De Zulte in het woordenboek.

Toen de op donderdag 7 december 1792 te Amsterdam geboren heer Abraham Jacob van der Aa als Nederlandse letterkundige en lexicograaf in het jaar 1839 zich waagde aan zijn uitdaging om van alle plaatsen in het Nederlands koninkrijk het wetenswaardigste bijeen te brengen, kon hij niet bevroeden hoeveel plezier een aantal bewoners van het koninkrijk zou gaan bezorgen. Nou ja, het kleine gedeelte dat met enige regelmaat met zijn of haar neus in één van de veertien delen van het ‘Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden‘ zit te pluizen om de geschiedenis van een bepaalde plaats of gebeurtenis op te zoeken. 

Ondanks dat zijn 14-delig naslagwerk een goed beeld geeft van hoe het in het Nederland van het midden van de negentiende eeuw eruit moet hebben gezien, zonder de kaarten uit die periode blijft het soms toch behoorlijk gissen waar wat gelegen heeft, of juist niet! Weliswaar was de Kadastrale kaart die de situatie weergaf rond het jaar 1832 behoorlijk betrouwbaar, maar dit was echter eerder een uitzondering dan de regel. 

Op deze uitsnede van een kaart van de Provincie Groningen opgemaakt door. A. Smit van der Vegt, Landmeter bij het Kadaster in het jaar 1837, is in tegenstelling tot de kaarten van het Kadaster, te zien dat deze niet geheel correct was getekend. Zo ligt bijvoorbeeld de Westeinder Weg ten oosten van het dorp Roden, terwijl deze ten westen van Roden lag en naar het huidige dorp Nieuw-Roden liep (bron: Groninger Archieven. Kaart van de Provincie Groningen opgemaakt onder toezigt van G. Acker Stratingh, Med. Doctr. doorI. A. Smit van der Vegt, Landmeter bij het Kadaster, 1837.).

Desondanks dat de kaarten redelijk betrouwbaar waren en van der Aa verreweg de meeste plaatsen die hij beschrijft nooit heeft bezocht, blijft zijn naslagwerk een prachtige handleiding om het een en ander te weten te komen van het gebied in, rondom en ten noordwesten van het voormalig esgehucht de Zulte in de periode tussen de jaren 1839 tot en met 1851. 

Ook op deze uitsnede van de kaart van de Provincie Groningen opgemaakt door. A. Smit van der Vegt, Landmeter bij het Kadaster in het jaar 1837, wordt het stroompje de Zulter Bitse ineens de Winsumer sloot en komt het uit in het Leekstermeer in plaats van het Leekster Hoofddiep. (bron: Groninger Archieven. Kaart van de Provincie Groningen opgemaakt onder toezigt van G. Acker Stratingh, Med. Doctr. doorI. A. Smit van der Vegt, Landmeter bij het Kadaster, 1837.).

Zeker gezien in de tijdgeest van het midden van de negentiende eeuw en eigenlijk alleen de welgestelden, hogescholen en universiteiten zich het konden veroorloven om exemplaren van het Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden aan te schaffen, blijft het een prachtige reis door de tijd. 

Het spreekt voor zich om de alfabetische volgorde aan te houden en dan het eerste het beste artikel te gaan behandelen dat ook maar enigszins iets met de Zulte te maken heeft, maar op een of andere manier vind ik dat toch niet helemaal in het verhaaltje passen en begint het verhaal juist met het dertiende deel van het Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden uit 1851 waar we voormalig esgehucht ten noorden van het dorp Roden tegenkomen. 

Op pagina 329 in het dertiende deel van het Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden uit 1851 komen het voormalig esgehucht tegen. Vanzelfsprekend zonder de ‘h’ aan het eind van de naam die ergens in de jaren dertig van de vorige eeuw door een overijverige ambtenaar aan de naam werd toegevoegd (bron: Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, bijeengebragt door A. J. van der Aa, onder medewerking van eenige Vaderlandsche Geleerden. Dertiende deel. Z. Te Gorinchem, bij Jacobus Noordduyn. 1851. Pagina 329.).

Het voormalig esgehucht ligt volgens het boekwerk in het dingspil van Noordenveld, dat gelegen is in de provincie Drenthe. De Zulte bevindt zich op ruim 4 uren ten noordnoordwesten van de gemeente Assen en op 5 minuten loopafstand noordwestelijk van het dorp Roden. Het gebied dat tot de Zulte werd gerekend was ongeveer 13 hectare groot en er woonden volgens het Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden destijds 80 mensen.

Het in het boek genoemde aantal inwoners van de Zulte klopt vrij aardig, zeker gezien de gegevens die men destijds ter beschikking had. Het exacte aantal bewoners van het esgehucht was na de volkstelling in het jaar 1830 83 personen en tien jaar later bij de volgende volkstelling in 1840 zelfs 86 inwoners, zoals hierboven te zien is (bron: alledrenten.nl. Roden | Bevolkingsregister | 2001.21 | 2 | Gedigitaliseerde bevolkingsregisters van de voormalige gemeente Roden | Volkstelling, 1840).

In dit deel komen wij op pagina 329 naast de Zulte ook het Zultermeer tegen. Het Zultermeer, ook wel Sulte- of Sultermeer genoemd, is natuurlijk het huidige Leekstermeer. Het ondiepe en zeer visrijke meer dankt zijn oorspronkelijke naam aan de vlakke oevers die zeer drassig waren. Meer over het ontstaan en de naamgeving van het gebied kunt u in het artikel Sülte en het moeras’ lezen. 

(bron: Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, bijeengebragt door A. J. van der Aa, onder medewerking van eenige Vaderlandsche Geleerden. Dertiende deel. Z. Te Gorinchem, bij Jacobus Noordduyn. 1851. Pagina 329.).

Dat het Leekstermeer erg ondiep was en zeker voordat het meer geschikt werd gemaakt voor onder andere de pleziervaart, was mij al duidelijk na verhalen die mijn in de Zulte geboren grootvader mij vertelde. Hoe hij met passie vertelde dat hij als bengel aan het begin van de twintigste eeuw van de ene zijde naar de andere zijde van het meer liep, van zuid naar noord, en zijn haren niet nat had gekregen tijdens het lopen. 

De vermelding van het Sulte-meer op pagina 801 van het Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, Tiende deel S uit het jaar 1847 (bron: Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, bijeengebragt door A. J. van der Aa, onder medewerking van eenige Vaderlandsche Geleerden. Tiende deel. S. Te Gorinchem, bij Jacobus Noordduyn. 1847. Pagina 801.).

En als er over de effecten die de eb en vloed op de waterstand moeten hebben gehad volgens enkelen werd gesproken, schudde hij zijn hoofd en zei hij: “Die luu bent niet wies, bent dreumers!”. Van het effect van de zee, daar had hij nooit wat van vernomen, in al die jaren dat hij bij het Leekstermeer kwam. 

De beschrijving van het Leekstermeer in het zevende deel van het Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden. (bron: Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, bijeengebragt door A. J. van der Aa, onder medewerking van eenige Vaderlandsche Geleerden. Zevende deel. L. M. Te Gorinchem, bij Jacobus Noordduyn. 1845. Pagina 98.).

Een ander effect op het ontstaan van het huidige Leekstermeer was het beekje de Leeke, de Leke of de Lek, dat zijn oorsprong had iets onder het gehucht Terheijl, waar het op het toen immens groot natte heideveld ontsprong en het meer van water verzorgde. Later toen het Leekster Hoofddiep rond 1560 werd gegraven in opdracht van Wigbold van Ewsum jr., voor de afwatering en als vaarweg voor turfschepen, kwam deze grotendeels in de bedding van de Leeke te liggen. 

Een pagina eerder in het zevende deel van het Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden komen wij de vermelding van het beekje de Leeke tegen. (bron: Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, bijeengebragt door A. J. van der Aa, onder medewerking van eenige Vaderlandsche Geleerden. Zevende deel. L. M. Te Gorinchem, bij Jacobus Noordduyn. 1845. Pagina 97.).
Op de kaart van A. Smit van der Vegt uit 1837 heet de beek de Lek. (bron: Groninger Archieven. Kaart van de Provincie Groningen opgemaakt onder toezigt van G. Acker Stratingh, Med. Doctr. doorI. A. Smit van der Vegt, Landmeter bij het Kadaster, 1837.).

*Link: Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden Hier kunt alle 14 exemplaren van het Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden downloaden.

Van de Zulte naar de Nietapster Schans.

Toen in het jaar 1812 de befaamde Franse legerkaart onder leiding van militair-ingenieur J. K. Immeling gereedkwam en de wijde omgeving van het dorp Roden voor het eerst duidelijk en redelijk accuraat te zien was, waardoor er na de Franse tijd er in ons land een deugdelijk kadastraal systeem opgezet kom worden, had een soldaat uit het Groningse Haren al in de jaren tachtig van de achttiende eeuw deugdelijk werk afgeleverd op het gebied van het nauwkeurig landmeten. Nu moet wel worden opgemerkt, dat beide militaire ingenieurs twee totaal verschillende doelen voor ogen hadden. 

De schans bij Nieuw-Tap met linksboven de beek Lek. (bron: Groninger Archieven Identificatienummer NL-GnGRA_817_1311.1).

Nadat Lodewijk Napoleon op zondag 1 juli 1810 zich teruggetrokken had als koning en er op maandag 9 juli 1810 door middel van het Decreet van Rambouillet een einde kwam aan het Koninkrijk Holland, voegde de Franse keizer Napoleon Bonaparte het land bij het keizerrijk Frankrijk. Doordat het land deel ging uitmaken van het grote keizerrijk, betekende dit ook dat de maatregelen en wetgeving in ons land werden ingevoerd, zoals de burgerlijke stand en het metriek stelsel. 

Naast een goede burgerlijke stand, die ervoor zorgde dat men als staat wist waar de weerbare mannen zich bevonden, was een stelsel nodig waarbij men met precieze cijfers de belastingen bij de juiste grondeigenaren kon gaan innen. Dit stelsel werd in 1832 in ons land ingevoerd als het Kadaster met uitzondering van Limburg.  

Nu was de kaart van het gebied rondom Roden uit 1812 natuurlijk niet zo precies als die uit 1832 en dat had natuurlijk een reden. De kaart van 1812 was gemaakt door de militaire ingenieurs zodat de legerleiding van de Grande Armée wisten waar ze langs konden trekken en waar dit juist niet ging. Dit zal één van de redenen zijn waarom de pingoruïne Vagevuur niet op de kaart voorkomt en de iets meer naar het noordoosten gelegen pingoruïne in het heideveld wel. 

Op de Franse legerkaart uit 1812 is duidelijk te zien dat de pingoruïne Vagevuur niet is ingetekend, maar de noordoostelijk op het heideveld gelegen pingoruïne wel. Het is erg begrijpelijk dat dit is gebeurd; Vagevuur lag in het bos en het was niet aantrekkelijk om met een leger door het bos te gaan. Zeker niet als er voldoende goede wegen in de directe nabijheid aanwezig zijn (Bron: Drents Archief).

Nu was er natuurlijk allang voor de Franse tijd vraag naar betrouwbare kaarten van de gebieden waar de militaire ingenieurs veel baat bij zouden kunnen hebben en er waren natuurlijk ook al ervaringen opgedaan met kaarten en tekeningen van bijvoorbeeld vestingwerken, die redelijk nauwkeurig waren. Eerlijk gezegd, vestingwerken klinkt heel wat, maar in vele delen van het noorden bestonden deze uit zogenaamde ‘schansen’. Een schans was eigenlijk niets meer dan een verdedigingswerk met een gracht en een aardenwal, die redelijk snel gebouwd kon worden en financieel gezien maar weinig koste. 

In de omgeving van de Zulte stonden er twee schansen, de Leeksterschans in Leek en in het dorpje Een komen wij de Zwartendijksterschans tegen. Oude verdedigingswerken die stammen uit het tijdperk aan het einde van de zestiende eeuw en dienden tijdens de tachtigjarige oorlog. Honderd jaren later hadden de schansen hun functie als zodanig verloren en kwamen ze min of meer in verval. 

De Leeksterschans rond het jaar 1640 en met de naam “Le Fort sur le Passage De Lecke” (bron: Groninger Archieven Identificatienummer NL-GnGRA_2138_1081)

En dan komen we uit bij de eerdergenoemde soldaat uit Haren; Rudolph Rummerink. Hij werd als zoon van Jan (Johan) Rummerink (Rummeringh) en Margareta Hoijsing (Hoising) (Hoisingius) op zondag 6 januari 1726 te Haren geboren. Hij wilde landmeter worden en werd als student ingeschreven aan de Hogeschool van Groningen op maandag 14 september van het jaar 1744, waarbij hij op vrijdag 29 mei 1750 promoveerde in de landmeetkunde. Bijna een jaar later, op donderdag 18 februari 1751 trad hij in dienst van het leger als militair-ingenieur. 

Rummerink komt in het jaar 1757 als luitenant-ingenieur in de vestingplaats Nieuweschans terecht waar hij na negen jaren op zondag 1 juni 1766 weer vertrekt. Op donderdag 26 september 1778 wordt de luitenant bevorderd tot major-ingenieur bij de Genie en werkt hij in het jaar 1781 nabij Groningen in het Departement van Wedde en Westwoldingerland samen met de civiele ingenieurs Siderius en van Lier. Enkele jaren later, in 1784 komen wij de majoor weer tegen in een advies in verband met de verdedigingswerken in het oosten van de provincie Groningen. 

Het is echter het jaar 1785 dat de wijde omgeving van de Zulte te maken krijgt met de militaire ingenieur, die afkomstig is uit het Groningse Haren en oom is van de rijke en in Roden redelijk bekende boer Rudolf Rummerink, eveneens afkomstig is uit de plaats Haren. In het boek “Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde, derde reeks, deel VIII uit 1894” vermeldde de schrijver dat; “Zoo lagen ten noorden van Drente drassige gronden 3, waarop de woorden van Caesar B. G. dat de volken hun grenzen woest en onbewoond lieten voor de veiligheid, en zooals J. D. Meijer het uitdrukt: «Moerassen scheidden de volken», toepasselijk geacht mogen wordena. De majoor heeft een duidelijke mening over de gebieden ten noorden van de Zulte en oostelijk gelegen van de Leeksterweg.  

In de tekst staat een 3 waar men naar de uitspraken van Rummerink verwees: “Van die ten westen van Groningen schrijft de Majoor-Ingenieur Rummerink ten jare 1785: “sijnde alle de landen aan de oostzijde van dien Leeksterweg tot de stad Groningen, en aan de westzijde tot Friesland, volgens informatiën seer laag en ’s winters ten eenenmale geïnuudeert”. Met inunderen bedoelde de majoor niet dat het doelbewust onder water zetten van het gebied, maar dat dit al van nature tijdens de natte perioden gebeurde. 

Het ontwerp van de schans bij Nieuw-Tap die door majoor-ingenieur Rudolph Rummerink in het jaar 1785 vervaardigd werd. De schaal is 60 Rhijnlandsche roeden = 10 cm. (bron: Groninger Archieven Identificatienummer NL-GnGRA_817_1311.1).

Het is ook in dit jaar dat de majoor-ingenieur Rummerink het idee heeft opgedaan om ten zuiden van het gehucht Nieuw-Tap een sterke fortificatie aan te gaan leggen in de stijl van de oude schansen zoals in Een, Leek en Bourtange. Zeker gezien hoe het landschap destijds erbij lag, een logisch plan om juist hier een verdedigingswerk aan te gaan leggen. Een paar forse schansen, drassige gronden en veel sloten lokten nu niet uit om hier met een leger uit die tijd op te rukken. 

Het plan verdween met de bijbehorende tekening in het archief van de Genie en vrij nuchter gezien was het plan enorm achterhaald. Zeker toen tien jaren later het Franse leger ons land vrijwel zonder verzet ons land binnenviel. Hoe de dan inmiddels gepensioneerde en tot luitenant-kolonel ingenieur bevorderde Rudolph hierover dacht, is onbekend. Hij was in 1787 met Jacoba Rebecca Fruitier, weduwe van fiscaal-generaal van de provincie Friesland Pijbo Talma, getrouwd en woonde nu in Haren. Hier overleed hij op 81-jarige leeftijd op donderdag 1 oktober 1807. 

De advertentie uit 1807 in de Groninger Courant die geplaatst werd door zijn neef Rudolf Rummerink. Een jaar later zou neef Rudolf ook komen te overlijden (bron: Groninger Courant, Dingsdag 29 september 1807, nummer 78, tweede blad).

a Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde, derde reeks, deel VIII. Verzameld en uitgegeven vroeger door Mr. Is. An. Nijhoff en P.Nijhoff, thans door Dr. K. Fruin, Hoogleraar te Leiden. ’s Gravenhage Martinus Nijhoff 1985. Pag. 204 en 205. 

Het tiende recht.

Een klasse apart onder de boeren in en rondom het voormalig esgehucht de Zulte waren wel de ‘Meijers’, de boeren die hun beroep uitoefenden op een zogenaamde meijerij of pachtboerderij, die in het bezit waren van een grootgrondbezitter. Meestal waren dit boerderijen van de adel op havenzate Mensinge of van Nienoord in Leek en grote boeren rondom het dorp Roden. Daarnaast bezat het klooster in Aduard en later de bewoners van huize Ter Heijl hier nog enkele boerderijen, die zij verpachten aan boeren. Een mooi voorbeeld hiervan is de vermelding van de pachter Harm Geerts in het Haardstedenregister van de Zulte uit 1742, waarin de man omschreven werd als ‘Majer van de Najnoort in de Helle’. Destijds werd de Helle (Terheijl) nog tot de Zulte gerekend.

De vermelding van Harm Geerts in de Helle in het Haardstedenregister van de Zulte uit 1742 met de vermelding dat hij een meijer is van Nienoord (bron: Haardstedegeld 868.24, archiefnummer 0001, Drents Archief, inventarisnummer 868.24).

De meijer, de pachter dus, had een belangrijke functie in de omgeving waar de beste man boerde. Doorgaans had de beste man een aantal knechten, meiden en een varkensjongen aan het werk en afhankelijk van het seizoen, kwamen daar ook nog een groep landarbeiders en dagloners bij. Dat het voor de meijer geen vetpot was, blijkt wel uit het Drents gezegde: ‘As meierboer haj meestal meer wark as geld’. Voor veel landarbeiders en dagloners was het seizoenswerk bittere noodzaak om te kunnen overleven. Weliswaar hadden veel van hen een klein boerenbedrijfje, waarbij zij een klein stukje grond bezaten dat als moestuin gebruikt werd en een enkeling bezat een paar schapen of geiten, maar het was te weinig om van rond te komen. Vandaar dat zij dus de extra werkzaamheden bij de pachtboeren deden.

Even buiten het esgehucht langs de weg richting het dorp Roden, ter hoogte van de Boschkampe, stonden een aantal van deze kleine boerenbedrijfjes waar de arbeiders Harm Lammers Kroon, Egbert Louwes Meulema, Cornelis Lammers Kroon en Lammert Jans Noord en hun gezinnen woonden rond het jaar 1830. Sommige arbeiders bezaten net iets meer grond konden redelijk rondkomen en hoefden slechts een paar keer extra werk te doen bij de meijers. Deze dagloners, de kleine boertjes dus, werden ook wel ‘Ceuters’ (keuters) genoemd.

In het roodgekleurd huis dat aan de linkerzijde staat op het perceel I-298 was van Harm Lammers Kroon, I-301 bevond zich het huis van Egbert Louwes Meulema, daarnaast, I-305, het perceel van Cornelis Lammers Kroon en geheel rechts stond het huis van Lammert Jans Noord op I-306 (Kaart 1832Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).

De eerder vermelde opmerking dat je als meijer meer werkt hebt dan geld, is zeer begrijpelijk. Niet alleen het personeel, de dieren en het zaaigoed koste de boer veel geld, maar ook de pacht en de gemeentelijke belastingen hijgden de best man behoorlijk in zijn nek. Daarnaast lag er op veel percelen het zogenaamd ‘tiendrecht’. Boeren die deze landerijen destijds pachten en bewerkten waarop de tiendenplicht ruste, hadden de verplichting per jaar een tiende van de oogst afdragen aan diegene die het land met het tiendenrecht bezat. Was het eerst nog dat de afdracht in nature diende te gebeuren, later kon men de waarde ook in geld gaan afdragen. Voor de reformatie in de zestiende eeuw bezat het klooster in Aduard grote landerijen rondom de Zulte en met het heffen van de tienden konden zij het onderhoud van de gebouwen en de kloosterlingen in dit gebied financieren. Na de reformatie nam de adel een deel van de landerijen over, het andere deel werd door boeren overgenomen, die inmiddels grootgrondbezitters waren geworden en de adel naar de kroon staken.

De in de zestiende eeuw gebouwde boerderij met de naam ‘De Spijker’ in Roden had in het verleden de functie om onder andere de inkomsten van het tiendrecht, dat bij de bewoners van havenzate Mensinge lag, in nature op te kunnen slaan. De Spijker was dus de voormalige schoutsboerderij van Roden en werd ook voor andere inkomsten gebruikt naast het tiendrecht, die natura betaald diende te worden. Waarschijnlijk had de toenmalige boerderij met de naam Vogelsang even ten noorden van het voormalig esgehucht deze functie ook gekregen toen het aan het begin van de achttiende eeuw gebouwd werd in opdracht van de heren van Nienoord. Immers, zij bezaten inmiddels ook behoorlijke percelen in de Zulte nabij te Helle.

De voormalige schoutboerderij Vogelsang lag in het verleden ten noorden van het voormalig esgehucht de Zulte. De boerderij is ruim 270 jaar oud en nog steeds een markant beeld in de omgeving.

Er bestonden diverse vormen van de tiendrecht, ook wel tiende recht genoemd, en met een beetje geluk, dan kon de beste man maar liefst driemaal de knip trekken om aan zijn verplichtingen te kunnen voldoen. Zo had je bijvoorbeeld de zogenaamde oude en novale tienden. De novale tienden konden pas geïnd gaan worden, als de ondergrond bijvoorbeeld heide, recentelijk was ontgonnen. Dus had de boer zijn schapen op de heide lopen dan hoefde hij hier over niets te betalen, maar was het ontgonnen en diende het nu als weiland, dan kon de eigenaar nu wel aanspraak op het tiende recht maken.

De uitleg over het tiende recht in een leerboek voor notarissen die in 1768 gedrukt is (Afbeelding: Redenerend vertoog over ’t Notaris Ampt. Bevattende eene duidelyke, nette en uitgebreide verklaring van deszelfs wezendlyke gronden omtrent veelerlye gevallen in de practycq. Tweede deel. Opgestelt, veel vermeerdert, en gecorrigeert door Arent Lybreghts, Notaris in ’s Gravenhage. Vyfde druk. Te Amsterdam, by J. Roman, G. de Groot, J. Loveringh, G. Tielenburg, S. V. Esveldt en P. Schouten. MDCCLXVIII. Pagina 191 & 192).

We kunnen het tiende recht onderscheiden in drie varianten: a). Maat tienden, ook wel grove of korentienden genoemd en betrof graan (rogge, tarwe, haver, gerst enz.). b). Smalle of kleine tienden werd over tuinvruchten (moes, knollen, radijs, appels, peren, noten etc.), gras, hooi, hop, hout en vanaf 1731 ook over aardappelen en aardperen. c). Krijtende tienden, die gingen over jonge dieren zoals veulens, kalveren, lammeren, biggen, maar ook over ganzen, bijen en ander geboorte van jonge dieren.

Het tiende recht, het recht van een heer als belasting het tiende deel van de oogst of van jonggeboren vee op te eisen en is van kerkelijke oorsprong en is oorspronkelijk gebaseerd op het Oude Testament, werd in Nederland met ingang van vrijdag 1 januari 1909 afgeschaft.

Kleverige prut aan de stevels

Niets is zo controversieel als de aanwezige keileemlaag in het grote gebied ten noorden van het idyllisch gelegen dorp Roden in de prachtige kop van Drenthe. Met name in de omgeving van het voormalig esgehucht de Zulte waar deze keileem aan of vlak onder het oppervlak ligt en daar het uiterlijk weet te bepalen. Zeker in de nattere jaargetijden met een groot aanbod van hemelwater kan het werkelijk een groot drama zijn wanneer je als boer of loonwerker hier met zware machines aan de slag moet. Hier en daar zijn er zelfs plaatsen waar het vrijwel onmogelijk is om te lopen zonder dat de kans bestaat om je laarzen kwijt te raken aan deze glibberige, taaie en klevende substantie.

Over keileem zal vermoedelijk met net zoveel met bewondering gepraat en geschreven zijn als erop gescholden werd door de vroegere boer die deze ‘proeksel’ vervloekte. En nog steeds zorgt deze restant van de Saalien-ijstijd voor menig verwensing die ik hier maar niet zal herhalen. Eigenlijk betekent het woord ‘proeksel’ de rotzooi van smeltende sneeuw op de weg in het Gronings, maar de boer vond dat de keileem minstens net zo erg dat hij de term gebruikte en ergens kon ik mij daar wel in vinden. En keileem is niet kieskeurig wat betreft de plaats waar het voorkomt. Je zou haast het vermoeden krijgen dat het zich heeft neergelegd op plaatsen waar het niet opvalt of op schuine hellingen met het idee om de moderne mens hier het leven zuur te maken. Het is wat de boer zei; dikke proeksel! Zou de beste man ooit geweten hebben dat Drenthe ondanks zijn hoge ligging en de zandige ondergrond in het verleden door de aanwezigheid van keileem tot een van de natste provincies van ons land behoorde?

Waarschijnlijk zag de gletsjer die vanuit het noordoosten ons land binnentrok tijdens het Saale Glaciaal er op deze wijze uit. Miljarden tonnen ijs drukten zowel de bodem naar voren als naar beneden en lieten niets heel van het landschap dat zich na de Elster-ijstijd had gevormd.

Hoe je het ook wendt of keert, ruim 150 duizend jaar geleden begon het allemaal toen een grote gletsjer die vanuit het noordoosten onze omgeving was binnengedrongen, zich terug begon te trekken en een zogenaamde ‘grondmorene’ achterliet die vooral bestond uit (zwerf)keien, grind, zand, klei en leem. Door de samenstelling van het mengsel, dat grotendeels ontstaan was door het afslijten en het verpulveren van de keien door het gewicht en de snelheid (ongeveer 100 meter per jaar) van het pakket landijs, bezat de grondmorene ook veel kalk. Daarnaast pikte de gletsjer ook plaatselijk materiaal op dat een eindje verderop weer werd afgezet. De grondmorene komt op veel plaatsen voor en staat in Duitsland als ‘Geschiebelehm’ en in Engeland als ‘Lodgement Till’ of ‘Boulder-Clay’ bekend.

Een mooi voorbeeld van hoe de gletsjers in het verleden iets ten zuiden van Lieveren een grondmorene met keileem achterlieten en die grotendeels verweerd zijn, het zand op de deklaag stamt uit de Weichsel-ijstijd en is door de poolwinden hierheen geblazen. De plaats waar de grondmorene te zien was bevond zich langs het Oostervoortse Diep nabij waar deze in het Groote Diep uitmondde. Dit gedeelte is inmiddels gedempt ten behoeve van het weer laten meanderen van het Groote Diep.

Eigenlijk mogen en kunnen wij niet van een enkele grondmorene spreken. De gletsjer uit de Saale-ijstijd was niet zo maar een groot pak ijs dat over het Drentse landschap trok, eerder bestond het landijs in het noorden van ons land uit drie verschillende fasen. Voor ons zijn eigenlijk de eerste en de tweede fase van belang. De eerste fase kwam eerst niet verder dan het oosten van de provincies Groningen en Drenthe waar het ijs eerst stagneerde. Toen er weer meer ijs werd aangevoerd, schoof het pakket door tot de lijn Texel-Oldenzaal. Vervolgens kwam er de tweede fase waarin de hernieuwde aanvoer van landijs richting het zuidwesten ging en daar stopte, waar nu de Utrechtse Heuvelrug ligt.

De derde fase is zeker minstens net zo interessant als de twee voorgaande ijsverplaatsingen, alleen vond deze niet plaats in onze omgeving waar zich op dat moment enkel ‘doodijs’ bevond. Ten oosten van de lijn Roden-Assen-Smilde stroomde vanuit het noordwesten een pakket landijs met hoge snelheid richting het zuidoosten en vormde daardoor ten oosten van de Hondsrug een diepe glaciale geul, het huidige Hunzedal. Nee, het ging er zeker onstuimiger in de provincie Drenthe aan toe dan tijdens de vorige ijstijd. Door de verschillende fasen van landijs dat over ons gebied heenschoof, varieerde de plaatsen en de samenstelling van de grondmorene dan ook met enige regelmaat. Dat zien wij dan ook terug in de afzetting van de grondmorene, de keileem dus, in de ondergrond van de Zulte.

Op de bovenstaande afbeeldingen is te zien hoe het smeltproces van het pakket landijs zich voltrok. Naast de vele stuwwallen die deze gletsjer achterliet, bleef ook een indrukwekkende grondmorene achter in het noorden van Nederland.

Is de aankomst en het verblijf van het enorm groot pakket landijs in ons gebied al erg interessant, het vertrek met het bijbehorende smeltproces van de gletsjer maakt misschien nog wel meer indruk. Smolt de gletsjer tijdens de voorgaande ijstijd nog op een wijze waarbij het smeltwater van de grote hoogte naar beneden stortte en diepe geulen achterliet die met sediment werden opgevuld, het landijs dat hier lag brak in stukken uit elkaar. De grote stukken ijs gleden van de gletsjer af en duwden de doorweekte bodem voor zich uit en vormden zo ook weer stuwwallen. Het pakket landijs trok verder terug richting het noordoosten en de brokken bleven liggen waar ze in hun geheel wegsmolten.

Had de gletsjer tijdens het oprukken vanuit het noordoosten zowel grond als ander materiaal aan de onderzijde deze richting op vervoerd, in het ijs was ook behoorlijk veel sediment terecht gekomen en dit bleef achter doordat de terugtrekkende gletsjer verder smolt. Op de plaatsen waar de afgebroken en weggesmolten brokken lagen, bevond zich een grotere concentratie gletsjerpuin dat ook wel ‘Melt-dow Till’ genoemd wordt. Op een aantal plaatsen zijn tijdens dit sedimentatieproces de voorgaande en het nieuwere smelt residu door elkaar gemengd en kregen we weer een andere grondmorene. Zo is het dus mogelijk dat je verschillende afzettingen kunt tegenkomen die veroorzaakt zijn door een enkele gletsjer.

Een zwerfkei in de Zulte nabij het Volkstuinencomplex te Roden die overduidelijk sporen door slijtage draagt van zijn transport uit het noorden van Zweden. De steen bestaat uit zogenaamd Revsundgraniet, een opvallende granietsoort uit Noord-Zweden.

De naam ‘keileem’ heeft deze leemsoort te danken aan de verschillende formaten van de keien die er geregeld in voorkomen en gewoonlijk merendeels van Scandinavische of in het algemeen Baltische afkomst zijn. De keien zijn vaak aan de oppervlakte gepolijst en soms op voor deze stenen zeer karakteristieke wijze bekrast, die duiden op de voorgeschiedenis tijdens de reis naar ons gebied en die duidelijk en zeer nauw met de wijze van het vormen van de keileem samenhangt. De afzettingen door het landijs omvatten eveneens de afzettingen door het smeltwater van de gletsjer zoals fijn- tot zeer grofkorrelig grindhoudend zand met stenen. Deze afzettingen worden ook wel de ‘Formatie van Drente‘ genoemd.

Op de essen rondom het oude brinkgehucht zal menig zwerfsteen de vroege boer tot ergernis hebben gedreven.  Zo was er een boer nabij Leutingewolde die elke keer tijdens het maaien een steen raakte en hierdoor steeds schade aan de machines opliep. Gefrustreerd stapte de man uit zijn tractor, pakte een schep en begon te graven. Uiteindelijk bleken er twee graafmachines nodig te zijn om de hardwerkende boer van de vervelende zwerfsteen te verlossen! De overlast veroorzakende veldkei pronkt nu op de erf van de hardwerkende veehouder.

De door het grote pakket landijs hierheen gesleepte stenen kregen de naam ‘zwerfsteen’, ‘zwerfkeien’ of ‘veldkeien’ mee en worden in het hier gesproken dialect ook wel ‘flinten’ genoemd. Namen die wij nog steeds overal tegen komen zoals bij een groepsaccommodatie bij Roderesch en de OBS de Flint in Nietap. Het Steenbergerveld dat ten zuidwesten van het dorp Roden nabij het plaatsje Steenbergen ligt, stond er bekend om dat hier vele kleine veldkeitjes lagen. Menig straat in Groningen is bestraat met de keitjes toen het gebied ontgonnen werd.

De kaart van Nederland met daarop de glaciale afzettingen binnen de Formatie van Drente die vandaag de dag nog bestaan afgebeeld. De kaart is afkomstig van DINOloket.nl (TNO-GDN (2020). Formatie van Drente. In: Stratigrafische Nomenclator van Nederland, TNO – Geologische Dienst Nederland. Geraadpleegd op 2020 op DINOloket.)

Bij enkele weilanden rondom het voormalig esgehucht treffen wij dan ook met enige regelmaat hopen met kleine en middelgrote veldkeien aan die door de boeren hier gestapeld werden. Voor de boer hadden deze veldkeien geen enkel nut vanuit een economisch standpunt gezien en om eerlijk te zijn, ze vonden het niet erg dat iemand ze meenam op de tuin er mee te verfraaien. Zo eindigden dus vele keien als ornamenten in een mooie tuin.

Iets wat je overal langs een weiland of een weg kunt zien wanneer je door het noorden van Nederland gaat. Kleine hopen met veldkeien waarvan de boer last had en deze terzijde heeft gelegd.

Ten zuiden van het dorp Roden in de Noorder Duinen nabij het gehucht Steenbergen wisten de boeren van het Trechterbekervolk er zo’n 5500 jaar geleden wel raad mee. Zij gebruikten de grote zwerfstenen voor het bouwen van grafkelders, de zogenaamde hunebedden. Dit hunebed, D1 genaamd, is de meest noordelijk gelegen exemplaar in de provincie Drenthe.

Een berg stenen waaraan het plaatsje Steenbergen zijn naam te danken heeft. In het verleden dacht met dat grote reuzen de stenen zo neergelegd hebben.

Niet alle grote veldkeien kwamen direct uit Scandinavië onze kant op, een gedeelte was vanuit het noorden met bijvoorbeeld de gletsjer uit de Elster-ijstijd naar het zuiden vervoerd. Toen het pakket landijs uit het noordoosten over het gebied heen schoof waar de vorige gletsjer de stenen had laten liggen, kwamen de keien onze kant op. Waarschijnlijk gaat dit ook op voor bepaalde soorten vuurstenen die zich in de keileem bevinden. Mijn ervaring is dat er zowel zeer brosse vuursteensoorten die klein van formaat zijn als redelijk forse brokken van een zeer harde stevigheid in de keileemlagen zitten. Zo komen wij in de omgeving van het voormalig esgehucht de Zulte een stuk donkerrood vuursteen tegen dat in het verleden zeer gewild was bij de zeer vroege bewoners van het gebied. Zo vond Jaap Beuker in 2010 een halffabricaat van een vuistbijl gemaakt van rode Helgoland-vuursteen bij het plaatsje Een.

Een stuk rode Helgoland -vuursteen dat in de Zulte aan de oppervlakte kwam na recente werkzaamheden. De zeldzame rode vuursteen kan een kleur bezitten die varieert van vleeskleurig tot een paarsrode kleur. Een ander typerend kenmerk van de de vuursteensoort zijn de witte insluitsels.

Al eerder waren er grote veldkeien vanuit Scandinavië en de Baltische Staten in de omgeving van Roden aangekomen. Miljoenen jaren geleden stroomde ten noorden van het dorp een enorme rivier die zijn oorsprong in het huidige Lapland heeft en Eridanos genoemd wordt. Deze rivier was een miljoen jaar geleden tijdens het Bavel Interglaciaal ongeveer 2700 kilometer lang en vrijwel geheel Noordwest Europa tot aan de huidige Noordzee vormde zijn delta. Tijdens de dooiperioden in de bovenloop van de rivier zullen er stukken ijs van een gletsjer zijn afgebroken waar forse keien in opgesloten zaten en richting de delta gestroomd zijn. Toen de grote brokken ijs in rustiger en ondiep water terechtkwamen, kwamen ze vast te zitten en smolten, waarna de grote keien bedekt werden door rivierslib en ander sediment.

Nog een prachtig voorbeeld van een veldkei die vanuit het noordoosten naar ons land vervoerd is. Niet alle zwerfkeien en andere stenen die met de gletsjer deze kant opkwamen kwamen direct uit het noorden van Scandinavië. Veel van de stenen waren tijdens de vorige Elster-ijstijd al richting het zuiden vervoerd en het nieuwe pakket landijs pikte ze op en bracht ze hierheen.

Het vermoeden bestaat dat er op een gelijke wijze ook tijdens de Saale-ijstijd zwerfkeien richting het zuiden van ons land zijn gedreven. Grote stukken smeltend landijs die met het smeltwater voorbij de huidige Utrechtse Heuvelrug helemaal tot in Noord-Brabant terecht kwamen. Dit verklaart waarom er daar stenen gevonden worden uit die periode met een Scandinavische of Baltische achtergrond.

Zoals u al eerder kon lezen bestaat er niet echt een vaste soort grondmorene of keileem na het verdwijnen van het landijs uit onze omgeving. Dr. G. H. Leopold spreekt al in 1910 van drie soorten in zijn ‘Over het keileem in het Nederlandsch Diluvium. Keileem als geologisch afzettingsproduct; zijn voorkomen; zijne chemische samenstelling; zijne beteekenis voor de cultuur’. Eigenlijk is alleen de eerste soort die hij benoemd van belang voor de aanwezigheid van de dagzomende keileem in dit gebied.

Een van de kleine veldkeien die te voorschijn kwam in het Klein Noordhout uit de soort keileem die door Dr. Leopold als ‘grauwe keileem’ werd omschreven.

Als eerste soort draagt hij de grijze of grauwe keileem aan, die zeer algemeen is en van Gelderland tot aan het westen van de provincie Friesland voorkomt. Deze grauwe keileem is doorgaans lichtgrijs van kleur waarin geel tot roodkleurige vlekken of aderen voorkomen die de ene keer zeer duidelijk zichtbaar zijn en een andere keer weer zeer wazig zijn. Een ander keer bezit de keileem weer een oranje-gele tint, zoals vaak in het gebied nabij het voormalig esgehucht te zien is. De gele tot rode kleur van de keileem wordt veroorzaakt door het oxideren (roesten) van ijzerdeeltjes in de leem. Af en toe bezit de keileem een zachte lichtgroene kleur dat veroorzaakt wordt door glauconiet, een zand dat voorkomt in zuurstofarme lagen van het sediment in ondiep zeewater. Het percentage klei hangt af van waar de keileem voorkomt.

De grauwe of grijze keileem de Dr. Leopold omschrijft als zeer algemeen, wordt tegenwoordig omschreven als het Heerenveen-type in de Heerenveengroep. Leopold benoemt dat de keileem doorgaans lichtgrijs van kleur is en waarin geel tot roodkleurige vlekken of aderen voorkomen die de ene keer zeer duidelijk zichtbaar zijn en een andere keer weer zeer wazig zijn

De rode keileemsoort komt voornamelijk voor op de zandruggen van het Hondsrug-complex in Oost-Drenthe. Ten zuiden van het dorp Roden treffen wij op het oog ook rode keileem aan langs het Lieversche Diep, maar naar mijn inschatting is hier de grauwe keileem doordrongen met ijzeroer. Hier komt veel ijzerhoudend en zuurstofarm kwelwater aan de oppervlakte, dat een verbinding aangaat met de zuurstof in de lucht en waarna vrijwel alles in en om het water een roodbruine kleur krijgt. Kwelwater komt ook op veel plaatsen rondom de Zulte aan het oppervlak.

De gemengde keileem- en ijzeroerlagen langs het Lieversche Diep ten zuiden van Roden. Met name de grauwe keileem ligt onder de oer en is duidelijk zichtbaar. Deze leemsoort heeft echter niets met de rode keileem van doen.

Een derde vorm van keileem is het in de provincie Drenthe veelvuldig voorkomende witte of blauw-witte keileem, een in tegenstelling met de eerstgenoemde soorten zeer stug en steriel leem, dat voor een belangrijk deel uit zeer fijn kwarts zand schijnt opgebouwd en waarschijnlijk dezelfde grondsoort is, waaraan de Duitse onderzoeker Dr. Emil Ramann in zijn boek ‘Bodenkunde’ uit 1905 de naam ‘Heidelehm’ aan geeft.

Licht gekleurde en zandige keileem met veel vuursteentjes dat uit het beekje de Zulter Bitse komt. Waarschijnlijk behoort deze keileem ook toe aan het type dat de Heerenveen-groep kenmerkt, maar is de keileem ‘uitgespoeld’ door het water van de beek.

Zo’n 110 jaar later kunnen wij inmiddels spreken van zeven soorten keileemtypes die in vier keileemgroepen verdeeld zijn. De eerste groep heet Heerenveen en bestaat uit slechts een type; Heerenveen-type. Een sterk zandige ontkalkte keileem dat grotendeels uit Zuid-Zweden en de Oostzee afkomstig is. Dit type is waarschijnlijk afgezet tijdens de eerste fasen van de vergletsjering en is dominant aanwezig in Oost- en West- Groningen, westen van Drenthe en Friesland.

Toen in de nacht van dinsdag 4 op woensdag 5 juni 2019 enkele windhozen hun geweld loslieten op de vele bossen in de omgeving van de Zulte, konden heel veel bomen de kracht van de wind niet weerstaan en sneuvelden. Het geweld was niet kieskeurig en keek niet naar de ouderdom van de bomen. In het beekdalgebied van de Zulter Bitse was het niet anders en forse zomereiken gingen met wortel en al ondersteboven, waarbij de onderzijde van het wortelpakket goed zichtbaar werd. Hierboven zijn de vuurstenen te zien die de laatste overblijfselen zijn van de bovenste laag van de keileemafzetting in dit gebied. Tijdens en na de laatste ijstijd hebben zowel de poolwinden als het beekwater de keileem doen oplossen en de vuurstenen gepolijst.

De volgende groep heeft de naam Emmen-groep en bestaat uit twee types; de kalkhoudende Nieuweschoot-type en de ontkalkte Emmen-type. Beide varianten komen vooral voor op de oostelijke Hondsrugtak in Drenthe, maar ook ten noorden bij de dorpen Sauwerd en Winsum in Groningen. De Emmengroep wordt vooral aangetroffen op types uit uit de Assengroep.

De derde groep is de Assen-groep en bestaat eveneens uit een kalkhoudende en ontkalkte keileem-type. De Noordhorn-type is de kalkhoudende variant en komen wij tegen bij de noord-einden van de Hondsrug, de Tynaarlorug en de zandrug van Rolde, respectievelijk tussen de plaatsen Haren en Groningen, bij Hoogkerk en op de keileemhoogte van Zuidhorn en Noordhorn. Deze keileem is rijk aan vuurstenen en als de keileem niet verweerd is, zijn de meeste vuurstenen zwart, grijs of bruin van kleur. Vooral de zwarte vuursteen komt veel voor, ook in grote stukken, vaak met restanten aanhangend krijt. De ontkalkte keileemlaag binnen de Assen-groep heet Assen-type en is een sterk zandige keileem, die door uitloging uit de kalkrijke Noordhornkeileem is ontstaan. Ook deze keileem is rijk aan vuurstenen.

Zwarte vuursteen met dunne witte cortex dat niet verweerd is. Cortex is een overgangslaag en bestaat uit poreus kalk- en kiezelmateriaal dat van het moedergesteente afkomstig is.

De vierde en de laatste verzameling keileemtypes komen wij tegen in de Voorst-groep, waarbij er ook hier een ontkalkte en een kalkhoudende keileem hoort.  De twee types staan ook bekend als ‘Schollenleem’ of ‘Flow-Till’ waarbij de afkomst terug te wijzen is naar het smeltproces van een gletsjer. De kalkhoudende keileem heet Voorst-type en komt samen met de ontkalkte Oudemirdum-type vooral voor op en ten oosten van de Hondsrug.

Keileem uit de Heerenveen-groep langs de Zulter Bitse is blootgelegd tijdens het onderhoud aan de beek. Door de invloeden van het weer begint de keileem te eroderen.

De keileem uit de Heerenveen-groep die in de wijde omgeving van het voormalig esgehucht voorkomt en op veel plaatsen vlak aan het oppervlak te voorschijn komt, het niet alleen slechte kanten zoals het modderig maken van gebieden. Soms zijn andere elementen uit bijvoorbeeld een latere ijstijd prachtig om te zien. Zoals de pingoruïne ten noordoosten van de Zulte, waar het grondwater door de permafrost drong en na het smelten van het ijs in de pingo, er een zandige doorgang in de keileem was achtergebleven (Een geheimzinnige diepte). Weliswaar loopt de verdieping in het land bij een groot aanbod van regenwater snel vol, maar het is een kwestie van een paar dagen dat vrijwel al het water weer verdwenen is.

Bij een groot aanbod van hemelwater is de pingoruïne volgelopen en is nu duidelijk zichtbaar in het weiland. In het midden van de ruïne zit een soort pijp van zand waardoor het water weer snel wegzakt.

Laten wij even teruggaan naar het jaar 1910 waar Dr. Leopold ons laat weten dat de invloed van wat hij de grauwe noemt, keileem in de gebieden waar deze voorkomt, niet licht kan worden overschat. Om het in zijn woorden te zeggen: ‘Waar het aan de oppervlakte ligt of door eene zandlaag van geringe dikte bedekt is, schijnt het meestal een der beste bouw-, wei- en boschgronden te vormen, die wij kennen. En zelfs al wordt het door een dik zanddek bedolven, ook dan nog is het onderscheid met den armeren enkel zandbodem vaak verrassend en treden welige loofhoutbosschen of van nature reeds welvarende akkers en weiden in de plaats van naaldhout, heide of stuifzand ; de voor water weinig of niet doorlaatbare keileembank vertraagt of verhindert namelijk het wegzakken van het regenwater en geeft aldus gelegenheid tot het vormen van een ondergronds waterkapitaal, dat bosschen en landbouwgewassen in de droge tijden ten goede komt.’ (Dr. G. H. Leopold – Over het keileem in het Nederlandsch Diluvium. Keileem als geologisch afzettingsproduct; zijn voorkomen; zijne chemische samenstelling; zijne beteekenis voor de cultuur, 1910)

Naast dat de keileem in de nattere perioden geen water doorlaat, is het tijdens droogten eveneens een kwelling voor de boer. De. Leopold omschrijft het als volgt: ‘Daarentegen bestaat daar groot gevaar voor een volmaakt uitdrogen van de bouwkruin in droge tijden, daar de leembank het capillair opstijgen van het grondwater verhindert. Dit laatste komt in Drente op talrijke plaatsen voor, waar het witte dorre keileem den ondergrond vormt.’

Leopold merkt op dat de loofhoutbossen op de bodem met een ondergrond van keileem het zeer goed doen. Dit verklaart ook waarom op de plaatsen waar de keileem dagzoomt in het verleden ook vele bossen stonden. Typerende struiken die keileembodem zeer weten te waarderen en in dit gebied veel voorkomen zowel solitair als in struwelen, zijn de Sleedoorn (Prunus spinosa) en de Tweestijlige meidoorn (Crataegus laevigata).

De blauwe vrucht van de Sleedoorn die ook wel ‘bekketrekker’ genoemd wordt vanwege zijn zeer zure smaak. Pas als er een nachtvorst overheen geweest is schijnt het zure in de vrucht een stuk minder te zijn. De heerlijk ogende blauwe vruchten zijn vaak al ver voor de eerste nachtvorst rijp en menigeen die verleiding niet kan weerstaan en een vrucht in zijn of haar mond stopt, zal de meest vreemde grimassen laten zien. Rare bekken trekken dus.

Naast de vieze glibberige bende die de keileemlaag veroorzaakt doordat deze laag vrijwel geen water doorlaat, zorgt de keileem dus ook nog voor een specifieke huishouding op het gebied van planten, waarbij de Pitrus (Juncus effusus) hét kenmerkende gezicht is van een keileemrijk gebied. De plant die ook wel ‘Ruskepol’ genoemd wordt in het dialect wat men hier spreekt, komt hier op heel veel plaatsen in grote getale voor. Het is een liefhebber van drasse, natte gronden en kan zelfs in zuurstofloze gronden groeien. Zeker in de gebieden waar men gestopt is met het bemesten van het land (inclusief de bekalking en het verlagen van het aanbod van fosfaten), komt de plant vandaag de dag massaal voor. In het verleden kreeg een boer met veel Pitrus in zijn land het advies om kalk te gaan gebruiken om de plant zo te bestrijden.

Het gevolg van het nalaten van de bemesting in een weiland waar de keileem vrijwel aan het oppervlak ligt. De Pitrus (Juncus effusus)) tiert hier nu welig. De oude Pitruspollen rechts op de foto zijn de oude planten van vorig jaar die niet door de eigenaar zijn omgemaaid.

Voor meer informatie over keileem verwijs ik graag naar:

Kijk eens omlaag Een website waar je vrijwel alles kan vinden wat maar met onze ondergrond te maken heeft.

Stenen zoeken Waar ligt de steen en waar komt deze vandaan, de antwoorden vindt u hier.

Geologie van Nederland Een tijdreis van 500 miljoen jaar.