Het jaar 1891 verliep voor de uit Eelde afkomstige en sinds maandag 24 maart 1879 in de Zulte wonende landbouwer Roelof Brink en zijn vrouw Aaltien Aukema werkelijk rampzalig. Een jaar eerder, in het jaar 1890 toen Roelof 38 jaar oud was, werd hun zesde kindje Hinderkien op dinsdag 22 april in de Zulte geboren. Het meisje werd ziek toen ze ruim een jaar oud was en overleed woensdag 27 mei 1891 in haar ouderlijk huis. Het overlijden van het dochtertje, dat Hendrikje als roepnaam had, werd in een advertentie in de Provinciale Drentsche en Asser courant van donderdag vier juni 1891 bekend gemaakt. Ruim twee maanden later zit het noodlot de hardwerkende landbouwer nogmaals behoorlijk flink dwars.
De advertentie in de Provinciale Drentsche en Asser courant waarin Roelof en Aaltien het grote verlies van hun dochtertje Hendrikje bekend maakten (bron: Provinciale Drentsche en Asser courant donderdag 4 juni 1891, vierde blad, 68ste jaargang, No. 128).
Op de vrijdag 31 juli in het jaar 1891 trekken wederom enorm donkere wolken boven de boerderij van Roelof en Aaltien Brink in de Zulte samen en voorspellen niets goeds voor het gezien, dat dan het adres Zulte 45 heeft. Die vrijdagmiddag trekt letterlijk de lucht boven een groot deel van Roden vanuit het zuidoosten dicht en in de verte zijn al zware dreunen te horen. Het gezin zorgde er snel voor dat voor zover het mogelijk was, alles in veiligheid werd gebracht en wachtte gespannen het naderende noodweer af. In het woonhuis is goed te horen hoe de regen op de dakpannen neerkomt en geluid van de daarop volgende hagelstenen de jongste kinderen van angst onder de grote tafel weet te jagen. De Provinciale Drentsche en Asser courant van maandag 3 augustus omschreef het formaat van de hagelstenen zo groot als knikkers.
De vermelding in de krant over het noodweer dat over de wijde omgeving van het dorp Roden trok en veel schade aanrichtte (bron: Provinciale Drentsche en Asser courant maandag 3 augustus 1891, vijfde blad, 68ste jaargang, No. 179).
Toen was er ineens een felle flits, die gevolgd werd door een grote knal en waarbij het glas van de ramen enorm begonnen te trillen. De boerderij was door de bliksem getroffen en Roelof zal met een rotgang naar buiten zijn gerend om de schade aan het pand te bekijken. De boerderij was vijf jaar eerder in het jaar 1886 gebouwd op de plaats waar de vorige boerderij had gestaan. Gelukkig was er geen brand ontstaan in de boerderij en de landbouwer zal zeker zeer opgelucht geweest zijn dat de schade aan het gebouw enorm mee viel. Enkele kilometers zuidelijk in Lieveren, had het noodweer geen mededagen gekend en was daar behoorlijk tekeer gegaan. Als er een jaar was dat de twee echtlieden heel snel wilden vergeten, dan was dat het jaar 1891 dus wel.
De inmiddels nieuw gebouwde boerderij waar het gezin Brink woonde met het huisnummer Zulte 45 op een Kadastrale kaart van de Zulte uit 1887 (Bron: Drents Archief).
Bijna 128 jaren later zal de huidige Zulthe weer getroffen door noodweer op de avond van dinsdag 4 juni 2019. Door een zogenaamde Downburst, een valwind, sneuvelden veel bomen op de plaats waar zich eens de brink bevond. Ondanks het enorme noodweer bleef de schade in het gebied beperkt tot slechts materiële schade en waren er gelukkig geen gewonden te betreuren. Op de afbeeldingen hieronder is te zien hoe groot de schade was, zelfs het mobiele toilet nabij de Gamma werd honderd meter verder teruggevonden.
Liggen er slechts enkele takjes op het fietspad langs de Ceintuurbaan Noord, op de achtergrond is het een zee van groen. Daar lagen de vele omgewaaide eiken over het kruispunt en was er geen doorkomen aan.De vlaggenmasten van het hotel Langewold bleken ook niet bestand tegen het natuurgeweld dat zich op de dinsdagavond van 4 juni 2019 voordeed. De valwinden hadden geen enkel probleem met de palen.Het mobiele toilet dat nabij de Gamma stond, werd ruim honderd meter verderop teruggevonden en was total loss.
In het gebied dat rondom het voormalig esgehucht de Zulte en ten noorden van het dorp Roden ligt, zijn de oude sporen van de terugtrekkende gletsjer tijdens de een-na-laatste ijstijd op veel plaatsen nog duidelijk zichtbaar. Ondanks de oprukkende woningbouw en de zeer intensieve veeteelt uit het verleden kan men met het blote oog nog de hoogten en verdiepingen in het landschap gemakkelijk waarnemen. Vanzelfsprekend geven de benamingen van de gebieden waar deze sporen voorkomen ons ook een kleine inkijk van wat de restanten van de smeltende gletsjer hier hebben achtergelaten. Zo verwijst de benaming ‘Es’ op een verhoging in het landschap, wat op een restant van een stuwwal kan betekenen en werd een depressie in het gebied doorgaans met ‘Veen’ aangeduid. Doorgaans vanwege het feit dat er vanaf het einde van de laatste ijstijd er water in bleef staan en er na verloop van tijd veen in de verdieping vormde.
Nu waren veel van de depressies in het landschap tijdens de laatste ijstijd opgevuld met onder andere zand, dat afkomstig was van het Gronings gedeelte van de Hondsrug en destijds door de poolwinden hierheen werd vervoerd en daarom niet meer als zodanig herkenbaar. De depressies in het gebied waren ontstaan door de grote hoeveelheid smeltwater dat vrijkwam, toen de grote massa landijs begon te smelten en het water zich een weg zocht naar de lager gelegen delen en hierbij grote, diepe smeltwatergeulen door het zand vormde. Samen met het smeltwater meegevoerde residu dat vrijkwam uit het landijs en de hier aanwezige keileem, ontstond er onder in de geulen een waterdichte laag.
De smeltwatergeul die achterbleef nadat de gletsjer uit het gebied verdwenen was aan het einde van het Saalien, de voorlaatste ijstijd zo’n 130.000 jaar geleden. Op de bovenstaande afbeelding is het restant van de smeltwatergeul duidelijk zichtbaar op de zogenaamde hoogte/laagte beelden (Bron: Actueel Hoogtebestand Nederland).
Dankzij deze waterdichte laag en de doorgaans geleidelijke schuine zijkanten van de voormalige smeltwatergeulen, kon het water amper of helemaal niet meer wegzakken en bleef het in de verdieping staan. Door het warmer worden van het klimaat en de toenemende neerslag, begon het gebied steeds natter te worden en stierven de aanwezige planten af. Hierop groeiden weer nieuwe planten, die vervolgens ook weer afstierven en zich ophoopten in het zuurstofarme water. Doordat de plantenresten niet werden afgebroken door de afwezigheid van zuurstof, kon er zich zo in de duizenden jaren een forse veenlaag ontwikkelen.
Inmiddels heerst er in het Sieveen een ander waterregime dan in het verleden en zie je de vernatting weer toenemen. Was vroeger nog het motto dat het water zo snel mogelijk afgevoerd diende te worden, tegenwoordig is de schouw van de sloten hier verdwenen en zie weer vochtminnende planten terugkeren in het gebied.
De in het gehele gebied aanwezige laag keileem zorgde niet alleen dat er in de depressies veenvorming kon ontstaan, maar ook dat op de natte en moerassige ondergrond planten gingen groeien, die de zeer vochtige ondergrond konden waarderen. Langzaamaan begon ook op de hoger gelegen gebieden een vorm van vegetatie te ontstaan, die voornamelijk uit mossen, grasachtige vegetatie en gewone dophei bestond; natte heide. Bomen zullen hier lange tijd niet hebben kunnen groeien en zal de struiklaag met dwergstruiken zoals de gewone dophei, struikhei en een aantal zeldzamere soorten zoals kraaihei, grote veenbes en lavendelhei het uitzicht voor een lange tijd hier hebben bepaald.
Op de oude Franse legerkaart uit 1810/1811 is goed te zien dat het gebied ten westen van het voormalig esgehucht de Zulte bestond uit immens grote, natte heidevelden. Van landbouwactiviteiten in het gebied is natuurlijk nog geen sprake. Wel is het pad duidelijk te zien waar langs de schaapskudde van de Zulte richting het noorden ging om de heide van de Markegenoten te bereiken (Bron: Drents Archief).
Tot ver in de negentiende eeuw bleef het gebied onberoerd en was het voor boeren te nat en te moerassig om het hier te gaan ontginnen en zodoende het vee te kunnen laten grazen. Een enkele keer zal de schaapskudde van de Zulte hier hebben gegraasd en op enkele landweggetjes na om binnen door te kunnen gaan, had de mens hier dan ook niets te zoeken. Pas halverwege de negentiende eeuw begon men in de omgeving van de huidige Toutenburgsingel voorzichtig met het ontginnen van de drogere stukken voor de landbouw en veeteelt. Echter, het gebrek aan een goed bemestingsbeleid destijds en een kortzichtige blik op de toekomst, zorgde ervoor dat ook de nattere gedeelten ontgonnen moesten worden.
Op de kaart die stamt uit 1845 laat maar weinig veranderingen zien in het gebied ten westen van het esgehucht de Zulte. (Bron:Gronings Archief).
In die tijd dat de boeren hun begerige blik op het gebied wierpen en vonden dat de natte heide niets toevoegde aan hun bedrijf, bepaalde echter het gebrek aan een deugdelijk stelsel van sloten om het water af te voeren het gebruik van het land. Langzamerhand waren de hoger gelegen gebieden inmiddels in gebruik als bouw- of weiland, maar met het lager gelegen gebied wist men vooralsnog geen raad.
Op de kaart uit 1853 zijn zowel de bouwlanden als het eerste weiland ten zuiden van de Toutenburgsingel in het Sieveen zichtbaar. Langzamerhand verlegde men de agrarische activiteiten steeds meer richting het westen. Ook is de voormalige steenfabriek ten noorden van de singel te zien (Bron: Drents Archief).
Rond de jaren zestig in de negentiende eeuw begon men met de daadwerkelijke ontginning van de natte heide en werd het veen, dat zich in de duizenden voorafgaande jaren had gevormd, gewonnen en als bemesting gebruik voor de hier nog te planten bomen. Waarschijnlijk stamt de naam van dit gebied, het Sieveen, dan ook uit deze tijd en zal zoveel betekenen als het naastgelegen veen in het hier gesproken Drents dialect.
De diepe sloot die langs de voormalige schapendrift en het water uit onder andere het Sieveen naar de Zulter Bitse moest vervoeren, bestaat nog steeds en heeft zijn functie als zodanig behouden. In principe heeft de sloot zijn exacte locatie behouden, echter het laatste gedeelte loopt nu richting het noorden in plaats van het zuiden. Dat gedeelte is veranderd tijdens de aanleg van de twee vijvers in het stroomgebied van de Zulter Bitse begin jaren zeventig van de twintigste eeuw.
De hier door de eigenaar aangeplante bomen bestonden uit snelgroeiende naaldbomen. Echter om het gebied geschikt te maken voor de aanplant moet de eigenaar de nodige ingrepen doen om het een en ander mogelijk te maken. Het voornaamste was het kwijtraken van het vele water dat in het gebied voorkwam. Daarvoor werd een lange en diepe sloot richting het oosten tot aan de weg in de Zulte gegraven, die vervolgens langs de weg naar het zuiden liep om in de Zulter Bitse te eindigen. Nadat de afvoersloot gereed was en al bezig was het vele water af te voeren, begonnen de arbeiders dwars op de brede sloot verzamelsloten graven waarop weer de afwateringssloten het water loosden. Dit slotenstelsel is nog steeds duidelijk zichtbaar op satellietbeelden die de hoogte in het gebied weergeven.
De afwateringssloten, die in de negentiende eeuw gegraven waren om het water af te voeren zodat de aangeplante bomen gen last van natte voeten kregen, zijn nog steeds duidelijk zichtbaar in het gebied. Weliswaar verdwijnen ze geleidelijk doordat zowel de bodembegroeiing, de mossen en de gronderosie in het gebied de sloten langzaam maar zeker opvullen.
Niet alleen de ontwikkeling van het gebied kwam in een stroomversnelling terecht, ook de vervaardiging van accurate landkaarten, atlassen en plattegronden had een vogelvlucht genomen en de cartografie bleek steeds nauwkeuriger te worden. Vanaf het begin van de twintigste eeuw waren niet alleen de gemeenten en het Kadaster de enigen met zeer nauwkeurige en duidelijke kaarten; ze waren ook voor de gewone man toegankelijk geworden. Zeker richting het einde van de twintigste eeuw ziet men een toename van topografische kaart, waarbij satellietbeelden gebruikt worden. Dankzij het gebruik van de satellietbeelden is het heden ten dage ook mogelijk om bijvoorbeeld de hoogten en de laagten in een bepaald gebied in kaart te brengen.
De veranderingen in het Sieveen die tussen 1903 en 1935 plaatsvonden, zijn op de bovenstaande topografische kaarten duidelijk zichtbaar. Langzamerhand verdwenen de productiebossen en maakten plaats voor weilanden (bron: topotijdreis.nl).
Naast het stelsel van sloten waren natuurlijk ook wegen belangrijk om het gebied bereikbaar te maken voor de arbeiders om de sloten te kunnen graven en om het pootgoed aan te voeren. Deze wegen hebben in het Sieveen tot ongeveer het begin van de jaren dertig van de twintigste eeuw gelegen en zijn na de houtkap in oktober 1930 verdwenen. Daar waar ze door een perceel bos en langs de voormalige steenbakkerij liepen, werden na 1935 in gepoot met Amerikaanse eiken (Quercus rubra). Echter, liep de aanplant op de plaats bij de voormalige steenfabriek volgens plan, bij het perceel bos bleek echter dat echter niet de Amerikaanse eik, maar de moeraseik (Quercus palustris) gebruikt was op het weggetje te beplanten.
Een medewerker heeft jaren geleden vergeten zijn schep, een zogenaamde bats, mee te nemen na zijn werkzaamheden in het bos. Na ruim veertig jaar staat deze nog steeds parmantig te wachten op de medewerker die nooit meer in dit bos zal komen en van zijn pensioen aan het genieten is.
De bossen in het Sieveen werden vanaf het begin van de twintigste eeuw gebruikt voor de houtkap en zullen vooral richting Limburg afgevoerd zijn, waar het hout in de kolenmijnen ter ondersteuning gebruikt werd. Dit zal tot begin 1931 het geval geweest zijn. Op maandag 29 september 1930 verscheen in het Nieuwsblad van het Noorden een advertentie van de dan 63-jarige Harmannus Aukema, waarin het verboden werd om nog langer gebruik te maken van het pad door het Sieveen. De op donderdag 11 april 1867 in de Zulte geboren Harmannus was een zoon van de landbouwer Roelf Jans Aukema en Everdina Harmannus Bakker en overleed op 77-jarige leeftijd op dinsdag 18 april 1944 te Roden.
Restanten van het weggetje dat in het verleden door de bossen van het Sieveen liep, zijn nog duidelijk zichtbaar in het weiland. Op de achtergrond is het bos te zien dat de bomenkap tijdens de eerste dertig jaren van de twintigste eeuw ontlopen is.
Niet alle bossen in het Sieveen werden gekapt en enkele bossen bleven staan. Deze bossen bestonden vooral uit loofbomen met hier en daar nog een enkele naaldboom. Later kwamen deze bossen, zo rond de jaren zestig van de vorige eeuw, in het bezit van Staatsbosbeheer en zijn ze daarna nog een tijd als productiebos gebruikt.
Al snel krijg je het vermoeden wanneer je het bovenstaande verhaal leest, dat vooral bosbouw dit gebied in het verleden heeft plaatsgevonden. Voor een gedeelte van het Sieveen gaat dat eigenlijk ook wel op, maar daarnaast deed veel ook van het gebied dienst als weiland. Zeker nadat landbouwer Harmannus Aukema de bossen liet kappen en het uitmuntende stelsel van sloten grote delen van het gebied redelijk droog wist te houden, deden de landerijen hier dienst als weiland. Nu waren er al delen in het Sieveen aanwezig die eerder aangelegd waren en er waren ook al in de jaren vijftig van de negentiende eeuw pogingen gedaan om hier akkerbouw rendabel te maken.
Op de satellietbeelden die het verschil in hoogte en laagte weergeven, zijn de hoogten in het noorden van het Sieveen duidelijk zichtbaar. Ligt de gemiddelde hoogte van de blauwgekleurde gebieden tussen de 2.70 en de 3.15 meter boven N.A.P., de groene delen tussen de 3.15 en 3.75 meter boven het Normaal Amsterdams Peil en de rood ingekleurde delen variëren tussen de 3.75 en 5 meter boven het al eerder vermelde N.A.P. (Bron: Actueel Hoogtebestand Nederland).
Bleef het bij de akkerbouw nog tot enkele pogingen die blijkbaar gedoemd waren om te mislukken, het aanleggen van gras- en weilanden op de hoger gelegen gedeelten bleek echter succesvol. Deze gedeelten bevonden zich in het noordelijk gedeelte van het Sieveen en maakten zoals de smeltwatergeul deel uit van de grondmorene die achterbleef na het verdwijnen van het landijs. De hoogte van verhogingen varieerde grofweg van 3,75 tot 5 meter boven N.A.P. en bestonden deels uit fijn zand. Waarschijnlijk waren ze in het verleden hoger, maar zullen de straffe poolwinden tijdens de laatste ijstijd deze hebben doen afslijten.
Al met al zat er veel historie hier in de bodem van het Sieveen en de boeren in het gebied maakten daar gebruik van. Niet dat de boeren destijds het besef hadden dat de karakteristieke ondergrond behouden moest worden voor de toekomstige generaties, nee, totaal niet. Erg begrijpelijk want de bedrijfseconomische drijfveer was in die dagen noodzakelijk om het hoofd boven het water te kunnen houden. Dat gold niet alleen voor de twee zonen van Roelof Jans Aukema, Jan Roelofs en Harmannus, maar ook voor Roelof Deodatus Pzn., die eveneens land in het Sieveen bezat. Beide heren bezaten trouwens veel grond in de omgeving van het voormalig esgehucht de Zulte rond die tijd.
In het begin van het jaar 1918 laat Roelof Deodatus Pzn. in een advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden weten dat er op de ochtend van de donderdag 17 januari van dat jaar dat hij schil-, week- en klomphout publiekelijk wenst te verkopen in het café Van der Molen in het dorp Roden, daar waar de weduwe van Roelf van der Molen, Janna samen met haar zoons met de scepter zwaaide. Het hout dat uit het Sieveen kwam, zal voornamelijk schil- en weekhout geweest zijn. Het hout dat rondom de boerderij van Baving stond, was voornamelijk zogenaamd ‘Pöppelnholt’ (populieren hout) en werd gebruikt als klompenholt (klompenhout). Er staan trouwens nog steeds behoorlijk forse populieren bij de huidige boerderij.
De advertentie die Roelof Deodatus Pzn. in de krant liet plaatsen om onder andere hout uit het Sieveen te verkopen (Bron: Zaterdag 5 januari 1918 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 12, 31ste jaargang, No. 4)
Later dat jaar, begin oktober 1918, liet Deodatus wederom een advertentie plaatsen in het Nieuwsblad van het Noorden van donderdag 3 oktober, waarin hij onder andere 4¼ hectare weiland en 1¼ hectare bouwland in het Sieveen voor maar liefst 5 jaar wenst te verhuren. Deodatus vond het blijkbaar zo belangrijk dat de interesse behoorlijk groot was, dat hij de advertentie nogmaals op zaterdag 5 oktober, woensdag 9 oktober en zaterdag 12 oktober in het nieuwsblad liet plaatsen. Het een en ander vond wederom plaats in het café van de weduwe van der Molen in Roden, nu op de woensdag 16 oktober 1918 ’s avonds om 18.00 uur. Het betrof hier de meest noordelijk gelegen percelen in het Sieveen.
De advertentie van 3 oktober 1918 waarin Roelof Deodatus Pzn. belangstellenden opriep om op 16 oktober van dat jaar te komen naar het café van weduwe van der Molen. (Bron: Donderdag 3 oktober 1918 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 6, 31ste jaargang, No. 232).
Ruim vier maanden later, op maandag 17 februari 1919, komen wij een advertentie tegen in de Provinciale Drentsche en Asser courant van de in Zuidhorn woonachtige Jan Roelofs Aukema, broer van Harmannus, waarin hij aangeeft drie percelen hakbos bij palmslag te willen verkopen in het zogenaamd Klein Sieveen. Palmslag is een gebaar waarbij koper en verkoper elkaar in de palm van de hand slaan ter bezegeling van een verkoop. De veiling van de drie percelen zouden volgens de advertentie op zaterdag 1 maart 1919 ’s ochtend om 10.00 uur plaatsvinden in het café W. Scheepstra te Roden.
De advertentie van Jan Roelofs Aukema uit Zuidhorn in de Provinciale Drentsche en Asser Courant waarin hij laat weten drie percelen met hakhout in het Klein Sieveen te willen verkopen (Bron: Maandag 17 februari 1919 Provinciale Drentsche en Asser courant, Pagina 4, 96ste jaargang, No. 40).
Het Klein Sieveen was het gedeelte dat in het midden in het Sieveen lag, zoals op de onderstaande kaart uit 1926 te zien is. Het meest noordelijk gelegen perceel met het nummer 31 bestond uit zowel dennen en loofhout en was 1.4870 hectare groot, percelen 32 en 33 waren respectievelijk 0.9380 en 0.4520 hectare groot en bestonden beiden uit hak- en ingepoot bos. Voor Aukema zal het een mes geweest zijn die van twee kant sneed; geld verdienen aan het verkopen van hout en dan de percelen wederom verpachten als weiland.
Op de bovenstaande kaart zijn de drie percelen te zien waar in 1919 nog bos stond en rond dit tijdstip inmiddels als weiland in gebruik waren genomen (bron: topotijdreis.nl).
Het land in het Klein Sieveen was na de houtkap weliswaar weiland geworden en er lag een goed werkend stelsel van sloten, toch bleef het land er in de nattere seizoenen op veel plaatsen nog behoorlijk drassig. Tot ver in de jaren zeventig van de vorige eeuw was dit zeker het geval en moest de eigenaar van het land, Job Dijk uit de Zulte, er beducht op zijn dat er tijdens het hooien niet met tractor en boerenwagen stil werd gestaan. De kans was enorm groot dat de wagen vast kan te zitten. Daarom zorgden zijn zonen Gerrit en Wietse ervoor, dat er nooit meer dan twee lagen hooipakjes op de boerenwagen werden gestapeld.
Het Klein Sieveen op een winterse dag aan het einde van het jaar 2014. Langzamerhand krijgen de inheemse wilde planten weer grip op het gebied. Doorgaans zijn het wel de vochtminnende planten die zich hier enorm thuis voelen.
Nu was de akkerbouw in het Sieveen niet echt succesvol, maar zo nu en dan deed men toch weer een poging iets te verbouwen. De heer G. D. Boswijk, notaris te Roden, liet in het jaar 1928 een advertentie laten plaatsen in het Nieuwsblad van het Noorden van Zaterdag 7 juli voor een aantal landbouwers uit de omgeving van het prachtige Noord-Drentse dorp Roden. De al eerder aangehaalde Harmannus Aukema deed ook mee en probeerde tijdens de publieke verkoping die op de vrijdagmiddag van 13 juli 1928 in het Café van H. M. de Vries te Roden een perceel Zwarte Orion haver in het Sieveen te verkopen.
De advertentie die verscheen in het Nieuwsblad van het Noorden van zaterdag 7 juli die geplaatst was in opdracht van de Roner notaris G. D. Boswijk. (Bron: Zaterdag 7 juli 1928 Nieuwsblad van het Noorden, Pagina 19, 41ste jaargang, No. 159).
Harmannus Aukema had het in die dagen druk als boer met het een en ander te regelen. En er moest natuurlijk brood op de plank komen, dus er diende geld verdiend te worden. Door onder andere de toenemende kolenwinning in Zuid-Limburg steeg de vraag naar hout in heel Nederland en ach, Harmannus had nog wel ’n paar bunder hakbos staan. Nu was het op stel en sprong kappen van de bomen om snel een paar guldens aan het hout te gaan verdienen en dan zo snel mogelijk van de percelen gras- of weilanden maken niet zo maar gedaan.
De advertentie die Harmannus Aukema in het jaar 1930 tweemaal liet plaatsen in het Nieuwsblad van het Noorden (Bron: Maandag 29 september 1930 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 11, derde blad, 43ste jaargang, No. 229).
Het gebied was inmiddels ontdekt door de wandelaars en de dagjesmensen, die enorm van dit gebied konden genieten. Daarnaast was het voor velen een binnen doorweggetje geworden om de Toutenburgsingel te bereiken, om vervolgens dan richting Terheijl, Leek of Nietap hun weg te vervolgen. Nadat Aukema in 1930 alles geregeld had voor de bomenkap in het gebied, plaatste de landbouwer eind september van dat jaar een advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden, waarin hij liet weten dat met ingang van 4 oktober het Sieveen voor iedereen verboden was. Twee dagen later, woensdag 1 oktober, werd de advertentie nogmaals geplaatst.
Dit maal was het de landbouwer Roelof Deodatus Pzn. die de notaris Boswijk uit Roden een advertentie liet plaatsen in het Nieuwsblad van het Noorden op zaterdag 7 februari 1931 (Bron: Zaterdag 7 februari 1931 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 26, zevende blad, 44ste jaargang, No. 32).
Notaris Boswijk uit Roden had het in die jaren niet alleen druk met regelen van de vele verkopingen, ook het organiseren van het verhuren en/of het verpachten ging gewoon door. Ook Roelof Deodatus Pzn. deed zijn best om de notaris bezig te houden in het begin van de jaren dertig. Zoals Aukema dat al eerder had laten doen, liet Deodatus de notaris eveneens een advertentie opstellen waarin hij een huis en twee percelen weiland te huur aanbood. De advertentie verscheen in het Nieuwsblad van het Noorden van zaterdag 7 februari 1931. Een van de percelen was circa vier hectare groot en lag in het Sieveen. Waarschijnlijk begon men zich nu wel aan de kadastrale indeling uit 1832 te houden en ineens ligt het Sieveen in Terheijl. De gesloten briefjes dienden voor of op woensdag 18 Februari 1931 bij de notaris te worden ingeleverd.
De advertentie die de twee notarissen voor Deodatus hadden opgesteld en die eerst op zaterdag 28 november en daarna weer op 5 december in het Nieuwsblad van het Noorden verscheen. (Bron: Zaterdag 28 november 1936 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 24, zesde blad, 49ste jaargang, No. 282).
Bijna vijf jaren later heeft Deodatus weer een klusje voor de notaris Boswijk uit Roden. Voor vrijdag 11 december 1936 ’s middags om 15:00 uur staat een evenement gepland in het hotel van der Molen te Roden, waarbij publiek bij inzate een paar boerenbehuizingen, diverse percelen heide, bouw-, hooi-, en weilanden worden geveild. Een beste klus die de Roner notaris niet in zijn eentje doen kan en daarom hulp krijgt van zijn collega F. R. M. Th. Gouverne uit de stad Groningen. De advertentie voor de veiling verschijnt zaterdag 28 november voor het eerst in het Nieuwsblad van het Noorden en een week later, zaterdag vijf december 1936, werd de advertentie nogmaals herhaald.
Waarschijnlijk had men de inhoud van de verkoping/aanbesteding in de advertentie beperkt tot de hoofdpunten en wilde men meer informatie, dan was men genoodzaakt de zogenaamde veilingboekjes voor 10 cent aan te schaffen. Daarnaast had men ook op het kantoor van de notaris een kadastrale kaart ter inzage liggen. De samenvatting in de krant was echter wel een goede suggestie wanneer men er belang bij had om landerijen van Deodatus te gaan kopen. Een andere en zeker niet een mindere opmerking in deze advertentie was toch wel, dat de betaling op 1 mei 1937 diende te geschieden. Niet geheel verwonderlijk, blijkbaar zat Roelof Deodatus Pzn. toch behoorlijk om geld te springen.
De afloop van verkoop en aanbesteding die 11 december 1936 plaatsvond in hotel van der Molen te Roden. Op de drie percelen had Jacob Siegers uit Roden 5580 gulden ingezet (Bron: Zaterdag 12 december 1936 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 10, derde blad, 49ste jaargang, No. 294).
Een week later nadat de tweede advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden van 5 december was verschenen, werd in de krant van vrijdag 12 december 1936 de afloop van de verkoping en aanbesteding bekend gemaakt door de twee notarissen Boswijk en Gouverne. De veiling van de percelen vond in het hotel van der Molen in Roden plaats. Het kavel D omvatte drie percelen weiland in het Sieveen ter grootte 6,163 hectare: perceel 11, weiland Sieveen 2,063 hectare, perceel 12, weiland Sieveen 1,4 hectare, en perceel 13, weiland Sieveen 2,7 hectare. In de aankondiging advertentie stond echter het foutieve getal: D. Weiland “Sieveen” , groot 6,153 hectare, minder dan de daadwerkelijke oppervlakte.
De aankondiging in de krant dat op 22 december 1936 in hotel Zuiderveld te Roden een belangrijke verkoping plaats zal vinden (Bron: Zaterdag 19 December 1936 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 23, zesde blad, 49ste jaargang, No. 300).
Voor de drie percelen weiland in het Sieveen had de dan 45-jarige uit Roden afkomstige Jacob Siegers ingezet op een totaalbedrag van 5580 gulden. Vervolgens gingen de twee notarissen weer naar het Nieuwsblad van het Noorden en lieten zij een advertentie plaatsen in de zaterdageditie die op de zaterdag 19 december verscheen. Hierin stonden de weer de aangeboden kavels, maar nu met de ingezette bedragen. Over het kavel D., een weiland in het Sieveen, groot 6,168 hectare vermeld de advertentie dat deze is ingezet op f 5580,-. En weer zal het ondeugende zetduiveltje bij de krant zijn slag hebben geslagen, nu wordt het kavel weer groter aangeven dan deze werkelijk is.
Het een en ander zou volgens de advertentie publiek bij palmslag verkocht worden op dinsdag 22 december 1936 om drie ’s middags in het hotel Zuiderveld te Roden. Voor de rest wijkt deze advertentie maar weinig af van de advertentie die eerder op 28 november verscheen, echter dat het nu in hotel Zuiderveld in plaats van hotel van der Molen plaatsvond en de ingezette bedragen stonden nu bij de kavels.
Uiteindelijk heeft niet Jacob Siegers uit Roden de drie percelen in het Sieveen gekocht, maar ene J. A. Meijer wonende te Eenrum (Gr.) (Bron: Woensdag 23 december 1936 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 6, tweede blad, 49ste jaargang, No. 303).
In het Nieuwsblad van het Noorden die op woensdag 23 december 1936 verscheen, deden de twee notarissen verslag van de belangrijke palmslag in Roden. Naast de andere kavels werden ook de drie percelen weiland, kavel E., verkocht. Had de Roner Jacob Siegers nog ingezet op 5580 gulden voor de drie weilanden, het was de uit het Groningse Eenrum afkomstige J. A. Meijer die met de drie percelen aan de haal ging. De Ainrumer kon maar liefst 8300 gulden gaan betalen voor de drie weilanden in het Sieveen.
Ruim vier jaren later komen we Roelof Deodatus Pzn. weer tegen in het Nieuwsblad van het Noorden. Nu in een advertentie van de Roner Notaris G. D. Boswijk, waarin hij voor meerdere eigenaren van percelen met bos aangeeft dat er op maandag 20 januari 1941 een grote bosverkoping plaats zal vinden in het café van J. Scheepstra nabij de kerk in Roden. De notaris omschreef het als volgt: ‘Voor den heer R. Deodatus Pzn. te Zulte: 2 perceelen bosch in het Sieveen, afk. van H. Deodatus’.
De advertentie van notaris Boswijk waarin hij voor een aantal eigenaren bos te koop heeft gezet (Bron: Zaterdag 18 januari 1941 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 16, vierde blad, 54ste jaargang, No. 15).
Aan het einde van de zeventiende en tot ver in de achttiende eeuw bestond het dorp Roden in de archieven van het haardstedenregister uit meerdere zogenaamde ‘buurschappen’. In de registratie van het haardstedengeld uit 1691 van het kerspel Roden, dat ook wel schoorsteengeld genoemd werd en gezien kan worden als een vroege vorm van de huidige onroerende-zaakbelasting (OZB), komen wij de volgende buurschappen tegen: Suijdeijnde, Westeijnde, Oosteijnde, Lijveren, Steenbergen, Sulte, Lootinghewolde en Foxwolde. De buurschappen Roderwolde, Zanbuir en Mathuisen vormden een eigen kerspel, dat de naam Roderwolde droeg.
Het dorp Roden op de oude Franse legerkaart. Op de kaart is onder andere de Boschkampe afgebeeld, net zoals de Roder Moolen en de Speiker. Op de plaats waar de molen eens stond, bevindt zich vandaag de dag het kerkhof. De Speiker is de huidige de Spijker, een schoutsboerderij die nabij huize Mensinge en die sinds het midden van de zeventiende eeuw aan de Spijkerzoom staat (Kaart: Drents Archief).
Een buurschap of boerschap verwijst naar een samenwerking van de bewoners en ontstaan zijn op de best bewoonbare plaatsen rond de dertiende eeuw, die destijds omringd waren met bossen, heidevelden en hooilanden. De ingezetenen van de buurschap werden buren, boeren of bourmannen genoemd. Hiertoe behoorden ook keuterboeren en ambachtslieden. De acht buurschappen in het kerspel Roden werden bestuurd door de erfgenamen of eigenerfden, die afstamden van de oorspronkelijke bewoners die op de grootste boerderijen woonden. De erfgenamen en de overige ingezetenen van de buurschap vergaderden op de buursprake.
De vier buurschappen Suijdeijnde, Westeijnde, Oosteijnde en Rhoden vormden na 1742 samen het dorp Roden binnen het kerspel. De andere vijf buurschappen lagen om het dorp Roden heen. In de directe omgeving van de buurschappen van het dorp lagen een aantal landerijen die al dan niet omheind waren en de naam droegen van het buurschap, met uitzondering van het buurtschap Suijdeijnde. De landerijen werden ‘kampen’ genoemd en droegen dus de naam van het buurschap dat nabij lag, een eigenaar of een gebeurtenis dat in de directe nabijheid plaatsvond. Ook de ligging zoals bijvoorbeeld in het noorden van een buurschap of het dorp kon een naam opleveren.
Op de Franse legerkaart die in de periode 1811-1813 door de Franse landmeters was opgemeten, zijn de zes huizen te zien, die destijds de Noordeindiger Kampen vormden. Tevens is de scherpe bocht naar het zuiden, richting Roden dus, goed zichtbaar. Deze bocht werd in de twintigste eeuw ook wel de Bechtbocht genoemd, vernoemd naar de apotheker die naast de bocht woonde (Kaart: Drents Archief).
Zo kwam in het zuiden van het buurschap Sulte, het latere de Zulte, onder de es met de naam Körtakkers een aantal percelen met woningen voor, die de naam ‘Noordeindiger Kamp of Kampen’ droegen. Deze lagen grofweg op de plaats waar zich tegenwoordig de straten Leeksterweg, Heerestraat, Meidoornlaan, Bloemstraat, Kanaalstraat en de Zulthereschweg bevinden. De zes woningen die de Noordeindiger Kampen vormden, lagen in het Noordeinde op de plaats waar in de twintigste eeuw de huidige Leeksterweg, Schoollaantje en de Zulthereschweg samenkwamen.
De uit de drie delen bestaande Sectie I genaamd de Zulte samengestelde kaart van de Noordeindiger Kampen. De kaart schetst de situatie rond het jaar 1832 ten noorden van het dorp Roden. Ook het pleintje waarom heen de woningen staan is duidelijk zichtbaar (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).
Op deze plaats die ten oosten van de toenmalige Boschkampe lag, bevond zich tot ver in de negentiende eeuw eveneens een klein pleintje of vlakte, die wij gerust als een kleine brink kunnen omschrijven. Tijdens de volkstellingen uit de jaren 1830 en 1840 van de inwoners in het dorp Roden werd dit gebied samengevoegd met het Westeinde en omschreven als het ‘West- en Noordeinde’.
Eigenlijk heeft het Kadaster na het inmeten van het gebied rondom het dorp Roden de toenmalige gemeente in verschillende secties opgedeeld, die vervolgens weer uit een aantal bladen bestond. Zo bestond Sectie I genaamd de Zulte uit 3 bladen en besloeg deze sectie een groot deel van het dorp Roden. De percelen die binnen de sectie I vielen, kregen dan ook een nummer dat begon met de hoofdletter I. Voor de huisnummers maakte de sectie en het perceelnummer niets uit, doorgaans gebruikten de ambtenaren de straat- of de streeknaam van het gedeelte waar de bebouwing voorkwam.
Het eerste huis dat wij tegen kwamen als wij rond 1830 op de nieuwe weg naar Roden vanuit het westen richting het oosten via het Noordeinde waren gelopen of per wagen het pand hadden gepasseerd, behoorde volgens de gegevens het Kadaster toe aan ene Klaas Geerts. Klaas Geerts was reeds in 1821 overleden en zijn 55-jarige zoon Lambartus Klasens Mederoos, zijn negen jaar oudere vrouw Siewke Alderts en hun kinderen Klaas Lambs (30) en Jantje Lambs (26) waren nu de hoofdbewoners van het pand volgens de gegevens van de volkstelling uit 1830 die plaatsvond in het toenmalige dorp Roden. Het huis bevond zich volgens het archief in het West en Noordeinde te Roden droeg het nummer 215.
Kadastraal gezien bevond het pand zich op het eerste blad van Sectie I van de gemeente Roden genaamd de Zulte en droeg het perceel het nummer I-314. Het perceel I-315 was eveneens in het bezit van de familie Mederoos en deed dienst als tuin. Het pand en de tuin bevonden zich op de plaats waar tegenwoordig de huizen en tuinen met de nummers 12 tot en met 16 aan de huidige Leeksterweg staan.
Het huidig uitzicht over de Leeksterweg die rond 1830 nog de weg naar Roden werd genoemd. In de verte is nog de zogenaamde Bechtbocht te zien. Deze bocht had zijn naam te danken aan de apotheker die hier in de twintigste eeuw zijn apotheek had staan.
Waarschijnlijk is dit de locatie die de korvenmaker Gerrit Joris vanaf het jaar 1770 van Coenraad Wolter Ellents pachtte en deze in 1785 diende te verlaten. Over het dispuut en de korvenmaker kunt u hier meer lezen: Gedonder in de Noordeindiger Kampen. Het perceel ten westen van het huis met het kadastraal nummer I-313 bleek volgens het archief van het Kadaster nog steeds in het bezit van de familie te zijn. De eigenaar van het weiland was destijds de weduwe van de in 1823 overleden Jan Wilmsonn Kymmell, Alida Gezina Willinge. Zoals het toen gebruikelijk was, zal het weiland in het 1832 verpacht zijn aan een arbeider of een landbouwer.
Als wij de weg richting het oosten vervolgen komen wij na zeventig meter aan onze linkerzijde een grote boerderij tegen waar het gezin van de 44-jarige landbouwer Sikke Theodoris Huberts woont. Sikke Theodoris is een zoon van Theodoris Huberts die op dat moment op nummer 196 in het Oosteinde als schoenmaker zijn kost verdient. De landbouwer woont samen met zijn acht jaar jongere en in de Zulte geboren vrouw Marchien Stoffers Rozema. Het echtpaar had op het moment van de volkstelling in het jaar 1830 vier kinderen in huis, te weten: Eltien (1822), Geertien (1824), Hinderkien (1826) en Roelfien (1828). Hun eerste kind, Theodorus, werd geboren op 31 maart 1821 en overleed 3 maanden later. Dat het gezin voor juli 1830 meegenomen werd in de volkstelling van dat jaar, is te zien in de archieven waar de op twee juli in Roden geboren dochter Lammechien niet vermeld werd.
De op het oog drie percelen van de landbouwer Sikke Theodorus Huberts zijn door een rode lijn omgeven en droegen in het archief van het Kadaster uit 1832 de perceelnummers I-801 en I-802. Echter het perceel I-801 werd omschreven als huis en erf en vormde zo 1 perceel (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort)
Naast de kinderen woonden ook de 30-jarige in Leek geboren Tjeetske Pieters en arbeidster Helena Johannes de Boer, 46 jaar oud, weduwe van de in 1826 in Leutingewolde overleden landbouwer Klaas Louwes Klaassens samen met haar in 1818 geboren zoon Jacob Klaassens bij het gezin Huberts in.
De woning kreeg bij de volkstelling in 1830 het nummer 224 en bevond zich in het Noordeinde op het kadastraal perceel I-801, huis en erf. Het naast liggend perceel bouwland I-802 was ook in het bezit van de landbouwer. Op de huidige plaats waar zich de woning en het naastliggend perceel bouwland bevonden rond 1832, staan nu de vier huizen langs de Leeksterweg genummerd 1 tot en met 7. Aan de oostelijke grens van het toenmalige perceel staan nu drie huizen langs de Zulthereschweg met de nummers 2, 4 en 6.
De situatie zoals deze tegenwoordig voorbij de Bechtbocht in de Leeksterweg is. Vanaf deze locatie is de plaats waar in de negentiende eeuw de boerderij en het bouwland van Sikke Theodorus Huberts zich heeft bevonden, te zien. Het spreekt voor zich dat er niets meer zichtbaar is, dat wijst op de aanwezigheid van de landbouwer Huberts.
Tegenover het huis waar het gezin van de landbouwer Sikke Theodoris Huberts woont, aan de overzijde van het zandweggetje dat richting de Körtakkers voert dus, bevindt zich de woning van de familie Beuving met het huisnummer 225. De op woensdag 21 oktober 1789 te Roden geboren landbouwer Jan Lamberts Beuving woont hier in het jaar 1830 samen met zijn vier jaar jongere en in Norg geboren vrouw Jacobje Jans Hofman en hun vier kinderen: Trientje Jans (12), Fokkien Jans (10), Marchien Jans (7) en Lambert Jans (2). De op dinsdag 11 januari 1825 geboren zoon Jan Jans komen wij niet tegen, daar de kleine jongen reeds op vierjarige leeftijd kwam te overlijden op zondag 27 december 1829. Het kwam nogal eens voor bij de volkstellingen dat reeds een jaar eerder begonnen werd met het tellen en dat een overleden inwoner nog voorkwam in de papieren en daarom mee werd geteld.
Het perceel waarop zich de woning van Jan Lamberts Beuving bevond is door een rode lijn omgeven en droeg in het archief van het Kadaster uit 1832 de perceelnummer I-796 en werd omschreven als huis en erf (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).
De in de archieven van het jaar 1817 nog als dienstknecht omschreven Jan Lamberts Beuving, sluit op zondag 6 september 1863 in het dorp Roden met de leeftijd van 73 jaar en 10 maand en 15 dagen voor altijd zijn ogen en wordt een dag later als zijnde overleden bijgeschreven in het register van de burgerlijke stand met het aktenummer 25. De in het dorp Norg geboren echtgenote van Jan Lamberts, Jacobje Jans Hofman overlijd bijna vier jaren later op 77-jarige leeftijd op zaterdag 8 juli 1871 te Roden.
De als landbouwer door het Kadaster omschreven Jan Lamberts Beuving bezat toch nog een aantal forse percelen nabij zijn huis: I-797 tuin, I-799 weiland en I-800 bouwland. De beste man werd echter bij de volkstelling van 1830 door de gemeentelijke ambtenaren gezien als arbeider. (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).
Logementhouder Thijle Geerts Krijthe en zijn vrouw Berendje Voget bezaten in grote delen rondom het dorp Roden stukken grond en huizen, die zij verpachten en hierdoor naast de kroeg ook nog andere inkomsten kregen. Rond 1832 komen wij dan ook nog met enige regelmatig onroerende goederen tegen in de archieven die in het bezit waren van de weduwe van Thijle Geerts Krijthe, Berendje Voget.
De huidige plaats waar de Zulthereschweg en het Schoollaantje samenkomen. In het verleden bevond zich hier een zandpaadje dat richting het oosten ging.
Een van deze panden die in het bezit waren van de familie Krijthe, lag op zo’n twintig meter afstand van het huis van Jan Lamberts Beuving richting het zuiden in het Noordeinde. De percelen I-446 (tuin) en I-447 (huis en erf) waren verpacht aan de op zondag 20 oktober 1799 te Roden geboren Jan Geerts Boer. Boer stond te boek als een ‘schatter van slagtvee’, iemand die de waarde van het slachtvee taxeerde, en hij woonde hier met zijn vrouw Bougien Harms Kramer en zeven kinderen. Daarnaast komen wij in de papieren van 1830 ook nog de dan 59-jarige Katrina Hessels tegen, die dan daar inwonend is. Tien jaar later woont ze bij Ananias Brink in het huis aan het Zuideinde 144. Het betreft hier echter Catharina Hessels die op donderdag 1 februari 1770 te Roden als dochter van Carel Walraven Hessels en Egberdina Sleurmans geboren werd.
Als wij in het jaar 1832 de zandweg richting het zuiden oversteken, komen wij bij het huis uit waar de schatter van slachtvee Jan Geerts Boer met zijn gezin woonde. Het huis, erf en tuin waren in bezit van de weduwe van logementhouder Thijle Geerts Krijthe, Berendje Voget. (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).
Jan Geerts Boer was op woensdag 5 mei 1824 met de 23-jarige Bougien Harms Kramer te Roden getrouwd en ze kregen samen dus zeven kinderen: Grietien Jans Boer (1824), Geert Jans Boer (1826), Harm Jans Boer (1828), Aaltien Jans Boer (1830), Harmina Jans Boer (1833), Jan Jans Boer (1835) en Hindrik Jans Boer (1838). Lang kon Jan Geerts niet genieten van het laatste kind, bijna een jaar later op de woensdag 6 maart 1839 verwisselde hij in het bed het tijdelijke met het eeuwige leven. Bougien overleed bijna 41 jaren later op maandag 1 maart 1880 op 79-jarige leeftijd in Foxwolde.
De Hervormde Gemeente in het dorp Roden deed in het verleden veel om de ellende van de hulpbehoevende gemeenteleden te verzachten en had tot ongeveer eind 1859 behoorlijk wat onroerende goederen in haar bezit. Daarnaast waren er mensen binnen de Hervormde Gemeente die zich voor de minder bedeelden in wisten te zetten en zodoende leden van de kerkenraad waren; diaconen. Doorgaans wisten de diaconen een beroep te doen op de liefdadigheid van de wat beter gesitueerden, om zodoende ruimschoots de armen te kunnen helpen. In de Nederlandsche Encyclopedie van Winkler Prins uit 1870 werden deze mensen zo omschreven: “Een menschlievend diacon, die het vertrouwen der gemeente bezit, kan veel smart verzachten”.
Een advertentie van de Diaconen der Hervormde Gemeente Roden in de Provinciale Drentsche en Asser courant van 8 november 1859 waarin zij aangeven hun bezittingen in en rondom het dorp Roden te willen verkopen (Bron: Provinciale Drentsche en Asser courant, nummer 134, 8 november 1859, vierde blad, gedrukt bij Gratama te Assen).
Wanneer wij door het Noordeinde van 1832 ruim 40 meter richting het westen gaan, lopen wij voorbij het huis met het nummer 227. Het huis met de tuin dat hier destijds stond behoorde ook tot het bezit van de Hervormde Gemeente en werd rond 1830 verpacht aan de op de dinsdag 3 oktober 1787 te Lieveren geboren en een week later gedoopt in de Nederlands hervormde kerk van Roden arbeider Klaas Jans Ananias. Ananias was op woensdag 28 mei 1817 in het huwelijk getreden met dan 19-jarige Aaltien (Aaltje) Tjipkes Scheepstra uit Roden.
Klaas Jans en Aaltje Tjipkes pachten het huis (I-443) en tuin (I-444) van de Diaconie Roden en woonden hier rond 1830 met hun kinderen Annechien (1820), Ananias (1822), Jantien (1825), en Tjipke (1828). Hun eerste zoon, ook Ananias geheten, was in het jaar 1818 geboren maar kwam al in het begin van 1822, 3 jaar en 8 en 11 dagen maanden oud, in Roden te overlijden. Klaas Jans Ananias overleed op donderdag 10 september 1863 te Roden en Aaltje volgde haar echtgenoot op zaterdag 22 maart 1873 eveneens in Roden.
Op de kadastrale kaart van 1832 zijn de twee percelen tuin (I-316) en huis & erf (I-318) door een rode lijn omgeven. Het huis dat op papier dan nog eigendom is van de vader van de arbeider Harm Geerts Noord, Geert Klaassens van der Oor. Van der Oor die dan nog in het Oosteinde woont, zal later samen met zijn vrouw bij het gezin van zijn zoon intrekken. Tegenwoordig heeft de huidige locatie het nummer Heerestraat 228 (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).
Het laatste huis dat wij tegenkomen in de Noordeindiger Kampen ligt een kleine tien meter ten westen van het huis van Klaas Jans Ananias. Het huis met het nummer 214 was eigendom van de Roner landbouwer Geert Klaassens van der Oor en zijn uit Hoogkerk afkomstige vrouw Freerkien Harms. Geert Klaassens woont in het jaar 1830 nog in het Oosteinde op nummer 186 en zijn zoon Harm Geerts Noord woont samen met zijn eveneens in Roden geboren vrouw Annechien Scheepstra Tjipkes en hun drie kinderen Freekien Harms van 5 jaar, Sabe Harms van 3 jaar en de vier maanden oude Geert Harms, in het huis van zijn ouders in het Noordeinde.
Een luchtfoto van het gebied waar de Noordeindiger Kampen eens hebben gelegen. In de tegenwoordige tijd is er niets van het gebied over en is hier zoveel gegraven en veranderd, dat de mogelijkheid bestaat om hier nog heel oude sporen uit het verleden te vinden heel erg klein is (bron: topotijdreis.nl)
Het huis en de tuin van de landbouwer Geert Klaassens van der Oor bevonden zich op de kadastrale percelen met de nummers I-316 (tuin) en I-318 (huis & erf). Van der Oor overleed op 84-jarige leeftijd te Roden op zondag 31 januari 1864, bijna 18 jaren later dan Freerkien Harms, die reeds op de woensdag 3 juni van het jaar 1846 haar ogen op 74-jarige leeftijd voor het laatst sloot.
Op dinsdag 29 april 1845 verschijnt er in de Groninger courant, het algemeen dagblad voor de stad Groningen en Ommelanden dat inmiddels in zijn 104e jaargang zit, een oproep van de uit Norg afkomstige notaris Mr. Nicolaas Wilhelm Schroeder Hofstede tegen, die hij een dag eerder had opgesteld in zijn kantoor. Mr. Hofstede verzoekt een ieder die nog iets te vorderen heeft of verschuldigd is aan de wijlen Jacob Jans Sinninge en Janke Piers Holtrop, binnen een maand de opgave van de schulden of de betaling van het verschuldigde te doen bij zijn kantoor in Norg.Dit dient echter wel op de maandagen te gebeuren, daar de notaris dan in zijn kantoor zal vaceren (zitting houden) om vervolgens na die periode tot Likwidatie (liquidatie) te kunnen overgaan.
De oproep die notaris Mr. Nicolaas Wilhelm Schroeder Hofstede in de Groninger Courant van dingsdag 29 april 1845 doet. Destijds schreef men nog ‘dingsdag’ in plaats van ‘dinsdag’ zoals wij dat heden ten dage doen. (Bron: Groninger Courant, 29 april 1845, vierde blad, te Groningen bij C. M. Bolhuis Hoitsema, Boekdrukker).
Het betreft hier de op vrijdag 11 april 1845 overleden landbouwer Jacob Jans Sinninge die samen met zijn vrouw Janke Piers Holtrop in de Zulte op de boerderij met het huisnummer 37 woonde. Naar alle waarschijnlijkheid was Jacob Jans samen met zijn broers en zuster Steven Jans, Geert Jans, Jantien Jans en Hinderk Jans gemeenschappelijke eigenaren van het pand geworden nadat aan hun ouders Jan Jacobs en Grietjen Geerts in respectievelijk 1809 (moeder) en 1810 (vader) waren overleden. Dit impliceert ook waarom de notaris Hofstede het over de ‘Mandeeligen Boedel’ heeft. Mandeligheid ontstaat, wanneer een onroerende zaak gemeenschappelijk eigendom is van de eigenaars van twee of meer erven en door hen tot gemeenschappelijk nut van die erven wordt bestemd. Mandeligheid impliceert dus ook gemeenschappelijk eigendom.
De grote boerderij waar Jacob Jans Sinninge en zijn vrouw Janke Piers Holtrop woonde in de Zulte. Voor Jacob Jans woonden zijn ouders Jan Jacobs en Grietjen Geerts in de kapitale boerderij. (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort)
Na de volkstelling van 1840 verblijven er in het huis dat dus het huisnummer Zulte 37 draagt en kadastraal ingedragen stond als Roden I-166, huis en erf, vijf personen. Het echtpaar dat kinderloos was gebleven, Jacob Jans was 50 jaar en Janke Piers 44 bij hun huwelijk, maar had de zorg op hun genomen voor de toen twaalfjarige Wieger Hindriks Holtrup. Zoals het wel vaker in die tijd gebeurde, was de naam van Wieger Hendriks Holtrop dus net even anders geschreven dan het hoorde. De jongen was het jongste kind van Janke Piers haar broer Hendrik Piers Holtrop en zijn vrouw Lutske Derks Hummel. Het kind was op donderdag 1 februari 1827 in Marum geboren, zeven maanden voor het overlijden van de 54-jarige Hendrik Piers op dinsdag 11 september 1827, eveneens te Marum. Naast Jacob Jans, Janke Piers en Wieger Hendriks woonden de boerenknecht Fokke Louwes Hummel en de dienstmeid Annechien Hindriks Warners eveneens in het huis.
De vermelding van Jacob Jans Sinninge, Janke Piers Holtrop, Fokke Louwes Hummel, Annechien Hindriks Warners en Wieger Hindriks Holtrup tijdens de volkstelling uit 1840. (Bron: Drents Archief. Roden, Volkstelling, 1840 (toeg. 2001.21; nr. 2)).
Zo’n anderhalf jaar later, in november van het jaar 1846, plaatst notaris Mr. Nicolaas Wilhelm Schroeder Hofstede zowel in de Drentsche Courant als in de Groninger Courant namens de erven van Jacob Jans Sinninge, een advertentie met de mededeling dat zij voornemens zijn om de boerenplaats en de bijbehorende landerijen te gaan verkopen. De boerenplaats bestond destijds uit een grote boerderij, een erf en een bijbehorende boomgaard. Op de kadastrale kaart uit 1832 is duidelijk te zien dat het inderdaad een fors gebouw is dat dienst deed als boerderij. Op de kadastrale kaart die uit het jaar 1887 stamt, is de kapitale boerderij verdwenen en staat er nu een veel kleiner gebouw. Een deel van de landerijen waaronder opgaand bos, tuin, bouw- en weilanden bevonden zich in de directe omgeving van het erf.
De advertentie in de Drentsche courant van vrijdag 6 november 1846, waarin kenbaar wordt gemaakt dat de boerenplaats, de bouw-, hooi- en weilanden, bossen en heidegronden van wijlen Jacob Jans Sinninge door de erven te koop worden aangeboden. (Bron: Drentsche Courant, 6 november 1846, vierde blad, te Assen, bij van Gorcum en Comp., Provinciale Drukkers).
De inzate (inzet bij een verkoping van onroerend goed) vond op woensdag 18 november ‘s ochtend om 10 uur plaats in de herberg van Harm Schuring in Roden, ongeveer op de plaats waar nu de ‘Pompstee’ staat. Harm Schuring was naast logementhouder ook de schoonzoon van Berendje Voget, de weduwe van Thyle Geerts Krijthe, die eveneens logementhouder tijdens zijn leven was geweest. Daarnaast was de beste man ook nog eens een bierbrouwer geweest. Maar goed, terug naar Harm Schuring die door zijn huwelijk met Margaretha van Baden Krijthe en na het overlijden van Berendje eigenaar van het pand was geworden. Het wrange aan het geheel was dat zijn vrouw Margaretha een half jaar voor de verkoping, op vrijdag 15 mei 1846, was overleden.
De advertentie van de notaris Hofstede die dinsdag 10 november 1846 in de Groninger Courant verscheen. (Bron: Groninger Courant, 10 november 1846, vierde blad, te Groningen bij C. M. Bolhuis Hoitsema, Boekdrukker).
De omgeving van het voormalig esgehucht de Zulte zag er rond het midden van de jaren veertig tijdens de negentiende eeuw er heel anders uit dan heden ten dage. Veel van de bossen, bouw-, hooi-, weide- en heidegronden zijn inmiddels verdwenen en hebben plaatsgemaakt voor woningbouw. Het bosje aan de Postemastraat is slechts een van de weinige overblijfselen die eens tot het bezit van Jacob Jans Sinninge behoorde. Vermoedelijk zijn vrijwel alle 25 bunders aan landerijen verkocht tijdens de verkoping. De meeste kopers zullen doorgaans landbouwers uit de omgeving van het dorp Roden zijn geweest die de kans schoon zagen om hun bezittingen uit te kunnen breiden.
Op de kadastrale kaart uit het jaar 1887 is goed te zien dat de kapitale boerderij is verdwenen en plaats heeft gemaakt voor een kleiner gebouw. (Bron: Drents Archief).
Niet alle gronden die Jacob Jans in de Zulte gebruikte, konden verkocht worden. Immers, de beste man had een verbond met zijn broers en zuster, waarbij de geërfde goederen en landerijen bij hen in gezamenlijk bezit kwamen, deelgenoten dus. Consorten van Jacob Jans werden zij in de kadastrale stukken uit 1832 genoemd. Het kan ook zo geweest zijn dat er onenigheid tussen de consorten was ontstaan over het verkopen of juist de prijs, we weten het niet. Feit is wel dat niet alle percelen bij de verkoping verkocht zijn.
De situatie op de plaats waar eens de kapitale boerderij van Jacob Jans Sinninge gestaan heeft in het midden van de jaren zestig van de vorige eeuw. De originele kaart stamt uit het einde van de negentiende eeuw en werd later gebruikt door de ambtenaren om de vorderende woningbouw binnen het dorp in kaart te brengen. Het betreft hier op de kaart de plaats waar tegenwoordig het Wethouder Deodatusplantsoen ligt. (Bron: Drents Archief).
Wat de reden tot verkoop was, blijft voor mij onbekend. Waarschijnlijk kon men geen opvolger vinden binnen de familie die het bedrijf over wilde nemen of de opbrengsten waren te verleidelijk om te weerstaan, het blijft speculeren. Wat de reden tot verkoop was, blijft voor mij onbekend. Wel is duidelijk dat de vrouw van Jacob Jans, de op zondag 11 mei 1777 te Marum geboren Janke Piers Holtrop en waarmee hij op vrijdag 10 mei 1822 in het huwelijk trad, na zijn overlijden weer terugkeerde naar haar geboorteplaats, het Groningse Marum. Op woensdag 24 november 1847 sloot de weduwe daar haar ogen voor de laatste maal, zeventig jaar oud.
De boerderij van Steven Jans Sinninge en Roelfien Eitens Oosterhof op de kadastrale kaart uit 1832.Voor dat dit gezin er kwam wonen, woonden Eyte Alberts Oosterhof en Jantjen Datema hier. (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).
Dat Jacob Jans Sinninge als boer en eigenaar de boerderij van zijn ouders overnam was destijds heel gewoon. Doorgaans nam de oudste zoon het bedrijf van de ouders over en de andere zonen moesten maar een andere plaats gaan zoeken om verder te kunnen boeren. Zo verging het ook de jongere broer van Jacob Jans, Steven Jans Sinninge. De in 1776 in de Zulte geboren Steven Jans trouwde op zondag 8 mei 1803 in de kerk van Roden met de in 1782 te Leutingewolde geboren Roelfien Eitens Oosterhof, dochter van Eite (Eyte) Alberts Oosterhof en Jantjen Datema. Steven Jans en Roelfien Eitens betrokken de boerderij van haar ouders in Leutingewolde, dat het nummer 96 droeg.
Bleef het huwelijk van Jacob Jans en Janke Piers nog kinderloos en moest men zijn boerderij gaan verkopen omdat er waarschijnlijk geen opvolger was, bij Steven Jans en Roelfien Eitens Speelde dit probleem in het geheel niet en het echtpaar kreeg maar liefst negen kinderen samen. De opvolging van het bedrijf binnen de familie bleek gewaarborgd te zijn en hun vijfde kind, zoon Jacob Stevens Sinninge, die op zaterdag 15 mei 1813 geboren was in Leutingewolde, werd in het jaar 1860 de hoofdbewoner van het pand.
De familie Sinninge uit Leutingewolde werden foutief vermeld als Sinninga tijdens de volkstelling van 1840. Ook de broer van Roelfien Eitens, Albert Eites Oosterhof, woonde bij het gezin Sinninge in. (Bron: Drents Archief. Roden, Volkstelling, 1840 (toeg. 2001.21; nr. 2))
Zesentwintig jaar eerder, op dinsdag 11 februari in het jaar 1834, verwisselde Steven Jans Sinninge op 58-jarige leeftijd het tijdelijke met het eeuwige leven en moest Roelfien Eitens Oosterhof het alleen zien te redden. Wanneer wij de documenten van de volkstelling van 1840 binnen de gemeente Roden erbij pakken, valt het op dat Roelfien haar vrijgezelle broer inwonend is. Albert Eites Oosterhof was vier jaar jonger dan zijn zuster en werd geboren op woensdag 1 maart 1786 te Roden geboren. Hij werkte voorheen als boerenknecht in Roderwolde en woonde eveneens in dat dorp bij de Rowolmer bakker Jan Sikkens Datema in het huis met het nummer 24. Na het overlijden van zijn zwager Steven Jans zal Albert Eites wellicht een deel van zijn taken hebben overgenomen. Zelf komt Albert Eites op dinsdag 27 januari 1845 eveneens op 58-jarige leeftijd in Leutingewolde te overlijden.
Het is in het jaar 1848 als we weer iets van de familie Sinninge uit Leutingewolde vernemen. Het is alweer twee jaar geleden dat men de boedel van de overleden Jacob Jans gelegen in de Zulte in de kroeg van Harm Schuring in Roden heeft geprobeerd te verkopen en ondanks dat Steven Jans dit alles niet mee hoefde te maken, zal de dan al 66-jarige Roelfien Eitens de touwtjes bij het gebeuren strak in de handen hebben gehad. Het is ook goed voor te stellen dat de weduwe inmiddels genoeg heeft gekregen van het zware boerenleven en het rustiger aan wil gaan doen.
De advertentie van notaris van Lier in de Drentsche Courant waar hij aankondigt dat er een boeldag ten huize van de weduwe van Steven Jans Sinninge. (Bron: Drentsche Courant, 17 maart 1848, vierde blad, te Assen, bij van Gorcum en Comp., Provinciale Drukkers).
Nu heeft de in Assen woonachtige notaris Herman Hubert van Lier te Assen (Kaap de Goede Hoop, donderdag 9 augustus 1792 – Assen, zondag 8 maart 1863) de opdracht gekregen van de weduwe en de erven van Steven Jans een boeldag te organiseren om het een en ander te verkopen. De zeer ervaren notaris gaat direct aan de slag en plaatst in de Drentsche courant van vrijdag 17 maart 1848 een advertentie met de aankondiging van de te houden boeldag. Het is echter niet de bedoeling om het huis, maar meer om het vee, 4 paarden, 21 stuks hoornvee en twee varkens, 2 wagens, boerengereedschap, melkgereedschap en allerlei huisraad te verkopen. De boeldag wordt op de woensdag 22 maart gehouden bij de boerderij ‘s ochtends om tien uur.
Ruim een maand later klopt notaris van Lier nogmaals bij de Drentsche Courant op de deur van redactie met een nieuwe advertentie van de weduwe en de erven van wijlen Steven Jans Sinninge. Nu zijn zij voornemens om de boerenplaats, bestaande uit een behuizinge, en bouw-, weide- en hooilanden, veld en veen en enige grondpachten gelegen in Leutingewolde. Ook wordt er vermelding gemaakt van dat er eveneens veld en veen in de markte van Bunde, gemeente Vries. Deze percelen waren eigendom van en werden door de broer Geert Jans Sinninge bewerkt. Geert Jans overleed op donderdag 13 oktober 1842 in het plaatsje Yde binnen de Gemeente Vries. Ook de jongste boer van Jacob Jans, Geert Jans, Stevens Jan en Jantien Jans, broer Hindrik Jans Sinninge, was al op zaterdag 23 juni 1821 in de Zulte overleden, 37 jaar en 7 maand oud.
De advertentie met de vermelding dat de weduwe en erven van Steven Jans Sinninge de boerenplaats, bouw-, weide-, en hooilanden etc. voornemens te zijn om te gaan verkopen. (Bron: Drentsche Courant, 25 april 1848, vierde blad, te Assen, bij van Gorcum en Comp., Provinciale Drukkers).
Blijkbaar drukte de voormalige boerderij en de bijbehorende landerijen van de overleden Jacob Jans toch op het een en ander. In de advertentie staat duidelijk dat “eindelijk huis en land te Zulte, gemeente Roden, vroeger bewoond geweest door wijlen Jacob Jans Sinninge”. Zou het ‘eindelijk’ er mee te maken hebben dat de vrouw van Jacob Jans, de weduwe Janke Piers Holtrop, aan het einde van de maand november in het jaar 1847 kwam te overlijden? En doordat zij wellicht het deel van de mandeligheid van haar man na zijn dood had toegewezen gekregen, de verkoop tegen weten te houden? Het zou wel een hoop over de verkoop van de boerderij in de Zulte kunnen verklaren.
Ondanks het gekrakeel over het verkoop van de boerderij in de Zulte met het huisnummer 37, kan notaris van Lier op maandag 1 mei 1848 des voormiddags (’s ochtends) te elf uur met de openbare verkoping beginnen. Gezien de stukken in het archief van de notaris in Assen was er volop belangstelling en komen we onder andere namen als Landbouwer Jan Assies te Roden tegen, de koper van de boerderij in Leutingewolde of de Roner broodbakker Roelof Roelofs Deodatus. Daarnaast zijn er een tal van inwoners van Leutingewolde, Lieveren, Roden, Zeijen, en de Zulte aanwezig die ook meedoen aan het kopen van allerlei bezittingen van de familie Sinnige/Oosterhof.
De plaats waar eens de boerderij van Steven Jans en Roelfien Eitens stond, doet heden ten dage dienst als weiland. De woning stond links van de boerderij op de afbeelding. (Afbeelding:Topotijdreis.nl).
Ruim tien jaar later na de openbare verkoping op zaterdag 13 november 1858 komt de weduwe van Steven Jans Sinninge in Leutingewolde te overlijden. De dan 76-jarige voormalige landbouwersche en dochter van Eite Alberts Oosterhof en Jantjen Datema, Roelfien Eitens Oosterhof (ook wel als Roelofje Eitens Oosterhoff beschreven) heeft een zeer bewogen leven achter haar rug wanneer zij voor de laatste maal haar ogen sluit.
Beide boerderijen zijn inmiddels afgebroken, die van Jacob Jans in de Zulte waarschijnlijk in het midden van de negentiende eeuw en die van Steven Jans in Leutingewolde werd in het jaar 1949 afgebroken en is sindsdien weiland. Op de plaats waar Jacob Jans en Janke Piers in de Zulte woonden, staan nu huizen en heet nu het Wethouder Deodatusplantsoen. Dit gedeelte van het toenmalig esgehucht maakt nu deel uit van het dorp Roden.
Luchtfoto van het gedeelte aan de huidige Wethouder Deodatusplantsoen te Roden waar eens de boerderij van Jacob Jans Sinninge en Janke Piers Holtrop woonden. Tegenwoordig staan er vrijstaande woningen.(Afbeelding:Topotijdreis.nl)
Hooien, heuj’n in het hier gesproken Noord-Drents dialect, bestond natuurlijk uit meer dan alleen het gras maaien. Sterker nog, het belangrijkste gedeelte van de oogst moest nog komen; ervoor zorgen dat het gemaaide gras zo droog was geworden dat het veilig was om het op te kunnen slaan. In de huidige tijd is het hooien van vandaag de dag niet meer te vergelijken zoals het een slordige tweehonderd jaren geleden in de omgeving van de Zulte plaatsvond. Bij de moderne veehouderij speelt het zogenaamde ‘kuilgras’, een vorm om gras te conserveren nadat het slechts enkele dagen op het land heeft gelegen, sinds de jaren dertig van de vorige eeuw een heel belangrijke rol. Bij deze vorm van conservering wordt het gras tijdens het maaien een ‘graskneuzer’ gebruikt om het drogingproces te versnellen. Per jaar kunnen van hetzelfde perceel grasland dan door de boer vijf tot zes zogenaamde kuilvoersneden worden geoogst. Voorwaarde is dan wel dat er in het perceel grasland niet tussendoor geweid wordt.
Het machinaal schudden van het gras in het beekdalgebied van de Zulter Bitse nabij de Dobberesch. Het schudden zorgt er onder andere voor dat naast het kneuzen ook het gras gelijkmatig aan het zonlicht wordt blootgesteld, zodat het gemaaide gras sneller droogt.
Het conserveren van gedroogd gras, hooien dus, voor dieren is een wijze om ervoor te zorgen dat er in tijden van weinig aanbod van vers gras en er amper grasgroei plaatsvindt zoals bijvoorbeeld tijdens de winter, er voldoende voedsel aanwezig is om de dieren te kunnen voeren. Het beste moment om te gaan maaien en hooien was destijds voor de boer de periode voordat het gras bloemstengels begon te vormen. Hoe jonger het gras was dat gemaaid werd, hoe hoger de voederkwaliteit was. Deed de boer dit later door bijvoorbeeld slecht hooiweer en hadden er zich bloemstengels gevormd, konden de koeien het gras slechter verteren. Daarnaast was natuurlijk het drogestofgehalte van hooi, ongeveer 80%, van groot belang voor het opslaan van de wintervoorraad. Voordat er andere vormen van hooiopslag bestonden zoals hooipakjes en hooibalen, werd het hooi opgeslagen in een zogenaamde hooiberg of hooibult. Zowel bij de opslag van hooi in een berg, een pakje, of een baal, is het dus van belang dat het hooi droog genoeg is om hooibroei te voorkomen.
Zo’n tweehonderd jaren geleden bezat de boer nog niet over grassen met een hoge opbrengst aan hooi. Vergeleken met de hoeveel hooi heden ten dage, lijkt het wel een armtierige oogst. Het kruidenrijke hooi dat door de boer in het beekdalgebied van de Zulter Bitse werd gewonnen, was hoogstens voor een tiental koeien en een paar paarden bedoeld. Een groot contrast met de huidige boer die over ruim 160 dieren beschikt.
Nee, in de negentiende eeuw ging het maaien en het hooien er nog heel anders aan toe dan heden ten dage. Veel termen en uitdrukkingen die in die tijd veel werden gebruikt, zoals Dr. C.C.W.J. Hijszeler het in zijn boek ‘Boerenvoortvaring in de oude landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe’ heeft geplaatst, worden niet meer gebruikt en zijn daardoor al heel lang verdwenen en vergeten. En laten we eerlijk zijn, de mechanisatie binnen de landbouw heeft natuurlijk ook enorm veel voordelen gebracht, waardoor het lichaam van de boer en zijn arbeiders veel minder hadden te lijden onder het zeer zwaar lichamelijk werk dan hun voorgangers honderden jaren eerder.
De vaak zelf gemaakte, schuin aan de steel gezette hooihark, tot en met de tanden van hout, maakte gedeeltelijk plaats voor de bredere exemplaren, eerst van hout en later van metaal. Deze brede hark werd in de omgeving van Roden ook wel ‘rief’ genoemd. Hier wordt tevens het hooi op zogenaamde opperties geharkt. (Afbeelding: pagina 31, Ton de Joode – Landleven, het boerenbestaan van toen. Foto Peter Schütte. MCMLXXXI Elsevier-Amsterdam/Brussel)
Een swat, zwad of zwade tegenwoordig, was een strook gras dat door een mëijer (maaier) met een zeis was gevormd. Het woord swat of in het meervoud in Roden ook wel swaod’n genoemd, speelde in de beschrijvingen van het hooien dan ook een belangrijke rol. Maar veel belangrijker was bij het hooien het weer, en dan met name goed hooiweer; droog, zonnig weer, met het liefst een beetje wind. Helaas was het perfecte plaatje om te kunnen gaan hooien vaak niet aanwezig en moest men zich aan het weer en de omstandigheden aanpassen. Het kon dan ook voorkomen door de weersomstandigheden dat het gemaaide gras te lang op het land, ‘t swat, bleef liggen en het onderliggende gedeelte geel was geworden en tot rotting was overgegaan. Was dit het geval, dan werd er gezegd dat het gras ‘smaarterig’ was. Dit kon ook gebeuren wanneer het gras in zogenaamde ‘oppers of opperties’ lag. Opperties of öpperties waren hopen of hoopjes bij elkaar geharkt gras of hooi, dat in het gemaaide hooiland lagen en op de bovenstaande afbeelding te zien is.
Het gereedschap dat rondom het voormalig esgehucht werd gebruikt tijdens het hooien. a) Rief, b)Hooihark, c) Trekrief, d) Schootvörk, e) Weesboom, f) Hoak. (Afbeelding: Dr. C.C.W.J. Hijszeler: Boerenvoortvaring in de oude landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe. De tekeningen werden vervaardigd door de J. Witpaard te Meppel en N. Overdiep te Groningen.Uitgegeven te Assen bij Van Gorcum & Comp. N.V. (G.A. Hak & H.J. Prakke) (MCMXL))
Als het geen erg mooi weer was, ging men rondom het dorp Roden ‘de swaod’n omtrekk’n, keer’n met de rief’. Wanneer men dit deed, kwam het gras dat onderaan lag boven te liggen. Een rief (figuur a) is een houten hooihark waarbij de steel scheef op de hark gemonteerd zit. Was het echter wel goed weer in de omgeving van het voormalig esgehucht, ging men het gras in de zwadden losmaken: ‘de swaod’n löshauw’n, lös gooj’n of lös maok’n met de rief’ (1). Daarbij nam men steeds een drietal zwadden bij elkaar, waarbij het middelste zwad uiteen gehaald werd met de hooivork (figuren 1 en 2), lös maok’n met de vörk, waarna de buitenste twee zwadden eveneens met de hooivork los werden gemaakt en met de zogenaamde rief naar elkaar werden geharkt en er een lange strook gras ontstond. Men sprak dan van ‘de aander’n d’r naor toe heuj’n, bijheuj’n met de rief’ (1). Deze stroken gras werden ook wel een ril of weersem (’n weers’m) genoemd; ‘Wai hebben het gras in weersems liggen’ (1). Vormde men echter na het losmaken kleine oppers, dan liet men dat dus na om weersems te maken.
De boeren in de Zulte zeiden: ‘Wai hebben het gras in weersems liggen’ wanneer zij het het droge gras in lange rillen op het land hadden liggen. Destijds werden de weersems met de rief gevormd, maar ook dit wordt heden ten dage machinaal gedaan.
Daarna ging men het gras ‘in raggies, in klaine opperties zett’n met de heujvörk’ (1). Dit waren kleine oppers hooi, het drogende gras was dan al bijna hooi, en werden ook wel heui- oh heujoppers genoemd. Dit opperen deed men laat in de middag, zo tegen de avond aan om te voorkomen dat er vocht in het bijna droge hooi kon komen. Op dagen dat het donker weer was, het was dan niet zonnig genoeg, en het niet regende, moest men de oppers uit elkaar halen en weer op een andere plaats opnieuw maken. Dit gebeurde vanzelfsprekend met de hooivork en werd ‘omopper’n met de vörk’ genoemd. Een bijkomend voordeel van het omopperen was mocht het hooi aan de onderkant vochtig geworden zijn, dan kon hooibroei of verrotting van het hooi zo voorkomen worden. Het van onderen op vochtig worden noemde men ‘opstaol’n’. Sprak men in de grote delen van Drenthe van ‘t is aordig opstaolt’, in de omgeving van het Noord-Drentse dorp Roden zei men dan ‘de heuioppers bint aordig opstaold’ (2).
Hooivorken met twee (2) en drie tanden (1). (Afbeelding: Dr. C.C.W.J. Hijszeler: Boerenvoortvaring in de oude landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe. De tekeningen werden vervaardigd door de J. Witpaard te Meppel en N. Overdiep te Groningen.Uitgegeven te Assen bij Van Gorcum & Comp. N.V. (G.A. Hak & H.J. Prakke) (MCMXL))
De hooivork (figuren 1 en 2) was een onmisbaar werktuig bij het hooien in het algemeen. Of het nu was bij onder andere het losmaken van de stroken gras, het omopperen van de opperties of het binnenhalen van het hooi, de boer kon niet zonder. De hooivork bezat twee of drie tanden en had een lange steel zonder handgreep. Bij het binnenhalen van het hooi gebruikte men zelfs hooivorken met een meer dan twee meter lange steel om het hooi hoog op de boerenwagen te kunnen werpen. Immers, des te meer hooi er op de wagen werd geladen, des te minder men met het paard en de wagen op en neer hoefde te rijden.
Een paar geschikte stukken hout en wat aangescherpte pennen, op de juiste manier aan en in elkaar bevestigd, leverden een goed bruikbare heujhark. Hout voor het eenvoudig gemaakt gereedschap was natuurlijk in overvloed te vinden in de vele bossen en op de massaal voorkomende houtwallen in de Zulte.(Afbeelding: pagina 137, Ton de Joode – Landleven, het boerenbestaan van toen. MCMLXXXI Elsevier-Amsterdam/Brussel)
Destijds beschikte de boer nog niet over tractoren die met gemak twee lage wagens vol hooi kon trekken, maar over één of twee paardenkrachten om het geheel te vervoeren. Heeft de moderne boer in vergelijking met zijn verre voorganger het geluk dat hij zijn hooi veel sneller weet binnen te halen vanwege de mechanisatie, ook de eisen die hij aan het hooi verschillen nogal van elkaar. Het was dan ook voor de vroege boer van belang dat er voldoende drogende dagen aan één waren om het hooi te kunnen oogsten. Zo was er in het jaar 1821 een vrij goed jaar als het op gras en hooi aankwam in het Noorden van Nederland, maar juist slechter hoe zuidelijker men in het land ging. In de Staat van den Landbouw schrijft J. Kops: ‘In Vriesland en Groningen kwam het gras vroeg aan, en maaide men vroegtijdig. Het gemaaide werd intusschen veelal te driftig weg gereden en verbroeide, ja veroorzaakte hier en daar brand. Het hooi was er te goedkooper, daarmen tot laat in het najaar overvloed van krachtig en voedzaam gras had. Allezins voordeelig ging het met gras en hooi in Overijssel, en vrij goed in Drenthe’ (3).
Opteim’n. Het in oppers plaatsten van het tot hooi verworden gemaaid gras. Ook in de graslanden rondom de Zulte kon men deze bulten van hooi aantreffen. (Afbeelding: pagina 31, Ton de Joode – Landleven, het boerenbestaan van toen. Foto Peter Schütte. MCMLXXXI Elsevier-Amsterdam/Brussel)
Maar goed, de toenmalige boer was dus destijds afhankelijker van het weer dan de boer vandaag de dag en moest daarnaar dan ook handelen. Zodra het geschikt hooiweer was, werd het hooi dat in oppers op het land stond, uit elkaar gegooid met de hooivork, ‘de oppers strêij’n met de vörk’. Na ’t wenn’n’, het uiteen halen van de oppers en het verspreiden van het hooi dus, maakte men met de rief opnieuw weersems (in weers’ms zetten). Wanneer men dit ging doen, diende het gras droog te zijn, waarna de tijd was aangebroken om het hooi met de vork ‘op te teim’n’, of te wel ‘in dikke oaf dreuge oppers te zett’n met de vork’ (1). De weersem werd bij gedeelten opgeschoven, opschöev’n zei men dan in de Zulte. Opschöev’n ging als volgt in het werk: er werd een vork aan de ene zijde van de ril hooi gezet en schoof deze zover mogelijk naar het midden op, waarna de vork er aan de andere kant werd in gezet en die helft ook werd opgeschoven.
Een zeer herkenbaar beeld in de gebieden rondom het dorp Roden. Het bijeen harken met de rief van het hooi zodat er mooie lange rillen ontstaan, waarna de tractor met de zogenaamde hooipers er langs kan gaan om de hooipakjes te persen.
Daarna ging men het hooi opzetten. Het opzetten van droog hooi in grote oppers in handwerk om het op een gunstig gelegen tijdstip in te schuren, vroeg destijds veel tijd. Daarom zorgde men ervoor dat de oppers van de naast elkaar liggende rillen of weersems tegenover elkaar kwamen te liggen, zodat het voor de arbeiders een stuk gemakkelijker werd om de hooiwagen te laden, daar deze steeds tussen de oppers doorreed. De benodigde tijd voor het laden werd in belangrijke mate beïnvloed door de volgende factoren: de wagen waarop wordt geladen, het aantal arbeiders dat aan het laden deelneemt, de werkmethode die wordt gevolgd en de ligging van het hooi.
De paardenhooihark deed halverwege de negentiende eeuw zijn intrede in Nederland. Weliswaar oogt het primitief, maar voor diegene die met noeste spierkracht in het hooi zat, was dit al een enorme verbetering. (Afbeelding: pagina 31, Ton de Joode – Landleven, het boerenbestaan van toen. Foto Peter Schütte. MCMLXXXI Elsevier-Amsterdam/Brussel)
Het spreekt voor zich dat hier en daar nog wat hooi was blijven liggen. Dit hooi werd verzameld door met de rief de resten bij elkaar te harken, ‘de opperstaart’n anheuj’n’. Dit werd ook wel het ’t anheujsel genoemd en werd gebruikt wanneer het hooi nog een nacht buiten moest blijven, als een soort van afdekking. Het anheujsel voorkwam het zogenaamde inregenen.
De boerenwagen zoals deze in het verleden door de Drentse boeren gebruikt werd om het hooi naar binnen te halen of naar de hooimijt te brengen. (Afbeelding: Dr. C.C.W.J. Hijszeler: Boerenvoortvaring in de oude landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe. De tekeningen werden vervaardigd door de J. Witpaard te Meppel en N. Overdiep te Groningen.Uitgegeven te Assen bij Van Gorcum & Comp. N.V. (G.A. Hak & H.J. Prakke) (MCMXL))
Het hooi moest op de boerderij zo dicht mogelijk bij de stal worden opgeslagen, doorgaans boven de deel. Dit werd ook wel ‘opgetast’ genoemd. Het dagelijks transport bij het voeren werd hierdoor zo klein mogelijk. In de gebouwen van toen was de ruimte boven de stal vaak klein en moeilijk bereikbaar. Het lossen van de wagen met hooi, ook wel ‘afsteken’ genoemd, het verdere transport naar de plaats van opslag en het stapelen van hooi, waren een paar redenen waardoor het lossen veel tijd kon gaan kosten.
Het persen van de zogenaamde hooipakjes. Door het hooi in pakken te persen gaat het inzamelen van het hooi een stuk sneller, eenvoudiger te transporteren en het is ook nog eens gemakkelijker en beter te stapelen in de schuur van de boer.
Is het tegenwoordig heel normaal geworden dat sommige graslanden wel drie en soms wel vier keer per jaar gemaaid worden, rond het midden van de negentiende eeuw gebeurde dit met een beetje geluk twee maal in de zomer. Het gras voor de tweede keer maaien, noemde men in de omgeving van het Noord-Drentse dorp Roden ‘etgruin maaj’n’.
Op sommige plaatsen rondom Roden wordt het ‘ouderwets’ hooien nog in de praktijk gebracht. Met name op de vochtige en beschaduwde graslanden is dit het geval. Doorgaans zijn dit eeuwenoude kleine percelen.
Heujpakjes mennen; Hooipakjes van het land halen en naar binnen brengen.
(1)Bron:Dr. C.C.W.J. Hijszeler: Boerenvoortvaring in de oude landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe. Uitgegeven te Assen bij Van Gorcum & Comp. N.V. (G.A. Hak & H.J. Prakke) (MCMXL)
(3)Bron: Staat van den Landbouw in het Koningrijk de Nederlanden gedurende het jaar 1821, opgemaakt door den Hoogleeraar J. Kops, te Utrecht, en uitgegeven op last van den Minister voor het Publieke Onderwijs, de Nationale Nijverheid en de koloniën. ’s Gravehage, Ter algemene Landsdrukkerij.
Zo’n tweehonderd jaren geleden bestonden er nog geen moderne landbouwvoertuigen zoals wij die vandaag de dag kennen en kwam het aan op harde, noeste en lichamelijke arbeid. Niets van een stoere tractor met een hippe cyclomaaier waarmee je het gras op land in een poep en een scheet omgemaaid hebt en een vlotte hooischudder om het gras te schudden. Nee, alles gebeurde op de graslanden rondom het voormalig esgehucht de Zulte door de boeren, knechten en arbeiders nog met de hand en pure spierkracht. Het spreekt voor zich dat de één meer bedreven in het maaien met de zeis was dan een ander of juist weer een andere techniek gebruikte, waarover door de arbeiders en knechten die het zware werk in het hooi moesten doen, dan ook de nodige opmerkingen werden geopperd. Een aantal van deze termen, die in het verleden werden gebruikt in de gebieden in en rondom de Zulte tijdens de negentiende en twintigste eeuw, passeren hier dan ook de revue.
Een aquarel uit het jaar 1824 van de kunstenaar A. Kosters met in het midden van de afbeelding een maaier die met de zeis en hark onderweg is. (Afbeelding: Beeldbank Groningen, identificatienummer NL-GnGRA_1536_5363, Groninger Archieven, Archief Academie Minerva, toegangsnummer 1448, inv.nr. 34.)
Het was destijds al bekend dat goed maaien een moeilijk vak was en dat het maar weinigen gegeven was om het vak goed te verstaan. Zeker wanneer men in groepen het weiland opging om het gras te maaien, dan was een zekere vorm van uniformiteit gewenst om de hooiers tevreden te houden. Het maaien met een zeis wat dus duidelijk iets wat een boer of arbeider goed onder de knie moest hebben, wilde deze optimaal gebruik kunnen maken van het lange gras. Een zeis, of zais zoals deze in de Zulte genoemd werd, was toen en nog steeds, eigenlijk niets meer dan landbouwhandwerktuig dat uit twee onderdelen bestond.
Een afbeelding van een zeis zoals deze in het verleden in de Zulte werd gebruikt. De termen zijn in het dialect zoals deze in de omgeving van het voormalig esgehucht werd gesproken.a) Zaisboom, b) Dollen, c)’t Oort, d) De hak, e) De hekel, f) De ring, g) De kiel, h) De rug, j) De aege, k) De strekel, l) Hoarspit, m) Hoarhoamer, n) toujaoger. (Afbeelding: Dr. C.C.W.J. Hijszeler: Boerenvoortvaring in de oude landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe. De tekeningen werden vervaardigd door de J. Witpaard te Meppel en N. Overdiep te Groningen.Uitgegeven te Assen bij Van Gorcum & Comp. N.V. (G.A. Hak & H.J. Prakke) (MCMXL))
De zeis bestond uit twee delen; een sikkelvormig mes en de boom. De boom noemde men ook wel ‘de zaisboom’ (a) en was een lange, rechte, ronde stok waarop twee gebogen handvatten zaten, de zogenaamde ‘dollen’ (b). De dollen zorgden niet alleen voor een goede grip, maar waren ook nog eens zo geplaatst dat de gebruiker de maximale slag kon met het gereedschap kon maken. Het sikkelvormig gebogen mes, dat eigenlijk de zeis is, bezat aan de ene zijde een scherpe, spitse punt, die ‘’t oort’ (c) heette en aan de andere zijde recht afgesneden is. Dit gedeelte van werd destijds ‘de hak’ (d) genoemd in het Noord-Drents dialect dat in de omgeving van de Zulte door de mensen werd gesproken.
Een in de geschiedenis van de Zulte veelvoorkomend beeld; een boer of en arbeider die aan het maaien is met de zeis en de strekel daarbij in de hand houdend. (Afbeelding: pagina 30, Ton de Joode – Landleven, het boerenbestaan van toen. Foto Peter Schütte. MCMLXXXI Elsevier-Amsterdam/Brussel)
Aan het gedeelte dat de hak heette, zat een rechthoekig gebogen stuk dat veel weg had van een handvat. Dit gebogen stuk noemde men ‘de hekel’ (e) zat door middel van een wig, ‘de kiel’ (g), vast in een gat dat de naam ‘’t hekelgat’ droeg. ’t Hekelgat was een vervorming in een stuk ijzer, ‘de ring’ (f). De kiel en de ring, ‘’t bijwark’, zorgden ervoor dat het mes stevig aan de zeisboom bleef zitten tijdens het gebruik van de zeis. De bovenzijde van het mes heette ‘de rug’ (h) en het scherpe gedeelte, zeg maar het mes, was ‘de aege’ (j).
Het gebruik van een strekel door een boer om de zeis weer scherp te maken. Bestond in het verre verleden het laagje om de zeis te scherpen uit bijvoorbeeld vet, koemest of teer, en iets later uit scherp zand, tegenwoordig is deze van cement gemaakt. (Afbeelding: pagina 31, Ton de Joode – Landleven, het boerenbestaan van toen. Foto Peter Schütte. MCMLXXXI Elsevier-Amsterdam/Brussel)
Om snel en goed te kunnen maaien met de zeis, was het regelmatig scherpen van het mes noodzakelijk, dit noemde men ook wel ‘de zais striek’n’. Om het mes van de zeis te kunnen scherpen, draaide men de zeis om, plaatste de bovenkant van de zeisboom op de grond en pakte de maaier ‘de strekel’ (k). Een strekel was volgens het Nieuw Groninger Woordenboek van K. Ter Laan “een houten werktuig, waarmee de zeis scherp gestreken wordt. Insgelijks de stok, waarmee de korenmaat wordt glad gestreken. De swoa wordt strookn met de strekel (d. V.) = de saais wordt streekn.”(1). Veel Groningse woorden kwamen ook voor in het Noord-Drentse dialect dat in Roden en omgeving werd sproken. De maaier ging met de strekel beurtelings langs de snede van het mes van boven naar beneden, maar nooit op en neer. Dit was de beste manier om de zais te striek’n. Soms gebruikte men na het strijken met de strekel nog een wetsteen. De gebruiker spuugde wat speeksel op het mes en ging in dezelfde volgorde als de strekel met de wetsteen van boven naar beneden.
Het scherp strijken van de zeis door een arbeider op ’t Groninger Land door middel van een houten werktuig, de zogenaamde strekel. (Afbeelding: Fig. 293. Striékn mit strekel. Pagina 986 Nieuw Groninger Woordenboek door K. Ter Laan met kaarten en platen van Johan Dijkstra e.a.. J.B. Wolters’ U.M. – Groningen, Den Haag, 1929.)
Soms kwam het ook voor dat de zeis zo erg stomp geworden was, dat de strekel geen uitkomst meer bracht. Dan was de maaier gedwongen om het blad te haren, ‘hoar’n’ noemde men dat in de Zulte destijds. Hoar’n gebeurde met speciaal gereedschap, een ‘hoarhoamer’ (m) en ‘hoarspit’ (l), dat ‘hoartuug’ (1) genoemd werd. De hoarspit was een kruisvormige, ijzeren pin met een brede kop die enigszins schuin in de grond werd gestoken. Vervolgens werd de scherpe kant van de zeis op de brede kop gelegd en behamerde de maaier deze met de bek van de hoarhoamer.
Het hoar’n van de zicht of zichter, zoals een zeis met een korte handvat werd genoemd, bij een akker met vlas achter de boerderij van Rietema rond 1924-1925, destijds gelegen aan de Ommelanderweg in Hornhuizen. De man vooraan is mogelijk Van de Velde, de man rechts mogelijk Van der Veen. (Afbeelding: Beeldbank Groningen, identificatienummer NL-GnGRA_2516_8 Groninger Archieven 2516_0008.jpg)
Het maaien van het lange gras gebeurde ruim tweehonderd jaar geleden doorgaans in een groep, waarbij er door de eerste maaier aan de linkerkant van het perceel begonnen werd en de volgende maaier op enige afstand rechts van de eerste maaier volgde. De volgende maaiers volgden in hetzelfde patroon en bleven aan de rechterzijde achter de voorganger. Een maaier, ook wel ‘mëijer’ genoemd in het dialect, vormde een zwade of zwad, de hoeveelheid gras die met één slag van de zeis werd neergelegd. In het in de Zulte gesproken Noord-Drents dialect sprak men echter doorgaans van een ‘swat’.
Het Landelijk Kennisnetwerk Levende Have was op bezoek bij Jan Oldenkamp van Landschap Overijssel. Hij heeft precies verteld hoe het zeisen in zijn werk gaat. Alle voor- en nadelen van het werken van een zeis komen aan bod.
Nu zat er nogal wat verschil op wijze waarop de ene maaier de zeis hanteerde dan een andere maaier. Had de maaier een techniek waarbij hij het achtereinde van de zeis, de zogenaamde hak, te hoog liet lopen, dan bleef er rechts vaak wat gras staan, terwijl links alles werd weggemaaid. Maaiers die op deze wijze de zeis hanteerden, zorgden er dus voor dat er een lage ril gras bleef staan, die vervolgens een ‘kam’ genoemd werd. Over deze maaiers werd dan ook gezegd, dat ze aan het ‘swatkammen’ waren. In de omgeving van Roden zei men destijds echter: ‘De mëijer haüwt met de hak’ (2), de maaier slaat met de hak, het achtereinde van de zeis dus.
Een tweede vorm van maaien met de zeis was dat de maaier deze zo vasthield, dat er in het midden van de zwad meer gras gemaaid werd dan aan de zijkanten, dan zei men: ‘Mëijde de mëijer swienebakk’n‘ (2). Er bestonden ook maaiers die zo met zeis maaiden, dat de punt van het blad (’t oort) te ver naar achteren liep en er links voorbij de snede wat gras bleef staan. In dat geval sprak men van: ‘De mëijer oort niet deur’(2). In de omgeving van Roden werd er dan spottend gezegd: ‘Er blif ’n heeg staon’ (2) (Er blijft een heg/haag staan). Dit laatste kon ook het gevolg zijn van het feit, dat de maaier de zeis ten opzichte van de hekel (angel van een zeis) te ruim stond en daardoor een te grote hoek maakte. Voor diegene de het afgemaaide gras met een hark moest bewerken, was het gras dat bovenop het gedeelte lag dat niet goed gemaaid was, een nare klus en zorgde voor nogal wat wrevel en gescheld van de hooiers op de maaiers. De hark bleef namelijk achter het hogere gras haken, wat bij de hooiers leidde tot uitspraken zoals: ’t swat omtrekk’n’.
Zo zou het er rond 1820 in weilanden in de omgeving van de Zulteresch gezien vanuit het westen richting het oosten uit hebben kunnen zien. Niets van een grote, groene zee van Engels raaigras zoals dit vandaag de dag het geval is, waar vrijwel geen bloem te vinden is, laat staan een grote insecten populatie, maar een uitbundig gekleurd mengsel van grassen, kruiden en bloemen. Het spreekt voor zich dat destijds hier een groot en een zeer gevarieerd insectenbestand aanwezig was. Op de achtergrond lag in die tijd het Groot Noordholt, een enorm groot oerbos dat moest wijken voor de expansiedrift van de groeiende boerenbedrijven.
Naast dat de weersomstandigheden voor de boeren in de Zulte belangrijk waren bij de snelheid en de kwaliteit van het maaien én het hooien, het bleef immers mensenwerk, maar ook de inrichting van het perceel was een bepalende factor die niet te onderschatten viel. In de huidige tijd maakt de toestand van het te maaien land niet zoveel meer uit, immers door de mechanisatie in de landbouw zijn de maaimachines niet meer kieskeurig en is het gras snel gemaaid. In vroegere tijden voordat de mechanisatie was ingezet, was dit echter een geheel ander verhaal. Doordat het gras nooit rechtop staat en door de weersinvloeden zoals door weer en wind vrijwel altijd een schuine stand bezit, diende de maaier ook hier rekening mee te houden.
Het gebied in de Zulteresch dat eerder in de afbeelding hierboven werd omschreven, maar dan vanuit het oosten richting het westen gezien. Kenmerkend voor het gebied rondom de Zulte waren niet alleen de vele kruidenrijke graslanden, maar ook nog de destijds talrijk aanwezige en deels zeer oude bossen.
De door de maaiers te maaien wei- en hooilanden lagen in het gebied rondom het voormalig esgehucht de Zulte niet alleen op de essen, maar ook in het beekdalgebied van de Zulter Bitse. Daarnaast lagen de graslanden ook naast bijvoorbeeld vele kampen, die in het gebied voorkwamen en omringd waren met houtwallen. Eigenlijk is er dan ook geen standaardvorm van een grasland in de wijde omgeving van de Zulte aan te wijzen. Zo waren bijvoorbeeld de graslanden langs de beek slechts aan drie kanten omgeven door een houtwal of ondiepe sloot. Ook in de wallen zaten diverse verschillen qua uitvoering en inrichting.
Donkere onweerswolken boven het perceel met het te maaien gras. Sinds jaar en dag is de boer afhankelijk van het weer tijdens de hooiperiode. Het hooien van toen en op de wijze zoals deze heden ten dage plaatsvindt, is stomweg niet te vergelijken. Vandaag de dag is het voor de moderne boer slechts een fluitje van een cent om even de weersverwachting erbij te nemen en dan wel of niet te gaan maaien. In het verleden zouden de onweerswolken de toenmalige boer tot waanzin hebben gedreven als het gras gemaaid op het land lag en moest drogen
Tevens speelde ook ligging van de weilanden en de wallen op de, aan de, of juist ver van de nattere gronden zoals de madelanden een grote rol. De madelanden waren natte graslanden, die meestal alleen gebruikt werden als hooilanden als het weer het toeliet en bevonden destijds voornamelijk uit zogenaamde blauwgraslanden (Cirsio dissecti-Molinietum). Door hun vochtige toestand waren de blauwgras- en madelanden niet geschikt om er vee te laten weiden en dienden ze als hooilanden. In een zeer gunstig jaar met een droge nazomer kon het nogal eens gebeuren dat de ondergrond droog genoeg was en liet men er alsnog vee grazen. Tegenwoordig bevindt zich het gebied waar de madelanden vroeger lagen, nu tussen de straten de Klimop, De Hulst en Kamperfoelie in de Bomenbuurt van Roden.
Het houten toegangshek zat meestal in de houtwal aan de voorzijde van het te maaien perceel. Deze vorm van hek werd ‘wring’ genoemd en hier is meer over een wring te lezen.
Doorgaans bestonden de wallen vooral uit houtwallen de beplant waren met Zomereiken (Quercus robur) en een tal van andere iets lager blijvende loofbomen. In de nattere en lagergelegen gedeelten waren het juist Zwarte elzen (Alnus glutinosa) of ondiepe sloten die zorgen voor de afscheiding. Deze wallen bevonden zich meestal aan de zijkanten van een perceel en werden daarom dan ook ‘zijwallen’ genoemd. De zijwallen konden wel honderden meters lang zijn, lagen langs diverse percelen en gingen dan in sloten over. De toegangshekken zaten in de wallen aan de voorzijde.
Aan het einde van een zogenaamde zijwal nabij bijvoorbeeld een beek ging deze doorgaans over in en ondiepe sloot, die echter voldoende diep en breed was om het vee in het weiland te houden.
De maaiers diende dus rekening te houden met de schuine stand van het gras wanneer zij begonnen te maaien. Daarom probeerden zij altijd als het mogelijk was, nooit tegen de ligging van het gras in te maaien. De maairichting die zij dan aanhielden, was vaak van het westen richting het oosten of van het zuidwesten naar het noordoosten. Eigenlijk is er in de richting van waaruit de wind vandaag de dag waait maar weinig veranderd met de windrichting, die de wind zo’n tweehonderd jaren geleden had. Toch moest men op de dag zelf van het maaien wel degelijk rekening houden met de richting waaruit de wind waaide.
Tegenwoordig hoeft het gemaaide gras niet meer extreem droog te zijn om hooibroei te voorkomen, het gras wordt ingekuild. Inkuilen van gras is een conserveringsmethode, net als wekken, vriezen, drogen, zouten of inblikken, om ruwvoer te kunnen bewaren. Voor het inkuilen is het juist belangrijk dat het gras niet te lang blijft liggen tijdens de zogenaamde veldperiode.
Een ander en zeker één van de belangrijke omstandigheden tijdens het maaien destijds was toch wel, dat het gras veel dunner op het land stond dan vandaag de dag. Doordat de bemesting van de weilanden in die tijd lang niet zo hevig en zwaar was als heden ten dage, stond het gras verder uit elkaar dan het nu het geval is. Daarnaast gebruiken de boeren tegenwoordig andere grassoorten die een hogere opbrengst per vierkante meter garanderen. Het uit Engeland afkomstige Ryegrass dat daar al sinds 1600 in Oxfordshire geteeld werd, is hier een goed voorbeeld van. Dit zaad werd in het Nederlands taalgebied onder de naam Engels raaigras (Lolium perenne) in de handel gebracht en is een dichte zodevormende, vaste plant.
Een weiland langs de Zulter Bitse en het restant van het Groot Noordhout kleurt groen door het Engels raaigras (Lolium perenne). Een grassoort dat voor de moderne boer onmisbaar is geworden, maar voor de biodiversiteit van planten en insecten in het gebied catastrofaal is gebleken.
Om het zogenaamde ‘dun gras’ als hooi binnen te kunnen halen, begon de boer indien het weer dit toeliet, al in de eerste helft van de maand juni met het werk. Als er gemaaid kon worden en er waren meer dan één maaiers, dan ging er eerst een maaier vooruit om een ‘’n swat veurlanges’ te maken, zodat de andere maaiers beter het te maaien gedeelte konden inzetten. De maaier die voor de andere maaiers een zwad voorbereidde noemde men destijds ook wel de veurmëijer, voormaaier dus. Doorgaans begon deze voormaaier aan de voor hem linkerzijde van het te maaien perceel grasland, vrij dicht bij de sloot langs en zodra deze aan het einde van het perceel was aangekomen, draaide hij zich om en maaide dan het gedeelte tussen het gemaaide en de sloot. Zo ontstond er doordat er twee zwadden, in de Zulte sprak men van ‘de swaod’n’ tegen elkaar lagen, een zogenaamde ‘’n goarswat’. Dit werd ook wel ‘’n goarswat mëij’n’ genoemd. In de tijd dat de voormaaier de goarswat vormde, maaiden de andere maaiers de overige slootkanten, ‘de slootkaant opmëij’n’. Dit werd echter ook wel het allerlaatste door de maaiers gedaan.
Vers gemaaid gras langs de oever van de Zulter Bitse. Het perceel dat ten westen van het beekje lag en na de ontginning van van dit deel van het oerbos in de jaren twintig in de negentiende eeuw, de naam ‘Klein Noordholt’ had gekregen, deed sindsdien dienst als grasland.
Wanneer dit was gebeurd, zetten de maaiers, de een na de ander, in het te maaien gedeelte in. Men hanteerde de zeis tegelijk. Het mooiste was, tree voor tree voorwaarts gaande, telkens een zwad te maaien. Maar dit was zeer zwaar werk. Wanneer men de naam wilde hebben om een flinke maaier te zijn, dan moest ‘’n dagwark’ (zestig roe) of ‘’n mat’ (halve bunder) geen probleem zijn. Maar zoals u al eerder kon lezen, snel en goed maaien met de zeis was én is nog steeds een kunst. IJdelheid en stoer doen tussen de arbeiders en knechten onderling was dan ook niet van de lucht op de graslanden rondom het voormalig esgehucht. Het spreekt voor zich dat men elkaar ging kleineren als het op de prestaties aankwam. Bekend was het rijmpje dat men destijds met enige regelmaat in de omgeving van Roden kon horen in de maaitijd: ‘Maaj’n is niks as bukk’n en draaj’n, Maor wol teiz’n , das vlais verleiz’n’ (Maaien is niets anders dan bukken en draaien, maar wol uit elkaar halen is vlees verliezen) (2). Wol teiz’n was een bezigheid die in heel Drenthe plaatsvond en was niets anders dan met duim en vinger de wol uit elkaar pluizen.
Het maaien zoals dat door de boer in het verleden gebeurde verschilde enorm met de huidige tijd, maar één gebeurtenis blijft toch wel hetzelfde; de ooienvaars die achter de maaiers aan liepen om voedsel te zoeken, lopen nu in het spoor van een tractor. Misschien is de overeenkomst met vroeger wel dat er tegenwoordig ook weer veel ooienvaars zijn, dit was een dertig tal jaren geleden wel heel anders.
Vervolgens werd het gras op het perceel strook voor strook gemaaid, elke zwad apart: ‘elk swat apaart’. Zodra de maaiers een bepaald punt hadden bereikt, dit kon het einde van het perceel zijn of de plaats die zij wilden bereiken, dan stopten de maaiers en ging de zeis op de schouder en liepen ze naar de locatie waar men met het maaien begonnen was. Dit werd in de omgeving van Roden ook wel ‘n’ Groot oaf ’n kleinswat maaj’n’’ genoemd en betekende niets anders dat men de te maaien strook breder of juist smaller nam dan gewoonlijk. Hier zetten de maaiers opnieuw in en ging men weer aan de slag. Dan werd er gezegd dat de maaiers ‘’n neij swat anhoal’n’. Aan het einde van een maaidag of wanneer de maaiers ophielden met het gras maaien, gingen zij eerst nog de zeis hoar’n (haren). Men deed dit zodat de zeis scherp bleef en de maaiers dan weer de volgende dag direct konden beginnen met het maaien. Doorgaans haarde men voor het gras maaien de zeis tweemaal per dag. Als het gehele perceel gemaaid was, zei men ‘’t Gras ligt in ’t swat’. Het gras bleef een dag of juist meerdere dagen liggen, totdat de bovenste laag gras iets bestorven was.
Na het maaien liet men doorgaans in de negentiende eeuw rondom de Zulte het gemaaide gras een poosje liggen, soms een dag, een andere keer meerdere dagen, zodat de bovenste laag van het gras iets bestorven raakte. Op de afbeelding is het stroomdalgebied van de Zulter Bitse te zien.
(1) Bron: Nieuw Groninger Woordenboek door K. Ter Laan met kaarten en platen van Johan Dijkstra e.a.. J.B. Wolters’ U.M. – Groningen, Den Haag, 1929.
(2)Bron:Dr. C.C.W.J. Hijszeler: Boerenvoortvaring in de oude landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe. Uitgegeven te Assen bij Van Gorcum & Comp. N.V. (G.A. Hak & H.J. Prakke) (MCMXL)
Al ver voor de achttiende eeuw bezaten de bewoners van havezate Mensinge grote stukken grond en woningen in de omgeving van het dorp Roden en die doorgaans verpacht werden aan boeren en burgers. Meestal waren dit boeren en burgers die in de buurt van de percelen woonden en voor de grootgrondbezitter was het de manier om aan de huizen en de percelen een beste stuiver te verdienen. Naast dat de verschuldigde pacht in keiharde pecunia voldaan diende te worden, bood men de pachters de mogelijkheid om deze in natura te voldoen. Dit gebeurde dan bij de Spijker, een schoutsboerderij die nabij huize Mensinge en die waarschijnlijk al sinds het midden van de zeventiende eeuw deze taak kreeg toegewezen.
Dit was niet veel anders toen de in Zuidlaren geboren Coenraad Wolter Ellents huize Mensinge in 1764 kocht en waar hij vanaf vrijdag 6 maart 1767 met zijn vrouw Gesina Oldenhuis ging wonen. Coenraad Wolter verhuurde zo’n stuk grond, ook wel kamp genoemd, aan de zoon van Joris Martens (Korvemaker) en Griete. Joris was de korvenmaker of kurver in het Westeijnde van het dorp Roden en hij maakte niet alleen manden en korven, maar ook de zittingen van stoelen en was in rond 1713 in Roden getrouwd. Zijn vrouw die eerst genoemd werd als Griete, was de rond 1685 geboren Grietien Jacops. Joris Martens werd in 1742 aangeslagen voor haardstedengeld zo blijkt uit de archieven en de inmiddels weduwnaar geworden Joris moest 2 guldens betalen zijnde een keuter en zijn zoon Gerrit als korvenmaker.
De vermelding van Joris Korvemaker in het Haardstedengeldregister van het dorp Roden uit 1742. (Bron: Oude Staten Archieven (OSA), toegangsnummer 0001, inventarisnummer 868.24, Haardstedengeld Roden, Westeijnde, 1742, pagina 3677)
De korvenmaker Joris en zijn vrouw Grietien kregen in juni 1714 hun eerste gezonde zoon Pieter Joris. De tweede zoon kwam in maart 1718 ter wereld als Gerrit Joris. De zoon werd op zondag 13 maart 1718 in de deels romanogotische en deels gotische in de dertiende eeuw gebouwde Catharinakerk van Roden gedoopt als Gerrit, zoon van Joris Korvemaker en huisvrouw Griete. Naast Pieter en Gerrit waren er nog twee andere kinderen binnen het gezin aan het Westeijnde in Roden, zoon Jacob (januari 1723) en dochter Heijeltien (maart 1726). De rond 1685 in Roden geboren Joris Martens en vader van de eerdergenoemde kinderen, was een zoon van de eveneens in Roden woonachtige Marten Pieters.
Op zondag 13 maart 1718 werden er in de Catharinakerk van Roden drie kinderen gedoopt, te weten: Meerten, Gerrit en Annegien. (Bron: Drents Archief: Doopregister Roden 89, archiefnummer 0176.01, inventarisnummer 89, aktenummer 89)
Twee jaar later na de vermelding van Joris Korvemaker in het Haardstedengeldregister van het dorp Roden uit 1742 komen wij zijn dan 26-jarige zoon Gerrit tegen in het Drentse dorp Eelde. Om precies te zijn in het hoofdstuk ‘Trouwen 1737-1811’ uit het Doop, Trouw en Begraaf Register van het dorp. Het blijkt dat Gerrit op de zaterdag 25 april van het jaar 1744 aldaar in het huwelijk was getreden met de rond 1720 geboren en uit Bakkeveen afkomstige 24-jarige Hinkje Harms.
De vermelding in het Doop, Trouw en Begraaf Register van het dorp Eelde dat Gerrit in het huwelijk was getreden met zijn Hinkje. (Bron: Drents ArchiefTrouwregister Eelde 25, archiefnummer 0176.01, inventarisnummer 25, aktenummer 0176.01)
Precies een jaar later, op zondag 25 april 1745 wordt hun eerste zoon genaamd Joras gedoopt in de prachtige Catharinakerk te Roden, daar waar zijn vader ruim 27 jaar daarvoor eveneens was gedoopt. In het midden van de achttiende eeuw was er eigenlijk nog geen sprake van een standaard binnen de Nederlandse taal zoals wij deze vandaag de dag kennen en dit bracht natuurlijk de nodige problemen en verwarringen met zich mee. Daarnaast was de naamgeving met een verplichte achternaam die voor elk geboren kind binnen de familie diende te gelden, nog lang niet ingevoerd en gold doorgaans de voornaam van de vader als achternaam. Zelden werd het beroep zoals bakker of timmerman gebruikt en dan nog gold deze eerder als een verwijzing naar het beroep dan naar de familie van de drager.
De eerste zoon van Gerrit Joras en Hinkien Harms werd als Joras gedoopt, maar later verbasterde de naam naar Joris. (Bron: Drents Archief: Doopregister Roden 89, archiefnummer 0176.01, inventarisnummer 89, aktenummer 89)
Dit gold eveneens voor de eerst geborene binnen het gezin Gerrit Joras en Hinkien Harms. De naam Joris wordt ineens Joras en ook de nog in 1744 hetende Hinkje is nu Hinkien geworden. Op zich niet geheel vreemd dat de naam van Joris zijn echtgenote veranderde van Hinkje naar Hinkien, immers in grote delen van Drenthe werd een verkleinwoord uitgesproken met een ‘ien’ aan het einde en schreef men alles op zoals het klonk, waarvan zelfs veel in het aldaar gesproken dialect. Niet verbazingwekkend is het ook natuurlijk dat de naam genoteerd werd zoals de schrijver deze hoorde en zodanig interpreteerde.
De verwarring wordt alleen nog maar groter wanneer zoon Joras later naar de stad Groningen vertrekt en in het jaar 1818 komt te overlijden en in de Groningse archieven nu weer Joris heet, Joris Ferwerda. Zijn ouders worden in de overlijdensakte nu Gerrit Ferwerda en Enkje Harms genoemd. De op de leeftijd van 73 jaar tussen 13:00 en 14:00 op donderdag 8 januari 1818 overleden Joris was gehuwd met Eesina Reneman. De beste man overleed in het in het Gereformeerde diaconie arm- en kinderhuis, Hofstraat, Letter M, no.26, Kanton no.1 te Groningen. De aangifte van zijn overlijden volgde op zaterdag 10 januari 1818 en de twee aangevers waren Jan Versteegh, oud 62 jaar, kokvader en de 65-jarige Hindrik van Duren die breidemeester (iemand die aan de jongens ’t breien moest leren in de breidekamer van ’t Groene Weeshuis te Groningen) was, beide wonende te Groningen.
De vermelding van de in Roon geboren Joris Ferwerda, Zoon van Gerrit Ferwerda en Enkje Harms in het Overlijdensregister van de stad Groningen uit 1818. (Bron: Gemeente Groningen Overlijdensregister 1818, aktenummer 21)
Om de naam Ferwerda te kunnen verklaren binnen de familie moeten wij terug naar het begin van de zeventiende eeuw. Weliswaar moeten we het eerdergenoemde probleem van het opschrijven van namen in het achterhoofd houden, maar in de doopakte van de eerste zoon van Joris en Grietien wordt de vader Joris Martens Ferseda genoemd. Mijn vermoeden is dat de naam Ferwerda altijd al bij de familie heeft gehoord en op de achtergrond aanwezig is geweest, maar dat het niet gebruikelijk was om deze mee te noteren. Ferseda zal waarschijnlijk verkeerd zijn opgeschreven door de notulist.
Maar goed, laten wij terug gaan naar de korvenmaker Gerrit Joris en moeder Hinkien Harms, die op zondag 18 september 1746 hun tweede kind mogen dopen; Folkert. Of zoals het mooi werd opgeschreven in dat jaar: ‘Folkert, een soon gedoopt van Gerrit Joris en Hinkien Harms genaamd Folkert den 10. Sept.’.
De vermelding in het Doopregister van de tweede zoon Folkert. (Bron: Drents Archief: Doopregister Roden 89, archiefnummer 0176.01, inventarisnummer 89, aktenummer 89)
Ruim 3 jaar later volgt hun derde kind, eveneens een zoon die de naam Harremannus krijgt. Deze zoon wordt op zondag 9 november 1749 net zoals zijn oudere broers in de Catharinakerk te Roden gedoopt. Ook een ander verschijnsel dat in het verleden veel voorkwam, trof ook het gezin van Gerrit en Hinkien, kindersterfte. In de periode tussen 1749 en 1752 sterft hun tweede kind Folkert.
Op zondag 9 november 1749 wordt er in Roden ‘een soon gedoopt van Gerrit Joris en Hinkien Harms den 9 nov. genaamd Harremannus’. (Bron: Drents Archief: Doopregister Roden 89, archiefnummer 0176.01, inventarisnummer 89, aktenummer 89)
In juni 1752 verwelkomt het gezin hun vierde kind die eveneens een zoon is en op zondag 25 juni 1752 wordt hij gedoopt met de naam Folkert. Iets wat je in die dagen veel vaker zag was dat de naam van een overleden kind gebruikt werd door een volgend kind van hetzelfde geslacht.
De vermelding in het Doopregister van de vierde zoon van Gerrit en Hinkien Folkert. (Bron: Drents Archief: Doopregister Roden 89, archiefnummer 0176.01, inventarisnummer 89, aktenummer 89)
Vier jaar later is het binnen het Nederlands Hervormd gezin weer feest. Het vijfde kind dat op zondag 30 mei 1756 gedoopt wordt in de mooie kerk van Roden is een dochter en krijgt de naam Geertruit. 1763 is het jaar waarin het laatste kind geboren en gedoopt wordt.
De bijschrijving van dochter Geertruit in het Doopregister van de hervormde kerk in Roden. (Bron: Drents Archief Doopregister Roden 89, archiefnummer 0176.01, inventarisnummer 89, aktenummer 89)
Op zondag 12 juni 1763 krijgt dochter Grietjen het heilige water op haar hoofd in de Catharinakerk zoals dit ook bij haar broers en zuster gebeurd was. Opvallend blijft toch wel dat zowel de achternaam van Gerrit dan weer als Joris en dan weer als Joras gebruikt wordt. Bij het laatste kind heet zelfs Hinkien ineens Inkien. Het blijkt maar weer, goed luisteren en schrijven was in die dagen echt een kunst.
Bij de vermelding van de doop van dochter Grietjen wordt moeder Hinkien ineens Inkien genoemd. Typerend voor die tijd en het zou mij niets verbazen als Grietjen in latere archieven als Grietien werd vermeld. (Bron: Drents Archief Doopregister Roden 89, archiefnummer 0176.01, inventarisnummer 89, aktenummer 89 Gemeente: Roden)
Nu veranderde de spelling met enige regelmaat in de Nederlanden van de achttiende eeuw en soms moet je even je hoofd erbij houden om het een en ander goed te kunnen interpreteren. Neem nu het Haardstedegeldarchief van het toenmalige kerspel Roden uit 1764, waarin we Gerrijt Joras tegenkomen zijnde een ceuter (keuter) in het buurtschap Rhoden en die 1 gulden betaald had. In die dagen was het dorp niet zo dicht bewoond zoals het vandaag de dag is en hielden de bewoners enkele dieren en een kleine moestuin om in de dagelijkse behoeften te kunnen voorzien.
De vermelding van Gerrijt Joras als ceuter in het buurtschap Rhoden. (Bron: Oude Staten Archieven (OSA), toegangsnummer 0001, inventarisnummer 868.24, Haardstedengeld Roden, Rhoden, 1764, pagina 3706)
De jaren zeventig en tachtig van de achttiende eeuw breken aan en met enige regelmaat komen wij de korvenmaker Gerrit Joras/Joris in de archieven weer tegen. Zo huurde Gerrit vanaf het jaar 1770 een kamp land te Rhoden van Coenraad Wolter Ellents, de bewoner en eigenaar van huize Mensinge. Blijkbaar gaan het boeren en de mandenmakerij Gerrit niet goed af en de dan nog in het buurtschap Westeijnde wonende keuter wordt in de belastingarchieven uit het jaar 1774 omschreven als: ‘Gerrijt Joras in bedrijf als ceuter onmagtigh om te betalen’. De man hoefde dan ook geen belasting te betalen. Tien jaar later in het register van het Haardstedengeld van het kerspel Roden uit 1784 van het buurschap Roden verschijnt Gerrijt Joras weer en wederom is de aangeslagene niet in staat op de belasting op te hoesten; ‘Onmagtigh’.
In de belastingarchieven uit het jaar 1774 omschreven als: ‘Gerrijt Joras in bedrijf als ceuter onmagtigh om te betalen’. Hetzelfde lot onderging ook de eveneens in het Westeijnde wonende Lambert Ottens. (bron: Oude Staten Archieven (OSA), toegangsnummer 0001, inventarisnummer 868.24, Haardstedengeld Roden, Westeijnde, 1774, pagina 3719)
Vanaf 1785 begint de ellende pas goed voor de 67-jarige Gerrit. Waarschijnlijk waren de schuldeisers het gedrag van de steeds in schulden verkerende keuter en korvenmaker meer dan beu en zeggen hem de wacht aan. Het kan ook zijn dat Coenraad Wolter Ellents een zwak voor de man had en hem daardoor ontzag om zijn schulden in een rap tempo te voldoen. Ellents verwisseld echter op zondag 12 september1784 het tijdelijke met het eeuwige en het jaar daarop zal zijn weduwe genoeg hebben gehad van Gerrit Joras. In het archief van Huis Mensinge te Roden tussen de stukken van zakelijke aard komen wij een exploot tegen die uitgebracht was namens Gesina Oldenhuis aan Gerrit Joras te Roden, houdende een aanzegging om in 1786 een schuld af te lossen en de zogenaamde Noordeindiger kamp te verlaten. Een ‘exploot’ is een proces verbaal van de ambtshandeling van een deurwaarder: het leggen van beslag, het constateren van bepaalde waarnemingen, of het betekenen van een dagvaarding of een ander processtuk.
De vermelding uit 1784 dat Gerrit Joras niet in staat is om de belastingen te kunnen betalen. (Bron: Oude Staten Archieven (OSA), toegangsnummer 0001, inventarisnummer 868.24, Haardstedengeld Roden, Rhoden, 1784, pagina 3728)
Laat in de maand mei van het jaar 1790 krijgt de in het Oosteijnde wonende timmerman Jan Harms de opdracht om een lijkkist voor het lichaam van de overleden vrouw van Gerrijt Joris te maken. Uit het kasboek van de timmerman blijkt dat deze de kist op maandag 24 mei 1790 heeft gemaakt. Hinkje Harms zal ongeveer zeventig jaar oud geworden zijn. In de tussentijd blijft het conflict tussen Gesina Oldenhuis en Gerrit Joras doorsudderen. In 1792 stuurt Gerrit Joras te Roden een verzoekschrift aan de schulte Jan Willinge van Peize inzake een geschil tussen de eerste en Gesina Oldenhuis over de verpanding van een perceel land te Roden.
Blijkbaar heeft het verzoekschrift niet geholpen en is de weduwnaar Gerrit in 1793 gedwongen zijn eigendommen te verkopen. De in huize Terheijl wonende Willem de Lille was rond die tijd al druk bezig met het uitbreiden van de bezittingen in Terheijl en de Zulte, waarbij hij dit buitenkansje niet liet liggen en op dinsdag 5 februari 1793 werd de koop beklonken. Volgens de archieven van de 30e/40e penning staat op het bewijs van overdracht vermeld dat Mr. De Lille de behuizing en hof van Gerrit heeft gekocht voor 250 gulden, waarbij de 30e penning voldaan werd met 6 en de 40e penning met 5 gulden. De 30e/40e penning was een vorm van belasting over de aan- en verkoop van onroerende goederen.
Een fotokopie van de akte uit het archief van de 30e en 40e penning waarin vermeld staat dat Mr. de Lille de behuizing en hof van Gerrit Joras dezelfs voor 250 gulden heeft gekocht. (Bron: Drents Archief 30e en 40e penningen (1679-1797), rekendag 05-02-1793, pagina 8256)
Het geld dat Gerrit voor het verkopen van zijn eigendommen in het Noordeindiger kamp kreeg, zal hij nodig hebben gehad om zijn schulden af te betalen en als we dan weer in de archieven van het lokale belastingarchief duiken, komen wij de beste man nogmaals tegen. Waarschijnlijk woont hij nu bij één van zijn kinderen. Maar is nog steeds zo arm als een kerkrat. Van de belastingplichtige staat er nu in het Haardstedegeldarchief: ‘Gerrit Joras, is niet onder de Diaconie doch onmagtig om te betaalen’. Niet onder diaconie wil zeggen dat diegene zich niet in een armenhuis van bijvoorbeeld de hervormde gemeente bevond.
De registratie van de belastingplichtige Gerrit Joras uit het jaar 1794 waarin te lezen valt dat de beste man eigenlijk geen nagel meer had om zijn achterste te krabben. (Bron: Oude Staten Archieven (OSA), toegangsnummer 0001, inventarisnummer 868.24, Haardstedengeld Roden, Roden, 1794, pagina 3742)
Na bijna tachtig jaar is het moeizame en zware leven van de weduwnaar en korvenmaker Gerrit Joris voorbij en sluit hij op donderdag 4 januari 1798 zijn ogen voor de laatste keer. Als overlijdensoorzaak werd in het overlijdens -, ondertrouw- en trouwboek 1793-1811 van Roden ‘aan verval van krachten’ vermeld.
De vermelding van het overlijden van de bijna tachtig jaar oude weduwnaar en korvenmaker Gerrit Joris in overlijdens -, ondertrouw- en trouwboek 1793-1811 van Roden. (Bron: Drents Archief Doop, Trouw en Begraaf RegistersSoort registratie: Begraafregistratie(Akte)datum: 04-01-1798 )
Angst en onwetendheid sierde ons land tijdens de zestiende eeuw in alle hevigheid en waarbij bijgeloof eerder de regel dan uitzondering was. Ook bij de doorgaans zeer nuchtere Drenten was het geloof in duivelse machten zeer groot. Ondanks dat de angsten voor het duistere niet meer zo groot was als in de voorgaande eeuwen, nog steeds kreeg men koude rillingen als er over boze geesten, demonen, en andere creaties uit de boze onderwereld gesproken werd. Nee, de angst voor alles wat maar met het slechte te maken had heerste over het kille, ruige land van Drenthe.
Noord-Drenthe en het Westerkwartier op een kaart uit het jaar 1568. Het spreekt voor zich dat de kaarten uit deze periode lang niet zo gedetailleerd zijn als die van vandaag de dag, maar er is toch een redelijk beeld te vormen van hoe men de omgeving van Roeden (Roden) destijds zag. (Utriusque Frisiorum regionis noviss. descriptio. 1568)
In de Sulte rond 1574 was het niet anders gesteld dan in de rest van de landschap Drenthe en in de donkere uren was het gevaarlijk op de slecht verlichte paden en de woeste, natte heide. Zeker als in de herfst het begon te schemeren en de eerste mistflarden begonnen zich te vormen over de grote heide en weiland, dan moest je oppassen want dan kwamen de ‘Witte wieven’. Boosaardige mythische wezens die enkel uit boosheid bestonden en kwaadaardige dingen deden. Het was opletten geblazen want ze probeerden je te verleiden om ze te gaan volgen richting de moerassen van het Sieveen met het resultaat dat je voor altijd verdween.
De mistflarden over de heide en moerasgronden die in het verleden gezien werden als gevaarlijke wezens die onschuldigen probeerden te verleiden om ze vervolgens voor altijd te laten verdwijnen. Hier hangen de witte wieven boven een weiland nabij het Sieveen.
Het waren barre tijden voor de bewoners van Drenthe en het leek wel of zelfs de natuur samenspande met de witte wieven. Overal langs de paden groeide een plant, Groot heksenkruid (Circaea lutetiana), die het doel had om de arme zielen te laten verdwalen wanneer deze de plant op hun pad aantroffen. De natuur van toen werd gezien als een geduchte tegenstander, waar zeker niet mee te spotten viel.
Nog steeds treffen wij Groot heksenkruid (Circaea lutetiana) aan in de Zulte, maar niet in die grote hoeveelheden zoals deze in de zestiende eeuw hier voorkwamen.
Dit gold ook voor paddenstoelen die met name in de herfst verschenen in zogenaamde ‘heksenkringen’ die verschenen op de plaats waar heksen hadden gedanst. De Grote stinkzwam (Phallus impudicus) is ook een schoolvoorbeeld van het verband tussen de heksen en de natuur. De paddenstoel van de zwam weet een zeer penetrante aasgeur te verspreiden om vliegen en kevers aan te trekken. Het is echter niet de vieze geur die de zwam in het verleden met heksen verbinding bracht, maar zijn explosieve groei. Het vruchtlichaam of knol waaruit de paddenstoel ontstaat heeft veel weg van een ei. In de volksmond sprak men vroeger van een ‘Duivelsei’ en deze waren her en der door heksen neergelegd nadat zij bevrucht waren door de duivel.
Phallus impudicus is de wetenschappelijke naam voor de Grote stinkzwam en past in het geheel bij deze paddenstoel, gezien de snelheid waaruit een paddenstoel uit een zogenaamde duivelsei ontstaat. Op de voorgrond van de afbeelding is een duivelsei te zien.
Zoals men vandaag de dag duidelijker laat blijken dan ooit, bestonden er in de jaren zeventig van de zestiende eeuw ook mensen die de natuur helemaal niet zagen als een vijand maar eerder als een goede vriend en daar ook voor uitkwamen. De vele soorten planten die in de wijde omgeving van de Sulte voorkwamen bezaten heilzame krachten en werden dan ook door ‘Kruidenvrouwen’ verzameld. Een heel oud gebruik dat al werd toegepast door de Germanen lang voordat het christelijk geloof zijn intrede op het Drentse land deed.
Werden deze vrouwen nog zeer gewaardeerd ten tijde van de Germanen, vanaf de dertiende eeuw veranderde dat beeld van de kruidenvrouw helemaal en waren ze hun leven niet meer zeker. De Dominicanen en de kerk van Rome trokken de wereld in om deze te zuiveren van heidense rituelen en ketterse gedachten. Kruidenvrouwen en andere mensen met ‘vreemde’ ideeën, ook wel tovenaars genoemd, werden als bondgenoten gezien van Satan en het duivelse kwaad met het doel de christen geloofsgemeenschap van het rechte pad af te brengen. Het lieve oude vrouwtje dat voorheen door de Sulter bossen struinde op zoek naar kruiden was nu ineens een groot gevaar geworden.
“Molckentoversche!”, riep men nu en verjoeg haar van de weilanden waar het vee liep. Zij zorgde ervoor dat de koeien ziek werden, geen melk meer wilden geven en dat de schapen een zeer pijnlijke dood ondergingen. Dat het melkvee geen melk meer gaf en de schapen doodgingen had maar weinig te doen met het kruidenvrouwtje dat nu als een heks werd aangezien. Tegenwoordig heeft elke melkveehouder wel een tabelletje van welke voedingsstoffen er aan de bodem moet worden toegevoegd voor een hogere melkopbrengst en geeft hij zijn koeien en schapen medicatie tegen de beruchte Leverbot (Fasciola hepaticia), een parasiet die voorkomt bij onder andere rundvee, schapen, geiten, paarden, maar bijvoorbeeld ook bij reeën, hazen, en konijnen.
Zoals heksen aan het begin van de zestiende eeuw gezien werden in grote delen van Europa. (Noorder Rondblik, Nieuwsblad van het Noorden no. 33, pagina 12, woensdag 9 februari 1983)
Een molkentoverse genoemd te worden was destijds niet zomaar iets zoals in de huidige tijd, waarbij een vrouw de schouders optrekt als zij door opgeschoten hangjeugd een heks genoemd wordt. In de middeleeuwen met de heksenwaan, die vanuit het katholiek geloof enorm werd aangewakkerd, was het levensgevaarlijk om van tovenarij beschuldigd te worden. Menig man en vrouw eindigden hun leven op een brandstapel als heks of tovenaar. Zeker toen de godsdiensttwisten aan het begin van de zestiende eeuw het religieus fanatisme aanwakkerde, ontstond er een klimaat waarbij de angst voor heksen de meest vreeslijke vormen aannam en die een hoogtepunt beleefde aan het eind van de 16e en in het begin van de 17e eeuw.
Op deze 18e eeuwse houtsnede zijn drie heksen uitgebeeld, die aan tovenarij doen en op bezems door de lucht vliegen. (Uit ‘Hexen’ van Hans Biedermann, Graz, 1974). (Noorder Rondblik, Nieuwsblad van het Noorden no. 33, pagina 12, woensdag 9 februari 1983)
Nu verliep deze hectische periode een stuk rustiger in het rustieke Noordenveld, of het Noerdevelder Dinxpel zoals het in die tijd genoemd werd, gelegen in de landschap Drenthe en werden hier geen heksen verbrand. Dit neemt echter niet weg dat er ook hier in het dingspel ook heksenprocessen zijn geweest, waarbij het er niet vriendelijk te keer ging. Nou ja, processen is dan ook weer zo’n groot woord, laten we het maar inhoudelijke behandelingen noemen. Dat neemt echter niet weg dat menigeen die naar een zitting ging, aangeraden werd om er rekening mee te houden, dat het uit de hand kon gaan lopen.
‘Goespraecke’ of Ghoesprake’ was een dingspilsgewijze rechtszitting in het landschap Drenthe die ook wel ‘Goorsprake’ genoemd wordt en waar de inwoners de inbreuk op hun rechten naar voren brachten. De dorpen binnen een dingspil kwamen op regelmatige tijden bijeen. In het dingspil Noordenveld stonden deze goorspraken tussen 1567 en 1577 onder leiding van de Drost van Drenthe, Evert van Ensse en een landschrijver. Tijdens de goorsprake beslisten de buren (buir- of buurschap) over misdaden en overtredingen die aangegeven waren. Deze vorm van rechtspraak binnen een dingspil noemde men ‘buirtuich’ (buurtuig).
Nog een 18e eeuwse houtsnede met een heks, die aan tovenarij doet en ook op een bezemsdoor de lucht vliegt. (Uit ‘Hexen’ van Hans Biedermann, Graz, 1974). (Noorder Rondblik, Nieuwsblad van het Noorden no. 33, pagina 12, woensdag 9 februari 1983)
Het is op de zaterdag 23 maart van het jaar 1574 dat er in Eelde een goorsprake plaats heeft onder de toezicht van de Drost van Drenthe Evert van Ensse en waarbij de Sulter Jan Rotgers zich beklaagd had over Fenne Alberts. Mevrouw Alberts had over de vrouw van Rotgers het gerucht verspreid dat zij kon toveren. De echtgenoot van Fenne, Albert (meyer in de Helle), spreekt de beschuldiging tegen en men verlangt van Jan Rotgers dat hij binnen twee weken bewijs van het gezegde moet overleggen.
‘Goespraecke over Noerdevelder dinxpel tho Eelde opten 23 Martij 1574.‘
‘De buiren vertuighen, nadenmael Jan Rotgers claeget over Fenne Alberts, dat Fenne syn huisfrouwe beruchtiget heft, dat sie thoveren kan, und Albert, meyer in de Helle, secht van wegen syn huisfrouwe, dat sie haer geene thoverye angethegen heft, daeromme Jan Rotgers op syn bewys, dat hie Fenne overbewysen sal binnen 2 weken, alse lantrecht is, dat Fenne hoer angethegen heft, dat si thoveren kan.‘ (Bron: Goorspraken van Drenthe 1572 – 1577, Werken der Vereeniging tot uitgaaf der bronnen van het Oud-Vaderlandsche Recht, derde reeks no. 1 pag. 165. Uitgegeven door Kemink en Zoon N.V., Utrecht 1931.)
Op een oude kaart uit het jaar 1579 heette het dorp weer Roden en werd huize Mensinge nog Eeusum genoemd. Ook nu nog waren de kaarten slecht gedetailleerd en werden enkel de belangrijkste dingen vermeld. (Abraham Ortelius – Frisia Occidentalis 1579)
Het ziet er naar uit dat Jan Rotgers de beschuldiging van de roddels die door Fenna Alberts over zijn echtgenote verspreid waren, niet kon bewijzen en zal daarom er verder geen gewag van hebben gemaakt. Het zal zeker vrijwel onmogelijk geweest zijn om het geroddel op een goorsprake bewezen te krijgen, zeker zonder getuigen. Maar soms gebeurde dit soort aantijgingen in het openbaar in de aanwezigheid van getuigen en dan heeft het een en ander gevolgen voor diegene die de beschuldiging(en) uitte.
Op de goorsprake van woensdag 15 juni gehouden in Vries moest de koster van Roeden (Roden), de heer Willem, het gelag betalen voor zijn grote mond. De koster had in een gelagkamer te Roden waarschijnlijk enkele alcoholische drankjes genuttigd en gedonder gekregen met de echtgenote van Roeloff Staels. Hierbij heeft hij haar uitgemaakt voor molckentoversche ten overstaan van getuigen. Dit levert heer Willem een aangifte van de buren op.
Dat heksen geen oerlelijke oude wijven hoefden te zijn liet Jan van de Velde in het jaar 1626 zien. (Bron)
Heer Willem zal geschrokken zijn van de gevolgen die zijn opmerking over de vrouw van Roeloff Staels hebben gebracht en zeker toen het besef doordrong, dat de buren de koster van Roeden hadden aangeklaagd. De buren beslissen zelfs dat heer Willem binnen twee weken zijn beschuldiging waar moet maken. Doet hij dit niet, dan zal hij schuldig verklaart worden volgens het Drentse Landrecht. De ondeugende koster krijgt 2 weken de tijd om in beroep te gaan en gaat in appèl van deze beslissing. Ook dit geval zal met een sisser aflopen.
‘Ghoesprake geholden to Vries, opten 15 Junii 77 by de e. Evert van Ensse, Drost.‘
‘De buiren brengen an, dat heer Willem, de koster toe Roeden, heft Roeloff Staels huisfrouwe overgesacht, dat sie eene molckentoversche is in eenen open gelach. Daerop de buiren van Roen vertuigen, dat heer Willem sal schuldich wesen de woirden waer te maicken binnen 2 weecken oft selver in de stede staen; voirts op slants brieff. Dese buirtuich heft heer Willem binnen de 2 weken beropen. ‘ (Bron: Goorspraken van Drenthe 1572 – 1577, Werken der Vereeniging tot uitgaaf der bronnen van het Oud-Vaderlandsche Recht, derde reeks no. 1 pag. 390. Uitgegeven door Kemink en Zoon N.V., Utrecht 1931.)
Het zal de nuchterheid van de Noord-Drenten zijn geweest die de jacht op heksen niet tot een bloederig hoogtepunt hebben laten komen waarbij de martelkamers en de brandstapels overuren draaiden. De enigen die aan het einde van de zestiende eeuw in het kerspel Roden zich zorgen moesten maken, waren de katholieke priesters die in het geheim hun kerkdiensten bleven uitvoeren.
Plaatselijke gemeenschappen in Drenthe bestaan natuurlijk al heel lang en tot verdriet van velen, was men in de provincie niet zuinig op oude documenten. Veel van die oude documenten zijn erg beschadigd of bestaan stomweg niet meer. Natuurlijk was men niet overal slordig en roekeloos met de oude geschiften en is hier en daar nog iets moois te vinden. En ander gedeelte van de geschiedenis is via mond op mond reclame generaties lang bewaard gebleven.
In het kleine brinkgehucht nabij de Zulteresch was het leven voor het jaar 1795 niet veel anders dan op andere plaatsen in de Landschap Drenthe. Het was slechts een van de vele buurtschappen die in het arme en dunbevolkte gewest voorkwamen. Naast de doorgaans kleine buurtschappen waren bestonden er ook andere plaatselijke gemeenschappen zoals de marken, schultambten, kerspelen, heerlijkheden, en de dingspelen.
Doordat Cornelis Pijnacker (1570-1645) zich in 1627 in de plaats Meppel in de Landschap Drenthe vestigde, is de beroemde Pijnacker kaart van Drentia uit het jaar 1634 ontstaan. Het zou de eerste kaart van het arme en dunbevolkte gewest zijn. (bron)
Een andere term voor de plaatselijke gemeenschappen die wij in de Landschap Drenthe tegen kunnen komen zijn ‘kluften’, die ook wel ‘cluften’, ‘clufften’, of ‘kluchten’ werden genoemd. In Drenthe kon een kluft onder andere voor een onderdeel van verschillende dingen zijn zoals in een onderverdeling van een kerspel, die in de regel geen kerk had en kan dan ook gezien worden als een synoniem voor een wijk of buurtschap. Een kluft kon in sommige gevallen een meer of minder grote mate van zelfstandigheid hebben. In sommige plaatsen waar veel kluften voorkwamen, kwam men het woord kluft tegen in namen zoals ‘Noorderkluft’ of ‘Zuiderkluft’.
Nu kende men in de omgeving van het kerspel Rhoden al heel lang een vorm van kluftgebruiken, die ook wel ‘noaberplicht’ werd genoemd. Een ieder die in een noaberschap (buurtschap of kluft) woonde, had de verplichting de andere noabers (buurtgenoten) met raad en daad bij te staan. In het verlengde van wat als noaberplicht werd gezien, was de inzet van de kluften voor de eenvoudige arbeidsverdeling binnen een buurtschap. Het belang was bijvoorbeeld in Peize goed zichtbaar, waar speciaal de zorg voor de wegen jaarlijks kluftsgewijze geschiedde.
Dit gold eveneens voor het buurtschap de Zulte waar zich een herder met de schaapskudde bevond, die gebruik maakte van een schapendrift richting het grote heideveld. De noabers zullen verantwoordelijk zijn geweest voor het onderhoud en de toegankelijkheid naar het perceel heide met het nummer K-210 van bijna 37 hectare net boven de Toutenburgsingel. Het perceel heide was net zoals het grondstuk waarop de schapendrift lag, I-257bis, in het bezit van de markegenoten Zulte.
De toenmalige schapendrift van het voormalig esgehucht de Zulte die tussen de Hoppenkamp en de es Kostverloren lag. De noabers in het buurtschap waren verantwoordelijk voor het onderhoud aan de drift.
Eigenlijk bevonden zich in het kerspel Rhoden volgens het grondschattingsregister van 1642 vijf kluften: Roden, Steenbergen, Leutingewolde, Foxwolde en Zulte. Daarvoor zou het aantal kluften hebben kunnen variëren gelang de plaatselijke omstandigheden van economische aard of bevolkingsdichtheid. Op pagina 93 van het boek ‘De rechtspositie van de Eigenerfden in Drenthe’ uit 1934 beschrijft Dr. A. F. Lunsingh Meijer over een conflict tussen de eigenerfden van Roden en Steenbergen over een voorgenomen grensregeling, waarbij de bewoners van Steenbergen de scheidpalen hadden weggenomen.
De buren van Roden komen tegen het ontvreemden in verzet en eisen onder andere het volgende: ‘daer nochtans, die van Steenberghen noijt andere marcke hebben gehadt als gemeen nevens andere kluften van Roden, hoewel de kluften om gerijfs halven iedereen sijn eijgen besonder district van opslach, heijden en weijden gehadt heeft. Zij hebben nevens andere kluften alle gemene lasten eenpaerlijck gedragen.’ Opvallend is de definitie van ‘marcke’ hierin te vinden: ‘district van opslach, heijden en weijden.’ De verschillende kluften binnen het kerspel hebben elk een eigen stuk van de marke in gebruik, welke gedeelten op hun beurt eveneens de naam kluft hadden.
Een andere term die opduikt is het zogenaamde ‘filiaaldorp’. De vijf eerder genoemde kluften binnen het kerspel Rhoden zijn eigenlijk een buurtschap op zich zelf, waarbij men een typisch voorbeeld heeft van een filiaaldorp die destijds veel in Drenthe voorkwam. Zeer veel buurtschappen zijn ontstaan als filiaal- of dochterbuurtschappen van een oerbuurtschap, waarbij door de uitbreiding van de bevolking mensen uit het buurtschap vertrokken en zich vestigden op een gedeelte van de ongescheiden marke van de oorspronkelijke buurschap.
Door de zeer geringe bevolkingsdichtheid lagen de oerbuurtschappen ver uit elkaar en waren de omliggende markegronden zeer groot. Op die markegronden ontstond de nieuwe buurschap, met haar eigen gescheiden marke er om heen, oorspronkelijk min of meer afhankelijk van de oerbuurschap op wier markegronden zij lag. Die afhankelijkheid bleef bestaan in die gevallen, waarvan hier in Roden een voorbeeld is te zien, waar de verschillende buurschappen samen, wat het ongescheiden gedeelte betreft (soms werd dit nog beperkt tot alleen bos en heide of veengronden), een marke hadden. In dat geval bleven de nieuwe buurschappen feitelijk kluften van de oerbuurschap (bron: Dr. A. F. Lunsingh Meijer – De rechtspositie van de Eigenerfden in Drenthe, van Gorcum & Comp., Assen 1934, pagina 94).
Het grensgebied tussen het dingspel Noordenveld en het Ommeland Westerkwartier nabij het Leekstermeer. In de tijd van de kluften zullen grote stukken van het gebied er zo uit hebben gezien.
In de provincie Groningen had een kluft, ook wel ‘klauw‘ of ‘clauw‘ genoemd, een belangrijkere rol dan de buurtschappen in bijvoorbeeld Noord-Drenthe. Nu was de situatie in Groningen en vooral de Ommelanden niet te vergelijken met die van Drenthe ondanks enige overeenkomsten die wel voorkwamen zoals eerder beschreven in Peize. Door de ligging van die provincie aan de Waddenzee en het uitmonden van een tal van beken en riviertjes in diezelfde Waddenzee, speelden de buurschappen of kluften bij de waterstaat maar ook bij de onderhoud van wegen en burenhulp. Een reglement uit het jaar 1722 voor de Stadsjurisdicties van Groningen zorgde dat de dorpen hiervoor uit een aantal kluften of noabergilden (buurtgilden) dienden te bestaan. Dit gold ook voor de Ommelanden.(Wikipedia)
Had een kluft of buurtschap zoals de Zulte ten noordwesten van het kerspel Rhoden niet echt een voorman of woordvoerder, de kluften in Groningen wel degelijk. Deze werden ‘Kluftheer’ genoemd en dienden als buurt- of wijkmeester. In ‘Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden, deel 21, 1794 Van Stad en Lande’ wordt op pagina 171 aandacht besteed aan de kluftheren: ‘De Heeren van de Kluft maaken uit een Kluftheeren-getal van agt persoonen, waartoe men voor-heen twee uit ieder der vier kluften nam; maar welke zorgvuldigheid thans geene plaats meer heeft, schoon nog voor hun de stad verdeeld blyft in vier panden.’.
Komen wij in het Drenthe van de zeventiende en de achttiende eeuw de benaming ‘etstoel’ tegen voor een ambtsgebied van een plaatselijk gerecht, op ‘t Groninger Land sprak men eerder van een ‘rechtstoel’ als het de rechtsprekende colleges betrof. In het aan het noordwesten van de provincie Drenthe grenzend Westerkwartier werd de redger of rechter net als in Friesland ‘grietman’ genoemd en zijn assistent ‘wedman’. De wedman trad tevens op als deurwaarder.
Op een kaart uit het jaar 1660 waarop de Stad Groningen en de Ommelanden waren afgebeeld, zijn zowel het Vijfde Dingspil Nordeveldt als Fredewoldij te zien. Daarnaast worden de landerijen onder het Sulte meer omschreven als Lage Landen en moeras, iets waar het meer zijn naam ook aan dankte. (Atlas van Kooper, uitgegeven door Frederick de Wit in de Calver straet te Amsterdam, ca. 1660)
Er waren ongeveer 75 rechtstoelen in Groningen en als we de lijst aanhouden van de ‘Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden deel 21 1794 Van Stad en Lande, tweede deel’ dan heeft het Westerkwartier de volgende nummers 50 (Vredewold), 51. (Oosterdeel Langewold), 52. (Westerdeel Langewold), 53. (Visvliet), 54. (Ooster Ruige Waard), 55. (Middel Ruige Waard), 56. (Wester Ruige Waard), 57. (Niehove), 58. (Humsterland), 59. (Ezinge), 60. (Hardeweer), 61. (Feerwert), 62. (Aduard), 63. (Dorkwerd en Leegkerk), 64. (Hoogkerk), en 65. (Platvoetshuis) .
Voor het gebied nabij het oude esgehucht de Zulte is het toenmalige onafhankelijk Ommeland Vredewold redelijk van belang qua invloed. Het buurtschap bezat weliswaar tot het midden van de jaren twintig tijdens de negentiende eeuw niet een directe verbinding met de weg tussen Rhoden en de Leek, maar de connecties met Nijentap (Nietap) en Ter Heyl zorgden wel voor een uitwisseling van gebruik en spraak. Veel dingen gaan nu eenmaal verder dan ’t Piepke del!
Een gedeelte van de kaart van het Wester Quartier van Groningen 1751-1754. De kaart werd vervaardigd door ir. Caldenbach. (Groninger Beeldbank)
Vredewold was een staande rechtstoel van het huis Nyeoort (Nienoord) en had het nummer 50. Hieronder vielen de volgende dorpen en kluften: Marum, Noordwyk, Nuis, Niebert, Tolbert, Midwolde, de Leek, Lettelbert, Oostwolde en de Leege Meeden. Deze streek ligt in het oosten tegen het zuidwesten van Friesland, ten noorden van Drenthe, ten westen van Middagt, en ten zuiden van Langewold.
De auteur van het boek ‘Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden deel 21 1794 Van Stad en Lande, vierde hoofdstuk, pagina’s 374 tot en met 376’ omschrijft prachtig: “De dorpen liggen genoegzaam in ééne rye, opeenen zandigen en houtdragenden grond, terwyl de veenen meerderdeels ten zuiden zyn Vredewold, (by Emo Frodowalda geheten) ofschoon niet groot zynde, was al van ouds eene landstreek op zig zelve, welke een eigen wapen (Hetzelve verbeeldt eenen geharnasten ruiter te paard), een eigen landregt (Landregt van Vredewold) , en eigene rigteren in ieder dorp hadde. Deeze rigteren verdeelden zig in eene Ooster en Westerwarf, en zaten daarop gezamenlyk te regt. Dit heeft geduurd tot het jaar 1531, wanneer de gemeene rigteren , eigenerfden, en ingezetenen van Vredewold, zo wel van de ooster als de westerzyde, de geheele grieteny ervelyk opdroegen aan Beetke, de weduwe van Wigbold van Ewsum, en haare kinderen; onder die voorwaarde, dat in ieder dorp de Buurrigteren zouden blyven, en dat de tydelings aantestellene Grietman moest zyn tot genoegen der gemeente. En in dat opzigt is het nog heden een staande regtftoel van het huis Nye-oort; maar de kerkelyke collatien in de dorpen behooren mede aan anderen, hoewel dat huis door deszelfs groote goederen veel inzage daarin heeft. Tot de dorpen zelve overgaande, is van de Friesche paalen het eerste.”.
De indeling van het Ommeland Vredewold vlak voor de Bataafsche revolutie van 1795. (Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden deel 21 1794 Van Stad en Lande, vierde hoofdstuk, pagina’s 376 tot en met 380)
Een ander verschil tussen de Drentse en Groninger kluften was het ‘Claveboeck’. Het claveboek of klauwboek was in de provincie een officieel register binnen de kluften, waarvan de eigenaar gerechtigd is om als redger of rechter op te treden. De klauwboeken komen voor in de Ommelander gouwen die onafhankelijk waren van de stad Groningen zoals Vredewold. (Bron)
Dat het er in de kluften binnen de Landschap Drenthe een stuk gemoedelijk aan toe ging dan in Groningen blijkt wel uit het bovenstaande artikel uit de Drentsche en Asser courant no. 133, blad 6, van woensdag 10 juni 1953 .
In het jaar 1880 verscheen er in de Provinciale Drentsche en Asser courant een serie feuilletons over de diverse Drentse plaatsen en hun bezienswaardigheden, waarbij de kerk van Roden ook niet ontzien werd. De in de ik-vorm schrijvende verslaggever weet het zo mooi te vertellen, dat ik het uit twee delen bestaand verhaal daar waar het betrekking heeft op kluften, hier plaats. Het zijn fragmenten van ‘Naar Roden V en VI’, en ze verschenen respectievelijk op maandag 5 juli (No. 155) en dinsdag 6 juli (No. 156) 1880.
De prachtige Catharinakerk op de Brink van Roden. De kerk werd gebouwd in de dertiende eeuw en werd gewijd aan de heilige Catharina van Alexandrië.
Den toren te beklimmen — ik had er lust noch moed toe. De historie van Babel roept de stervelingen toe: ‘niet de lucht in !’ en eene andere stem geeft den raad: ‘laag en klein bij den weg — dan heeft men ’t minste gevaar !’ Wat ik later eens doe, weet ik niet, maar thans was er niets dat mij naar boven kon lokken — beneden was zooveel genoegen dat men een dwaas moest wezen, om zich te vermoeijen, door de lucht in te gaan en zoo niet van de vrolijke partij omlaag te zijn.
Toch ken ik de ernstige boodschap, welke J. Borgherdt, de klokkegieter te Groningen, door de eenige klok, welke Roden heeft, tot den volke liet spreken, toen zij in 1746 op haar hoogen troon was geheschen. Zij luidt:
“lk noodige al die vreest den Heer tot dienst van Christus den Hemelkoning, En schla een naar geluyt wanneer de mens verlaat des ardse woning.”
Behalve die uitnoodiging vindt men in het metaal gegrift:
“Willem Baron van In en Knijphuijsen Heer van Nienoort en des landes Vredewolt, medegedeputeerde staat en Curator Academiae der provincie van Stadt en Lande medecollator tot Roden etc. etc. Hendrick Allingh, scholte tot Roden en Roderwolde, desself verwalter Tyll Krythe, Jacobus van der Scheer predicant, Ette Harm Eels van Lijverden en Deodatus Peeters in der tijd kerkvoogden, Jan Janssens en Floris Aukema van Lootingewolde als hijrtoe van de acht kluften tot Roden zijnde gekommitteerd geweest. Geert Krijthe, Hindrick Geerts als voerluiden van de klok.”
Uit den toren in de kerk en al dadelijk onthaal ik mijne lezers op een dichtstukje, ’t welk ter linkerzijde op het orgel wordt gevonden. De onbekende vervaardiger zegt:
“Zing Roden! Hoppincks naam en God ter eer! Een Gajus leerde u ’t eerst de zuivre Leer. Nu steunt een Catherine uw Tempelzangen Bij milde gift van ’t konstig Orgelwerk. Hij schoort den Kansel op; Zij siert uw Kerk. Uw God bezorgt uw Heiligdoms belangen Door Hoppincks, nader dan in vleesch en bloed Tot Sions dienst vermaagschapt naar ’t gemoed.”
Aan de regterzijde leest men:
“Dit orgel, versierd met deze Wapens, strekt ter gedagtenisse van den Heer Albert Hoppinck, en deszelfs Huisvrouw Elizabeth Johanna Hoppinck, geboren Clarcq, en derzelver twee nagelaten kinderen, wijlen den Heer en Mr. Jacob Willem Hoppinck en Mejuffrouw Maria Catharina Hoppinck, en is vervaardigt uit een Legaat, door laatstgemelde Juffrouw op den V Maart MDCCLXXVI aan de Kerke van Roden daar toe expres gemaakt.” ݉
Aan de achterzijde staat:
“Dit orgel is verveerdigt in het jaar 1779 door de directie van den WelEdele Geboren Gestrenge Heer en Mr. C. W. Ellents, raed en secretaris van het landschap Drente, etc. etc., die daartoe expreslijk is geautoriseert geworden, en is gemaakt door den orgelmaaker A. A. Hins te Groningen.”
’t Orgel van Roden’s kerk is een geschenk. Eene bloedverwante van G. Hoppinck — hier predikant geweest — te ’s Hage overleden op 18 December 1776, vermaakte aan de kerk het aanzienlijke legaat van tienduizend gulden en daarvan werd het orgel vervaardigd, onder toezigt van mr. C. W. Ellents, eigenaar van het Huis Mensinge en te Boden overleden op 12 September 1784. ’t Werd ingewijd op 4 Junij 1780 door Regnerus Tjaarda de Cock, predikant te Nieuwe Pekela, naar aanleiding van Ps. CXLIV : 9. Deze leeraar was daartoe uitgenoodigd, omdat hij en ook zijne echtgenoote bloedverwanten en erfgenamen van de schenkster waren. ’t Orgel doet nog zijn maker eer aan en is, zegt men, een der beste in Drenthe.
De achterzijde van de prachtige Catharinakerk in Roden. Op de achtergrond is de toren te zien die de schrijver van een serie feuilletons over Drentse plaatsen in 1880 beklom.
In 1795 kwam er met de Bataafsche Omwenteling bestuurlijk gezien een einde aan de kluften in zowel Drenthe als Groningen.
Toen ik een poosje geleden een gedeelte van een oud boek over Oost-Nederlandse plaatsnamen uit het jaar 1930 en geschreven door H. J. Moerman zat te lezen, kwam ik een verklaring voor de naam van het voormalig esgehucht de Zulte tegen, die de theorie van Professor dr. Maurits Gysseling behoorlijk ondersteunt. (De Zulte en hoe zat dat ook alweer met de zee?) Tevens verklaart het naar mijn bescheiden mening ook waarom het Leekstermeer vroeger ook wel het Solte- of Sultemeer droeg, iets wat later verbasterde tot het Zulthermeer.
Afbeelding uit het boek van H. J. Moerman – Oost-Nederlandse plaatsnamen, 1930.
In dit boek verwijst de schrijver met enige regelmaat naar de Duitse auteur Hermann Jellinghaus, die aan het eind van de negentiende, begin twintigste eeuw een aantal werken over de de dialecten, taalgebruiken en streeknamen had gepubliceerd. In zijn in 1896 gepubliceerd boek met de titel ‘Die westfälischen Ortsnamen nach ihren Grundwörtern’ legt Jellinghaus de betekenis van het woord ‘sülte’ uit. Hermann Jellinghaus schrijft op pagina 162 van het eerder geciteerd boek dat sülte ook staat voor ‘Morast’, dat in het Nederlands ‘moeras’ betekent en verder dat ‘de Zulte, Bsch. In Drente’ is (bron: Hermann Jellinghaus – Die westfälischen Ortsnamen nach ihren Grundwörtern, pagina 162, Lipsius & Tischer, 1896)
Pagina 162 uit Hermann Jellinghaus zijn boek ‘Die westfälischen Ortsnamen nach ihren Grundwörtern’ met de uitleg over sülte.
Nu waren grote delen rondom het esgehucht inderdaad behoorlijk drassig en ook troffen we vele moerassen aan op de natte heidevelden ten noorden en aan de westelijke zijde van de Zulte. Maar eigenlijk lag de Sulte, zoals het gehucht tot ver in de achttiende eeuw genoemd werd, op zo’n 3,4 kilometer afstand van het meer vandaan en ook het Kadastrale gebied de Zulte reikte niet verder dan de Turfweg. En natuurlijk zoemt de laatste jaren ook het sprookje rond dat de naam afkomstig moet zijn van zout, immers de zee had hier een grote invloed op het gebied!
Grote onzin natuurlijk. Mij lijkt het veel aannemelijker dat het Leekstermeer zijn oude benamingen meer aan het feit te danken had dat het erg ondiep en moerassig was, dan aan een hersenspinsel van invloeden op de gebieden door de zee. Het Leekstermeer is waarschijnlijk ontstaan doordat twee stroompjes in het verleden samen kwamen op de plaats van de huidige Rietboor. Het ene beekje kwam uit het zuidwesten en werd later de Leecke genoemd, het andere naamloze beekje vanuit het Haarveen dat ten zuiden van het punt van samenkomst lag.
Vermoedelijk hebben de twee beekjes deze route gevolgd en is het Leekstermeer gevormd.
Door het warmer worden van de Aarde, de stijging van de zeespiegel en de toenemende vorming van veen in het gebied rondom de Rietboor, ontstond er een enorm groot moerasgebied bestaande uit laagveen. Doordat het moeras de snelle afvoer van water naar de zee vertraagde, steeg het water nog sneller en groeide en meer veenmossen. Vermoedelijk hebben harde winden vat op het water gekregen en het veen uit elkaar gedreven, waardoor er een meer werd gevormd. Het verklaart ook waarom het Leekstermeer van oorsprong ook niet dieper was dan zo’n 1,5 meter.
Zou het er duizenden jaren geleden zo uit hebben gezien daar bij de Rietboor waar nu het Leekstermeer ligt?
“Het was moar ’n natte bende doar”, vertelde de boer mij toen ik hem vroeg of hij wist hoe oud de verdieping in zijn land was, “Een nat vies veengat, joa dat was’t west”. Een verdieping in het gebied waar vroeger eens het enorm oerbos lag dat Groot Noordholt werd genoemd, was zeker geen zegen voor de landeigenaar. De op sommige plekken forse laag taaie keileem vlak onder of aan de oppervlakte zorgde ervoor dat het regenwater niet in de grond weg kon zakken, maar via de bovenzijde van de grond een weg naar lager gelegen gebieden zocht. Zeker in de tijden dat het gebied niet over een effectief stelsel van afwateringssloten beschikte, was het water amper weg te krijgen richting het Leekstermeer.
Instemmend knikte ik met hem mee, want ik wist de oorzaak van de verdieping in zijn perceel waarschijnlijk wel. Dit stuk land is daarom ook een van de laatste stukken die aan het begin van de twintigste eeuw hier ontgonnen werd. Net zoals ik, verwonderde de boer zich over het feit dat als er eenmaal veel water stond in dat perceel, het water toch weer vrij snel verdwenen is. Mijn vermoeden, die ik dan ook prompt met de boer deelde, is dat er een verstoring in de forse laag keileem moet zitten, waardoor het water de onderliggende zandlagen in kan zakken. Dat er in het verleden ook nog een een forse veenlaag lag waar het bos overheen gegroeid was, wist ik voldoende.
De verdieping in het land van de boer dat in het verleden in het Groot Noordholt lag en voor de ontginning van het gebied vol met veen zat. Tevens is de depressie minder diep dan voorheen door het intensief gebruik van het land.
Veen kwam best veel voor in de wijde omgeving van het voormalig esgehucht de Zulte. Weliswaar niet zoveel als bijvoorbeeld nabij Ter Heijl en richting Zevenhuizen, maar bijvoorbeeld in het Sieveen iets ten noorden van het herstellingsoord zat een fors pakket veen onder de natte heide. Grote delen in het gebied ten westen van Roden tussen Leutingewolde en Een bestond vrijwel uit moerassige, natte heidevelden. De moerassige heidevelden waren niet in de eerste plaats voor ontginning geschikt; zij waren te vochtig, de bodem was er niet poreus en te arm aan voedingstoffen.
De depressie in het Sieveen achter het voormalig herstellingsoord waar vroeger een kleine dobbe lag. De verdieping in de grond is ontstaan door het smelten van de gletsjer, waarbij het smeltwater geulen vormde in de zachte ondergrond.
Prof. Dr. H. Blink vertelde er over in zijn boek ‘Woeste gronden, ontginning en bebossching in Nederland, voormaals en thans’ op pagina 29 dat in 1929 door de Nederlandsche Vereeniging voor Economische Geographie werd uitgegeven: “Zoover het oog reikte zag men niets dan heide, veenplassen, ongebaande wegen, en hier en daar verdwaald een armoedigen groven den en berk, en grootere en kleinere keien en vuursteenen in grooten getale over het terrein verspreid. Dop en struikheide, bunt en pijperaai, gagel, blauwe gentiaan, vliegenvangertje, de laatste drie vooral planten van een vochthoudenden bodem, vormden het hoofdbestanddeel van den typischen plantengroei, als overal op de Drenthsche heide. In en rondom de veenplanten groeiden het wollegras en de veenbies, terwijl rendier-, pen- en bekermos er de mossen vertegenwoordigden.”
Dat er verlekkerd naar de enorme heidevelden werd gekeken is niet zo vreemd. Aan woeste grond was voor een eigenaar niets te verdienen en de enkele schaapskudde op de hei zag er wel mooi uit, maar het leverde niets op. Het zal u dan ook niet verbazen dat de woeste gronden in de provincie Drenthe aan het begin van de twintigste eeuw in een ras tempo verdwenen. Tussen 1901 en 1918 werden er in Drenthe 9.538 hectare heide en zand tot bouwland, 2.545 hectare tot grasland, en 1.222 hectare tot bos. Maar liefst 13.305 hectare heide en zand waren verdwenen, wat neerkomt op zo’n 0.782 hectare per jaar. Van 1918 tot 1928 bedroeg het totaal ontgonnen heide en zand maar liefst 12.434 hectare, gemiddeld 1.243 per jaar. (Bron: ‘Prof. Dr. H. Blink – Woeste gronden, ontginning en bebossching in Nederland, voormaals en thans’ 1929, pagina 71.)
De noordzijde van de vermoedelijke pingoruïne gezien vanuit het zuiden. De voor een pingoruïne typische aarden wal kwam in het verleden de boer goed uit; bomen er op planten en klaar is de houtwal.
Het veengat zoals de boer het veenmoerasje noemde onder het grote bos, zal rond 1901 ontgonnen zijn net als vele andere percelen rondom Roden en in de provincie Drenthe om plaats te maken voor grasland. Van grasland had de toenmalige boer veel meer profijt dan van een bos waar je eigenlijk geen rendement van hebt. Nou ja, een paar richelpalen en lange stokken voor bonenteelt. Ja, die stokken kon je daar wel weghalen, het wemelde daar van de Hazelaars (Corylus avellana) met hun lange, rechte takken.
De eerder genoemde aarden wal van de verdieping in het weiland richting het westen. Door de verschillende factoren zoals de aanplant van bomen, de slechte staat van de bodem (keileem) en het vee dat de daardoor altijd natte, modderige bodem heeft vertrapt, moet je goed opletten om de wal te kunnen zien.
De plaats van de depressie ligt op een plaats waar je deze niet direct te zien krijgt. En om heel eerlijk te zijn, de boer/eigenaar van het perceel zit daar ook helemaal niet mee. Maar het is juist het onopvallende dat lijnrecht staat tegenover de feiten van pak hem beet, zo’n 18 duizend jaar geleden. Toen bestonden grote delen van Noord-Nederland en Overijssel uit een constante bevroren bodem die samengesteld was uit mossen, zand, stenen, sneeuw en ijs. In deze grote poolachtige toendrawoestijn bevonden zich hier en daar heuvels in het gebied. De heuvels die doorgaans een hoogte bezaten van enkele tientallen meters, moeten het gezicht van de toendra hebben gedomineerd.
Op deze foto is te zien hoe groot de depressie in het weiland is. Aan de linkerzijde is het hoogte verschil duidelijk zichtbaar. Helaas zijn veel kenmerkende aanwijzingen door het gebruik in de loop der tijd verdwenen.
De grote heuvels waren ontstaan aan het einde van de laatste ijstijd toen de bodem al eeuwenlang enkele tientallen meters diep bevroren was en permafrost genoemd wordt, waarbij het iets warmere grondwater met een steeds grotere druk tegen deze laag permafrost aandrukte. Het bovenste gedeelte van het grondwater bevroor en vormde een lensvormige laag ijs tegen de permafrost aan. De laag ijs die in deze situatie ontstaat, heet daarom dan ook een ‘ijslens’. Het opstijgende grondwater blijft tegen de ijslens aandrukken waardoor de druk blijft toenemen en de laag ijs steeds dikker gaat worden. Op een gegeven moment heeft de ijslens een fors formaat aangenomen en is de druk van het grondwater zo hoog geworden, dat de bevroren bodem wel omhoog moet gaan. Op deze manier ontstonden er talloze ijsheuvels in het poollandschap van Noord-Nederland, die de naam ‘Pingo’ meekregen. De naam werd door de Groenlandse Eskimo’s (Inuit) gegeven en betekent ‘heuvel van ijs of kleine heuvel’.
De overgang van het weiland naar het bos richting het noordwesten. Weliswaar ligt vrijwel het grootste gedeelte van de vermoedelijke pingoruïne in het weiland, een klein gedeelte ligt echter ook nog in het bos.
Volgens een Deens onderzoek is het 11.711 jaar geleden (bron) dat er een einde aan de laatste ijstijd en het enorme pakket landijs dat niet zuidelijker was gekomen dan de plaats waar nu de stad Hamburg ligt, zich weer richting het noordoosten terugtrok. Het was ook de periode dat het in onze contoureien warmer begon te worden en de permafrost langzaamaan wegsmolt. Hierbij verdween ook de deklaag op de ijsheuvel en gleden er stukken ontdooide aarde van de heuvel af. Doordat de aarde van de grote klomp ijs afgleed, kreeg de aan kracht toenemende zon meer vat op het blootgevallen ijs en liet deze eveneens smelten.
Grofweg zou het bovenstaande gebeurd kunnen zijn op de plaats in het weiland waar nu een verdieping ligt. Van ijsheuvel naar een meertje.
Hoe meer het ijs binnen de heuvel smolt, des te kleiner werd deze en stortte verder in. Daarnaast zorgde het vele smeltwater voor meertjes en kleine beekjes daar het water niet door de nog bevroren bodem kon wegzakken. Na verloop van tijd was er niet veel meer over van de eens zo machtige ijsheuvel dan een diep meertje met een doorsnede tussen de 70 tot wel 240 meter. Deze meertjes worden ook wel pingoruïnes, vennen of veenmeertjes genoemd. De vermoedelijke pingoruïne ten noordoosten van de Zulte nabij de Dobben had waarschijnlijk een diameter van zo’n honderd meter.
Op het hierboven afgebeelde plaatje van het hoogteprofiel van het gebied, is de verdieping duidelijk zichtbaar. Het laagste gedeelte in de depressie ligt op zo’n halve meter boven N.A.P., het hoogst gelegen gedeelte op bijna 3 meter.
Vermoedelijk schreef ik omdat van de vele vennetjes en ronde plasjes in het noorden van Nederland niet zeker is als het hier ook daadwerkelijk pingoruïnes betreft. Het zouden natuurlijk ook depressies kunnen zijn die tijdens de vorige ijstijd werden gevormd door de terugtrekkende ijskap of stuifkommen, die door de poolwinden zijn gecreëerd. Ook in deze verlagingen met een slechte waterdoorlatende bodem bleef water staan en vormde zich veen.
De pingoruïne ten westen van de Zulte met de mooie naam Vagevuur gezien vanaf de Toutenburgsingel. Enkele jaren geleden was de ruïne geheel aan het zicht ontrokken door de vele bomen, maar de eigenaar heeft radicaal ingegrepen en nu ziet het er weer lekker fris uit. Het Vagevuur heeft een diameter van ongeveer 90 meter.
Aan één van de typerende kenmerken voor een pingoruïne in Noord-Drenthe voldoet de depressie wel; hij ligt pal langs de helling van het beekdalgebied van de Zulter Bitse. Vermoedelijk door het hoogteverschil van dit gebied tijdens de ijstijd kon hier het grondwater een lange tijd blijven vloeien en een pingo vormen. Ook komen we ze tegen aan de rand van het Drents Plateau, waar de omstandigheden eveneens gunstig waren voor het ontstaan van vele ijsheuvels.
Ook de ligging van de gebieden met de veldnamen de Dobben en de Dobberesch kunnen verwijzen naar menig poel en kuil – door de mens gegraven of natuurlijk ontstaan door een wel – die in dit gebied voorkwamen en dienden als drinkplaatsen voor het vee. Frappant is het toch wel te noemen dat men in Friesland spreekt van ‘Dobben’ in plaats van pingoruïnes.
Een zogenaamde dobbe in het Sieveen. In het verleden door een boer verder uitgegraven zodat het vee eruit kon drinken. De huidige eigenaar heeft de dobbe verder uitgegraven en er een kikkerpoel van gemaakt.
Door de toenemende stijging van de temperatuur en de hoeveelheid neerslag, steeg niet alleen het grondwater in ons land, maar ook de laag veen in de vele depressies in het Noord-Drentse landschap. De verschillende opeenvolgende fases van het Holoceen zorgen ervoor dat de diverse soorten landschapstypen het beeld vormden. In de ruim afgelopen tienduizend jaar zijn menig veenmeertjes en moerassen verdwenen door verlanding of werden ze drooggelegd voor de turfwinning of de landbouw. De depressie in het land van de boer is slechts een van de velen in het noorden van Nederland.
Er bestaat een website met een kaart waarop de officiële pingoruïnes en de vermoedelijke gevallen staan. De website heet ‘Natuurlijke schatkamers van Drenthe, Pingoruïnes’ (even klikken) en is zeer zeker een bezoekje waard!
Dat er zich in het gebied rondom het oude esgehucht de Zulte zichtbare of juist onzichtbare oude sporen uit het verleden bevinden, moge duidelijk zijn. Dat er hier en daar dan ook verschillen van inzicht over bepaalde gebieden of feiten bestaan, staat ook buiten kijf. Dat noem ik nu een zegen, daar naar mijn mening een verschil van inzicht met redelijke argumenten voor mij een uitdaging is. Dat maakt het zoeken naar bepaalde voorwerpen, gebruiken of veldnamen in het gebied rondom de Zulte voor mij juist mooi; een vorm van een tijdreis naar het verleden.
Portret van Robert Cheseman (1485-1547) uit 1533 met een valk gemaakt door Hans Holbein de Jonge (1497/1498-1543). (Bron: Wikipedia)
Zo lagen er aan de oostelijke zijde van het vroegere Groot Noordholt en ten noorden van de Westeresch in het midden van de zestiende eeuw een slechts een paar weilanden en vooral een behoorlijk groot heideveld, die de naam ‘Valken veld of Valkensveld’ droegen. Aan het einde van de negentiende eeuw verschenen er aan de westelijke zijde van het gebied enkele woningen, waar arbeiders of kleine keuters in kwamen te wonen, waarbij naar alle waarschijnlijkheid varkens tot hun veestapel behoorden. Bij sommige mensen blijft dan ook het idee bestaan dat het geen Valkensveld, maar Varkensveld is. In de Roner en Lukkenwolmer volksmond kreeg het in de twintigste eeuw dan ook de naam ‘Zwieneveld of Zwieneveltie’.
Op de oude Franse legerkaart uit 1810/1811 zijn de huizen van de arbeiders nog niet gebouwd maar is wel duidelijk te zien hoe enorm het bos Groot Noordholt was. Rechtsboven op de kaart bevond zich het Valken veld. (Bron: Drents Archief)
Maar de boeiende geschiedenis van dit gebied gaat natuurlijk veel verder terug in de tijd dan menigeen zal hebben gedacht. En het is vanzelfsprekend dat er veel onduidelijk bestaat over de historie, daar er maar weinig op papier gezet werd over dit doorgaans onbewoond gebied. Of het esgehucht de Sulte in de vijftiende en de zestiende eeuw een marke of iets in die geest bezat? Waarschijnlijk wel. Het lijkt er op dat de markegenoten van de Sulte, die samen met die van bijvoorbeeld Leutingewolde, met enige regelmaat de beslissing van de marke Roden aanvochten.
De Vereeniging tot uitgaaf der bronnen van het Oudvaderlandsche Recht publiceerde op de pagina’s 61, 62 en 63 in het zesde deel, dat de titel ‘Verslagen en Mededeelingen’ droeg en uitgegeven werd te ’s-Gravenhage door Martinus Nijhoff in 1910, verslagen van de marke Roden uit een handschrift dat in het bezit was van de graaf van Inn und Knyphausen uit 1495.
18. Willekeur der marke van Roden. 1495. Item dit naeschreven ys der bueren wilkoer. (Naar een handschrift in het bezit van den graaf van Inn und Knyphausen.)
26. Item de schuttinge van Wester-esch, Sulter-esch des daeges enen stuver ende des nachtes enen yager. Weers sarke dat de beesten des daeges niet en worden ghelosset ende kreghen daerenboeven hinder oft schaden, se sullen broekeloes ende boeteloes wesen.
28. Item des soe hebben dye ghemene buyren ghewillekoert, want de Loetinghewoltmer ene sunderlinghe marcke hebben, alle beesten dye ghevonden worden ende gheschuttet worden in Wester-essche, Sulter-essche, elck beest en halve tunne beers. Ende de se bevindth sal de den schutheerden wittigen. Ende wil de schutheerde dan niet medegaen schutten, soe sultse oeck breken 1 tonne beers.
36. Item dye Sulter sult hoeren drijft holden nae de Helle ende nae dye Leeke ende voert nae dat Hinxtebroeck. Ende dus pleghen dye Sulter hoer drijft hijrhen thoe holden nae older ghewoente als vorz. ijs. Ende oft zy desse drift niet en holden soe sal men dye beesten schutten, ende nemen daer schuttijnge-recht aff als voersz. is.
Hier en daar kom je in oude geschriften uit de vijftiende en zestiende eeuw regeltjes tegen die er op wijzen dat er toch wel degelijk een vorm van een marke of markegenoten waren in de omgeving van de Zulte, in in naslagwerken over de marke’s in Drenthe lees je er niets van terug. Dan blijft er niets anders over dan door de oude en vaak slecht leesbare documenten te wroeten om de gegevens te vinden die je zoekt.
Zo kwam ik een oud document uit 1548 tegen in de Groninger Archieven dat uit het bezit van de familie van Ewsum kwam met de opmerking ‘1548 overdracht valkenvlucht, Joh. vE.’. Het voor mij grotendeels slecht leesbaar document begint met twee namen, Johan Staal (ook wel Johan Staele genoemd) pastoor te Roden en ene Hilbrant Krumens, die in het jaar 1546 aan het Westeinde in Roden woonde. Krumens stond op een schattingslijst uit 1546 en werd verplicht om 19 Brabantse stuivers te betalen.
Akte van verkoop door Johan Staal, pastoor te Roden, en gemachtigde van de markegenoten in Noordholt, aan Johan van Ewsum van het recht om met roofvogels in de marke te jagen. Met akte van verkoop door Van Ewsum aan dezelfde van een jaarlijkse rente, 1548. (Bron: Groninger Archieven)
1546 was het jaar dat de hervormer Maarten Luther overleed, maar dat had weinig effect in het landschap Drenthe van dat jaar. Drenthe had het druk met het innen van de schatting voor Karel V, een vorm van belasting die maar liefst 3500 Carolus gulden bedroeg. Aan dit bedrag moest het kerspel Roden, bestaande uit 102 inwoners afkomstig uit het Oestende, Suydtende, Westende, Lyveren, Steenberghen, Sulte, Lotinghewolde en Foxwolde, 97 Carolus gulden en 25 1/2 Brabantse stuivers opbrengen.
Het schrift waarin het bovenstaande stond en dat zich in het archief van de stad Aurich bevindt en waarvan het Drent Archief een kopie bezit, vermeldde het volgende: “Item int yaer ons heren duysent vyffhondert ses unde veertich gaff dat gemene landt van Drenthe thoe schattyne voer dat eerste termyn, se Keyserliker Majesteyt ghelovet hadden vyerdehalff duysent Carolus gulden, daer dat kerspell van Roden voer hoer part soeven unde tnegentig Carolus gulden ende vyff ende twyntichsten halff brabant st. van thoe quam thoe betalen nae luyde desse navolgende settynghe uuth enen olden register gherekent.”. (Bron)
Er waren rond die tijd in de wijde omgeving van Roden verschillende munten van diverse waarden in omloop. Hierboven zijn de twaalf diverse munteenheden in een tabel weergegeven, de waarde was van van 1 januari tot ultimo december 1548. (Bronnen: Het kasboek van Hendricus Lontzenius, de laatste abt van klooster Selwerd over de jaren 1560-1563. F.J. Bakker, R. I. A. Nip en E. Schut, 2003, Assen: Koninklijke van Gorcum. Pag. 24 en Rekeningen der Stad Groningen uit de 16e eeuw, uitgegeven door DR. P. J. BLOK. ‘s Gravenhage. 1896)
In het boek ‘Het geslacht van Ewsum, geschiedenis van een jonkersfamilie uit de Ommelanden in de 15e en 16e eeuw.’ dat geschreven is door M. Hartgerink-Koomans in 1938, is er sprake van de markegenoten van ’t Noorderhout. Het Noordenhout was beter bekend in de volksmond als het Groot Noordholt en bevond zich ten noorden van het kerspel Roden en noordoostelijk van het esgehucht de Zulte. Op pagina 41 komen wij een verslag dat de hierboven geplaatste documenten goed samenvat:
‘In 1548 had Johan van Ewsum zich ondertussen door de houtvoogden en de markegenooten van ’t Noorderhout de valkenjacht laten schenken in dank voor genoten en toekomstige weldaden aan ’t karspel. Zulke aanzienelijke heeren onder de markgenooten als de Groninger burgemeester Johan Thema en de abt van Aduard lieten toe, dat zij met name in de akte genoemd werden; van anderen was zeker niet te vreezen, dat ze ooit zelf nog eens de valkenjacht ter hand zouden nemen. Tot dien tijd hadden de houtvoogden dit recht verpacht: om de markegenoten schadeloos te stellen, schonk van Ewsum hun vijf dagen later een jaarlijksche rente van zes Arensguldens.’ (Het geslacht van Ewsum, geschiedenis van een jonkersfamilie uit de Ommelanden in de 15e en 16e eeuw.(M. Hartgerink-Koomans, Maria 1938. pag. 41.)
Eigen opname van een Boomvalk (Falco subbuteo) hoog boven de huidige weilanden die vroeger tot het Valkenveld behoorden. Of de boomvalk ook geschikt was voor de valkenjacht kon ik niet terug vinden.
De link van de abt van Aduard met het Groot Noordholt was deze dat het klooster hier grote percelen bos in zijn bezit had. Deze percelen zijn later door de eigenaren van Huize Ter Heijl overgenomen. Nog tot in de twintigste eeuw heeft de familie van Ewsum en hun opvolgers grote stukken land in bezit gehad wat eens het Valkenveld was.
Aan het begin van het jaar 1895 komen wij de naam Valkenveld weer tegen in een tweetal advertenties in het Nieuwsblad van het Noorden, die respectievelijk op de zondag 6 januari en drie dagen later, in de editie van woensdag 9 januari, verschenen. De advertenties waren opgesteld door notaris Ebbinge Wubben in opdracht van de erfgenamen van de overleden echtgenoten Eite Sinninge en Jantien Roling, die delen van het bezit wensten te verkopen. Daarbij zaten ook delen die Eite na het overlijden van zijn ouders geërfd had en in de Zulte en onder Roderwolde lagen. Naast het perceel hakbos op de Zulteresch dat wij kennen als de Langestreek, bevond zich ook een ander perceel hakbos van 0.15.30 hectare met de naam Valkenveld.
De advertentie die verscheen in het Nieuwsblad van het Noorden van zondag 6 januari 1895 en in opdracht van de erfgenamen door Ebbinge Wubben opgesteld was. De vermelding van het Valkenveld, dus geen Varkensveld, is duidelijk te zien (bron: Nieuwsblad van het Noorden, derde blad, Zondag 6 januari 1895, achtste jaargang, nummer 3).
De overleden eigenaren van deze percelen waren dus Eite Sinninge en Jantien Roling. Eite, ook wel Eite Stevens genoemd, werd op vrijdag 10 mei 1811 in Leutingewolde geboren als een zoon van de boer Steven Jans Sinninge en zijn vrouw Roelfje Eidens Oosterhof en huwde op donderdag 6 mei 1852 met in Norg geboren Jantje Rolink. Dat de op de zondag 24 november 1816 geboren dame in de huwelijksakte nog Jantje Rolink werd genoemd, laat nogmaals zien hoe de namen destijds werden opgeschreven; fonetisch. Kortom, veel namen werden zo opgeschreven zoals ze klonken. De dame heette echter Jantien Roling en was een dochter van de Norger verver Roebert Roelfs Roling en Grietje Jans Zuidhof.
Het echtpaar vertrok op maandag 10 mei 1852 vanuit de gemeente Roden naar de gemeente Vries, waar zij zich in Bunne vestigden. Eite Ebbinge was een neef van de in de Zulte wonende boer Jacob Jans Sinnige, waarover het artikel ‘Zulte 37; Sinninges in de Zulte’ gaat.
In het jaar 1789 kondigden zich belangrijke gebeurtenissen aan ten noordwesten van de Zulte. Niet alleen het huwelijk tussen Willem de Lille en Arend Sloet’s weduwe Johanna Philippina van Dedem op vier januari 1789, waardoor de Lille heer en meester werd op Huize Ter Heyl, maar ook een grote aanbesteding in de maand oktober van dat jaar zorgde voor reuring in de omgeving.
Een gedeelte van een kaart die de situatie rond 1781 in de omgeving van het Noord-Drentse dorp Roden weergeeft. De Zulte wordt nog als ‘de Sult’ op de kaart aangegeven.
In de twee grootste kranten van dat moment, de Groninger Courant en de Leeuwarder Saturdagse Courant, verschenen er bekendmaakingen met de mededeling dat de goedkoopste aannemer zich kon verheugen op een flinke portie werk voor de komende winter. De aanbesteding zou op vrijdag 30 oktober van dat jaar plaatsvinden bij Huize Ter Heyl. De advertentie in de Groninger Courant verscheen eerst in de editie van dinsdag 13 oktober er werd nogmaals geplaatst in de uitgave van dinsdag 20 oktober. De Leeuwarder Saturdagse Courant plaatste de advertentie in de editie van zaterdag 17 oktober in een licht afwijkende versie.
De advertentie van de aanbesteding in Groninger Courant No. 82, Dingsdag Den 13 October 1789, tweede blad. Te Groningen by A.S. Hoitsema in de Oude Boteringe Straat.
‘Op den 30 October 1789, zal op ’t HUIS TER HEYL by de Nientap, aan de minste aannemende besteed worden, diverse Aardwerk, als het uitgraven en verdiepen van eenige honderd Roeden Hoofddiep en wyken, het aanleggen van nieuwe Cingels, Graaven van Slooten, Aardwenden en wat dies meer is, alles bekwaam Winterwerk , volgens Bestek kan aldaar 8 dagen bevorens te zien.’
De afwijkende tekst in de Leeuwarder Saturdagse Courant No. 1942, van Den 17 october 1789, negende blad. Te Leeuwarden by de Erven van A. Ferwerda in de Slotmakers-Straat, staat hieronder.
‘Op den 30 October 1789, zal op ’t Huis ter Heyl by de Nyentap, aan de minstaannemende besteed worden: Diverse AARDWERK, als het uitgraven en verdiepen van eenige Hondert Roeden Hoofd-diep en wyken, het Aanleggen van Nieuwe Zingels, Graven van Slooten, Aardwenden en wat dies meer is, alles bekwaam Winterwerk volgens bestekken, aldaar 8 dagen voor af te zien.’
Het werk bestond onder andere uit aardwerk, zoals het uitgraven en verdiepen van enkele honderden roeden Hoofddiep en wijken (zijkanalen in een verveningsgebied). Of er sprake was van de Groninger roede die uit 14 voet bestond en een lengte bezat van 4,12 meter of dat de Steenwijker roede gebruikt werd, die 16 voet groot (4,7 m) was, durf ik niet te zeggen. Maar het lijkt mij logisch dat de Steenwijker roede werd toegepast, daar deze alom werd aangezien als de veenmaat in Drenthe. Naast het bovengenoemde onderhoud aan de waterwegen, bestond het werk ook uit het aanleggen van nieuwe singels, sloten en andere voorkomende werkzaamheden.
De huidige Toutenburgsingel richting het oosten gezien in de herfst van het jaar 2018. Op de achtergrond is de boerderij te zien, die halverwege de negentiende eeuw op de plaats van de herberg is gebouwd.
Een andere ingrijpende gebeurtenis aan het einde van dat jaar was dat er niet alleen een singel vanaf Huize Ter Heyl richting de Leekster Dyk (de weg tussen Rhoden en Nientap, de huidige J. P. Santeeweg) werd aangelegd, maar er begonnen zich ook bouwactiviteiten te ontplooien aan de oostelijke zijde. Met het afbraakmateriaal van het huis Toutenburg dat zich destijds in Vollenhove (Overijssel) bevond, liet Willem de Lille een gebouw oprichten dat de naam ‘Tautenborg’ kreeg.
Zo zou de net gebouwde herberg annex winkel ‘Tautenborg’ er aan het begin van het jaar 1790 uit hebben kunnen zien. De breedte van het gebouw was ongeveer acht meter, de lengte bedroeg zo’n 12 meter en de hoogte zal ruim vijf meter geweest zijn.
Het gebouw, dat ongeveer aan het einde van de maand maart 1790 gereed was, kreeg de functie van zowel herberg en kroeg als een winkel. De ligging van het gebouw was zeker goed gekozen daar deze aan de weg tussen Roden en Nietap lag een gunstige plaats was om bijvoorbeeld de paarden van onder andere koetsen te verzorgen.
Enkele driedimensionale impressies van de herberg ‘Tautenburg’. Natuurlijk het blijft speculeren hoe het gebouw er daadwerkelijk uit heeft gezien, daar er geen afbeeldingen of een bouwtekening van de herberg hebben of nog bestaan.
Maar ondanks het vele speculeren over het uiterlijk van het gebouw, kunnen we vandaag de dag het een en ander aan de hand van oude sporen in de bodem reconstrueren tot een mooi plaatje. Toch het mooiste en duidelijkste bewijs van het oude gebouw zou de indrukwekkende kelder kunnen zijn, die in de voor de achttiende typerende bouwwijze is aangelegd. Op de onderstaande afbeelding is een impressie te zien van hoe het geweest zou kunnen zijn.
Met een klein beetje fantasie zou de herberg met de prachtige kelder er zo hebben uit gezien rond 1790.
De kelder die uitblinkt door de prachtige oude tegels, die rood/oranje en grijszwart gekleurd zijn, is waarschijnlijk aangelegd door vaklieden. Of het lokale arbeiders waren die goedkoper waren, of juist vakmensen (mijn vermoeden), zal altijd wel een raadsel blijven. Maar dat hier een puik stukje werk uit het einde van de achttiende eeuw ligt, moge duidelijk zijn.
Op de afbeelding zijn zowel de prachtige vloer- en wandtegels te zien als de forse muren. (De bovenstaande foto is gemaakt en geplaatst met de uitdrukkelijke toestemming van de eigenaar van het pand.)
Maar goed, de herberg met tap en winkelnering was inmiddels gereed voor gebruik. Hiervoor moest De Lille iemand aantrekken die het beroep van herbergier en kastelein kon en niet onbelangrijk, deze klus wilde vervullen. Om iemand voor het werk te vinden toog De Lille in april 1790 naar de Oude Boteringestraat in de stad Groningen, om bij boekdrukker A.S. Hoitsema een advertentie te laten plaatsten.
De advertentie van Willem de Lille in de Groninger Courant No. 32, Dingsdag Den 20 April 1790, tweede blad. Te Groningen by A.S. Hoitsema in de Oude Boteringe Straat.
Naast boekdrukker was Hoitsema ook uitgever van de Groninger Courant, de krant waar in de editie van 20 april 1790 op het tweede blad een oproep verscheen met het verzoek of iemand genegen was, om de Tap en Winkel-Neering plus de herberg te bestieren. De prachtig gelegen herberg bezat onder andere stallen, singels en een visvijver. Belangstellenden konden zich melden bij de opzichter van Huize Ter Heyl J. L. Lange. Twee weken later verscheen er in de editie van vier mei 1790 de advertentie nogmaals.
‘Iemand genegen zynde op voordeelige Conditien uit de Hand te Huuren, een zeer logeabele, voor Tap en Winkel-Neering wel gelegene Herberg, TAUTENBORG genaamt, met Stallinge, Hof en Veldgrond, Cingels en Vischvyver, alles nieuw getimmerd en aangelegd tusschen de Nientap en Rhoden in de Landschap DRENTHE, te aanvaarden op, May of November 1790, kan zig addresseeren op den Huize Ter HEIL, en aldaar aan de Opzigter J. L. LANGE. ‘
De prachtige ligging van de herberg rond 1790 aan het grote heideveld en naast een groot bos ten noorden van het esgehucht de Zulte.
De herberg werd dan ook als zodanig de volgende zestien jaar gebruikt. De vele verkopingen die in die jaren rondom het landgoed plaatsvonden, werden doorgaans op het terrein van Huize Ter Heyl of in de kroeg van Marten Harmens Vroom, de Druif, plaats. Zoals de onderstaande advertentie in de Groninger Courant van dinsdag 22 juni 1790 met een aanbesteding die het jaar ervoor nog op Huize Ter Heyl plaatsvond:
‘Op WOENSDAG den 30 Juny 1790, zal men ten Huize van de Kastelein MARTEN VROOM op de Nientap, des nademiddags te drie uuren, besteden het Graven van eenige honderd Roeden Vaart, boven het Sevenhuister Hoofddiep, en verder Aardwerk, waar van de Bestekken te zien op den Huize Ter Heyl.’
Zo komen wij negen jaren later in de Groninger Courant van dinsdag 1 januari 1799 een advertentie tegen waarin veel hout te koop aangeboden werd:
‘Uit de hand te Koop een groote quantiteit gekapt Elzen en Berken Hout van verschillende dikte en geschikt tot Paalen, Balksleeten, Hopstaaken, Bonestokken, Erfte, en Bezemrys, Takkenbossen, alsmede Korvemakers Twyg op TER HEYL by de Nietap.’
De omgeving van Huize Ter Heyl aan het begin van de negentiende eeuw, waar de vele bossen, veen, vijvers en weilanden het gezicht van het gebied wisten te bepalen.
Na de schaapsscheerderskou van het jaar 1805, laat de Lille schapen uit zijn kudde en de wol afkomstig van de dieren verkopen op Huize Ter Heyl. Waarschijnlijk het laatste jaar dat dit evenement in Ter Heyl plaatvond, daar in het volgend jaar deze plaats had nabij de herberg. De advertentie die verscheen in de Ommelander Courant van dinsdag 11 juni 1805, komen wij de onderstaande tekst tegen, die de Lille waarschijnlijk ook een jaar later enigszins aangepast weer gebruikte:
‘Uit de hand, Stukswyze en by de Party, te Koop een aantal Vachten of Vliezen uitmuntende witte WOLLE; door vermenging van inlandsche Ooyen met SPAANSCHE Rammen verfynd: Als ook een Jaarige Ram, en ondersscheydene Ram lammeren uit egt SPAANSCH Ras, van de eerste tot de vyfde generatie; geschikt tot voortteeling, en tot verfyning der inlandsche WOLLE; Benevens nog eenige Ooyen, en Ooy – lammeren desgelyks uit SPAANSCH Ras: Wie daar voor liefhebbery heeft, of gading in maakt vervoege zig van nu af aan op den Huyze TER HEYL, en aldaar by Albert Roelofs: Die het eerste komt gaat het eerst in de keur. ZEGT H E T VOORT.’
De advertentie zoals deze verscheen in het jaar 1805 op het voorblad van de Ommelander Courant No. 47 van Dingsdag den 11 Juny.
Het was ook rond deze tijd er ook veranderingen begonnen op te treden in de toenmalige Nederlandse spelling en de schrijfwijze. Het zogenaamde Nieuwnederlands dat in 1804 dankzij Matthijs Siegenbeek zijn invoering kende en er voor moest zorgen, dat de spelling de beschaafde Hollandse uitspraak van het woord moest weergeven; de Spelling-Siegenbeek.
Dat een eenduidige schrijfwijze nodig was, blijkt wel uit de onderstaande advertenties welke verschenen de drie regionale kranten die in de omgeving van de Zulte werden gepubliceerd. Het was niet dat men zich direct aan de voorstellen van Siegenbeek ging houden, nee verre van dat, dit zou pas geschieden in de jaren tachtig van de negentiende eeuw.
Het evenement dat op vrijdag 30 mei 1806 zou worden gehouden bij de herberg Toutenborg (of ‘Touterborg’ zoals de Ommelander Courant de herberg noemde). De eerste advertentie komen wij tegen in de Ommelander Courant van vrijdag 23 mei 1806, de volgende komt uit de Leeuwarder Courant die zaterdag 24 mei 1806 verscheen en de laatste werd in de Groninger Courant van dinsdag 27 mei van dat jaar geplaatst.
De advertentie die een jaar later verscheen in de Ommelander Courant No. 41, Vrydag den 23 May 1806, tweede blad. Te Groningen ter Boekdrukkery der Ommelanden, onder firma van Leonard Bolt.
‘Op Vrydag den 30sten Mey 1806. des namiddags te 2 uuren praecies zal in de Herberg Touterborg onder TER HEYL aan de Leeksterdyk tussen de Leek en Roden stukswyze aan de meestbiedende worden Verkogt een Koppel van tussen de 60 á 70 Schaapen met derzelver Vachten, alle geteeld uit egt SPAANSCH RAS, bestaande uit 20 Melk-Ooijen, ten hoogsten een, twee, of driemaal geschooren, met derzelver 30 zo Ram als Ooijlammeren, en 14 Guste Enterooijen, met een Jaarige Ram, meerendeels gebragt tot den hoogsten graad van verfijning der Wolle, en zynde alle gezond, en wel gevoed. De Liefhebbers van de Schaapeteelt en Wol-verfyning daar in gading makende vervoegen zig op tyd en plaats voorschreeven, en koopen hun genoegen !’
Leeuwarder Courant No. 2808, van Saturdag den 24sten May 1806, zevende blad. Te Leeuwarden by de Erven van A. Ferwerda, op de Eewal.
‘Op Vrydag den 30sten Mey 1806. des nademiddags te 2 uuren praecies zal in de Herberg Touterborg onder TER HEYL aan de Leeksterdyk tussen de Leek en Roden stukswyze aan de Meestbiedende worden Verkogt; een Koppel van tussen de 6o á 70 SCHAAPEN met derzelver VACHTEN, alle geteeld uit egt SPAANSCH RAS, bestaande in 20 Melk Ooyen, ten hoogsten één, twee á driemaal geschooren, met derzelver 30 zo Ram als Ooylammeren, en 14 Guste Enter Ooyen, met een Jaarige Ram; meerendeels gebragt tot den hoogsten graad van verfijning der Wolle, en zynde alle gezond, en wel gevoed. De Liefhebbers van de Schaapeteelt en Wol-verfyning daar in gading makende, vervoegen zig op tyd en plaatse voorschreeven, en Koopen hun genoegen.’
De advertentie in de Groninger Courant No. 42, Dingsdag den 27 May 1806, tweede blad. Te Groningen by A.S. Hoitsema, Drukker der Groninger Courant in de Oude Boteringe Straat.
‘Op Vrydag den 30sten May 1806 des namiddags te 2 uuren precis, zal in de Herberg Toutenborg onder TER HEYL aan de Leeksterdyk, tussen de Leek en Roden stukswyze aan de meest biedende worden verkogt: Een koppel van tussen de 6o en 70 Schaapen met derzelver Vachten, alle geteeld uit egt SPAANSCH RAS, bestaande uit 20 Melk ooyen, ten hoogsten een, twee, of drie maal geschoooren, met derzelver 30 zo Ram als ooylammeren, en 14 Guste Enterooyen met een jarige Ram; meerendeels gebragt tot den hoogsten graad van verfyning der Wolle, en zynde alle gezond en wel gegevoed. De Liefhebbers van de Schapeteelt en wolverfyning, daar in gading maakende vervoegen zig op tyd en plaats voorschreeven, en koopen hun genoegen.’
Waarschijnlijk was het evenement slechts een eenmalige gebeurtenis daar er niets meer over te vinden is in de latere jaren. Pas in het jaar 1810 komen we de herberg tegen in de regionale dagbladen. In de omgeving van het esgehucht de Zulte maakten aan het einde van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw eigenlijk maar twee mensen de dienst uit. Deze mensen, Floris Aukema bezat veel grond in de directe omgeving van het gehucht, en Willem de Lille, die ten noorden en in het westen grond in eigendom had.
Op de oude Franse legerkaart van 1810/1811 is goed te zien dat er veel bossen (geel gekleurd op de kaart) ten noorden van het brinkgehucht de Zulte stonden.
Naast dat er in het gebied rondom de Zulte veel drassige, natte gebieden en een kleine beek voorkwamen, waren de vele en grote bossen een ander kenmerk van het gebied. Bossen hadden grondbezitters niet veel aan; er viel niets aan te verdienen want niemand wilde ze pachten. Pas later in de achttiende eeuw kwam het besef dat er geld viel te verdienen aan het hout en als het bos was gekapt, kon er pacht worden geïnd.
Het hout dat nu veel waarde bezat, werd tijdens een veilig per ‘afslag bij afmijning’ verkocht. Deed Aukema dit bij de boerderij van Harm Vogelsang, de Lille zijn erfgenamen deden dit bij de herberg Toutenborg, waar kastelein Hendrik Caspers met de scepter zwaaide.
De advertentie die respectievelijk op vrijdag 2, dinsdag 6 en vrijdag 9 november 1810 in de Groninger Courant verscheen. (Te Groningen by A.S. Hoitsema, Drukker der Groninger Courant in de Oude Boteringe Straat.)
‘Men is voornemens op Maandag den 12 November 1810, aan de meestbiedende op Boelgoeds-Conditien te verkopen: Eene aanzienelyke kwantiteit EIKEN STAMBOOMEN, waar onder geschikt voor Molenmakers, Wagenmakers en Scheepstimmerlieden, inzonderheid tot Palissaden, Gordingen en allerhande Timmerhout, als mede diverze SCHELBOSSCHEN, alle staande in de Bosschen en op de Boeren Plaatsen onder den Huize Ter Heyl behorende, in ‘t Schoutampt van Rhoden, wie nader berigt en aanwyzinge begeerd, kan zich vervoegen by de Castelein HENDRIK CASPERS op Toutenborg, zullende de verkoping beginnen des voormiddags te 9 uuren. Z E G T H E T V O O R T. ‘
Vanzelfsprekend zou je haast gaan zeggen, komen wij de advertentie ook tegen in de Ommelander Courant. Eigenlijk verschilt deze maar weinig van die uit de Groninger Courant, maar toch zit er een wezenlijk verschil in. Vanaf maandag 9 juli 1810 hield het koninkrijk Holland op te bestaan en behoorde ons land tot het Frans Keizerrijk. Naast dat de Franse taal een nadrukkelijke stempel kreeg, immers wij maakten nu deel uit van Frankrijk, was een deel van de bevolking die terug ging naar oude Nederlandse benamingen van de maanden en waren geïnspireerd door de Franse republikeinse kalender. November werd nu door bijvoorbeeld Ommelander Courant ‘Slagtmaand’ genoemd.
De advertentie zoals deze in edities No. 89 en No. 90 van dinsdag 6 november en vrijdag 9 november 1810 in de Ommelander Courant werden geplaatst. (Te Groningen, by M. Van Heyningen Bosch, in de Oude Ebbinge-straat.)
‘Men is voornemens op Maandag den 12 van Slagtmaand 1810, aan de meestbiedende. op Boelgoeds-Conditien te verkoopen: Eene aanzienelyke kwantiteit EIKEN STAMBOOMEN, waar onder geschikt voor Molenmakers, Wagenmakers en Scheepstimmerlieden, inzonderheid tot Palissaden, Gordingen en allerhande Timmerhout, als mede diverze SCHELBOSSCHEN, alle staande in de Bosschen en op de Boeren Plaatsen onder den Huize Ter Heyl behorende, in ‘t Schoutampt van Rhoden, wie nader berigt en aanwyzinge begeerd, kan zich vervoegen by de Castelein HENDRIK CASPER op Toutenborg, zullende de verkoping beginnen des voormiddags te 9 uren. Z E G T H E T V O O R T.’
De hierboven genoemde Hendrik Caspers heette eigenlijk Hindrik Caspers Denkella en was zesenvijftig jaar oud. De in november 1754 te Zuidhorn geboren en op de zondag 8 december van dat jaar gedoopte Hindrik trouwde op zaterdag 1 januari van het jaar 1785 in Midwolde met de op donderdag 23 augustus 1764 in Roden geboren Elisabet Everdina Arnoldus. Het echtpaar woonde met hun zeven kinderen in het huis waarin ook het etablissement gevestigd was. Naast kastelein vervulde Hindrik Caspers ook de taak als opzichter in dienst van de eigenaren van Huize Ter Heijl. Hindrik overleed donderdag 20 januari 1842 in Terheijl op 87 jarige leeftijd, zestien jaren later dan zijn vrouw.
Niet alleen publieke verkopen vonden rond die tijd plaats in de herberg, ook verkopen tussen Cornelis Reijntjes die als gevolmachtigde van J.P. van Dedem douairière de Lille optrad, werden hier besloten. Johanna Philippina van Dedem tot den Gelder mocht zich douairière noemen, daar zij de weduwe van een edelman (haar eerste echtgenoot Arend baron Sloet tot Tweenijenhuizen was van adel) was. Reijntjes tekende op dinsdag 19 februari 1811 in Huise Tautenburg een koopbrief in opdracht een aantal percelen in gebruik onder beklemming van de 74 jaren oude en inmiddels in Leutingewolde wonende keuter en weduwnaar Cornelis Jacobs. Jacobs overleed enkele maanden later op maandag 15 juli 1811.
Ruim een maand later, op vrijdag 22 maart 1811, wordt de bovenstaande overdracht geregeld tussen Cornelis Reijntjes en Mr. G.W. van der Feltz provinciaal gekwalificeerd tot het waarnemen van de functie van notaris, aan wie de volmacht van Cornelis Jacobs aan de uit Leutingewolde afkomstige Otte Kornelis overhandigd was, in Toutenborg onder Zulte.
Enkele weken later, in het begin van de maand maart 1811, komen wij de herberg Toutenburg weer tegen. Of zou de herberg nu in het Frans als ‘Auberge Toutenburg’ genoemd worden? Niet zo’n rare gedachte, want wij zijn inmiddels een deel van het grote Franse keizerrijk geworden en de couranten in de omgeving noemen zichzelf al ‘Gazette’.
De Ommelander Courant die door M. Van Heyningen Bosch in de Oude Ebbinge-straat te Groningen werd uitgegeven, prijkte ‘Gazette D’Ommelande’ op de voorpagina en was tweetalig. De linker kolom was in de Franse taal, de rechter in het Nederlands. Althans op de voorpagina, de andere pagina’s waren nog steeds in het Nederlands.
Op zowel vrijdag 1 maart als dinsdag 5 maart 1811 komen wij in de Gazette D’Ommelande wederom een advertentie tegen, waarin wederom een aanzienlijke hoeveelheid hout op de domeinen van Huize Ter Heyl te koop wordt aangeboden.
Gazette D’Ommelande No. 18, Vendredi le 1 Mars 1811/Ommelander Courant No. 18, Vrydag den 1 Maart 1811, tweede blad. Te Groningen, by M. Van Heyningen Bosch, in de Oude Ebbinge-straat.
‘Men is voornemens op Zaturdag den 9 Maart 1811, dus voordemiddags te 9 uren, aan de meestbiedende op Boelgoeds Conditien te laten Verkoopen: Eene aanzienlyke kwantiteit DENNEN, ELZEN en BERKEN HOUT, liggen de alles gekapt op de Cingels en Plantagien van den Huize Ter Heyl, in het Schout-Ambt van Rhoden, digt by het Water, kunnende gemakkelyk naar elders worden getransporteerd; zeer geschikt voor alle Timmerlieden, Pompemakers enz. Wie nader berigt en aanwyzing begeerd, kan zich vervoegen by den Kastelein HENDRIK CASPERS, op Toutenburg.’
Rond deze tijd waren de advertenties in zowel de Gazette D’Ommelande als in de Gazette De Groningue (Groninger Courant) vrijwel identiek aan elkaar en zou het invoegen van de advertentie niets toevoegen. Deze verschenen op vrijdag 1 maart, dinsdag 5 maart en vrijdag 8 maart 1811.
In het Advertentieblad van het departement van de Wester-Eems No. 34, Donderdag den 24 October 1811, komen wij op het hoofdblad een aantal advertenties van de weduwe van Willem de Lille tegen. Het zijn de laatste berichten uit de negentiende eeuw waarin de herberg werd genoemd.
Advertentieblad van het departement van de Wester-Eems No. 34, Donderdag den 24 October 1811. Te Groningen, by M. Van Heyningen Bosch, in de Oude Ebbinge-straat, Redacteur en Drukker der beide Nieuwspapieren in het departement van de Wester-Eems. De prijs van ieder nummer is 4 duiten.
‘De ondergetekende is voornemens op Dingsdag den 5 November 1811, des voormiddags te 10 uren, door Mr. M. S. GRATAMA Keizerlyk Notaris te Assen, publiek aan de meestbiedende op de gewoone Conditien te doen verkoopen; Diverse aanzienlyke percelen EIKEN SCHELBOSSCHEN, staande in de Bosschen en Plantagien van den Huize Ter Heil, in de Gemeente van Rhoden, Canton Assen, en naby het water gelegen. Wie nader berigt en aanwyzinge begeerd, kan zich vervoegen by den Kastelein HENDRIK CASPERS op Toutenborg. J. P. van DEDEM, Douairière DE LILLE.’
‘De ondergetekende is voornemens op Donderdag den 7 November 1811 des voormiddags te 9 uren, publiek aan de meestbiedende op de gewoone Conditien te laten verkoopen: Een aantal EIKEN en ESSCHEN STAMBOOMEN, als mede diverse aanzienelyke percelen EIKEN SCHELBOSSCHEN, staande op de Ter Heilsche Boeren Plaatsen op de Zevenhuizen, Canton Hoofdplaats de Leek, digt by het water, kunnende gemakkelyk na elders worden getransporteert; wie nader berigt en aanwyzinge begeerd, kan zich vervoegen by den Kastelein HENDRIK CASPERS op Toutenborg. J. P. van DEDEM, Douairière DE LILLE.’
Kadastrale kaart van de Gemeente Roden. Sectie I, genaamd de Zulte, derde blad, 1832. Opgemeten door A. C. Meijer, Landmeter der Eerste Klasse.
Op de Kadastrale kaart van de Gemeente Roden, Sectie I, de Zulte, derde blad, komen wij de herberg tegen met de naam ‘Stouten-burg’. Het was inmiddels de zoveelste naam voor het gebouw dat in het midden van de negentiende eeuw werd gesloopt.
Toen rond het midden van de jaren negentig in de vorige eeuw de Noordenveldhal plaats moest maken voor woningbouw, verdween er niet alleen een oud gebouw, maar ook een stukje cultuur voor veel Roners. Immers, wie ouder is dan een jaar of 25 en destijds in Roden woonde, heeft hier gesport, rondgehangen of iets anders beleefd.
De Noordenveldhal in betere tijden.
Rond het einde van de jaren zestig in de twintigste eeuw groeide het dorp Roden als kool. Door de vele fabrieken die zich in en rondom het dorp vestigden, kwamen veel mensen die hier kwamen te werken met hun gezinnen te wonen. Hierdoor nam ook het aantal kinderen toe op de aanwezige lagere scholen, die spoedig uit hun voegen zouden barsten. Naast nieuwe scholen bleek er ook behoefte te bestaan aan een grote sporthal binnen het dorp. Dit bleek de honderdste sporthal van ons land te zijn.
Dat de Noordenveldhal de honderdste sporthal van ons land werd, bleef dan ook niet onopgemerkt en vele regionale en landelijke kranten besteden dan hier ook aandacht aan. En soms met een klein beetje geluk tref je nog iemand aan, die bij de feestelijke opening aanwezig was.
In de krant Trouw werd op vrijdag 6 december 1968 aandacht besteed aan het feit, dat de sporthal in Roden, de honderdste sporthal van Nederland zou gaan worden.
Het lawaai van hamers die met volle kracht op het metalen casco werden geslagen, bepaalden voor een groot deel van de zomeravonden van het jaar 1968 het geluid dat te horen was in de wijde omgeving van de Zulte. Menigeen die destijds nog een kind was en hier in de omgeving woonde, zal zeker met moeite in slaap zijn gevallen door het lawaai, dat door de arbeiders werd veroorzaakt. Een jaar eerder, na het besluit in oktober 1967 om de sporthal te gaan bouwen, had het gemeente bestuur van de toenmalige gemeente Roden besloten, dat de aanbesteding van de nog te bouwen sporthal door middel van een advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden bekend werd gemaakt.
De openbare aanbesteding van de toenmalige gemeente Roden zoals deze in het Nieuwsblad van het Noorden op vrijdag 3 november 1967 verscheen.
Maar zoals het betaamd voor, tijdens of na redelijk grote besluiten in de gemeenteraad van het dorp Roden, ontstond er weer een ‘relletje’ en kon het voorkomen dat de gemoederen hoog opliepen. Er werd dan ook niet door de een of de andere geschuwd om zijn gelijk te halen via een ingezonden stuk bij een krant. Hieronder is een ingezonden stuk te lezen dat zaterdag 4 november 1967 in de rubriek ‘Het woord is aan de lezer’ van het Nieuwsblad van het Noorden verscheen.
Maar goed, ondanks het gekissebis op de achtergrond loopt het project als een trein en in tegenstelling tot vandaag, blijkt zelfs dat de aanleg van de sporthal maar liefst vijftigduizend gulden goedkoper uitvalt dan verwacht. Heden ten dage is dit al een fors bedrag, maar zeker zo’n 51 jaar geleden was dit een zeer grote meevaller.
Nieuwsblad van het Noorden zaterdag 20 januari 1968.
In het jaar 1968 werd er dan ook daadwerkelijk met de bouw van de sporthal begonnen in de Zulte naast de boerderij van Job Diek, zoals de veehouder J. Dijk door de inheemse bevolking genoemd werd. Iets oostelijk van de bouwplaats bevond zich de kleuterschool ’t Wilgekatje en de bouwactiviteiten die hier plaatsvonden, zullen menig kleuter betoverd hebben.
Artikel uit het Nieuwsblad van het Noorden dat zaterdag 29 juni 1968 in de krant verscheen, waarvan de bijgaande tekst als volgt luidde: De nieuwe sporthal in Roden staat er momenteel nog wat magertjes bij: men kan zijn ribben tellen! Maar dat zal niet zo lang meer duren, want dit najaar zal de hal klaar voor gebruik zijn. Links op deze luchtfoto ziet men de kleuterschool ’t Wilgekatje, dan de Lijsterbesstraat van links onder naar midden boven. Rechts op de foto de boerderij van de heer J. Dijk. Van links midden naar rechts onder loopt de Cederlaan. Geheel in de hoek rechts beneden ziet men nog net iets van de bomen langs de Leeksterweg. Boven aan de foto een deel van de bebouwing in het uitbreidingsplan Zulthe 11. („AF OPHOTO EELDE” foto Conens).
Op zaterdag 21 december 1968 was het dan zover. De nieuwe sporthal heet nu de Noordenveld-hal en werd die zaterdag feestelijk geopend, waarbij menig inwoner van Roden aanwezig was. Het artikel dat in het Nieuwsblad van het Noorden verscheen, staat in zijn geheel hieronder.
Afbeelding van de Noordenveld-hal uit het Nieuwsblad van het Noorden van maandag 23 december 1968.
Noordenveld-hal in Roden de 100ste.
Sporthallen volgen elkaar nu steeds sneller op.
(Van één onzer verslaggevers)
Met vliegend vaandel en slaande trom heeft Roden zaterdag de Noordenveldhal als 100ste sporthal in Nederland in gebruik genomen. Zaterdagmiddag volgde Oegstgeest met de 101ste hal. Staatssecrearis mr. H. J. van de Poel riep in Roden het muziekkorps binnen door een druk op de bel na zijn rede, waarin hij zich verheugde over de steeds snellere opeenvolging der sporthallen in ons land. Van de 100 nu in gebruik zijnde hallen werden er 76 de laatste drie jaar gerealiseerd; de eerste 24 hallen kwamen in 12 jaar tot stand.
Staatssecretaris Van de Poel wees er op, dat de Nederlandse weersomstandigheden onmiskenbaar hun stempel op de sportbeoefening drukken. Zo dreigt veldhandbal geheel te verdwijnen ten bate van zaalhandbal, terwijl ook andere zaalsporten snel opkomen. Tien jaar geleden telde ons land een miljoen georganiseerde sportbeoefenaars, nu meer dan twee miljoen. Verheugend achtte mr. Van de Poel het daarbij, dat nu ook de ouderen meer en meer aan sport gaan doen, waarbij hij verband De nieuwe sporthal legde met de opkomst der zaalsporten.
Nieuwsblad van het Noorden van maandag 23 december 1968.
125 200 300
Lange tijd heeft men in Nederland de behoefte aan sporthallen op circa 125 gesteld (één per 100.000 inwoners). Nu dit cijfer over enige maanden bereikt zal zijn, wordt de behoefte al geraamd op tenminste 200. Voor een iets verdere toekomst kwam de staatssecretaris tot een prognose van 350 sporthallen in Nederland. Burgemeester M. Bushoff van Roden, die talloze gasten had te verwelkomen, filosofeerde in zijn inleidend woord over de verhouding tussen sport en cultuur de eeuwen door, van de oude Grieken via de Romeinen en de middeleeuwen tot in onze tijd toe. Hij deed dit, omdat Roden binnenkort ook het cultureel centrum Winsinghof zal openen. Hij kwam tot de conclusie, dat we dankbaar moeten zijn te leven in deze tijd, waarin meer dan ooit kan worden tegemoetgekomen aan de wensen van verschillende categorieën onder de bevolking en waarin aan zoveel aspecten van de samenleving kan worden gewerkt.
Nieuwsblad van het Noorden van maandag 23 december 1968.
Kosten 1.132.268.
De Noordenveld-hal heeft een obstakelvrije hoogte van zeven meter en een speelveld van 28 bij 48 meter, waarop velden zijn uitgezet voor volleybal (3—4), basketbal (2—3), badminton (5—9), zaalhockey, zaalvoetbal, zaal- handbal, microkorfbal (elk één veld), tennis (3—4). Boven de kleedkamers is een vaste tribune voor 600 bezoekers, die met demontabele tribunes tot 1000 zitplaatsen is uit te breiden. Het restaurant met uitzicht op de speelvelden biedt plaats aan 80 bezoekers. Bij de bouw is rekening gehouden met gebruik van het geheel voor exposities en congressen. De totale bouwkosten beliepen inclusief grond, parkeerterrein en dergelijke 1132.268.—, waarin de Nederlandse Sportfederatie een subsidie van 75.000.— uit de toto-pot gaf, waarvan 50.000.— fonds perdu en 25.000.— als renteloos voorschot gedurende 20 jaar. Jhr. mr. A. Feith, voorzitter van de NSF, kwam deze bijdrage zaterdag symbolisch aanbieden. De architectuur van de Noordenveld- hal was van de Dienst Gemeentewerken te Roden. De bouw van de hal begon maart van dit jaar. Hoofdaannemer was Siersma’s Bouwbedrijf uit Tolbert, dat mede namens de andere bouwers, zaterdag een scorebord aanbood. De plaatselijke verenigingen zorgden bij monde van de heer Vos voor een klok.
Nieuwsblad van het Noorden van maandag 23 december 1968.
Enkele jaren later, in het jaar 1971, komen we een bericht in de krant tegen, waarin duidelijk wordt hoe de toenmalige wethouder van Roden Y. de Boer (Gemeente Belangen), de beheerder-exploitant van de hal de heer Jager op een niet zo’n nette wijze buitenspel heeft gezet.
Het artikel dat op vrijdag 29 oktober 1971 in het Nieuwsblad van het Noorden gepubliceerd werd.
Aan het eind van het jaar 1971 komen wij een artikel in het Nieuwsblad van het Noorden tegen, waarin de heer Jager zijn weerwoord kan vertellen. En niet zo verwonderlijk komen wij een term als ‘vriendjespolitiek’ tegen. Iets wat in het verleden samen met het behartigen van de eigen belangen, in de ogen van een groot aantal inwoners van het dorp Roden aan een aantal wethouders is blijven kleven.
Nieuwsblad van het Noorden, Woensdag 29 december 1971.
Een groot voorrecht dat de families en de adel voor hen als grootgrondbezitter destijds bezaten, was het verkopen van hout dat zich op hun grondgebied bevond. Zo komen wij al vanaf het midden van de achttiende eeuw advertenties, ook wel ‘Bekentmakingen’ genoemd, tegen in de lokale kranten waarin het hout te koop wordt aangeboden. Het is dan vooral de heer W. baron van In- en kniphuisen, heer van Nienoord, Enum en Aykema, die verkondigd dat hij ‘5 à 600 zware eyken stambomen en eykenschilbossen bij havesaat, het huys Ter Heyl genaamt, en in ’t Noordholt onder Roon in ’t Landschap Drenthe geleegen’ wenst te verkopen. Waarschijnlijk werd het enorm grote oerbos ten oosten van het brinkgehucht de Sult bedoeld, dat het Groot Noordholt heette.
De hierboven aangehaalde advertentie uit de Opregte Groninger Courant van vrijdag 24 december 1762, waarin de heer W. baron van In- en kniphuisen, heer van Nienoord, Enum en Aykema bekendmaakte dat hij vijf tot zeshonderd zware eiken te koop aanbood.
Doorgaans werden grote percelen bos, vaak aangeduid in het aantal bomen op den wortel, publiekelijk geveild. De bomen werden dan per afslag bij ‘afmyning’ verkocht aan diegene die het genoemde bedrag de juiste prijs vond van het hout. Afmijning of afmyninge is een veiling waarbij een product op een te hoge prijs wordt ingezet, waarna de prijs daalt totdat iemand akkoord gaat. Wanneer deze akkoord gaat met de prijs, riep de koper ‘mijn of mient’.
Voor de eigenaar van de percelen bos die verkocht werden bracht niet alleen het hout geld in het laatje, de door de bomenkap vrijgekomen grond kon op hun beurt weer verpacht worden aan kleine boeren, die er bouw- of grasland van maakten. Het voordeel hiervan was dat de eigenaar amper of geen moeite hoefde te doen om de gronden te bewerken en zodoende te blijven onderhouden en hij kreeg er pacht voor. Dit was naast het geld dat hij verdiende aan het verkopen van het hout, een extra bron van inkomsten van een perceel dat anders enkel geld kostte.
Maar niet alleen leverde het kappen een verdienste op voor de eigenaar, het leverde ook nog eens een stuk werkgelegenheid op voor de arbeiders in de directe omgeving. De bomen moesten worden gekapt, de wortels dienden uit de grond te worden gehaald, de stam moest van de kruin en de takken ontdaan worden, waarna ze gereed werden gemaakt voor transport. Dan werden de bomen vervoerd naar bijvoorbeeld een zaagmolen waar er planken en balken voor aannemers, molenbouwers, meubelmakers of scheepshout van werd gemaakt. Vandaag de dag roepen dit soort massale boomkapacties veel weerstand op onder de bevolking, maar destijds was het een belangrijke economische stimulans in het gebied. Met principes vul je geen hongerige magen. Het is dan ook niet zo verbazingwekkend dat er vandaag de dag nog maar weinig sporen terug zijn te vinden van de enorme bossen die het gebied eens kenmerkten.
Op de afgebeelde oude Franse legerkaart uit het begin van de negentiende eeuw is goed te zien hoeveel bossen, die geel ingekleurd zijn, zich in de omgeving van de Zulte bevonden.
Vanaf het jaar 1790 komen wij dan regelmatig advertenties in de regionale dagbladen tegen van de familie Aukema, waarin met name grote eiken te koop worden aangeboden. Vooral in de Zulte, waar zich destijds enorm veel grote en zeer oude bossen bevonden (afbeelding hierboven), heeft de familie Aukema behoorlijk veel geld verdient aan het verkopen van het hier aanwezige hout en daardoor voor veel werkgelegenheid gezorgd. Door de werkgelegenheid die door het kappen van de bomen ontstond, trokken ook arbeiders uit de verre omgeving richting Rhoden, zoals het dorp inmiddels werd beschreven. De arbeiders namen vaak hun gezin mee, zochten onderdak en zullen bij menig grondeigenaar een kleine woning of perceel hebben gehuurd.
Naast het kappen van de grote eiken werden ook de kleinere eiken gerooid om te schillen. Arbeiders die de bast van de eiken schilden werden ‘Eekschillers’ genoemd. Als de bast van de boom af was gehaald, werd deze gedroogd en kon de eikenschors, ook wel eekschors of bark genoemd, vervoerd worden naar een zogenaamde barkmolen. Hier werd de bark door molenstenen fijngemalen waarna er door water aan toe te voegen, de ‘run’ ontstond. Run werd gebruikt om dierhuiden te looien. Waarschijnlijk werd de bark naar de stad Groningen vervoerd, waar zich een ‘Barckmeulen’bevond aan de oostzijde van het Winschoterdiep. Ze konden daar zien wanneer de molen bark aan het malen was doordat dan alle deuren van de molen openstonden. Zodoende konden de huid-irriterende stoffen die vrijkwamen tijdens het maalproces, snel wegwaaien.
Blijkbaar was de tweeënzeventig jarige Floris Aukema toch behoorlijk in zijn wiek geschoten, toen zijn advertentie van dinsdag 23 november 1790 in de Groninger Courant niet klopte (zie afbeelding hieronder). Het kan ook zijn dat de advertentie gewoon niet correct geplaatst was, iets dat wel vaker in die tijd voorkwam. Onleesbare handschriften, een slecht verstaanbare uitspraak of een onoplettende letterzetter zorgden nogal eens voor onduidelijkheid. Bij de laatstgenoemde werd de schuld snel doorverwezen naar het ‘zetduiveltje’, een term die gebruikt werd wanneer er zich fouten in het zetwerk hadden voorgedaan.
De advertentie van dinsdag 23 november 1790 in de Groninger Courant waarin Flerys Ankema voornemens is om 500 zware eiken stambomen op de Zulte publiekelijk te verkopen. Dat Floris Aukema niet tevreden was met het geplaatste bleek wel, toen drie dagen later een verbeterde versie van de advertentie in dezelfde krant verscheen. me.wordp
Maar goed, laten wij de advertentie van die bewuste dinsdag 23 november 1790 eens gaan bekijken: ‘FLERYS ANKEMA is voornemens publyk te laten Verkoopen , om de 500 zware en lange opgaande Eiken Stambomen , zeer geschikt voor Aannemers , als mede Scheepstimmer , Wagen , Molens en Kromhout , op Woensdag den 1 December 1790 , des morgens om 9 uur op de Zulte , na voor te lezene Conditien’. Het zal Floris, die in de advertentie ‘Flerys Ankema’ genoemd werd, zeker niet hebben behaagd om verkeerd benoemd te worden in de krant. ‘Oh mijn God’, zal hij hebben gezegd en na een diepe zucht, zijn tweede vrouw Lammechien Smeengh bij zich hebben geroepen, waarna de landbouwer zijn beklag bij haar deed over het gepruts bij de krant.
Het kan natuurlijk ook de in zijn ogen
onduidelijkheid van de advertentie geweest zijn, die hem totaal niet zinde.
Floris zal een stuk papier, een pen en inktpot hebben gepakt en zich voorover
hebben gebogen om een nieuwe advertentie te schrijven. Nadat hij het geschrifte
en aantal malen goed doorgelezen had, zal hij ervoor gezorgd hebben dat de nu
correcte advertentie bij de krant kwam.
Drie dagen later, op vrijdag 26 november 1790, stond er een verbeterde versie van de advertentie in de Groninger Courant en de godvrezende landbouwer uit Leutingewolde zal deze met een instemmende knik hebben gelezen: ‘FLORYS AUKEMA is voornemens by Uitmyninge te laten Verkoopen , om de 500 zware en lange opgaande Eiken Stambomen , zeer geschikt voor Aannemers , als mede Scheeps , Molen , Timmer en Kromhout , staande op de Wortel in deszelfs Bosschen tot de Zulte 1/2 uur van de Leek op Woensdag den 1 December 1790 , des morgens om 9 uur te beginnen by ’t huis van Harm Vogelsang , na voor te lezene Conditien’.
De desbetreffende en verbeterde advertentie van Floris Aukema in de Groninger Courant van vrijdag 26 november 1790, die een stuk duidelijker qua informatie.
Het huis dat in de advertentie vermeld werd en waar de toen tachtig jarige Harm Vogelsang woonde, lag ongeveer 400 meter noordelijk van het brinkgehucht Zulte nabij de oude weg tussen de Boschkampe en de herberg Toutenburg en droeg de naam ‘Vogelsang’. Op de plaats waar het oude huis stond is in de jaren negentig van de vorige eeuw en nieuw huis geplaatst met de naam ‘Old Voochelsang’. De familie Vogelzang dankt hun familienaam daarnaast ook aan de oude boerderij.
Locatie en informatie over de Barckmeulen kunt u HIER vinden.
Aan het einde van de achttiende en in de eerste jaren van de negentiende eeuw waren het roerige tijden in het noorden van Drenthe. De storm die onder het Uitvoerend Bewind der Bataafsche Republiek vanaf negentien januari 1795 huishield in ons land ontzag niets en op bestuurlijk gebied veranderde er nogal wat. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden had opgehouden te bestaan en erfstadhouder Willem V was uitgeweken naar Engeland. Ook het Noordenvelder dingspel, ook wel het Vyfde dingspel of dingspel Nordevelt genoemd, dat het vijfde van de zes dingspelen van het Landschap Drenthe was, bestond niet meer. Althans in staatsrechtelijke vorm waren ze verdwenen. De veranderingen die hier plaats vonden waren een behoorlijk stuk minder gewelddadig dan in Frankrijk, waar de adel veel moeite moest doen om het hoofd er bij te houden. Nu moet gezegd worden dat de adel in de republiek niet de macht bezat zoals de Franse adel deze in handen had en de Nederlander voor die tijd over veel vrijheid beschikte. De vrijheid die de Nederlanders in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden bezaten, verrasten de buitenlanders keer op keer en dit leverde op zijn beurt weer de meest vreemde situaties op. Met name de bezoekers die gewend waren aan de nodige eerbied en respect vanwege hun afkomst, kwamen regelmatig in aanvaring met mondige en soms zelfs boze burgers.
Het noorden van het Vijfde dingspel afgebeeld op een kaart die in het jaar 1781 vervaardigd werd. Op deze kaart is goed te zien dat er nabij de Sult (Zulte) en het dorp Roon (Roden) veel bossen voorkwamen. Het waren met name de bossen rondom het buurtschap Zulte waaraan de uit Luddingwolde (Leutingewolde) afkomstige familie Aukema behoorlijk aan verdiend heeft.
In het boek “Geschiedenis van de Lage
Landen: Voorspoed en twist” dat door Jaap ter Haar geschreven is, doet zich
zo’n voorval voor in de zeventiende eeuw. ‘Gott im Himmel!’ roept een
Duitse vorst verschrikt uit, als hij tijdens de jacht onbezorgd over een akker
rijdt. Opeens ziet hij een boer met een mestvork op zich afkomen en uit alles
blijkt, dat die kerel nijdig is: ‘M’n land af, hier en gunder!’. De
Duitse vorst is dit niet gewend en dient een klacht tegen de boer in. Echter de
boer wordt in het gelijk gesteld, iets wat de edelman niet gewend is in zijn
thuisland.(1)
Maar er hing iets in de lucht in de Republiek
der Zeven Verenigde Nederlanden zo rond het einde van de jaren zeventig in de
achttiende eeuw. Met de economie gaat het slecht, het politieke systeem is
corrupt en ondoorzichtig. Het land wordt geregeerd door regenten die
voornamelijk hun eigenbelang beschermen en een stadhouder, Willem V, die weinig
tot niets doet voor het volk. Het leek wel een veenbrand dat langzaam, maar
gestaag door smeulde en elk moment aan de oppervlakte kon komen.
In de op het oog zo rustig ogende republiek broeide er iets onder de gegoede burgerij, die zichzelf patriotten noemden en veelal uit christelijke kringen afkomstig waren. Men was de volledig regerende autoriteit van erfstadhouder Willem V, die de corrupte en de ondoorzichtigheid van het land in stand probeerde te houden, meer dan beu en begonnen zich te roeren. De regenten die zich thuis voelden in het toenmalige politiek stelsel en er helemaal geen belang bij hadden dat hun eigen belangen en de daarbij behorende baantjescarrousels in gevaar kwamen, bleven vanzelfsprekend de zwakke Willen V steunen. Ook het gewone volk, spottend door de patriotten het ‘lagere volk’ genoemd, steunde toch liever de erfstadhouder dan de gegoede burgerij, waar zij doorgaans meer last van hadden dan de corrupte regenten. De regenten vormden samen met het gewone volk de orangisten.
Op de kaart die gemaakt is door Johannes Allart en uit het jaar 1791 stamt, is het noordoostelijk gedeelte van het Vijfde dingspel te zien. Opvallend is toch wel dat het dorp Roden op de kaart nog ‘Roon’ heet en in ambtelijke stukken en bijvoorbeeld advertenties inmiddels ‘Rhoden’ werd genoemd. Doordat de kaart minder gedetailleerd is dan de kaart uit het jaar 1781, ontbreken bijvoorbeeld de buurtschappen Leutingewolde en de Zulte op de afbeelding.
Of er ook van dit soort sentimenten bij de bevolking van het kleine dorp Roden en de bij het dorp behorende buurtschappen en gehuchten hebben geleefd? Ik heb werkelijk geen idee, maar het zou mij niets verbazen. Natuurlijk zullen er onder de ruim duizend zielen bepaalde sentimenten hebben bestaan tegen bepaalde families, die veel grond in hun bezit hadden en daardoor veel macht, maar het patriottisme zoals het op andere plaatsen de kop begon op te steken, zal hier minimaal zijn geweest. Ik zekere zin was de arbeider, de schaapherder en de keuterboer afhankelijk van deze families en het idee achter een gezegde dat sprak van ‘in een voedende hand bijt je niet’ heerste onder het werkvolk. Daarnaast werd er vanaf de kansel in de kerk natuurlijk op gewezen dat de gewone man God en machtige families in de wijde omgeving dankbaar mochten zijn voor het dagelijks brood. Nee, voor de sentimenten die in de grotere steden binnen de republiek leefden was hier geen plaats. Sterker nog, de band tussen de hier aanwezige regenten en de gegoede burgerij was door bijvoorbeeld onderlinge huwelijken zo sterk geworden, dat de strijd tussen de patriotten en orangisten iets was dat niet bestond.
Eén van deze families zetelde in Leutingewolde en bezat enorm veel grond in de omgeving van het door Roden. Vanaf de Matsloot tot aan de karspelgrens met Norg bezatten zij direct of indirect landerijen en menigeen was afhankelijk van grillen van de rijke Aukema’s. ‘Geld zoekt geld’ was een wijd verspreid gezegde wanneer er iemand uit een andere machtige familie met één van de leden uit de familie Aukema trouwde. Zo wist de familie de touwtjes strak in handen te houden en men wist, dat hun macht ongenaakbaar was. Geleidelijk vloeiden de families Deodatus, Krijthe en Winsingh in de familielijn van de Aukema’s, waardoor hun positie binnen de gemeenschap nog steviger werd. De rol van de eens zo machtige Groningse familie van Ewsum, die van 1480 tot 1721 op de havezate Mensinghe woonde en van daaruit de wijde omgeving bestierde, was tanende en het machtsvacuüm dat dreigde te ontstaan, vulden de families gretig op.
In de jaren tachtig en negentig van de achttiende eeuw wordt de steeds groter wordende macht van de grootgrondbezitters uit de familie Aukema erg duidelijk doordat de familie bijvoorbeeld veel boerderijen met bijbehorende landerijen bezatten, die verhuurd werden aan onder andere keuterboeren en meyers. In die tijd sprak men nog niet van huren maar van ‘beklemmen of pachten’.
Zowel beklemming als pacht zijn in wezen bijzondere vormen van verhuur van ontroerend goed. Van beklemming was sprake wanneer men het land van een andere gebruikte en de bevoegdheid had om daarop een huis, schuur en beplanting te hebben. Deze laatste waren het eigendom van de gebruiker, meier, meijer of meyer genaamd. Voor het gebruik betaalde hij jaarlijks een huursom en in geval van vererving, huwelijk of overdracht van het recht eveneens een bedrag of een geschenk in natura. Hierbij kunnen wij denken aan een jaar extra huur, een gedeelte van de opbrengst van de oogst of hooi en vee, waarbij deze afdracht de naam ‘geschenk’ droeg.(2)
Het recht van beklemming was eigenlijk alleen in de provincie Groningen bekend. Echter het recht van beklemming kwam ook voor in de omgeving van Roden, iets wat te lezen viel in een advertentie van notaris Mr. A. Homan te Assen uit 1832, waarin aangekondigd werd dat de korenmolen te Rhoden publiekelijk zal worden geveild (zie afbeelding hieronder).
De advertentie uit de Groninger Courant van dinsdag 31 januari 1832 waarvan de heren Mr. C. A. den Tex en Mr. J. van Hall melding maken in hun boek “Nederlandsche jaarboeken voor regtsgeleerdheid en wetgeving, zevende deel” in 1845.
Ook de Mr. C. A. den Tex en Mr. J. van Hall maken in het boekwerk “Nederlandsche jaarboeken voor regtsgeleerdheid en wetgeving, zevende deel” melding van deze advertentie. Vervolgens haalt één de schrijvers een vroegere eigenaar van een groot landgoed onder de gemeente Rhoden aan, waarvan de bezittingen ook over de grenzen van Drenthe tot in de provincie Groningen uitstrekten. De beste man had veel landerijen in huur uitgegeven met het recht daarop te timmeren en daardoor deze landerijen in beklemming had uitgegeven, ondanks dat het woord niet in het contract gebruikt werd.(3) Wellicht was deze eigenaar een lid uit de familie Aukema of had zich in de familie gehuwd? Wie het weet mag het zeggen.
De term ‘beklemt’ komen wij echter al tegen in het Drentse land in een advertentie uit de Groninger Courant van vrijdag 1 januari 1779 tegen: ‘De Landschryver W. H. ERKENSWYK , als Curator in den Grasvelligen Boedal Wylen Drossart P. Hamming en Vrouw Kristina Kleinbout , voor zoo verre de goederen daar van in het Landschap geleegen zyn , is voornemens op Maandag den 18 Januari 1779 , des avonds te 5 uren , ten Huize van den Scholtes Alingh te Rhoden , publyk by opslag te doen Verkoopen. I. Een Plaatse op den Nientap , onder Rhoden geleegen , Thedema genaamt , met zyn lusten en lasten , zoo in diervoegen als by Mr. J. H. de Raad onder zyn behuizinge Beklemt word gebruikt. II. De Legekamp , met Elsenbroek en Waardeel , op de Nientap , zoo by Jan Hindriks Wyema , onder zyn behuizinge Beklemt word gebruikt’. Landschrijver W. H. Erkenswijk, was een rechtsgeleerde en bekleedde de functie als griffier van de etstoel, dat tot 1791 het hoogste rechtscollege in het Landschap Drenthe was.
De advertentie uit de Groninger Courant van vrijdag 1 januari 1779 die hierboven aangehaald wordt.
Hij veilde als curator de bezittingen van de wijlen Groninger steenkoopman Peter Hamming, ook wel Pieter Hammink of Hamminck genoemd, die de titel Drossart (drost) van de Hoge Justitiekamer bezat en in december 1775 te Groningen in zijn woning aan de Oude Boteringestraat was overleden. Hamming zal de titel hebben mogen gebruiken omdat hij het grootburgerschap van de stad Groningen bezat en dat hem toegang tot de hoogste ambten van de stad gaf. Zijn weduwe, Kristina Kleinbout die ook wel Renske Christina Kleenholt, Renske Christina Kleinholt en Renscke Kleinholts genoemd werd, weigerde de erfenis van haar man vanwege de enorme schuldenlast te aanvaarden en daarom werd de boedel per opbod geveild. De koper diende daarbij zowel de lusten als de lasten op de koop toe te nemen.
De uit Breda afkomstige luitenant Jan Otto Fredzes en diens echtgenote Anna Maria van der Horst kopen het huis Vredeveen met het landgoed voor 9.000 gulden. Het huis was destijds één van de grootste boerderijen in Nietap en mocht de toen beklemde landbouwer Jan Hindriks Wyema hier blijven wonen. Plaatse Thedema zal gekocht zijn door de beklemde meier J. H. de Raad, die hier al woonde.
Een gedeelte van kaart van het landgoed Vredeveen tussen Nietap en Ter Heijl die stamt uit de jaren zeventig van de achttiende eeuw.
Nu is het op zich niet zo verwonderlijk dat
Groningse gebruiken en rechtsvormen zoals het beklemrecht in de omgeving van
Roden voorkwamen. Weliswaar lag er op papier een grens tussen de Kop van
Drenthe en het Westerkwartier, maar in de praktijk bestond deze niet. Typerend
is ook dat het dialect wat in de streken ten noorden en noordwesten van het
dorp Roden nog gesproken wordt, eerder een Westerkwartiers accent bezit dan de
typisch Drentse tongval. Nee, de grens tussen de Kop van Drenthe en het
Westerkwartier hield niet op bij ’t Piepke del.
(1) Geschiedenis van de Lage Landen Deel 3: Voorspoed en twist. Jaap ter Haar, Uitgeverij Ten Have, 2008. ISBN 9789025954697.
(2) Het Noorden in
het midden: opstellen over de geschiedenis van de Noord-Nederlandse gewesten in
Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. de Boer, D. E. H. (ed.), Nip, R. I. A. (ed.)
& van Schaïk, R. W. M. (ed.) 1998 Assen: Koninklijke Van Gorcum, 1998.
ISBN 90-232-3383-2.
(3)Nederlandsche jaarboeken voor regtsgeleerdheid en wetgeving, verzameld en uitgegeven door Mr. C. A. den Tex en Mr. J. van Hall. Zevende deel. 1845.
Dat de schaapskudden van de Zulte en Terheijl voornamelijk uit Drentse heideschapen hebben bestaan is zeer aannemelijk te noemen, daar er zeer veel heide in de omgeving van de twee buurtschappen voorkwam. De kudden werden dan ook door een schaapsherder met zijn honden naar de heidevelden gebracht en waar de dieren zich voedden met alles wat voor hen eetbaar was. Het dier was in de eerste dertig jaren van de negentiende eeuw het meest voorkomende schapensoort in de provincie Drenthe. Ook in de omgeving van het dorp Roden waren veel van de dieren heideschapen, die op omringende heidevelden gehoed werden. Maar niet in alle delen van de voormalige gemeente werden dit soort schapen gehouden. Immers, een van de voorwaarden waar een gebied aan moest voldoen om zo’n kudde te herbergen was heide. In het noordoosten van de gemeente kwam geen heide voor en delen van het gebied bestonden uit lage veengebieden zoals in de omgeving van Roderwolde, richting Peize en ook verder richting het noordwesten nabij Leek. In deze gebieden troffen we vooral weideschapen aan, die niet zoals het heideschaap in kudden over de heide gingen, maar in groepen van zo’n twaalf dieren in groene weilanden werden geweid.
Het Drents heideschaap was aan het einde van de achttiende en tijdens de aanvang de negentiende eeuw het schaap waaruit de schaapskudden van de Zulte en Terheijl bestonden. Het was kleine langstaartig schaap met horens met lang, grof wol en uitermate geschikt was om over het ruige heideveld nabij het brinkgehucht de Zulte te weiden. Het schaap op de afbeelding is een vrouwelijk exemplaar, ook wel een ooi genoemd en behoort toe aan de Stichting Schaapskudde Exloo.
De Drentse heideschapen werden slechts eenmaal per jaar geschoren en dat vond doorgaans in het midden van de maand juni plaats, soms iets vroeger maar het liefst iets later en dit was behoorlijk afhankelijk van het weer. Deze periode die mijn vader altijd de ‘Schaopscheerderskaolde’ noemde en in het Nederlands de ‘Schaapscheerderskou’ wordt genoemd, had betrekking op een koele periode die met enige regelmaat optreedt tussen 5 en 20 juni. In deze periode is het vaak bewolkt en relatief koud en kan er zelfs nog nachtvorst optreden. Doordat het rond die periode veelal bewolkt is onder invloed van een lagedrukgebied, waardoor er boven de nog relatief koude Noordzee in deze tijd van het jaar vaak een grijs wolkendek of een gebied met mist ligt, dat met de noordwestelijke stroming over ons land trekt. Het grijs wolkendek zorgt ervoor dat de felle zon verdwijnt en de koude wind het land in zijn greep houdt. Omdat de felle juni zon achter de wolken zit, zorgt het sombere weer ervoor dat de schapen niet direct aan de zon worden blootgesteld.
Bij de twee hierboven afgebeelde ooien die beiden behoren tot het kleine langstaartige of heideschaap, zijn de verschillen die tussen de twee categorieën duidelijk zichtbaar. Bovenaan de afbeelding is de witte variant van het schaap te zien, dat enkel in kleur van de zwarte variant verschilde en onderaan de afbeelding is een ooi van de zogenaamde bruine variant de vossekop afgebeeld door etser D. Sluyter. Deze variant kenmerkt zich door de zwarte kop en poten, waarbij de vacht een lichte tot witte kleur bezit.
Voordat de schapen geschoren werden, dienden ze gewassen en schoongemaakt te worden. Het spreekt voor zich dat deze handelingen nodig waren om schone wol te verkrijgen, waarbij het vuil uit de wol gewassen werd en de aanhangende verontreinigingen verwijderd werden. Het Esmeertje nabij in de toenmalige gemeente Norg gelegen was hier zeer geschikt voor en tegen betaling van twee stuivers werden de dieren gewassen. Het voordeel hiervan was, dat alle schapen min of meer op dezelfde manie gewassen werden. Nu werden destijds enkel de schapen gewassen die over een zogenaamde open of holle vacht beschikten en de dieren die een dicht wollige vacht bezaten niet. Dit had er mee te maken, dat het water maar slecht door de dichte wol gaat en als dit toch gebeurde, de vacht van het dier zeer lang vochtig blijft. Het wassen had enige dagen voor de schering plaats, waardoor de wol geheel droog moest zijn, als deze ondernomen werd. Zowel het wassen als het scheren diende met te doen bij droog en enigszins warm weer, deed men dit echter bij regenachtig en te koud weer, dan moesten de schapen te lang met een natte vacht lopen en werden ze ziek.
Twee rammen behorende tot het kleine langstaartige of heideschaap, dat ook wel het Drentse schaap werd genoemd. De bovenste afbeelding laat de witte variant van het schaap zien, op de onderste afbeelding is een ram van de zogenaamde bruine variant, de vossekop, afgebeeld door de befaamde etser D. Sluyter in de jaren dertig van de negentiende eeuw. Op de afbeelding is het verschil tussen in de vorm van de horens bij de rammen duidelijk te zien.
Ook niet alle watertjes bleken geschikt te zijn om de schapen te wassen en door ondervinding leerde men dat de wol in het ene water wel mooi schoon werd en in een ander water juist weer niet. Zo wist men dat hard water doorgaans minder geschikt was dan zacht water en dat watertjes waarbij veel zomereiken (Quercus robur) en zwarte elzen (Alnus glutinosa) groeiden, de vacht van de schapen een zwart-blauwachtige glans kregen. De oorzaak hiervan lag in het feit, dat de bladeren van deze bomen looistoffen afgeven aan het water wanneer zij eenmaal te water zijn geraakt en beginnen te ontbinden.
De zwarte variant onderscheidt zich van de witten en de vossekoppen door de overwegend zwart gekleurde vacht. De kop en de poten bezitten een gitzwarte kleur, waarbij zij ook nog eens glad en glimmend zijn.
Nu dient gezegd worden dat de schapen van de kudde van het voormalig brinkgehucht de Zulte vaak erg smerig waren. Dit had onder andere met de bodemgesteldheid van het gebied te maken en met de plaatsen waar de dieren verbleven. Eenmaal wassen hielp dan niet meer om de verontreinigingen kwijt ter raken en die doorgaans tot harde klonten en klompen waren opgedroogd. Men diende dan deze aanwezige verontreinigingen de dag voor het wassen goed in te weken, waardoor ze eenvoudig te verwijderen waren.
Zo had het er rond 1820 in de maand juni bij de bron van de Zulter Bitse midden in het brinkgehucht uit hebben kunnen zien tijdens het wassen van de schapen. De schaapherder hield de schone schapen in toom en zijn hond wist de nog niet gewassen schapen op hun plaats te houden. Het stromende water in het stroompje zorgde voor de afvoer van de verontreinigingen die zich in de loop der tijd in de vacht van de dieren had verzameld.
De eigenaren van de schapen in de kudde van de Zulte gingen waarschijnlijk dan vervolgens naar de bron van het stroompje dat zich in het centrum bevond en door het buurtschap heenliep. Op deze wijze konden ze zo de dieren eenvoudig en goed wassen, waarbij de verontreinigingen met het stromend water weg spoelden. Doordat de ondergrond van de Zulter Bitse nabij de bron een vrij stevige structuur kende en het stroompje redelijk ondiep was, kon deze plaats uitstekend gebruikt worden om de vacht van de schapen te wassen (zie afbeelding hierboven). Zodoende hoefde men zich ook geen zorgen te maken dat het schaap in dieper water terecht kwam en verdronk. Daarnaast scheelde het voor de eigenaar een heel stuk dat het water dichtbij was en hij niet met kuipen en emmers hoefde te werken om het dier schoon te krijgen.
Op de bovenstaande afbeelding van Weerstatistieken De Bilt – 2019 is goed te zien dat van een zogenaamde Schaapsscheerderskou in de maand juni van het jaar 2019 geen sprake was. Voor meer gegevens over het weer in de maand juni kunt u hier klikken.
Ruim tweehonderd jaren geleden, in het jaar 1816, werd het weer in ons land onder andere bepaald door een wereldwijde toename van vulkanische activiteiten een jaar eerder, waarbij de uitbarsting van de vulkaan Tambora op het eiland Soembawa in het toenmalige Nederlands-Indië, de zwaarste sinds mensenheugenis was. Op ruim 2500 kilometer afstand van het eiland was te horen geweest, hoe de vulkaan op maandag 10 april 1815 uit elkaar barstte.
Pas op zaterdag 21 juni 1817 wordt er melding gemaakt in de Bataviasche Courant dat alles in de omgeving van het voormalig koninkrijkje Tambora door de vuurspuwende berg was vernietigd. (bron: Koninklijke Bibliotheek )
Vandaag de dag zijn de extremen die zich in het weer voordoen zeer besproken en verwijt men het de huidige mens en de moderne tijden hier schuldig aan te zijn. Of het waar is laat ik in het midden, maar aan het einde van het jaar 1815 en het volgende jaar bleken de gevolgen van de eerder benoemde vulkanische activiteiten ook merkbaar in het brinkgehucht de Zulte.
Ver van het gehucht ten noorden van het dorp Roden, in Hongarije en Italië, kleurde de vulkanische as aan het einde van 1815 en in het begin van 1816 de sneeuw die daar in de omgeving viel, rood en bruin. Daarnaast zorgde de gigantische hoeveelheid materiaal dat tijdens de uitbarsting uitgestoten werd, dat de gemiddelde temperatuur wereldwijd met zo’n 0,3 graden Celsius daalde.
Dat de gevolgen van de uitbarsting en de daling van de temperatuur ook hun uitwerking hadden op het dagelijks leven in het gehucht, spreekt voor zich. Waren de mensen eindelijk van Napoleon en die rare Fransozen verlost, begon het weer hen parten te spelen. De zomer van dat jaar kende weliswaar dagen waarop het warm of zelfs zeer heet was, maar het weer regelmatig sloeg zo snel om door middel van zware regen- en onweersbuien, dat er dan ongewoon koude en natte perioden volgden. Ook volgden enkele zeer zware nachtvorsten in de maand juni waardoor er veel oogsten verloren gingen.
Zo zou het er op een zeer koude juni ochtend in het jaar 1816 ergens in de omgeving van het voormalig brinkgehucht eruit hebben kunnen zien.
Nu dient er wel opgemerkt te worden dat er in de directe nabijheid van de Zulte amper sprake was van landbouw als in de zin, dat er hier bijvoorbeeld grote percelen haver of rogge voorkwamen. Deze bevonden zich meer ten zuiden van het dorp Roden. Veeteelt en het houden van schapen kenmerkte de omgeving van het gehucht. Daarnaast deed zich voor 1816 op een zeer kleine schaal nog iets van houtwinning voor, maar dat zal waarschijnlijk meer voor eigen gebruik dan voor financieel gewin hebben gediend.
Het gebruik van hakhout beleefde echter aan het einde van het jaar en aan het begin van 1817 een enorme opleving toen bleek dat de turfwinning dat jaar zeer tegen viel en de turf die wel aanwezig was, te slechte, nat en te duur was. Dit was onder andere het gevolg geweest van de hogere waterstand in de gebieden waar turf werd gewonnen, waardoor de opgestapelde turf wegspoelde. Dit tot grote ergernis van de grote turfboeren, die zagen dat de mensen met allerlei voertuigen het water opgingen en zijn turf begonnen te verzamelden.
Het leed voor de boeren in de Zulte beperkte zich voornamelijk tot de tegenvallende oogst van hooi, de hoge waterstand en dierenziektes. Met name de schaapskudde van het brinkgehucht werd zwaar getroffen. De aanhoudende nattigheid tijdens dat jaar, van zowel de ondergrond als het gras, zorgden ervoor dat de vacht van het schaap kletsnat werd en het kon dan ook niet uitblijven dat vele ziekten onder de schapen uitbraken. Vooral ongans of de bot in de lever (leverbot), schurft en kreupel heersten enorm onder de schapen in heel ons land en maakten zoveel slachtoffers, dat een tijdgenoot zich afvroeg waar alle schapen gebleven waren. Ook de kudde van het dorp Roden werd niet ontzien.
Vanaf 1806 was het verplicht om besmettingen door de schaapspokken door te geven aan de Maire (Burgemeester) van de woonplaats, waarop deze op zijn beurt het aantal gevallen door gaf aan de Gouverneur (Commissaris der koning) van de provincie. Op het bovenstaande briefje uit december 1816 is te zien hoe dat destijds te werk ging. (bron: Gemeentelijk Archief Noordenveld)
De maand juli was vanouds her de maand dat de boeren rondom de Zulte gingen hooien om een wintervoorraad voedsel voor het vee aan te kunnen leggen. In dit jaar wilde de zomer maar niet echt opgang komen en de opbrengst van hooi was dramatisch. De regen zorgde er niet alleen voor dat het gras amper droog werd, de voedende delen bevatten ook nog eens te veel sappen. In veel hooilanden lag het gemaaide gras gewoon weg te rotten en wanneer er toch enigszins iets van hooi naar binnen gebracht werd, bestond de kans op schimmel of nog erger, hooibroei. Hooibroei ontstaat wanneer vochtig hooi opgeslagen wordt en de vocht in het gewas er voor zorgt dat de temperatuur binnen in de stapel gaat stijgen tot een punt, waardoor er zelfontbranding gaat ontstaan. Wanneer dit zich in het verleden voordeed, ging vaak de gehele boerderij in vlammen op.
Het was daadwerkelijk een jaar zonder zomer waarbij in Europa zich door de massale misoogsten hongersnoden en opstanden. Tyfus- en cholera-epidemieën heersten in vele landen van het continent, waarbij men schat dat door de hiervoor genoemde oorzaken, ruim 200.000 mensen aan de gevolgen gestorven zijn.
Ten noorden van het voormalig brinkgehucht bevonden zich aan het begin van de negentiende eeuw enkele oerbossen, waarvan het bos met de naam ‘Groot Noordhout’ verre weg de grootste was met ongeveer 36 hectare. Tussen het Groot Noordhout en het bijna vijf hectare groot ander bos, dat meer noordwestelijker van de es lag, bevond zich een gedeelte van het stroomgebied van het stroompje en lagen de madelanden (zie de afbeelding hieronder). De madelanden waren natte graslanden, die meestal alleen gebruikt werden als hooilanden als het weer het toeliet en bevonden destijds voornamelijk uit zogenaamde blauwgraslanden (Cirsio dissecti-Molinietum).
De madelanden omringden de blauwgraslanden tussen de twee bossen in het beekdalgebied van de Zulter Bitse rond het jaar 1816. Door hun vochtige toestand waren de blauwgras- en madelanden niet geschikt om er vee te laten weiden en dienden ze als hooilanden. In een zeer gunstig jaar met een droge nazomer kon het nogal eens gebeuren dat de ondergrond droog genoeg was en liet men er alsnog vee grazen. Het afgebeelde beekdal van het stroompje bevond zich op de plaats waar tegenwoordig het gebied ligt tussen de Klimop, De Hulst en Kamperfoelie.
Blauwgraslanden kwamen vooral voor op de flanken van het beekdalgebied van de Zulter Bitse en dankten hun naam aan de blauwe zweem, die veroorzaakt werd door de hier voorkomende planten, zoals de Blauwe zegge (Carex panicea) en het Pijpenstrootje (Molinia caerulea) waren belangrijke soorten en kwamen er dan ook veel voor. Daarnaast behoorden planten zoals de Gevlekte orchis (Dactylorhiza maculata), Gewone brunel (Prunella vulgaris), Kale jonker (Cirsium palustre), Klein glidkruid (Scutellaria minor), Scherpe boterbloem (Ranunculus acris), Pinksterbloem (Cardamine pratensis), en de Spaanse ruiter (Cirsium dissectum) tot de rijke flora die hier eveneens voorkwam. En het is niet ondenkbeeldig, dat hier en daar een struik Dopheide (Erica tetralix) tussen de planten stonden, daar grote gedeelten van de graslanden voor de ontginning voornamelijk uit natte heidevelden hadden bestaan.
De madelanden tijdens een zomer met gunstig hooiweer. Het zeer kruidenrijke hooi dat van de blauwgraslanden afkomstig was, zal een verfrissende afwisseling in het menu van het vee in de Zulte geweest zijn.
Het Pijpenstrootje zal het uitzicht het meest gedomineerd hebben vanwege het formaat van de plant. Het is een gras dat in forse, dichte pollen groeit en zijn naam aan een bijzonderheid heeft te danken aan de eigenschap van de steel, waar zich geen vergroeiingen in bevinden een een behoorlijke lengte bezit.
Een gemakkelijk herkenbaar in dichte pollen groeiend gras is Pijpenstrootje, Molinia caerulea, dat zeer algemeen te vinden is op nattere tot vochtige bodems.
De lange grasstengels waren dan ook uitermate geschikt om als binnenste van de lange uit witte klei bestaande stelen voor de lange Goudse pijpen te dienen tijdens het bakken. Daarnaast werden de stengels ook gebruikt om de gebogen stelen van de Goudse pijpen schoon te maken. De plant is nog steeds een veelvoorkomende grassoort onder andere in de meer nattere gebieden ten noordwesten van de huidige de Zulthe, waar zich een restant van het eens zo grote natte heideveld bevindt.
Een restant van een Goudse stenen pijpenkop van zowel de voor- als de achterzijde gezien en afkomstig is uit de Groningse klei. De pijpenkop is een bodemvondst die door mijzelf is gevonden en stamt gezien de vorm van de kop, waarschijnlijk uit het midden van de zeventiende eeuw.
Planten zoals de Blauwe zegge (Carex panicea) waren weliswaar dominant in de blauwgraslanden aanwezig, maar waren vanwege de geringe hoogte die de plant in verhouding bezat met de grote pollen van het pijpenstrootje, iets minder zichtbaar. De blauwgraslanden op de flanken in het beekdal van de Zulter Bitse werden dus uitsluitend gebruikt om te hooien wanneer het weer dit toeliet en dit alleen wanneer de vochtige bodem het toestond. Tot voordat de woningbouw vanaf de jaren zestig en zeventig hier plaatsvond, was het een natte, modderige bende en gebeurde het nogal eens, dat een onvoorzichtige bengel vast kwam te zitten in de modder. Met name op de plaats waar de straat De Vlier zich nu bevindt, was berucht om zijn drijfzand, zoals de kwajongens van toen het omschrijven.
Tijdens de zomer in het jaar 1816 was het aanbod van water erg groot en bleek de bodem vrij snel verzadigd te zijn, dat het stroompje in de lager gelegen stukken land van het beekdalgebied overstroomde en de graslanden onder water zette.
Vandaag de dag is er niets meer over van de madelanden en destijds zo typerende blauwgraslanden ten noorden van de Zulte. Heden ten dage zijn de sporen van het voormalig beekdalgebied nog duidelijk zichtbaar op de hoogteprofielkaarten en in de natte perioden van het jaar, is het goed te zien dat het hier een laaggelegen gebied betreft. Het voormalig beekdalgebied ligt ongeveer 80 tot 90 centimeter lager dan de omringende gebieden, die zich gemiddeld zo’n 3,5 meter boven het N.A.P. (Normaal Amsterdams Peil) bevinden. Een behoorlijk hoogteverschil dus met de Zulter Esch, die dus hoger op het Drents plateau meer naar het zuidoosten lag. Het verklaart natuurlijk ook waarom het stroompje zijn weg een slordige tienduizend jaren geleden juist door deze depressie heeft gezocht richting het noorden.