Noordeindiger Kampen.


Aan het einde van de zeventiende en tot ver in de achttiende eeuw bestond het dorp Roden in de archieven van het haardstedenregister uit meerdere zogenaamde ‘buurschappen’. In de registratie van het haardstedengeld uit 1691 van het kerspel Roden, dat ook wel schoorsteengeld genoemd werd en gezien kan worden als een vroege vorm van de huidige onroerende-zaakbelasting (OZB), komen wij de volgende buurschappen tegen: Suijdeijnde, Westeijnde, Oosteijnde, Lijveren, Steenbergen, Sulte, Lootinghewolde en Foxwolde. De buurschappen Roderwolde, Zanbuir en Mathuisen vormden een eigen kerspel, dat de naam Roderwolde droeg.

Het dorp Roden op de oude Franse legerkaart. Op de kaart is onder andere de Boschkampe afgebeeld, net zoals de Roder Moolen en de Speiker. Op de plaats waar de molen eens stond, bevindt zich vandaag de dag het kerkhof. De Speiker is de huidige de Spijker, een schoutsboerderij die nabij huize Mensinge en die sinds het midden van de zeventiende eeuw aan de Spijkerzoom staat (Kaart: Drents Archief).

Een buurschap of boerschap verwijst naar een samenwerking van de bewoners en ontstaan zijn op de best bewoonbare plaatsen rond de dertiende eeuw, die destijds omringd waren met bossen, heidevelden en hooilanden. De ingezetenen van de buurschap werden buren, boeren of bourmannen genoemd. Hiertoe behoorden ook keuterboeren en ambachtslieden. De acht buurschappen in het kerspel Roden werden bestuurd door de erfgenamen of eigenerfden, die afstamden van de oorspronkelijke bewoners die op de grootste boerderijen woonden. De erfgenamen en de overige ingezetenen van de buurschap vergaderden op de buursprake.

De vier buurschappen Suijdeijnde, Westeijnde, Oosteijnde en Rhoden vormden na 1742 samen het dorp Roden binnen het kerspel. De andere vijf buurschappen lagen om het dorp Roden heen. In de directe omgeving van de buurschappen van het dorp lagen een aantal landerijen die al dan niet omheind waren en de naam droegen van het buurschap, met uitzondering van het buurtschap Suijdeijnde. De landerijen werden ‘kampen’ genoemd en droegen dus de naam van het buurschap dat nabij lag, een eigenaar of een gebeurtenis dat in de directe nabijheid plaatsvond. Ook de ligging zoals bijvoorbeeld in het noorden van een buurschap of het dorp kon een naam opleveren.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is 1811-kaart.jpg
Op de Franse legerkaart die in de periode 1811-1813 door de Franse landmeters was opgemeten, zijn de zes huizen te zien, die destijds de Noordeindiger Kampen vormden. Tevens is de scherpe bocht naar het zuiden, richting Roden dus, goed zichtbaar. Deze bocht werd in de twintigste eeuw ook wel de Bechtbocht genoemd, vernoemd naar de apotheker die naast de bocht woonde  (Kaart: Drents Archief).

Zo kwam in het zuiden van het buurschap Sulte, het latere de Zulte, onder de es met de naam Körtakkers een aantal percelen met woningen voor, die de naam ‘Noordeindiger Kamp of Kampen’ droegen. Deze lagen grofweg op de plaats waar zich tegenwoordig de straten Leeksterweg, Heerestraat, Meidoornlaan, Bloemstraat, Kanaalstraat en de Zulthereschweg bevinden. De zes woningen die de Noordeindiger Kampen vormden, lagen in het Noordeinde op de plaats waar in de twintigste eeuw de huidige Leeksterweg, Schoollaantje en de Zulthereschweg samenkwamen.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is 1832-kaart-kampen.jpg
De uit de drie delen bestaande Sectie I genaamd de Zulte samengestelde kaart van de Noordeindiger Kampen. De kaart schetst de situatie rond het jaar 1832 ten noorden van het dorp Roden. Ook het pleintje waarom heen de woningen staan is duidelijk zichtbaar (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).

Op deze plaats die ten oosten van de toenmalige Boschkampe lag, bevond zich tot ver in de negentiende eeuw eveneens een klein pleintje of vlakte, die wij gerust als een kleine brink kunnen omschrijven. Tijdens de volkstellingen uit de jaren 1830 en 1840 van de inwoners in het dorp Roden werd dit gebied samengevoegd met het Westeinde en omschreven als het ‘West- en Noordeinde’.

Eigenlijk heeft het Kadaster na het inmeten van het gebied rondom het dorp Roden de toenmalige gemeente in verschillende secties opgedeeld, die vervolgens weer uit een aantal bladen bestond. Zo bestond Sectie I genaamd de Zulte uit 3 bladen en besloeg deze sectie een groot deel van het dorp Roden. De percelen die binnen de sectie I vielen, kregen dan ook een nummer dat begon met de hoofdletter I. Voor de huisnummers maakte de sectie en het perceelnummer niets uit, doorgaans gebruikten de ambtenaren de straat- of de streeknaam van het gedeelte waar de bebouwing voorkwam.

Het eerste huis dat wij tegen kwamen als wij rond 1830 op de nieuwe weg naar Roden vanuit het westen richting het oosten via het Noordeinde waren gelopen of per wagen het pand hadden gepasseerd, behoorde volgens de gegevens het Kadaster toe aan ene Klaas Geerts. Klaas Geerts was reeds in 1821 overleden en zijn 55-jarige zoon Lambartus Klasens Mederoos, zijn negen jaar oudere vrouw Siewke Alderts en hun kinderen Klaas Lambs (30) en Jantje Lambs (26) waren nu de hoofdbewoners van het pand volgens de gegevens van de volkstelling uit 1830 die plaatsvond in het toenmalige dorp Roden. Het huis bevond zich volgens het archief in het West en Noordeinde te Roden droeg het nummer 215.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is 1832-huis_215.jpg
De twee percelen van de familie Mederoos zijn door een rode lijn omgeven en droegen in 1832 de perceelnummers I-314 en I-315 (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort)

Kadastraal gezien bevond het pand zich op het eerste blad van Sectie I van de gemeente Roden genaamd de Zulte en droeg het perceel het nummer I-314. Het perceel I-315 was eveneens in het bezit van de familie Mederoos en deed dienst als tuin. Het pand en de tuin bevonden zich op de plaats waar tegenwoordig de huizen en tuinen met de nummers 12 tot en met 16 aan de huidige Leeksterweg staan.

Het huidig uitzicht over de Leeksterweg die rond 1830 nog de weg naar Roden werd genoemd. In de verte is nog de zogenaamde Bechtbocht te zien. Deze bocht had zijn naam te danken aan de apotheker die hier in de twintigste eeuw zijn apotheek had staan.

Waarschijnlijk is dit de locatie die de korvenmaker Gerrit Joris vanaf het jaar 1770 van Coenraad Wolter Ellents pachtte en deze in 1785 diende te verlaten. Over het dispuut en de korvenmaker kunt u hier meer lezen: Gedonder in de Noordeindiger Kampen. Het perceel ten westen van het huis met het kadastraal nummer I-313 bleek volgens het archief van het Kadaster nog steeds in het bezit van de familie te zijn. De eigenaar van het weiland was destijds de weduwe van de in 1823 overleden Jan Wilmsonn Kymmell, Alida Gezina Willinge. Zoals het toen gebruikelijk was, zal het weiland in het 1832 verpacht zijn aan een arbeider of een landbouwer.

Als wij de weg richting het oosten vervolgen komen wij na zeventig meter aan onze linkerzijde een grote boerderij tegen waar het gezin van de 44-jarige landbouwer Sikke Theodoris Huberts woont. Sikke Theodoris is een zoon van Theodoris Huberts die op dat moment op nummer 196 in het Oosteinde als schoenmaker zijn kost verdient. De landbouwer woont samen met zijn acht jaar jongere en in de Zulte geboren vrouw Marchien Stoffers Rozema. Het echtpaar had op het moment van de volkstelling in het jaar 1830 vier kinderen in huis, te weten: Eltien (1822), Geertien (1824), Hinderkien (1826) en Roelfien (1828). Hun eerste kind, Theodorus, werd geboren op 31 maart 1821 en overleed 3 maanden later. Dat het gezin voor juli 1830 meegenomen werd in de volkstelling van dat jaar, is te zien in de archieven waar de op twee juli in Roden geboren dochter Lammechien niet vermeld werd.

De op het oog drie percelen van de landbouwer Sikke Theodorus Huberts zijn door een rode lijn omgeven en droegen in het archief van het Kadaster uit 1832 de perceelnummers I-801 en I-802. Echter het perceel I-801 werd omschreven als huis en erf en vormde zo 1 perceel (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort)

Naast de kinderen woonden ook de 30-jarige in Leek geboren Tjeetske Pieters en arbeidster Helena Johannes de Boer, 46 jaar oud, weduwe van de in 1826 in Leutingewolde overleden landbouwer Klaas Louwes Klaassens samen met haar in 1818 geboren zoon Jacob Klaassens bij het gezin Huberts in.

De woning kreeg bij de volkstelling in 1830 het nummer 224 en bevond zich in het Noordeinde op het kadastraal perceel I-801, huis en erf. Het naast liggend perceel bouwland I-802 was ook in het bezit van de landbouwer. Op de huidige plaats waar zich de woning en het naastliggend perceel bouwland bevonden rond 1832, staan nu de vier huizen langs de Leeksterweg genummerd 1 tot en met 7. Aan de oostelijke grens van het toenmalige perceel staan nu drie huizen langs de Zulthereschweg met de nummers 2, 4 en 6.

De situatie zoals deze tegenwoordig voorbij de Bechtbocht in de Leeksterweg is. Vanaf deze locatie is de plaats waar in de negentiende eeuw de boerderij en het bouwland van Sikke Theodorus Huberts zich heeft bevonden, te zien. Het spreekt voor zich dat er niets meer zichtbaar is, dat wijst op de aanwezigheid van de landbouwer Huberts.

Tegenover het huis waar het gezin van de landbouwer Sikke Theodoris Huberts woont, aan de overzijde van het zandweggetje dat richting de Körtakkers voert dus, bevindt zich de woning van de familie Beuving met het huisnummer 225. De op woensdag 21 oktober 1789 te Roden geboren landbouwer Jan Lamberts Beuving woont hier in het jaar 1830 samen met zijn vier jaar jongere en in Norg geboren vrouw Jacobje Jans Hofman en hun vier kinderen: Trientje Jans (12), Fokkien Jans (10), Marchien Jans (7) en Lambert Jans (2). De op dinsdag 11 januari 1825 geboren zoon Jan Jans komen wij niet tegen, daar de kleine jongen reeds op vierjarige leeftijd kwam te overlijden op zondag 27 december 1829. Het kwam nogal eens voor bij de volkstellingen dat reeds een jaar eerder begonnen werd met het tellen en dat een overleden inwoner nog voorkwam in de papieren en daarom mee werd geteld.

Het perceel waarop zich de woning van Jan Lamberts Beuving bevond is door een rode lijn omgeven en droeg in het archief van het Kadaster uit 1832 de perceelnummer I-796 en werd omschreven als huis en erf (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).

De in de archieven van het jaar 1817 nog als dienstknecht omschreven Jan Lamberts Beuving, sluit op zondag 6 september 1863 in het dorp Roden met de leeftijd van 73 jaar en 10 maand en 15 dagen voor altijd zijn ogen en wordt een dag later als zijnde overleden bijgeschreven in het register van de burgerlijke stand met het aktenummer 25. De in het dorp Norg geboren echtgenote van Jan Lamberts, Jacobje Jans Hofman overlijd bijna vier jaren later op 77-jarige leeftijd op zaterdag 8 juli 1871 te Roden.

De als landbouwer door het Kadaster omschreven Jan Lamberts Beuving bezat toch nog een aantal forse percelen nabij zijn huis: I-797 tuin, I-799 weiland en I-800 bouwland. De beste man werd echter bij de volkstelling van 1830 door de gemeentelijke ambtenaren gezien als arbeider. (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).

Logementhouder Thijle Geerts Krijthe en zijn vrouw Berendje Voget bezaten in grote delen rondom het dorp Roden stukken grond en huizen, die zij verpachten en hierdoor naast de kroeg ook nog andere inkomsten kregen. Rond 1832 komen wij dan ook nog met enige regelmatig onroerende goederen tegen in de archieven die in het bezit waren van de weduwe van Thijle Geerts Krijthe, Berendje Voget.

De huidige plaats waar de Zulthereschweg en het Schoollaantje samenkomen. In het verleden bevond zich hier een zandpaadje dat richting het oosten ging.

Een van deze panden die in het bezit waren van de familie Krijthe, lag op zo’n twintig meter afstand van het huis van Jan Lamberts Beuving richting het zuiden in het Noordeinde. De percelen I-446 (tuin) en I-447 (huis en erf) waren verpacht aan de op zondag 20 oktober 1799 te Roden geboren Jan Geerts Boer. Boer stond te boek als een ‘schatter van slagtvee’, iemand die de waarde van het slachtvee taxeerde, en hij woonde hier met zijn vrouw Bougien Harms Kramer en zeven kinderen. Daarnaast komen wij in de papieren van 1830 ook nog de dan 59-jarige Katrina Hessels tegen, die dan daar inwonend is. Tien jaar later woont ze bij Ananias Brink in het huis aan het Zuideinde 144. Het betreft hier echter Catharina Hessels die op donderdag 1 februari 1770 te Roden als dochter van Carel Walraven Hessels en Egberdina Sleurmans geboren werd.

Als wij in het jaar 1832 de zandweg richting het zuiden oversteken, komen wij bij het huis uit waar de schatter van slachtvee Jan Geerts Boer met zijn gezin woonde. Het huis, erf en tuin waren in bezit van de weduwe van logementhouder Thijle Geerts Krijthe, Berendje Voget. (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).

Jan Geerts Boer was op woensdag 5 mei 1824 met de 23-jarige Bougien Harms Kramer te Roden getrouwd en ze kregen samen dus zeven kinderen: Grietien Jans Boer (1824), Geert Jans Boer (1826), Harm Jans Boer (1828), Aaltien Jans Boer (1830), Harmina Jans Boer (1833), Jan Jans Boer (1835) en Hindrik Jans Boer (1838). Lang kon Jan Geerts niet genieten van het laatste kind, bijna een jaar later op de woensdag 6 maart 1839 verwisselde hij in het bed het tijdelijke met het eeuwige leven. Bougien overleed bijna 41 jaren later op maandag 1 maart 1880 op 79-jarige leeftijd in Foxwolde.

De twee percelen, I-446 (tuin) en I-447 (huis en erf), die Jan Geerts Boer van Thijle Geerts Krijthe had gepacht (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).

De Hervormde Gemeente in het dorp Roden deed in het verleden veel om de ellende van de hulpbehoevende gemeenteleden te verzachten en had tot ongeveer eind 1859 behoorlijk wat onroerende goederen in haar bezit. Daarnaast waren er mensen binnen de Hervormde Gemeente die zich voor de minder bedeelden in wisten te zetten en zodoende leden van de kerkenraad waren; diaconen. Doorgaans wisten de diaconen een beroep te doen op de liefdadigheid van de wat beter gesitueerden, om zodoende ruimschoots de armen te kunnen helpen. In de Nederlandsche Encyclopedie van Winkler Prins uit 1870 werden deze mensen zo omschreven: “Een menschlievend diacon, die het vertrouwen der gemeente bezit, kan veel smart verzachten”.

Een advertentie van de Diaconen der Hervormde Gemeente Roden in de Provinciale Drentsche en Asser courant van 8 november 1859 waarin zij aangeven hun bezittingen in en rondom het dorp Roden te willen verkopen (Bron: Provinciale Drentsche en Asser courant, nummer 134, 8 november 1859, vierde blad, gedrukt bij Gratama te Assen).

Wanneer wij door het Noordeinde van 1832 ruim 40 meter richting het westen gaan, lopen wij voorbij het huis met het nummer 227. Het huis met de tuin dat hier destijds stond behoorde ook tot het bezit van de Hervormde Gemeente en werd rond 1830 verpacht aan de op de dinsdag 3 oktober 1787 te Lieveren geboren en een week later gedoopt in de Nederlands hervormde kerk van Roden arbeider Klaas Jans Ananias. Ananias was op woensdag 28 mei 1817 in het huwelijk getreden met dan 19-jarige Aaltien (Aaltje) Tjipkes Scheepstra uit Roden.

Het bezit van de Diaconie van de Hervormde Gemeente in Roden dat rond 1830 verpacht werd aan Klaas Jans Ananias en zijn vrouw. (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).

Klaas Jans en Aaltje Tjipkes pachten het huis (I-443) en tuin (I-444) van de Diaconie Roden en woonden hier rond 1830 met hun kinderen Annechien (1820), Ananias (1822), Jantien (1825), en Tjipke (1828). Hun eerste zoon, ook Ananias geheten, was in het jaar 1818 geboren maar kwam al in het begin van 1822, 3 jaar en 8 en 11 dagen maanden oud, in Roden te overlijden. Klaas Jans Ananias overleed op donderdag 10 september 1863 te Roden en Aaltje volgde haar echtgenoot op zaterdag 22 maart 1873 eveneens in Roden.

Op de kadastrale kaart van 1832 zijn de twee percelen tuin (I-316) en huis & erf (I-318) door een rode lijn omgeven. Het huis dat op papier dan nog eigendom is van de vader van de arbeider Harm Geerts Noord, Geert Klaassens van der Oor. Van der Oor die dan nog in het Oosteinde woont, zal later samen met zijn vrouw bij het gezin van zijn zoon intrekken. Tegenwoordig heeft de huidige locatie het nummer Heerestraat 228 (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).

Het laatste huis dat wij tegenkomen in de Noordeindiger Kampen ligt een kleine tien meter ten westen van het huis van Klaas Jans Ananias. Het huis met het nummer 214 was eigendom van de Roner landbouwer Geert Klaassens van der Oor en zijn uit Hoogkerk afkomstige vrouw Freerkien Harms. Geert Klaassens woont in het jaar 1830 nog in het Oosteinde op nummer 186 en zijn zoon Harm Geerts Noord woont samen met zijn eveneens in Roden geboren vrouw Annechien Scheepstra Tjipkes en hun drie kinderen Freekien Harms van 5 jaar, Sabe Harms van 3 jaar en de vier maanden oude Geert Harms, in het huis van zijn ouders in het Noordeinde.

Een luchtfoto van het gebied waar de Noordeindiger Kampen eens hebben gelegen. In de tegenwoordige tijd is er niets van het gebied over en is hier zoveel gegraven en veranderd, dat de mogelijkheid bestaat om hier nog heel oude sporen uit het verleden te vinden heel erg klein is (bron: topotijdreis.nl)

Het huis en de tuin van de landbouwer Geert Klaassens van der Oor bevonden zich op de kadastrale percelen met de nummers I-316 (tuin) en I-318 (huis & erf). Van der Oor overleed op 84-jarige leeftijd te Roden op zondag 31 januari 1864, bijna 18 jaren later dan Freerkien Harms, die reeds op de woensdag 3 juni van het jaar 1846 haar ogen op 74-jarige leeftijd voor het laatst sloot.

Gedonder in de Noordeindiger Kampen.

Al ver voor de achttiende eeuw bezaten de bewoners van havezate Mensinge grote stukken grond en woningen in de omgeving van het dorp Roden en die doorgaans verpacht werden aan boeren en burgers. Meestal waren dit boeren en burgers die in de buurt van de percelen woonden en voor de grootgrondbezitter was het de manier om aan de huizen en de percelen een beste stuiver te verdienen. Naast dat de verschuldigde pacht in keiharde pecunia voldaan diende te worden, bood men de pachters de mogelijkheid om deze in natura te voldoen. Dit gebeurde dan bij de Spijker, een schoutsboerderij die nabij huize Mensinge en die waarschijnlijk al sinds het midden van de zeventiende eeuw deze taak kreeg toegewezen.

Dit was niet veel anders toen de in Zuidlaren geboren Coenraad Wolter Ellents huize Mensinge in 1764 kocht en waar hij vanaf vrijdag 6 maart 1767 met zijn vrouw Gesina Oldenhuis ging wonen. Coenraad Wolter verhuurde zo’n stuk grond, ook wel kamp genoemd, aan de zoon van Joris Martens (Korvemaker) en Griete. Joris was de korvenmaker of kurver in het Westeijnde van het dorp  Roden en hij maakte niet alleen manden en korven, maar ook de zittingen van stoelen en was in rond 1713 in Roden getrouwd. Zijn vrouw die eerst genoemd werd als Griete, was de rond 1685 geboren Grietien Jacops. Joris Martens werd in 1742 aangeslagen voor haardstedengeld zo blijkt uit de archieven en de inmiddels weduwnaar geworden Joris moest 2 guldens betalen zijnde een keuter en zijn zoon Gerrit als korvenmaker.

De vermelding van Joris Korvemaker in het Haardstedengeldregister van het dorp Roden uit 1742. (Bron: Oude Staten Archieven (OSA), toegangsnummer 0001, inventarisnummer 868.24, Haardstedengeld Roden, Westeijnde, 1742, pagina 3677)

De korvenmaker Joris en zijn vrouw Grietien kregen in juni 1714 hun eerste gezonde zoon Pieter Joris. De tweede zoon kwam in maart 1718 ter wereld als Gerrit Joris. De zoon werd op zondag 13 maart 1718 in de deels romanogotische en deels gotische in de dertiende eeuw gebouwde Catharinakerk van Roden gedoopt als Gerrit, zoon van Joris Korvemaker en huisvrouw Griete. Naast Pieter en Gerrit waren er nog twee andere kinderen binnen het gezin aan het Westeijnde in Roden, zoon Jacob (januari 1723) en dochter Heijeltien (maart 1726). De rond 1685 in Roden geboren Joris Martens en vader van de eerdergenoemde kinderen, was een zoon van de eveneens in Roden woonachtige Marten Pieters.

Op zondag 13 maart 1718 werden er in de Catharinakerk van Roden drie kinderen gedoopt, te weten: Meerten, Gerrit en Annegien. (Bron: Drents Archief: Doopregister Roden 89, archiefnummer 0176.01, inventarisnummer 89, aktenummer 89)

Twee jaar later na de vermelding van Joris Korvemaker in het Haardstedengeldregister van het dorp Roden uit 1742 komen wij zijn dan 26-jarige zoon Gerrit tegen in het Drentse dorp Eelde. Om precies te zijn in het hoofdstuk ‘Trouwen 1737-1811’  uit het Doop, Trouw en Begraaf Register van het dorp. Het blijkt dat Gerrit op de zaterdag 25 april van het jaar 1744 aldaar in het huwelijk was getreden met de rond 1720 geboren en uit Bakkeveen afkomstige 24-jarige Hinkje Harms.

De vermelding in het Doop, Trouw en Begraaf Register van het dorp Eelde dat Gerrit in het huwelijk was getreden met zijn Hinkje. (Bron: Drents Archief Trouwregister Eelde 25, archiefnummer 0176.01, inventarisnummer 25, aktenummer 0176.01)

Precies een jaar later, op zondag 25 april 1745 wordt hun eerste zoon genaamd Joras gedoopt in de prachtige Catharinakerk te Roden, daar waar zijn vader ruim 27 jaar daarvoor eveneens was gedoopt. In het midden van de achttiende eeuw was er eigenlijk nog geen sprake van een standaard binnen de Nederlandse taal zoals wij deze vandaag de dag kennen en dit bracht natuurlijk de nodige problemen en verwarringen met zich mee. Daarnaast was de naamgeving met een verplichte achternaam die voor elk geboren kind binnen de familie diende te gelden, nog lang niet ingevoerd en gold doorgaans de voornaam van de vader als achternaam. Zelden werd het beroep zoals bakker of timmerman gebruikt en dan nog gold deze eerder als een verwijzing naar het beroep dan naar de familie van de drager.

De eerste zoon van Gerrit Joras en Hinkien Harms werd als Joras gedoopt, maar later verbasterde de naam naar Joris. (Bron: Drents Archief: Doopregister Roden 89, archiefnummer 0176.01, inventarisnummer 89, aktenummer 89)

Dit gold eveneens voor de eerst geborene binnen het gezin Gerrit Joras en Hinkien Harms. De naam Joris wordt ineens Joras en ook de nog in 1744 hetende Hinkje is nu Hinkien geworden. Op zich niet geheel vreemd dat de naam van Joris zijn echtgenote veranderde van Hinkje naar Hinkien, immers in grote delen van Drenthe werd een verkleinwoord uitgesproken met een ‘ien’ aan het einde en schreef men alles op zoals het klonk, waarvan zelfs veel in het aldaar gesproken dialect. Niet verbazingwekkend is het ook natuurlijk dat de naam genoteerd werd zoals de schrijver deze hoorde en zodanig interpreteerde.

De verwarring wordt alleen nog maar groter wanneer zoon Joras later naar de stad Groningen vertrekt en in het jaar 1818 komt te overlijden en in de Groningse archieven nu weer Joris heet, Joris Ferwerda. Zijn ouders worden in de overlijdensakte nu Gerrit Ferwerda en Enkje Harms genoemd. De op de leeftijd van 73 jaar tussen 13:00 en 14:00 op donderdag 8 januari 1818 overleden Joris was gehuwd met Eesina Reneman. De beste man overleed in het in het Gereformeerde diaconie arm- en kinderhuis, Hofstraat, Letter M, no.26, Kanton no.1 te Groningen. De aangifte van zijn overlijden volgde op zaterdag 10 januari 1818 en de twee aangevers waren Jan Versteegh, oud 62 jaar, kokvader en de 65-jarige Hindrik van Duren die breidemeester (iemand die aan de jongens ’t breien moest leren in de breidekamer van ’t Groene Weeshuis te Groningen) was, beide wonende te Groningen.

De vermelding van de in Roon geboren Joris Ferwerda, Zoon van Gerrit Ferwerda en Enkje Harms in het Overlijdensregister van de stad Groningen uit 1818. (Bron: Gemeente Groningen Overlijdensregister 1818, aktenummer 21)

Om de naam Ferwerda te kunnen verklaren binnen de familie moeten wij terug naar het begin van de zeventiende eeuw. Weliswaar moeten we het eerdergenoemde probleem van het opschrijven van namen in het achterhoofd houden, maar in de doopakte van de eerste zoon van Joris en Grietien wordt de vader Joris Martens Ferseda genoemd. Mijn vermoeden is dat de naam Ferwerda altijd al bij de familie heeft gehoord en op de achtergrond aanwezig is geweest, maar dat het niet gebruikelijk was om deze mee te noteren. Ferseda zal waarschijnlijk verkeerd zijn opgeschreven door de notulist.

Maar goed, laten wij terug gaan naar de korvenmaker Gerrit Joris en moeder Hinkien Harms, die op zondag 18 september 1746 hun tweede kind mogen dopen; Folkert. Of zoals het mooi werd opgeschreven in dat jaar: ‘Folkert, een soon gedoopt van Gerrit Joris en Hinkien Harms genaamd Folkert den 10. Sept.’.

De vermelding in het Doopregister van de tweede zoon Folkert. (Bron: Drents Archief: Doopregister Roden 89, archiefnummer 0176.01, inventarisnummer 89, aktenummer 89)

Ruim 3 jaar later volgt hun derde kind, eveneens een zoon die de naam Harremannus krijgt. Deze zoon wordt op zondag 9 november 1749 net zoals zijn oudere broers in de Catharinakerk te Roden gedoopt. Ook een ander verschijnsel dat in het verleden veel voorkwam, trof ook het gezin van Gerrit en Hinkien, kindersterfte. In de periode tussen 1749 en 1752 sterft hun tweede kind Folkert.

Op zondag 9 november 1749 wordt er in Roden ‘een soon gedoopt van Gerrit Joris en Hinkien Harms den 9 nov. genaamd Harremannus’. (Bron: Drents Archief: Doopregister Roden 89, archiefnummer 0176.01, inventarisnummer 89, aktenummer 89)

 In juni 1752 verwelkomt het gezin hun vierde kind die eveneens een zoon is en op zondag 25 juni 1752 wordt hij gedoopt met de naam Folkert. Iets wat je in die dagen veel vaker zag was dat de naam van een overleden kind gebruikt werd door een volgend kind van hetzelfde geslacht.

De vermelding in het Doopregister van de vierde zoon van Gerrit en Hinkien Folkert. (Bron: Drents Archief: Doopregister Roden 89, archiefnummer 0176.01, inventarisnummer 89, aktenummer 89)

Vier jaar later is het binnen het Nederlands Hervormd gezin weer feest. Het vijfde kind dat op zondag 30 mei 1756 gedoopt wordt in de mooie kerk van Roden is een dochter en krijgt de naam Geertruit. 1763 is het jaar waarin het laatste kind geboren en gedoopt wordt.

De bijschrijving van dochter Geertruit in het Doopregister van de hervormde kerk in Roden. (Bron: Drents Archief Doopregister Roden 89, archiefnummer 0176.01, inventarisnummer 89, aktenummer 89)

Op zondag 12 juni 1763 krijgt dochter Grietjen het heilige water op haar hoofd in de Catharinakerk zoals dit ook bij haar broers en zuster gebeurd was. Opvallend blijft toch wel dat zowel de achternaam van Gerrit dan weer als Joris en dan weer als Joras gebruikt wordt. Bij het laatste kind heet zelfs Hinkien ineens Inkien. Het blijkt maar weer, goed luisteren en schrijven was in die dagen echt een kunst.

Bij de vermelding van de doop van dochter Grietjen wordt moeder Hinkien ineens Inkien genoemd. Typerend voor die tijd en het zou mij niets verbazen als Grietjen in latere archieven als Grietien werd vermeld. (Bron: Drents Archief Doopregister Roden 89, archiefnummer 0176.01, inventarisnummer 89, aktenummer 89 Gemeente: Roden)

Nu veranderde de spelling met enige regelmaat in de Nederlanden van de achttiende eeuw en soms moet je even je hoofd erbij houden om het een en ander goed te kunnen interpreteren. Neem nu het Haardstedegeldarchief van het toenmalige kerspel Roden uit 1764, waarin we Gerrijt Joras tegenkomen zijnde een ceuter (keuter) in het buurtschap Rhoden en die 1 gulden betaald had. In die dagen was het dorp niet zo dicht bewoond zoals het vandaag de dag is en hielden de bewoners enkele dieren en een kleine moestuin om in de dagelijkse behoeften te kunnen voorzien.

De vermelding van Gerrijt Joras als ceuter in het buurtschap Rhoden. (Bron: Oude Staten Archieven (OSA), toegangsnummer 0001, inventarisnummer 868.24, Haardstedengeld Roden, Rhoden, 1764, pagina 3706)

De jaren zeventig en tachtig van de achttiende eeuw breken aan en met enige regelmaat komen wij de korvenmaker Gerrit Joras/Joris in de archieven weer tegen. Zo huurde Gerrit vanaf het jaar 1770 een kamp land te Rhoden van Coenraad Wolter Ellents, de bewoner en eigenaar van huize Mensinge. Blijkbaar gaan het boeren en de mandenmakerij Gerrit niet goed af en de dan nog in het buurtschap Westeijnde wonende keuter wordt in de belastingarchieven uit het jaar 1774 omschreven als: ‘Gerrijt Joras in bedrijf als ceuter onmagtigh om te betalen’. De man hoefde dan ook geen belasting te betalen. Tien jaar later in het register van het Haardstedengeld van het kerspel Roden uit 1784 van het buurschap Roden verschijnt Gerrijt Joras weer en wederom is de aangeslagene niet in staat op de belasting op te hoesten; ‘Onmagtigh’.

In de belastingarchieven uit het jaar 1774 omschreven als: ‘Gerrijt Joras in bedrijf als ceuter onmagtigh om te betalen’. Hetzelfde lot onderging ook de eveneens in het Westeijnde wonende Lambert Ottens. (bron: Oude Staten Archieven (OSA), toegangsnummer 0001, inventarisnummer 868.24, Haardstedengeld Roden, Westeijnde, 1774, pagina 3719)

Vanaf 1785 begint de ellende pas goed voor de 67-jarige Gerrit. Waarschijnlijk waren de schuldeisers het gedrag van de steeds in schulden verkerende keuter en korvenmaker meer dan beu en zeggen hem de wacht aan. Het kan ook zijn dat Coenraad Wolter Ellents een zwak voor de man had en hem daardoor ontzag om zijn schulden in een rap tempo te voldoen. Ellents verwisseld echter op zondag 12 september1784 het tijdelijke met het eeuwige en het jaar daarop zal zijn weduwe genoeg hebben gehad van Gerrit Joras. In het archief van Huis Mensinge te Roden tussen de stukken van zakelijke aard komen wij een exploot tegen die  uitgebracht was namens Gesina Oldenhuis aan Gerrit Joras te Roden, houdende een aanzegging om in 1786 een schuld af te lossen en de zogenaamde Noordeindiger kamp te verlaten. Een ‘exploot’ is een proces verbaal van de ambtshandeling van een deurwaarder: het leggen van beslag, het constateren van bepaalde waarnemingen, of het betekenen van een dagvaarding of een ander processtuk.

De vermelding uit 1784 dat Gerrit Joras niet in staat is om de belastingen te kunnen betalen. (Bron: Oude Staten Archieven (OSA), toegangsnummer 0001, inventarisnummer 868.24, Haardstedengeld Roden, Rhoden, 1784, pagina 3728)

Laat in de maand mei van het jaar 1790 krijgt de  in het Oosteijnde wonende timmerman Jan Harms de opdracht om een lijkkist voor het lichaam van de overleden vrouw van Gerrijt Joris te maken. Uit het kasboek van de timmerman blijkt dat deze de kist op maandag 24 mei 1790 heeft gemaakt. Hinkje Harms zal ongeveer zeventig jaar oud geworden zijn. In de tussentijd blijft het conflict tussen Gesina Oldenhuis en Gerrit Joras doorsudderen. In 1792 stuurt Gerrit Joras te Roden een verzoekschrift aan de schulte Jan Willinge van Peize inzake een geschil tussen de eerste en Gesina Oldenhuis over de verpanding van een perceel land te Roden.

Blijkbaar heeft het verzoekschrift niet geholpen en is de weduwnaar Gerrit in 1793 gedwongen zijn eigendommen te verkopen. De in huize Terheijl wonende Willem de Lille was rond die tijd al druk bezig met het uitbreiden van de bezittingen in Terheijl en de Zulte, waarbij hij dit buitenkansje niet liet liggen en op dinsdag 5 februari 1793 werd de koop beklonken. Volgens de archieven van de 30e/40e penning staat op het bewijs van overdracht vermeld dat Mr. De Lille de behuizing en hof van Gerrit heeft gekocht voor 250 gulden, waarbij de 30e penning voldaan werd met 6 en de 40e penning met 5 gulden. De 30e/40e penning was een vorm van belasting over de aan- en verkoop van onroerende goederen.

Een fotokopie van de akte uit het archief van de 30e en 40e penning waarin vermeld staat dat Mr. de Lille de behuizing en hof van Gerrit Joras dezelfs voor 250 gulden heeft gekocht. (Bron: Drents Archief 30e  en 40e penningen (1679-1797), rekendag 05-02-1793, pagina 8256)

Het geld dat Gerrit voor het verkopen van zijn eigendommen in het Noordeindiger kamp kreeg, zal hij nodig hebben gehad om zijn schulden af te betalen en als we dan weer in de archieven van het lokale belastingarchief duiken, komen wij de beste man nogmaals tegen. Waarschijnlijk woont hij nu bij één van zijn kinderen. Maar is nog steeds zo arm als een kerkrat. Van de belastingplichtige staat er nu in het Haardstedegeldarchief: ‘Gerrit Joras, is niet onder de Diaconie doch onmagtig om te betaalen’. Niet onder diaconie wil zeggen dat diegene zich niet in een armenhuis van bijvoorbeeld de hervormde gemeente bevond.

De registratie van de belastingplichtige Gerrit Joras uit het jaar 1794 waarin te lezen valt dat de beste man eigenlijk geen nagel meer had om zijn achterste te krabben. (Bron: Oude Staten Archieven (OSA), toegangsnummer 0001, inventarisnummer 868.24, Haardstedengeld Roden, Roden, 1794, pagina 3742)

Na bijna tachtig jaar is het moeizame en zware leven van de weduwnaar en korvenmaker Gerrit Joris voorbij en sluit hij op donderdag 4 januari 1798 zijn ogen voor de laatste keer. Als overlijdensoorzaak werd in het overlijdens -, ondertrouw- en trouwboek 1793-1811 van Roden  ‘aan verval van krachten’ vermeld.

De vermelding van het overlijden van de bijna tachtig jaar oude weduwnaar en korvenmaker Gerrit Joris in overlijdens -, ondertrouw- en trouwboek 1793-1811 van Roden. (Bron: Drents Archief Doop, Trouw en Begraaf RegistersSoort registratie: Begraafregistratie(Akte)datum: 04-01-1798 )

Kluften

Plaatselijke gemeenschappen in Drenthe bestaan natuurlijk al heel lang en tot verdriet van velen, was men in de provincie niet zuinig op oude documenten. Veel van die oude documenten zijn erg beschadigd of bestaan stomweg niet meer. Natuurlijk was men niet overal slordig en roekeloos met de oude geschiften en is hier en daar nog iets moois te vinden. En ander gedeelte van de geschiedenis is via mond op mond reclame generaties lang bewaard gebleven.

In het kleine brinkgehucht nabij de Zulteresch was het leven voor het jaar 1795 niet veel anders dan op andere plaatsen in de Landschap Drenthe. Het was slechts een van de vele buurtschappen die in het arme en dunbevolkte gewest voorkwamen. Naast de doorgaans kleine buurtschappen waren bestonden er ook andere plaatselijke gemeenschappen zoals de marken, schultambten, kerspelen, heerlijkheden, en de dingspelen.

Doordat Cornelis Pijnacker (1570-1645) zich in 1627 in de plaats Meppel in de Landschap Drenthe vestigde, is de beroemde Pijnacker kaart van Drentia uit het jaar 1634 ontstaan. Het zou de eerste kaart van het arme en dunbevolkte gewest zijn. (bron)

Een andere term voor de plaatselijke gemeenschappen die wij in de Landschap Drenthe tegen kunnen komen zijn ‘kluften’, die ook wel ‘cluften’, ‘clufften’, of ‘kluchten’ werden genoemd. In Drenthe kon een kluft onder andere voor een onderdeel van verschillende dingen zijn zoals in een onderverdeling van een kerspel, die in de regel geen kerk had en kan dan ook gezien worden als een synoniem voor een wijk of buurtschap. Een kluft kon in sommige gevallen een meer of minder grote mate van zelfstandigheid hebben. In sommige plaatsen waar veel kluften voorkwamen, kwam men het woord kluft tegen in namen zoals ‘Noorderkluft’ of ‘Zuiderkluft’.

Nu kende men in de omgeving van het kerspel Rhoden al heel lang een vorm van kluftgebruiken, die ook wel ‘noaberplicht’ werd genoemd. Een ieder die in een noaberschap (buurtschap of kluft) woonde, had de verplichting de andere noabers (buurtgenoten) met raad en daad bij te staan. In het verlengde van wat als noaberplicht werd gezien, was de inzet van de kluften voor de eenvoudige arbeidsverdeling binnen een buurtschap. Het belang was bijvoorbeeld in Peize goed zichtbaar, waar speciaal de zorg voor de wegen jaarlijks kluftsgewijze geschiedde.

Dit gold eveneens voor het buurtschap de Zulte waar zich een herder met de schaapskudde bevond, die gebruik maakte van een schapendrift richting het grote heideveld. De noabers zullen verantwoordelijk zijn geweest voor het onderhoud en de toegankelijkheid naar het perceel heide met het nummer K-210 van bijna 37 hectare net boven de Toutenburgsingel. Het perceel heide was net zoals het grondstuk waarop de schapendrift lag, I-257bis, in het bezit van de markegenoten Zulte.

De toenmalige schapendrift van het voormalig esgehucht de Zulte die tussen de Hoppenkamp en de es Kostverloren lag. De noabers in het buurtschap waren verantwoordelijk voor het onderhoud aan de drift.

Eigenlijk bevonden zich in het kerspel Rhoden volgens het grondschattingsregister van 1642 vijf kluften: Roden, Steenbergen, Leutingewolde, Foxwolde en Zulte. Daarvoor zou het aantal kluften hebben kunnen variëren gelang de plaatselijke omstandigheden van economische aard of bevolkingsdichtheid. Op pagina 93 van het boek ‘De rechtspositie van de Eigenerfden in Drenthe’ uit 1934 beschrijft Dr. A. F. Lunsingh Meijer over een conflict tussen de eigenerfden van Roden en Steenbergen over een voorgenomen grensregeling, waarbij de bewoners van Steenbergen de scheidpalen hadden weggenomen.

De buren van Roden komen tegen het ontvreemden in verzet en eisen onder andere het volgende: ‘daer nochtans, die van Steenberghen noijt andere marcke hebben gehadt als gemeen nevens andere kluften van Roden, hoewel de kluften om gerijfs halven iedereen sijn eijgen besonder district van opslach, heijden en weijden gehadt heeft. Zij hebben nevens andere kluften alle gemene lasten eenpaerlijck gedragen.’ Opvallend is de definitie van ‘marcke’ hierin te vinden: ‘district van opslach, heijden en weijden.’ De verschillende kluften binnen het kerspel hebben elk een eigen stuk van de marke in gebruik, welke gedeelten op hun beurt eveneens de naam kluft hadden.

Een andere term die opduikt is het zogenaamde ‘filiaaldorp’. De vijf eerder genoemde kluften binnen het kerspel Rhoden zijn eigenlijk een buurtschap op zich zelf, waarbij men een typisch voorbeeld heeft van een filiaaldorp die destijds veel in Drenthe voorkwam. Zeer veel buurtschappen zijn ontstaan als filiaal- of dochterbuurtschappen van een oerbuurtschap, waarbij door de uitbreiding van de bevolking mensen uit het buurtschap vertrokken en zich vestigden op een gedeelte van de ongescheiden marke van de oorspronkelijke buurschap.

Door de zeer geringe bevolkingsdichtheid lagen de oerbuurtschappen ver uit elkaar en waren de omliggende markegronden zeer groot. Op die markegronden ontstond de nieuwe buurschap, met haar eigen gescheiden marke er om heen, oorspronkelijk min of meer afhankelijk van de oerbuurschap op wier markegronden zij lag. Die afhankelijkheid bleef bestaan in die gevallen, waarvan hier in Roden een voorbeeld is te zien, waar de verschillende buurschappen samen, wat het ongescheiden gedeelte betreft (soms werd dit nog beperkt tot alleen bos en heide of veengronden), een marke hadden. In dat geval bleven de nieuwe buurschappen feitelijk kluften van de oerbuurschap (bron: Dr. A. F. Lunsingh Meijer  – De rechtspositie van de Eigenerfden in Drenthe, van Gorcum & Comp., Assen 1934, pagina 94).

Het grensgebied tussen het dingspel Noordenveld en het Ommeland Westerkwartier nabij het Leekstermeer. In de tijd van de kluften zullen grote stukken van het gebied er zo uit hebben gezien.

In  de provincie Groningen had een kluft, ook wel ‘klauw‘ of ‘clauw‘ genoemd, een belangrijkere rol dan de buurtschappen in bijvoorbeeld Noord-Drenthe. Nu was de situatie in Groningen en vooral de Ommelanden niet te vergelijken met die van Drenthe ondanks enige overeenkomsten die wel voorkwamen zoals eerder beschreven in Peize. Door de ligging van die provincie aan de Waddenzee en het uitmonden van een tal van beken en riviertjes in diezelfde Waddenzee, speelden de buurschappen of kluften bij de waterstaat maar ook bij de onderhoud van wegen en burenhulp. Een reglement uit het jaar 1722 voor de Stadsjurisdicties van Groningen zorgde dat de dorpen hiervoor uit een aantal kluften of noabergilden (buurtgilden) dienden te bestaan. Dit gold ook voor de Ommelanden.(Wikipedia)

Had een kluft of buurtschap zoals de Zulte ten noordwesten van het kerspel Rhoden niet echt een voorman of woordvoerder, de kluften in Groningen wel degelijk. Deze werden ‘Kluftheer’ genoemd en dienden als buurt- of wijkmeester. In ‘Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden, deel 21, 1794 Van Stad en Lande’ wordt op pagina 171 aandacht besteed aan de kluftheren: ‘De Heeren van de Kluft maaken uit een Kluftheeren-getal van agt persoonen, waartoe men voor-heen twee uit ieder der vier kluften nam; maar welke zorgvuldigheid thans geene plaats meer heeft, schoon nog voor hun de stad verdeeld blyft in vier panden.’.

Komen wij in het Drenthe van de zeventiende en de achttiende eeuw de benaming ‘etstoel’ tegen voor een ambtsgebied van een plaatselijk gerecht, op ‘t Groninger Land sprak men eerder van een ‘rechtstoel’ als het de rechtsprekende colleges betrof. In het aan het noordwesten van de provincie Drenthe grenzend Westerkwartier werd de redger of rechter net als in Friesland ‘grietman’ genoemd en zijn assistent ‘wedman’. De wedman trad tevens op als deurwaarder.

Op een kaart uit het jaar 1660 waarop de Stad Groningen en de Ommelanden waren afgebeeld, zijn zowel het Vijfde Dingspil Nordeveldt als Fredewoldij te zien. Daarnaast worden de landerijen onder het Sulte meer omschreven als Lage Landen en moeras, iets waar het meer zijn naam ook aan dankte. (Atlas van Kooper, uitgegeven door Frederick de Wit in de Calver straet te Amsterdam, ca. 1660)

Er waren ongeveer 75 rechtstoelen in Groningen en als we de lijst aanhouden van de ‘Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden deel 21 1794 Van Stad en Lande, tweede deel’ dan heeft het Westerkwartier de volgende nummers 50 (Vredewold), 51. (Oosterdeel Langewold), 52. (Westerdeel Langewold), 53. (Visvliet), 54. (Ooster Ruige Waard), 55. (Middel Ruige Waard), 56. (Wester Ruige Waard), 57. (Niehove), 58. (Humsterland), 59. (Ezinge), 60. (Hardeweer), 61. (Feerwert), 62. (Aduard), 63. (Dorkwerd en Leegkerk), 64. (Hoogkerk), en 65. (Platvoetshuis) .

Voor het gebied nabij het oude esgehucht de Zulte is het toenmalige onafhankelijk Ommeland Vredewold redelijk van belang qua invloed. Het buurtschap bezat weliswaar tot het midden van de jaren twintig tijdens de negentiende eeuw niet een directe verbinding met de weg tussen Rhoden en de Leek, maar de connecties met Nijentap (Nietap) en Ter Heyl zorgden wel voor een uitwisseling van gebruik en spraak. Veel dingen gaan nu eenmaal verder dan ’t Piepke del!

Een gedeelte van de kaart van het Wester Quartier van Groningen 1751-1754. De kaart werd vervaardigd door ir. Caldenbach. (Groninger Beeldbank)

Vredewold was een staande rechtstoel van het huis Nyeoort (Nienoord) en had het nummer 50. Hieronder vielen de volgende dorpen en kluften: Marum, Noordwyk, Nuis, Niebert, Tolbert, Midwolde, de Leek, Lettelbert, Oostwolde en de Leege Meeden. Deze streek ligt in het oosten tegen het zuidwesten van Friesland, ten noorden van Drenthe, ten westen van Middagt, en ten zuiden van Langewold.

De auteur van het boek ‘Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden deel 21 1794 Van Stad en Lande, vierde hoofdstuk, pagina’s 374 tot en met 376’ omschrijft prachtig: “De dorpen liggen genoegzaam in ééne rye, opeenen zandigen en houtdragenden grond, terwyl de veenen meerderdeels ten zuiden zyn Vredewold, (by Emo Frodowalda geheten) ofschoon niet groot zynde, was al van ouds eene landstreek op zig zelve, welke een eigen wapen (Hetzelve verbeeldt eenen geharnasten ruiter te paard), een eigen landregt (Landregt van Vredewold) , en eigene rigteren in ieder dorp hadde. Deeze rigteren verdeelden zig in eene Ooster en Westerwarf, en zaten daarop gezamenlyk te regt. Dit heeft geduurd tot het jaar 1531, wanneer de gemeene rigteren , eigenerfden, en ingezetenen van Vredewold, zo wel van de ooster als de westerzyde, de geheele grieteny ervelyk opdroegen aan Beetke, de weduwe van Wigbold van Ewsum, en haare kinderen; onder die voorwaarde, dat in ieder dorp de Buurrigteren zouden blyven, en dat de tydelings aantestellene Grietman moest zyn tot genoegen der gemeente. En in dat opzigt is het nog heden een staande regtftoel van het huis Nye-oort; maar de kerkelyke collatien in de dorpen behooren mede aan anderen, hoewel dat huis door deszelfs groote goederen veel inzage daarin heeft. Tot de dorpen zelve overgaande, is van de Friesche paalen het eerste.”.

De indeling van het Ommeland Vredewold vlak voor de Bataafsche revolutie van 1795. (Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden deel 21 1794 Van Stad en Lande, vierde hoofdstuk, pagina’s 376 tot en met 380)

Een ander verschil tussen de Drentse en Groninger kluften was het ‘Claveboeck’. Het claveboek of klauwboek was in de provincie een officieel register binnen de kluften, waarvan de eigenaar gerechtigd is om als redger of rechter op te treden. De klauwboeken komen voor in de Ommelander gouwen die onafhankelijk waren van de stad Groningen zoals Vredewold. (Bron)

Dat het er in de kluften binnen de Landschap Drenthe een stuk gemoedelijk aan toe ging dan in Groningen blijkt wel uit het bovenstaande artikel uit de Drentsche en Asser courant no. 133, blad 6, van woensdag 10 juni 1953 .

In het jaar 1880 verscheen er in de Provinciale Drentsche en Asser courant een serie feuilletons over de diverse Drentse plaatsen en hun bezienswaardigheden, waarbij de kerk van Roden ook niet ontzien werd. De in de ik-vorm schrijvende verslaggever weet het zo mooi te vertellen, dat ik het uit twee delen bestaand verhaal daar waar het betrekking heeft op kluften, hier plaats. Het zijn fragmenten van ‘Naar Roden V en VI’, en ze verschenen respectievelijk op maandag 5 juli (No. 155) en dinsdag 6 juli (No. 156) 1880.

De prachtige Catharinakerk op de Brink van Roden. De kerk werd gebouwd in de dertiende eeuw en werd gewijd aan de heilige Catharina van Alexandrië.

Den toren te beklimmen — ik had er lust noch moed toe. De historie van Babel roept de stervelingen toe: ‘niet de lucht in !’ en eene andere stem geeft den raad: ‘laag en klein bij den weg — dan heeft men ’t minste gevaar !’ Wat ik later eens doe, weet ik niet, maar thans was er niets dat mij naar boven kon lokken — beneden was zooveel genoegen dat men een dwaas moest wezen, om zich te vermoeijen, door de lucht in te gaan en zoo niet van de vrolijke partij omlaag te zijn.

Toch ken ik de ernstige boodschap, welke J. Borgherdt, de klokkegieter te Groningen, door de eenige klok, welke Roden heeft, tot den volke liet spreken, toen zij in 1746 op haar hoogen troon was geheschen. Zij luidt:

lk noodige al die vreest den Heer tot dienst van Christus den Hemelkoning, En schla een naar geluyt wanneer de mens verlaat des ardse woning.

Behalve die uitnoodiging vindt men in het metaal gegrift:

Willem Baron van In en Knijphuijsen Heer van Nienoort en des landes Vredewolt, medegedeputeerde staat en Curator Academiae der provincie van Stadt en Lande medecollator tot Roden etc. etc. Hendrick Allingh, scholte tot Roden en Roderwolde, desself verwalter Tyll Krythe, Jacobus van der Scheer predicant, Ette Harm Eels van Lijverden en Deodatus Peeters in der tijd kerkvoogden, Jan Janssens en Floris Aukema van Lootingewolde als hijrtoe van de acht kluften tot Roden zijnde gekommitteerd geweest. Geert Krijthe, Hindrick Geerts als voerluiden van de klok.

Uit den toren in de kerk en al dadelijk onthaal ik mijne lezers op een dichtstukje, ’t welk ter linkerzijde op het orgel wordt gevonden. De onbekende vervaardiger zegt:

Zing Roden! Hoppincks naam en God ter eer! Een Gajus leerde u ’t eerst de zuivre Leer. Nu steunt een Catherine uw Tempelzangen Bij milde gift van ’t konstig Orgelwerk. Hij schoort den Kansel op; Zij siert uw Kerk. Uw God bezorgt uw Heiligdoms belangen Door Hoppincks, nader dan in vleesch en bloed Tot Sions dienst vermaagschapt naar ’t gemoed.

Aan de regterzijde leest men:

“Dit orgel, versierd met deze Wapens, strekt ter gedagtenisse van den Heer Albert Hoppinck, en deszelfs Huisvrouw Elizabeth Johanna Hoppinck, geboren Clarcq, en derzelver twee nagelaten kinderen, wijlen den Heer en Mr. Jacob Willem Hoppinck en Mejuffrouw Maria Catharina Hoppinck, en is vervaardigt uit een Legaat, door laatstgemelde Juffrouw op den V Maart MDCCLXXVI aan de Kerke van Roden daar toe expres gemaakt.” ݉

Aan de achterzijde staat:

Dit orgel is verveerdigt in het jaar 1779 door de directie van den WelEdele Geboren Gestrenge Heer en Mr. C. W. Ellents, raed en secretaris van het landschap Drente, etc. etc., die daartoe expreslijk is geautoriseert geworden, en is gemaakt door den orgelmaaker A. A. Hins te Groningen.

’t Orgel van Roden’s kerk is een geschenk. Eene bloedverwante van G. Hoppinck — hier predikant geweest — te ’s Hage overleden op 18 December 1776, vermaakte aan de kerk het aanzienlijke legaat van tienduizend gulden en daarvan werd het orgel vervaardigd, onder toezigt van mr. C. W. Ellents, eigenaar van het Huis Mensinge en te Boden overleden op 12 September 1784. ’t Werd ingewijd op 4 Junij 1780 door Regnerus Tjaarda de Cock, predikant te Nieuwe Pekela, naar aanleiding van Ps. CXLIV : 9. Deze leeraar was daartoe uitgenoodigd, omdat hij en ook zijne echtgenoote bloedverwanten en erfgenamen van de schenkster waren. ’t Orgel doet nog zijn maker eer aan en is, zegt men, een der beste in Drenthe.

De achterzijde van de prachtige Catharinakerk in Roden. Op de achtergrond is de toren te zien die de schrijver van een serie feuilletons over Drentse plaatsen in 1880 beklom.

In 1795 kwam er met de Bataafsche Omwenteling bestuurlijk gezien een einde aan de kluften in zowel Drenthe als Groningen.