rondom de Zulte tussen Roden en de Leek staat afgebeeld, echter nu andersom dan wij van kaarten gewend zijn. In tegenstelling tot de meeste kaarten ligt hier het zuiden aan de bovenzijde en het noorden onderaan de kaart. Op deze kaart is goed te zien hoe bebost de omgeving van de Sult en de boerderij Vogelsang is (kaart: Nienoordse venen, Groninger Archieven).

Om het grootste gedeelte van de door de twee broers ontgonnen stukken woeste grond kwam een omheining bestaande uit een aarden wal met bomen of er werd een sloot gegraven, die gebruikt werd als afscheiding. Een enkel perceel bos bleef staan en deed dienst als hakbosch. Een hakbosch was vaak een klein bosje dat dienst deed als een griefbos, waar het hakhout vandaan werd gehaald dat in en rond het huis werd gebruikt. Andere percelen die in de directe omgeving van de boerderij lagen, dienden als boomgaard en tuin. De iets verder van de boerderij gelegen percelen kwamen in gebruik als bouw- en weiland. Op deze wijze konden ze hun pacht opbrengen voor de gebroeders Barkman door naast vee in de weilanden te houden, ook graan op de bouwlanden te verbouwen.

Op de Franse legerkaart uit 1811-1813 is nog goed te zien hoe bosrijk de omgeving van de boerderij Vogelsang destijds nog was. Ook de weg tussen de Zulte en de herberg Toutenburg was nog niet aangelegd en daarom lag de boerderij nog aan de oude weg. Dit verklaart ook waarom de boerderij op latere kaarten ten oosten op een behoorlijke afstand van de weg ligt (BronDrents Archief).

Ondanks dat gebroeders Jans inmiddels van de boerderij waren vertrokken waarbij zij de naam Vogelzang als achternaam hadden aangenomen en Floris Aukema aan het einde van de achttiende eeuw Vogelsang in zijn bezit had gekregen, bleven de percelen hun oorspronkelijke naam behouden. Zo had het geriefbosje ten zuiden van de boerderij de naam ‘Bosch bij Vogelkamp’, de westelijk gelegen percelen die nu in het bezit waren gekomen van Jannus Winsingh waren het ‘Groote Vogelkamp’ en het ten noorden van Vogelsang gelegen weiland werd ook wel ‘het Klein Vogelkampje’ genoemd. Dit gedeelte van de Zulte werd dan ook wel het Vogelkamp of de Vogelkampen genoemd.

Op de Kadastrale kaart uit 1832 is ‘het Klein Vogelkampje'(1), het ‘Bosch bij het Vogelkamp’ (2) en het ‘Groote Vogelkamp'(3) rood omlijnd (Kaart 1832Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).

Wat schetst mijn verbazing? In een artikel genaamd ‘Drentse eendenkooien, hutten, hussen en glupen’ van ene H. M. Luning dat ik tegenkwam in de ‘Nieuwe Drentse Volksalmanak, jaarboek voor geschiedenis en archeologie’ uit 2003, blijkt volgens de schrijver in het hoofdstuk ‘Oudste vangmethoden’ op pagina 2, dat in Zulte (onder Roden) een eendenkooi heeft gelegen. Immers, volgens Luning verwijst de naam ‘Vogelkampen’ naar de aanwezige eendenkooi. Iets trouwens, waar ik de oud-inwoners van de voormalige Zulte nog nooit een woord over heb horen reppen.

De uitspraak van H. M. Luning in de Nieuwe Drentse Volksalmanak uit het jaar 2003, waarin stellig wordt beweerd dat in de Vogelkampen een eendenkooi ligt (bron: Nieuwe Drentse Volksalmanak 2003, ISBN 90 232 3990 3, pagina 2).

Maar goed, er is veel geschiedenis van de Zulte verdwenen en wellicht bestaat de kans dat de schrijver van het artikel toch nog gelijk heeft en er wel degelijk een eendenkooi nabij de boerderij Vogelsang heeft gestaan. Aandachtig lezen wij verder in het artikel en juist wanneer je het gevoel krijgt, dat de beste man het bij ’t rechte eind heeft, komen wij bij pagina 10. Luning heeft het over een verdachte plaats op de Kadastrale kaart uit 1832 waar de eendenkooi van Floris Aukema lag. Het bleef eerst voor mij een groot raadsel waarom hij maar over een eendenkooi van Floris Aukema blijft schrijven, daar Floris reeds in op de leeftijd van 26 jaar op woensdag 26 maart 1828 het tijdelijke met het eeuwige leven had verwisseld.

Vervolgens geeft H. M. Luning in de Nieuwe Drentse Volksalmanak uit het jaar 2003, aan dat in de omgeving van Roderwolde 12 eendenkooien zijn te zien en aansluitend ook een kooi in de Zulte (bron: Nieuwe Drentse Volksalmanak 2003, ISBN 90 232 3990 3, pagina 10).

Begrijpelijk dat de heer Luning aangeeft dat de geschiedenis van al die eendenkooien na te gaan een schier onmogelijke opgave is, zeker als die nooit hebben bestaan. Het was beter geweest als de schrijver zich in de legenda van de Kadastrale kaart van de Zulte, het eerste blad, had verdiept. Dan had hij kunnen lezen dat het perceel I-274bis behoorde aan Jan Aukema en dus niet aan Floris, en dat het een 790 m2 groot hakbos was. Er blindelings vanuit gaan dat een driehoekig perceel automatisch een eendenkooi is, was dus een foute aanname.

H. M. Luning maakte voor het artikel een mooi staatje met de diverse kadastrale gegevens. Had de beste man de legenda van het eerste blad van Sectie I doorgespit, dan had hij kunnen weten dat hij er naast zat (bron: Nieuwe Drentse Volksalmanak 2003, ISBN 90 232 3990 3, pagina 24/27).

Neemt echter niet weg dat het een prachtig artikel is over de Drentse eendenkooien en om eerlijk te zijn, het zou niets verbazen als Floris Aukema op de een of andere wijze toch een eendenkooi bezeten heeft. Deze zullen echter eerder in de omgeving van het Leekstermeer ten noorden van Leutingewolde hebben gelegen, dit bij zijn woonplaats. Daarnaast was de omgeving van de Zulte waar Luning de eendenkooi in gedachten had, niet geschikt voor een eendenkooi.

Het perceel I-274bis op de Kadastrale kaart van Sectie I van Roden, genaamd de Zulte, bestond uit een hakbosje en helaas niet uit een eendenkooi (Kaart 1832Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).

Wollig gespreksstof in en over de Kostverloren.

Als we de pagina over ‘Kostverloren’ van het almachtige internetorakel Wikipedia raadplegen, dan blijkt dat de naam grofweg verklaart kan worden als zijnde een verloren slag (de cost) nabij een vesting. Daarnaast vinden wij op de pagina van het internetmedium twaalf verwijzingen naar buurtschappen, wijken en diverse andere locaties met de naam ‘Kostverloren’. Vijf van deze genoemde plaatsen bevinden zich in de provincie Groningen, waarbij de wijk in de stad Groningen wel de bekendste is. Waarschijnlijk hebben meer plaatsen, streken of essen deze naam ook gekregen, maar zijn ze in verloop van tijd in vergetelheid geraakt. Soms duiken deze namen weer op als er oude kaarten of verhalen verschijnen van een plaats of streek, waarbij enthousiastelingen diep in de geschiedenis weten te wurmen om bepaalde plaatsen, buurtschappen of uitdrukkingen voor het nageslacht te bewaren.

Enkele oude en armtierig ogende bomen in een weiland. Deze bomen maakten echter in het verleden deel uit van een oud bos en later van een oude houtwal ten zuiden van de schapendrift.

In het gebied dat ten noordwesten van het voormalig esgehucht de Zulte lag, bevond zich eveneens een gebied dat de naam ‘Kostverloren’ droeg. Het was een gebied op een es waar zowel hakbossen, bouwlanden en weilanden aanwezig waren. Daarnaast bevond zich hier ook de schapendrift van gemeenschappelijke schaapskudde van het esgehucht, die de voormalige schaapskooi met het immens groot en uitgestrekt heideveld dat ten westen van de Zulte lag, verbond.

De laatste restanten van het grote bos dat eens ten noorden van de schapendrift lag. Het zijn nog slechts enkele zomereiken die hier staan en gezien de plannen voor woningbouw in dit uniek gebied, hebben zij ook hun langste tijd hier gehad.

De schapendrift werd omstreeks 1832 in de archieven van het Kadaster omschreven als zijnde een groene weg  met het nummer I-257bis en was eigendom van de Markgenoten in de Zulte. Markgenoten, ook wel een markgenootschap genoemd, was een middeleeuwse organisatie van het grondeigendom ten gunste van velen. De markgenoten waren gezamenlijk eigenaar van een zogenaamde mark, velden en weiden in een bepaald gebied. Het mark werd bestuurd door een voogd, een zogenaamde markgenoot.

De huidige situatie waar eens de schapendrift lag vanuit de lucht gezien. Boven de zomereiken en iets lager van noord naar zuid de andere bomen.

Vrijwel de gehele es met de naam Kostverloren en de zuidelijk gelegen aangrenzende percelen waren in het bezit van de in Roden woonachtige landbouwer Jannes (Jannus) Hindriks Winsingh en naar alle waarschijnlijkheid zal de landbouwer tijdens zijn volwassen leven ook de voogd, de markgenoot dus, van het perceel geweest zijn. Het zuidelijk van de schapendrift gelegen gebied droeg in het verleden de naam ‘Hop- of Hoppenkamp’ en bestond vooral uit bossen en bouwlanden. Lees meer hierover in het artikel Hop in de Zulte.

Door het gebruik te maken van de ondergrondgegevens van het Algemeen Hoogtebestand Nederland kunnen wij vandaag de dag nog steeds de sporen zien die de schapen na honderden jaren in de grond hebben achtergelaten.

Hoe raar het ook moge klinken, veel van de oude geschiedenis is met een beetje kennis van het gebied snel terug te vinden. Zo zijn we in staat om met moderne technieken de sporen uit het verleden in de ondergrond te herleiden naar bijvoorbeeld de voormalige schapendrift, waar de schapen bijna tweehonderd jaar geleden hun sporen achterlieten vanuit de schaapskooi richting het heideveld. Of de oude zomereiken langs de sloot in het weiland, waar eens een groot bos aan de schapendrift grensde.

De situatie in de Zulte rond het jaar 1820. Van de vele bossen die zich in de omgeving van de schapendrift bevinden zal slechts het noordelijk gelegen bos het nog honderd jaar volhouden voordat deze ook gekapt werd om plaats te maken voor weiland.

Enkele andere oude bomen die zuidelijk van de zomereiken staan zijn restanten van een ander oud bos en hebben als een houtwal gediend. Deze bomenrij is net zoals de voorheen genoemde houtwalrestanten terug te voeren naar oude kaarten waarop de plaatsen te zien zijn waar ze eens stonden.

Op de Kadastrale kaart uit 1832 is de schaapskooi te zien en lijkt op een klein schuurtje nabij het omgelegde stroompje de Zulter Bitse in de nieuwe weg naar Roden op het perceel I-282. Het perceel werd omschreven als een weiland en was eigendom van de Kindren van Floris Aukema. (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort)

Nabij de schapendrift bevond zich tot ongeveer het jaar 1830 eveneens een vrijstaande schaapskooi, waarin tussen de 80 en 130 dieren van de plaatselijke schaapskudde onderdak vonden. De schaapskooi in de Zulte was waarschijnlijk een zogenaamde potstal en diende als onderkomen voor de schapen die de ruige heidegronden in de omgeving begraasden. In de schaapskooi werden heideplaggen neergelegd waarop de schapen vervolgens lagen. Ook deden de dieren hun behoefte op de plaggen en doordat de dieren door de schaapskooi liepen, vermengde de mest zich met de heideplaggen. De ontstaande mest was zeer vruchtbaar en werd na het leeg maken van de stal verdeeld over de akkers in het voormalig esgehucht.

De voormalige schaapskooi die in het noorden van het voormalig esgehucht de Zulte lag, zou er zo uitgezien kunnen hebben zoals op de bovenstaande afbeelding. Vermoedelijk stamde het gebouwtje uit de zeventiende eeuw.

De schapen die de kudde vormden in de Zulte behoorden tot het ras ‘Drentse heideschaap’, een klein en tenger schaap dat wordt gezien als het oudste schapenras in West-Europa. Het sobere en sterke dier was vanwege zijn eigenschappen uitermate geschikt voor de begrazing van arme, onvruchtbare en ruige heidegronden die in de wijde omgeving van het voormalig esgehucht lagen. De schapen werden gehoed door scheper Jan Harms Hummel en zijn honden, die tot ongeveer 1830 schaapherder van de kudde van het gehucht bleef.

Een driedimensionale impressie van hoe de schaapskooi er aan het einde van de achttiende of begin van de negentiende eeuw eruit zou hebben kunnen gezien. Zoals bij veel schaapskooien in het Drents Landschap het geval was, waren de muren van hout en bestond het dak uit riet.

Jan Harms was op zondag 9 september 1792 in het Groningse Zevenhuizen geboren en huwde als 25-jarige jongeman op zaterdag 15 mei 1818 de toen 21-jarige dienstmaagd en inmiddels zwangere Aaltje Harms. Aaltje, die ook wel Aaltien genoemd werd, was dochter van Harm Lammerts en Jantje Knellis. Lammerts woonde op de hoek van de Boschkampe en de nieuwe weg naar Roden. Het gedeelte waar de Lammerts woonde, werd ‘Elzenkamp’ genoemd en zal zijn naam te danken hebben aan de vele zwarte elzen (Alnus glutinosa), die hier welig in grote bossen hebben gegroeid. Later zou de familie Lammerts de achternaam Kroon aannemen.

Als we de Kadastrale kaart uit 1832 er nogmaals bij pakken zien we de twee roodomrande percelen (I-298 en I-299) waar Harm Lammerts en zijn gezin woonde, naast het punt waar de weg uit de Boschkampe op de nieuwe weg naar Roden uitkomt. Deze plaats werd in het verleden ‘Elzenkamp’ genoemd. In de archieven wordt Harm Lammerts als Harm Lammers omschreven. (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort)

Het was rond die tijd al bekend dat schapen voor een betere bemesting van de akkers en graslanden zorgden dan rundvee. Men wist al dat schapenmest zich beter verspreidde over het weiland dan de mest van koeien. De mest van schapen verbindt zich beter met de grond en verteerd niet door de werking van zuurstof, dit in tegenstelling tot koemest, dat in het eerste jaar het gras weg bijt, in het tweede jaar voor gele vlekken in het gras zorgt waar het vee bij wegblijft en in het derde jaar is uitgewerkt. Daarnaast zou door het afgrazen door schapen gecombineerd met hun mest, er gras gaat groeien van een betere kwaliteit. Echter, aan het bemesten van weilanden door er schapen op te houden bracht een groot nadeel met zich mee, als er een ziek schaap tussen loopt kan een ziekte eenvoudig verspreid worden.

Drentse heideschapen. De bovenstaande dieren behoren tot de schaapskudde van Exloo en zijn gefotografeerd op 9 januari 2018. Voor meer informatie: de schaapskudde Exloo.

Niet alleen zorgden de schapen voor een betere bemesting van de graslanden dan de runderen het deden, maar naar verhouding brachten zij ook nog eens mee mest op het land. Tel daar bij op dat een schaap goedkoper was in de aanschaf dan een koe en in de belastingen, dan wist een boer het wel. De belasting die men voor een enkele koe moest betalen vanaf het jaar 1808 bedroeg twee stuivers. Hetzelfde bedrag moest een boer ook betalen voor acht schapen, dus op het gebied van het bemesten was een schaap goedkoper dan een koe. De twee stuivers belasting voor de schapen diende de eigenaar voor het einde van de maand september voldaan te hebben.

Op de vroege ochtend van dinsdag 9 januari 2018 begon de schaapskudde van Exloo aan de tocht richting het heideveld dwars door het dorp. Zou het er ook rond 1823 in de Zulte hebben uitgezien toen Jan Harms Hummel met zijn kudde naar de immens grote heidevelden trok?

Nu was het hoeden van schapen op het heideveld niet even een klusje, waarbij je een schaapherder met zijn honden en de kudde de heide op liet en dan zijn gang kon gaan. Nee, het was haast een landbouwkundige wetenschap geworden vanaf de jaren twintig in de negentiende eeuw. Er zaten natuurlijk de nodige haken en ogen aan het laten weiden van schapen op een heideveld en de kans bestond dat de dier ziek werden op het altijd vochtige en soms zeer natte heideveld ten westen van het buurtschap.

Door zijn compacte lichaamsbouw oogt het Drentse heideschaap niet erg groot en zijn het aantal dieren in een kudde vaak meer dan je op het eerste gezicht zou verwachten.

Wilde men de stukken van het heideveld waar de schapen graasden voor de dieren geschikt maken en het grazen veilig was, dan diende men er voor te zorgen dat er voldoende greppels aanwezig waren en het overtollige regenwater afgevoerd kon worden. Het van het water afvoeren voorkwam niet alleen dat de grond nog meer verzuurde, maar ook dat de dieren die graag in de lager gelegen gedeelten en bij poeltjes verblijven, niet ‘gallig’ werden en daaraan stierven.(1)

De schaapskudde van Exloo is inmiddels op het grote heideveld aangekomen. Als de dieren zo staan en nog niet bijeen gedreven zijn. is goed te zien dat de kudde in 2018 door veel exemplaren gevormd werd.

De galligheid werd ook wel ‘bot in den lever’ genoemd en werd veroorzaakt door een parasiet (Fasciola hepatica) die vooral de lever en de galwegen aantastte. Deze parasitaire platworm heeft de leverbotslak (Galba truncatula) nodig als tussengastheer en het slakje bevindt zich naast in ondiep stilstaand water maar ook op natte, vochtige weides en glooiende overgangen tussen natte en droge gebieden. Daarnaast kunnen de slakjes een lange periode van droogte overleven waardoor de kans op besmetting lange tijd blijft bestaan. Een besmetting van een schaap vindt plaats wanneer het dier tijdens het grazen bijvoorbeeld besmet gras of slakjes binnenkrijgt.

Met een beetje fantasie zou je de Drentse heideschapen uit de kudde van Jan Harms Hummel nog door het gebied rondom de Zulte kunnen horen én ruiken terwijl ze onderweg zijn naar het perceel heide ten noorden van de Toutenburgsingel. Dit perceel droeg in 1832 het kadastraal nummer K-210 en behoorde toe aan de markgenoten van Roden.

De ongeveer vier tot vijf meter brede en vermoedelijk uit de zeventiende eeuw stammende schaapskooi, zal een lengte van zo’n tien meter hebben gehad. Nadat de nieuwe weg naar Roden rond 1825 was aangelegd moest de scheper nu met zijn schaapskudde door het stroompje heen om de schapendrift te kunnen bereiken.  Waarschijnlijk zal het gebouwtje de functie van een schaapskooi na 1830 niet meer hebben vervuld en is hierdoor dan ook in verval geraakt. De voormalige schaapskooi is op de Kadastrale kaart uit 1832 afgebeeld als een schuurtje in een weiland.

De plaats waar in het verleden de Zulter Bitse liep en deze gedempt werd voor de aanleg van de nieuwe weg, ligt vandaag de dag de oprit naar een woning. Blijkbaar is het dempen niet goed gedaan en verzakt de bestrating keer op keer.

Had de schaapskooi nog het geluk dat deze niet verdween door de aanleg van de nieuwe weg naar Roden, voor het stroompje dat door het esgehucht liep veranderde echter wel behoorlijk veel. Destijds dacht men er niet over om een milieueffectrapportage procedure te starten of om de omwonenden te vragen wat zij ervan vonden. Nee, daar stond men aan het begin van de negentiende eeuw niet bij stil. De gevolgen bleven dan ook niet uit. Zowel op de plaats waar de Zulter Bitse van oorsprong eerst stroomde en locatie waar het stroompje later langs geleid werd, zijn vandaag de dag nog steeds de weer terugkerende verzakkingen duidelijk zichtbaar in de bestrating van de stoep en de asfalt van de huidige weg de Zulthe.

De plaats in de weg waar de Zulter Bitse in het midden van de jaren twintig in de negentiende eeuw kwam te liggen. Ook hier zal waarschijnlijk na het dempen van het stroompje de ondergrond niet goed behandeld zijn en daardoor verzakt de weg steeds weer.

In een advertentie die in juni van het jaar 1932 in het Nieuwsblad van het Noorden verscheen, stond er een een paar zinnen van de heer Deodatus waarin hij aangeeft dat het gras van 4 percelen, voor een goede prijs te koop staat. Deze percelen lagen (of eigenlijk liggen ze er nog zolang het duurt) naast het huis van de familie Deodatus en geven aan waar de oude es ‘Kostverloren‘ ligt. Op deze locatie staat nu woningbouw in de planning en zal voor altijd verloren zijn.

Een gedeelte uit een advertentie die verscheen in het Nieuwsblad van het Noorden van zaterdag 18 juni 1932 waarin de heer R. Deodatus Pzn. aangeeft, vier percelen met gras te willen verkopen naast het huis aan de Zulte en het daarnaast gelegen Kostverloren (bron: Nieuwsblad van het Noorden zaterdag 18 juni 1932 vijfde blad, pagina 19).

(1) Beknopte schets van den Landbouw in min vruchtbare streken. J. H. van Wolda, Instituteur aan de Kweekschool voor den Landbouw der Maatschappij van Weldadigheid, te Wateren. Uitgegeven te Groningen door J. Oomkes, 1841.

Mient

Een groot voorrecht dat de families en de adel voor hen als grootgrondbezitter destijds bezaten, was het verkopen van hout dat zich op hun grondgebied bevond. Zo komen wij al vanaf het midden van de achttiende eeuw advertenties, ook wel ‘Bekentmakingen’ genoemd, tegen in de lokale kranten waarin het hout te koop wordt aangeboden. Het is dan vooral de heer W. baron van In- en kniphuisen, heer van Nienoord, Enum en Aykema, die verkondigd dat hij ‘5 à 600 zware eyken stambomen en  eykenschilbossen bij havesaat, het huys Ter Heyl genaamt, en in ’t Noordholt onder Roon in ’t Landschap Drenthe geleegen’ wenst te verkopen. Waarschijnlijk werd het enorm grote oerbos ten oosten van het brinkgehucht de Sult bedoeld, dat het Groot Noordholt heette.

De hierboven aangehaalde advertentie uit de Opregte Groninger Courant van vrijdag 24 december 1762, waarin de heer W. baron van In- en kniphuisen, heer van Nienoord, Enum en Aykema bekendmaakte dat hij vijf tot zeshonderd zware eiken te koop aanbood.

  Doorgaans werden grote percelen bos, vaak aangeduid in het aantal bomen op den wortel, publiekelijk geveild. De bomen werden dan per afslag bij ‘afmyning’ verkocht aan diegene die het genoemde bedrag de juiste prijs vond van het hout. Afmijning of afmyninge is een veiling waarbij een product op een te hoge prijs wordt ingezet, waarna de prijs daalt totdat iemand akkoord gaat. Wanneer deze akkoord gaat met de prijs, riep de koper ‘mijn of mient’.

  Voor de eigenaar van de percelen bos die verkocht werden bracht niet alleen het hout geld in het laatje, de door de bomenkap vrijgekomen grond kon op hun beurt weer verpacht worden aan kleine boeren, die er bouw- of grasland van maakten. Het voordeel hiervan was dat de eigenaar amper of geen moeite hoefde te doen om de gronden te bewerken en zodoende te blijven onderhouden en hij kreeg er pacht voor. Dit was naast het geld dat hij verdiende aan het verkopen van het hout, een extra bron van inkomsten van een perceel dat anders enkel geld kostte.

  Maar niet alleen leverde het kappen een verdienste op voor de eigenaar, het leverde ook nog eens een stuk werkgelegenheid op voor de arbeiders in de directe omgeving. De bomen moesten worden gekapt, de wortels dienden uit de grond te worden gehaald, de stam moest van de kruin en de takken ontdaan worden, waarna ze gereed werden gemaakt voor transport. Dan werden de bomen vervoerd naar bijvoorbeeld een zaagmolen waar er planken en balken voor aannemers, molenbouwers, meubelmakers of scheepshout van werd gemaakt. Vandaag de dag roepen dit soort massale boomkapacties veel weerstand op onder de bevolking, maar destijds was het een belangrijke economische stimulans in het gebied. Met principes vul je geen hongerige magen. Het is dan ook niet zo verbazingwekkend dat er vandaag de dag nog maar weinig sporen terug zijn te vinden van de enorme bossen die het gebied eens kenmerkten.

Op de afgebeelde oude Franse legerkaart uit het begin van de negentiende eeuw is goed te zien hoeveel bossen, die geel ingekleurd zijn, zich in de omgeving van de Zulte bevonden.

  Vanaf het jaar 1790 komen wij dan regelmatig advertenties in de regionale dagbladen tegen van de familie Aukema, waarin met name grote eiken te koop worden aangeboden. Vooral in de Zulte, waar zich destijds enorm veel grote en zeer oude bossen bevonden (afbeelding hierboven), heeft de familie Aukema behoorlijk veel geld verdient aan het verkopen van het hier aanwezige hout en daardoor voor veel werkgelegenheid gezorgd. Door de werkgelegenheid die door het kappen van de bomen ontstond, trokken ook arbeiders uit de verre omgeving richting Rhoden, zoals het dorp inmiddels werd beschreven. De arbeiders namen vaak hun gezin mee, zochten onderdak en zullen bij menig grondeigenaar een kleine woning of perceel hebben gehuurd.

  Naast het kappen van de grote eiken werden ook de kleinere eiken gerooid om te schillen. Arbeiders die de bast van de eiken schilden werden ‘Eekschillers’ genoemd. Als de bast van de boom af was gehaald, werd deze gedroogd en kon de eikenschors, ook wel eekschors of bark genoemd, vervoerd worden naar een zogenaamde barkmolen. Hier werd de bark door molenstenen fijngemalen waarna er door water aan toe te voegen, de ‘run’ ontstond. Run werd gebruikt om dierhuiden te looien. Waarschijnlijk werd de bark naar de stad Groningen vervoerd, waar zich een ‘Barckmeulen’ bevond aan de oostzijde van het Winschoterdiep. Ze konden daar zien wanneer de molen bark aan het malen was doordat dan alle deuren van de molen openstonden. Zodoende konden de huid-irriterende stoffen die vrijkwamen tijdens het maalproces, snel wegwaaien.

De Barckmeulen bij de stad Groningen op een kaart uit 1643. Stadscaerte van Groeningen : De kaart van Egbert Haubois

  Blijkbaar was de tweeënzeventig jarige Floris Aukema toch behoorlijk in zijn wiek geschoten, toen zijn advertentie van dinsdag 23 november 1790 in de Groninger Courant niet klopte (zie afbeelding hieronder). Het kan ook zijn dat de advertentie gewoon niet correct geplaatst was, iets dat wel vaker in die tijd voorkwam. Onleesbare handschriften, een slecht verstaanbare uitspraak of een onoplettende letterzetter zorgden nogal eens voor onduidelijkheid. Bij de laatstgenoemde werd de schuld snel doorverwezen naar het ‘zetduiveltje’, een term die gebruikt werd wanneer er zich fouten in het zetwerk hadden voorgedaan.

De advertentie van dinsdag 23 november 1790 in de Groninger Courant waarin Flerys Ankema voornemens is om 500 zware eiken stambomen op de Zulte publiekelijk te verkopen. Dat Floris Aukema niet tevreden was met het geplaatste bleek wel, toen drie dagen later een verbeterde versie van de advertentie in dezelfde krant verscheen. me.wordp

  Maar goed, laten wij de advertentie van die bewuste dinsdag 23 november 1790 eens gaan bekijken: ‘FLERYS ANKEMA is voornemens publyk te laten Verkoopen , om de 500 zware en lange opgaande Eiken Stambomen , zeer geschikt voor Aannemers , als mede Scheepstimmer , Wagen , Molens en Kromhout , op Woensdag den 1 December 1790 , des morgens om 9 uur op de Zulte , na voor te lezene Conditien’. Het zal Floris, die in de advertentie ‘Flerys Ankema’ genoemd werd, zeker niet hebben behaagd om verkeerd benoemd te worden in de krant. ‘Oh mijn God’, zal hij hebben gezegd en na een diepe zucht, zijn tweede vrouw Lammechien Smeengh bij zich hebben geroepen, waarna de landbouwer zijn beklag bij haar deed over het gepruts bij de krant.

  Het kan natuurlijk ook de in zijn ogen onduidelijkheid van de advertentie geweest zijn, die hem totaal niet zinde. Floris zal een stuk papier, een pen en inktpot hebben gepakt en zich voorover hebben gebogen om een nieuwe advertentie te schrijven. Nadat hij het geschrifte en aantal malen goed doorgelezen had, zal hij ervoor gezorgd hebben dat de nu correcte advertentie bij de krant kwam.

  Drie dagen later, op vrijdag 26 november 1790, stond er een verbeterde versie van de advertentie in de Groninger Courant en de godvrezende landbouwer uit Leutingewolde zal deze met een instemmende knik hebben gelezen: ‘FLORYS AUKEMA is voornemens by Uitmyninge te laten Verkoopen , om de 500 zware en lange opgaande Eiken Stambomen , zeer geschikt voor Aannemers , als mede Scheeps , Molen , Timmer en Kromhout , staande op de Wortel in deszelfs Bosschen tot de Zulte 1/2 uur van de Leek op Woensdag den 1 December 1790 , des morgens om 9 uur te beginnen by ’t huis van Harm Vogelsang , na voor te lezene Conditien’.  

De desbetreffende en verbeterde advertentie van Floris Aukema in de Groninger Courant van vrijdag 26 november 1790, die een stuk duidelijker qua informatie.

  Het huis dat in de advertentie vermeld werd en waar de toen tachtig jarige Harm Vogelsang woonde, lag ongeveer 400 meter noordelijk van het brinkgehucht Zulte nabij de oude weg tussen de Boschkampe en de herberg Toutenburg en droeg de naam ‘Vogelsang’. Op de plaats waar het oude huis stond is in de jaren negentig van de vorige eeuw en nieuw huis geplaatst met de naam ‘Old Voochelsang’. De familie Vogelzang dankt hun familienaam daarnaast ook aan de oude boerderij.

Locatie en informatie over de Barckmeulen kunt u HIER vinden.