De Zulte in het woordenboek.

Toen de op donderdag 7 december 1792 te Amsterdam geboren heer Abraham Jacob van der Aa als Nederlandse letterkundige en lexicograaf in het jaar 1839 zich waagde aan zijn uitdaging om van alle plaatsen in het Nederlands koninkrijk het wetenswaardigste bijeen te brengen, kon hij niet bevroeden hoeveel plezier een aantal bewoners van het koninkrijk zou gaan bezorgen. Nou ja, het kleine gedeelte dat met enige regelmaat met zijn of haar neus in één van de veertien delen van het ‘Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden‘ zit te pluizen om de geschiedenis van een bepaalde plaats of gebeurtenis op te zoeken. 

Ondanks dat zijn 14-delig naslagwerk een goed beeld geeft van hoe het in het Nederland van het midden van de negentiende eeuw eruit moet hebben gezien, zonder de kaarten uit die periode blijft het soms toch behoorlijk gissen waar wat gelegen heeft, of juist niet! Weliswaar was de Kadastrale kaart die de situatie weergaf rond het jaar 1832 behoorlijk betrouwbaar, maar dit was echter eerder een uitzondering dan de regel. 

Op deze uitsnede van een kaart van de Provincie Groningen opgemaakt door. A. Smit van der Vegt, Landmeter bij het Kadaster in het jaar 1837, is in tegenstelling tot de kaarten van het Kadaster, te zien dat deze niet geheel correct was getekend. Zo ligt bijvoorbeeld de Westeinder Weg ten oosten van het dorp Roden, terwijl deze ten westen van Roden lag en naar het huidige dorp Nieuw-Roden liep (bron: Groninger Archieven. Kaart van de Provincie Groningen opgemaakt onder toezigt van G. Acker Stratingh, Med. Doctr. doorI. A. Smit van der Vegt, Landmeter bij het Kadaster, 1837.).

Desondanks dat de kaarten redelijk betrouwbaar waren en van der Aa verreweg de meeste plaatsen die hij beschrijft nooit heeft bezocht, blijft zijn naslagwerk een prachtige handleiding om het een en ander te weten te komen van het gebied in, rondom en ten noordwesten van het voormalig esgehucht de Zulte in de periode tussen de jaren 1839 tot en met 1851. 

Ook op deze uitsnede van de kaart van de Provincie Groningen opgemaakt door. A. Smit van der Vegt, Landmeter bij het Kadaster in het jaar 1837, wordt het stroompje de Zulter Bitse ineens de Winsumer sloot en komt het uit in het Leekstermeer in plaats van het Leekster Hoofddiep. (bron: Groninger Archieven. Kaart van de Provincie Groningen opgemaakt onder toezigt van G. Acker Stratingh, Med. Doctr. doorI. A. Smit van der Vegt, Landmeter bij het Kadaster, 1837.).

Zeker gezien in de tijdgeest van het midden van de negentiende eeuw en eigenlijk alleen de welgestelden, hogescholen en universiteiten zich het konden veroorloven om exemplaren van het Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden aan te schaffen, blijft het een prachtige reis door de tijd. 

Het spreekt voor zich om de alfabetische volgorde aan te houden en dan het eerste het beste artikel te gaan behandelen dat ook maar enigszins iets met de Zulte te maken heeft, maar op een of andere manier vind ik dat toch niet helemaal in het verhaaltje passen en begint het verhaal juist met het dertiende deel van het Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden uit 1851 waar we voormalig esgehucht ten noorden van het dorp Roden tegenkomen. 

Op pagina 329 in het dertiende deel van het Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden uit 1851 komen het voormalig esgehucht tegen. Vanzelfsprekend zonder de ‘h’ aan het eind van de naam die ergens in de jaren dertig van de vorige eeuw door een overijverige ambtenaar aan de naam werd toegevoegd (bron: Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, bijeengebragt door A. J. van der Aa, onder medewerking van eenige Vaderlandsche Geleerden. Dertiende deel. Z. Te Gorinchem, bij Jacobus Noordduyn. 1851. Pagina 329.).

Het voormalig esgehucht ligt volgens het boekwerk in het dingspil van Noordenveld, dat gelegen is in de provincie Drenthe. De Zulte bevindt zich op ruim 4 uren ten noordnoordwesten van de gemeente Assen en op 5 minuten loopafstand noordwestelijk van het dorp Roden. Het gebied dat tot de Zulte werd gerekend was ongeveer 13 hectare groot en er woonden volgens het Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden destijds 80 mensen.

Het in het boek genoemde aantal inwoners van de Zulte klopt vrij aardig, zeker gezien de gegevens die men destijds ter beschikking had. Het exacte aantal bewoners van het esgehucht was na de volkstelling in het jaar 1830 83 personen en tien jaar later bij de volgende volkstelling in 1840 zelfs 86 inwoners, zoals hierboven te zien is (bron: alledrenten.nl. Roden | Bevolkingsregister | 2001.21 | 2 | Gedigitaliseerde bevolkingsregisters van de voormalige gemeente Roden | Volkstelling, 1840).

In dit deel komen wij op pagina 329 naast de Zulte ook het Zultermeer tegen. Het Zultermeer, ook wel Sulte- of Sultermeer genoemd, is natuurlijk het huidige Leekstermeer. Het ondiepe en zeer visrijke meer dankt zijn oorspronkelijke naam aan de vlakke oevers die zeer drassig waren. Meer over het ontstaan en de naamgeving van het gebied kunt u in het artikel Sülte en het moeras’ lezen. 

(bron: Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, bijeengebragt door A. J. van der Aa, onder medewerking van eenige Vaderlandsche Geleerden. Dertiende deel. Z. Te Gorinchem, bij Jacobus Noordduyn. 1851. Pagina 329.).

Dat het Leekstermeer erg ondiep was en zeker voordat het meer geschikt werd gemaakt voor onder andere de pleziervaart, was mij al duidelijk na verhalen die mijn in de Zulte geboren grootvader mij vertelde. Hoe hij met passie vertelde dat hij als bengel aan het begin van de twintigste eeuw van de ene zijde naar de andere zijde van het meer liep, van zuid naar noord, en zijn haren niet nat had gekregen tijdens het lopen. 

De vermelding van het Sulte-meer op pagina 801 van het Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, Tiende deel S uit het jaar 1847 (bron: Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, bijeengebragt door A. J. van der Aa, onder medewerking van eenige Vaderlandsche Geleerden. Tiende deel. S. Te Gorinchem, bij Jacobus Noordduyn. 1847. Pagina 801.).

En als er over de effecten die de eb en vloed op de waterstand moeten hebben gehad volgens enkelen werd gesproken, schudde hij zijn hoofd en zei hij: “Die luu bent niet wies, bent dreumers!”. Van het effect van de zee, daar had hij nooit wat van vernomen, in al die jaren dat hij bij het Leekstermeer kwam. 

De beschrijving van het Leekstermeer in het zevende deel van het Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden. (bron: Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, bijeengebragt door A. J. van der Aa, onder medewerking van eenige Vaderlandsche Geleerden. Zevende deel. L. M. Te Gorinchem, bij Jacobus Noordduyn. 1845. Pagina 98.).

Een ander effect op het ontstaan van het huidige Leekstermeer was het beekje de Leeke, de Leke of de Lek, dat zijn oorsprong had iets onder het gehucht Terheijl, waar het op het toen immens groot natte heideveld ontsprong en het meer van water verzorgde. Later toen het Leekster Hoofddiep rond 1560 werd gegraven in opdracht van Wigbold van Ewsum jr., voor de afwatering en als vaarweg voor turfschepen, kwam deze grotendeels in de bedding van de Leeke te liggen. 

Een pagina eerder in het zevende deel van het Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden komen wij de vermelding van het beekje de Leeke tegen. (bron: Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, bijeengebragt door A. J. van der Aa, onder medewerking van eenige Vaderlandsche Geleerden. Zevende deel. L. M. Te Gorinchem, bij Jacobus Noordduyn. 1845. Pagina 97.).
Op de kaart van A. Smit van der Vegt uit 1837 heet de beek de Lek. (bron: Groninger Archieven. Kaart van de Provincie Groningen opgemaakt onder toezigt van G. Acker Stratingh, Med. Doctr. doorI. A. Smit van der Vegt, Landmeter bij het Kadaster, 1837.).

*Link: Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden Hier kunt alle 14 exemplaren van het Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden downloaden.

Bakken veur old en nij in de Zulte.

Hoppaaaaa!!! Daar vloog het volgende baksel uit het bakijzer op de oude keukentafel, waarna er een aantal handen deze probeerde te bemachtigen. De snelste hand pakte het gloeiend hete baksel en draaide deze om een dun stokje. En ja hoor! daar vloog de volgende alweer richting het tafelblad. Er heerste bij menig keukentafel in de Zulte een drukte van jewelste zo vlak voor oud en nieuw: “Rollegies bakken!”.

Ondanks de oorlog ging in 1943 het bakken van de nij-joarskouken in het Nedersaksisch taalgebied gewoon door. (bron: Nieuwsblad van het Noorden, Vrijdag 31 December 1943 56ste jaargang, No. 306, pagina 1. Afbeelding gemaakt door Foto Folkers).

Een heel oude traditie in grote delen van het Nedersaksisch taalgebied zijn de zelfgebakken koeken bij de nieuwjaarborrel. Zowel de rollegies als de knieperties werden destijds massaal genuttigd tijdens de zogenaamde ‘nieuwjaarsvisite‘. Trouwens niet te verwarren met de geniepige ‘knieperds‘, dat zijn namelijk onhoorbare en zeer stinkende windjes die men zo nu en dan laat!

Een ouderwets rolletjesijzer waarin vroeger rollegies en kniepeties gebakken werden (afbeelding: Veilinghuis-Online. Veilingmeester Joost Franken. Aanbieder: Kringloopwinkel Son https://www.veilinghuis-online.nl/wonen/1011/kniepertjesijzer).

De nij-joarskouken, rollegies of te wel de nieuwjaarsrolletjes werden destijds in een zogenaamd ‘rollegiesiezer, kniepiezer of nij-joarsiezer‘ op een door hout gestookt fornuis gebakken. Het dunne deeg werd met een lepel op het onderste blad van het ijzer gedaan, dat vervolgens dicht geknepen werd en op één van de gaten in het fornuis gelegd. Hierop bleef het rolletjesijzer enkele minuten liggen tot het deeg gaar was en werd deze weer van het vuur gehaald. In een vloeiende beweging werd het ijzer geopend en vloog de platte koek richting de keukentafel.

Een recept voor de nieuwjaarrolletjes in het Margriet Kookboek van mijn moeder uit het jaar 1948 met de prachtige bijbehorende illustraties (afbeelding: Margriet Kookboek, Samengesteld door Marianne, met medewerking van de Voedingsraad. Uitgave “Margriet” Weekblad voor moeder en kind. “De Geïllustreerde Pers N. V.”, AmsterdamBladzijde 297).

Wanneer de platte koek eenmaal op de tafel terecht was gekomen, werd deze snel om een rond stokje gewikkeld en zo ontstond er dus een rolletje. Het rollen moest snel gebeuren wanneer het baksel nog gloeiend heet was, anders zou deze breken tijdens het oprollen. Nu weet ik uit overlevering sommigen dit met opzet deden om maar te kunnen snoepen van deze overheerlijke koekjes.

Zeker in de wat grotere gezinnen waar met meerdere ijzers gebakken werd, moesten de rollers er bij tijden flink aantrekken om het tempo bij te kunnen houden en het kan haast ook niet anders, dat er een krachtterm gebezigd werd wanneer er een hete koek te lang contact maakte met de huid. In mijn jonge jeugd heb ik dit eens mee mogen maken in de Zulte, dat vier jongedames aan het bakken waren en de rest uit het gezin de rolletjes draaiden. Dat was een waar spektakel!

Het recept voor de overheerlijke knijpertjes in het Margriet Kookboek uit 1948 (afbeelding: Margriet Kookboek, Samengesteld door Marianne, met medewerking van de Voedingsraad. Uitgave “Margriet” Weekblad voor moeder en kind. “De Geïllustreerde Pers N. V.”, AmsterdamBladzijde 298).

Bij de knieperties of knieperdies, ging het er iets gemoedelijker aan toe. Het deeg was veel steviger en was tot kleine balletjes gevormd, die vervolgens op het onderste blad van het ijzer werd gelegd. Deze werden net zoals de rolletjes boven het fornuisvuur gaar gebakken en op de tafel gestort. De knieperties werden echter niet om een stokje opgerold, maar na het afkoelen in een groot koekblik gestapeld.

Ene meneer J. H. Kanne uit Musselkanaal wees in 1969 de Blikvanger erop dat er voor beide koeken, rolletjes en knijpertjes, verschillende ijzers zijn. De heer Kanne kan op zijn manier gelijk hebben, maar in veel keukens werd vroeger hetzelfde ijzer gebruikt voor zowel rollegies als knieperties. Het geld groeide destijds de mensen niet op de rug (afbeelding: Nieuwsblad van het Noorden, Editie Stad Groningen en Haren, Woensdag 31 december 1969, 82ste jaargang, no. 306, bladzijde 9).

Ebbinges en de Zulte.

Op het moment dat de 71-jarige schilderes Renske Ebbinge haar ogen voor het laatst sloot op die zwoele donderdagavond van de 21e juli 1958, kwam er een eind aan het tijdperk van de Ebbinge’s die zestig jaren eerder door haar vader, Roelof Ebbinge, in de Zulte was gestart. Renske was het jongste van de twee kinderen in gezin van Roelof en Hinderkien Ebbinge en bleef als vrijgezel tot haar dood in het huis wonen. Haar oudere broer Aldert Ebbinge, die het verkopen van het huis in 1958 regelde, overleed acht jaren later op 83-jarige leeftijd in ‘s-Gravenhage. 

Een nors ogende Renske Ebbinge voor haar huis in de Zulte in de jaren ’50 van de vorige eeuw (bron: Drents Archief).

Weliswaar was de naam Ebbinge nu uit dit gedeelte van de Zulte ten noordwesten van Roden verdwenen, maar de familie waaruit deze was voortgekomen bleek meer dan ooit nog in het voormalig esgehucht aanwezig te zijn. De oorsprong vinden wij terug ten zuiden van het naburig plaatsje Peize en om precies te zijn aan de Peijserhorst, de huidige de Horst, waar ene Roelof Brink met zijn vrouw Egberdina Buringe in het huis met het nummer 1 woonde. De landbouwer zou samen met zijn Egberdina 8 kinderen krijgen, waarvan er twee onze aandacht verdienen. 

Hun oudste zoon Roelof, die op zaterdag 24 november 1821 aldaar geboren werd, huwde op de dinsdag 12 juni 1849 met de zeven jaren jongere Janna Luinge, die eveneens uit Peize afkomstig was. Roelof en Janna verlieten op woensdag 1 mei 1850 de gemeente Peize en vertrokken naar de gemeente Eelde, waar hij als akkerbouwer aan de slag ging. Hun zoon Roelf Brink, die op zondag 15 februari 1852 aldaar het eerste levenslicht zag en inmiddels op woensdag 19 juni 1878 te Roden met Aaltien Egberts Aukema was gehuwd, verhuisde op maandag 24 maart 1879 van Eelde naar de Zulte, waar zij in het huis met het nummer 45 kwamen te wonen. Meer over Roelof en Aaltien: Roelof Brink en het gedonder in de Zulte. 

Iets meer dan vier jaren later, op zondag 4 december 1825, wordt dochter Harmtien als derde kind van Roelof en Egberdina Brink aan de Peijserhorst geboren. Harmtien stapt op vrijdag 20 juni 1845 in het huwelijksbootje met de eveneens uit Peize afkomstige en twee jaren oudere Aldert Ebbinge, die op dinsdag 24 juni 1823 was geboren als zoon van de landbouwer Aldert Allerts Ebbinge en zijn vrouw Cathariena Roelofs Mulder. Het prille echtpaar Ebbinge kwam bij de ouders van Aldert inwonen. Het echtpaar krijgt 7 kinderen waarvan hun derde kind, zoon Roelof Ebbinge en geboren op donderdag 9 augustus 1855 te Peize, op vrijdag 27 mei 1881 huwde met de uit Roderwolde afkomstige Hinderkien Egberts Aukema, een jongere zuster van Aaltien Egberts Aukema.  

Afbeelding van de huwelijksakte van de landbouwer Roelof Ebbinge en Hinderkien Aukema (bron: Drents Archief. Bronvermelding: Huwelijksregister Roden 1881, archiefnummer 0166.021, inventarisnummer 1881, aktenummer 16, Gemeente: Roden, Periode: 1881).

De beide meiden waren dochters van Egbert Floris Aukema, zoon van Floris Egberts Aukema, die grote delen van het gebied rondom het dorp Roden in bezit had. Toen in 1832 het Kadaster in werking kwam, werden de eigenaren van zijn percelen inmiddels aangeduid als ‘de kindren van Floris Aukema’. Wederom een verbinding met de Zulte, waar zij ook veel grond bezaten. 

De vermelding van de geboorte van de zoon van Roelof Ebbinge, Aldert Ebbinge, op zaterdag 11 november 1882 in het Geboorteregister van de Gemeente Roden (bron: Drents Archief. Bronvermelding Geboorteregister Roden 1882, archiefnummer 0165.021, inventarisnummer 1882, aktenummer 77, Gemeente: Roden, Periode: 1882).

Het echtpaar Ebbinge vertrekt naar Roderwolde, waar naar ruim anderhalf jaar op woensdag acht november 1882 zoon Aldert geboren werd. Zo’n vier jaren later wordt dochter Renske net zoals haar broer, op een woensdag in Roderwolde geboren. Om precies te zijn zag Renske op woensdag 1 december 1886 voor het eerst het levenslicht. Wat ook de reden geweest, Roelof en Hinderkien hielden het bij slechts twee kinderen, iets wat zeker niet gewoon was in die dagen.

Op zaterdag vier december 1886 werd de drie dagen eerder geboren Renske Ebbinge bijgeschreven in het Geboorteregister van de toenmalige gemeente Roden (bron: Drents Archief. Bronvermelding Geboorteregister Roden 1886, archiefnummer 0165.021, inventarisnummer 1886, aktenummer 82, Gemeente: Roden, Periode: 1886).

Na ruim vierenhalf jaar houden de landbouwer Ebbinge en zijn vrouw het voor gezien in het prachtig dorpje Roderwolde en keren op de woensdag 13 mei in het jaar 1891 naar zijn geboortedorp Peize terug. Ook in Peize beoefend Roelof het beroep van landbouwer uit en komt in het gezin in het huis met het nummer 299 te wonen, zoals op de afbeelding hieronder goed te zien is. Op vrijdag 18 september van het jaar 1896 vertrekt de dan bijna 14-jarige zoon Aldert naar Groningen om naar alle waarschijnlijkheid door te kunnen leren. 

De vermelding van het gezin Ebbinge in het Bevolkingsregister van de toenmalige Peize. Het gezin vestigde zich op woensdag 13 mei 1891 in het dorp en vertrok bijna zeven jaren later weer naar de gemeente Roden (bron: Drents Archief. Bevolkingsregister Peize 1863-1919 D-E).

Zo’n zeven jaren later is het mooi genoeg geweest in Peize en vertrekken Roelof, Hinderkien en Renske Ebbinge volgens de archieven van de voormalige gemeente Peize op woensdag 30 maart 1898 naar de gemeente Roden om zich in het esgehucht de Zulte te gaan vestingen, waar een nieuw huis op ze staat te wachten. Donderdag 31 maart 1898 woont het gezin officieel in Roden met het adres Zulte 183, wat later veranderd wordt in nummer 202. Zoals het in de vorige woonplaatsen het geval was, gaat Roelof volgens het bevolkingsregister van de voormalige gemeente Roden ook hier aan de slag als landbouwer.

In het bevolkingsregister van de voormalige gemeente Roden staat keurig beschreven dat de familie Ebbinge op woensdag 30 maart 1898 uit Peize is vertrokken en een dag later, op donderdag 31 maart in de Zulte ging wonen (bron: Drents Archief. Bevolkingsregister Roden 1882-1900 deel 1 A t/m K).

Op de pagina staat te lezen dat ook nog een Aldert Ebbinge bij het gezin inwonend is. Het is echter niet de zoon van Roelof en Hinderkien, maar de zoon van de vijf jaar oudere broer van Roelof, Aldert Ebbinge die dezelfde naam draagt als zijn vader en op zaterdag 17 september 1887 te Peize geboren is. De dan bijna twaalfjarige jongen kwam na anderhalf jaar op donderdag zeven september 1899 bij het gezin in te wonen en zal er als boerenknecht hebben gewerkt. Aldert blijft echter niet lang in de Zulte bij zijn oom en tante en vertrekt op maandag 21 januari 1901 weer naar Peize. 

Op de pagina van de familie Ebbinge in het bevolkingsregister van de voormalige gemeente Roden is naast de tussenposen van zoon Aldert ook goed te zien dat het huisnummer regelmatig veranderde (bron: Drents Archief. Gemeente Roden 1900-1922 Bevolkingsregister Deel 2).

Aan het begin van de twintigste eeuw zijn hier en daar al geluiden te horen dat er een spoorlijn van Groningen naar Drachten moet komen en dat zij ook Peize, Roden en Leek dient aan te doen. In de maand november van het jaar 1909 is het zover en wordt er een wetvoorstel ingediend: ‘strekkende te verklaren, dat het algemeen nut de onteigening vordert ten name van de Nederlandsche Tramweg Maatschappij van eigendommen in de gemeenten Smallingerland , Grootegast, Marum, Leek, Roden, Peize, Eelde, Hoogkerk en Groningen, noodig voor den aanleg van een spoorweg van Drachten naar Groningen.‘ De bekendmaking zal voor de nodige onrust hebben gezorgd bij de landeigenaren wiens land onteigend zal gaan worden. 

De bekendmaking van de wet die het mogelijk maakte, dat er grond ten behoeve van de aanleg van de tramlijn Groningen-Drachten onteigend kon gaan worden (bron: Nederlandsche Staatscourant No. 12, zaterdag 15 januari 1910, pagina 2).

Het wetvoorstel werd aangenomen op vrijdag 31 december 1909 en in de Nederlandsche Staatscourant van zaterdag 15 januari 1910 gepubliceerd. Landbouwer Roelof Ebbinge zal zeker de nodige boze bewoordingen hebben gebruikt toen hij hoorde dat de Staat zomaar even wat grond kon afpakken voor zo’n rottige rot trein. Ja, als ze hun zin kregen dan was hij een beste lap grond kwijt! 

Maar hoe luid alle Roelof’s (Brink, Deodatus Pieterszn. en Ebbinge) in de Zulte ook scholden en tekeergingen, de Nederlandsche Tramweg-Maatschappij ging gewoon door met het onteigenen van de stukken grond die nodig waren voor de aanleg van het spoor. Bijna 1450 vierkante meter zou Roelof kwijtraken aan de staat! Het moest niet veel gekker worden! Helaas voor Roelof ging het werk aan het spoor onverminderd door en vanaf zaterdag 1 mei 1915 werd deze opengesteld voor het goederenvervoer. 

Bijbehorende uitleg voor de tabel in de onderstaande afbeelding in verband met de onteigening door de Nederlandse Staat en zoals deze in het Nieuwsblad van het Noorden verscheen Van links naar rechts: Nummer van het grondplan., Te onteigenen grootte in Hectaren, Aren en Centiaren., Als;., Ter grootte van Hectaren, Aren en Centiaren., Kadastrale Sectie, Sectie Nummer., Ten name van:. (bron: Nieuwsblad van het Noorden, 24e jaargang, No. 227, dinsdag 26 september 1911, 4e blad).

Met de andere Aldert, de zoon van Roelof en Hinderkien dus, stijgt inmiddels op de ladder binnen de Belastingdienst en verhuisd op de donderdag 1 oktober 1914 van Leiden weer naar het ouderlijk huis in de Zulte. Twee maanden later, maandag 14 december 1914, vertrekt de Aldert Ebbinge naar het Friese Workum om weer als rijksontvanger aan het werk te gaan. Een half jaar later op dinsdag 15 juni 1915 is Aldert weer bij zijn ouders in de Zulte en wacht hij op zijn nieuwe werkplaats. Op de woensdag 29 september 1915 is het zover en Aldert vertrekt nu naar de plaats Oosterwolde in de gemeente Ooststellingwerf. 

Het huis van de familie Ebbinge die later ingetekend op een oude kadastrale kaart uit het jaar 1884. Op de tekening staat bij het huis de vermelding ‘Rood’. Dit verwijst naar de kleur steen waarmee het huis was gebouwd (bron: Drents Archief).

Ook Renske gaat op dezelfde dag in september 1915 richting Oosterwolde. Naar alle waarschijnlijkheid trekt ze bij hem in en wonen ze samen tot dinsdag 16 januari 1917. Waarschijnlijk vertrekt Aldert wederom naar een andere plaats – dit was het lot van een ’s rijksambtenaar – en gaat zijn zus Renske op 31-jarige leeftijd terug naar het huis van haar ouders in de Zulte. Iets wat ook goed op de pagina van de familie Ebbinge in het bevolkingsregister Deel 2 1900-1922 van de voormalige gemeente Roden te lezen is.

Een afbeelding van een jonge Renske Ebbinge die ongeveer uit de tijd stamt dat zij samen met haar broer richting het Ooststellingwerfse Oosterwolde vertrok (bron: Drents Archief)

Het is de dinsdag 29 april in het jaar 1928 wanneer Hinderkien Aukema op 73-jarige leeftijd haar laatste adem uitblaast en in de Zulte thuis op bed sterft. Renske woont dan nog samen met haar vader in het huis dat inmiddels Zulte 82 heeft gekregen en Aldert woont nu in het Brabantse Oss samen met zijn vrouw Roelfina Geertina Alida Ebbinge-van Dokkum en hun dochter Hennie. Op de gezinskaart van het gezin Ebbinge in het Bevolkingsregister van de gemeente Roden uit de periode 1922-1939, is de naam van Hinderkien doorgestreept.

De overlijdensadvertentie van Hinderkien in het Nieuwsblad van het Noorden van vrijdag 2 mei 1928 (bron: Nieuwsblad van het Noorden, 41e jaargang, no. 104, 1e blad, woensdag 2 mei 1928)

Een ander gegeven op de gezinskaart van de familie Ebbinge is wel de vermelding dat Roelof een vuurwapen bezit. Naast het huis en grasland in de Zulte, heeft Roelof een aantal percelen grond aan de overzijde van de woning in bezit, waaronder een klein heideveld. In die tijd kwam er veel wild voor in de omgeving van de Zulte en zoals een groot aantal bewoners van het voormalig esgehucht, zal Roelof ook een hartstochtelijke jager geweest zijn.

De gezinskaart van de familie Ebbinge in het huis met het nummer Zulte 82. Op de kaart staat duidelijk dat Roelof een vuurwapen bezit (bron: Drents Archief. Bevolkingsregister 1922-1939 gezinskaarten deel 4)

Het heideveldje is slechts een heel klein restant van wat eens een immens groot nat en moerassig heideveld ten noorden en ten westen van de Zulte. Aan het einde van de jaren dertig in de vorige eeuw kwam in veel plaatsen rondom Roden de zandwinning op en ook Roelof dacht hieraan een graantje mee te kunnen pikken. En zo werd er een grote dragline geregeld en Ol Boest (ene meneer Buist) zou wel even het zand voor Ebbinge gaan winnen. Echter na twee halen met de grote bak werd er van de zandwinning afgezien.

Het zogenaamde Ebbensveldje op een luchtfoto uit 2006. Rechtsonder is een beboste strook op het heideveldje te zien, waar de bak van Ol Boest zijn dragline zijn graafsporen heeft achtergelaten. Ook zijn de sporen zichtbaar van een weg, die in het verleden over het heideveld liep (afbeelding: Topotijdreis).

Het bleek dat de gewenste zandlaag slechts enkele tientallen centimeters dik was en het enige dat gewonnen werd, was kleverige keileem en taaie potklei. Volgens ooggetuigen uit die tijd waren ze langer bezig de bak van de graafmachine te ontdoen van de prut, dan het gevaarte op de heide en er weer weg te krijgen. Het schijnt dat men bij de laatste bak minstens een halve dag nodig had om deze weer redelijk schoon te krijgen.

De sporen zijn trouwens nog steeds zichtbaar op het heideveldje als een rechte geul van zo’n 50 meter lengte en zo’n vijf tot zes meter breed. De geul had verder geen functie meer en werd tijdens de natuurdagen gehouden in de jaren 90 en in de 21e eeuw volgegooid met snoeiafval. Dit snoeiafval werd dus in het water gegooid en kon dus zodoende wortels produceren. Het gevolg was dat nu de geul inmiddels vrijwel dichtgegroeid is en zorgt voor een bosje op het natte heideveld, zoals op de bovenstaande foto goed te zien is. 

Mevrouw Meijer met haar kinderen op ’t Ebbensveldje met de vele wilde gagel (Myrica gale) op de achtergrond. De bal om mee te spelen was destijds altijd binnen handbereik (afbeelding is mij in het verleden door de familie Meijer ter beschikking gesteld).

Het restant werd destijds in het Roner dialect het ‘Ebbensveldje‘ genoemd en veel jeugd uit de Zulte heeft hier als dan niet stiekem, een balletje getrapt.  Ook het zoeken naar adders (Vipera berus), die toen nog voorkwamen, was voor een aantal jongeren een leuke bezigheid op het Ebbensveldje. Menigeen uit die tijd vraagt deze scribent of de adders nog op ’t heideveldje zijn. Helaas, die zijn inmiddels verdwenen. Na het overlijden van Renske kwam dit heideveldje in het bezit van de Rijksuniversiteit te Groningen, die het op haar beurt later doorgaf aan Staatsbosbeheer.  

De advertenties van Aldert en Roelof waarin het overlijden van Roelfina Geertina Alida Ebbinge-van Dokkum bekend werd gemaakt in het Nieuwsblad van het Noorden (bron: Nieuwsblad van het Noorden, 50e jaargang, no. 246, 1e blad, dinsdag 19 october 1937)

Maar goed, laten we teruggaan naar het wel en wee van de familie Ebbinge in de Zulte. In het jaar 1937 komen wij de familie weer tegen op een minder vrolijke manier. Op zaterdag 16 oktober 1937 komt Roelfina Geertina Alida Ebbinge-van Dokkum te overlijden, dochter van Herman Johannes van Dokkum en Jantien Homan, vrouw van Aldert en moeder van Hennie Ebbinge. Aldert Ebbinge woont dan inmiddels in de stad Breda. Volgens de advertenties van zowel Aldert als die van Roelof en dochter Renske in het Nieuwsblad van het Noorden dinsdag 19 oktober 1937, zou het lichaam van de 56-jarige Roelfina de donderdag daarop om 2 uur vanuit de Zulte naar de begraafplaats vertrekken. Het spreekt vanzelf dat het hier het huis van Roelof betrof. 

Het huis met het nummer Zulte 21 tijdens een winterse avond in het jaar 1986. Zo zal het er ook rond 1937 uit hebben gezien, toen Roelfina vanuit hier naar de begraafplaats werd gebracht. De foto is afkomstig uit de privécollectie van de familie Niezink en in 2015 gepubliceerd in het boek ‘Van karrenspoor tot natuurgebied.

Tweeënhalf jaar later begint het jaar 1940 eerst niet goed in de Zulte met de Duitse inval in Nederland op vrijdag 10 mei 1940. En toch zal veel bij hetzelfde het eerste jaar van de oorlog. Zoon Aldert heeft echter heugelijk nieuws en hij gaat weer trouwen op donderdag 5 september 1940 in de stad Groningen met de 49-jarige en in Delfzijl geboren Johanna Geertruida Roggenkamp. 

De huwelijksakte van Aldert Ebbinge en Johanna Geertruida Roggenkamp uit 1940 (bron: Gronings Archief. Huwelijksregister 1940, aktenummer 713, Gemeente: Groningen, Periode: 1940).

Roelof zal zich voor zijn zoon hebben verheugd dat deze een nieuwe liefde in zijn leven had gevonden en inmiddels samen met zijn nieuwe vrouw en dochter Hennie naar ‘s-Gravenhage was vertrokken. Ruim een half jaar later voelde Roelof zich niet goed en kwam op maandag 10 maart 1941in de leeftijd van 85 jaren te overlijden. Een dag later verscheen er in het Nieuwsblad van het Noorden een overlijdensadvertentie van de kinderen Aldert en Renske.

De overlijdensadvertentie van de kinderen Aldert en Renske in het Nieuwsblad van het Noorden van dinsdag 11 maart 1941 waarbij zij het overlijden van hun vader Roelof Ebbinge bekendmaakten (bron: Nieuwsblad van het Noorden, 54e jaargang, no. 59, 1e blad, dinsdag 11 maart 1941)

Al ruim voor zijn overlijden zal Roelof Ebbinge een groot gedeelte van zijn landbouwactiviteiten hebben afgestoten en wat er nog te doen was, zal dochter Renske voor haar vader opgeknapt hebben. Renske brengt haar dagen onder andere als kunstenares door, ze was volgens insiders een begaafd schilderes. Na ruim 17 jaren zonder haar vader in het prachtige huis met het nummer Zulte 21 te hebben doorgebracht, waarbij haar broer Aldert met vrouw, dochter Hennie en haar man en kinderen regelmatig vanuit Den Haag hier op bezoek komen, is het ook voor haar de hoogste tijd geworden en komt ze te overlijden.

De aangifte van het overlijden van Renske Ebbinge door de aanspreker Jan Holt uit Roden (bron: Drents Archief. Overlijdensregister Roden 1958, archiefnummer 0167.021, inventarisnummer 1958, aktenummer 30, Gemeente: Roden, Periode: 1958).

Op de leeftijd van 71 jaar sluit de in Roderwolde geboren en vrijgezelle Renske Ebbinge op de donderdag 31 juli van het jaar 1958 om half acht ’s avonds voor het laatst haar ogen en kwam er een einde aan de aanwezigheid van de familie Ebbinge in de Zulte zoals wij deze heden ten dage kennen. De 57-jarige aanspreker Jan Holt verscheen zaterdag twee augustus voor de ambtenaar van de burgerlijke stand der gemeente Roden om het overlijden van Renske aan te geven.

Voordat de telefoon zijn intrede bij iedereen thuis had gedaan in Roden, bestond de taak van Jan Holt er onder andere uit om aan huis de nabestaanden in kennis te stellen van een overlijden. Daarnaast kon de aanspreker ook de aangifte van het overlijden doen bij de burgerlijke stand en eventueel de begrafenis of crematie regelen. Volgens de rouwadvertentie die in het Nieuwsblad van het Noorden van zaterdag 2 augustus 1958 verscheen en door Aldert Ebbinge was geplaatst, zou het lichaam van Renske naar Dieren gebracht worden waar zij op maandag 4 augustus om 1:45 uur gecremeerd zou worden. 

De door Aldert Ebbinge geplaatse overlijdingsadvertentie in het Nieuwsblad van het Noorden met de bekendmaking dat Renske in Dieren gecremeerd ging worden (bron: Nieuwsblad van het Noorden, zaterdag 2 augustus 1958, pagina 4).

Na het overlijden van Renske moet de enige uit het gezin van Roelof Ebbinge overgebleven gezinslid en de in Den Haag wonende zoon Aldert de zaken gaan regelen. De weilanden komen in de handen van de buren, het heideveld met de naam ‘Ebbensveldje’ komt rond 1959 in het bezit van de Rijksuniversiteit van Groningen en het huis aan de Zulte wordt in het jaar 1958 verkocht aan Tj. Hofman, winkelier/juwelier aan de Brink in Roden. 

Op de foto zijn Meint en Bregtje met kinderen aan het eind van de jaren vijftig voor het huis aan de Zulte te zien. Linksonder is nog het bruggetje over de sloot zichtbaar en het geheel oogt vredig in de vroege zomer van dat jaar. Deze foto en de foto hieronder zijn zeer welwillend door Henk van der Dijk, zoon van Meint en Bregtje en oud-bewoner van het huis, aan mij ter beschikking gesteld om te gebruiken in dit artikel. Waarvoor nogmaals zeer veel dank!

Het huis blijft niet lang onbewoond en het jonge gezin Meint en Bregtje van der Dijk trekt in de woning met het adres Zulte 21. Het was al een behoorlijke tijd geleden dat er jonge mensen in de woning vertoeven. De uit Bedum afkomstige Meint gaat bij Tjaart Hofman, de eigenaar van het huis en winkelier/juwelier aan de Brink in Roden, als horlogemaker aan de slag om zijn kost te verdienen. Weer iets heel anders dan een landbouwer. 

De trotse nieuwe bewoners van de Zulte 21 aan het einde van de jaren vijftig. De lichtelijk strenge blik van Meint van der Dijk wordt gecompenseerd door een betoverende glimlach van Bregtje. Ook deze prachtige foto zoals die van hierboven zijn afkomstig van de zoon van Meint en Bregtje, Henk van der Dijk, waarvoor ik hem zeer erkentelijk ben. Nogmaals dank je wel.

De jaren vijftig verstrijken geruisloos in het voormalig esgehucht de Zulte en de enige banden die de familie Ebbinge nog met dit rustige plaatsje heeft, zijn de families Brink en Holthuis die zuidelijk nabij de brink wonen en heel ver in de verte familie is. Enkel Aldert is over van het gezin van Roelof Ebbinge, maar hij woont in het verre Den Haag. De pensioneerde en voormalig rijksontvanger, een ambtenaar aan wie het beheer van inkomsten en uitgaven van het Rijk is opgedragen, loopt echter ook al op zijn laatste loodjes. 

Bijna acht jaren na het overlijden van zijn jongere zuster Renske komt Aldert ook te overlijden in het luxe ‘s-Gravenhage, heel ver van de Zulte vandaan. Op de vrijdag de zevende in de maand januari van het jaar 1966 om 10:30 in de ochtend in Voorburg te Den Haag, blaast hij zijn laatste adem uit in de warme en liefdevolle omgeving van zijn vrouw Johanna Geertruida.

De vermelding van het overlijden op 7 januari 1966 te ‘s-Gravenhage van Aldert Ebbinge, geboren te Roden, 83 jaar oud, zonder beroep (bron: Haags Gemeentearchief te Den Haag, BS Overlijden. Ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ‘s-Gravenhage, ‘s-Gravenhage, archief 335-01, inventaris­num­mer 1861, 10-01-1966, Nadere toegang op het overlijdensregister van de gemeente ‘s-Gravenhage, aktenummer A71).

Na de familie van der Dijk kwamen nog een aantal andere families zoals Niemeijer, Hoogeveen, Smilda en Niezink. In het Nieuwsblad van het Noorden bood de zoon het huis in mei 1969 te huur aan als een gemeubileerde vakantiewoning dicht bij het Leekstermeer. Het huis is aan het begin van de 21e eeuw gesloopt om plaats te maken voor een rondweg en een rotonde.

De advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden geplaatst door C. W. Hofman uit Roden waarin hij de Zulte 21 wil verhuren als een vakantiehuis (bron: Nieuwsblad van het Noorden, 82e jaargang, No. 124, vrijdag 30 mei 1969, negende blad, pagina 28).

Op de onderstaande afbeelding is de advertentie te zien die notaris G. J. Wilts in opdracht van de echtgenote en inmiddels weduwe van Freerk Smilda, G. Smilda-v.d. Wal, in het Nieuwsblad van het Noorden liet plaatsen. Deze advertentie verscheen op zaterdag 24 augustus 1974 in alle edities van deze krant. Het huis had inmiddels het huisnummer Zulthe 19.

In de door de notaris G. J. Wilts geplaatste advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden was een foto van de woning toegevoegd (bron: Nieuwsblad van het Noorden van zaterdag 24 augustus 1974, pagina 2. 287ste jaargang, no. 198).

Het enige dat wij nog kunnen aantreffen van de in allerhaast gesloopte woning zijn kleine stukjes rode steen, die door het sloopproces in de bodem terechtgekomen zijn en nu door mollen die met hun molshopen de restanten weer aan de oppervlakte weten te brengen. Op zich een leuk gegeven, maar of Roelof Ebbinge blij met zou zijn met de vele mollen die daar nu aanwezig zijn? Ik waag dat te betwijfelen. 

De plaats waar eens het mooie huis gestaan heeft in de Zulte. Helaas moest het verdwijnen en plaatsmaken voor ambitieuze plannen van een wethouder en een rondweg plus rotonde.

22 nieuw huizen aan de Ceintuurbaan Noord!

Halverwege de jaren zestig van de vorige eeuw verdween het landelijke uitzicht rondom de Zulte met een hoge snelheid en de landerijen waar vroeger door noeste arbeid van boeren een prachtig gebied was ontstaan, schoven nu zware bulldozers en grote kranen die bewerkte grond zo ter zijde. Slechts in enkele jaren was er nog maar heel weinig over van het ruimtelijk gebied en het contrast met enkele tientallen jaren kon niet groter zijn. De omgeving van het dorp Roden moest klaargestoomd worden voor de jaren ’70, het tijdperk dat het eens kleine dorp Roden de grote stad Groningen naar de kroon ging steken. En ja, als de plaatselijke politiek zijn zin zou krijgen, dan ging Roden zelfs de stad voorbij!

Dat niet iedereen de uiterst ambitieuze plannen van de politiek deelde, spreekt voor zich en hier en daar was er toch behoorlijk wat weerstand tegen de roekeloze woningbouw. Met name in het zuidoostelijk gedeelte van het dorp, waar toch de iets beter gesitueerde bevolking van Roden woonde, zag met de woningbouw en de aanleg van de Ceintuurbaan Oost niet zitten en verdwenen de plannen dan ook net zo snel als ze geopperd werden. Aangeven dat de woningbouw richting het gebied nabij het Ronostrand ook een goede mogelijkheid was, werd niet eens in overweging genomen. Sterker nog, hier rust nog steeds een taboe op. Of zoals een verbitterde boer uit de Zulte eens tegen mij zei: “As je moar ’n beste bult centen hebt, dan luustern ze wel noar je.” Of het waar is, durf ik niet te zeggen,  feit is wel dat het prachtig gebied voor altijd verdwenen is.

Door de combinatie van het toenemend aantal bedrijven dat zich in de jaren zestig in het dorp Roden ging vestigen en de daardoor gestegen vraag naar woningen, waarbij het aantal inwoners ook behoorlijk toe begon te nemen, nam de woningbouw ten oosten van het voormalig esgehucht ook in een rap tempo toe. Zo waren er vanaf 1966 al een behoorlijk aantal sociale huurwoningen langs de nieuwe Ceintuurbaan Noord verschenen en in 1969 kwamen er maar liefst 22 nieuwe premiewoningen bij in het gedeelte tussen de Hop en de Hazelaar.

Op donderdag 4 september 1969 verscheen deze advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden, waarin Makelaardij Van Loon uit Groningen aangeeft, dat er nog enkele huizen te koop zijn (bron: Nieuwsblad van het Noorden, donderdag 4 september 1969, 82e jaargang, nummer 207, pagina 20).

Op donderdag 4 september van dat jaar verscheen er in het Nieuwsblad van het Noorden een advertentie van Makelaardij Van Loon uit Groningen, waarbij men aangaf dat er nog enkele artistieke woonhuizen aan de Ceintuurbaan Noord te Roden beschikbaar waren. Het betrof hier een paar tussenwoningen die inclusief alle kosten voor 47.000 gulden gekocht konden worden. Kijk, dat Roden ambities had om de stad Groningen voorbij te streven, vonden ze daar geen probleem zolang er maar een beste smak geld verdiend kon worden.

De werkelijk prachtige tekening van de vier woningen aan de Hazelaar, die door de architectenbureaus van der Scheer en Faber in 1969 gemaakt werd. Opvallend in de overeenkomst met de foto van het woonblok die verderop geplaatst is (bron: Nieuwsblad van het Noorden, zaterdag 4 oktober 1969, 82e jaargang, nummer 233, pagina 19).

Een maand later plaatst de Groninger makelaar weer een advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden, nu met een prachtige tekening van de premiewoningen. De huizen op de afbeelding, het enige blok met vier woningen, werd niet aan de Ceintuurbaan Noord maar aan de Hazelaar gebouwd. De andere drie blokken bestonden wel uit zes woningen en stonden wel langs de Ceintuurbaan Noord. De royale en voor die tijd moderne eengezinshuizen met centrale verwarming waren ontworpen door de architectenbureaus van der Scheer aan de Larixlaan 2 in Roden en Faber uit Stadskanaal. Het bouwbedrijf Giezen was verantwoordelijk voor de bouw van de 22 woningen.

De vier ingekleurde blokken geven de 22 premiewoningen weer die hier in het jaar 1969 tussen de Hazelaar en de Hop aan de Ceintuurbaan Noord gebouwd werden.

Naast de toenemende druk van de nieuwe inwoners op de woningmarkt, begon zich een ander probleem voor te doen; het verkeer. Door de toenemende welvaart en de dalende prijzen van auto’s, zagen de bestuurders van het dorp Roden zich genoodzaakt om nu ook het belabberde wegenpark in en rondom het dorp aan te gaan pakken. Aan het begin van de zestiger jaren had men al een soort rondweg om Roden bedacht, die de verkeersdruk uit het dorp moest gaan opvangen. De weg kreeg de naam Ceintuurbaan, dat van het Latijnse ‘cingere’ (omringen) afkomstig is en verbasterde tot cingulum of singulum, dat letterlijk ceintuur of riem betekent.

Het enige blok met vier woning van de in totaal 22 woningen staat aan de Hazelaar. De andere 18 bevinden zich aan de Ceintuurbaan Noord. Aan de linkerzijde zijn meer woningen te zien die tot de serie van 22 behoren. De situatie met 1969 en vandaag de dag is geheel verschillend te noemen. Tot ver in de jaren tachtig van de vorige eeuw werd de Ceintuurbaan Noord gebruikt als een snelweg.

De nieuwe rondweg lag dus om het hele dorp heen en was in vier stukken verdeeld. De Ceintuurbaan Noord was tussen het Oosteinde en de Leeksterweg gepland en ging dan over in de Ceintuurbaan West die tot de Nieuweweg liep. De Ceintuurbaan Zuid ging vanaf de Nieuweweg tot aan de Norgerweg, waarna de Ceintuurbaan Oost vervolgens in het gedeelte tussen de Norgerweg en het Oosteinde zou komen te liggen. Net zoals het met de woningbouw in het gebied van de Ceintuurbaan Oost het geval was, waren ook hiervoor weer veel bezwaren van wat de oude boer in de Zulte ‘die rieke stinkerds’ noemde en ging dat deel van de weg dus niet door.

Het tweede en derde blok met eider zes premiewoningen aan de Ceintuurbaan Noord gezien richting de Hazelaar.

Bijna twintig jaren later was de druk op de Ceintuurbaan Noord inmiddels zo verhoogd dat de aanwonenden het idee te hebben aan een racebaan te wonen. Een gezegde rond die tijd was dat wanneer de Vrachtwagens bij het voormalige Cordisgebouw de Ceintuurbaan Noord opdraaiden, zij begonnen te toeteren zodat het verkeer van rechts wist dat er een vrachtwagen aankwam. Op het hoogtepunt van de overlast was het volgens enkele fietsers uit die tijd, een ware survivaltocht om via de Ceintuurbaan Noord te gaan fietsen. Dat was nait best!

Het vierde en laatste blok van de 22 premiewoningen die in het jaar 1969 gebouwd werden gezien vanaf de Hop richting de Hazelaar. Ook dit blok bestond evenals de twee voorgaande blokken uit zes woningen.

Toen het zelfs voor de gemeente Roden te erg werd, besloot men in te gaan grijpen en voerde men snelheid beperkende middelen in zoals verkeersdrempels en later werd het een 30 kilometerzone.  Na de nodige beschadigde spoilers en uitlaten hadden de maatregelen toch hun doel bereikt: een einde maken aan deze racebaan.

De huidige situatie aan de Ceintuurbaan Noord tussen de Hop en de Hazelaar. Naast dat er verkeersdrempels in de weg zijn geplaatst, is er maar weinig veranderd met het kaartje uit het jaar 1969.

Daarnaast had de politiek van de toenmalige Roden inmiddels ingezien dat hun ambitieuze plannen om de stad Groningen qua inwoners, en dus ook inkomsten, niet meer te halen en van deze tijd waren en verdwenen dan ook geruisloos in de prullenbak. Heel af en toe steekt er nog bij een politiek warhoofd het idee op dat Roden de stad nog steeds voorbij zou kunnen streven, Dat hierbij oud en historierijk gebied dient te verdwijnen zegt zo’n iemand niets. “Het is toch alleen maar gras”, zegt de man dan maar. Iets wat te verwachten is van iemand die enkel oppervlakkig denkt en geen diepgang heeft.

Kleverige prut aan de stevels

Niets is zo controversieel als de aanwezige keileemlaag in het grote gebied ten noorden van het idyllisch gelegen dorp Roden in de prachtige kop van Drenthe. Met name in de omgeving van het voormalig esgehucht de Zulte waar deze keileem aan of vlak onder het oppervlak ligt en daar het uiterlijk weet te bepalen. Zeker in de nattere jaargetijden met een groot aanbod van hemelwater kan het werkelijk een groot drama zijn wanneer je als boer of loonwerker hier met zware machines aan de slag moet. Hier en daar zijn er zelfs plaatsen waar het vrijwel onmogelijk is om te lopen zonder dat de kans bestaat om je laarzen kwijt te raken aan deze glibberige, taaie en klevende substantie.

Over keileem zal vermoedelijk met net zoveel met bewondering gepraat en geschreven zijn als erop gescholden werd door de vroegere boer die deze ‘proeksel’ vervloekte. En nog steeds zorgt deze restant van de Saalien-ijstijd voor menig verwensing die ik hier maar niet zal herhalen. Eigenlijk betekent het woord ‘proeksel’ de rotzooi van smeltende sneeuw op de weg in het Gronings, maar de boer vond dat de keileem minstens net zo erg dat hij de term gebruikte en ergens kon ik mij daar wel in vinden. En keileem is niet kieskeurig wat betreft de plaats waar het voorkomt. Je zou haast het vermoeden krijgen dat het zich heeft neergelegd op plaatsen waar het niet opvalt of op schuine hellingen met het idee om de moderne mens hier het leven zuur te maken. Het is wat de boer zei; dikke proeksel! Zou de beste man ooit geweten hebben dat Drenthe ondanks zijn hoge ligging en de zandige ondergrond in het verleden door de aanwezigheid van keileem tot een van de natste provincies van ons land behoorde?

Waarschijnlijk zag de gletsjer die vanuit het noordoosten ons land binnentrok tijdens het Saale Glaciaal er op deze wijze uit. Miljarden tonnen ijs drukten zowel de bodem naar voren als naar beneden en lieten niets heel van het landschap dat zich na de Elster-ijstijd had gevormd.

Hoe je het ook wendt of keert, ruim 150 duizend jaar geleden begon het allemaal toen een grote gletsjer die vanuit het noordoosten onze omgeving was binnengedrongen, zich terug begon te trekken en een zogenaamde ‘grondmorene’ achterliet die vooral bestond uit (zwerf)keien, grind, zand, klei en leem. Door de samenstelling van het mengsel, dat grotendeels ontstaan was door het afslijten en het verpulveren van de keien door het gewicht en de snelheid (ongeveer 100 meter per jaar) van het pakket landijs, bezat de grondmorene ook veel kalk. Daarnaast pikte de gletsjer ook plaatselijk materiaal op dat een eindje verderop weer werd afgezet. De grondmorene komt op veel plaatsen voor en staat in Duitsland als ‘Geschiebelehm’ en in Engeland als ‘Lodgement Till’ of ‘Boulder-Clay’ bekend.

Een mooi voorbeeld van hoe de gletsjers in het verleden iets ten zuiden van Lieveren een grondmorene met keileem achterlieten en die grotendeels verweerd zijn, het zand op de deklaag stamt uit de Weichsel-ijstijd en is door de poolwinden hierheen geblazen. De plaats waar de grondmorene te zien was bevond zich langs het Oostervoortse Diep nabij waar deze in het Groote Diep uitmondde. Dit gedeelte is inmiddels gedempt ten behoeve van het weer laten meanderen van het Groote Diep.

Eigenlijk mogen en kunnen wij niet van een enkele grondmorene spreken. De gletsjer uit de Saale-ijstijd was niet zo maar een groot pak ijs dat over het Drentse landschap trok, eerder bestond het landijs in het noorden van ons land uit drie verschillende fasen. Voor ons zijn eigenlijk de eerste en de tweede fase van belang. De eerste fase kwam eerst niet verder dan het oosten van de provincies Groningen en Drenthe waar het ijs eerst stagneerde. Toen er weer meer ijs werd aangevoerd, schoof het pakket door tot de lijn Texel-Oldenzaal. Vervolgens kwam er de tweede fase waarin de hernieuwde aanvoer van landijs richting het zuidwesten ging en daar stopte, waar nu de Utrechtse Heuvelrug ligt.

De derde fase is zeker minstens net zo interessant als de twee voorgaande ijsverplaatsingen, alleen vond deze niet plaats in onze omgeving waar zich op dat moment enkel ‘doodijs’ bevond. Ten oosten van de lijn Roden-Assen-Smilde stroomde vanuit het noordwesten een pakket landijs met hoge snelheid richting het zuidoosten en vormde daardoor ten oosten van de Hondsrug een diepe glaciale geul, het huidige Hunzedal. Nee, het ging er zeker onstuimiger in de provincie Drenthe aan toe dan tijdens de vorige ijstijd. Door de verschillende fasen van landijs dat over ons gebied heenschoof, varieerde de plaatsen en de samenstelling van de grondmorene dan ook met enige regelmaat. Dat zien wij dan ook terug in de afzetting van de grondmorene, de keileem dus, in de ondergrond van de Zulte.

Op de bovenstaande afbeeldingen is te zien hoe het smeltproces van het pakket landijs zich voltrok. Naast de vele stuwwallen die deze gletsjer achterliet, bleef ook een indrukwekkende grondmorene achter in het noorden van Nederland.

Is de aankomst en het verblijf van het enorm groot pakket landijs in ons gebied al erg interessant, het vertrek met het bijbehorende smeltproces van de gletsjer maakt misschien nog wel meer indruk. Smolt de gletsjer tijdens de voorgaande ijstijd nog op een wijze waarbij het smeltwater van de grote hoogte naar beneden stortte en diepe geulen achterliet die met sediment werden opgevuld, het landijs dat hier lag brak in stukken uit elkaar. De grote stukken ijs gleden van de gletsjer af en duwden de doorweekte bodem voor zich uit en vormden zo ook weer stuwwallen. Het pakket landijs trok verder terug richting het noordoosten en de brokken bleven liggen waar ze in hun geheel wegsmolten.

Had de gletsjer tijdens het oprukken vanuit het noordoosten zowel grond als ander materiaal aan de onderzijde deze richting op vervoerd, in het ijs was ook behoorlijk veel sediment terecht gekomen en dit bleef achter doordat de terugtrekkende gletsjer verder smolt. Op de plaatsen waar de afgebroken en weggesmolten brokken lagen, bevond zich een grotere concentratie gletsjerpuin dat ook wel ‘Melt-dow Till’ genoemd wordt. Op een aantal plaatsen zijn tijdens dit sedimentatieproces de voorgaande en het nieuwere smelt residu door elkaar gemengd en kregen we weer een andere grondmorene. Zo is het dus mogelijk dat je verschillende afzettingen kunt tegenkomen die veroorzaakt zijn door een enkele gletsjer.

Een zwerfkei in de Zulte nabij het Volkstuinencomplex te Roden die overduidelijk sporen door slijtage draagt van zijn transport uit het noorden van Zweden. De steen bestaat uit zogenaamd Revsundgraniet, een opvallende granietsoort uit Noord-Zweden.

De naam ‘keileem’ heeft deze leemsoort te danken aan de verschillende formaten van de keien die er geregeld in voorkomen en gewoonlijk merendeels van Scandinavische of in het algemeen Baltische afkomst zijn. De keien zijn vaak aan de oppervlakte gepolijst en soms op voor deze stenen zeer karakteristieke wijze bekrast, die duiden op de voorgeschiedenis tijdens de reis naar ons gebied en die duidelijk en zeer nauw met de wijze van het vormen van de keileem samenhangt. De afzettingen door het landijs omvatten eveneens de afzettingen door het smeltwater van de gletsjer zoals fijn- tot zeer grofkorrelig grindhoudend zand met stenen. Deze afzettingen worden ook wel de ‘Formatie van Drente‘ genoemd.

Op de essen rondom het oude brinkgehucht zal menig zwerfsteen de vroege boer tot ergernis hebben gedreven.  Zo was er een boer nabij Leutingewolde die elke keer tijdens het maaien een steen raakte en hierdoor steeds schade aan de machines opliep. Gefrustreerd stapte de man uit zijn tractor, pakte een schep en begon te graven. Uiteindelijk bleken er twee graafmachines nodig te zijn om de hardwerkende boer van de vervelende zwerfsteen te verlossen! De overlast veroorzakende veldkei pronkt nu op de erf van de hardwerkende veehouder.

De door het grote pakket landijs hierheen gesleepte stenen kregen de naam ‘zwerfsteen’, ‘zwerfkeien’ of ‘veldkeien’ mee en worden in het hier gesproken dialect ook wel ‘flinten’ genoemd. Namen die wij nog steeds overal tegen komen zoals bij een groepsaccommodatie bij Roderesch en de OBS de Flint in Nietap. Het Steenbergerveld dat ten zuidwesten van het dorp Roden nabij het plaatsje Steenbergen ligt, stond er bekend om dat hier vele kleine veldkeitjes lagen. Menig straat in Groningen is bestraat met de keitjes toen het gebied ontgonnen werd.

De kaart van Nederland met daarop de glaciale afzettingen binnen de Formatie van Drente die vandaag de dag nog bestaan afgebeeld. De kaart is afkomstig van DINOloket.nl (TNO-GDN (2020). Formatie van Drente. In: Stratigrafische Nomenclator van Nederland, TNO – Geologische Dienst Nederland. Geraadpleegd op 2020 op DINOloket.)

Bij enkele weilanden rondom het voormalig esgehucht treffen wij dan ook met enige regelmaat hopen met kleine en middelgrote veldkeien aan die door de boeren hier gestapeld werden. Voor de boer hadden deze veldkeien geen enkel nut vanuit een economisch standpunt gezien en om eerlijk te zijn, ze vonden het niet erg dat iemand ze meenam op de tuin er mee te verfraaien. Zo eindigden dus vele keien als ornamenten in een mooie tuin.

Iets wat je overal langs een weiland of een weg kunt zien wanneer je door het noorden van Nederland gaat. Kleine hopen met veldkeien waarvan de boer last had en deze terzijde heeft gelegd.

Ten zuiden van het dorp Roden in de Noorder Duinen nabij het gehucht Steenbergen wisten de boeren van het Trechterbekervolk er zo’n 5500 jaar geleden wel raad mee. Zij gebruikten de grote zwerfstenen voor het bouwen van grafkelders, de zogenaamde hunebedden. Dit hunebed, D1 genaamd, is de meest noordelijk gelegen exemplaar in de provincie Drenthe.

Een berg stenen waaraan het plaatsje Steenbergen zijn naam te danken heeft. In het verleden dacht met dat grote reuzen de stenen zo neergelegd hebben.

Niet alle grote veldkeien kwamen direct uit Scandinavië onze kant op, een gedeelte was vanuit het noorden met bijvoorbeeld de gletsjer uit de Elster-ijstijd naar het zuiden vervoerd. Toen het pakket landijs uit het noordoosten over het gebied heen schoof waar de vorige gletsjer de stenen had laten liggen, kwamen de keien onze kant op. Waarschijnlijk gaat dit ook op voor bepaalde soorten vuurstenen die zich in de keileem bevinden. Mijn ervaring is dat er zowel zeer brosse vuursteensoorten die klein van formaat zijn als redelijk forse brokken van een zeer harde stevigheid in de keileemlagen zitten. Zo komen wij in de omgeving van het voormalig esgehucht de Zulte een stuk donkerrood vuursteen tegen dat in het verleden zeer gewild was bij de zeer vroege bewoners van het gebied. Zo vond Jaap Beuker in 2010 een halffabricaat van een vuistbijl gemaakt van rode Helgoland-vuursteen bij het plaatsje Een.

Een stuk rode Helgoland -vuursteen dat in de Zulte aan de oppervlakte kwam na recente werkzaamheden. De zeldzame rode vuursteen kan een kleur bezitten die varieert van vleeskleurig tot een paarsrode kleur. Een ander typerend kenmerk van de de vuursteensoort zijn de witte insluitsels.

Al eerder waren er grote veldkeien vanuit Scandinavië en de Baltische Staten in de omgeving van Roden aangekomen. Miljoenen jaren geleden stroomde ten noorden van het dorp een enorme rivier die zijn oorsprong in het huidige Lapland heeft en Eridanos genoemd wordt. Deze rivier was een miljoen jaar geleden tijdens het Bavel Interglaciaal ongeveer 2700 kilometer lang en vrijwel geheel Noordwest Europa tot aan de huidige Noordzee vormde zijn delta. Tijdens de dooiperioden in de bovenloop van de rivier zullen er stukken ijs van een gletsjer zijn afgebroken waar forse keien in opgesloten zaten en richting de delta gestroomd zijn. Toen de grote brokken ijs in rustiger en ondiep water terechtkwamen, kwamen ze vast te zitten en smolten, waarna de grote keien bedekt werden door rivierslib en ander sediment.

Nog een prachtig voorbeeld van een veldkei die vanuit het noordoosten naar ons land vervoerd is. Niet alle zwerfkeien en andere stenen die met de gletsjer deze kant opkwamen kwamen direct uit het noorden van Scandinavië. Veel van de stenen waren tijdens de vorige Elster-ijstijd al richting het zuiden vervoerd en het nieuwe pakket landijs pikte ze op en bracht ze hierheen.

Het vermoeden bestaat dat er op een gelijke wijze ook tijdens de Saale-ijstijd zwerfkeien richting het zuiden van ons land zijn gedreven. Grote stukken smeltend landijs die met het smeltwater voorbij de huidige Utrechtse Heuvelrug helemaal tot in Noord-Brabant terecht kwamen. Dit verklaart waarom er daar stenen gevonden worden uit die periode met een Scandinavische of Baltische achtergrond.

Zoals u al eerder kon lezen bestaat er niet echt een vaste soort grondmorene of keileem na het verdwijnen van het landijs uit onze omgeving. Dr. G. H. Leopold spreekt al in 1910 van drie soorten in zijn ‘Over het keileem in het Nederlandsch Diluvium. Keileem als geologisch afzettingsproduct; zijn voorkomen; zijne chemische samenstelling; zijne beteekenis voor de cultuur’. Eigenlijk is alleen de eerste soort die hij benoemd van belang voor de aanwezigheid van de dagzomende keileem in dit gebied.

Een van de kleine veldkeien die te voorschijn kwam in het Klein Noordhout uit de soort keileem die door Dr. Leopold als ‘grauwe keileem’ werd omschreven.

Als eerste soort draagt hij de grijze of grauwe keileem aan, die zeer algemeen is en van Gelderland tot aan het westen van de provincie Friesland voorkomt. Deze grauwe keileem is doorgaans lichtgrijs van kleur waarin geel tot roodkleurige vlekken of aderen voorkomen die de ene keer zeer duidelijk zichtbaar zijn en een andere keer weer zeer wazig zijn. Een ander keer bezit de keileem weer een oranje-gele tint, zoals vaak in het gebied nabij het voormalig esgehucht te zien is. De gele tot rode kleur van de keileem wordt veroorzaakt door het oxideren (roesten) van ijzerdeeltjes in de leem. Af en toe bezit de keileem een zachte lichtgroene kleur dat veroorzaakt wordt door glauconiet, een zand dat voorkomt in zuurstofarme lagen van het sediment in ondiep zeewater. Het percentage klei hangt af van waar de keileem voorkomt.

De grauwe of grijze keileem de Dr. Leopold omschrijft als zeer algemeen, wordt tegenwoordig omschreven als het Heerenveen-type in de Heerenveengroep. Leopold benoemt dat de keileem doorgaans lichtgrijs van kleur is en waarin geel tot roodkleurige vlekken of aderen voorkomen die de ene keer zeer duidelijk zichtbaar zijn en een andere keer weer zeer wazig zijn

De rode keileemsoort komt voornamelijk voor op de zandruggen van het Hondsrug-complex in Oost-Drenthe. Ten zuiden van het dorp Roden treffen wij op het oog ook rode keileem aan langs het Lieversche Diep, maar naar mijn inschatting is hier de grauwe keileem doordrongen met ijzeroer. Hier komt veel ijzerhoudend en zuurstofarm kwelwater aan de oppervlakte, dat een verbinding aangaat met de zuurstof in de lucht en waarna vrijwel alles in en om het water een roodbruine kleur krijgt. Kwelwater komt ook op veel plaatsen rondom de Zulte aan het oppervlak.

De gemengde keileem- en ijzeroerlagen langs het Lieversche Diep ten zuiden van Roden. Met name de grauwe keileem ligt onder de oer en is duidelijk zichtbaar. Deze leemsoort heeft echter niets met de rode keileem van doen.

Een derde vorm van keileem is het in de provincie Drenthe veelvuldig voorkomende witte of blauw-witte keileem, een in tegenstelling met de eerstgenoemde soorten zeer stug en steriel leem, dat voor een belangrijk deel uit zeer fijn kwarts zand schijnt opgebouwd en waarschijnlijk dezelfde grondsoort is, waaraan de Duitse onderzoeker Dr. Emil Ramann in zijn boek ‘Bodenkunde’ uit 1905 de naam ‘Heidelehm’ aan geeft.

Licht gekleurde en zandige keileem met veel vuursteentjes dat uit het beekje de Zulter Bitse komt. Waarschijnlijk behoort deze keileem ook toe aan het type dat de Heerenveen-groep kenmerkt, maar is de keileem ‘uitgespoeld’ door het water van de beek.

Zo’n 110 jaar later kunnen wij inmiddels spreken van zeven soorten keileemtypes die in vier keileemgroepen verdeeld zijn. De eerste groep heet Heerenveen en bestaat uit slechts een type; Heerenveen-type. Een sterk zandige ontkalkte keileem dat grotendeels uit Zuid-Zweden en de Oostzee afkomstig is. Dit type is waarschijnlijk afgezet tijdens de eerste fasen van de vergletsjering en is dominant aanwezig in Oost- en West- Groningen, westen van Drenthe en Friesland.

Toen in de nacht van dinsdag 4 op woensdag 5 juni 2019 enkele windhozen hun geweld loslieten op de vele bossen in de omgeving van de Zulte, konden heel veel bomen de kracht van de wind niet weerstaan en sneuvelden. Het geweld was niet kieskeurig en keek niet naar de ouderdom van de bomen. In het beekdalgebied van de Zulter Bitse was het niet anders en forse zomereiken gingen met wortel en al ondersteboven, waarbij de onderzijde van het wortelpakket goed zichtbaar werd. Hierboven zijn de vuurstenen te zien die de laatste overblijfselen zijn van de bovenste laag van de keileemafzetting in dit gebied. Tijdens en na de laatste ijstijd hebben zowel de poolwinden als het beekwater de keileem doen oplossen en de vuurstenen gepolijst.

De volgende groep heeft de naam Emmen-groep en bestaat uit twee types; de kalkhoudende Nieuweschoot-type en de ontkalkte Emmen-type. Beide varianten komen vooral voor op de oostelijke Hondsrugtak in Drenthe, maar ook ten noorden bij de dorpen Sauwerd en Winsum in Groningen. De Emmengroep wordt vooral aangetroffen op types uit uit de Assengroep.

De derde groep is de Assen-groep en bestaat eveneens uit een kalkhoudende en ontkalkte keileem-type. De Noordhorn-type is de kalkhoudende variant en komen wij tegen bij de noord-einden van de Hondsrug, de Tynaarlorug en de zandrug van Rolde, respectievelijk tussen de plaatsen Haren en Groningen, bij Hoogkerk en op de keileemhoogte van Zuidhorn en Noordhorn. Deze keileem is rijk aan vuurstenen en als de keileem niet verweerd is, zijn de meeste vuurstenen zwart, grijs of bruin van kleur. Vooral de zwarte vuursteen komt veel voor, ook in grote stukken, vaak met restanten aanhangend krijt. De ontkalkte keileemlaag binnen de Assen-groep heet Assen-type en is een sterk zandige keileem, die door uitloging uit de kalkrijke Noordhornkeileem is ontstaan. Ook deze keileem is rijk aan vuurstenen.

Zwarte vuursteen met dunne witte cortex dat niet verweerd is. Cortex is een overgangslaag en bestaat uit poreus kalk- en kiezelmateriaal dat van het moedergesteente afkomstig is.

De vierde en de laatste verzameling keileemtypes komen wij tegen in de Voorst-groep, waarbij er ook hier een ontkalkte en een kalkhoudende keileem hoort.  De twee types staan ook bekend als ‘Schollenleem’ of ‘Flow-Till’ waarbij de afkomst terug te wijzen is naar het smeltproces van een gletsjer. De kalkhoudende keileem heet Voorst-type en komt samen met de ontkalkte Oudemirdum-type vooral voor op en ten oosten van de Hondsrug.

Keileem uit de Heerenveen-groep langs de Zulter Bitse is blootgelegd tijdens het onderhoud aan de beek. Door de invloeden van het weer begint de keileem te eroderen.

De keileem uit de Heerenveen-groep die in de wijde omgeving van het voormalig esgehucht voorkomt en op veel plaatsen vlak aan het oppervlak te voorschijn komt, het niet alleen slechte kanten zoals het modderig maken van gebieden. Soms zijn andere elementen uit bijvoorbeeld een latere ijstijd prachtig om te zien. Zoals de pingoruïne ten noordoosten van de Zulte, waar het grondwater door de permafrost drong en na het smelten van het ijs in de pingo, er een zandige doorgang in de keileem was achtergebleven (Een geheimzinnige diepte). Weliswaar loopt de verdieping in het land bij een groot aanbod van regenwater snel vol, maar het is een kwestie van een paar dagen dat vrijwel al het water weer verdwenen is.

Bij een groot aanbod van hemelwater is de pingoruïne volgelopen en is nu duidelijk zichtbaar in het weiland. In het midden van de ruïne zit een soort pijp van zand waardoor het water weer snel wegzakt.

Laten wij even teruggaan naar het jaar 1910 waar Dr. Leopold ons laat weten dat de invloed van wat hij de grauwe noemt, keileem in de gebieden waar deze voorkomt, niet licht kan worden overschat. Om het in zijn woorden te zeggen: ‘Waar het aan de oppervlakte ligt of door eene zandlaag van geringe dikte bedekt is, schijnt het meestal een der beste bouw-, wei- en boschgronden te vormen, die wij kennen. En zelfs al wordt het door een dik zanddek bedolven, ook dan nog is het onderscheid met den armeren enkel zandbodem vaak verrassend en treden welige loofhoutbosschen of van nature reeds welvarende akkers en weiden in de plaats van naaldhout, heide of stuifzand ; de voor water weinig of niet doorlaatbare keileembank vertraagt of verhindert namelijk het wegzakken van het regenwater en geeft aldus gelegenheid tot het vormen van een ondergronds waterkapitaal, dat bosschen en landbouwgewassen in de droge tijden ten goede komt.’ (Dr. G. H. Leopold – Over het keileem in het Nederlandsch Diluvium. Keileem als geologisch afzettingsproduct; zijn voorkomen; zijne chemische samenstelling; zijne beteekenis voor de cultuur, 1910)

Naast dat de keileem in de nattere perioden geen water doorlaat, is het tijdens droogten eveneens een kwelling voor de boer. De. Leopold omschrijft het als volgt: ‘Daarentegen bestaat daar groot gevaar voor een volmaakt uitdrogen van de bouwkruin in droge tijden, daar de leembank het capillair opstijgen van het grondwater verhindert. Dit laatste komt in Drente op talrijke plaatsen voor, waar het witte dorre keileem den ondergrond vormt.’

Leopold merkt op dat de loofhoutbossen op de bodem met een ondergrond van keileem het zeer goed doen. Dit verklaart ook waarom op de plaatsen waar de keileem dagzoomt in het verleden ook vele bossen stonden. Typerende struiken die keileembodem zeer weten te waarderen en in dit gebied veel voorkomen zowel solitair als in struwelen, zijn de Sleedoorn (Prunus spinosa) en de Tweestijlige meidoorn (Crataegus laevigata).

De blauwe vrucht van de Sleedoorn die ook wel ‘bekketrekker’ genoemd wordt vanwege zijn zeer zure smaak. Pas als er een nachtvorst overheen geweest is schijnt het zure in de vrucht een stuk minder te zijn. De heerlijk ogende blauwe vruchten zijn vaak al ver voor de eerste nachtvorst rijp en menigeen die verleiding niet kan weerstaan en een vrucht in zijn of haar mond stopt, zal de meest vreemde grimassen laten zien. Rare bekken trekken dus.

Naast de vieze glibberige bende die de keileemlaag veroorzaakt doordat deze laag vrijwel geen water doorlaat, zorgt de keileem dus ook nog voor een specifieke huishouding op het gebied van planten, waarbij de Pitrus (Juncus effusus) hét kenmerkende gezicht is van een keileemrijk gebied. De plant die ook wel ‘Ruskepol’ genoemd wordt in het dialect wat men hier spreekt, komt hier op heel veel plaatsen in grote getale voor. Het is een liefhebber van drasse, natte gronden en kan zelfs in zuurstofloze gronden groeien. Zeker in de gebieden waar men gestopt is met het bemesten van het land (inclusief de bekalking en het verlagen van het aanbod van fosfaten), komt de plant vandaag de dag massaal voor. In het verleden kreeg een boer met veel Pitrus in zijn land het advies om kalk te gaan gebruiken om de plant zo te bestrijden.

Het gevolg van het nalaten van de bemesting in een weiland waar de keileem vrijwel aan het oppervlak ligt. De Pitrus (Juncus effusus)) tiert hier nu welig. De oude Pitruspollen rechts op de foto zijn de oude planten van vorig jaar die niet door de eigenaar zijn omgemaaid.

Voor meer informatie over keileem verwijs ik graag naar:

Kijk eens omlaag Een website waar je vrijwel alles kan vinden wat maar met onze ondergrond te maken heeft.

Stenen zoeken Waar ligt de steen en waar komt deze vandaan, de antwoorden vindt u hier.

Geologie van Nederland Een tijdreis van 500 miljoen jaar.

Kluften

Plaatselijke gemeenschappen in Drenthe bestaan natuurlijk al heel lang en tot verdriet van velen, was men in de provincie niet zuinig op oude documenten. Veel van die oude documenten zijn erg beschadigd of bestaan stomweg niet meer. Natuurlijk was men niet overal slordig en roekeloos met de oude geschiften en is hier en daar nog iets moois te vinden. En ander gedeelte van de geschiedenis is via mond op mond reclame generaties lang bewaard gebleven.

In het kleine brinkgehucht nabij de Zulteresch was het leven voor het jaar 1795 niet veel anders dan op andere plaatsen in de Landschap Drenthe. Het was slechts een van de vele buurtschappen die in het arme en dunbevolkte gewest voorkwamen. Naast de doorgaans kleine buurtschappen waren bestonden er ook andere plaatselijke gemeenschappen zoals de marken, schultambten, kerspelen, heerlijkheden, en de dingspelen.

Doordat Cornelis Pijnacker (1570-1645) zich in 1627 in de plaats Meppel in de Landschap Drenthe vestigde, is de beroemde Pijnacker kaart van Drentia uit het jaar 1634 ontstaan. Het zou de eerste kaart van het arme en dunbevolkte gewest zijn. (bron)

Een andere term voor de plaatselijke gemeenschappen die wij in de Landschap Drenthe tegen kunnen komen zijn ‘kluften’, die ook wel ‘cluften’, ‘clufften’, of ‘kluchten’ werden genoemd. In Drenthe kon een kluft onder andere voor een onderdeel van verschillende dingen zijn zoals in een onderverdeling van een kerspel, die in de regel geen kerk had en kan dan ook gezien worden als een synoniem voor een wijk of buurtschap. Een kluft kon in sommige gevallen een meer of minder grote mate van zelfstandigheid hebben. In sommige plaatsen waar veel kluften voorkwamen, kwam men het woord kluft tegen in namen zoals ‘Noorderkluft’ of ‘Zuiderkluft’.

Nu kende men in de omgeving van het kerspel Rhoden al heel lang een vorm van kluftgebruiken, die ook wel ‘noaberplicht’ werd genoemd. Een ieder die in een noaberschap (buurtschap of kluft) woonde, had de verplichting de andere noabers (buurtgenoten) met raad en daad bij te staan. In het verlengde van wat als noaberplicht werd gezien, was de inzet van de kluften voor de eenvoudige arbeidsverdeling binnen een buurtschap. Het belang was bijvoorbeeld in Peize goed zichtbaar, waar speciaal de zorg voor de wegen jaarlijks kluftsgewijze geschiedde.

Dit gold eveneens voor het buurtschap de Zulte waar zich een herder met de schaapskudde bevond, die gebruik maakte van een schapendrift richting het grote heideveld. De noabers zullen verantwoordelijk zijn geweest voor het onderhoud en de toegankelijkheid naar het perceel heide met het nummer K-210 van bijna 37 hectare net boven de Toutenburgsingel. Het perceel heide was net zoals het grondstuk waarop de schapendrift lag, I-257bis, in het bezit van de markegenoten Zulte.

De toenmalige schapendrift van het voormalig esgehucht de Zulte die tussen de Hoppenkamp en de es Kostverloren lag. De noabers in het buurtschap waren verantwoordelijk voor het onderhoud aan de drift.

Eigenlijk bevonden zich in het kerspel Rhoden volgens het grondschattingsregister van 1642 vijf kluften: Roden, Steenbergen, Leutingewolde, Foxwolde en Zulte. Daarvoor zou het aantal kluften hebben kunnen variëren gelang de plaatselijke omstandigheden van economische aard of bevolkingsdichtheid. Op pagina 93 van het boek ‘De rechtspositie van de Eigenerfden in Drenthe’ uit 1934 beschrijft Dr. A. F. Lunsingh Meijer over een conflict tussen de eigenerfden van Roden en Steenbergen over een voorgenomen grensregeling, waarbij de bewoners van Steenbergen de scheidpalen hadden weggenomen.

De buren van Roden komen tegen het ontvreemden in verzet en eisen onder andere het volgende: ‘daer nochtans, die van Steenberghen noijt andere marcke hebben gehadt als gemeen nevens andere kluften van Roden, hoewel de kluften om gerijfs halven iedereen sijn eijgen besonder district van opslach, heijden en weijden gehadt heeft. Zij hebben nevens andere kluften alle gemene lasten eenpaerlijck gedragen.’ Opvallend is de definitie van ‘marcke’ hierin te vinden: ‘district van opslach, heijden en weijden.’ De verschillende kluften binnen het kerspel hebben elk een eigen stuk van de marke in gebruik, welke gedeelten op hun beurt eveneens de naam kluft hadden.

Een andere term die opduikt is het zogenaamde ‘filiaaldorp’. De vijf eerder genoemde kluften binnen het kerspel Rhoden zijn eigenlijk een buurtschap op zich zelf, waarbij men een typisch voorbeeld heeft van een filiaaldorp die destijds veel in Drenthe voorkwam. Zeer veel buurtschappen zijn ontstaan als filiaal- of dochterbuurtschappen van een oerbuurtschap, waarbij door de uitbreiding van de bevolking mensen uit het buurtschap vertrokken en zich vestigden op een gedeelte van de ongescheiden marke van de oorspronkelijke buurschap.

Door de zeer geringe bevolkingsdichtheid lagen de oerbuurtschappen ver uit elkaar en waren de omliggende markegronden zeer groot. Op die markegronden ontstond de nieuwe buurschap, met haar eigen gescheiden marke er om heen, oorspronkelijk min of meer afhankelijk van de oerbuurschap op wier markegronden zij lag. Die afhankelijkheid bleef bestaan in die gevallen, waarvan hier in Roden een voorbeeld is te zien, waar de verschillende buurschappen samen, wat het ongescheiden gedeelte betreft (soms werd dit nog beperkt tot alleen bos en heide of veengronden), een marke hadden. In dat geval bleven de nieuwe buurschappen feitelijk kluften van de oerbuurschap (bron: Dr. A. F. Lunsingh Meijer  – De rechtspositie van de Eigenerfden in Drenthe, van Gorcum & Comp., Assen 1934, pagina 94).

Het grensgebied tussen het dingspel Noordenveld en het Ommeland Westerkwartier nabij het Leekstermeer. In de tijd van de kluften zullen grote stukken van het gebied er zo uit hebben gezien.

In  de provincie Groningen had een kluft, ook wel ‘klauw‘ of ‘clauw‘ genoemd, een belangrijkere rol dan de buurtschappen in bijvoorbeeld Noord-Drenthe. Nu was de situatie in Groningen en vooral de Ommelanden niet te vergelijken met die van Drenthe ondanks enige overeenkomsten die wel voorkwamen zoals eerder beschreven in Peize. Door de ligging van die provincie aan de Waddenzee en het uitmonden van een tal van beken en riviertjes in diezelfde Waddenzee, speelden de buurschappen of kluften bij de waterstaat maar ook bij de onderhoud van wegen en burenhulp. Een reglement uit het jaar 1722 voor de Stadsjurisdicties van Groningen zorgde dat de dorpen hiervoor uit een aantal kluften of noabergilden (buurtgilden) dienden te bestaan. Dit gold ook voor de Ommelanden.(Wikipedia)

Had een kluft of buurtschap zoals de Zulte ten noordwesten van het kerspel Rhoden niet echt een voorman of woordvoerder, de kluften in Groningen wel degelijk. Deze werden ‘Kluftheer’ genoemd en dienden als buurt- of wijkmeester. In ‘Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden, deel 21, 1794 Van Stad en Lande’ wordt op pagina 171 aandacht besteed aan de kluftheren: ‘De Heeren van de Kluft maaken uit een Kluftheeren-getal van agt persoonen, waartoe men voor-heen twee uit ieder der vier kluften nam; maar welke zorgvuldigheid thans geene plaats meer heeft, schoon nog voor hun de stad verdeeld blyft in vier panden.’.

Komen wij in het Drenthe van de zeventiende en de achttiende eeuw de benaming ‘etstoel’ tegen voor een ambtsgebied van een plaatselijk gerecht, op ‘t Groninger Land sprak men eerder van een ‘rechtstoel’ als het de rechtsprekende colleges betrof. In het aan het noordwesten van de provincie Drenthe grenzend Westerkwartier werd de redger of rechter net als in Friesland ‘grietman’ genoemd en zijn assistent ‘wedman’. De wedman trad tevens op als deurwaarder.

Op een kaart uit het jaar 1660 waarop de Stad Groningen en de Ommelanden waren afgebeeld, zijn zowel het Vijfde Dingspil Nordeveldt als Fredewoldij te zien. Daarnaast worden de landerijen onder het Sulte meer omschreven als Lage Landen en moeras, iets waar het meer zijn naam ook aan dankte. (Atlas van Kooper, uitgegeven door Frederick de Wit in de Calver straet te Amsterdam, ca. 1660)

Er waren ongeveer 75 rechtstoelen in Groningen en als we de lijst aanhouden van de ‘Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden deel 21 1794 Van Stad en Lande, tweede deel’ dan heeft het Westerkwartier de volgende nummers 50 (Vredewold), 51. (Oosterdeel Langewold), 52. (Westerdeel Langewold), 53. (Visvliet), 54. (Ooster Ruige Waard), 55. (Middel Ruige Waard), 56. (Wester Ruige Waard), 57. (Niehove), 58. (Humsterland), 59. (Ezinge), 60. (Hardeweer), 61. (Feerwert), 62. (Aduard), 63. (Dorkwerd en Leegkerk), 64. (Hoogkerk), en 65. (Platvoetshuis) .

Voor het gebied nabij het oude esgehucht de Zulte is het toenmalige onafhankelijk Ommeland Vredewold redelijk van belang qua invloed. Het buurtschap bezat weliswaar tot het midden van de jaren twintig tijdens de negentiende eeuw niet een directe verbinding met de weg tussen Rhoden en de Leek, maar de connecties met Nijentap (Nietap) en Ter Heyl zorgden wel voor een uitwisseling van gebruik en spraak. Veel dingen gaan nu eenmaal verder dan ’t Piepke del!

Een gedeelte van de kaart van het Wester Quartier van Groningen 1751-1754. De kaart werd vervaardigd door ir. Caldenbach. (Groninger Beeldbank)

Vredewold was een staande rechtstoel van het huis Nyeoort (Nienoord) en had het nummer 50. Hieronder vielen de volgende dorpen en kluften: Marum, Noordwyk, Nuis, Niebert, Tolbert, Midwolde, de Leek, Lettelbert, Oostwolde en de Leege Meeden. Deze streek ligt in het oosten tegen het zuidwesten van Friesland, ten noorden van Drenthe, ten westen van Middagt, en ten zuiden van Langewold.

De auteur van het boek ‘Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden deel 21 1794 Van Stad en Lande, vierde hoofdstuk, pagina’s 374 tot en met 376’ omschrijft prachtig: “De dorpen liggen genoegzaam in ééne rye, opeenen zandigen en houtdragenden grond, terwyl de veenen meerderdeels ten zuiden zyn Vredewold, (by Emo Frodowalda geheten) ofschoon niet groot zynde, was al van ouds eene landstreek op zig zelve, welke een eigen wapen (Hetzelve verbeeldt eenen geharnasten ruiter te paard), een eigen landregt (Landregt van Vredewold) , en eigene rigteren in ieder dorp hadde. Deeze rigteren verdeelden zig in eene Ooster en Westerwarf, en zaten daarop gezamenlyk te regt. Dit heeft geduurd tot het jaar 1531, wanneer de gemeene rigteren , eigenerfden, en ingezetenen van Vredewold, zo wel van de ooster als de westerzyde, de geheele grieteny ervelyk opdroegen aan Beetke, de weduwe van Wigbold van Ewsum, en haare kinderen; onder die voorwaarde, dat in ieder dorp de Buurrigteren zouden blyven, en dat de tydelings aantestellene Grietman moest zyn tot genoegen der gemeente. En in dat opzigt is het nog heden een staande regtftoel van het huis Nye-oort; maar de kerkelyke collatien in de dorpen behooren mede aan anderen, hoewel dat huis door deszelfs groote goederen veel inzage daarin heeft. Tot de dorpen zelve overgaande, is van de Friesche paalen het eerste.”.

De indeling van het Ommeland Vredewold vlak voor de Bataafsche revolutie van 1795. (Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden deel 21 1794 Van Stad en Lande, vierde hoofdstuk, pagina’s 376 tot en met 380)

Een ander verschil tussen de Drentse en Groninger kluften was het ‘Claveboeck’. Het claveboek of klauwboek was in de provincie een officieel register binnen de kluften, waarvan de eigenaar gerechtigd is om als redger of rechter op te treden. De klauwboeken komen voor in de Ommelander gouwen die onafhankelijk waren van de stad Groningen zoals Vredewold. (Bron)

Dat het er in de kluften binnen de Landschap Drenthe een stuk gemoedelijk aan toe ging dan in Groningen blijkt wel uit het bovenstaande artikel uit de Drentsche en Asser courant no. 133, blad 6, van woensdag 10 juni 1953 .

In het jaar 1880 verscheen er in de Provinciale Drentsche en Asser courant een serie feuilletons over de diverse Drentse plaatsen en hun bezienswaardigheden, waarbij de kerk van Roden ook niet ontzien werd. De in de ik-vorm schrijvende verslaggever weet het zo mooi te vertellen, dat ik het uit twee delen bestaand verhaal daar waar het betrekking heeft op kluften, hier plaats. Het zijn fragmenten van ‘Naar Roden V en VI’, en ze verschenen respectievelijk op maandag 5 juli (No. 155) en dinsdag 6 juli (No. 156) 1880.

De prachtige Catharinakerk op de Brink van Roden. De kerk werd gebouwd in de dertiende eeuw en werd gewijd aan de heilige Catharina van Alexandrië.

Den toren te beklimmen — ik had er lust noch moed toe. De historie van Babel roept de stervelingen toe: ‘niet de lucht in !’ en eene andere stem geeft den raad: ‘laag en klein bij den weg — dan heeft men ’t minste gevaar !’ Wat ik later eens doe, weet ik niet, maar thans was er niets dat mij naar boven kon lokken — beneden was zooveel genoegen dat men een dwaas moest wezen, om zich te vermoeijen, door de lucht in te gaan en zoo niet van de vrolijke partij omlaag te zijn.

Toch ken ik de ernstige boodschap, welke J. Borgherdt, de klokkegieter te Groningen, door de eenige klok, welke Roden heeft, tot den volke liet spreken, toen zij in 1746 op haar hoogen troon was geheschen. Zij luidt:

lk noodige al die vreest den Heer tot dienst van Christus den Hemelkoning, En schla een naar geluyt wanneer de mens verlaat des ardse woning.

Behalve die uitnoodiging vindt men in het metaal gegrift:

Willem Baron van In en Knijphuijsen Heer van Nienoort en des landes Vredewolt, medegedeputeerde staat en Curator Academiae der provincie van Stadt en Lande medecollator tot Roden etc. etc. Hendrick Allingh, scholte tot Roden en Roderwolde, desself verwalter Tyll Krythe, Jacobus van der Scheer predicant, Ette Harm Eels van Lijverden en Deodatus Peeters in der tijd kerkvoogden, Jan Janssens en Floris Aukema van Lootingewolde als hijrtoe van de acht kluften tot Roden zijnde gekommitteerd geweest. Geert Krijthe, Hindrick Geerts als voerluiden van de klok.

Uit den toren in de kerk en al dadelijk onthaal ik mijne lezers op een dichtstukje, ’t welk ter linkerzijde op het orgel wordt gevonden. De onbekende vervaardiger zegt:

Zing Roden! Hoppincks naam en God ter eer! Een Gajus leerde u ’t eerst de zuivre Leer. Nu steunt een Catherine uw Tempelzangen Bij milde gift van ’t konstig Orgelwerk. Hij schoort den Kansel op; Zij siert uw Kerk. Uw God bezorgt uw Heiligdoms belangen Door Hoppincks, nader dan in vleesch en bloed Tot Sions dienst vermaagschapt naar ’t gemoed.

Aan de regterzijde leest men:

“Dit orgel, versierd met deze Wapens, strekt ter gedagtenisse van den Heer Albert Hoppinck, en deszelfs Huisvrouw Elizabeth Johanna Hoppinck, geboren Clarcq, en derzelver twee nagelaten kinderen, wijlen den Heer en Mr. Jacob Willem Hoppinck en Mejuffrouw Maria Catharina Hoppinck, en is vervaardigt uit een Legaat, door laatstgemelde Juffrouw op den V Maart MDCCLXXVI aan de Kerke van Roden daar toe expres gemaakt.” ݉

Aan de achterzijde staat:

Dit orgel is verveerdigt in het jaar 1779 door de directie van den WelEdele Geboren Gestrenge Heer en Mr. C. W. Ellents, raed en secretaris van het landschap Drente, etc. etc., die daartoe expreslijk is geautoriseert geworden, en is gemaakt door den orgelmaaker A. A. Hins te Groningen.

’t Orgel van Roden’s kerk is een geschenk. Eene bloedverwante van G. Hoppinck — hier predikant geweest — te ’s Hage overleden op 18 December 1776, vermaakte aan de kerk het aanzienlijke legaat van tienduizend gulden en daarvan werd het orgel vervaardigd, onder toezigt van mr. C. W. Ellents, eigenaar van het Huis Mensinge en te Boden overleden op 12 September 1784. ’t Werd ingewijd op 4 Junij 1780 door Regnerus Tjaarda de Cock, predikant te Nieuwe Pekela, naar aanleiding van Ps. CXLIV : 9. Deze leeraar was daartoe uitgenoodigd, omdat hij en ook zijne echtgenoote bloedverwanten en erfgenamen van de schenkster waren. ’t Orgel doet nog zijn maker eer aan en is, zegt men, een der beste in Drenthe.

De achterzijde van de prachtige Catharinakerk in Roden. Op de achtergrond is de toren te zien die de schrijver van een serie feuilletons over Drentse plaatsen in 1880 beklom.

In 1795 kwam er met de Bataafsche Omwenteling bestuurlijk gezien een einde aan de kluften in zowel Drenthe als Groningen.

Mient

Een groot voorrecht dat de families en de adel voor hen als grootgrondbezitter destijds bezaten, was het verkopen van hout dat zich op hun grondgebied bevond. Zo komen wij al vanaf het midden van de achttiende eeuw advertenties, ook wel ‘Bekentmakingen’ genoemd, tegen in de lokale kranten waarin het hout te koop wordt aangeboden. Het is dan vooral de heer W. baron van In- en kniphuisen, heer van Nienoord, Enum en Aykema, die verkondigd dat hij ‘5 à 600 zware eyken stambomen en  eykenschilbossen bij havesaat, het huys Ter Heyl genaamt, en in ’t Noordholt onder Roon in ’t Landschap Drenthe geleegen’ wenst te verkopen. Waarschijnlijk werd het enorm grote oerbos ten oosten van het brinkgehucht de Sult bedoeld, dat het Groot Noordholt heette.

De hierboven aangehaalde advertentie uit de Opregte Groninger Courant van vrijdag 24 december 1762, waarin de heer W. baron van In- en kniphuisen, heer van Nienoord, Enum en Aykema bekendmaakte dat hij vijf tot zeshonderd zware eiken te koop aanbood.

  Doorgaans werden grote percelen bos, vaak aangeduid in het aantal bomen op den wortel, publiekelijk geveild. De bomen werden dan per afslag bij ‘afmyning’ verkocht aan diegene die het genoemde bedrag de juiste prijs vond van het hout. Afmijning of afmyninge is een veiling waarbij een product op een te hoge prijs wordt ingezet, waarna de prijs daalt totdat iemand akkoord gaat. Wanneer deze akkoord gaat met de prijs, riep de koper ‘mijn of mient’.

  Voor de eigenaar van de percelen bos die verkocht werden bracht niet alleen het hout geld in het laatje, de door de bomenkap vrijgekomen grond kon op hun beurt weer verpacht worden aan kleine boeren, die er bouw- of grasland van maakten. Het voordeel hiervan was dat de eigenaar amper of geen moeite hoefde te doen om de gronden te bewerken en zodoende te blijven onderhouden en hij kreeg er pacht voor. Dit was naast het geld dat hij verdiende aan het verkopen van het hout, een extra bron van inkomsten van een perceel dat anders enkel geld kostte.

  Maar niet alleen leverde het kappen een verdienste op voor de eigenaar, het leverde ook nog eens een stuk werkgelegenheid op voor de arbeiders in de directe omgeving. De bomen moesten worden gekapt, de wortels dienden uit de grond te worden gehaald, de stam moest van de kruin en de takken ontdaan worden, waarna ze gereed werden gemaakt voor transport. Dan werden de bomen vervoerd naar bijvoorbeeld een zaagmolen waar er planken en balken voor aannemers, molenbouwers, meubelmakers of scheepshout van werd gemaakt. Vandaag de dag roepen dit soort massale boomkapacties veel weerstand op onder de bevolking, maar destijds was het een belangrijke economische stimulans in het gebied. Met principes vul je geen hongerige magen. Het is dan ook niet zo verbazingwekkend dat er vandaag de dag nog maar weinig sporen terug zijn te vinden van de enorme bossen die het gebied eens kenmerkten.

Op de afgebeelde oude Franse legerkaart uit het begin van de negentiende eeuw is goed te zien hoeveel bossen, die geel ingekleurd zijn, zich in de omgeving van de Zulte bevonden.

  Vanaf het jaar 1790 komen wij dan regelmatig advertenties in de regionale dagbladen tegen van de familie Aukema, waarin met name grote eiken te koop worden aangeboden. Vooral in de Zulte, waar zich destijds enorm veel grote en zeer oude bossen bevonden (afbeelding hierboven), heeft de familie Aukema behoorlijk veel geld verdient aan het verkopen van het hier aanwezige hout en daardoor voor veel werkgelegenheid gezorgd. Door de werkgelegenheid die door het kappen van de bomen ontstond, trokken ook arbeiders uit de verre omgeving richting Rhoden, zoals het dorp inmiddels werd beschreven. De arbeiders namen vaak hun gezin mee, zochten onderdak en zullen bij menig grondeigenaar een kleine woning of perceel hebben gehuurd.

  Naast het kappen van de grote eiken werden ook de kleinere eiken gerooid om te schillen. Arbeiders die de bast van de eiken schilden werden ‘Eekschillers’ genoemd. Als de bast van de boom af was gehaald, werd deze gedroogd en kon de eikenschors, ook wel eekschors of bark genoemd, vervoerd worden naar een zogenaamde barkmolen. Hier werd de bark door molenstenen fijngemalen waarna er door water aan toe te voegen, de ‘run’ ontstond. Run werd gebruikt om dierhuiden te looien. Waarschijnlijk werd de bark naar de stad Groningen vervoerd, waar zich een ‘Barckmeulen’ bevond aan de oostzijde van het Winschoterdiep. Ze konden daar zien wanneer de molen bark aan het malen was doordat dan alle deuren van de molen openstonden. Zodoende konden de huid-irriterende stoffen die vrijkwamen tijdens het maalproces, snel wegwaaien.

De Barckmeulen bij de stad Groningen op een kaart uit 1643. Stadscaerte van Groeningen : De kaart van Egbert Haubois

  Blijkbaar was de tweeënzeventig jarige Floris Aukema toch behoorlijk in zijn wiek geschoten, toen zijn advertentie van dinsdag 23 november 1790 in de Groninger Courant niet klopte (zie afbeelding hieronder). Het kan ook zijn dat de advertentie gewoon niet correct geplaatst was, iets dat wel vaker in die tijd voorkwam. Onleesbare handschriften, een slecht verstaanbare uitspraak of een onoplettende letterzetter zorgden nogal eens voor onduidelijkheid. Bij de laatstgenoemde werd de schuld snel doorverwezen naar het ‘zetduiveltje’, een term die gebruikt werd wanneer er zich fouten in het zetwerk hadden voorgedaan.

De advertentie van dinsdag 23 november 1790 in de Groninger Courant waarin Flerys Ankema voornemens is om 500 zware eiken stambomen op de Zulte publiekelijk te verkopen. Dat Floris Aukema niet tevreden was met het geplaatste bleek wel, toen drie dagen later een verbeterde versie van de advertentie in dezelfde krant verscheen. me.wordp

  Maar goed, laten wij de advertentie van die bewuste dinsdag 23 november 1790 eens gaan bekijken: ‘FLERYS ANKEMA is voornemens publyk te laten Verkoopen , om de 500 zware en lange opgaande Eiken Stambomen , zeer geschikt voor Aannemers , als mede Scheepstimmer , Wagen , Molens en Kromhout , op Woensdag den 1 December 1790 , des morgens om 9 uur op de Zulte , na voor te lezene Conditien’. Het zal Floris, die in de advertentie ‘Flerys Ankema’ genoemd werd, zeker niet hebben behaagd om verkeerd benoemd te worden in de krant. ‘Oh mijn God’, zal hij hebben gezegd en na een diepe zucht, zijn tweede vrouw Lammechien Smeengh bij zich hebben geroepen, waarna de landbouwer zijn beklag bij haar deed over het gepruts bij de krant.

  Het kan natuurlijk ook de in zijn ogen onduidelijkheid van de advertentie geweest zijn, die hem totaal niet zinde. Floris zal een stuk papier, een pen en inktpot hebben gepakt en zich voorover hebben gebogen om een nieuwe advertentie te schrijven. Nadat hij het geschrifte en aantal malen goed doorgelezen had, zal hij ervoor gezorgd hebben dat de nu correcte advertentie bij de krant kwam.

  Drie dagen later, op vrijdag 26 november 1790, stond er een verbeterde versie van de advertentie in de Groninger Courant en de godvrezende landbouwer uit Leutingewolde zal deze met een instemmende knik hebben gelezen: ‘FLORYS AUKEMA is voornemens by Uitmyninge te laten Verkoopen , om de 500 zware en lange opgaande Eiken Stambomen , zeer geschikt voor Aannemers , als mede Scheeps , Molen , Timmer en Kromhout , staande op de Wortel in deszelfs Bosschen tot de Zulte 1/2 uur van de Leek op Woensdag den 1 December 1790 , des morgens om 9 uur te beginnen by ’t huis van Harm Vogelsang , na voor te lezene Conditien’.  

De desbetreffende en verbeterde advertentie van Floris Aukema in de Groninger Courant van vrijdag 26 november 1790, die een stuk duidelijker qua informatie.

  Het huis dat in de advertentie vermeld werd en waar de toen tachtig jarige Harm Vogelsang woonde, lag ongeveer 400 meter noordelijk van het brinkgehucht Zulte nabij de oude weg tussen de Boschkampe en de herberg Toutenburg en droeg de naam ‘Vogelsang’. Op de plaats waar het oude huis stond is in de jaren negentig van de vorige eeuw en nieuw huis geplaatst met de naam ‘Old Voochelsang’. De familie Vogelzang dankt hun familienaam daarnaast ook aan de oude boerderij.

Locatie en informatie over de Barckmeulen kunt u HIER vinden.

De Zulte en hoe zat dat ook alweer met de zee?

Het gebied waarin we brinkgehucht aantreffen, is natuurlijk een behoorlijk stuk ouder dan de periode die in de vorige artikelen beschreven werden. Veel van het verleden van dit specifiek gebied is nooit beschreven en zal ook altijd wel een gedeelte speculatie blijven. Doordat het gebied ook nog eens redelijk onbekend is bij veel inwoners van het dorp Roden en de aanwezigheid van monniken in de omgeving van het noordwestelijk gelegen Terheijl, ontstaan er de meest vreemde verhalen over het gebied, die we het beste met een korreltje zout kunnen nemen. Zout is dan ook weer zoiets, dat in de verhalen regelmatig terugkeert. Zo wordt de naam van het buurtschap de Zulte en indirect het Leekstermeer, dat in het verleden ook wel het Zultermeer genoemd werd, ook constant in verband gebracht met natriumchloride (NaCl). Of beter gezegd, de link met zeezout duikt regelmatig op in de verhalen.

  Zeezout, dat bestaat uit calciumchloride (CaCl2), magnesiumbromide (MgBr2), magnesiumchloride (MgCl2), natriumchloride (NaCl) en natriumsulfaat (Na2SO4), en voorkomt in het zeewater. Een veel gehoorde opvatting is dat de naam verwijst naar verleden, toen de zee veel invloed in dit gebied zou hebben gehad. De vondst van zowel schelpen als zeezout tijdens grondboringen in de wijde omgeving van het dorp Roden zouden deze theorie ondersteunen. Daarnaast zou het woord “zilt”, dat verwijst naar het zoutgehalte in het zeewater, aan de grondslag van de naam de Zulte (zilte) hebben gelegen. Een andere verklaring die mij werd aangereikt, was dat het Leekstermeer in een heel ver verleden deel moet hebben uitgemaakt van de voormalige Lauwerszee, het huidige Lauwersmeer.

  Daarnaast speelt mee in de  verhalen  over dat  de zee  hier  zijn invloed  had  laten merken  en  dat deze tot ver in de negentiende eeuw voor eb en vloed in de stad Groninger grachten en kanalen had gezorgd. Dit was pas voorbij, toen in 1877 de twee zeesluizen bij Zoutkamp gereed kwamen en het Reitdiep geen directe verbinding meer met de zee had. De wens van hoe het er hier vroeger uit moet hebben gezien, begint dan als snel de vader van de gedachte worden en dat resulteert op zijn beurt weer in de meest vreemde verhalen.

  Een andere verklaring, die eveneens zou moeten wijzen naar de aanwezigheid van zeewater in het gebied, is de oude naam van de J. P. Santeeweg. Aan het begin van de negentiende eeuw heette de weg nog de Leekster Dyk. Waarbij het woordje ‘Dyk‘ zou moeten verwijzen naar een dijk, die in dit geval het zeewater zou moeten beletten om het buurtschap de Zulte te overspoelen. Echter, het woord ‘Dyk‘ of ‘Dijk‘ werd ook gebruikt voor een verhoging in natte gebieden waarop zich een pad of weg bevond. En erg verbazingwekkend is dit dan ook niet, gezien de toestand van het gebied toen deze weg werd aangelegd. Immers, een groot gedeelte van het gebied ten noorden en noordwesten van het dorp Roden bestond destijds uit een enorm groot en nat heideveld.

De voormalige Leekster Dyk op een kadastrale kaart uit 1832. Tegenwoordig heet de weg richting Nietap de J. P. Santeeweg.

  De oorzaak hiervan kunnen we naar mijn mening zoeken in het onbekende van dit gebied. Zijn van veel gebieden rondom het dorp Roden nog enigszins betrouwbare bronnen te vinden, over het gebied waarin de Zulthe vandaag de dag ligt, is dit niet het geval. Kortom; er bestaat hier en daar nogal wat verwarring en onduidelijkheid over de naamgeving van het gebied.

  De meest aannemelijke theorie over de naam van het oude buurtschap de Zulte, lijkt mij toch die van Professor dr. Maurits Gysseling (1919-1997). Gysseling houdt rekening met de oudere schrijfvorm Sulta, een Germaans verzamelwoord, dat voor modderig gebied staat. Gezien de toestand van het gebied tot ver in de twintigste eeuw, is dit toch wel een zeer aannemelijke theorie. Door de vrijwel waterdichte laag die de taaie potklei in combinatie met de keileem in dit gebied heeft gevormd, bestaat er hier vrijwel alleen maar een horizontale afvoer van water. Hierdoor wordt de bovenlaag zeer drassig en kan dit op veel plaatsen ook heel lang blijven.

  En toch, het idee dat de zee zijn invloed in de omgeving van zowel het buurtschap als bij het Leekstermeer achter heeft gelaten, niet zo raar. Immers, tot ver in de zestiger jaren waren de invloeden van eb en vloed merkbaar in het grondwater onder de stad Groningen. Echter, voor een duidelijk merkbare invloed van het zeewater in het gebied, moeten we een behoorlijk eind teruggaan in de tijd. Op zich zijn de vondsten van fossiele schelpdieren en lagen zeezout tijdens grondboringen in de bodem rondom het rustige Noord-Drentse Roden niet zo enorm verrassend en verbazingwekkend als het op het eerste gezicht mag lijken.

Een andere verklaring voor het aantreffen van zoutsporen in sloten nabij weilanden in de omgeving van de huidige de Zulthe is deze, dat de resten van vrijwel geheel opgebruikte likstenen, ook wel zoutstenen genoemd, door de eigenaar destijds hier gedumpt werden.