Over molens speculeren en een graantje meepikken.

Er bestaat hier en daar enige onduidelijkheid over de plaats waar de korenmolen in de Zulte heeft gestaan. Zo gaat er af en toe het gerucht rond dat de molen op de Molenberg even ten buiten het voormalig esgehucht. Dit zou de plaats zijn want het was het hoogste punt in de directe omgeving en daarom stond de molen hier. Hier had Johan van Ewsum ook het ‘recht  van wind’ verkregen; het recht van de adel om een windmolen te mogen exploiteren. Ja, dit was de juiste locatie. Immers de straten Molenberg en de van Ewsumlaan waren toch heel duidelijke aanwijzingen?

Maar goed, als wij even de gedachte los gaan laten, dat als een ambtenaar uit historisch perspectief namen gaat toewijzen aan nieuwe straten, deze dan ook daadwerkelijk een historische waarde bevatten en gebaseerd zijn op feiten, dan krijgen wij al een heel ander verhaal. Gelukkig levert het nodige speurwerk dan ook daadwerkelijk resultaat op en ligt het verhaal toch net even anders dan beweerd wordt. Zo hebben er twee molens in de voormalige gemeente Roden gestaan, een in Foxwolde aan het Peizerdiep en eentje ten zuiden van het dorp, daar waar nu de begraafplaats ligt bij de Norgerweg.

Zou de watermolen met onderslagrad in Foxwolde bij het Peizerdiep er zo uit hebben gezien? Wij zullen het waarschijnlijk nooit te weten komen (afbeelding: Venbergse Watermolen. Overzicht van watermolen met onderslagrad, reproductie van oude foto, eigendom Abdij Postel, Mol, België. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.).

Beide molens hadden een functie als een korenmolen en zijn dus beide verdwenen. De korenmolen bij het Peizerdiep, nabij de Molenbrug en het Moleneind, was een watermolen en stond dus niet in de Zulte en daarom laten wij deze verdwenen watermolen dan ook voor wat het is. Daarnaast bevonden zich in Nietap ook nog 3 molens, 2 stellingmolens en 1 weidemolen en ook voor deze molens geldt hetzelfde als die in Foxwolde. De andere korenmolen bevond zich dus vlakbij de Norgerweg en eigenlijk moeten wij van drie molens spreken, alhoewel ze alle drie op dezelfde plaats stonden en waarbij de laatste molen rond 1892 naar de Herestraat werd verplaatst en de daarna de molen van Thie genoemd werd. Waarschijnlijk moest de molen verplaatst worden door de toenemende klandizie van de begraafplaats.

De eerste molen die daar stond in het Zulter Nijland en moet al ver voor het midden van de zestiende eeuw gebouwd zijn. Deze molen was in het bezit van ene Crabbe Aukema die rond 1546 in het Suydtende van het dorp Roden woonde. Het was ook het jaar dat Crabbe poogde om een plaats in de Etstoel, het hoogste rechtscollege in de provincie Drenthe te bemachtigen. Blijkbaar kon hij zich niet gedragen en zijn gescheld op de Jonker Johan van Ewsum zal er niet aan bijgedragen hebben dat hij binnen de groep etten en de drost zeer welkom was. In het Ordelboek werd het zo beschreven: ‘Den drosten ende XXIIII synnen mytten anderen verdragen, dat Crabbe Aukema sall nyet in den ettstoell sitten, ter tyt hye zych myt recht verantwordt hefft op de sceldinge, ende dess sullen hem de van Eusema copien geven uutten ghericht schyne, daer de sceldinge op gheghaen yss’. 1

Een zogenaamde open standerdmolen. De molenvoet, het gedeelte waar de molen op rust, is duidelijk te zien. De standerd, een 60 tot 80 centimeter dikke stam, is goed zichtbaar aan de onderzijde van de molenkast. Waarschijnlijk heeft de verwaarloosde molen van Crabbe Aukema er zo ook uitgezien in betere tijden (afbeelding: J. Pieterse, pagina 8, Hollandsch Molenboek door C. Visser en J. Pieterse. N.V. Holdert & Co., Amsterdam, 1921).

Een van de redenen van de scheldpartijen van Crabbe Aukema richting de jonker zal zeker hebben meegespeeld dat van Ewsum eerder dat jaar de woning, of wat er nog van over was, gekocht heeft. In de schattingslijst van Roden uit het jaar 1546 wordt hier vermelding van gemaakt: ‘Dat Huys bij dye moelen dat Joncker Johan van Euwszum ghecoft heft 11 br. st. ende 1/2 groeninger st.2 Waarschijnlijk heeft naast de koop van het huis, de duidelijke afwijzing vanuit de Etstoel richting Crabbe de verhoudingen tussen de beide Roners zo verstoord, dat het tot zaterdag 28 oktober 1550 moest duren voordat Engelbert van Ensse, stadhouder en drost van Coeverden, het pleit kon beslechten. Waarschijnlijk heeft toen Crabbe Aukema de restanten van de vervallen molen aan de jonker Johan van Ewsum verkocht om zijn schulden in te lossen.3 De vervallen molen zal naar alle waarschijnlijkheid een zogenaamde open standerdmolen zijn geweest.

De standerdmolen dankt zijn naam aan een rechtop staande dikke stam van ongeveer 60 tot 80 centimeter doorsnede die een ‘standerd’ genoemd wordt. De molenkast rust door middel van grote balken grotendeels op de bovenzijde van de standerd. Een ander steunpunt is de zogenaamde ‘zetel’, deze zit halverwege de standerd. Om het gewicht van het wiekenkruis te kunnen compenseren, zit het midden van de molenkast niet op de standerd maar meer naar achteren geplaatst. De molen is hierdoor in zekere mate afhankelijk van de hoeveelheid in de molenkast opgeslagen maalgoed om in evenwicht te blijven. De gehele molen steunt op een viertal tegenover elkaar geplaatste, zware gemetselde voeten die ook wel teerlingen of stiepen genoemd worden. Dit gedeelte heet ook wel ‘de molenvoet’.

Een zogenaamde gesloten standerdmolen. Bij deze standerdmolen werd een muur om de molenvoet gebouwd waarop een dak werd gelegd en er een soort schuur ontstond. Meestal hebben standerdmolens twee koppels stenen, hoewel ze deze eigenlijk nooit tegelijk gebruiken. Het ene koppel houdt de molenaar het liefst alleen voor het fijne werk gereserveerd, zoals voor tarwe, het andere koppel vermaalt alles wat er verder verwerkt moet worden (afbeelding: J. Pieterse, pagina 16, Hollandsch Molenboek door C. Visser en J. Pieterse. N.V. Holdert & Co., Amsterdam, 1921).

In het jaar 1551 laat Johan van Ewsum vrijwel op dezelfde plaats een nieuwe windmolen bouwen, waarbij de molenstenen  en de andere bruikbare delen van de afgebroken molen opnieuw werden gebruikt.  Van Pasen tot Sint Johannes (24 juni) werkten zes timmerlieden en twee houtzagers hieraan. Er waren ook houtsnijders, knechten, de meesterknecht Johan Guleker bij de bouw betrokken, alsmede schippers voor het transport van bouwmateriaal vanuit de stad Groningen. 4 De molen werd weer een zogenaamde standerdmolen, nu een molen waarbij rondom de molenvoet een muur is gebouwd. Deze muren dragen een kap  waardoor het lijkt alsof de molenvoet in een schuurtje is geplaatst. Het model van molens die zo gebouwd werden, noemen wij een gesloten standerdmolen.

Doordat Johan van Ewsum deze korenmolen had gesticht, had hij zich het ‘recht van wind’ verworven. Of de jonker ook daadwerkelijk overging om van het zogenaamde ‘heerlijk recht’ gebruik te maken en daardoor de boeren die de door hem verpachte gronden aan landbouw deden, verplichten om in zijn molen hun graan te laten malen, is mij niet bekend. Naar alle waarschijnlijkheid is dit wel gebeurd maar of de andere boeren hier ook toe gedwongen werden, is niet meer te achterhalen op dit moment. Gebeurde dit wel, dan werden deze molens ook wel ‘Banmolens’ of ‘Dwangmolens’ genoemd. Mijn vermoeden is dat van Ewsum geen gebruik hoefde te maken van macht om de boeren in de omgeving te dwingen om het graan bij hem te malen, er waren stomweg geen andere molens in de nabije omgeving.

De vermelding van Harm Hendr. (Hendriks?) als keuter en mulder in het Haardstedenregister uit het jaar 1742 van het buurschap Suideinde in Roden (bron: Oude Staten Archieven (OSA), toegangsnummer 0001, inventarisnummer 868.24, Haardstedengeld Roden, Suideinde, 1742, pagina 3674).

Naast dat de jonker een nieuwe molen heeft gesticht op de plaats waar de vervallen molen eens stond, zal de molenaarswoning die op zo’n 40 meter afstand van de molens stond, ook een beste beurt hebben gehad. Ook had de molenaar een tuin en enkele bouwlanden in zijn bezit naast de kleine keuterij die hij nodig had om zijn inkomen in bijvoorbeeld loondienst aan te vullen. In het Haardstedenregister uit het jaar 1742 komen wij ene Harm Hendrik tegen, die volgens het archief van beroep ‘cueter en mülder’ is en in het Suideinde woont. Als eigenaar van de molen en de bijbehorende gronden aan het Suideinde 146 komen wij Willem baron van In- en Kniphuisen tegen.5

Op de kaart uit 1748 waarop de Nienoordse Venen waren afgebeeld, is de korenmolen ten zuiden van Roden ook ingetekend. In tegenstelling tot veel kaarten waarbij het noorden aan de bovenzijde is afgebeeld, is bij deze oude kaart het zuiden aan de bovenkant weergegeven (kaart: Nienoordse venen, Groninger Archieven).

Als wij het jaar 1754 bereiken, dan komen als eerste op de lijst van het buurschap Zuideijnde van het kerspel Roden de molenaar Egbert Clasen tegen, die eveneens naast zijn werk als mulder ook nog een keuterboerderijtje bezit. In de Haardstedenregisters van de jaren 1691 tot en met 1694 komen wij trouwens ook een Egbert Mulder tegen, die net als de andere molenaars boven aan de lijst van het buurschap Suijdeijnde staat. Of deze Egbert ook daadwerkelijk een molenaar is geweest, durf ik niet te zeggen, maar verbazen doet het mij niet. Egbert Clasen, ook wel Clasens genoemd, werd tot en met het jaar 1784 genoemd in de archieven van het Haardstedengeld. Het is trouwens ook de dezelfde Egbert Klaassen die met Annechien Egberts gehuwd was. Hun dochter Aaltjen Egberts zou later met de latere molenaar van de molen, Engbert Geerts van Esch, trouwen.

Zoals duidelijk in de vermelding van het Haardstedengeldregister van het jaar 1754 te zien is, wordt Egbert aangeslagen als mulder en keuter. Ook is mooi te zien op de afbeelding dat de molenaar als eerste op de lijst van het buurschap Zuideijnde staat (bron: Oude Staten Archieven (OSA), toegangsnummer 0001, inventarisnummer 868.24, Haardstedengeld Roden, Zuideijnde, 1754, pagina 3691).

De negentiende eeuw breekt aan in het dorp Roden en naast de molen in het Zulter Nijland, verschijnt er in Nietap ook een korenmolen. Het groeiend aanbod  van graan uit de omgeving zal hier zeker een rol in hebben gespeeld. Een jaar later, in 1803, was Claas Egberts overleden en nam zijn zwager Engbert Geerts van Esch de taak van molenaar over en bleef dit doen tot het jaar 1831. Inmiddels had van Esch de standerdmolen, het huis, de bouwlanden en de tuin in zijn bezit gekregen.

Op de Franse legerkaart uit 1811-1813 werd de Roder korenmolen van Engbert Geerts van Esch in het Zulter Nijland zelfs specifiek vermeld. Een ander mooi detail op de kaart van het gebied, is toch wel dat de enorme heidevelden, het vele groen en bossen van toen nog goed zichtbaar zijn. Een groter contrast met vandaag de dag bestaat er haast niet (bronDrents Archief).

In 1821 stonden in de gemeente Roden dus twee korenmolens, 1 in Roden en 1 in Nietap. Op de website van Molendatabase staat het onderstaande over het maalproces dat in de molens plaatsvond: ‘Bakkers, boeren en burgers maakten gebruik van de diensten van de korenmolenaar. Wanneer er een zak rogge of “pong” werd gebracht waaraan een “strozeel”, (bos stro) was gebonden, dan wist de molenaar dat het een “stoetpong”, (stoet voor brood) was, en de rogge fijngemalen moest worden. Werd er een klein zakje met rogge bezorgd, dan was dat een teken dat er heel grof gemalen moest worden, want dan was het bestemd voor het maken van bloedworst. Was het een gewone pong rogge (zonder strozeel), dan werd het graan normaal gemalen, dan was het bestemd voor veevoer. Boekweit was een ander soort gewas. Het werd verbouwd op de hei en in het veen. Een gewas met geurige witte en rose bloemtrossen. De bloemen van boekweit waren rijk aan honing. Vóór het zaaien van boekweit werd de hei en het bovenste laagje veengrond eerst afgebrand. Van de bruin-melige boekweitkorrels werd boekweitmeel gemalen, en gebruikt voor pap en pannenkoeken. Het werd ook gemengd met rogge in roggebrood. Vervolgens was het ook geschikt voor veevoer.5

De advertentie die de korenmolenaar van Esch in november 1831 in de krant laat plaatsen om de molen, het huis met tuin te willen verkopen. Over de twee percelen bouwland van de mulder wordt geen woord gerept. De advertentie verschijnt vier dagen later nogmaals in de krant van dinsdag 29 november 1831 (bron: Drentsche courant, vrijdag 25 november1831, nummer 94, pagina 4, te Assen bij C. van Gorcum, Provinciale Drukker).

In 1831 is de molenaar Engbert Geerts van Esch het werken op de molen beu en wilde hij zich gaan wijden aan houden van een boerderij. Op vrijdag 25 november van dat jaar verschijnt er in de Drentsche courant een advertentie, waarin van Esch de standerdmolen samen met het huis en de tuin uit de hand wil verkopen. Voor meer informatie kon men bij de beklemmende meyer en korenmolenaar in Roden, die woonde in het Zuideinde op nummer 151 in het Zulter Nijland, langskomen. Opvallend is wel, dat hij zich hier een beklemmende meyer noemt, wat er op duidt dat de beste man enkel de gebouwen en de gewassen op de grond als rechtmatige pachter mocht gebruiken, maar niet dezelfde grond in het bezit had. Uit de Kadastrale gegeven uit 1832, die waarschijnlijk een jaar eerder zijn opgenomen, blijkt dat de korenmolenaar wel degelijk de eigenaar van de molen, het huis met tuin en  een paar percelen bouwland westelijk van de molen, is geweest.

Op de Kadastrale kaart uit 1832 zijn de percelen van Engbert Geerts van Esch en consorten rood omlijnd. De partner van Engbert Geerts was zijn oudste zoon Berend Engberts van Esch, die net zoals zijn vader ook korenmolenaar van beroep was. De volgende percelen behoorden aan hen toe: I-2bis bouwland, I-4 tuin, I-5 huis & erf, I-6 molen & erf, I-59 bouwland, I-60 bouwland (Kaart 1832Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).

De volgende korenmolenaar in het Zulter Nijland werd de uit Odoorn afkomstige Jan Westerhuis. Samen met zijn vrouw Janna Schutrups en hun 5 kinderen Karst, Hindrik, Gerhardina, Johanna Jans en Jan, betrokken zij de molenaarswoning met het nummer 151 aan het Zuideinde. Wellicht voldeed de oude gesloten standerdmolen niet meer aan de eisen en was het aanbod van graan zo groot geworden, dat Westerhuis het voorbeeld van Nietap ging volgen en voor een grotere molen met een hogere productie koos. Op de plaats van de oude standerdmolen liet Jan een achtkante bovenkruier met stelling, een zogenaamde stellingmolen met zelfzwichting bouwen.

De Balie- of stellingmolen zoals deze na 1831 in Roden stond en de molen dankt zijn naam aan het platform, die ook wel omloop of zwichtstelling genoemd wordt. De stelling dient ervoor, dat de molenaar daarop kan gaan staan en de wieken met de zeilen kan beleggen en de zeilen verder wegnemen, wanneer met het malen wordt gestopt. Ook maakt hij er gebruik van, wanneer de molen moet zwichten. Een aantal stellingmolens waren zelfzwichters. Een zelfzwichter is een type windmolen dat wordt gekenmerkt door het feit dat de wieken zijn voorzien van kantelbare kleppen die automatisch hun stand aanpassen aan de kracht van de wind. In het boek ‘Hollandsch Molenboek’ door C. Visser en J. Pieterse uit 1921 geeft men aan dat men molens met zelfzwichting vrijwel uitsluitend in onze noordelijke provinciën aantreft (afbeelding: J. Pieterse, pagina 32, Hollandsch Molenboek door C. Visser en J. Pieterse. N.V. Holdert & Co., Amsterdam, 1921).

In het jaar 1840 komen wij het gezin Westerhuis tegen in archieven van de volkstelling die bij hen al een jaar eerder plaats had gevonden. De op donderdag 17 maart 1785 te Exloo in de gemeente Odoorn geboren Jan Westerhuis is tijdens de volkstelling nog maar 54 jaren oud. In oktober van het jaar 1847 huwt hun dochter Johanna Jans op 22-jarige leeftijd met de boerenzoon Jan Jans Thij van 25 jaar oud in Roden.

De vermelding van het gezin van Jan Westerhuis op het adres Zuideinde 151 te Roden (bron: Volkstelling, 1840, archiefnummer 2001.21, inventarisnummer 2, Gemeente: Roden).

Acht jaren later, als de korenmolenaar 70 jaar oud is, besluit zijn vrouw Janna Schutrups te gaan hemelen en blijft de oude man alleen achter. Het volgend jaar 1856 brengt ook alleen maar ellende. Jan Jans Thij komt dat jaar op 34-jarige leeftijd te overlijden en laat zijn vrouw met 3 kleine kinderen achter. Zijn oudste zoon Karst is eveneens molenaar van beroep en zal het zware werk van de oude Jan hebben overgenomen. Op dat moment heeft de woning inmiddels het adres Roden 180. Het is niet uit te sluiten dat kleine Jan Thie samen met zijn opa regelmatig in en nabij de molen te vinden was en zo de liefde voor het vak gevonden heeft.

De situatie op de kaart die uit 1879 stamt en in de jaren zestig is gebruikt voor de weergave van de Kadastrale percelen op de plaats waar eens de molen heeft gestaan (Bron: Drents Archief).

Op donderdag 27 september 1866, twee dagen na de Roder paardenmarkt en 81 jaar en 6 maanden oud, sluit de oud korenmolenaar Jan Westerhuis voor het laatst zijn ogen en blijft de vrijgezelle zoon Karst over om de molen in bedrijf te houden. Ook dan zal de inmiddels 14-jarige Jan zijn oom regelmatig geholpen hebben bij de zware werkzaamheden binnen en om de molen als het werk op de boerderij van moeder het toestond. Zestien jaar later trouwt Jan Thie met de uit Yde, gemeente Vries afkomstige Alida Homan en wordt daarna in 1882 waarschijnlijk samen met zijn oom Karst molenaar.

In juni van het jaar 1890, tijdens de bevalling van hun laatste dochter Johanna gaat het blijkbaar goed mis. Alida komt in de maand augustus te overlijden en dochter Johanna doet dat in de maand september. Twee jaar later hertrouwd Jan met de uit Tolbert afkomstige Alberdina Cazemier in Roden en wordt de molen in het Zulter Nijland afgebroken en weer aan de Herestraat in het dorp opgebouwd. Karst Westerhuis maakt het allemaal nog mee en komt in 1909 te Roden op de respectabele leeftijd van 91 jaar en vier maanden te overlijden. De molen werd in het jaar 1919 definitief afgebroken.

Het huidige gebied vanuit de lucht en in het jaar 2015 gefotografeerd. Alleen nog de Molenweg doet ons vermoeden dat hier ooit een molen heeft gestaan (Afbeelding: Topotijdreis.nl).

1 Oude Vaderlandsche Rechtsbronnen. Ordelen van den Etstoel van Drenthe 1518 – 1604. Uitgegeven door Mr. J. G. Ch. Joosting, Rechtskundig ambtenaar aan het gemeente-archief van Utrecht. ‘s-Gravenhage, Martinus Nijhoff, 1893. Bladzijde 160.

2 Een schattingslijst van Roden uit 1546. Alma, Redmer H.. (1997) – In: Drents genealogisch jaarboek vol. 4, 1997. Bladzijden 30-34

3 Register van het archief van Groningen 1534 tot 1577, Volume 2, door Mr. H. O. Feith. Archivaris der Provincie Groningen. Te Groningen, bij A.L. Scholtens, 1854. Bladzijde 59.

4 De bouw van een molen te Roden ( Dr.) in 1551, art. door B.D. Poppen in Molinologie nr. 40-2013, pag. 31-36.

5 Molen van Thie, Roden. https://www.molendatabase.org/molendb.php?step=details&nummer=923

Blaauwverwerij in de Zulte 38.

Aan het einde van het jaar 1856 verschijnt er in de Provinciale Drentsche en Asser courant van woensdag 10 december een advertentie van ene Cornelis Klaassens Hofsteenge, die ter zijner tijd een boerenbehuizing te koop zal gaan aanbieden. De dan 37-jarige Hofsteenge doet er in de advertentie uitvoerig verslag van dat het huis in het verleden diende als een blaauwverwerij en daarvoor nog steeds zeer geschikt is. Daarnaast beschikt het huis over drie kamers, hofgrond, bouwland en enige percelen hooiland met een venige onderlaag. Waarschijnlijk is de term ‘in het verleden’ redelijk betrekkelijk als het over de werkplaats voor het blauwverven gaat. Eerder dat jaar, op zondag 27 april 1856, wordt zijn zoon Klaas Hofsteenge geboren en bij het invullen van de persoonsgegevens, geeft Cornelis aan dat hij stoffenverver van beroep is. Dus het is zeer aannemelijk dat de beste man recentelijk gestopt was met het verven van stoffen en kleding in de werkplaats.

De advertentie zoals deze in 1856 in de Provinciale Drentsche en Asser courant verscheen. De voormalig stoffenverver uit de Zulte geeft aan voornemens te zijn om zijn woning te gaan verkopen (bron: Provinciale Drentsche en Asser courant, 33e jaargang, nummer 99, woensdag 10 december 1856, 3e blad).

Het huis dat in het jaar 1832 nog in het bezit was van de Kindren van Floris Aukema, was in de latere jaren in het bezit gekomen van Cornelis Klaassens Hofsteenge, die toen nog het vak van riet- en strodekker bekleedde. De op donderdag 24 juni 1819 geboren zoon van de tapper Klaas Hofsteenge en zijn vrouw Angenietje Reinders trad op zaterdag 5 december 1845 in het huwelijk met de 25-jarige uit Peize afkomstige Jantien Jans Melkman, die weduwe was van Harm Hindriks Sietsema. Het huwelijksfeest zal ongetwijfeld op het adres Zuideinde 147 te Roden plaats hebben gevonden, daar waar de tapper Klaas Hofsteenge woonde. Tegenwoordig heeft het pand het huisnummer Brink 20.

De percelen E-346 (huis en erf) en E-347 (tuin) op de Kadastrale kaart van 1832. Op het eerste perceel bevond zich dus de tapperij van kastelein Claas Hofsteenge aan het Zuideinde in Roden. In dit pand zullen de feestelijkheden van het huwelijk tussen Cornelis Klaassens Hofsteenge en Jantien Jans Melkman ongetwijfeld hebben plaatsgevonden (Kaart 1832Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).

In het jaar 1856 woonde Cornelis Klaassens, destijds ook wel als Klasens geschreven, dus met zijn vrouw Jantien Jans Melkman en hun vier kinderen dochter Angenietje Cornelis (1847), zoon Jan Cornelis (1851), dochter Aaltien Cornelis (1853) en de in april van dat jaar geboren zoon Klaas Cornelis, in het huis in het voormalig esgehucht de Zulte met het nummer 38. Daarnaast verbleef ook de dochter uit Jantien Jans haar eerste huwelijk, de in 1845 geboren Harmanna Harms Sietsema en de 23-jarige boerenknecht Evert Jans Wold.

Op het perceel I-170 op de Kadastrale kaart uit 1832 komen wij het huis tegen, waarin later de familie Hofsteenge kwam te wonen. De grote boerderij die naast de woning staat, was destijds in het bezit van landbouwer Jacob Jans Sinninge (Kaart 1832Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).

Toen het gezin hier kwam te wonen werkte Cornelis Klaassens dus nog als een dakdekker en voorzag dus gebouwen van een dakbedekking van riet of stro. Een oude omschrijving zegt: “De rietdekker is een ambachtsman, wiens werk het is huizen, boerderijen, hooibergen en molens met riet te dekken. Het dakspan word hierbij bedekt met rieten schoven, die vervolgens door den Rietdekker glad aangeslagen…worden. Het riet (en ook stro) wordt hierbij met een twijg of teen, de derwisch aan de dakroeden gebonden. De strodekker dekt huizen met stro. Per vierkante meter strodak heeft men daarvan twaalf kilogram nodig.1

De samenstelling van de acht bewoners in het huis met het nummer Zulte 38 aan het einde van het jaar 1856 (bron: Drents Archief, Bevolkingsregister Deel 1, 1852-1862, archiefnummer 2001.21, inventarisnummer 3 Gemeente: Roden).

Later in de jaren vijftig van de negentiende eeuw blijkt Cornelis Klaassens zijn ambacht van riet- en stroodekker ingeruild te hebben voor het beroep van stoffenverver. Hij ging dus stoffen verven, door bijvoorbeeld met een oplossing waarin de kleurstof indigo zat en het stof een blauwe kleur kreeg. Voor veel mensen was het in die tijd veel goedkoper hun kleren te laten verven, dan dat zij nieuwe kleren moesten kopen. In het Statistisch jaarboekje voor het Koningrijk der Nederlanden, dat de welvaart en de industriële ontwikkelen in ons land in de gaten hield, merkt op dat: “In Drenthe telde men rond het jaar 1854 nog vijf blaauwverwerijen in de provincie, twee in Assen en de andere drie bevonden zich in Dalen, Dwingelo en Roden.2 Zo werd ook de Ter Heilster pannenfabriek genoemd: “Van de vier steenbakkerijen in Drenthe hebben ééne te Ter Heil, gemeente Roden, tevens pannenbakkerij, en ééne te Emmen niet gewerkt. De beide overige werkten met 8 mannen en 2 jongens, de eersten tegen f 1, de laatsten tegen f 0.90 daags.2

De advertentie van de publieke verkoping van het huis en de landerijen van Cornelis Klaassens Hofsteenge gelegen in de Zulte en gehouden in de kroeg van Harm Schuring. Deze advertentie verscheen een week later nogmaals in de Provinciale Drentsche en Asser courant van zaterdag 3 januari 1857 (bron: Provinciale Drentsche en Asser courant, 33e jaargang, nummer 104, zaturdag 27 december 1856, 4e blad).

Aan het einde van de maand december in het jaar 1856 hakt Cornelis Klaassens de knoop door en kan notaris Herman Hubert van Lier uit Assen aan de slag om het een en ander gereed te maken voor de verkoping, die plaats zal vinden in de herberg van Harm Schuring in Roden. Deze bevond zich destijds ongeveer op de plaats waar nu de ‘Pompstee’ staat. Op zaterdag 27 december staat de advertentie in de Provinciale Drentsche en Asser courant en kan een ieder die belangstelling toont voor de woning en de landerijen, op dinsdag 6 januari 1857 dus zijn bod uitbrengen in de kroeg van Schuring.

Uiteindelijk wordt de hele handel verkocht en vertrekken Cornelis Klaassens Hofsteenge en Jantien Jans Melkman in de maand mei van het jaar 1857 naar Zevenhuizen in de gemeente Leek. Hofsteenge is zijn vorige beroepen blijkbaar beu en gaat op 37-jarige leeftijd een compleet nieuwe uitdaging aan: Landbouwer. Dat het in Zevenhuizen vruchtbaar is voor het echtpaar blijkt wel, dochter Egbertje ziet op dinsdag 19 april 1859 voor het eerst het licht en dan volgt zoon Kornelis op vrijdag 3 januari 1862.

Op de kadastrale kaart uit het jaar 1887 is goed te zien dat de kapitale boerderij naast het voormalig huis van Cornelis Klaassens Hofsteenge is verdwenen en plaats heeft gemaakt voor een kleiner gebouw (Bron: Drents Archief).

En toch kan Cornelis het ware beroep niet vinden en komen wij de oud Roner in het jaar 1865 weer tegen. Nu woont hij met zijn gezin in de Grootegast, waar hij nu werkt als vleeshouwer en daar wordt een levenloos kind geboren op woensdag 25 oktober 1865. Vijf jaren later duikt Cornelis weer op, maar deze keer in Oldekerk waar hij nu als slager werkt. Echter het zit Cornelis en Jantje weer niet mee en op zaterdag 3 december 1870 komt hun 19-jarige in Roden geboren zoon aldaar te overlijden. Uiteindelijk sluit Cornelis in het jaar 1885, 66 jaar oud, zijn ogen voor het laatst en Jantje volgt haar echtgenoot elf jaren later in 1895 op 75-jarige leeftijd.

De situatie op de plaats waar eens de blaauwverwerij van Cornelis Klaassens Hofsteenge en zijn Jantje gestaan heeft in het midden van de jaren zestig van de twintigste eeuw. De originele kaart stamt uit het einde van de negentiende eeuw en werd later gebruikt door de ambtenaren van de gemeente Roden om de vorderende woningbouw binnen het dorp in kaart te brengen. Het betreft hier op de kaart de plaats waar tegenwoordig het Wethouder Deodatusplantsoen ligt (Bron: Drents Archief).

Bijna een jaar later besluit ook Cornelis Klaassens zijn vader, Klaas Cornelis Hofsteenge,  het bijltje er bij neer te gooien en zet zijn huis aan het Zuideinde in Roden te koop. Na het verlies van zijn vrouw op zondag 24 december 1848 en het vertrek van Cornelis en Jantje naar Zevenhuizen, zet nu Klaas Cornelis notaris Herman Hubert van Lier aan het werk. Op dinsdag 24 december 1857 verschijnt er in Provinciale Drentsche en Asser courant op het derde blad een advertentie met het voorgenomen verkoop van de woning, welke plaats zal hebben op vrijdag 4 december 1857 bij Harm Schuring. Je zou haast iets gaan vermoeden dat er een link tussen de familie Hofsteenge en de maand december bestaat. Klaas Cornelis Hofsteenge sluit voor altijd zijn ogen in Roden op zondag 17 september 1865.

Voor Klaas Hofsteenge was het in het jaar 1857 welletjes en ook hij besloot zijn herberg te verkopen. Zijn vrouw Angenietje Reinders was negen jaren eerder op zondag 24 december 1848 overleden en nu dat Cornelis en Jantje waren verhuisd, zal de lol er wel voor Klaas zijn afgegaan (bron: Provinciale Drentsche en Asser courant, 34e jaargang, nummer 141, dingsdag 24 november 1857, 3e blad).

Toen Cornelis Klaassens naar Zevenhuizen in de gemeente Leek was vertrokken, verkocht hij de woning in maart 1857 in de Zulte aan de op zondag 20 juni 1813 te Eelde geboren Aleph Dekker, ook wel Alef genoemd. Dekker was net zoals Hofsteenge verver van beroep, dus deze locatie die geschikt was voor de ververij kwam als geroepen. Samen met zijn tweede vrouw, de op donderdag 13 september 1832 in Peize geboren Diena Alberts Talens betrekken zij in het jaar 1859 het huis. Op vrijdag 24 augustus 1860 wordt hier hun dochter Gerritdina Dekker geboren. In oktober dat jaar trekt de in 1787 te Groningen geboren en gepensioneerde Frederik Noordbergen bij het gezin Dekker. Aleph Dekker blijft tot aan zijn dood op maandag 15 januari 1894 in de Zulte zich verver noemen.

Het gezin van de Aleph Dekker in het huis met het nummer Zulte 38 rond het jaar 1862. De gepensioneerde Frederik Noordbergen vertrok later naar Peize (bron: Drents Archief, Bevolkingsregister Deel 1, 1852-1862, archiefnummer 2001.21, inventarisnummer 3 Gemeente: Roden).

Zoals op veel plaatsen binnen het huidige dorp Roden het geval is, zijn de sporen van de oude bewoning compleet verdwenen en zijn er enkel oude kaarten en archiefstukken die ons nog op de rijke geschiedenis van de vele gebieden kunnen wijzen. Tegenwoordig staan er ook huizen op de plaats waar eens de blaauwverwerij zich bevond en er door Cornelis Klaassens Hofsteenge en later Aleph Dekker kledingstukken werden geverfd.

De rode pijl wijst de plaats aan op een luchtfoto uit 2019 waar eens het huis van Cornelis Klaassens Hofsteenge heeft gestaan. Tegenwoordig bevinden twee woningen op de plaats van de voormalige blauwververij: Molenberg 12 en Wethouder Deodatusplantsoen 33 t/m 33 A (Afbeelding: Topotijdreis.nl).

1 Ambachten, beroepen en functies van toen

2 Statistisch jaarboekje voor het Koningrijk der Nederlanden. Vierde jaargang. Uitgegeven door het Departement van Binnenlandsche zaken. Te ’s Gravenhage, bij van Weelden & Mingelen en bij hunne correspondenten. 1854.