Roelof Brink en het gedonder in de Zulte.

Het jaar 1891 verliep voor de uit Eelde afkomstige en sinds maandag 24 maart 1879 in de Zulte wonende landbouwer Roelof Brink en zijn vrouw Aaltien Aukema werkelijk rampzalig. Een jaar eerder, in het jaar 1890 toen Roelof 38 jaar oud was, werd hun zesde kindje Hinderkien op dinsdag 22 april in de Zulte geboren. Het meisje werd ziek toen ze ruim een jaar oud was en overleed woensdag 27 mei 1891 in haar ouderlijk huis. Het overlijden van het dochtertje, dat Hendrikje als roepnaam had, werd in een advertentie in de Provinciale Drentsche en Asser courant van donderdag vier juni 1891 bekend gemaakt. Ruim twee maanden later zit het noodlot de hardwerkende landbouwer nogmaals behoorlijk flink dwars.

De advertentie in de Provinciale Drentsche en Asser courant waarin Roelof en Aaltien het grote verlies van hun dochtertje Hendrikje bekend maakten (bron: Provinciale Drentsche en Asser courant donderdag 4 juni 1891, vierde blad, 68ste jaargang, No. 128).

Op de vrijdag 31 juli in het jaar 1891 trekken wederom enorm donkere wolken boven de boerderij van Roelof en Aaltien Brink in de Zulte samen en voorspellen niets goeds voor het gezien, dat dan het adres Zulte 45 heeft. Die vrijdagmiddag trekt letterlijk de lucht boven een groot deel van Roden vanuit het zuidoosten dicht en in de verte zijn al zware dreunen te horen. Het gezin zorgde er snel voor dat voor zover het mogelijk was, alles in veiligheid werd gebracht en wachtte gespannen het naderende noodweer af. In het woonhuis is goed te horen hoe de regen op de dakpannen neerkomt en geluid van de daarop volgende hagelstenen de jongste kinderen van angst onder de grote tafel weet te jagen. De Provinciale Drentsche en Asser courant van maandag 3 augustus omschreef het formaat van de hagelstenen zo groot als knikkers.

De vermelding in de krant over het noodweer dat over de wijde omgeving van het dorp Roden trok en veel schade aanrichtte (bron: Provinciale Drentsche en Asser courant maandag 3 augustus 1891, vijfde blad, 68ste jaargang, No. 179).

Toen was er ineens een felle flits, die gevolgd werd door een grote knal en waarbij het glas van de ramen enorm begonnen te trillen. De boerderij was door de bliksem getroffen en Roelof zal met een rotgang naar buiten zijn gerend om de schade aan het pand te bekijken. De boerderij was vijf jaar eerder in het jaar 1886 gebouwd op de plaats waar de vorige boerderij had gestaan. Gelukkig was er geen brand ontstaan in de boerderij en de landbouwer zal zeker zeer opgelucht geweest zijn dat de schade aan het gebouw enorm mee viel. Enkele kilometers zuidelijk in Lieveren, had het noodweer geen mededagen gekend en was daar behoorlijk tekeer gegaan. Als er een jaar was dat de twee echtlieden heel snel wilden vergeten, dan was dat het jaar 1891 dus wel.

De inmiddels nieuw gebouwde boerderij waar het gezin Brink woonde met het huisnummer Zulte 45 op een Kadastrale kaart van de Zulte uit 1887 (Bron: Drents Archief).

Bijna 128 jaren later zal de huidige Zulthe weer getroffen door noodweer op de avond van dinsdag 4 juni 2019. Door een zogenaamde Downburst, een valwind, sneuvelden veel bomen op de plaats waar zich eens de brink bevond. Ondanks het enorme noodweer bleef de schade in het gebied beperkt tot slechts materiële schade en waren er gelukkig geen gewonden te betreuren. Op de afbeeldingen hieronder is te zien hoe groot de schade was, zelfs het mobiele toilet nabij de Gamma werd honderd meter verder teruggevonden.

Liggen er slechts enkele takjes op het fietspad langs de Ceintuurbaan Noord, op de achtergrond is het een zee van groen. Daar lagen de vele omgewaaide eiken over het kruispunt en was er geen doorkomen aan.
De vlaggenmasten van het hotel Langewold bleken ook niet bestand tegen het natuurgeweld dat zich op de dinsdagavond van 4 juni 2019 voordeed. De valwinden hadden geen enkel probleem met de palen.
Het mobiele toilet dat nabij de Gamma stond, werd ruim honderd meter verderop teruggevonden en was total loss.

Noordeindiger Kampen.


Aan het einde van de zeventiende en tot ver in de achttiende eeuw bestond het dorp Roden in de archieven van het haardstedenregister uit meerdere zogenaamde ‘buurschappen’. In de registratie van het haardstedengeld uit 1691 van het kerspel Roden, dat ook wel schoorsteengeld genoemd werd en gezien kan worden als een vroege vorm van de huidige onroerende-zaakbelasting (OZB), komen wij de volgende buurschappen tegen: Suijdeijnde, Westeijnde, Oosteijnde, Lijveren, Steenbergen, Sulte, Lootinghewolde en Foxwolde. De buurschappen Roderwolde, Zanbuir en Mathuisen vormden een eigen kerspel, dat de naam Roderwolde droeg.

Het dorp Roden op de oude Franse legerkaart. Op de kaart is onder andere de Boschkampe afgebeeld, net zoals de Roder Moolen en de Speiker. Op de plaats waar de molen eens stond, bevindt zich vandaag de dag het kerkhof. De Speiker is de huidige de Spijker, een schoutsboerderij die nabij huize Mensinge en die sinds het midden van de zeventiende eeuw aan de Spijkerzoom staat (Kaart: Drents Archief).

Een buurschap of boerschap verwijst naar een samenwerking van de bewoners en ontstaan zijn op de best bewoonbare plaatsen rond de dertiende eeuw, die destijds omringd waren met bossen, heidevelden en hooilanden. De ingezetenen van de buurschap werden buren, boeren of bourmannen genoemd. Hiertoe behoorden ook keuterboeren en ambachtslieden. De acht buurschappen in het kerspel Roden werden bestuurd door de erfgenamen of eigenerfden, die afstamden van de oorspronkelijke bewoners die op de grootste boerderijen woonden. De erfgenamen en de overige ingezetenen van de buurschap vergaderden op de buursprake.

De vier buurschappen Suijdeijnde, Westeijnde, Oosteijnde en Rhoden vormden na 1742 samen het dorp Roden binnen het kerspel. De andere vijf buurschappen lagen om het dorp Roden heen. In de directe omgeving van de buurschappen van het dorp lagen een aantal landerijen die al dan niet omheind waren en de naam droegen van het buurschap, met uitzondering van het buurtschap Suijdeijnde. De landerijen werden ‘kampen’ genoemd en droegen dus de naam van het buurschap dat nabij lag, een eigenaar of een gebeurtenis dat in de directe nabijheid plaatsvond. Ook de ligging zoals bijvoorbeeld in het noorden van een buurschap of het dorp kon een naam opleveren.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is 1811-kaart.jpg
Op de Franse legerkaart die in de periode 1811-1813 door de Franse landmeters was opgemeten, zijn de zes huizen te zien, die destijds de Noordeindiger Kampen vormden. Tevens is de scherpe bocht naar het zuiden, richting Roden dus, goed zichtbaar. Deze bocht werd in de twintigste eeuw ook wel de Bechtbocht genoemd, vernoemd naar de apotheker die naast de bocht woonde  (Kaart: Drents Archief).

Zo kwam in het zuiden van het buurschap Sulte, het latere de Zulte, onder de es met de naam Körtakkers een aantal percelen met woningen voor, die de naam ‘Noordeindiger Kamp of Kampen’ droegen. Deze lagen grofweg op de plaats waar zich tegenwoordig de straten Leeksterweg, Heerestraat, Meidoornlaan, Bloemstraat, Kanaalstraat en de Zulthereschweg bevinden. De zes woningen die de Noordeindiger Kampen vormden, lagen in het Noordeinde op de plaats waar in de twintigste eeuw de huidige Leeksterweg, Schoollaantje en de Zulthereschweg samenkwamen.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is 1832-kaart-kampen.jpg
De uit de drie delen bestaande Sectie I genaamd de Zulte samengestelde kaart van de Noordeindiger Kampen. De kaart schetst de situatie rond het jaar 1832 ten noorden van het dorp Roden. Ook het pleintje waarom heen de woningen staan is duidelijk zichtbaar (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).

Op deze plaats die ten oosten van de toenmalige Boschkampe lag, bevond zich tot ver in de negentiende eeuw eveneens een klein pleintje of vlakte, die wij gerust als een kleine brink kunnen omschrijven. Tijdens de volkstellingen uit de jaren 1830 en 1840 van de inwoners in het dorp Roden werd dit gebied samengevoegd met het Westeinde en omschreven als het ‘West- en Noordeinde’.

Eigenlijk heeft het Kadaster na het inmeten van het gebied rondom het dorp Roden de toenmalige gemeente in verschillende secties opgedeeld, die vervolgens weer uit een aantal bladen bestond. Zo bestond Sectie I genaamd de Zulte uit 3 bladen en besloeg deze sectie een groot deel van het dorp Roden. De percelen die binnen de sectie I vielen, kregen dan ook een nummer dat begon met de hoofdletter I. Voor de huisnummers maakte de sectie en het perceelnummer niets uit, doorgaans gebruikten de ambtenaren de straat- of de streeknaam van het gedeelte waar de bebouwing voorkwam.

Het eerste huis dat wij tegen kwamen als wij rond 1830 op de nieuwe weg naar Roden vanuit het westen richting het oosten via het Noordeinde waren gelopen of per wagen het pand hadden gepasseerd, behoorde volgens de gegevens het Kadaster toe aan ene Klaas Geerts. Klaas Geerts was reeds in 1821 overleden en zijn 55-jarige zoon Lambartus Klasens Mederoos, zijn negen jaar oudere vrouw Siewke Alderts en hun kinderen Klaas Lambs (30) en Jantje Lambs (26) waren nu de hoofdbewoners van het pand volgens de gegevens van de volkstelling uit 1830 die plaatsvond in het toenmalige dorp Roden. Het huis bevond zich volgens het archief in het West en Noordeinde te Roden droeg het nummer 215.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is 1832-huis_215.jpg
De twee percelen van de familie Mederoos zijn door een rode lijn omgeven en droegen in 1832 de perceelnummers I-314 en I-315 (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort)

Kadastraal gezien bevond het pand zich op het eerste blad van Sectie I van de gemeente Roden genaamd de Zulte en droeg het perceel het nummer I-314. Het perceel I-315 was eveneens in het bezit van de familie Mederoos en deed dienst als tuin. Het pand en de tuin bevonden zich op de plaats waar tegenwoordig de huizen en tuinen met de nummers 12 tot en met 16 aan de huidige Leeksterweg staan.

Het huidig uitzicht over de Leeksterweg die rond 1830 nog de weg naar Roden werd genoemd. In de verte is nog de zogenaamde Bechtbocht te zien. Deze bocht had zijn naam te danken aan de apotheker die hier in de twintigste eeuw zijn apotheek had staan.

Waarschijnlijk is dit de locatie die de korvenmaker Gerrit Joris vanaf het jaar 1770 van Coenraad Wolter Ellents pachtte en deze in 1785 diende te verlaten. Over het dispuut en de korvenmaker kunt u hier meer lezen: Gedonder in de Noordeindiger Kampen. Het perceel ten westen van het huis met het kadastraal nummer I-313 bleek volgens het archief van het Kadaster nog steeds in het bezit van de familie te zijn. De eigenaar van het weiland was destijds de weduwe van de in 1823 overleden Jan Wilmsonn Kymmell, Alida Gezina Willinge. Zoals het toen gebruikelijk was, zal het weiland in het 1832 verpacht zijn aan een arbeider of een landbouwer.

Als wij de weg richting het oosten vervolgen komen wij na zeventig meter aan onze linkerzijde een grote boerderij tegen waar het gezin van de 44-jarige landbouwer Sikke Theodoris Huberts woont. Sikke Theodoris is een zoon van Theodoris Huberts die op dat moment op nummer 196 in het Oosteinde als schoenmaker zijn kost verdient. De landbouwer woont samen met zijn acht jaar jongere en in de Zulte geboren vrouw Marchien Stoffers Rozema. Het echtpaar had op het moment van de volkstelling in het jaar 1830 vier kinderen in huis, te weten: Eltien (1822), Geertien (1824), Hinderkien (1826) en Roelfien (1828). Hun eerste kind, Theodorus, werd geboren op 31 maart 1821 en overleed 3 maanden later. Dat het gezin voor juli 1830 meegenomen werd in de volkstelling van dat jaar, is te zien in de archieven waar de op twee juli in Roden geboren dochter Lammechien niet vermeld werd.

De op het oog drie percelen van de landbouwer Sikke Theodorus Huberts zijn door een rode lijn omgeven en droegen in het archief van het Kadaster uit 1832 de perceelnummers I-801 en I-802. Echter het perceel I-801 werd omschreven als huis en erf en vormde zo 1 perceel (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort)

Naast de kinderen woonden ook de 30-jarige in Leek geboren Tjeetske Pieters en arbeidster Helena Johannes de Boer, 46 jaar oud, weduwe van de in 1826 in Leutingewolde overleden landbouwer Klaas Louwes Klaassens samen met haar in 1818 geboren zoon Jacob Klaassens bij het gezin Huberts in.

De woning kreeg bij de volkstelling in 1830 het nummer 224 en bevond zich in het Noordeinde op het kadastraal perceel I-801, huis en erf. Het naast liggend perceel bouwland I-802 was ook in het bezit van de landbouwer. Op de huidige plaats waar zich de woning en het naastliggend perceel bouwland bevonden rond 1832, staan nu de vier huizen langs de Leeksterweg genummerd 1 tot en met 7. Aan de oostelijke grens van het toenmalige perceel staan nu drie huizen langs de Zulthereschweg met de nummers 2, 4 en 6.

De situatie zoals deze tegenwoordig voorbij de Bechtbocht in de Leeksterweg is. Vanaf deze locatie is de plaats waar in de negentiende eeuw de boerderij en het bouwland van Sikke Theodorus Huberts zich heeft bevonden, te zien. Het spreekt voor zich dat er niets meer zichtbaar is, dat wijst op de aanwezigheid van de landbouwer Huberts.

Tegenover het huis waar het gezin van de landbouwer Sikke Theodoris Huberts woont, aan de overzijde van het zandweggetje dat richting de Körtakkers voert dus, bevindt zich de woning van de familie Beuving met het huisnummer 225. De op woensdag 21 oktober 1789 te Roden geboren landbouwer Jan Lamberts Beuving woont hier in het jaar 1830 samen met zijn vier jaar jongere en in Norg geboren vrouw Jacobje Jans Hofman en hun vier kinderen: Trientje Jans (12), Fokkien Jans (10), Marchien Jans (7) en Lambert Jans (2). De op dinsdag 11 januari 1825 geboren zoon Jan Jans komen wij niet tegen, daar de kleine jongen reeds op vierjarige leeftijd kwam te overlijden op zondag 27 december 1829. Het kwam nogal eens voor bij de volkstellingen dat reeds een jaar eerder begonnen werd met het tellen en dat een overleden inwoner nog voorkwam in de papieren en daarom mee werd geteld.

Het perceel waarop zich de woning van Jan Lamberts Beuving bevond is door een rode lijn omgeven en droeg in het archief van het Kadaster uit 1832 de perceelnummer I-796 en werd omschreven als huis en erf (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).

De in de archieven van het jaar 1817 nog als dienstknecht omschreven Jan Lamberts Beuving, sluit op zondag 6 september 1863 in het dorp Roden met de leeftijd van 73 jaar en 10 maand en 15 dagen voor altijd zijn ogen en wordt een dag later als zijnde overleden bijgeschreven in het register van de burgerlijke stand met het aktenummer 25. De in het dorp Norg geboren echtgenote van Jan Lamberts, Jacobje Jans Hofman overlijd bijna vier jaren later op 77-jarige leeftijd op zaterdag 8 juli 1871 te Roden.

De als landbouwer door het Kadaster omschreven Jan Lamberts Beuving bezat toch nog een aantal forse percelen nabij zijn huis: I-797 tuin, I-799 weiland en I-800 bouwland. De beste man werd echter bij de volkstelling van 1830 door de gemeentelijke ambtenaren gezien als arbeider. (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).

Logementhouder Thijle Geerts Krijthe en zijn vrouw Berendje Voget bezaten in grote delen rondom het dorp Roden stukken grond en huizen, die zij verpachten en hierdoor naast de kroeg ook nog andere inkomsten kregen. Rond 1832 komen wij dan ook nog met enige regelmatig onroerende goederen tegen in de archieven die in het bezit waren van de weduwe van Thijle Geerts Krijthe, Berendje Voget.

De huidige plaats waar de Zulthereschweg en het Schoollaantje samenkomen. In het verleden bevond zich hier een zandpaadje dat richting het oosten ging.

Een van deze panden die in het bezit waren van de familie Krijthe, lag op zo’n twintig meter afstand van het huis van Jan Lamberts Beuving richting het zuiden in het Noordeinde. De percelen I-446 (tuin) en I-447 (huis en erf) waren verpacht aan de op zondag 20 oktober 1799 te Roden geboren Jan Geerts Boer. Boer stond te boek als een ‘schatter van slagtvee’, iemand die de waarde van het slachtvee taxeerde, en hij woonde hier met zijn vrouw Bougien Harms Kramer en zeven kinderen. Daarnaast komen wij in de papieren van 1830 ook nog de dan 59-jarige Katrina Hessels tegen, die dan daar inwonend is. Tien jaar later woont ze bij Ananias Brink in het huis aan het Zuideinde 144. Het betreft hier echter Catharina Hessels die op donderdag 1 februari 1770 te Roden als dochter van Carel Walraven Hessels en Egberdina Sleurmans geboren werd.

Als wij in het jaar 1832 de zandweg richting het zuiden oversteken, komen wij bij het huis uit waar de schatter van slachtvee Jan Geerts Boer met zijn gezin woonde. Het huis, erf en tuin waren in bezit van de weduwe van logementhouder Thijle Geerts Krijthe, Berendje Voget. (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).

Jan Geerts Boer was op woensdag 5 mei 1824 met de 23-jarige Bougien Harms Kramer te Roden getrouwd en ze kregen samen dus zeven kinderen: Grietien Jans Boer (1824), Geert Jans Boer (1826), Harm Jans Boer (1828), Aaltien Jans Boer (1830), Harmina Jans Boer (1833), Jan Jans Boer (1835) en Hindrik Jans Boer (1838). Lang kon Jan Geerts niet genieten van het laatste kind, bijna een jaar later op de woensdag 6 maart 1839 verwisselde hij in het bed het tijdelijke met het eeuwige leven. Bougien overleed bijna 41 jaren later op maandag 1 maart 1880 op 79-jarige leeftijd in Foxwolde.

De twee percelen, I-446 (tuin) en I-447 (huis en erf), die Jan Geerts Boer van Thijle Geerts Krijthe had gepacht (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).

De Hervormde Gemeente in het dorp Roden deed in het verleden veel om de ellende van de hulpbehoevende gemeenteleden te verzachten en had tot ongeveer eind 1859 behoorlijk wat onroerende goederen in haar bezit. Daarnaast waren er mensen binnen de Hervormde Gemeente die zich voor de minder bedeelden in wisten te zetten en zodoende leden van de kerkenraad waren; diaconen. Doorgaans wisten de diaconen een beroep te doen op de liefdadigheid van de wat beter gesitueerden, om zodoende ruimschoots de armen te kunnen helpen. In de Nederlandsche Encyclopedie van Winkler Prins uit 1870 werden deze mensen zo omschreven: “Een menschlievend diacon, die het vertrouwen der gemeente bezit, kan veel smart verzachten”.

Een advertentie van de Diaconen der Hervormde Gemeente Roden in de Provinciale Drentsche en Asser courant van 8 november 1859 waarin zij aangeven hun bezittingen in en rondom het dorp Roden te willen verkopen (Bron: Provinciale Drentsche en Asser courant, nummer 134, 8 november 1859, vierde blad, gedrukt bij Gratama te Assen).

Wanneer wij door het Noordeinde van 1832 ruim 40 meter richting het westen gaan, lopen wij voorbij het huis met het nummer 227. Het huis met de tuin dat hier destijds stond behoorde ook tot het bezit van de Hervormde Gemeente en werd rond 1830 verpacht aan de op de dinsdag 3 oktober 1787 te Lieveren geboren en een week later gedoopt in de Nederlands hervormde kerk van Roden arbeider Klaas Jans Ananias. Ananias was op woensdag 28 mei 1817 in het huwelijk getreden met dan 19-jarige Aaltien (Aaltje) Tjipkes Scheepstra uit Roden.

Het bezit van de Diaconie van de Hervormde Gemeente in Roden dat rond 1830 verpacht werd aan Klaas Jans Ananias en zijn vrouw. (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).

Klaas Jans en Aaltje Tjipkes pachten het huis (I-443) en tuin (I-444) van de Diaconie Roden en woonden hier rond 1830 met hun kinderen Annechien (1820), Ananias (1822), Jantien (1825), en Tjipke (1828). Hun eerste zoon, ook Ananias geheten, was in het jaar 1818 geboren maar kwam al in het begin van 1822, 3 jaar en 8 en 11 dagen maanden oud, in Roden te overlijden. Klaas Jans Ananias overleed op donderdag 10 september 1863 te Roden en Aaltje volgde haar echtgenoot op zaterdag 22 maart 1873 eveneens in Roden.

Op de kadastrale kaart van 1832 zijn de twee percelen tuin (I-316) en huis & erf (I-318) door een rode lijn omgeven. Het huis dat op papier dan nog eigendom is van de vader van de arbeider Harm Geerts Noord, Geert Klaassens van der Oor. Van der Oor die dan nog in het Oosteinde woont, zal later samen met zijn vrouw bij het gezin van zijn zoon intrekken. Tegenwoordig heeft de huidige locatie het nummer Heerestraat 228 (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).

Het laatste huis dat wij tegenkomen in de Noordeindiger Kampen ligt een kleine tien meter ten westen van het huis van Klaas Jans Ananias. Het huis met het nummer 214 was eigendom van de Roner landbouwer Geert Klaassens van der Oor en zijn uit Hoogkerk afkomstige vrouw Freerkien Harms. Geert Klaassens woont in het jaar 1830 nog in het Oosteinde op nummer 186 en zijn zoon Harm Geerts Noord woont samen met zijn eveneens in Roden geboren vrouw Annechien Scheepstra Tjipkes en hun drie kinderen Freekien Harms van 5 jaar, Sabe Harms van 3 jaar en de vier maanden oude Geert Harms, in het huis van zijn ouders in het Noordeinde.

Een luchtfoto van het gebied waar de Noordeindiger Kampen eens hebben gelegen. In de tegenwoordige tijd is er niets van het gebied over en is hier zoveel gegraven en veranderd, dat de mogelijkheid bestaat om hier nog heel oude sporen uit het verleden te vinden heel erg klein is (bron: topotijdreis.nl)

Het huis en de tuin van de landbouwer Geert Klaassens van der Oor bevonden zich op de kadastrale percelen met de nummers I-316 (tuin) en I-318 (huis & erf). Van der Oor overleed op 84-jarige leeftijd te Roden op zondag 31 januari 1864, bijna 18 jaren later dan Freerkien Harms, die reeds op de woensdag 3 juni van het jaar 1846 haar ogen op 74-jarige leeftijd voor het laatst sloot.

Schaopscheerderskaolde

Dat de schaapskudden van de Zulte en Terheijl voornamelijk uit Drentse heideschapen hebben bestaan is zeer aannemelijk te noemen, daar er zeer veel heide in de omgeving van de twee buurtschappen voorkwam. De kudden werden dan ook door een schaapsherder met zijn honden naar de heidevelden gebracht en waar de dieren zich voedden met alles wat voor hen eetbaar was. Het dier was in de eerste dertig jaren van de negentiende eeuw het meest voorkomende schapensoort in de provincie Drenthe. Ook in de omgeving van het dorp Roden waren veel van de dieren heideschapen, die op omringende heidevelden gehoed werden. Maar niet in alle delen van de voormalige gemeente werden dit soort schapen gehouden. Immers, een van de voorwaarden waar een gebied aan moest voldoen om zo’n kudde te herbergen was heide. In het noordoosten van de gemeente kwam geen heide voor en delen van het gebied bestonden uit lage veengebieden zoals in de omgeving van Roderwolde, richting Peize en ook verder richting het noordwesten nabij Leek. In deze gebieden troffen we vooral weideschapen aan, die niet zoals het heideschaap in kudden over de heide gingen, maar in groepen van zo’n twaalf dieren in groene weilanden werden geweid.

Het Drents heideschaap was aan het einde van de achttiende en tijdens de aanvang de negentiende eeuw het schaap waaruit de schaapskudden van de Zulte en Terheijl bestonden. Het was kleine langstaartig schaap met horens met lang, grof wol en uitermate geschikt was om over het ruige heideveld nabij het brinkgehucht de Zulte te weiden. Het schaap op de afbeelding is een vrouwelijk exemplaar, ook wel een ooi genoemd en behoort toe aan de Stichting Schaapskudde Exloo.

  De Drentse heideschapen werden slechts eenmaal per jaar geschoren en dat vond doorgaans in het midden van de maand juni plaats, soms iets vroeger maar het liefst iets later en dit was behoorlijk afhankelijk van het weer. Deze periode die mijn vader altijd de ‘Schaopscheerderskaolde’ noemde en in het Nederlands de ‘Schaapscheerderskou’ wordt genoemd, had betrekking op een koele periode die met enige regelmaat optreedt tussen 5 en 20 juni. In deze periode is het vaak bewolkt en relatief koud en kan er zelfs nog nachtvorst optreden. Doordat het rond die periode veelal bewolkt is onder invloed van een lagedrukgebied, waardoor er boven de nog relatief koude Noordzee in deze tijd van het jaar vaak een grijs wolkendek of een gebied met mist ligt, dat met de noordwestelijke stroming over ons land trekt. Het grijs wolkendek  zorgt ervoor dat de felle zon verdwijnt en de koude wind het land in zijn greep houdt. Omdat de felle juni zon achter de wolken zit, zorgt het sombere weer ervoor dat de schapen niet direct aan de zon worden blootgesteld.

Bij de twee hierboven afgebeelde ooien die beiden behoren tot het kleine langstaartige of heideschaap, zijn de verschillen die tussen de twee categorieën duidelijk zichtbaar. Bovenaan de afbeelding is de witte variant van het schaap te zien, dat enkel in kleur van de zwarte variant verschilde en onderaan de afbeelding is een ooi van de zogenaamde bruine variant de vossekop afgebeeld door etser D. Sluyter. Deze variant kenmerkt zich door de zwarte kop en poten, waarbij de vacht een lichte tot witte kleur bezit.

  Voordat de schapen geschoren werden, dienden ze gewassen en schoongemaakt te worden. Het spreekt voor zich dat deze handelingen nodig waren om schone wol te verkrijgen, waarbij het vuil uit de wol gewassen werd en de aanhangende verontreinigingen verwijderd werden. Het Esmeertje nabij in de toenmalige gemeente Norg gelegen was hier zeer geschikt voor en tegen betaling van twee stuivers werden de dieren gewassen. Het voordeel hiervan was, dat alle schapen min of meer op dezelfde manie gewassen werden. Nu werden destijds enkel de schapen gewassen die over een zogenaamde open of holle vacht beschikten en de dieren die een dicht wollige vacht bezaten niet. Dit had er mee te maken, dat het water maar slecht door de dichte wol gaat en als dit toch gebeurde, de vacht van het dier zeer lang vochtig blijft. Het wassen had enige dagen voor de schering plaats, waardoor de wol geheel droog moest zijn, als deze ondernomen werd. Zowel het wassen als het scheren diende met te doen bij droog en enigszins warm weer, deed men dit echter bij regenachtig en te koud weer, dan moesten de schapen te lang met een natte vacht lopen en werden ze ziek.

Twee rammen behorende tot het kleine langstaartige of heideschaap, dat ook wel het Drentse schaap werd genoemd. De bovenste afbeelding laat de witte variant van het schaap zien, op de onderste afbeelding is een ram van de zogenaamde bruine variant, de vossekop, afgebeeld door de befaamde etser D. Sluyter in de jaren dertig van de negentiende eeuw. Op de afbeelding is het verschil tussen in de vorm van de horens bij de rammen duidelijk te zien.

  Ook niet alle watertjes bleken geschikt te zijn om de schapen te wassen en door ondervinding leerde men dat de wol in het ene water wel mooi schoon werd en in een ander water juist weer niet. Zo wist men dat hard water doorgaans minder geschikt was dan zacht water en dat watertjes waarbij veel zomereiken (Quercus robur) en zwarte elzen (Alnus glutinosa) groeiden, de vacht van de schapen een zwart-blauwachtige glans kregen. De oorzaak hiervan lag in het feit, dat de bladeren van deze bomen looistoffen afgeven aan het water wanneer zij eenmaal te water zijn geraakt en beginnen te ontbinden.

De zwarte variant onderscheidt zich van de witten en de vossekoppen door de overwegend zwart gekleurde vacht. De kop en de poten bezitten een gitzwarte kleur, waarbij zij ook nog eens glad en glimmend zijn.

  Nu dient gezegd worden dat de schapen van de kudde van het voormalig brinkgehucht de Zulte vaak erg smerig waren. Dit had onder andere met de bodemgesteldheid van het gebied te maken en met de plaatsen waar de dieren verbleven. Eenmaal wassen hielp dan niet meer om de verontreinigingen kwijt ter raken en die doorgaans tot harde klonten en klompen waren opgedroogd. Men diende dan deze aanwezige verontreinigingen de dag voor het wassen goed in te weken, waardoor ze eenvoudig te verwijderen waren.  

Zo had het er rond 1820 in de maand juni bij de bron van de Zulter Bitse midden in het brinkgehucht uit hebben kunnen zien tijdens het wassen van de schapen. De schaapherder hield de schone schapen in toom en zijn hond wist de nog niet gewassen schapen op hun plaats te houden. Het stromende water in het stroompje zorgde voor de afvoer van de verontreinigingen die zich in de loop der tijd in de vacht van de dieren had verzameld.

  De eigenaren van de schapen in de kudde van de Zulte gingen waarschijnlijk dan vervolgens naar de bron van het stroompje dat zich in het centrum bevond en door het buurtschap heenliep. Op deze wijze konden ze zo de dieren eenvoudig en goed wassen, waarbij de verontreinigingen met het stromend water weg spoelden. Doordat de ondergrond van de Zulter Bitse nabij de bron een vrij stevige structuur kende en het stroompje redelijk ondiep was, kon deze plaats uitstekend gebruikt worden om de vacht van de schapen te wassen (zie afbeelding hierboven). Zodoende hoefde men zich ook geen zorgen te maken dat het schaap in dieper water terecht kwam en verdronk. Daarnaast scheelde het voor de eigenaar een heel stuk dat het water dichtbij was en hij niet met kuipen en emmers hoefde te werken om het dier schoon te krijgen.

Op de bovenstaande afbeelding van Weerstatistieken De Bilt – 2019 is goed te zien dat van een zogenaamde Schaapsscheerderskou in de maand juni van het jaar 2019 geen sprake was. Voor meer gegevens over het weer in de maand juni kunt u hier klikken.