Kostbare aardappelen.

Op de woensdag van de twaalfde april in het jaar 1848 kreeg een inwoner van de Zulte, de toen 32-jarige landbouwer Hindrik Jans Riemers, in de Arrondissement Rechtbank te Assen de uitspraak te horen in een strafzaak die de officier van Justitie tegen hem had aangespannen nu een uit de hand gelopen conflict met Egbert Jans Noord, arbeider wonende te Roden, over aardappelen dat eerder in het jaar had plaatsgevonden. Waarschijnlijk zal boer Riemers vol ongeloof met zijn hoofd hebben geschud tijdens het oplezen van het vonnis door Mr. Westra, de presiderend rechter, waaruit bleek dat de oorwassing die hij in het begin van dat jaar, op vrijdag 25 februari 1848, de eerdergenoemde Noord had gegeven, een duur geintje was geworden.  

Aardappelen gerooid uit de Zulter bodem. Of het dezelfde soort aardappelen zijn die landbouwer Hindrik Jan Riemers eveneens in de Zulte had opgeslagen durf ik niet te zeggen, maar ze zijn enorm lekker!

“Het die lammeling mien eerpels mitnomen en mag ‘k hum niet de woarheid vertellen”, zal hij gedacht hebben, “En dan hum ok nog acht guldens betaolen!”. Nee, Noord was zeker niet te spreken over het uitgesproken vonnis en zal dat zeker in de rechtszaal hebben laten blijken. Daarnaast mocht de verontwaardigde boer ook nog eens de kosten van het geding, die begroot waren op de som van dertien gulden en vierenzeventig centen, gaan betalen.  

Landbouwer Hindrik Jans Riemers had toch eerder die woensdag 12 april de rechters én de officier van justitie duidelijk uitgelegd hoe de hooivork in de steel zat en dat niet hij, maar die verdraaide Egbert Jans Noord hier voor het hekje behoorde te staan! “Joa!”, zal hij met verheffende stem hebben geroepen, “Joe hebben de verkeerde hier veur ’t hekje stoan!”. Nee, de beste man kon niet begrijpen dat hij zelf blijkbaar behoorlijk over de schreef was gegaan en hiervoor werd beboet. 

De woning op de Dobber Esch waar Hindrik Jans Riemers op zaterdag 3 februari 1816 in het huis van zijn vader, Hindrik Jans Riemers, werd geboren afgebeeld op de Kadastrale kaart uit het jaar 1832 en had het perceelnummer Roden I-593  (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).

De op de zaterdag 3 februari 1816 op de Dobber Esch nabij Leutingewolde 92a (nu Turfweg 4) als eerstgeboren zoon van Jan Hindriks Riemers en Annechien Thijs Stel, Hindrik Jans Riemers, woonde in het jaar 1848 aan de Zulte 44 samen met Trijntje Berends Boukamp. Trijntje was de dochter van de met de in Peize geboren landbouwer Berend Bouwkamp hertrouwde Abeltje Jacobs Venema, die weduwe was van de in 1812 overleden Pieter Hindriks Riemers. Abeltje Jacobs overleed later in 1832 in Leutingewolde op het adres Westeinde 1. De toen 26-jarige Hindrik Jans en vijfentwintig jaar oude Trijntje Berends traden op de zaterdag 7 mei 1842 te Roden ten overstaan van Coenraad Wolter Ellents Kymmell, burgemeester en ambtenaar van de Burgerlijke stand der gemeente Roden in het huwelijk. 

De familiekaart van het gezin Hindrik Jans Riemers uit het jaar 1853. Het adres van het gezin is Zulte 44 (bron: Drents Archief Bevolkingsregister Deel 1, 1852-1862, archiefnummer 2001.21, inventarisnummer 3 Gemeente: Roden).

Aan het begin van het jaar 1848 bestond het gezin Riemers uit vier personen. Naast de twee eerdergenoemde echtlieden Hindrik Jans en Trijntje Berends, waren inmiddels dochter Annegien (dinsdag 16 juli 1844) en zoon Jan (maandag 10 januari 1948) in het gezin verschenen. Nu was het leven van een landbouwer in het midden van de negentiende eeuw zeker geen luxeleventje en moest er hard gewerkt worden om elke dag brood op de plank te krijgen. Het waren voor landbouwer Riemers en zijn vrouw lange werkdagen en korte nachten, vooral met de net zes weken oude zoon die ook de nodige nachtrust zal hebben gekost. 

De Zulte afgebeeld op een kaart uit het jaar 1853. Waarschijnlijk zal het er in het jaar 1848 net zo uit hebben gezien als op de hierboven afgebeelde kaart (bron: 354 – 354 Topographische en militaire kaart van Koningrijk der Nederlanden. 354.4 Assen 12; 1853 Drents Archief).

Het spreekt voor zich dat dit een behoorlijke invloed op je gemoedstoestand heeft en dat de tenen op dit soort momenten behoorlijk lang zijn. Dan is het verklaarbaar wanneer iemand in je eigen belevingswereld met zijn tengels aan je spullen zit, dat je hem dan even flink je mening laat horen. Soms meer dan jezelf in gedachten had, maar ook dit is begrijpelijk. De eerste de beste die zich dan in je schootsveld waagt is het haasje. Het was deze vrijdag, de 25 februari, dat de bom bij Riemers barstte. 

De op maandag 17 november 1806 te Roden geboren en aan het West- en Noordeinde 220 eveneens in Roden wonende arbeider Egbert Jans Noord die samen met zijn vrouw, de in Peize geboren Anna Egberts Been, was gezegend met het feit dat hij voor hem op het verkeerde moment op de meest foute plaats bevond waar hij zich maar kon bevinden. Niet dat Noord hier ook maar enigszins een idee van had, hij deed immers naar zijn eigen mening gewoon zijn werk. Egbert Jans werkte bij de kuil waar de aardappelen opgeslagen lagen op het erf bij de woning van landbouwer Riemers en waar hij met het uitdelen van de aardappelen was belast. 

Of de aardappelrooiers in de Zulte ook zo hebben gewerkt als die op de hierboven afgebeelde aquarel van Anton Mauve uit de periode 1848-1888 is maar de vraag, maar verbazen zou mij dat echter niet. Het was hard en zwaar werk waar doorgaans het hele gezin van de arbeider moest helpen om de oogst op tijd binnen te krijgen (bron: Rijksmuseum Amsterdam © Anton Mauve/Rijksmuseum http://www.rijksmuseum.nl/collectie/SK-A-2446).

Briesend stormde Hindrik Jans Riemers op de arbeider Noord af, die op dat moment met een tweetal mannen stond te praten over het verdelen van de aardappelen. “En wanneer denkst de eerpels te betoalen die doe lest zo mitnomen hest?”, tierde de van woede kokende landbouwer, “D’r bin goend die doar haard veur moeten waarken!”. Nu was Egbert Jans Noord niet iemand die zijn mening onder stoelen of banken stak en dit hem ook nogal eens boze blikken had opgeleverd, maar dit was werkelijk ongehoord waar de landbouwer hem van beschuldigde. 

“Ach, kerel”, begon Egbert Jans zich te verdedigen richting landbouwer Riemers, “Deugst doe wel? Mij hier oetmoaken veur dief?”. Dreigend stapte Noord op Riemers af en wilde hem zijn mening wel even luid en duidelijk laten horen. Ervan overtuigd zijnde dat zijn dreigende houding behoorlijk wat indruk zou maken op de landbouwer én de twee mannen die het geheel gade sloegen, ging hij ook nog eens zo voor hem staan dat deze op z’n minst de woorden zou terug gaan nemen. 

Voordat Egbert Jans Noord het in de gaten had, hadden de twee vuisten van Hindrik Jans Riemers hun werk al gedaan. In een flits landen de beide vuisten in het gezicht van de verbijsterde Noord en lieten hem zwijgen. Met een hevig bloedende neus maakte Egbert Jans dat hij van het erf van de landbouwer verdween. “Wacht moar of doe röttige poetzak!”, brulde de letterlijk en figuurlijk overdonderde Noord terwijl hij het bloed van zijn gezicht afveegde, “Ik krieg die nog wal!”. Ook deze gebeurtenis werd later door de twee aanwezige getuigen bevestigd. 

Of Riemers de dreigementen van Noord serieus heeft genomen blijft voor altijd een vraag. Feit is echter wel dat de slagen die de landbouwer de arbeider Noord had toegediend, niet zonder gevolgen konden blijven. Het is niet onvoorstelbaar dat Egbert Jans vrijwel direct naar het Zuideinde in Roden is gegaan om de gebeurtenissen te vertellen aan zijn oudere broer, Jan Jans Noord, die tevens veldwachter was in het dorp. Vanzelfsprekend zal Jan Jans het verhaal in zijn geheel hebben aangehoord en zijn broer aangeraden hebben om aangifte te doen. 

Bijna een maand later na het voorval, op woensdag 22 maart 1848, klopte de eerdergenoemde veldwachter Jan Jans Noord bij de familie Riemers aan de deur om een dagvaarding af te geven die door de officier van justitie in Assen uitgeven was naar aanleiding van het strafbare feit dat Hindrik Jans had gepleegd door Egbert Jans Noord op die bewuste vrijdag een pak op zijn donder te hebben gegeven. 

En daar stond hij dan zeer verontwaardigd voor de drie rechters, de al de inleiding genoemde presiderend rechter Mr. Westra, rechter Alstorphius Grevelink en de plaatsvervangende rechter A. Homan. En Riemers vond met alle zekerheid die er bestand dat niet hij maar die drommelse Noord hier hoorde te staan! Hij had dat toch al een keer duidelijk uitgelegd wat er gebeurd was en hoe hemel schreiend het was dat hij hier zich voor de edel geleerde heren nu moest verdedigen.

De arrondissementsrechtbank te Assen zag het één en ander toch heel anders dan de verontwaardigde landbouwer Riemers uit de Zulte en veroordeelde hem tot een geldboete van acht gulden waarbij hij ook no eens de kosten van het geding, die begroot waren op de som van dertien gulden vier en zeventig cent, boete en kosten desnoods te verhalen bij lijfsdrang. Lijfsdrang, later ook lijfsdwang genoemd, is een zwaar dwangmiddel in het Nederlands burgerlijk recht waarbij een schuldenaar wordt opgesloten in een huis van bewaring tot hij een rechterlijk vonnis nakomt.

Of landbouwer Hindrik Jans Riemers direct in de gaten had dat hij daadwerkelijk fout was geweest of dat het besef pas later kwam, is niet bekend. Wel dat de beste man zijn leven als hardwerkende landbouwer weer had opgepakt en nogmaals vader werd van een zoon Berend (1851) en een dochter Aaltien (1855). Na het hele gebeuren zal Riemers arbeider Egbert Jans Noord naar alle waarschijnlijkheid niet meer in dienst hebben genomen.

De eerste pagina van het vonnis dat de Arrondissementsrechtbank te Assen in 1848 uitsprak over het geschil tussen de landbouwer Hindrik Jans Riemers en de arbeider Egbert Jans Noord, dat uitliep in een pak slaag voor de arbeider (bron: Vonnisregister Arrondissementsrechtbank te Assen (1829) 1838-1877, Deel: 5, Periode: 1838-1877, Assen, archief 0106, inventaris­num­mer 5, 1848, Vonnisregister 1838-1877, aktenummer 1347).
De tweede en derde pagina van het vonnis (bron: Vonnisregister Arrondissementsrechtbank te Assen (1829) 1838-1877, Deel: 5, Periode: 1838-1877, Assen, archief 0106, inventaris­num­mer 5, 1848, Vonnisregister 1838-1877, aktenummer 1347).

Hieronder staat de gehele uitspraak die de arrondissementsrechtbank te Assen op de woensdag twaalf april in het jaar 1848 uitsprak:

Vonnis 1347
De Arrondissements Regtbank te Assen provincie Drenthe, oordeelende in strafzaken
In de zaak van den Officier bij gemelde regtbank eischer uitkrachte der dagvaarding van den 22sten Maart 1848 tegen Hendrik Jan Riemers, volgens opgave oud 32 jaren, geboren en wonende in de Zulte, gemeente Roden, van beroep landbouwer.
Gehoord de voordragt der zaak door den Officier.
Gehoord de onder eede afgelegde verklaringen der getuigen op last van het openbaar Ministerie verschenen, zoomede van die ten verzoeke van den beklaagde gehoord.
Gehoord de opgaven van den beklaagde.
Gehoord en gezien het requisitoir van den Officier, strekkende daartoe dat de beklaagde zal worden schuldig verklaard aan het moedwillig toebrengen van slagen of stooten, bij acte van dagvaarding vermeld, en dat hij dien volgende onder toepassing van de artikels 311, 309 en 52 van het wetboek van Strafregt zal worden veroordeeld tot correctionele gevangensstraf voor den tijd van drie maanden, voorts in eene geldboete van acht gulden, alsmede in de kosten van het geding desnoods te verhalen bij lijfsdrang.
Gehoord den beklaagde in zijne verdediging door hemzelven.
Overwegende, dat uit het onderzoek op de teregtzitting van den twaalfden April 1800 acht en veertig naar aanleiding der dagvaarding wettig en overtuigend gebleken dat de beklaagde op den vijfentwintigsten Februarij jongstleden moedwillig slagen of stooten heeft toegebragt aan den persoon Egbert Jans Noord, arbeider te Roden, in den hof der beklaagde bij gelegenheid dat aldaar aardappelen werden verdeeld.
Overwegende, dat het wettig bewijs dien daadzaak is verkregen door dien dezelve door meer dan een getuige is verklaard.
Overwegende, dat deze alzoo wettig bewezen daadzaak daarstelt het wanbedrijf van moedwillig toebrenging van slagen.
Overwegende, dat invoegen voorschreven en alzoo wettig den schuld van den beklaagde is bewezen.
Overwegende, dat mitsdien op den beklaagde moet worden toegepast de straf bij artikel 309 in verband met artikel 311 van het wetboek van Strafregt op het wanbedrijf van moedwillige toebrenging van slagen gesteld, zoodanig evenwel dat hier in aanmerking kunnen worden genomen in de straf met voorkomende verzachtende bepalingen, vermits de schade door het wanbedrijf veroorzaakt de som van vijfentwintig franken niet te boven gaat en ten aanzien van hetzelfde als verschoonende omstandigheid kan worden beschouwd dat de beleedigde Noord in hevige en ongepaste bewoordingen uitvoer tegen den beklaagden, die in den meening was, dat voor en aleer de aardappelen uit de kuil werden weggenomen, het daarvoor verschuldigde te moeten vorderen van Egbert Noord, die met de uitdeling belast was met de twee eerste getuigen.
Regt doende in naam en vanwege den Koning.
Verklaart als wettig en overtuigend bewezen den beklaagden schuldig aan het wanbedrijf van moedwillige toebrenging van slagen. geene schade boven de vijfentwintig franken veroorzaakt hebbende en gepleegd onder omstandigheden die hetzelfde schijnen te verkleinen, door onder de vermelde verschoonende omstandigheid en zonder veroorzaking eener schade bovengemelde som, ten tijde en plaatse voorschreven den persoon van Egbert Jans Noord slagen of stooten te hebben toegebragt.
Gezien artikels 227 en 209 van het Wetboek van Strafvorderingen en artikels 309, 311, 463 en 52 van dat van Strafregt, welke artikelen voor zooverre hieronderingevoegd luiden:
Art 309 “Met het tuchthuis zal gestraft worden al wie iemand kwetsuren slagen ot stooten toegebracht zal hebben ingeval uit deze gewelddadigheden eene ziekte of beletsel van te werken ontdaan is van meer dan twintig dagen”.
Art 311 “Wanneer de kwetsuren of slagen generlee ziekte of beletsel van te werken als bij art. 309 gemeld, veroorzaakt zullen hebben, zal de schuldige met eene gevangenzetting van eene maand tot twee jaren en eene geldboete van zestien tot twee honderd franken gestraft worden”.
Art 463 “In alle de gevallen waarin de straf van gevangenis bij dit wetboek gesteld wordt, worden de vierscharen gemagtigd om bij aldien het veroorzaakte nadeel geene vijfentwintig franken te boven gaat en bij aldien de omstandigheden het wanbedrijf schijnen te verkleinen, de gevangenis zelfs tot beneden de zes dagen en de boete zelfs tot beneden de zestien franken te verminderen. Zij zullen ook de eene of de andere dezer straffen afzonderlijk mogen wijzen zonder dat zij echter in eenig geval beneden de bloote politie straffen zal zijn”.
Veroordeelt mitsdien den alzoo schuldig verklaarden persoon van Hendrik Jans Riemers tot eene geldboete van acht gulden en in de kosten van het geding begroot op de som van dertien gulden vier en zeventig cent, boete en kosten des noods te verhalen bij lijfsdrang.
Aldus gewezen door Mr. Westra presiderend regter, Alstor phius Grevelink regter en A. Homan plaatsvervangend regter en is in dit vonnis in de gewone openbare teregtzitting van woensdag den twaalfden April 1800 acht en veertig door Mr. Westra presiderend regter uitgesproken in tegenwoordigheid van opgenoemden regter en plaatsvervangend regter, van den Officier en den gestileerd griffier
.
(bron: Vonnisregister Arrondissementsrechtbank te Assen (1829) 1838-1877, Deel: 5, Periode: 1838-1877, Assen, archief 0106, inventaris­num­mer 5, 1848, Vonnisregister 1838-1877, aktenummer 1347).

De Germanen arriveren in de Zulte.

Het is niet geheel bekend wanneer de eerste brinken in de omgeving van het dorp Roden zijn ontstaan, maar waarschijnlijk verschenen de eerste brinkachtige nederzettingen in de tijd van de oude Germanen, de periode tussen 500 en 700 na Christus. Het is niet onvoorstelbaar dat de brink van het esgehucht de Zulte rond die tijd ontstaan is en sindsdien verder is ontwikkeld. De vondst van restanten van een boerderij nabij de es Kostverloren, waarvan één van de archeologen schat dat deze uit het jaar 800 na Christus stamt, geeft aan dat er vlakbij de brink al boerenactiviteiten plaats hebben gevonden. 

Op zo’n 60 centimeter diepte werden door archeologen sporen gevonden van een boerderij die uit de periode 800 na Christus schijnt te stammen. De sporen zijn duidelijk zichtbaar in het lichte zand.

Doordat het gebied rondom het esgehucht de Zulte zich aan het einde van het Drents Plateau bevindt, zal dit op de nieuwe bewoners een grote aantrekkingskracht hebben gehad om hier te blijven. De sporen van de laatste ijstijden, het Saalien (238.000 tot 126.000 jaren geleden) en het Weichselien (116 tot 11,7 duizend jaar geleden), hadden er hiervoor gezorgd dat het gebied deels met een redelijk vruchtbaar leemhoudende bodem was bedekt. Daarnaast hadden zich op de oplopende heuvels enorm grote bossen gevormd en waren er op de lagergelegen delen uitgestrekte heidevelden ontstaan. 

Op deze afbeelding zijn de sporen van de oude boerderij ook goed zichtbaar in het gele zand. Waarschijnlijk zal er hier een groot heideveld met enkele bossen hebben gelegen toen de boerderij gebouwd werd. Van de zeer intensieve landbouw tijdens de twintigste eeuw was er toen natuurlijk geen sprake.

De omgeving van het oude esgehucht zag er dus destijds heel anders uit dan vandaag de dag het geval is en het is amper nog voor te stellen hoe het hier zo’n 1500 jaren geleden uit heeft gezien. De nabijheid van de redelijk open ruimten tussen de bossen, de vruchtbare grond en de aanwezigheid van een kleine beek, zorgden dus voor een grote aantrekkelijkheid voor de Germanen die hier aankwamen. Ze hoefden hier geen strijd te voeren of land te veroveren, maar arriveerden hier als rustige nederzetters om hier te gaan wonen en werken. 

Zo zou het er in de periode 500 tot 700 na Christus in de Zulte hebben uit kunnen zien. De eerste Germaanse boeren die met hun gezin hier voorzichtig een nederzetting waren begonnen. Het is vandaag de dag nog amper voor te stellen hoe het hier in die tijd er moet hebben gezien (afbeelding: Bloeitijd boeren in Twente en Achterhoek door samenwerking (https://www.tubantia.nl/overig/bloeitijd-boeren-in-twente-en-achterhoek-door-samenwerking~a2dbd3df/).

Waarschijnlijk zal de omgeving ten oosten van de plaats waar de brink ontstond niet ideaal geweest zijn om een nederzetting te bouwen. In die tijd was het Groot Noordholt een enorm groot oerbos van tientallen vierkante kilometers waar onder andere wolven en beren voorkwamen, niet de meest vriendelijke buren die je destijds als boer kon wensen, waardoor de vroege bewoners genoodzaakt waren om op plaatsen te gaan wonen waar men zich en hun dieren tegen deze rovers kon verweren. Nee, dan was één van de bosranden van de kleinere bossen nabij de beek een geschikte plaats om enkele hutten in onregelmatige groepen van elkaar neer te zetten en zoiets van een vroege brink te vormen. 

Een mooi voorbeeld van hoe de boerderijen van de Germaanse boeren er destijds uit zou hebben kunnen zien op de plaats waar de brink eens werd gevormd (bron: http://preken.mobi/ ).

Het ontstaan van de brink, een ruimte van agrarische oorsprong dat bij het typische esdorpenlandschap hoort, gebeurde min of meer doordat er een vorm van bebouwing omheen plaatsvond. Deze ruimte, ook wel brinkruimte genoemd, kon tal van functies bezitten die van plaats tot plaats verschilde van een sociale ontmoetingsplek tot bijvoorbeeld een verzamelplaats voor het vee. Daarnaast werden er op veel brinkruimten eiken aangeplant voor het leveren van hout en eikels voor de varkens. 

Met een klein beetje fantasie had de vroege brink er in de laat-Germaanse tijd er zo uit kunnen zien. Het blijft vanzelfsprekend slechts een vermoeden van hoe het een en ander eruit zag, maar geheel onwaarschijnlijk is dit toch niet (afbeelding: Archeologie op de Kaart – Denekamp – Een Germaans dorp. (https://www.archeologieopdekaart.nl/).

Een ander en niet onbelangrijk aspect in de ontwikkeling van de vroege brink en de directe omgeving was toch wel de levensduur van een vroege boerderij. Onderhoud zoals wij dat heden ten dage kennen bestond nog niet en daardoor werd de houdbaarheid van een woning zeer beperkt. Vaak was het huis na zo’n dertig jaar volledig af en zakte het in elkaar. Doorgaans werd op de plaats naast de oude boerderij een nieuwe gebouwd met materialen onder andere afkomstig van de oude woning. De nieuwe materialen werden in de directe omgeving gewonnen in bijvoorbeeld de nabijgelegen bossen. 

Zo zag men een oud-Germaans huis in het midden van de twintigste eeuw zoals deze in de provincie Drenthe voorkwam. Waarschijnlijk mogen deze worden beschouwd als de voorlopers van het Saksische boerenhuis, dat zozeer het karakter van het latere Drentse esgehucht bepaalde. (afbeelding: Mr A. Klein – De Drentse dorpen 1948, J. A. Boom & Zoon Uitgevers Meppel. Pag. 47 illustratie van Y. S. Dijkstra).

Door de eeuwenlange redelijk geïsoleerde ligging van het zuiver agrarische esgehucht waar aanvankelijk niet anders dan een paar boeren woonden, zullen voor de nodige klussen ook gewoon boeren zich ingezet hebben. Beroepen zoals een smid of een timmerman zullen zij naast het boerenleven vervuld hebben. De Zulte was dan ook bij uitstek een boerengehucht. 

Vermoedelijk zal het aantal boerderijen rondom de vroege brink vrijwel hetzelfde geweest zijn en schommelde het zo rond de zes á zeven woningen waarin één of meer gezinnen woonden. Iets buiten de brink hebben ook de nodige boerderijen gestaan en zijn deze in de loop der tijd niet weer herbouwd. Sporen van oude boerderij uit de twaalfde eeuw zijn gevonden op het meest zuidelijke deel van de es Kostverloren. 

Restanten van een muur opgebouwd uit veldkeien in de grond van de es Kostverloren die uit de twaalfde eeuw zouden kunnen stammen. Links van de oude muur is de potklei duidelijk zichtbaar. Veel van deze veldkeien zullen de vroege boeren hier hebben verzameld. In de laag keileem die tijdens het Saalien door de gletsjers hier achtergelaten is, zaten zeer veel stenen waaronder dus de gebruikte veldkeien.

De eerste boeren arriveren in de Zulte.

Vanaf de periode die zo’n vijfduizend jaren voor het begin van de huidige jaartelling plaatsvond in de wijde omgeving van het voormalig esgehucht de Zulte tot grofweg enkele eeuwen later (4500 v.C.), deden zich gebeurtenissen voor die wij in een groot deel van Noord-Nederland konden aanschouwen. Enkele groepen van jagers en verzamelaars trokken in kleine groepen van gemiddeld zo’n 25 personen, door het gebied dat wij nu als het noordwesten van de provincie Drenthe kennen. 

In tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt, jaagden ook de vrouwen bij de jagers en verzamelaars mee voordat zij zich gingen vestigen als de eerste boeren. Vaak gebruikt men het argument dat de mannen fysiek veel sterker zouden zijn dan de vrouwen. Recent onderzoek verwerpt dit idee (bron). (Afbeelding: Geschenk der Gletscher – Wie die Eiszeiten Europa formten https://www.ndr.de/fernsehen/programm/epg/Geschenk-der-Gletscher-Wie-die-Eiszeiten-Europa-formten,sendung1499796.html#:~:text=Vor%20etwa%20450.000%20Jahren%20wurde,nicht%20denkbar%20ohne%20die%20Eiszeiten Donnerstag, 26. Dezember 2024).

De oorzaak dat een groep van jagers/verzamelaars uit ongeveer 25 personen bestond had een reden. Men gaat ervanuit dat het aanbod van voedsel dat verzameld werd, vrij beperkt was en men daardoor niet voldoende verzameld kon worden om een grotere groep van eten te voorzien. Het was dan ook één van de redenen dat de groep na verloop van tijd verder trok naar voedselrijkere gebieden. 

Nadat de jagers/verzamelaars zich gevestigd hadden als de eerste boeren in de Zulte, begonnen ze met het ontwikkelen en daarna het verbouwen van eetbare granen. Ook voor de vrouwen was nu een andere rol binnen de groep weggelegd en door het veranderen van de rol begon ook de populatie van de groep te groeien. (Afbeelding: Geschenk der Gletscher – Wie die Eiszeiten Europa formten https://www.ndr.de/fernsehen/programm/epg/Geschenk-der-Gletscher-Wie-die-Eiszeiten-Europa-formten,sendung1499796.html#:~:text=Vor%20etwa%20450.000%20Jahren%20wurde,nicht%20denkbar%20ohne%20die%20Eiszeiten Donnerstag, 26. Dezember 2024).

Niet alleen voor de moderne mens, die nog als jager en verzamelaar rondtrok in grote delen van ons land, stonden er zeer grote veranderingen te wachten, ook het gebied en het klimaat zou het een en ander ondergaan. Door het geleidelijk oplopen van de temperatuur en de toename van de vochtigheid steeg het waterpeil en liep niet alleen het Noordzeebekken vol water, maar nam de veenvorming in de hoger geleden delen van onze provincie destijds enorm toe. 

Het waren de tijden dat de moderne mens zijn overlevingsstrategie drastisch ging veranderen van het in groepen gaan jagen en verzamelen naar het overgaan om door middel van akkerbouw en het houden van vee om aan voedsel te geraken. In de loop der tijd ondervond men welke grassoorten met kon gaan verbouwen om graan te verkrijgen en het proces van het domesticeren van dieren zoals runderen voor voedsel zodat men niet meer hoefde te jagen om aan vlees te komen, zorgde voor de nodige zekerheid. 

Naast dat de overlevingsstrategie grondig veranderde door een andere levensstijl, maar ook onderging het menselijk lichaam de nodige veranderingen. Doordat de moderne mens nu niet meer voldoende vitamine D3 of cholecalciferol (C27H44O) meer binnenkreeg zoals dit tijdens de jacht gebeurde, begon de huidskleur van de mens lichter worden om uit ultraviolette stralen vitamine D3 via het zonlicht te kunnen produceren. 

Het zaaien van de eerste granen ging natuurlijk niet zoals men dat vandaag de dag doet. Nee, het voorbereiden voor het zaaien had nogal wat voeten in de aarde. Eerst diende de grond goed losgemaakt te worden waarna de vroegere boer er lange, smalle regels door de losgemaakte bodem trok om de zaden te kunnen planten (Afbeeldingen: Geschenk der Gletscher – Wie die Eiszeiten Europa formten https://www.ndr.de/fernsehen/programm/epg/Geschenk-der-Gletscher-Wie-die-Eiszeiten-Europa-formten,sendung1499796.html#:~:text=Vor%20etwa%20450.000%20Jahren%20wurde,nicht%20denkbar%20ohne%20die%20Eiszeiten Donnerstag, 26. Dezember 2024).

Een ander gevolg van het veranderen van een rondtrekkend bestaan naar een vaste woongemeenschap, was toch wel de vrij snelle stijging van de populatie. De veehouderij bleek een goede zet daar de jacht niet voldoende voedsel zou gaan opleveren om alle monden te kunnen voeden. Nu bestaat er geen weg meer terug voor de moderne mens naar het oude bestaan als jager/verzamelaar in de wijde omgeving van de Zulte. 

Als het graan rijp genoeg was, werd het door de boer met een sikkelvormig mes geoogst en daarna werden de zaden verzameld (Afbeelding: Geschenk der Gletscher – Wie die Eiszeiten Europa formten https://www.ndr.de/fernsehen/programm/epg/Geschenk-der-Gletscher-Wie-die-Eiszeiten-Europa-formten,sendung1499796.html#:~:text=Vor%20etwa%20450.000%20Jahren%20wurde,nicht%20denkbar%20ohne%20die%20Eiszeiten Donnerstag, 26. Dezember 2024).

Giganten in de Zulte.

Met een luide, ijzige kreet stortte het grote lijf op de grond, zuchtte diep en na een paar stuiptrekkingen, verstijfde het gigantisch lichaam en zou nooit weer bewegen. Heel snel stortten de groep jagende neanderthalers (Homo neanderthalensis) zich op het nog warme karkas van een zo juist gedode Europese bosolifant (Palaeoloxodon antiquus), die de pech had om op de verkeerde tijd en de meest foute plaats zich te bevinden zo’n 400.000 jaren geleden tijdens een warmere periode in het geologisch tijdvak Holsteinien. 

Noord-Europa ruim 465 tot 418 duizend jaar geleden tijdens het glaciaal Elsterien, toen enorme ijsgletsjers grote stukken land bedekten met sneeuw en ijs (afbeelding: Geschenk der Gletscher – Wie die Eiszeiten Europa formten https://www.ndr.de/fernsehen/programm/epg/Geschenk-der-Gletscher-Wie-die-Eiszeiten-Europa-formten,sendung1499796.html#:~:text=Vor%20etwa%20450.000%20Jahren%20wurde,nicht%20denkbar%20ohne%20die%20Eiszeiten Donnerstag, 26. Dezember 2024).

Of dit tafereel ook in het gebied rondom de Zulte in het holsteinien ook plaatsgevonden heeft is vandaag de dag moeilijk te achterhalen. Het gebied zag er destijds heel anders uit dan heden ten dage en de sporen van een dergelijke slachtpartij zouden dan naar alle waarschijnlijkheid door de gletsjer tijdens de opvolgende ijstijd, het saalien, zo verstoord zijn dat er vrijwel niets van het gebeuren terug te vinden zal zijn. 

Maar toch is het niet geheel onvoorstelbaar dat de afstammelingen van één van grootste olifanten die ooit hebben geleefd op dit gedeelte van de wereld, hier in het gebied van de huidige Zulte voor zijn gekomen en bejaagd werden door onder andere de hier voorkomende neanderthalers. Dat er in het gebied nabij de es Kostverloren gereedschappen van vuursteen gebruikt zijn, blijkt uit de recente opgravingen die hier hebben plaatsgevonden in het kader van de geplande woningbouw. Het spreekt voor zich dat het hier gevonden vuurstenen gereedschap niet door de neanderthalers, maar naar alle waarschijnlijkheid door de moderne mens zo’n vijftigduizend jaren geleden is gemaakt. 

Een afbeelding van een Europese bosolifant of Euraziatische oude olifant (Palaeoloxodon antiquus, voorheen ook Elephas antiquus genoemd) zoals deze in het landschap voorkwam, dat later de Zulte zou gaan heten. (afbeelding: Geschenk der Gletscher – Wie die Eiszeiten Europa formten https://www.ndr.de/fernsehen/programm/epg/Geschenk-der-Gletscher-Wie-die-Eiszeiten-Europa-formten,sendung1499796.html#:~:text=Vor%20etwa%20450.000%20Jahren%20wurde,nicht%20denkbar%20ohne%20die%20Eiszeiten Donnerstag, 26. Dezember 2024).

Door zijn formaat, een mannelijk exemplaar van de Europese bosolifant ook wel stier genoemd, bezat een schouderhoogte van ongeveer 4,20 meter en kon wel 11 ton (11.000 kilo!) zwaar worden, waren het behoorlijke tegenstanders waar niet mee te spotten viel (1). Waarschijnlijk leefden de Europese bosolifanten in kuddes en trokken ze door de bosrijke gebieden in wat tegenwoordig Noord-Nederland heet. 

Sporen op botten van bosolifanten die ruim 150.000 jaar geleden werden gedood, tonen aan dat er met vuurstenen gereedschap vrijwel al het vet en vlees werd gehaald door middel van schrapen. Volgens wetenschappers kon het vlees van 1 olifant ongeveer honderd mensen een maandlang hebben kunnen voeden (2). Volgens de wetenschappers bestonden de groepen neanderthalers echter uit zo’n 25 personen en hadden deze drie tot vijf dagen nodig om het vlees van een dier te halen. Dat men op de botten van de olifanten vrijwel geen sporen heeft aangetroffen van aas-etende roofdieren laat zien dat ze grondig te werk gingen.  

Onderzoeker Sabine Gaudzinski-Windheuser (1,60 meter) naast een gereconstrueerde Euraziatische bosolifant. Beeld: Lutz Kindler/LEIZA (Afbeelding: Neanderthalers slachtten gigantische olifanten https://www.newscientist.nl/nieuws/neanderthalers-slachtten-gigantische-olifanten/).

Mochten er echter neanderthalers in het gebied op dieren hebben gejaagd met wapens die van lokaal gevonden vuurstenen waren vervaardigd, dan zal dit naar alle waarschijnlijkheid in de periode plaats hebben gevonden tussen het saalien (238.000 tot 126.000 jaar geleden) en het weichselien (116 tot 11,7 duizend jaar geleden). In enkele keileemlagen op sommige plaatsen in de Zulte zitten enorm veel vuurstenen. De vuurstenen die na het weichselien gevonden werden, waren zo door de zeer strenge vorst aangetast, dat deze vrijwel niet meer gebruikt konden worden. 

(1) Europäischer Waldelefant (https://de.wikipedia.org/wiki/Europ%C3%A4ischer_Waldelefant

(2) Clare Wilson – Neanderthalers slachtten gigantische olifanten (https://www.newscientist.nl/nieuws/neanderthalers-slachtten-gigantische-olifanten/

De Zulte in het woordenboek.

Toen de op donderdag 7 december 1792 te Amsterdam geboren heer Abraham Jacob van der Aa als Nederlandse letterkundige en lexicograaf in het jaar 1839 zich waagde aan zijn uitdaging om van alle plaatsen in het Nederlands koninkrijk het wetenswaardigste bijeen te brengen, kon hij niet bevroeden hoeveel plezier een aantal bewoners van het koninkrijk zou gaan bezorgen. Nou ja, het kleine gedeelte dat met enige regelmaat met zijn of haar neus in één van de veertien delen van het ‘Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden‘ zit te pluizen om de geschiedenis van een bepaalde plaats of gebeurtenis op te zoeken. 

Ondanks dat zijn 14-delig naslagwerk een goed beeld geeft van hoe het in het Nederland van het midden van de negentiende eeuw eruit moet hebben gezien, zonder de kaarten uit die periode blijft het soms toch behoorlijk gissen waar wat gelegen heeft, of juist niet! Weliswaar was de Kadastrale kaart die de situatie weergaf rond het jaar 1832 behoorlijk betrouwbaar, maar dit was echter eerder een uitzondering dan de regel. 

Op deze uitsnede van een kaart van de Provincie Groningen opgemaakt door. A. Smit van der Vegt, Landmeter bij het Kadaster in het jaar 1837, is in tegenstelling tot de kaarten van het Kadaster, te zien dat deze niet geheel correct was getekend. Zo ligt bijvoorbeeld de Westeinder Weg ten oosten van het dorp Roden, terwijl deze ten westen van Roden lag en naar het huidige dorp Nieuw-Roden liep (bron: Groninger Archieven. Kaart van de Provincie Groningen opgemaakt onder toezigt van G. Acker Stratingh, Med. Doctr. doorI. A. Smit van der Vegt, Landmeter bij het Kadaster, 1837.).

Desondanks dat de kaarten redelijk betrouwbaar waren en van der Aa verreweg de meeste plaatsen die hij beschrijft nooit heeft bezocht, blijft zijn naslagwerk een prachtige handleiding om het een en ander te weten te komen van het gebied in, rondom en ten noordwesten van het voormalig esgehucht de Zulte in de periode tussen de jaren 1839 tot en met 1851. 

Ook op deze uitsnede van de kaart van de Provincie Groningen opgemaakt door. A. Smit van der Vegt, Landmeter bij het Kadaster in het jaar 1837, wordt het stroompje de Zulter Bitse ineens de Winsumer sloot en komt het uit in het Leekstermeer in plaats van het Leekster Hoofddiep. (bron: Groninger Archieven. Kaart van de Provincie Groningen opgemaakt onder toezigt van G. Acker Stratingh, Med. Doctr. doorI. A. Smit van der Vegt, Landmeter bij het Kadaster, 1837.).

Zeker gezien in de tijdgeest van het midden van de negentiende eeuw en eigenlijk alleen de welgestelden, hogescholen en universiteiten zich het konden veroorloven om exemplaren van het Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden aan te schaffen, blijft het een prachtige reis door de tijd. 

Het spreekt voor zich om de alfabetische volgorde aan te houden en dan het eerste het beste artikel te gaan behandelen dat ook maar enigszins iets met de Zulte te maken heeft, maar op een of andere manier vind ik dat toch niet helemaal in het verhaaltje passen en begint het verhaal juist met het dertiende deel van het Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden uit 1851 waar we voormalig esgehucht ten noorden van het dorp Roden tegenkomen. 

Op pagina 329 in het dertiende deel van het Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden uit 1851 komen het voormalig esgehucht tegen. Vanzelfsprekend zonder de ‘h’ aan het eind van de naam die ergens in de jaren dertig van de vorige eeuw door een overijverige ambtenaar aan de naam werd toegevoegd (bron: Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, bijeengebragt door A. J. van der Aa, onder medewerking van eenige Vaderlandsche Geleerden. Dertiende deel. Z. Te Gorinchem, bij Jacobus Noordduyn. 1851. Pagina 329.).

Het voormalig esgehucht ligt volgens het boekwerk in het dingspil van Noordenveld, dat gelegen is in de provincie Drenthe. De Zulte bevindt zich op ruim 4 uren ten noordnoordwesten van de gemeente Assen en op 5 minuten loopafstand noordwestelijk van het dorp Roden. Het gebied dat tot de Zulte werd gerekend was ongeveer 13 hectare groot en er woonden volgens het Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden destijds 80 mensen.

Het in het boek genoemde aantal inwoners van de Zulte klopt vrij aardig, zeker gezien de gegevens die men destijds ter beschikking had. Het exacte aantal bewoners van het esgehucht was na de volkstelling in het jaar 1830 83 personen en tien jaar later bij de volgende volkstelling in 1840 zelfs 86 inwoners, zoals hierboven te zien is (bron: alledrenten.nl. Roden | Bevolkingsregister | 2001.21 | 2 | Gedigitaliseerde bevolkingsregisters van de voormalige gemeente Roden | Volkstelling, 1840).

In dit deel komen wij op pagina 329 naast de Zulte ook het Zultermeer tegen. Het Zultermeer, ook wel Sulte- of Sultermeer genoemd, is natuurlijk het huidige Leekstermeer. Het ondiepe en zeer visrijke meer dankt zijn oorspronkelijke naam aan de vlakke oevers die zeer drassig waren. Meer over het ontstaan en de naamgeving van het gebied kunt u in het artikel Sülte en het moeras’ lezen. 

(bron: Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, bijeengebragt door A. J. van der Aa, onder medewerking van eenige Vaderlandsche Geleerden. Dertiende deel. Z. Te Gorinchem, bij Jacobus Noordduyn. 1851. Pagina 329.).

Dat het Leekstermeer erg ondiep was en zeker voordat het meer geschikt werd gemaakt voor onder andere de pleziervaart, was mij al duidelijk na verhalen die mijn in de Zulte geboren grootvader mij vertelde. Hoe hij met passie vertelde dat hij als bengel aan het begin van de twintigste eeuw van de ene zijde naar de andere zijde van het meer liep, van zuid naar noord, en zijn haren niet nat had gekregen tijdens het lopen. 

De vermelding van het Sulte-meer op pagina 801 van het Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, Tiende deel S uit het jaar 1847 (bron: Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, bijeengebragt door A. J. van der Aa, onder medewerking van eenige Vaderlandsche Geleerden. Tiende deel. S. Te Gorinchem, bij Jacobus Noordduyn. 1847. Pagina 801.).

En als er over de effecten die de eb en vloed op de waterstand moeten hebben gehad volgens enkelen werd gesproken, schudde hij zijn hoofd en zei hij: “Die luu bent niet wies, bent dreumers!”. Van het effect van de zee, daar had hij nooit wat van vernomen, in al die jaren dat hij bij het Leekstermeer kwam. 

De beschrijving van het Leekstermeer in het zevende deel van het Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden. (bron: Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, bijeengebragt door A. J. van der Aa, onder medewerking van eenige Vaderlandsche Geleerden. Zevende deel. L. M. Te Gorinchem, bij Jacobus Noordduyn. 1845. Pagina 98.).

Een ander effect op het ontstaan van het huidige Leekstermeer was het beekje de Leeke, de Leke of de Lek, dat zijn oorsprong had iets onder het gehucht Terheijl, waar het op het toen immens groot natte heideveld ontsprong en het meer van water verzorgde. Later toen het Leekster Hoofddiep rond 1560 werd gegraven in opdracht van Wigbold van Ewsum jr., voor de afwatering en als vaarweg voor turfschepen, kwam deze grotendeels in de bedding van de Leeke te liggen. 

Een pagina eerder in het zevende deel van het Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden komen wij de vermelding van het beekje de Leeke tegen. (bron: Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, bijeengebragt door A. J. van der Aa, onder medewerking van eenige Vaderlandsche Geleerden. Zevende deel. L. M. Te Gorinchem, bij Jacobus Noordduyn. 1845. Pagina 97.).
Op de kaart van A. Smit van der Vegt uit 1837 heet de beek de Lek. (bron: Groninger Archieven. Kaart van de Provincie Groningen opgemaakt onder toezigt van G. Acker Stratingh, Med. Doctr. doorI. A. Smit van der Vegt, Landmeter bij het Kadaster, 1837.).

*Link: Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden Hier kunt alle 14 exemplaren van het Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden downloaden.

Bakken veur old en nij in de Zulte.

Hoppaaaaa!!! Daar vloog het volgende baksel uit het bakijzer op de oude keukentafel, waarna er een aantal handen deze probeerde te bemachtigen. De snelste hand pakte het gloeiend hete baksel en draaide deze om een dun stokje. En ja hoor! daar vloog de volgende alweer richting het tafelblad. Er heerste bij menig keukentafel in de Zulte een drukte van jewelste zo vlak voor oud en nieuw: “Rollegies bakken!”.

Ondanks de oorlog ging in 1943 het bakken van de nij-joarskouken in het Nedersaksisch taalgebied gewoon door. (bron: Nieuwsblad van het Noorden, Vrijdag 31 December 1943 56ste jaargang, No. 306, pagina 1. Afbeelding gemaakt door Foto Folkers).

Een heel oude traditie in grote delen van het Nedersaksisch taalgebied zijn de zelfgebakken koeken bij de nieuwjaarborrel. Zowel de rollegies als de knieperties werden destijds massaal genuttigd tijdens de zogenaamde ‘nieuwjaarsvisite‘. Trouwens niet te verwarren met de geniepige ‘knieperds‘, dat zijn namelijk onhoorbare en zeer stinkende windjes die men zo nu en dan laat!

Een ouderwets rolletjesijzer waarin vroeger rollegies en kniepeties gebakken werden (afbeelding: Veilinghuis-Online. Veilingmeester Joost Franken. Aanbieder: Kringloopwinkel Son https://www.veilinghuis-online.nl/wonen/1011/kniepertjesijzer).

De nij-joarskouken, rollegies of te wel de nieuwjaarsrolletjes werden destijds in een zogenaamd ‘rollegiesiezer, kniepiezer of nij-joarsiezer‘ op een door hout gestookt fornuis gebakken. Het dunne deeg werd met een lepel op het onderste blad van het ijzer gedaan, dat vervolgens dicht geknepen werd en op één van de gaten in het fornuis gelegd. Hierop bleef het rolletjesijzer enkele minuten liggen tot het deeg gaar was en werd deze weer van het vuur gehaald. In een vloeiende beweging werd het ijzer geopend en vloog de platte koek richting de keukentafel.

Een recept voor de nieuwjaarrolletjes in het Margriet Kookboek van mijn moeder uit het jaar 1948 met de prachtige bijbehorende illustraties (afbeelding: Margriet Kookboek, Samengesteld door Marianne, met medewerking van de Voedingsraad. Uitgave “Margriet” Weekblad voor moeder en kind. “De Geïllustreerde Pers N. V.”, AmsterdamBladzijde 297).

Wanneer de platte koek eenmaal op de tafel terecht was gekomen, werd deze snel om een rond stokje gewikkeld en zo ontstond er dus een rolletje. Het rollen moest snel gebeuren wanneer het baksel nog gloeiend heet was, anders zou deze breken tijdens het oprollen. Nu weet ik uit overlevering sommigen dit met opzet deden om maar te kunnen snoepen van deze overheerlijke koekjes.

Zeker in de wat grotere gezinnen waar met meerdere ijzers gebakken werd, moesten de rollers er bij tijden flink aantrekken om het tempo bij te kunnen houden en het kan haast ook niet anders, dat er een krachtterm gebezigd werd wanneer er een hete koek te lang contact maakte met de huid. In mijn jonge jeugd heb ik dit eens mee mogen maken in de Zulte, dat vier jongedames aan het bakken waren en de rest uit het gezin de rolletjes draaiden. Dat was een waar spektakel!

Het recept voor de overheerlijke knijpertjes in het Margriet Kookboek uit 1948 (afbeelding: Margriet Kookboek, Samengesteld door Marianne, met medewerking van de Voedingsraad. Uitgave “Margriet” Weekblad voor moeder en kind. “De Geïllustreerde Pers N. V.”, AmsterdamBladzijde 298).

Bij de knieperties of knieperdies, ging het er iets gemoedelijker aan toe. Het deeg was veel steviger en was tot kleine balletjes gevormd, die vervolgens op het onderste blad van het ijzer werd gelegd. Deze werden net zoals de rolletjes boven het fornuisvuur gaar gebakken en op de tafel gestort. De knieperties werden echter niet om een stokje opgerold, maar na het afkoelen in een groot koekblik gestapeld.

Ene meneer J. H. Kanne uit Musselkanaal wees in 1969 de Blikvanger erop dat er voor beide koeken, rolletjes en knijpertjes, verschillende ijzers zijn. De heer Kanne kan op zijn manier gelijk hebben, maar in veel keukens werd vroeger hetzelfde ijzer gebruikt voor zowel rollegies als knieperties. Het geld groeide destijds de mensen niet op de rug (afbeelding: Nieuwsblad van het Noorden, Editie Stad Groningen en Haren, Woensdag 31 december 1969, 82ste jaargang, no. 306, bladzijde 9).

Zorgden potstallen voor dood en verderf in de Zulte? 

Veel van de kleinere boerderijen zoals van de keuters, ook wel katers genoemd, bezatten tot ver in laatste kwartaal van de negentiende eeuw, een zogenaamde potstal. Een potstal is een stal waar het vee op hun eigen mest stond of liep. De mest werd met enige regelmaat met organisch materiaal zoals gras-, heideplaggen of bladeren aangevuld en dan door de stal verspreid. Het kon zelfs gebeuren dat er teelaarde van de akkers gebruikt werd. 

Of de tweejarige dochter van de schaapsherder Roelof Doedes en zijn vrouw Hinderkien Harms Hummel, Jebbechien Roelofs Doedes en die op de woensdag 25 februari 1818 in de Zulte overleed, ook aan een ziekte zoals cholera of tyfus leed, is niet voor mij te achterhalen. Feit is echter wel, dat veel kinderen in die tijd stierven door de gevolgen van de twee eerder genoemde ziekten (bron: Drents Archief: Overlijden (Overlijden), Roden, 26-02-1818, aktenummer 4, Roden. BS Overlijden. 0167.021. 1818. 4.).

Op deze wijze hadden de koeien een enigszins droog ligbed en werd bovendien de hoeveelheid mest vergroot. Dit ging net zolang door totdat de laag mest en het organische materiaal te hoog werd. Dan pas werd de stal leeggemaakt en verdween het mengsel bijvoorbeeld naar een es of tuin, waarbij de twee deuren aan de achterkant gebruikt werden om de mest met de mestkar of de kruiwagen weg te brengen. Dit wordt ook wel een ‘potstalcultuur’ 1 genoemd. 

Vooral de kleinere essen verder richting het zuiden van de Zulte werden zo in de loop der tijd verhoogd en door deze vorm van bemesten zeer voedselrijk voor de te planten gewassen. In het voormalig esgehucht werd de potstalmest onder andere gebruikt voor de hopteelt op het Hoppenkamp, waarbij de mest in de kuilen gedaan werd, die bestemd waren om de hop in te planten. 

De voor de boerderijen in de wijde omgeving van het dorp Roden zo typerende waterput naast het huis. Nadat de waterleiding met schoon drinkwater zijn intrede deed, was de waterput overbodig geworden en werd op veel plaatsen gedempt. De afbeelding stamt uit het jaar 1964 en komt uit een privécollectie.

De essen in en nabij de Zulte waren van nature al behoorlijk hoog ondanks dat het gehucht aan de rand van het Drents Plateau lag. Een ander voordeel was de aanwezigheid van kwel- en grondwater nabij het oppervlak. Door dit gegeven konden de bewoners vaak vlak naast hun huis een put aanleggen en zo verzekerd zijn van schoon drinkwater. 

Dezelfde waterput als die op de afbeelding hierboven staat afgebeeld, maar dan 49 jaren later. De waterput werd nooit gedempt en gezien de emmer die er bovenop ligt, is deze nog steeds in gebruik. De waterput stamt uit de jaren twintig van de vorige eeuw.

Een ander gegeven was dat dat al vanaf de zestiende eeuw al een aantal van deze kleine keuterboerderijtjes aanwezig in de Zulte waren en constant bewoond waren. Op sommige plaatsen werd de woning afgebroken wanneer deze te gevaarlijk was geworden om te bewonen en op vrijwel dezelfde plaats weer herbouwd met materiaal van het vorige huis. Doorgaans bleef de indeling van het huis vrijwel hetzelfde en kwam er natuurlijk weer een potstal in de kleine boerderij, die tot het Saksische- of hallehuis type behoorde.  

De Saksische- of hallehuis typen waarvan de linker afgebeelde variant de oudste vorm is en ook wel een ‘los hoes’ genoemd wordt. De indeling van deze boerderij was zag er zo uit: 1. halle, 2. stallen, 3. woongedeelte, 4. wendezûle (een draaibare galg, waaraan een kookketel hing, die naar behoefte boven het vuur werd gedraaid), 5. bedsteden. Rechts op de afbeelding in een typische Saksiche boerderij uit een later tijdperk met een zogenaamde brandmuur te zien waarbij de indeling als volgt was: 1. deel, 2. veestal, 3 paardenstal, 4. spoelplaats (geut), 5. woonkeuken, 6. slaapkamer. (bron: Nederlandsche boerderijen. Ir. P.J. ’t Hooft b.i., Allert de Lange – Amsterdam, 1945. Koninklijke Bibliotheek.)

Grofweg kunnen wij een hallehuis omschrijven als een rechthoekig gebouw waarin het voorste gedeelte dienstdeed als woonruimte met daarachter een gedeelte dat diende als stallen en waar de opslagruimte zich bevond. De twee gedeelten werden vanaf het begin van de achttiende eeuw gescheiden door een zogenaamde brandmuur, dat in die tijd als een echte verbetering werd gezien. Tegen deze brandmuur werd de stookplaats geplaatst en daarboven zat een schoorsteen die de rook afvoerde. 

Een hallehuis uit de Hallehuisgroep. Het betreft hier een Drentse vorm van het dwarsdeeltype, dat uit het einde van de achttiende eeuw stamt (bron: Duizend jaar bouwen in Nederland (deel 2). S.J. Fockema Andreae, R.C. Hekker en E.H. ter Kuile. Allert de Lange, Amsterdam 1958. (https://www.dbnl.org/tekst/fock001duiz01_01/index.php) ).

Het gedeelte waar de stallen zich bevonden waren in drie gedeelten verdeeld, waar wij twee variaties van een potstal tegen konden komen. Bij de eerste vorm (zijpotstal) bevonden een aantal kleine stallen aan de zijkanten van de boerderij die om de zoveel weken werden leeggehaald. De andere variant, de middenstal, bevond zich in het middelste gedeelte en werd ongeveer na een half jaar uitgemest.2 Maar het was vooral zijpotstal die wij bij de keuters in de Zulte aantroffen. 

Een andere vorm van een hallehuis uit de Hallehuisgroep is het Drents middenlangsdeeltype met aangebouwde hooischuur. Het spreekt voor zich dat deze boerderij niet werd bewoond door een keuterboer (bron: Duizend jaar bouwen in Nederland (deel 2). S.J. Fockema Andreae, R.C. Hekker en E.H. ter Kuile. Allert de Lange, Amsterdam 1958. (https://www.dbnl.org/tekst/fock001duiz01_01/index.php) ).

Ondanks dat er her en der weleens met een romantische toon over de oude potstallen wordt gesproken, is het niet voor niets dat deze vorm van mestverwerking verdwenen is. Met de uitzondering van een enkele de biologische veehouderij1, schapenstal of schaapskooi waar wij heden ten dage deze vorm nog kunnen aantreffen. 

Nee, zo romantisch was het niet in die donkere, vochtige stal tussen het vee dat ook nog eens smerig was. De kleine boeren kenden het woord hygiëne niet en laat staan dat er handen met zeep gewassen werden. Sterker nog, het zou nog tot ver in de negentiende eeuw duren voordat zeep ingeburgerd was. 

De kleine boeren hadden slechts enkele koeien die doorgaans alleen vanaf de herfst de stal opgingen en pas weer in het voorjaar naar buiten konden. Ze moesten dus in de donkere en koude periode de koeien in die vochtige, stinkende stal melken. Iets wat de kwaliteit van de melk niet echt bevorderde. Daarnaast waren de kwalijke ammoniakdampen niet alleen schadelijk voor mens en dier, maar ook voor de opgeslagen goederen zoals het hooi en de oogstprodukten op de daarboven gelegen zolder. 

Het esgehucht de Zulte op een kaart uit 1832 waarop een tal van de hallehuis boerderijen te zien zijn. Ook in deze kleine boerderijen trof men destijds de potstallen aan. De boeren die in die tijd in deze boerderijen woonden, pachten deze van Jannes Hindriks Winsingh uit Roden en de erven van Floris Aukema uit Leutingewolde. (bron: Drents Archief).

Een even groot gevaar, of misschien nog wel gevaarlijker dan de stinkende ammoniakdampen, waren de vloeibare delen van de mest. Deze sijpelden door de vloer van de potstal de bodem in en drongen diep in de ondergrond. Vaak bestond de vloer uit een laagje zand en later werd hiervoor keileem gebruikt. Eenmaal diep in de bodem doorgedrongen, kwamen deze stoffen in aanraking met het als drinkwater dienende grondwater.  

Waarschijnlijk zal het 1 of 2 generaties geduurd hebben voordat de nadelige gevolgen hun uitwerking hadden op de gebruikers van dat water. Door het drinken van het door de giftige stoffen vervuild water kregen de mensen ziektes zoals cholera, tyfus en dysenterie. Een gedeelte van de bewoners, waaronder veel kinderen, stierven dan ook voortijdig door het nuttigen van het vervuilde water aan de gevolgen van de hiervoor genoemde ziekten. 

Een afbeelding van Levy Ali Cohen (1807-1889) arts en hygiënist die te Groningen, in de ouderdom van ruim 72 jaren aan myelitis overleed. Dr. Cohen was in 1869 inspecteur voor het geneeskundig staatstoezicht voor de provinciën Overijssel en Drenthe (bron: Wikipedia).

De in het jaar 1817 te Meppel geboren en te Groningen in 1889 overleden medicus Levy Ali Cohen3 die in 1869 als inspecteur voor het geneeskundig staatstoezicht voor de provinciën Overijssel en Drenthe werkte. Later dat jaar keerde hij als inspecteur naar zijn geliefde Groningen terug nu voor de provincies Groningen en Friesland. Spoedig na zijn aantreden als inspecteur in het jaar 1866 kreeg hij in Drenthe te maken met een cholera-epidemie en vier jaren later met een tyfusepidemie. In zijn boek ‘Handboek der Openbare Gezondheidsregeling en der Geneeskundige Politie‘ uit 1869 beschrijft hij het gevaar van een vervuilende potstal. 

“Nabij Ommen ( digt bij de Regge) onderzocht ik, pas voor eenige weken, op eene boerderij een opene put, na het gebruik van welks water de boter die daarmede bereid werd, van tijd tot tijd slecht, soms geheel oneetbaar werd. Ik bevond o. a. dat de potstal (waarin gedurende den ganschen zomer de mest wordt opgespaard) geene 3 Ned. el van den put verwijderd was, en dat de bodem hier zóo poreus is, dat de hoogere of lagere waterstand van de Regge dadelijk in den put merkbaar is. (De rivier bevindt zich op 1 à 1½ minuten afstands van de boerderij.)” 4 

De kans is vrij klein dat Dr. Cohen in zijn functie als inspecteur voor het geneeskundig staatstoezicht voor de provinciën Overijssel en Drenthe ook het kleine esgehucht de Zulte destijds heeft bezocht, maar zijn bevindingen zullen zeker hebben meegewogen om de potstal te gaan vervangen door de groepstal, ook wel ‘grupstal‘ genoemd, binnen de landbouw van de negentiende eeuw. 

De achterzijde van een oude schuur achter Leutingewolde laat mooi zien hoe het er heden ter dage bij een kleine hobbyboer uitziet. De typerende mestbult bevindt zich natuurlijk achter de schuur en ligt zo uit het zicht vanaf de weg.

Door het vervangen van de potstal door het groepstalprincipe, verbeterde niet alleen de hygiënische situatie van de bewoners en nam de kwaliteit van het water uit de put toe, ook voor het vee werden de leefomstandigheden een stuk beter. De dieren waren niet meer smerig door de schone ondergrond die bestond uit stro en de mest kwam direct in een goot terecht, de zogenaamde groep of grup. Het was nu een stuk eenvoudiger geworden om zowel de koeien te melken als de mest af te voeren5

Dat het vervangen van de potstal in de boerderijen ervoor heeft gezorgd dat de kwaliteit van het leven en daardoor de levensduur van de negentiende-eeuwse mens in de Zulte een stuk beter werd, durf ik niet te zeggen, maar het heeft er wel aan bijgedragen dat de hygiëne destijds enorm verbeterde. 

Heden ten dage hebben de koeien het een stuk beter dan in de tijd waar de dieren achter in een schuur stonden in een potstal. Nu bezitten de boeren gemiddeld zo’n 160 dieren en hebben ze grote schuren, waar de dieren het doorgaans uitermate naar hun zin hebben.

1 Potstal (https://nl.wikipedia.org/wiki/Potstal)  

2 AgriWiki Potstal (https://www.agriwiki.nl/index.php?title=Potstal) 

3 Geheugen van Drenthe: Levy Ali Cohen. (https://www.geheugenvandrenthe.nl/ali-cohen-levy) 

4 Handboek der Openbare Gezondheidsregeling en der Geneeskundige Politie, met het oog op de behoeften en de wetgeving van Nederland, eerte deel. Door Dr. L. Ali Cohen, met medewerking van Dr. S. Sr. Coronel, wijlen Dr. A. Drielsma, Dr. L. J. Egeling, F. C. hekmeijer, Dr. J. A. van Ketwich Verschuur, Dr. C. P. Pous Koolhaas, Dr. D. Lubach, Dr. G. van Overbeek de Meijer en Dr. W. J. de Meijer. Groningen, 1869. J. B. Wolters. Pagina 177. 

5 AgriWiki Grupstal. (https://www.agriwiki.nl/index.php?title=Grupstal 

Ebbinges en de Zulte.

Op het moment dat de 71-jarige schilderes Renske Ebbinge haar ogen voor het laatst sloot op die zwoele donderdagavond van de 21e juli 1958, kwam er een eind aan het tijdperk van de Ebbinge’s die zestig jaren eerder door haar vader, Roelof Ebbinge, in de Zulte was gestart. Renske was het jongste van de twee kinderen in gezin van Roelof en Hinderkien Ebbinge en bleef als vrijgezel tot haar dood in het huis wonen. Haar oudere broer Aldert Ebbinge, die het verkopen van het huis in 1958 regelde, overleed acht jaren later op 83-jarige leeftijd in ‘s-Gravenhage. 

Een nors ogende Renske Ebbinge voor haar huis in de Zulte in de jaren ’50 van de vorige eeuw (bron: Drents Archief).

Weliswaar was de naam Ebbinge nu uit dit gedeelte van de Zulte ten noordwesten van Roden verdwenen, maar de familie waaruit deze was voortgekomen bleek meer dan ooit nog in het voormalig esgehucht aanwezig te zijn. De oorsprong vinden wij terug ten zuiden van het naburig plaatsje Peize en om precies te zijn aan de Peijserhorst, de huidige de Horst, waar ene Roelof Brink met zijn vrouw Egberdina Buringe in het huis met het nummer 1 woonde. De landbouwer zou samen met zijn Egberdina 8 kinderen krijgen, waarvan er twee onze aandacht verdienen. 

Hun oudste zoon Roelof, die op zaterdag 24 november 1821 aldaar geboren werd, huwde op de dinsdag 12 juni 1849 met de zeven jaren jongere Janna Luinge, die eveneens uit Peize afkomstig was. Roelof en Janna verlieten op woensdag 1 mei 1850 de gemeente Peize en vertrokken naar de gemeente Eelde, waar hij als akkerbouwer aan de slag ging. Hun zoon Roelf Brink, die op zondag 15 februari 1852 aldaar het eerste levenslicht zag en inmiddels op woensdag 19 juni 1878 te Roden met Aaltien Egberts Aukema was gehuwd, verhuisde op maandag 24 maart 1879 van Eelde naar de Zulte, waar zij in het huis met het nummer 45 kwamen te wonen. Meer over Roelof en Aaltien: Roelof Brink en het gedonder in de Zulte. 

Iets meer dan vier jaren later, op zondag 4 december 1825, wordt dochter Harmtien als derde kind van Roelof en Egberdina Brink aan de Peijserhorst geboren. Harmtien stapt op vrijdag 20 juni 1845 in het huwelijksbootje met de eveneens uit Peize afkomstige en twee jaren oudere Aldert Ebbinge, die op dinsdag 24 juni 1823 was geboren als zoon van de landbouwer Aldert Allerts Ebbinge en zijn vrouw Cathariena Roelofs Mulder. Het prille echtpaar Ebbinge kwam bij de ouders van Aldert inwonen. Het echtpaar krijgt 7 kinderen waarvan hun derde kind, zoon Roelof Ebbinge en geboren op donderdag 9 augustus 1855 te Peize, op vrijdag 27 mei 1881 huwde met de uit Roderwolde afkomstige Hinderkien Egberts Aukema, een jongere zuster van Aaltien Egberts Aukema.  

Afbeelding van de huwelijksakte van de landbouwer Roelof Ebbinge en Hinderkien Aukema (bron: Drents Archief. Bronvermelding: Huwelijksregister Roden 1881, archiefnummer 0166.021, inventarisnummer 1881, aktenummer 16, Gemeente: Roden, Periode: 1881).

De beide meiden waren dochters van Egbert Floris Aukema, zoon van Floris Egberts Aukema, die grote delen van het gebied rondom het dorp Roden in bezit had. Toen in 1832 het Kadaster in werking kwam, werden de eigenaren van zijn percelen inmiddels aangeduid als ‘de kindren van Floris Aukema’. Wederom een verbinding met de Zulte, waar zij ook veel grond bezaten. 

De vermelding van de geboorte van de zoon van Roelof Ebbinge, Aldert Ebbinge, op zaterdag 11 november 1882 in het Geboorteregister van de Gemeente Roden (bron: Drents Archief. Bronvermelding Geboorteregister Roden 1882, archiefnummer 0165.021, inventarisnummer 1882, aktenummer 77, Gemeente: Roden, Periode: 1882).

Het echtpaar Ebbinge vertrekt naar Roderwolde, waar naar ruim anderhalf jaar op woensdag acht november 1882 zoon Aldert geboren werd. Zo’n vier jaren later wordt dochter Renske net zoals haar broer, op een woensdag in Roderwolde geboren. Om precies te zijn zag Renske op woensdag 1 december 1886 voor het eerst het levenslicht. Wat ook de reden geweest, Roelof en Hinderkien hielden het bij slechts twee kinderen, iets wat zeker niet gewoon was in die dagen.

Op zaterdag vier december 1886 werd de drie dagen eerder geboren Renske Ebbinge bijgeschreven in het Geboorteregister van de toenmalige gemeente Roden (bron: Drents Archief. Bronvermelding Geboorteregister Roden 1886, archiefnummer 0165.021, inventarisnummer 1886, aktenummer 82, Gemeente: Roden, Periode: 1886).

Na ruim vierenhalf jaar houden de landbouwer Ebbinge en zijn vrouw het voor gezien in het prachtig dorpje Roderwolde en keren op de woensdag 13 mei in het jaar 1891 naar zijn geboortedorp Peize terug. Ook in Peize beoefend Roelof het beroep van landbouwer uit en komt in het gezin in het huis met het nummer 299 te wonen, zoals op de afbeelding hieronder goed te zien is. Op vrijdag 18 september van het jaar 1896 vertrekt de dan bijna 14-jarige zoon Aldert naar Groningen om naar alle waarschijnlijkheid door te kunnen leren. 

De vermelding van het gezin Ebbinge in het Bevolkingsregister van de toenmalige Peize. Het gezin vestigde zich op woensdag 13 mei 1891 in het dorp en vertrok bijna zeven jaren later weer naar de gemeente Roden (bron: Drents Archief. Bevolkingsregister Peize 1863-1919 D-E).

Zo’n zeven jaren later is het mooi genoeg geweest in Peize en vertrekken Roelof, Hinderkien en Renske Ebbinge volgens de archieven van de voormalige gemeente Peize op woensdag 30 maart 1898 naar de gemeente Roden om zich in het esgehucht de Zulte te gaan vestingen, waar een nieuw huis op ze staat te wachten. Donderdag 31 maart 1898 woont het gezin officieel in Roden met het adres Zulte 183, wat later veranderd wordt in nummer 202. Zoals het in de vorige woonplaatsen het geval was, gaat Roelof volgens het bevolkingsregister van de voormalige gemeente Roden ook hier aan de slag als landbouwer.

In het bevolkingsregister van de voormalige gemeente Roden staat keurig beschreven dat de familie Ebbinge op woensdag 30 maart 1898 uit Peize is vertrokken en een dag later, op donderdag 31 maart in de Zulte ging wonen (bron: Drents Archief. Bevolkingsregister Roden 1882-1900 deel 1 A t/m K).

Op de pagina staat te lezen dat ook nog een Aldert Ebbinge bij het gezin inwonend is. Het is echter niet de zoon van Roelof en Hinderkien, maar de zoon van de vijf jaar oudere broer van Roelof, Aldert Ebbinge die dezelfde naam draagt als zijn vader en op zaterdag 17 september 1887 te Peize geboren is. De dan bijna twaalfjarige jongen kwam na anderhalf jaar op donderdag zeven september 1899 bij het gezin in te wonen en zal er als boerenknecht hebben gewerkt. Aldert blijft echter niet lang in de Zulte bij zijn oom en tante en vertrekt op maandag 21 januari 1901 weer naar Peize. 

Op de pagina van de familie Ebbinge in het bevolkingsregister van de voormalige gemeente Roden is naast de tussenposen van zoon Aldert ook goed te zien dat het huisnummer regelmatig veranderde (bron: Drents Archief. Gemeente Roden 1900-1922 Bevolkingsregister Deel 2).

Aan het begin van de twintigste eeuw zijn hier en daar al geluiden te horen dat er een spoorlijn van Groningen naar Drachten moet komen en dat zij ook Peize, Roden en Leek dient aan te doen. In de maand november van het jaar 1909 is het zover en wordt er een wetvoorstel ingediend: ‘strekkende te verklaren, dat het algemeen nut de onteigening vordert ten name van de Nederlandsche Tramweg Maatschappij van eigendommen in de gemeenten Smallingerland , Grootegast, Marum, Leek, Roden, Peize, Eelde, Hoogkerk en Groningen, noodig voor den aanleg van een spoorweg van Drachten naar Groningen.‘ De bekendmaking zal voor de nodige onrust hebben gezorgd bij de landeigenaren wiens land onteigend zal gaan worden. 

De bekendmaking van de wet die het mogelijk maakte, dat er grond ten behoeve van de aanleg van de tramlijn Groningen-Drachten onteigend kon gaan worden (bron: Nederlandsche Staatscourant No. 12, zaterdag 15 januari 1910, pagina 2).

Het wetvoorstel werd aangenomen op vrijdag 31 december 1909 en in de Nederlandsche Staatscourant van zaterdag 15 januari 1910 gepubliceerd. Landbouwer Roelof Ebbinge zal zeker de nodige boze bewoordingen hebben gebruikt toen hij hoorde dat de Staat zomaar even wat grond kon afpakken voor zo’n rottige rot trein. Ja, als ze hun zin kregen dan was hij een beste lap grond kwijt! 

Maar hoe luid alle Roelof’s (Brink, Deodatus Pieterszn. en Ebbinge) in de Zulte ook scholden en tekeergingen, de Nederlandsche Tramweg-Maatschappij ging gewoon door met het onteigenen van de stukken grond die nodig waren voor de aanleg van het spoor. Bijna 1450 vierkante meter zou Roelof kwijtraken aan de staat! Het moest niet veel gekker worden! Helaas voor Roelof ging het werk aan het spoor onverminderd door en vanaf zaterdag 1 mei 1915 werd deze opengesteld voor het goederenvervoer. 

Bijbehorende uitleg voor de tabel in de onderstaande afbeelding in verband met de onteigening door de Nederlandse Staat en zoals deze in het Nieuwsblad van het Noorden verscheen Van links naar rechts: Nummer van het grondplan., Te onteigenen grootte in Hectaren, Aren en Centiaren., Als;., Ter grootte van Hectaren, Aren en Centiaren., Kadastrale Sectie, Sectie Nummer., Ten name van:. (bron: Nieuwsblad van het Noorden, 24e jaargang, No. 227, dinsdag 26 september 1911, 4e blad).

Met de andere Aldert, de zoon van Roelof en Hinderkien dus, stijgt inmiddels op de ladder binnen de Belastingdienst en verhuisd op de donderdag 1 oktober 1914 van Leiden weer naar het ouderlijk huis in de Zulte. Twee maanden later, maandag 14 december 1914, vertrekt de Aldert Ebbinge naar het Friese Workum om weer als rijksontvanger aan het werk te gaan. Een half jaar later op dinsdag 15 juni 1915 is Aldert weer bij zijn ouders in de Zulte en wacht hij op zijn nieuwe werkplaats. Op de woensdag 29 september 1915 is het zover en Aldert vertrekt nu naar de plaats Oosterwolde in de gemeente Ooststellingwerf. 

Het huis van de familie Ebbinge die later ingetekend op een oude kadastrale kaart uit het jaar 1884. Op de tekening staat bij het huis de vermelding ‘Rood’. Dit verwijst naar de kleur steen waarmee het huis was gebouwd (bron: Drents Archief).

Ook Renske gaat op dezelfde dag in september 1915 richting Oosterwolde. Naar alle waarschijnlijkheid trekt ze bij hem in en wonen ze samen tot dinsdag 16 januari 1917. Waarschijnlijk vertrekt Aldert wederom naar een andere plaats – dit was het lot van een ’s rijksambtenaar – en gaat zijn zus Renske op 31-jarige leeftijd terug naar het huis van haar ouders in de Zulte. Iets wat ook goed op de pagina van de familie Ebbinge in het bevolkingsregister Deel 2 1900-1922 van de voormalige gemeente Roden te lezen is.

Een afbeelding van een jonge Renske Ebbinge die ongeveer uit de tijd stamt dat zij samen met haar broer richting het Ooststellingwerfse Oosterwolde vertrok (bron: Drents Archief)

Het is de dinsdag 29 april in het jaar 1928 wanneer Hinderkien Aukema op 73-jarige leeftijd haar laatste adem uitblaast en in de Zulte thuis op bed sterft. Renske woont dan nog samen met haar vader in het huis dat inmiddels Zulte 82 heeft gekregen en Aldert woont nu in het Brabantse Oss samen met zijn vrouw Roelfina Geertina Alida Ebbinge-van Dokkum en hun dochter Hennie. Op de gezinskaart van het gezin Ebbinge in het Bevolkingsregister van de gemeente Roden uit de periode 1922-1939, is de naam van Hinderkien doorgestreept.

De overlijdensadvertentie van Hinderkien in het Nieuwsblad van het Noorden van vrijdag 2 mei 1928 (bron: Nieuwsblad van het Noorden, 41e jaargang, no. 104, 1e blad, woensdag 2 mei 1928)

Een ander gegeven op de gezinskaart van de familie Ebbinge is wel de vermelding dat Roelof een vuurwapen bezit. Naast het huis en grasland in de Zulte, heeft Roelof een aantal percelen grond aan de overzijde van de woning in bezit, waaronder een klein heideveld. In die tijd kwam er veel wild voor in de omgeving van de Zulte en zoals een groot aantal bewoners van het voormalig esgehucht, zal Roelof ook een hartstochtelijke jager geweest zijn.

De gezinskaart van de familie Ebbinge in het huis met het nummer Zulte 82. Op de kaart staat duidelijk dat Roelof een vuurwapen bezit (bron: Drents Archief. Bevolkingsregister 1922-1939 gezinskaarten deel 4)

Het heideveldje is slechts een heel klein restant van wat eens een immens groot nat en moerassig heideveld ten noorden en ten westen van de Zulte. Aan het einde van de jaren dertig in de vorige eeuw kwam in veel plaatsen rondom Roden de zandwinning op en ook Roelof dacht hieraan een graantje mee te kunnen pikken. En zo werd er een grote dragline geregeld en Ol Boest (ene meneer Buist) zou wel even het zand voor Ebbinge gaan winnen. Echter na twee halen met de grote bak werd er van de zandwinning afgezien.

Het zogenaamde Ebbensveldje op een luchtfoto uit 2006. Rechtsonder is een beboste strook op het heideveldje te zien, waar de bak van Ol Boest zijn dragline zijn graafsporen heeft achtergelaten. Ook zijn de sporen zichtbaar van een weg, die in het verleden over het heideveld liep (afbeelding: Topotijdreis).

Het bleek dat de gewenste zandlaag slechts enkele tientallen centimeters dik was en het enige dat gewonnen werd, was kleverige keileem en taaie potklei. Volgens ooggetuigen uit die tijd waren ze langer bezig de bak van de graafmachine te ontdoen van de prut, dan het gevaarte op de heide en er weer weg te krijgen. Het schijnt dat men bij de laatste bak minstens een halve dag nodig had om deze weer redelijk schoon te krijgen.

De sporen zijn trouwens nog steeds zichtbaar op het heideveldje als een rechte geul van zo’n 50 meter lengte en zo’n vijf tot zes meter breed. De geul had verder geen functie meer en werd tijdens de natuurdagen gehouden in de jaren 90 en in de 21e eeuw volgegooid met snoeiafval. Dit snoeiafval werd dus in het water gegooid en kon dus zodoende wortels produceren. Het gevolg was dat nu de geul inmiddels vrijwel dichtgegroeid is en zorgt voor een bosje op het natte heideveld, zoals op de bovenstaande foto goed te zien is. 

Mevrouw Meijer met haar kinderen op ’t Ebbensveldje met de vele wilde gagel (Myrica gale) op de achtergrond. De bal om mee te spelen was destijds altijd binnen handbereik (afbeelding is mij in het verleden door de familie Meijer ter beschikking gesteld).

Het restant werd destijds in het Roner dialect het ‘Ebbensveldje‘ genoemd en veel jeugd uit de Zulte heeft hier als dan niet stiekem, een balletje getrapt.  Ook het zoeken naar adders (Vipera berus), die toen nog voorkwamen, was voor een aantal jongeren een leuke bezigheid op het Ebbensveldje. Menigeen uit die tijd vraagt deze scribent of de adders nog op ’t heideveldje zijn. Helaas, die zijn inmiddels verdwenen. Na het overlijden van Renske kwam dit heideveldje in het bezit van de Rijksuniversiteit te Groningen, die het op haar beurt later doorgaf aan Staatsbosbeheer.  

De advertenties van Aldert en Roelof waarin het overlijden van Roelfina Geertina Alida Ebbinge-van Dokkum bekend werd gemaakt in het Nieuwsblad van het Noorden (bron: Nieuwsblad van het Noorden, 50e jaargang, no. 246, 1e blad, dinsdag 19 october 1937)

Maar goed, laten we teruggaan naar het wel en wee van de familie Ebbinge in de Zulte. In het jaar 1937 komen wij de familie weer tegen op een minder vrolijke manier. Op zaterdag 16 oktober 1937 komt Roelfina Geertina Alida Ebbinge-van Dokkum te overlijden, dochter van Herman Johannes van Dokkum en Jantien Homan, vrouw van Aldert en moeder van Hennie Ebbinge. Aldert Ebbinge woont dan inmiddels in de stad Breda. Volgens de advertenties van zowel Aldert als die van Roelof en dochter Renske in het Nieuwsblad van het Noorden dinsdag 19 oktober 1937, zou het lichaam van de 56-jarige Roelfina de donderdag daarop om 2 uur vanuit de Zulte naar de begraafplaats vertrekken. Het spreekt vanzelf dat het hier het huis van Roelof betrof. 

Het huis met het nummer Zulte 21 tijdens een winterse avond in het jaar 1986. Zo zal het er ook rond 1937 uit hebben gezien, toen Roelfina vanuit hier naar de begraafplaats werd gebracht. De foto is afkomstig uit de privécollectie van de familie Niezink en in 2015 gepubliceerd in het boek ‘Van karrenspoor tot natuurgebied.

Tweeënhalf jaar later begint het jaar 1940 eerst niet goed in de Zulte met de Duitse inval in Nederland op vrijdag 10 mei 1940. En toch zal veel bij hetzelfde het eerste jaar van de oorlog. Zoon Aldert heeft echter heugelijk nieuws en hij gaat weer trouwen op donderdag 5 september 1940 in de stad Groningen met de 49-jarige en in Delfzijl geboren Johanna Geertruida Roggenkamp. 

De huwelijksakte van Aldert Ebbinge en Johanna Geertruida Roggenkamp uit 1940 (bron: Gronings Archief. Huwelijksregister 1940, aktenummer 713, Gemeente: Groningen, Periode: 1940).

Roelof zal zich voor zijn zoon hebben verheugd dat deze een nieuwe liefde in zijn leven had gevonden en inmiddels samen met zijn nieuwe vrouw en dochter Hennie naar ‘s-Gravenhage was vertrokken. Ruim een half jaar later voelde Roelof zich niet goed en kwam op maandag 10 maart 1941in de leeftijd van 85 jaren te overlijden. Een dag later verscheen er in het Nieuwsblad van het Noorden een overlijdensadvertentie van de kinderen Aldert en Renske.

De overlijdensadvertentie van de kinderen Aldert en Renske in het Nieuwsblad van het Noorden van dinsdag 11 maart 1941 waarbij zij het overlijden van hun vader Roelof Ebbinge bekendmaakten (bron: Nieuwsblad van het Noorden, 54e jaargang, no. 59, 1e blad, dinsdag 11 maart 1941)

Al ruim voor zijn overlijden zal Roelof Ebbinge een groot gedeelte van zijn landbouwactiviteiten hebben afgestoten en wat er nog te doen was, zal dochter Renske voor haar vader opgeknapt hebben. Renske brengt haar dagen onder andere als kunstenares door, ze was volgens insiders een begaafd schilderes. Na ruim 17 jaren zonder haar vader in het prachtige huis met het nummer Zulte 21 te hebben doorgebracht, waarbij haar broer Aldert met vrouw, dochter Hennie en haar man en kinderen regelmatig vanuit Den Haag hier op bezoek komen, is het ook voor haar de hoogste tijd geworden en komt ze te overlijden.

De aangifte van het overlijden van Renske Ebbinge door de aanspreker Jan Holt uit Roden (bron: Drents Archief. Overlijdensregister Roden 1958, archiefnummer 0167.021, inventarisnummer 1958, aktenummer 30, Gemeente: Roden, Periode: 1958).

Op de leeftijd van 71 jaar sluit de in Roderwolde geboren en vrijgezelle Renske Ebbinge op de donderdag 31 juli van het jaar 1958 om half acht ’s avonds voor het laatst haar ogen en kwam er een einde aan de aanwezigheid van de familie Ebbinge in de Zulte zoals wij deze heden ten dage kennen. De 57-jarige aanspreker Jan Holt verscheen zaterdag twee augustus voor de ambtenaar van de burgerlijke stand der gemeente Roden om het overlijden van Renske aan te geven.

Voordat de telefoon zijn intrede bij iedereen thuis had gedaan in Roden, bestond de taak van Jan Holt er onder andere uit om aan huis de nabestaanden in kennis te stellen van een overlijden. Daarnaast kon de aanspreker ook de aangifte van het overlijden doen bij de burgerlijke stand en eventueel de begrafenis of crematie regelen. Volgens de rouwadvertentie die in het Nieuwsblad van het Noorden van zaterdag 2 augustus 1958 verscheen en door Aldert Ebbinge was geplaatst, zou het lichaam van Renske naar Dieren gebracht worden waar zij op maandag 4 augustus om 1:45 uur gecremeerd zou worden. 

De door Aldert Ebbinge geplaatse overlijdingsadvertentie in het Nieuwsblad van het Noorden met de bekendmaking dat Renske in Dieren gecremeerd ging worden (bron: Nieuwsblad van het Noorden, zaterdag 2 augustus 1958, pagina 4).

Na het overlijden van Renske moet de enige uit het gezin van Roelof Ebbinge overgebleven gezinslid en de in Den Haag wonende zoon Aldert de zaken gaan regelen. De weilanden komen in de handen van de buren, het heideveld met de naam ‘Ebbensveldje’ komt rond 1959 in het bezit van de Rijksuniversiteit van Groningen en het huis aan de Zulte wordt in het jaar 1958 verkocht aan Tj. Hofman, winkelier/juwelier aan de Brink in Roden. 

Op de foto zijn Meint en Bregtje met kinderen aan het eind van de jaren vijftig voor het huis aan de Zulte te zien. Linksonder is nog het bruggetje over de sloot zichtbaar en het geheel oogt vredig in de vroege zomer van dat jaar. Deze foto en de foto hieronder zijn zeer welwillend door Henk van der Dijk, zoon van Meint en Bregtje en oud-bewoner van het huis, aan mij ter beschikking gesteld om te gebruiken in dit artikel. Waarvoor nogmaals zeer veel dank!

Het huis blijft niet lang onbewoond en het jonge gezin Meint en Bregtje van der Dijk trekt in de woning met het adres Zulte 21. Het was al een behoorlijke tijd geleden dat er jonge mensen in de woning vertoeven. De uit Bedum afkomstige Meint gaat bij Tjaart Hofman, de eigenaar van het huis en winkelier/juwelier aan de Brink in Roden, als horlogemaker aan de slag om zijn kost te verdienen. Weer iets heel anders dan een landbouwer. 

De trotse nieuwe bewoners van de Zulte 21 aan het einde van de jaren vijftig. De lichtelijk strenge blik van Meint van der Dijk wordt gecompenseerd door een betoverende glimlach van Bregtje. Ook deze prachtige foto zoals die van hierboven zijn afkomstig van de zoon van Meint en Bregtje, Henk van der Dijk, waarvoor ik hem zeer erkentelijk ben. Nogmaals dank je wel.

De jaren vijftig verstrijken geruisloos in het voormalig esgehucht de Zulte en de enige banden die de familie Ebbinge nog met dit rustige plaatsje heeft, zijn de families Brink en Holthuis die zuidelijk nabij de brink wonen en heel ver in de verte familie is. Enkel Aldert is over van het gezin van Roelof Ebbinge, maar hij woont in het verre Den Haag. De pensioneerde en voormalig rijksontvanger, een ambtenaar aan wie het beheer van inkomsten en uitgaven van het Rijk is opgedragen, loopt echter ook al op zijn laatste loodjes. 

Bijna acht jaren na het overlijden van zijn jongere zuster Renske komt Aldert ook te overlijden in het luxe ‘s-Gravenhage, heel ver van de Zulte vandaan. Op de vrijdag de zevende in de maand januari van het jaar 1966 om 10:30 in de ochtend in Voorburg te Den Haag, blaast hij zijn laatste adem uit in de warme en liefdevolle omgeving van zijn vrouw Johanna Geertruida.

De vermelding van het overlijden op 7 januari 1966 te ‘s-Gravenhage van Aldert Ebbinge, geboren te Roden, 83 jaar oud, zonder beroep (bron: Haags Gemeentearchief te Den Haag, BS Overlijden. Ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ‘s-Gravenhage, ‘s-Gravenhage, archief 335-01, inventaris­num­mer 1861, 10-01-1966, Nadere toegang op het overlijdensregister van de gemeente ‘s-Gravenhage, aktenummer A71).

Na de familie van der Dijk kwamen nog een aantal andere families zoals Niemeijer, Hoogeveen, Smilda en Niezink. In het Nieuwsblad van het Noorden bood de zoon het huis in mei 1969 te huur aan als een gemeubileerde vakantiewoning dicht bij het Leekstermeer. Het huis is aan het begin van de 21e eeuw gesloopt om plaats te maken voor een rondweg en een rotonde.

De advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden geplaatst door C. W. Hofman uit Roden waarin hij de Zulte 21 wil verhuren als een vakantiehuis (bron: Nieuwsblad van het Noorden, 82e jaargang, No. 124, vrijdag 30 mei 1969, negende blad, pagina 28).

Op de onderstaande afbeelding is de advertentie te zien die notaris G. J. Wilts in opdracht van de echtgenote en inmiddels weduwe van Freerk Smilda, G. Smilda-v.d. Wal, in het Nieuwsblad van het Noorden liet plaatsen. Deze advertentie verscheen op zaterdag 24 augustus 1974 in alle edities van deze krant. Het huis had inmiddels het huisnummer Zulthe 19.

In de door de notaris G. J. Wilts geplaatste advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden was een foto van de woning toegevoegd (bron: Nieuwsblad van het Noorden van zaterdag 24 augustus 1974, pagina 2. 287ste jaargang, no. 198).

Het enige dat wij nog kunnen aantreffen van de in allerhaast gesloopte woning zijn kleine stukjes rode steen, die door het sloopproces in de bodem terechtgekomen zijn en nu door mollen die met hun molshopen de restanten weer aan de oppervlakte weten te brengen. Op zich een leuk gegeven, maar of Roelof Ebbinge blij met zou zijn met de vele mollen die daar nu aanwezig zijn? Ik waag dat te betwijfelen. 

De plaats waar eens het mooie huis gestaan heeft in de Zulte. Helaas moest het verdwijnen en plaatsmaken voor ambitieuze plannen van een wethouder en een rondweg plus rotonde.

Van de Zulte naar de Nietapster Schans.

Toen in het jaar 1812 de befaamde Franse legerkaart onder leiding van militair-ingenieur J. K. Immeling gereedkwam en de wijde omgeving van het dorp Roden voor het eerst duidelijk en redelijk accuraat te zien was, waardoor er na de Franse tijd er in ons land een deugdelijk kadastraal systeem opgezet kom worden, had een soldaat uit het Groningse Haren al in de jaren tachtig van de achttiende eeuw deugdelijk werk afgeleverd op het gebied van het nauwkeurig landmeten. Nu moet wel worden opgemerkt, dat beide militaire ingenieurs twee totaal verschillende doelen voor ogen hadden. 

De schans bij Nieuw-Tap met linksboven de beek Lek. (bron: Groninger Archieven Identificatienummer NL-GnGRA_817_1311.1).

Nadat Lodewijk Napoleon op zondag 1 juli 1810 zich teruggetrokken had als koning en er op maandag 9 juli 1810 door middel van het Decreet van Rambouillet een einde kwam aan het Koninkrijk Holland, voegde de Franse keizer Napoleon Bonaparte het land bij het keizerrijk Frankrijk. Doordat het land deel ging uitmaken van het grote keizerrijk, betekende dit ook dat de maatregelen en wetgeving in ons land werden ingevoerd, zoals de burgerlijke stand en het metriek stelsel. 

Naast een goede burgerlijke stand, die ervoor zorgde dat men als staat wist waar de weerbare mannen zich bevonden, was een stelsel nodig waarbij men met precieze cijfers de belastingen bij de juiste grondeigenaren kon gaan innen. Dit stelsel werd in 1832 in ons land ingevoerd als het Kadaster met uitzondering van Limburg.  

Nu was de kaart van het gebied rondom Roden uit 1812 natuurlijk niet zo precies als die uit 1832 en dat had natuurlijk een reden. De kaart van 1812 was gemaakt door de militaire ingenieurs zodat de legerleiding van de Grande Armée wisten waar ze langs konden trekken en waar dit juist niet ging. Dit zal één van de redenen zijn waarom de pingoruïne Vagevuur niet op de kaart voorkomt en de iets meer naar het noordoosten gelegen pingoruïne in het heideveld wel. 

Op de Franse legerkaart uit 1812 is duidelijk te zien dat de pingoruïne Vagevuur niet is ingetekend, maar de noordoostelijk op het heideveld gelegen pingoruïne wel. Het is erg begrijpelijk dat dit is gebeurd; Vagevuur lag in het bos en het was niet aantrekkelijk om met een leger door het bos te gaan. Zeker niet als er voldoende goede wegen in de directe nabijheid aanwezig zijn (Bron: Drents Archief).

Nu was er natuurlijk allang voor de Franse tijd vraag naar betrouwbare kaarten van de gebieden waar de militaire ingenieurs veel baat bij zouden kunnen hebben en er waren natuurlijk ook al ervaringen opgedaan met kaarten en tekeningen van bijvoorbeeld vestingwerken, die redelijk nauwkeurig waren. Eerlijk gezegd, vestingwerken klinkt heel wat, maar in vele delen van het noorden bestonden deze uit zogenaamde ‘schansen’. Een schans was eigenlijk niets meer dan een verdedigingswerk met een gracht en een aardenwal, die redelijk snel gebouwd kon worden en financieel gezien maar weinig koste. 

In de omgeving van de Zulte stonden er twee schansen, de Leeksterschans in Leek en in het dorpje Een komen wij de Zwartendijksterschans tegen. Oude verdedigingswerken die stammen uit het tijdperk aan het einde van de zestiende eeuw en dienden tijdens de tachtigjarige oorlog. Honderd jaren later hadden de schansen hun functie als zodanig verloren en kwamen ze min of meer in verval. 

De Leeksterschans rond het jaar 1640 en met de naam “Le Fort sur le Passage De Lecke” (bron: Groninger Archieven Identificatienummer NL-GnGRA_2138_1081)

En dan komen we uit bij de eerdergenoemde soldaat uit Haren; Rudolph Rummerink. Hij werd als zoon van Jan (Johan) Rummerink (Rummeringh) en Margareta Hoijsing (Hoising) (Hoisingius) op zondag 6 januari 1726 te Haren geboren. Hij wilde landmeter worden en werd als student ingeschreven aan de Hogeschool van Groningen op maandag 14 september van het jaar 1744, waarbij hij op vrijdag 29 mei 1750 promoveerde in de landmeetkunde. Bijna een jaar later, op donderdag 18 februari 1751 trad hij in dienst van het leger als militair-ingenieur. 

Rummerink komt in het jaar 1757 als luitenant-ingenieur in de vestingplaats Nieuweschans terecht waar hij na negen jaren op zondag 1 juni 1766 weer vertrekt. Op donderdag 26 september 1778 wordt de luitenant bevorderd tot major-ingenieur bij de Genie en werkt hij in het jaar 1781 nabij Groningen in het Departement van Wedde en Westwoldingerland samen met de civiele ingenieurs Siderius en van Lier. Enkele jaren later, in 1784 komen wij de majoor weer tegen in een advies in verband met de verdedigingswerken in het oosten van de provincie Groningen. 

Het is echter het jaar 1785 dat de wijde omgeving van de Zulte te maken krijgt met de militaire ingenieur, die afkomstig is uit het Groningse Haren en oom is van de rijke en in Roden redelijk bekende boer Rudolf Rummerink, eveneens afkomstig is uit de plaats Haren. In het boek “Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde, derde reeks, deel VIII uit 1894” vermeldde de schrijver dat; “Zoo lagen ten noorden van Drente drassige gronden 3, waarop de woorden van Caesar B. G. dat de volken hun grenzen woest en onbewoond lieten voor de veiligheid, en zooals J. D. Meijer het uitdrukt: «Moerassen scheidden de volken», toepasselijk geacht mogen wordena. De majoor heeft een duidelijke mening over de gebieden ten noorden van de Zulte en oostelijk gelegen van de Leeksterweg.  

In de tekst staat een 3 waar men naar de uitspraken van Rummerink verwees: “Van die ten westen van Groningen schrijft de Majoor-Ingenieur Rummerink ten jare 1785: “sijnde alle de landen aan de oostzijde van dien Leeksterweg tot de stad Groningen, en aan de westzijde tot Friesland, volgens informatiën seer laag en ’s winters ten eenenmale geïnuudeert”. Met inunderen bedoelde de majoor niet dat het doelbewust onder water zetten van het gebied, maar dat dit al van nature tijdens de natte perioden gebeurde. 

Het ontwerp van de schans bij Nieuw-Tap die door majoor-ingenieur Rudolph Rummerink in het jaar 1785 vervaardigd werd. De schaal is 60 Rhijnlandsche roeden = 10 cm. (bron: Groninger Archieven Identificatienummer NL-GnGRA_817_1311.1).

Het is ook in dit jaar dat de majoor-ingenieur Rummerink het idee heeft opgedaan om ten zuiden van het gehucht Nieuw-Tap een sterke fortificatie aan te gaan leggen in de stijl van de oude schansen zoals in Een, Leek en Bourtange. Zeker gezien hoe het landschap destijds erbij lag, een logisch plan om juist hier een verdedigingswerk aan te gaan leggen. Een paar forse schansen, drassige gronden en veel sloten lokten nu niet uit om hier met een leger uit die tijd op te rukken. 

Het plan verdween met de bijbehorende tekening in het archief van de Genie en vrij nuchter gezien was het plan enorm achterhaald. Zeker toen tien jaren later het Franse leger ons land vrijwel zonder verzet ons land binnenviel. Hoe de dan inmiddels gepensioneerde en tot luitenant-kolonel ingenieur bevorderde Rudolph hierover dacht, is onbekend. Hij was in 1787 met Jacoba Rebecca Fruitier, weduwe van fiscaal-generaal van de provincie Friesland Pijbo Talma, getrouwd en woonde nu in Haren. Hier overleed hij op 81-jarige leeftijd op donderdag 1 oktober 1807. 

De advertentie uit 1807 in de Groninger Courant die geplaatst werd door zijn neef Rudolf Rummerink. Een jaar later zou neef Rudolf ook komen te overlijden (bron: Groninger Courant, Dingsdag 29 september 1807, nummer 78, tweede blad).

a Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde, derde reeks, deel VIII. Verzameld en uitgegeven vroeger door Mr. Is. An. Nijhoff en P.Nijhoff, thans door Dr. K. Fruin, Hoogleraar te Leiden. ’s Gravenhage Martinus Nijhoff 1985. Pag. 204 en 205. 

Drama in de Boschkampe

Op de zomerse vrijdag 17 augustus van het jaar 1787 ziet ver van de Zulte een jongen in de Friese plaats IJlst als zoon van Meinte Tjebbels van der Velde (1759) en Trijntje Reins (1761) voor het eerst het levenslicht. Deze stoere Friese knaap, Tjebbele Meintes van der Velde genaamd, woonde inmiddels in de Zulte en stond bekend als een hardwerkende timmermansknecht. Voor de 25-jarige timmerknegt kon het geluk ook niet op toen hij in het jaar 1813 de geboren te Groningen en even oude arbeidster Maria Meijers tegen het lijf was aangelopen. Voor Tjebbele Meintes zal het liefde op het eerste gezicht geweest zijn en voor de dochter van Willem Meijers en Anna Nijman uit de stad Groningen, was het een nieuwe poging om het geluk in het leven te vinden. 

De op de donderdag 26 juli in 1787 geboren Maria was het jaar daarvoor op 23-jarige leeftijd weduwe geworden toen haar echtgenoot Egbert Jans Been op dinsdag vijftien april 1812 in Peize kwam te overlijden, slechts 31 jaar oud. Volgens de archieven liet de als dakdekker werkende Been de zwangere Maria met een kind achter, de op dinsdag 29 november 1809 te Peize geboren Anna Egberts Been. Op een of andere manier bleef het noodlot haar achtervolgen en net zoals haar vader, kwam hun dochter Jakken Been, die aan het eind van het jaar 1812 ter wereld kwam, aan het einde van de maand december van het jaar 1813 in Peize te overlijden. 

Trouwakte van Tjebbel en Maria uit 1814: Bruidegom: Tjebble Meintes van der Velde, geboren te IJlst op 17-08-1787; leeftijd: 26 jaar; beroep: timmerknegt , zoon van Meinte Tjebbles en Trijntje Reins. Bruid: Maria Meijer, geboren te Groningen op 02-08-1787; leeftijd: 26; beroep: arbeidster , dochter van Willem Meijer en Anna Nijmans . (bron: Huwelijk, Roden, 19-05-1814, aktenummer 5)
De plaats in het huidige Roden, het pleintje op de hoek van de Boskamp en het Padkamp, waar vanaf 1814 het huis van Tjebbele Meintes van der Velde heeft gestaan.

De ontmoeting met Tjebbele, die inmiddels ook wel Tjebbel genoemd werd, leek het voor de inmiddels in Foxwolde woonachtige Maria Meijers na het overlijden van haar dochtertje een nieuw startpunt te zijn. Bijna vijf maanden na het heengaan van haar dochter, de woensdag 18 mei 1814, gaven Tjebbel en Maria in gemeente Roden, Kanton Assen in het departement van de Wester-Eems elkaar het ja-woord en gingen ze in de Zulte wonen. Het huwelijk tussen de beide lieden kwam niet zomaar uit de lucht vallen. Op de woensdag 9 november 1814 kwam de aap uit de mouw of beter gezegd; Maria beval van hun zoon Meinte van der Velde en de zaterdag daarop kon de trotse vader zijn eerste zoon aangeven.

Ondanks dat het inmiddels verplicht was om een achternaam te voeren, bleef het gebruik om het kind de naam van zijn of haar vader mee te geven. Zo kreeg zoon Meinte als tweede naam ‘Tjebbels’ mee, zoals het al eeuwenlang in grote delen van Nederland gebruikelijk was. In 1817 volgde op woensdag 16 april 1817 zoon Henderijks van der Velde en wederom kon de 29-jarige Tjebbel die inmiddels timmerman was geworden, weer richting de burgerlijke stand vertrekken om hem in geboorteregister van Roden bij te laten schrijven. Een maand later kon de timmerman de reis richting de burgerlijke stand weer maken, op de woensdag 14 mei 1817 blies de zuigeling zijn laatste adem uit en liet zijn ouders verdrietig achter. 

Het pleintje op de plaats waar in het verleden het huis van Tjebbel en Maria heeft gestaan in de Boschkampe op een luchtfoto uit het jaar 2014 (afbeelding: topotijdreis.nl).

Maar ondanks de grote tegenslag van een verloren kind, iets wat in die tijd vaker voorkwam en waarbij de hoge kindersterfte voor enorm veel verdriet zorgde, leek het geluk Tjebbel en Maria weer toe te lachen. Op woensdag 25 maart 1818 beviel Maria van hun eerste en haar derde dochter. De 30-jarige ouders noemden het meisje Trijntje, later werd ook wel als Trientje omschreven. Bijna 3,5 jaren later, op zaterdag 28 augustus 1821, volgde hun tweede dochter Annegien van der Velde. In het jaar 1823, toen Tjebbel en Maria allebei 36 jaren oud waren, verscheen op de koude zaterdag 29 november hun derde zoon Henderikus.

De woning van het gezin van der Velde bevond zich in wat in het verleden de Boschkampe heette en lag grofweg op zo’n vijfhonderd meter afstand ten zuidoosten van de centraal gelegen brink in het voormalig esgehucht de Zulte. Het huis stond precies op de plaats waar nu een basketbal/rolschaatspleintje aan de Boskamp en Padkamp ligt. Het gebouw zal zo rond 1814 gebouwd zijn op grond dat van de eigenaar, Johanna Philippina van Dedem tot den Gelder; de weduwe van Willem de Lille, gekocht was. En naar alle waarschijnlijkheid zal Tjebbel zelf mee hebben gewerkt aan de bouw van het huis. 

Het basketbal/rolschaatspleintje op de hoek van de Boskamp en Padkamp, gezien vanuit de laatst genoemde. Op deze plaats stond ongeveer vanaf het jaar 1814 het huis van Tjebbel en Maria.

Het was weliswaar een redelijk nieuwe woning die degelijk was gebouwd, maar naar de huidige maatstaven zou het niet voldoen aan de tegenwoordige eisen. Deze huizen waren slecht warm te houden en naast de kou, zal het tochten en de vocht ook een grote rol hebben gespeeld bij de gezondheid van de bewoners. Met name in de tijden dat het vroor zal het geen pretje geweest zijn om er te wonen. Dit soort woonomstandigheden zijn heden ten dage niet meer voor te stellen en het verklaart de hoge sterfcijfers onder de mensen die rond die tijd in de Zulte woonden. 

Waarschijnlijk zullen deze omstandigheden er aan bij hebben gedragen dat eerst dochter Martien Tjebbels van der Velde, die op maandag 27 februari 1826 was geboren en 2 jaar en 11 maanden later op woensdag 24 januari 1827 kwam te overlijden. Bijna twee jaren later beviel Maria een dag voor oud jaar, dinsdag 30 december 1828 op 41-jarige leefdtijd van hun laatste kind, een meisje die eveneens de naam Martien kreeg. Ook hier bleek het ongeluk op de loer te liggen en moesten de twee verdrietige ouders na zes weken wederom afscheid nemen van een kind. 

De bladzijde uit het boek ‘Volkstelling 1830’ van de gemeente Roden, waarin Tjebbel en Maria, hun kinderen en oma Anna Hinderikus Niemeijer als bewoners van het West en Noordeinde 220 vermeld werden (bron: Volkstelling, 1830, archiefnummer 2001.21, inventarisnummer 1 Gemeente: Roden).

In het jaar 1829 vond er in de wijde omgeving van de toenmalige gemeente Roden een volkstelling onder de bevolking plaats die later gepubliceerd werd als ‘Volkstelling 1830’. Het huis van Tjebbel en Maria heeft dan het adres West en Noordeinde 220 en volgens de archieven wonen er naast de twee echtlieden van 42 jaar, ook hun zoon Meinte van 15, dochter Trientje of Trijntje 11 jaar oud, dochter Annechien 8 jaar en de 6-jarige zoon Henderikus in de woning. Een andere inwonende is de 66-jarige Anna Hinderikus Niemeijer, die in de stad Groningen is geboren en de moeder is van Maria.

De inmiddels volwassen dochter van Maria uit het huwelijk met Egbert Jans Been, Anna Egberts Been, die voorheen bij haar moeder en stiefvader inwoonde, woonde nu samen met haar 23-jarige man Egbert Jans Noord en hun half jaar oude zoon Jan Egberts Noord op het adres West en Noordeinde 202b. Bij het gezin van der Velde gaat het leven zijn gang en bij Maria’s dochter en schoonzoon verloopt de gezinsuitbreiding ook zeer voorspoedig.

De twee percelen van Tjebbel, I-150 (tuin) en I-151 (huis en erf), op de Kadastrale kaart van de gemeente Roden, Sectie I genaamd de Zulte in drie bladen, eerste blad uit 1832 (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).

In het jaar 1832 Komen wij Tjebbel van der Velde tegen in de archieven van het Kadaster als eigenaar van de twee percelen I-150 (tuin) en I-151 (huis en erf). Echter, zoals wel vaker het geval was bij de oude archieven, wordt Tjebbel als timmerman Gebbeke Meints van der Velde omschreven als eigenaar van beide percelen in het register van het Kadaster, dat bij het eerste van drie bladen van de gemeente Roden, Sectie I de Zulte behoorde. 

 Aan al het geluk komt een einde als Maria het tijdelijke leven op de kille dinsdag van 14 november 1837 om twaalf uur ’s middags voor het eeuwige verwisseld op de leefdtijd van 50 jaren in hun woning in de Boschkamp. Voor Tjebbel lijkt de wereld te eindigen en na het weg moeten brengen van drie kinderen, is de tijd gekomen om voor altijd afscheid te nemen van zijn geliefde Maria Meijers. Een half jaar kan Tjebbel het nog volhouden, maar op zondag 13 mei 1838 knapt er iets bij de timmerman en besluit hij een einde aan zijn leven te maken. 

De vijvers langs de Toutenburgsingel waar het lichaam van Tjebbel gevonden werd op de Kadastrale kaart uit 1832 (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort)

De volgende ochtend rond een uur of zeven wordt het levenloze lichaam van Tjebbel in één van de vijvers bij de Toutenburgsingel, ook wel de Klaidobben genoemd, door de arbeiders Hindrik Stoffers Rozema, zijn buurman van nummer 221 en Tunnis Roelfs Tooms uit Leutingewolde gevonden. Dat juist zijn buurman hem heeft gevonden, zou er op kunnen wijzen dat men de timmerman met zijn gebroken hart al vrij snel vermist heeft en hem is gaan zoeken. 

De overlijdensakte van de timmerman Tjebbele Meintes van der Velde uit 1838 (bron: Overlijdensregister Roden 1838, archiefnummer 0167.021, inventarisnummer 1838, aktenummer 9 Gemeente: Roden Periode: 1838).

Na het overlijden van Tjebbel van der Velde gaan de oudste dochter van Maria, Anna Egberts Been, haar man Egbert Jans Noord en hun kinderen in het huis wonen. Het huis zal in de jaren ’50 van de vorige gesloopt zijn om plaats te maken voor de uitbreidingsplannen van de toenmalige gemeente Roden. 

Bladzijde uit het boekwerk ‘Volkstelling 1840’ waarbij goed te zien is dat Anna Egberts Been en haar man de woning inmiddels bewonen. Ook de buurman die het lichaam van Tjebbel vond, Hindrik Stoffers Rozema, woont nog steeds op nummer 221 (bron: Volkstelling, 1840, archiefnummer 2001.21, inventarisnummer 2 Gemeente: Roden).

Bruggen, duikers en modderige schaapherders

Toen vele jaren geleden, zo rond 1825, de weg van Roden naar het voormalig esgehucht de Zulte naar de herberg met de mooie naam Stoutenburg doorgetrokken werd, veranderde er veel voor de bewoners rond de brink en ook het rustieke uiterlijk kreeg een ander uiterlijk. Hier en daar zal er wel een inwoner iets hebben gemompeld dat het voor hem allemaal niet nodig was geweest, maar de meeste bewoners zullen de veranderingen hebben toegejuicht. Het esgehucht was nu ook uit de richting van Nietap en de Leek makkelijker te bereiken, iets wat de nodige tijdwinst opleverde voor menigeen die hier op doorreis was. 

Een niet minder belangrijke verandering in het esgehucht was wel, dat de wispelturige beek de Zulter Bitse enigszins getemd werd en dat men nu over het beekje kon gaan. Iets dat voor de aanleg van de weg tijdens zeer natte perioden schier onmogelijk was, daar het beekje dan door de enorme toename van regenwater via bovenlaag in het gebied, wist uit te groeien tot en forse stroom. Daarnaast was de samenstelling van de boden hier van zo’n slechte kwaliteit, delen keileem en potklei bedekt met een dunne laag zand of aarde, dat bij de toename van de aanvoer van water het hier een grote modderbende werd. 

Op de Franse legerkaart uit 1810/1811 is de Zulter Bitse te zien die door het voormalig esgehucht de Zulte stroomt. Rond deze tijd was het in de nattere perioden van het jaar waarschijnlijk een grote modderbende op de plaats waar men door de beek moest gaan (afbeelding: Drents Archief).

Nee, doorgaans was men zeer positief over het feit dat de weg nu doorgetrokken werd en men met droge voeten de beek kon oversteken. Met name de op de donderdag 15 augustus van het jaar 1792 te Zevenhuizen geboren schaapsherder van de Zulte, Jan Harms Hummel, die vanuit het oostelijk van het gehucht gelegen Noordeinde kwam, was de brug een zegen. Jan Harms, die samen met zijn vrouw Aaltje en hun kinderen bij Harm Lammerts Sikkes Kroon en Jantje Knelles in het huis met het adres Noordeinde 223 woonde, moest voorheen in de nattere perioden door de braggel heen om bij de schaapskudde te geraken. 

Nadat de Zulter Bitse rond 1825 was omgelegd en later in de negentiende eeuw hier een oprit werd aangelegd voor de boerderij die in 1886 hier werd gebouwd naast de plaats van de vorige boerderij, werden hier ook de sporen zichtbaar van het verleden. Blijkbaar bevinden zich hier nog enkele ondergrondse waterstromen die er voor zorgen, dat de ondergrond hier zier instabiel blijft. En gezien de plaats waar het verzakt, is het duidelijk dat dit niet door het verkeer komt.

Jan Harms Hummel was er zeker niet rouwig over dat hij nu met droog schoeisel over de nieuwe houten brug kon lopen richting de Zulter schaapskooi. Ja, het was een simpel houten bruggetje over de beek geworden, maar hij voldeed prima. Ook de loop van de beek was veranderd en grotendeels gekanaliseerd, of beter gezegd, rechtgetrokken en liep nu zo’n vijftig meter noordelijker onder de nieuwe brug door. De oorspronkelijke weg tussen het dorp Roden en de herberg Stoutenburg aan de Leekster Dyk ten oosten van het esgehucht, had zijn functie grotendeels verloren en verdween in de loop der tijd.

De Zulte op de Kadastrale kaart uit 1832 waarbij het houten bruggetje over de Zulter Bitse goed te zien is. Jan Harms Hummel zal verheugd geweest zijn dat hij nu met droge voeten bij de schaapskudde kon komen (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort)

Hier en daar zijn de sporen van dit weggetje nog terug te vinden in het gebied, ondanks dat de toenmalige gemeente Roden zijn blik op dit gebied had geworpen, nadat de ‘beter gesitueerde’ inwoners van het dorp de woningbouw in hun achtertuin in het zuiden van Roden hadden weten tegen te houden en dat dit het gevolg had, dat hier met alle geweld een woonwijk uit de grond stampte. Het waren andere tijden. De tijd dat het toenmalig gemeentebestuur de ambitie had om de stad Groningen qua grootte en inwonersaantallen naar de kroon te steken. 

In het verlengde van de Klimop bij de Hulst staat nu nog een landhek die plaats markeert waar de weg richting de herberg Stoutenburg zich bevond. Nadat de weg door de Zulte naar de herberg was aangelegd, had de weg zijn functie verloren en werd langzamerhand in het landschap opgenomen.

Maar goed, de vier voorgaande eeuwen waren nu afgesloten en de ontwikkeling rondom het voormalig esgehucht gingen gestaag door. Immers, door de aanleg van de weg was het redelijk beschut gelegen gehucht onderdeel geworden van de weg tussen Roden en de Leek en deed het mee in de evolutie van het gebied. Langzamerhand verdwenen de boerderijen die er al vanaf de vijftiende eeuw stonden en kwamen er nieuwe boerderijen bij, die geheel voldeden aan de eisen die men stelde aan de woningen in het midden van de negentiende eeuw. 

Een segment van een kaart uit het jaar 1861 met de titel “Een lengte-profil en situatie-teekening van den weg van Roden naar Nietap bij De Leek”. Op de inzet is de gemetselde duiker te zien (afbeelding: Drents Archief).

Het begin van de jaren zestig van die eeuw waren de jaren dat er serieus naar de wegen binnen de toenmalige gemeente Roden gekeken werd en daar waar het ging, verharding door middel van grind werd toegepast. Een nadeel van storten van forse laag grind als verharding van de weg is onder andere het gewicht dat op de ondergrond komt. Het spreekt dan ook voor zich, dat de houten brug werd vervangen door een doorgang voor het water dat tegen deze druk bestand was. Er werd voor een gemetselde duiker met een gebogen vorm en een diameter van ongeveer 1 meter gekozen. De waterdruk op de Zulter Bitse was destijds vele malen groter dan heden ten dage, daar waar de vele sloten en het effectief afwateringsysteem binnen de gemeente de functie van de beken heeft overgenomen. 

De percelen waarvan een strook werd onteigend nabij de Zulter Bitse in een advertentie in alle landelijke bladen verscheen. Deze advertentie was afkomstig uit de Leeuwarder Courant van 25 september 1911. Van Roelof Deodatus Pietersz.werd een brede strook van het perceel I-275, dat bestond uit hakbosch, onteigend. Van Roelf Brink werd van de percelen I-1513 (huis en bouwland), I-1008 (huis, schuur, stookhuis en erf) en I-1114 (weg) een strook onteigend voor de aanleg van het tramspoor. De Bitse had
het nummer Ong., en was eigendom van de gemeente Roden.

Met de aanleg van de tramlijn Drachten-Groningen door de Nederlandse Tramweg Maatschappij te Heerenveen moest nu ook weer het een en ander aangepast worden in de Zulte. Vanaf 1911 werden delen grond van de eigenaren langs het toekomstig traject onteigend en kon de aanleg van het spoor beginnen. Er werd niet alleen een spoorbaan aangelegd voor de stoomtram, maar ook de duiker die onder de weg lag, moest ook worden verlengd. De waterdruk op het beekje was inmiddels zo afgenomen, dat de duiker onder het spoor weliswaar in dezelfde vorm werd gemetseld, maar nu in een diameter van zo’n 85 centimeter. Op de woensdag 1 oktober in het jaar 1913 werd de tramlijn in gebruik genomen.

Een afbeelding van het traject over de Zulter Bitse en langs de weg tussen Roden en De Leek uit 1911, waarbij de vermelding staat dat er een stenen duiker komt te liggen met die 0, 85 meter wijd is. De boerderijen links- en rechtsboven op de tekening waren in het bezit van landbouwer Roelf Brink, de boerderij rechtsonder was eigendom van Roelof Deodatus Pietersz., die eveneens landbouwer was  (afbeelding: Drents Archief).

Dat de tram en later de treinen voor de nodige ongelukken en overlast hebben gezorgd, staat verderop op deze weblog beschreven. Door een inmiddels geperfectioneerd stelsels van sloten en watelopen dat er voor had gezorgd, dat de functie van de Zulter Bitse eigenlijk tot nul gereduceerd was. Immers, het nieuwe stelsel wist ervoor te zorgen, dat het water binnen een halve dag al bij Lauwersoog was en daar in de Waddenzee gespuid kon worden.

De bovenloop van de Zulter Bitse heden ten dage bij de Zulthe. De duiker is al jaren geleden verdwenen toen ook het spoor weggehaald werd. Tegenwoordig ligt er een voetpad langs de sloot.

In de jaren veertig, vijftig en zestig van de vorige eeuw was er van een actieve beek allang geen sprake meer en verschilde de waterstand nogal per seizoen. Zo stond deze in de zomer zo laag, dat de beek in het gehucht vrijwel droog stond en de lokale jeugd de duiker onder de weg gebruikte als sluipweg om appels en steenperen bij de boerderij van Deodatus te plukken. In de nattere perioden tijdens de late herfst en de winter was het aanbod van water zo groot, dat de beek de woeste vormen van vroeger aannam en het water met donderend geweld richting het Leekstermeer werd afgevoerd. Ook hier wist de lokale jeugd ook wel raad mee en zetten zij zelfgemaakte papieren bootjes nabij de duiker in de Bitse. De sport was dan, om zo snel mogelijk op de fiets bij de Turfweg te zijn om het bootje voorbij te zien komen. 

In de extreem droge zomer in het jaar 2022 stond de bovenloop van de Zulter Bitse wederom droog. Nu stond de beek in de voorgaande jaren ook regelmatig droog in de zomer, maar dit jaar was het volgens een buurtbewoner wel heel erg. Bleef de bodem in de eerdere jaren altijd wel is van modderig en zacht, in 2022 was de bodem kurkdroog en keihard. Dit had de beste man dan ook nog nooit meegemaakt.

Vanaf het midden van de jaren zestig van de eerder genoemde eeuw was men de overlast die de beek dus in de nattere perioden van het jaar veroorzaakte meer dan beu en werd daar waar het kon de loop van de beek aangepast. Zo kwam er bij het Valkenveldsbos een kleine stuw om de waterstand beter te kunnen regelen en toen het gedeelte tussen het bos en het Leekster Hoofddiep gereed was, begon het waterschap samen met de gemeente Roden aan het aanpassen van de bovenloop en het bouwrijp maken van het aangrenzend gebied. 

De stuw KST-351 die in de jaren zestig van de vorige eeuw in de Zulter Bitse naast het Valkenveldsbos was geplaatst. De stuw werd aan het einde van de jaren zeventig nog een punt van discussie waarbij de toenmalige wethouder van de gemeente Roden, de oorzaak van slecht beleid op het gebeid van de waterhuishouding op het plaatsen van de stuw door het waterschap probeerde te schuiven. De wethouder kon naar de geëiste tienduizend gulden fluiten en het gedeelte tussen de Van Bergenstraat en de Vredelaan bleef nog lang wateroverlast houden door een slecht functionerende riolering.

Voor de beek en zijn unieke uitstraling was geen plaats meer en aan het begin van de jaren zeventig werd het laatste deel van de beek getemd en werden er twee vijvers gegraven met het doel om de waterstand te kunnen controleren en als het even kon, de prijs van de percelen bouwgrond bij de tweede vijver aan de huidige Klimop net even iets hoger te verkopen dan de bedoeling was. De eerste vijver, waar nu het water uit de omringende sloten naar afgevoerd werd, legde men aan tussen de Zulthe en de Klimop naast de boerderij Tilkamp en stond door midden van een rechthoekige betonnen duiker in verbinding met de andere vijver. 

Het begin van de eerste vijver tussen de Zulthe en Klimop naast de prachtige boerderij Tilkamp. Het water dat vroeger via de sloten in de Zulter Bitse kwam, komt nu hier terecht.

Het gedeelte van de beek die vanaf de duiker in de Zulte tot aan het einde van de nieuw gegraven vijver bleef bewaard en heeft nog steeds min of meer een waterafvoerende functie inclusief een schouw, die door het waterschap Noorderzijlvest strak wordt gehandhaafd. Tot aan het punt dat het water regelmatig vervuild raakte doordat het gemeentebestuur van de toenmalige gemeente Roden toestond dat het ongezuiverde rioolwater in de beek terecht kwam, hebben wij als kinderen menigmaal achter bij Wiebe Brink jonge visjes gevangen met een schepnetje gemaakt van een oude panty. 

Het punt waar de tweede vijver via een duiker onder de weg doorgaat en de Zulter Bitse zijn oude vorm aanneemt. Ook het gedeelte waar de beek hier onder de Hulst doorloopt is al tig keren veranderd naar gelang de grillen van het waterschap of de gemeente.

Na het jaar 1985, toen de trein voor het laatst door de Zulte reed, is het spoor langs de weg verwijderd en is er een tegelpad voor in de plaats gekomen. Hierbij werd ook de duiker verwijderd en naar alle waarschijnlijkheid is dit vrij knullig gebeurd. Sinds jaar en dag verzakt hier de de asfaltweg en iedere keer na een herstelbeurt, verschijnen er weer vrij snel scheuren in de weg en is het kenmerkende ‘pop-pop’ te horen als er auto’s over deze plaats in de weg rijden. Dankzij de bewoners die langs de voormalige bovenloop van de beek wonen, heeft deze zijn karakteristieke vorm in dit gebied behouden.

Inmiddels zijn de beruchte scheuren in het wegdek weer verschenen en is het afwachten wanneer het kenmerkende ‘pop-pop’ geluid de buurtbewoners langs de Zulthe ’s nachts weer in slaap gaat wiegen.

Sprikken in de Zulte. 

Aan het begin van de jaren zestig tijdens de negentiende eeuw was de weg tussen Vogelzang en het dorp Roden één en al droevigheid. Met name het gedeelte waar nu de huidige Leeksterweg ligt en om precies te zijn het stuk tussen de Boskamp en de bocht naar de Heerestraat, was een behoorlijk groot drama. De straat was niet zoals heden ten dage van asfalt gemaakt maar bestond uit een brede zandweg, waarvan de bovenzijde tijdens natte perioden veranderde in een modderig en glibberig oppervlak vol met gaten. 

Vindingrijk zoals de mens was in het midden van de negentiende eeuw en gecombineerd met een forse portie boerenverstand, wist men enigszins de schade aan de weg te beperken door het gebruik van zogenaamde ‘sprikken’ om de gaten te dichten en het verzakken van zowel de paarden als de koetsen en wagens te voorkomen. Sprikken is een Nedersaksische term die staat voor dunne, verdorde of droge takjes, die niet alleen gebruikt werden om de gaten in de weg op te vullen, maar ook in drassige en moerasachtige gebieden zoals in de veengebieden van Groningen en Drenthe waar de wegen met een laag droge takken belegd werden.

Op de kaart die op donderdag 13 juni 1861 vervaardigd werd en zowel het lengteprofiel als de situatie op dat moment weergeeft, is goed te zien dat er sprake is van een zogenaamde sprikkeweg van 200 ellen lang. De afstand werd destijds aangegeven in ellen. Vanaf 1820 was een el gelijkgesteld aan een meter en bestond uit 10 palmen (decimeter) of 100 duimen (centimeter) of 1000 strepen (millimeter). Met de Wet die op 7 april 1869 (Staatsblad nr. 57) van kracht werd in ons land, was het continentaal stelsel nog het enige toegestane stelsel en verdwenen de oude benamingen. De tekening was vervaardigd in opdracht van de toenmalige Hoofd Ingenieur van den Waterstaat (afbeelding: Drents Archief).

Het spreekt dan ook voor zich, dat een weg die met de zogenaamde sprikken bedekt was, in grote delen van het Nedersaksisch taalgebied een ‘sprikk’nweg’, sprikkenweg genoemd werd. De term sprikken vertoont grote overeenkomsten met het woord ‘sprokkelen’, wat volgens het alwetend medium Wikipediahet verzamelen van afgevallen takken en ander afvalhout in bos en veld is. Sprokkelhout werd vooral gebruikt als brandhout en werd vroeger ook op de markt verkocht” betekend. Beide elementen, drassige en modderige wegen vol gaten en sprikkenhout, waren voldoende in het gebied rondom het voormalig esgehucht voldoende beschikbaar. Het betere sprikkel- of sprokkelhout werd gebruikt voor de kachels, de rest voor het vullen van de gaten en het afdekken van de slechte en blubberige wegen. 

Tijdens de zeer geslaagde Natuurwerkdag in het Natuurschoon die op zaterdag 5 november 2022 plaatsvond, werd er zoveel mogelijk opslag (het uit de grond groeien van stammen of takken dicht bij of verder verwijderd van de moederplant op ongewenste plaatsen) verwijderd langs de Toutenburgsingel. Heden ten dage wordt de gerooide opslag versnippert en onder ander gebruikt voor de bemesting van tuinen. Voordat de plaatselijke wegen werden verhard, gebruikte men de sprikken om de gaten te dichten en de wegen begaanbaar te houden.

Op de hierboven afgebeelde kaart uit het jaar 1861, is een goede schets gemaakt van situatie van de weg destijds. Waarschijnlijk heeft het als routekaart gediend bij het verharden van de weg tussen Roden en Nietap halverwege de jaren zestig in de negentiende eeuw. De weg tussen de plaatsen werd in die periode voorzien van een redelijk goede verharding, die uit een ferme laag grind bestond. Tegenwoordig is er geen sprake meer van een uitermate slecht begaanbare en modderig weggetje, maar een goed verharde weg met een bovenlaag van asfalt.

De huidige situatie van de Leeksterweg rond 2021 vanuit de lucht bekeken. De weg is nu voorzien van een stevige ondergrond van puin en een prachtige afdeklaag van asfalt en er is nu niets meet te zien wat er op wijst, dat het hier eens een drama was om tijdens de nattere perioden van het jaar hier met een paard en wagen over het wegdek te moeten gaan (bron: Topotijdreis, 200 jaar topografische kaarten).

Over ossenkracht en voedermaïs.

Vloekend en tierend joeg de landarbeider de twee slome trekossen over een akker in de omgeving van het voormalig esgehucht de Zulte. De rottende heideplaggen, die hier al een poos lagen nadat ze gestoken waren, dienden als bemesting voor de bodem en dienden daarom ondergeploegd te worden. Een zware klus voor de trekossen daar niet alleen de heideplaggen kleiig waren, de ondergrond was eveneens zwaar te bewerken door de aanwezigheid van de kleverige keileem en hier en daar kwam zelfs de stugge potklei aan de oppervlakte. Nee, het ontginnen van de heide om er goede landbouwgrond van te maken, had in het verleden veel voeten in de aarde nodig gehad om dit voor elkaar te krijgen.

Dat de ondergrond in de wijde omgeving van het esgehucht nogal kon verschillen, was al bij de vroege bewoners in het gebied bekend. De zanderige en vruchtbare essen, de grote bossen die zowel op zand als op de keileem stonden en de lagere delen waar de zware, taaie potklei en de stugge, kleverige keileem zorgden voor drassige en natte gebieden. Al vroeg ontdekte men ook de voordelen van de natte gebieden en verschenen er Cisterciënzer monniken in hun kenmerkende grijze pijen, die afkomstig waren uit de St. Bernardusabdij te Aduard en stichten de uithof ter Helle, waarna zij turf en klei begonnen te winnen.

De cisterciënzer monniken in hun kenmerkende grijze pijen aan het werk in de natte, venige gebieden rondom de Zulte. Met name nabij Terheijl en Roderwolde bij het Leekstermeer (Monniken aan het turfsteken. Schilderij van Geert Schreuder. Foto Veenkoloniaal Museum Veendam. bron: Uithof ter Helle).

Tegen het einde van de middeleeuwen, zo ongeveer in de vijftiende eeuw, waren op de hoger gelegen essen in de Zulte al de nodige boerderijen en bouwlanden gemaakt door de eerste boeren. Zij vormden de eerste akkers op de hoger gelegen essen, die door hun zanderige ondergrond redelijk eenvoudig te bewerken waren. Inmiddels waren de monniken in de uithof ook niet meer die hardwerkende mannen in lange, zware pijen aan boetedoening deden, maar was de vertegenwoordiger van het klooster net als de adel en de rijke boeren, ook een grootgrondbezitter geworden en verkreeg inkomen door het verpachten van grond. De uithof werd dan ook als zodanig aangeslagen door het kerspel Roden op de schattingslijst van 1546 vermeld als: ‘Dat tichgelwerck yn dye Hell ende zijn heerschup de monnick’.

Het ploegen met trekossen afgebeeld op het kalenderblad voor de maand maart uit het kleurrijke boek ‘Les Très Riches Heures du duc de Berry’ uit het jaar 1410. De ploeg op de afbeelding lijkt op de ploegen die destijds in onze omgeving werden gebruikt (bron: Wikipedia).

Om gebruik te kunnen maken van de vruchtbare bodem op de essen, moest er nogal wat gebeuren om het een en ander te gebeuren om de ontginning in gang te zetten. Bomen dienden gekapt en gerooid te worden, de heide moest worden afgeplagd. Vooral daar waar zich heide op een kleiige ondergrond bevond, was het afsteken van de plaggen zwaar werk. Waren de plaggen afgestoken, dan werden deze op elkaar gelegd en liet men ze ongeveer een anderhalf jaar liggen. Door dat de plaggen op elkaar lagen, begonnen ze te broeien en waren ze geschikt om als bemesting te dienen. Vervolgens kwam de zogenaamde ‘osseknecht’ met de twee trekossen en de ploeg om het geheel onder de grond te werken. Iets wat in de omgeving van de Zulte nog in 1810 gebeurde.

Een zogenaamde voor, een door ploegen ontstaande groef in de bodem. Eerst gebeurde dit in de Zulte door twee trage trekossen, later door sneller werkende paarden en tegenwoordig met een dikke tractor voor de ploeg,

In het Magazijn van Vaderlandschen Landbouw, deel 6 uit het jaar 1810, doet de heer Jan Kops in hoofdstuk 12 op de pagina’s 171 en 172 verslag van een onderzoek door de verschillende commissies van landbouw in het Koningrijk Holland over het nut van het gebruik van trekossen in plaats van paarden in de landbouw: ‘De Commissie van Landbouw in Drenthe, heeft tenduidelijkste aangetoond, dat de Werk- en Trekossen, voor dat Departement niet aanteraden en zelfs nadeelig zouden zijn, zijnde het verslag dezer Commissie, als volgt: Vooreerst, dat in dit Departement geen Trek-ossen gebruikt worden, dan op den Huíze Ter Heyl, toebehoorende aan Mevrouw de Wed. de Lille, terwijl de Heer Mr. P. Hofstede dezelve bereids sinds eenige Jaren heeft afgeschaft, en dat wy van wegen de Osse-knechten, welke bij de zelve Trek-ossen gediend hebben, onderrigt zijn, dat de Trek-ossen bij den Akkerbouw den voorrang zouden verdienen boven de Paarden; bij aankoop naar evenredigheid minder zouden kosten; bij verkoop na eenige jaren dienstbaarheid evenredig meerder opbrengen, en minder voeder zouden noodig hebben, dan de Paarden, welke daarentegen geschikter zouden zijn voor het Transport. Ten tweede, dat wij, als niet door ondervinding bekend met de voordeelige eigenschappen, welke de Heer Ten Cate, en met hem de genoemde Osse-knechten, aan de Trek-ossen toeschrijven ‚ ons buiten staat bevinden, om door vergelíjking derzelve tegen die der Paarden, een besluit optemaken, welk meer dan louter speculatief zoude zijn; doch dat het ons is voor gekomen, dat het gebruik van Trek-ossen tot den Landbouw, in plaats van Paarden‚ voor den Drentschen Landbouw en het Rijk niet voordeelig zijn zoude’. 1

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is ossen004-1.jpg
De zogenaamde Drentse stelploeg. Deze ploeg werd vooral in het Noorden van Drenthe gebruikt om het land te ploegen (Afbeelding: Dr. C.C.W.J. Hijszeler: Boerenvoortvaring in de oude landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe. De tekeningen werden vervaardigd door de J. Witpaard te Meppel en N. Overdiep te Groningen. Uitgegeven te Assen bij Van Gorcum & Comp. N.V. (G.A. Hak & H.J. Prakke) (MCMXL)).

Nadat de restanten van de heideplaggen behoorlijk waren omgeploegd, werd het ontgonnen bouwland geschikt gemaakt voor gebruik en zaaide men in het eerste jaar rogge in de grond. Na de daarop volgende oogst van de rogge, die men naar de molen ten zuiden van het dorp Roden bracht om daar tot meel gemalen te worden, werd direct weer begonnen met ploegen. Dit deed men om de akker geschikt te maken voor winterrogge.

Het zogenaamde ‘vaalg’n’ heeft hier al plaats gevonden. De akker is ondiep omgeploegd en de stoppels zijn grotendeels onder de aarde terecht gekomen.

Het stoppelland werd eerst ondiep geploegd, in de omgeving van de Zulte noemde men dit ‘vaalg’n’ (het land zwart maken d.w.z. dat je alleen maar zwarte grond op de akker zag). Dit gebeurde door middel van brede voren, waarbij niet het hele land werd omgeploegd maar wel de grond over de stoppels kwam te liggen. De voren, de ploegsporen dus, bleven open liggen. Het werk moest dan voor de laatste donderdag in augustus klaar zijn, “’k Heb ’t laand klaor ligg’n”, zei de Zulter boer dan.

De stelploeg en zijn onderdelen: a). ramshor’n, b). ’t halve gat, c). de klaver, d). de klöp, e). touhamer, f). de spaon, g). ’t ater, h). de ket (Afbeelding: Dr. C.C.W.J. Hijszeler: Boerenvoortvaring in de oude landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe. De tekeningen werden vervaardigd door de J. Witpaard te Meppel en N. Overdiep te Groningen. Uitgegeven te Assen bij Van Gorcum & Comp. N.V. (G.A. Hak & H.J. Prakke) (MCMXL)).

Na een week of twee tot drie bleef de akker zo liggen en als het weer meewerkte, kon de grond goed uitdrogen en de stoppels verrotten. ’t Laand wordt d’r mul (rul, los) van zei men dan. Vervolgens ging men het land slichten met een eg, of zoals men in de Zulte zei: ”’t laand slicht’n met ’n aaide”. Het eggen werd in de wijde omgeving van het dorp Roden ook wel ‘aaiden’ genoemd. Voor het slichten gebruikte de boer een grote, zware eg, de oseege of osaaide. Wellicht herinnert de naam nog aan het feit, dat hier in Noord-Drenthe ossen als trekdieren werden gebruikt. Het was zogenaamde viefbalks aaide (vijfbalks eg), van hout en met lange, ijzeren tanden. De grond werd door deze eg goed verkruimeld en schoon gemaakt. Was de eg nog niet zwaar genoeg, dan legde men er een zware paal of iets anders zoals zwerfstenen op.

Tegenwoordig gaat het eggen mechanisch met een forse trekker en een metalen eg, maar het effect blijft hetzelfde als voor tweehonderd jaren geleden, het gaat echter veel sneller dan toen.

Had men de akker slicht gemaakt, dan werd er bemest met stal- of schapenmest, die met een wagen op het land werd gereden. De bemesting was in vroeger tijden behoorlijk armelijk. Om het volume van de hoeveelheid mest toch maar te vergroten, werd de mest telkens in de stal met zand en (heide)plaggen vermengd. Het is dus ook niet verwonderlijk, dat er in vergelijking met vandaag de dag zodoende weinig wilde groeien. De schapenmest werd eerst met n messlep in vierkante stukken gestoken. Zo’n vierkant stuk schapenmest noemde men ’n bol. De stal- en schaopmest werd met de vork (een drie- of viertandigevork) op de wagen geladen, het zogenaamde mestlaod’n.

De eg, of aaide zoals deze in de omgeving van Roden werd genoemd. a). bovenzijde van de grote Drentse eg, b). onderzijde van de grote Drentse eg, c). voor het veurtrekk’n en de roagge inschraankel’n gebruikte men twee kleine eggen, die naast, doch schuin achter elkaar liepen, zodat er tussen de beide geëgde strooken geen strook ongeëgd bleef (Afbeelding: Dr. C.C.W.J. Hijszeler: Boerenvoortvaring in de oude landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe. De tekeningen werden vervaardigd door de J. Witpaard te Meppel en N. Overdiep te Groningen. Uitgegeven te Assen bij Van Gorcum & Comp. N.V. (G.A. Hak & H.J. Prakke) (MCMXL)).

Nadat men in het eerste jaar de rogge had gezaaid en geoogst, werd in het tweede jaar na de ontginning haver gezaaid. Vervolgens werden er in het derde jaar aardappelen in de grond gepoot. Na deze drie jaren was de ontginning van het bouwland geslaagd en ging men over op de normale bemesting en verbouwde men ieder jaar tarwe. In tegenstelling tot vandaag de dag waarbij vrijwel elke graankorrel mechanisch wordt opgevangen, was dit ruim 200 jaren geleden wel anders. Was het graan zeer rijp en vielen de graankorrels eenvoudig uit de graanhalm, dan diende men het graan voorzichtig binnen te halen. Om de gevallen graankorrels toch te kunnen verzamelen en er meel van laten te maken, had men een eenvoudige oplossing bedacht om de korrels in te zamelen. Een zogenaamde zaadzeef, een driehoek gemaakt van drie latten, werd over het bouwland gesleept om de uitgevallen graankorrels van het land te krijgen.

Moesten vroeger de knechten de aardappelen met hand poten en daardoor de gehele dag gebukt lopen, tegenwoordig gaat het poten machinaal. Op de afbeelding is mooi te zien dat de machinist de aardappelen even iets te vroeg liet vallen.

Waarschijnlijk is het gebruik van de trekossen in de omgeving van het voormalig esgehucht na 1810 snel afgenomen en maakten de trage dieren plaats voor de sneller bewegende paarden, waardoor het transport sneller verliep. Daarnaast konden de trekossen zeer zinnig zijn; hadden de dieren geen zin om iets te doen, dan deden ze ook daadwerkelijk niets en lag alles stil. In het zuiden van ons land bleef de trekos nog zeer populair en werd tot ver in de twintigste eeuw nog gebruikt in de landbouw. Daar hoorde hij dan ook het mopje: ‘De Noord-Brabantsche boer eet zijn paard en slaapt bij den voerman’, omdat het vooral ‘vrouwen en meiden’ waren, die op de vrachtkar de leidsels hanteerden. 2

Tegenwoordig dienen de meeste akkers in de omgeving van de Zulte voor de aanbouw van voedermaïs, dat de boeren naast hooi en kuilgras aan hun koeien voeren. Veel akkers zijn echter niet meer in de Zulte te vinden, ze moesten plaats maken voor graslanden. In de bodem van de bovenstaande akker bevinden zich echter aardappelen.

Was de ontginning van de immens grote heide en het verbouwen van graan op de bouwlanden in het verleden nog een bittere noodzaak, vandaag de dag zijn vrijwel alle akkers verdwenen en hebben plaats gemaakt voor grasland. De enkele akkers die men hier en daar nog in het oude gebied van de Zulte tegenkomt, zijn akkers met voedermaïs. De rode maïskorrels schijnen een heerlijk hapje voor het rundvee te zijn.

In veel akkers is er weer voedermaïs aangebouwd, een heerlijk hapje voor het vee. De boer kuilt de kolven in of hakselt de hele plant en gebruikt deze de hele winter als voer.

Van het oude boerenleven in de Zulte is niets meer over en van paardenkrachten wordt enkel nog gesproken als het om de tractor gaat, laat staan dat er nog de term ossenkracht nog bestaat. Eigenlijk is het niet meer voor te stellen dat wij best wel veel aan deze trekossen te danken hebben.

In het jaar 2011 had de eigenaar van de percelen aan de Zulthe ook voedermaïs verbouwd, zoals op de luchtfoto goed te zien is. (afbeelding: Topotijdreis.nl)

1 J. Kops – Magazijn van vaderlandschen landbouw Deel 06, te Haarlem, bij A. Loosjes, Pz. 1810.

2 Hans Miltenburg en Reimer Strikwerda, Koe voor de kar en op de kaart, 2007.

Bekketrekkers en Naoberschap in de Zulte.

Twee termen die in het verleden heel normaal en veelzeggend waren in het voormalig esgehucht de Zulte. De zure vruchten en de venijnige stekels van de sleedoorn (Prunus spinosa) symboliseerden de hard- en stugheid van de inwoners van het gehucht en de naoberschap stond voor de bereidheid om elkaar door dik en dun te helpen. Zeker in tijden van rampspoed en ellende waren de inwoners op elkaars hulp aangewezen en kwam stugheid naar boven om samen de tegenspoed te bestrijden. Maar ook in goede tijden hielpen de inwoners een ander die hulp nodig had bij bijvoorbeeld de bouw van een boerderij of schuur. Het was een wederzijdse vrijwillige verplichting om elkaar te helpen dus; de ene keer help ik jou, een andere keer help jij mij.

Een blik vanaf het Groot vogelkamp over de es Kostverloren richting het voormalig esgehucht de Zulte. Hoelang mogen wij nog genieten van dit uitzicht?

De sleedoorn typerend de toenmalige inwoner van de Zulte eigenlijk wel perfect. Zo komen wij de struik uit de rozenfamilie (Rosaceae) vooral tegen langs de rand van de bossen, zoals het voormalig esgehucht aan de rond van het dorp Roden ligt. De struik bezit flinke doorns en weet zo flinke grazers van zich af te houden, waardoor het hout de kans krijgt om zeer hard te worden. De enorm zure vruchten zijn eigenlijk niet eetbaar als er nog geen vorst overheen is geweest en zorgt daardoor bij diegene die het toch waagt een vrucht op te eten, voor de meest vreemde gezichtsuitdrukkingen: rare bekken trekken dus.

Typische kenmerken waar je te maken krijgt als je de inwoners je wil op gaan leggen en als je dat dan niet gaat lukken, je gaat roepen dat het geen echt Drents naoberschap betreft. Kijk, dan prik jij je aan de stekelige doorns en verslik jij je in de zeer zure vruchten. Er blijft je dan niets anders over dat je stil in een hoekje gaat zitten, zure gezichten trekken en je wonden likken. En geloof mij, als ervaringsdeskundige kan ik er over meepraten hoe venijnig de stekels van de plant kunnen steken. 

De bijzonder zure vrucht van de sleedoorn lijkt veel op een kleine pruim. De vruchten worden hier in de omgeving ook wel sleimen of bekketrekkers genoemd. De vruchten zijn eigenlijk niet te eten voordat er een keer vorst overheen is geweest.

In het verre verleden ging het naoberschap en de sleedoorn ook zeer goed samen. In de tijden dat er nog geen prikkeldraad en veel sloten bestonden, werden naast meidoorns (Crataegus) ook veel sleedoorns gebruikt om onder andere de bouw- en weiland te beschermen of om het vee binnen te houden. Door de aanwezigheid van keileem én potklei aan het oppervlak in de bodem nabij de Zulte, betekende dat zowel de sleedoorn als de tweestijlige meidoorn (Crataegus laevigata) het hier goed deden in de hagen. Na verloop van tijd groeiden de struiken uit tot forse exemplaren en vormden dan struwelen. Langs de Zulter Bitse ter hoogte van de Turfweg is nog zo’n eeuwenoude struweel te zien.

De eeuwenoude sleedoornstruweel langs het beekje de Zulter Bitse vlak bij de Turfweg. Op de oude Franse legerkaart uit 1811-1813 van Drenthe is de struweel al te zien. In het voorjaar bezit de struweel een prachtige witte sluier van de bloemetjes en heeft het een ontzettend grote aantrekkingskracht op insecten, met name bijen.

Jarenlang heeft naast de zogenaamde oude boerderij van Deodatus ook een haag van meidoorns gestaan op de scheiding van het laantje naast het perceel en het weiland. Tussen de haag en de laan stonden een aantal forse kastanjebomen waar in mijn beleving altijd heel veel grote kastanjes groeiden. Een nadeel was altijd wel, dat de mooiste kastanjes vanzelfsprekend tussen de stekelige planten in de haag terecht kwamen of lagen. Ook op dit gebied ben ik wederom een echte ervaringsdeskundige.

Op de foto is de es Kostverloren rechts te zien, links op de afbeelding staan de kastanjebomen waar menig kind de grootste kastanjes van de wereld heeft gevonden. Ondanks dat iets kale aanblik van het gebied in april dit jaar, heeft het iets rustgevends in deze gejaagde tijden.

Het spreekt voor zich dat veel hagen en struwelen verdwenen zijn toen de boeren sloten en prikkeldraad gingen gebruiken om het vee binnen de weilanden te houden. Dat de planten niet meer gebruikt werden als afscheiding en gerooid werden om plaats te maken voor prikkeldraad, maakte echter niets uit voor de aanwezigheid van de slee- en meidoorns in het gebied rondom de Zulte. Van nature kwamen de struiken hier al voor en zullen ze waarschijnlijk nog heel lang langs de bosranden te zien zijn. Eigenlijk zijn ze net zo onverzettelijk als de inwoners van de Zulte, die moet je niet als buitenstaander aanspreken op het Drentse naoberschap omdat zij niet buigen zoals jij het graag ziet.

De es Kostverloren iets ten noordwesten van het voormalig esgehucht de Zulte. Was het vroeger een schapendrift waar de herder met de schaapskudde doorheen trok richting de heide, tegenwoordig is het een oase van rust voor heel veel mensen.

Blauwe dag, gokken en een verhuizende Job aan de Zultheresweg.

“Miroakels!” zal menig bewoner hebben gedacht aan de Zultheresweg in Roden op die vroege donderdagmiddag van de 31ste mei in het jaar 1962. Voor velen was deze Hemelvaartsdag een vrije dag en aan drukte dacht men toen niet. Zeker niet op nu het weer roet in het eten gooide en de regen en de wind de omgeving aan het teisteren was. De verwondering steeg daarom des te meer dat er zich steeds meer mensen begonnen te verzamelen in de Zultheresweg nabij het punt waar de weg uitkwam op de Leeksterweg ter hoogte van ’t huis van Berends bij het Schoollaantje. Voor veel mensen uit de wijde omgeving van het Noord-Drentse dorp Roden was het echter geen verrassing dat zich hier een grote mensenmenigte aan het verzamelen was. En nee, het had niets met het Concours Hippique en de traditionele kermis in het dorp te maken, die eveneens op Hemelvaartsdag plaatsvonden.

Zowel de Friese koerier als de Leeuwarder courant hadden al op de voorgaande zaterdag 25 mei de nodige aandacht besteed aan de optocht die plaats zou gaan vinden vanaf de Zultheresweg en het Nieuwsblad van het Noorden deed dit netjes over in de krant die op dinsdag 29 mei was verschenen. Samen met de vakbond N.V.V. en de gereformeerde kerk in Roden was het Interprovinciaal Comité voor Drankbestrijding in de vier noordelijke provincies van plan een zogenaamde ‘Blauwe dag’ te gaan organiseren in het gemeentelijk wandelbos van Roden.

De advertentie voor de zogenaamde Blauwe dag, die op 31 mei 1962 in hert gemeentelijk wandelbos van Roden aan de Norgerweg plaats zou vinden (bron: Nieuwsblad van het Noorden, dinsdag 29 mei 1962, 75e jaargang, nummer 125, pagina 7).

De organisatie had voor deze donderdag een compleet programma in elkaar gezet, waarbij ’s ochtends om 11 uur in de gereformeerde kerk een wijdingssamenkomst plaats zou gaan vinden met onder andere spreker ds. Van Petegem uit Zwaagwesteinde. Daarnaast zouden er optredens verzorgt worden door de Blauwe Zangers, Jelle Dijkstra (fluit) en J. v. d. Brui (orgel). De Blauwe Zangers uit Groningen waren eerder dat jaar ontstaan door het samengaan van twee geheelonthouderskoren: ‘Onthoudersstem’ en ‘Abstinentia’.

Het verslag van de Blauwe dag in Roden in de Leeuwarder courant van de dag er na (bron: Leeuwarder courant : hoofdblad van Friesland, vrijdag 1 juni 1962, 211e jaargang, nummer 127, pagina 19).

Nadat de optocht rond half twee, kwart voor twee richting het gemeentelijk wandelbos aan de Norgerweg vertrokken was, keerde rust terug in de Zultheresweg. De deelnemers konden zich ondanks het vreselijk slechte weer verheugen op optredens van De Blauwe Zangers uit Groningen, de uit Den Haag afkomstige radio artiest Jan Oradi (Jan Jacobus Cornelis van Raay) die imitaties uitvoerde, Veilig Spoor, Groningen en een openlucht toneelspel van De Blauwe Spelers uit Groningen met ‘Een zonnige morgen’. Heel optimistisch, maar die zonnige morgen zat er niet in die dag. De ballonwedstrijd voor de jeugd viel eveneens in het water.

Ondanks het slechte weer en het feit dat het de meeste Roners niets kon schelen dat er een demonstratie plaatsvond tegen het gebruik van alcohol, kwamen volgens een artikel in de Leeuwarder courant van een dag later, er toch nog zo’n 1000 tot 1200 bezoekers op het geheel af. Het zal voor de deelnemers een hele belevenis geweest zijn die zij niet zo snel zouden gaan vergeten. Al was het maar door het klote weer dat er die dag over het dorp Roden hing of de onverschilligheid van de inwoners van het dorp, die ’s avonds in de talrijke kroegen zaten en veel drank nuttigden.

Nee, het kon de Roners maar weinig jeuken en ze wisten het, er stonden belangrijkere dingen op hen te wachten. Het eerste belangrijke evenement was Ronermaark, de andere was inmiddels de verloting van de Vereniging voor Volksvermaken te Roden geworden, die reeds voor de vijfde keer gehouden zou worden. De hoofdprijs dit jaar was maar liefst een auto; een Austin Seven! Voor een tientje kon je een lot bemachtigen en goede doelen zoals muziek- , korfbal- en rijverenigingen, en de camping ‘Ot en Sien’ steunen. 

De drie verschillende advertenties van de Vereniging voor Volksvermaken te Roden waarin het adres van Job Berends ineens van Zultheresweg 3 naar Zultheresweg 9 gaat (bronnen: Nieuwsblad van het Noorden, zaterdag 20 oktober 1962, 75e jaargang, nummer 247, pagina 5, Nieuwsblad van het Noorden, zaterdag 3 november 1962, 75e jaargang, nummer 259, pagina 21, Nieuwsblad van het Noorden, vrijdag 23 november 1962, 75e jaargang, nummer 276, pagina 10).

Er werd dan ook een deugdelijke campagne opgezet om de loten aan de man te krijgen en naast dat het Nieuwsblad van het Noorden diende als klankbord, zette Vereniging voor Volksvermaken zelfs advertenties in de landelijke bladen. Je kon loten kopen bij Grimberg en Homan in de stad en zelfs bij Slagter in Appingedam. Maar als je in de Zulte woonde, kon je gewoon ’s avonds even naar Job Berends in dat kleine huisje aan de Zultheresweg fietsen en dan je loten bij de beste man kopen. Natuurlijk stond Berends zijn adres wel in de advertentie, maar als echte Roner wist je wel waar hij woonde.

De beide adressen van Berends in 1962, Zultheresweg 3 en Zultheresweg 9, in de advertenties zijn rood gearceerd (bronnen: Nieuwsblad van het Noorden, zaterdag 20 oktober 1962, 75e jaargang, nummer 247, pagina 5, Nieuwsblad van het Noorden, zaterdag 3 november 1962, 75e jaargang, nummer 259, pagina 21).

Wellicht was dat dan ook de reden dat het na de eerste advertentie niet was opgevallen, dat Job en de vrouw ineens van nummer drie aan de Zultheresweg naar nummer negen waren gegaan. Was het adres nog goed geplaatst in het Nieuwsblad van het Noorden van zaterdag 20 oktober, vanaf zaterdag 3 november ging het mis. Zelfs toen de advertentie in de editie van vrijdag 23 november aangepast werd met het adres van F. H. Nieuwhoff aan de Acacialaan 20 te Roden, de familie Berends bleef op nummer negen wonen! In de volgende jaren werd het adres van Job wel goed geplaatst.

Zelfs in het jaar 1989 verkocht én woonde de familie Berends nog in het mooie huis met het adres Zulthereschweg 3. En ja, ook toen nog verkocht de beste man loten voor Vereniging voor Volksvermaken te Roden (bron: Nieuwsblad van het Noorden, zaterdag 2 december 1989, 102de jaargang, nummer 283, pagina 8).

Zelfs tot in het jaar 1989 komen wij de beste man nog tegen op het adres Zulthereschweg 3 en verkocht hij nog loten. Vereniging voor Volksvermaken in Roden zal een goede verkoper hebben gehad aan de man, die vele oude Roners nog als buschauffeur van de E.S.A. herinneren.

Veilen in het Sieveen

In het gebied dat rondom het voormalig esgehucht de Zulte en ten noorden van het dorp Roden ligt, zijn de oude sporen van de terugtrekkende gletsjer tijdens de een-na-laatste ijstijd op veel plaatsen nog duidelijk zichtbaar. Ondanks de oprukkende woningbouw en de zeer intensieve veeteelt uit het verleden kan men met het blote oog nog de hoogten en verdiepingen in het landschap gemakkelijk waarnemen. Vanzelfsprekend geven de benamingen van de gebieden waar deze sporen voorkomen ons ook een kleine inkijk van wat de restanten van de smeltende gletsjer hier hebben achtergelaten. Zo verwijst de benaming ‘Es’ op een verhoging in het landschap, wat op een restant van een stuwwal kan betekenen en werd een depressie in het gebied doorgaans met ‘Veen’ aangeduid. Doorgaans vanwege het feit dat er vanaf het einde van de laatste ijstijd er water in bleef staan en er na verloop van tijd veen in de verdieping vormde.

Nu waren veel van de depressies in het landschap tijdens de laatste ijstijd opgevuld met onder andere zand, dat afkomstig was van het Gronings gedeelte van de Hondsrug en destijds door de poolwinden hierheen werd vervoerd en daarom niet meer als zodanig herkenbaar. De depressies in het gebied waren ontstaan door de grote hoeveelheid smeltwater dat vrijkwam, toen de grote massa landijs begon te smelten en het water zich een weg zocht naar de lager gelegen delen en hierbij grote, diepe smeltwatergeulen door het zand vormde. Samen met het smeltwater meegevoerde residu dat vrijkwam uit het landijs en de hier aanwezige keileem, ontstond er onder in de geulen een waterdichte laag.

De smeltwatergeul die achterbleef nadat de gletsjer uit het gebied verdwenen was aan het einde van het Saalien, de voorlaatste ijstijd zo’n 130.000 jaar geleden. Op de bovenstaande afbeelding is het restant van de smeltwatergeul duidelijk zichtbaar op de zogenaamde hoogte/laagte beelden (Bron: Actueel Hoogtebestand Nederland).

Dankzij deze waterdichte laag en de doorgaans geleidelijke schuine zijkanten van de voormalige smeltwatergeulen, kon het water amper of helemaal niet meer wegzakken en bleef het in de verdieping staan. Door het warmer worden van het klimaat en de toenemende neerslag, begon het gebied steeds natter te worden en stierven de aanwezige planten af. Hierop groeiden weer nieuwe planten, die vervolgens ook weer afstierven en zich ophoopten in het zuurstofarme water. Doordat de plantenresten niet werden afgebroken door de afwezigheid van zuurstof, kon er zich zo in de duizenden jaren een forse veenlaag ontwikkelen.

Inmiddels heerst er in het Sieveen een ander waterregime dan in het verleden en zie je de vernatting weer toenemen. Was vroeger nog het motto dat het water zo snel mogelijk afgevoerd diende te worden, tegenwoordig is de schouw van de sloten hier verdwenen en zie weer vochtminnende planten terugkeren in het gebied.

De in het gehele gebied aanwezige laag keileem zorgde niet alleen dat er in de depressies veenvorming kon ontstaan, maar ook dat op de natte en moerassige ondergrond planten gingen groeien, die de zeer vochtige ondergrond konden waarderen. Langzaamaan begon ook op de hoger gelegen gebieden een vorm van vegetatie te ontstaan, die voornamelijk uit mossen, grasachtige vegetatie en gewone dophei bestond; natte heide. Bomen zullen hier lange tijd niet hebben kunnen groeien en zal de struiklaag met dwergstruiken zoals de gewone dophei, struikhei en een aantal zeldzamere soorten zoals kraaihei, grote veenbes en lavendelhei het uitzicht voor een lange tijd hier hebben bepaald.

Op de oude Franse legerkaart uit 1810/1811 is goed te zien dat het gebied ten westen van het voormalig esgehucht de Zulte bestond uit immens grote, natte heidevelden. Van landbouwactiviteiten in het gebied is natuurlijk nog geen sprake. Wel is het pad duidelijk te zien waar langs de schaapskudde van de Zulte richting het noorden ging om de heide van de Markegenoten te bereiken (BronDrents Archief).

Tot ver in de negentiende eeuw bleef het gebied onberoerd en was het voor boeren te nat en te moerassig om het hier te gaan ontginnen en zodoende het vee te kunnen laten grazen. Een enkele keer zal de schaapskudde van de Zulte hier hebben gegraasd en op enkele landweggetjes na om binnen door te kunnen gaan, had de mens hier dan ook niets te zoeken. Pas halverwege de negentiende eeuw begon men in de omgeving van de huidige Toutenburgsingel voorzichtig met het ontginnen van de drogere stukken voor de landbouw en veeteelt. Echter, het gebrek aan een goed bemestingsbeleid destijds en een kortzichtige blik op de toekomst, zorgde ervoor dat ook de nattere gedeelten ontgonnen moesten worden.

Op de kaart die stamt uit 1845 laat maar weinig veranderingen zien in het gebied ten westen van het esgehucht de Zulte. (Bron: Gronings Archief).

In die tijd dat de boeren hun begerige blik op het gebied wierpen en vonden dat de natte heide niets toevoegde aan hun bedrijf, bepaalde echter het gebrek aan een deugdelijk stelsel van sloten om het water af te voeren het gebruik van het land. Langzamerhand waren de hoger gelegen gebieden inmiddels in gebruik als bouw- of weiland, maar met het lager gelegen gebied wist men vooralsnog geen raad.

Op de kaart uit 1853 zijn zowel de bouwlanden als het eerste weiland ten zuiden van de Toutenburgsingel in het Sieveen zichtbaar. Langzamerhand verlegde men de agrarische activiteiten steeds meer richting het westen. Ook is de voormalige steenfabriek ten noorden van de singel te zien (BronDrents Archief).

Rond de jaren zestig in de negentiende eeuw begon men met de daadwerkelijke ontginning van de natte heide en werd het veen, dat zich in de duizenden voorafgaande jaren had gevormd, gewonnen en als bemesting gebruik voor de hier nog te planten bomen. Waarschijnlijk stamt de naam van dit gebied, het Sieveen, dan ook uit deze tijd en zal zoveel betekenen als het naastgelegen veen in het hier gesproken Drents dialect.

De diepe sloot die langs de voormalige schapendrift en het water uit onder andere het Sieveen naar de Zulter Bitse moest vervoeren, bestaat nog steeds en heeft zijn functie als zodanig behouden. In principe heeft de sloot zijn exacte locatie behouden, echter het laatste gedeelte loopt nu richting het noorden in plaats van het zuiden. Dat gedeelte is veranderd tijdens de aanleg van de twee vijvers in het stroomgebied van de Zulter Bitse begin jaren zeventig van de twintigste eeuw.

De hier door de eigenaar aangeplante bomen bestonden uit snelgroeiende naaldbomen. Echter om het gebied geschikt te maken voor de aanplant moet de eigenaar de nodige ingrepen doen om het een en ander mogelijk te maken. Het voornaamste was het kwijtraken van het vele water dat in het gebied voorkwam. Daarvoor werd een lange en diepe sloot richting het oosten tot aan de weg in de Zulte gegraven, die vervolgens langs de weg naar het zuiden liep om in de Zulter Bitse te eindigen. Nadat de afvoersloot gereed was en al bezig was het vele water af te voeren, begonnen de arbeiders dwars op de brede sloot verzamelsloten graven waarop weer de afwateringssloten het water loosden. Dit slotenstelsel is nog steeds duidelijk zichtbaar op satellietbeelden die de hoogte in het gebied weergeven.

De afwateringssloten, die in de negentiende eeuw gegraven waren om het water af te voeren zodat de aangeplante bomen gen last van natte voeten kregen, zijn nog steeds duidelijk zichtbaar in het gebied. Weliswaar verdwijnen ze geleidelijk doordat zowel de bodembegroeiing, de mossen en de gronderosie in het gebied de sloten langzaam maar zeker opvullen.

Niet alleen de ontwikkeling van het gebied kwam in een stroomversnelling terecht, ook de vervaardiging van accurate landkaarten, atlassen en plattegronden had een vogelvlucht genomen en de cartografie bleek steeds nauwkeuriger te worden. Vanaf het begin van de twintigste eeuw waren niet alleen de gemeenten en het Kadaster de enigen met zeer nauwkeurige en duidelijke kaarten; ze waren ook voor de gewone man toegankelijk geworden. Zeker richting het einde van de twintigste eeuw ziet men een toename van topografische kaart, waarbij satellietbeelden gebruikt worden. Dankzij het gebruik van de satellietbeelden is het heden ten dage ook mogelijk om bijvoorbeeld de hoogten en de laagten in een bepaald gebied in kaart te brengen.

De veranderingen in het Sieveen die tussen 1903 en 1935 plaatsvonden, zijn op de bovenstaande topografische kaarten duidelijk zichtbaar. Langzamerhand verdwenen de productiebossen en maakten plaats voor weilanden (bron: topotijdreis.nl).

Naast het stelsel van sloten waren natuurlijk ook wegen belangrijk om het gebied bereikbaar te maken voor de arbeiders om de sloten te kunnen graven en om het pootgoed aan te voeren. Deze wegen hebben in het Sieveen tot ongeveer het begin van de jaren dertig van de twintigste eeuw gelegen en zijn na de houtkap in oktober 1930 verdwenen. Daar waar ze door een perceel bos en langs de voormalige steenbakkerij liepen, werden na 1935 in gepoot met Amerikaanse eiken (Quercus rubra). Echter, liep de aanplant op de plaats bij de voormalige steenfabriek volgens plan, bij het perceel bos bleek echter dat echter niet de Amerikaanse eik, maar de moeraseik (Quercus palustris) gebruikt was op het weggetje te beplanten.

Een medewerker heeft jaren geleden vergeten zijn schep, een zogenaamde bats, mee te nemen na zijn werkzaamheden in het bos. Na ruim veertig jaar staat deze nog steeds parmantig te wachten op de medewerker die nooit meer in dit bos zal komen en van zijn pensioen aan het genieten is.

De bossen in het Sieveen werden vanaf het begin van de twintigste eeuw gebruikt voor de houtkap en zullen vooral richting Limburg afgevoerd zijn, waar het hout in de kolenmijnen ter ondersteuning gebruikt werd. Dit zal tot begin 1931 het geval geweest zijn. Op maandag 29 september 1930 verscheen in het Nieuwsblad van het Noorden een advertentie van de dan 63-jarige Harmannus Aukema, waarin het verboden werd om nog langer gebruik te maken van het pad door het Sieveen. De op donderdag 11 april 1867 in de Zulte geboren Harmannus was een zoon van de landbouwer Roelf Jans Aukema en Everdina Harmannus Bakker en overleed op 77-jarige leeftijd op dinsdag 18 april 1944 te Roden.

Restanten van het weggetje dat in het verleden door de bossen van het Sieveen liep, zijn nog duidelijk zichtbaar in het weiland. Op de achtergrond is het bos te zien dat de bomenkap tijdens de eerste dertig jaren van de twintigste eeuw ontlopen is.

Niet alle bossen in het Sieveen werden gekapt en enkele bossen bleven staan. Deze bossen bestonden vooral uit loofbomen met hier en daar nog een enkele naaldboom. Later kwamen deze bossen, zo rond de jaren zestig van de vorige eeuw, in het bezit van Staatsbosbeheer en zijn ze daarna nog een tijd als productiebos gebruikt.

Al snel krijg je het vermoeden wanneer je het bovenstaande verhaal leest, dat vooral bosbouw dit gebied in het verleden heeft plaatsgevonden. Voor een gedeelte van het Sieveen gaat dat eigenlijk ook wel op, maar daarnaast deed veel ook van het gebied dienst als weiland. Zeker nadat landbouwer Harmannus Aukema de bossen liet kappen en het uitmuntende stelsel van sloten grote delen van het gebied redelijk droog wist te houden, deden de landerijen hier dienst als weiland. Nu waren er al delen in het Sieveen aanwezig die eerder aangelegd waren en er waren ook al in de jaren vijftig van de negentiende eeuw pogingen gedaan om hier akkerbouw rendabel te maken.

Op de satellietbeelden die het verschil in hoogte en laagte weergeven, zijn de hoogten in het noorden van het Sieveen duidelijk zichtbaar. Ligt de gemiddelde hoogte van de blauwgekleurde gebieden tussen de 2.70 en de 3.15 meter boven N.A.P., de groene delen tussen de 3.15 en 3.75 meter boven het Normaal Amsterdams Peil en de rood ingekleurde delen variëren tussen de 3.75 en 5 meter boven het al eerder vermelde N.A.P. (Bron: Actueel Hoogtebestand Nederland).

Bleef het bij de akkerbouw nog tot enkele pogingen die blijkbaar gedoemd waren om te mislukken, het aanleggen van gras- en weilanden op de hoger gelegen gedeelten bleek echter succesvol. Deze gedeelten bevonden zich in het noordelijk gedeelte van het Sieveen en maakten zoals de smeltwatergeul deel uit van de grondmorene die achterbleef na het verdwijnen van het landijs. De hoogte van verhogingen varieerde grofweg van 3,75 tot 5 meter boven N.A.P. en bestonden deels uit fijn zand. Waarschijnlijk waren ze in het verleden hoger, maar zullen de straffe poolwinden tijdens de laatste ijstijd deze hebben doen afslijten.

Al met al zat er veel historie hier in de bodem van het Sieveen en de boeren in het gebied maakten daar gebruik van. Niet dat de boeren destijds het besef hadden dat de karakteristieke ondergrond behouden moest worden voor de toekomstige generaties, nee, totaal niet. Erg begrijpelijk want de bedrijfseconomische drijfveer was in die dagen noodzakelijk om het hoofd boven het water te kunnen houden. Dat gold niet alleen voor de twee zonen van Roelof Jans Aukema, Jan Roelofs en Harmannus, maar ook voor Roelof Deodatus Pzn., die eveneens land in het Sieveen bezat. Beide heren bezaten trouwens veel grond in de omgeving van het voormalig esgehucht de Zulte rond die tijd.

In het begin van het jaar 1918 laat Roelof Deodatus Pzn. in een advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden weten dat er op de ochtend van de donderdag 17 januari van dat jaar dat hij schil-, week- en klomphout publiekelijk wenst te verkopen in het café Van der Molen in het dorp Roden, daar waar de weduwe van Roelf van der Molen, Janna samen met haar zoons met de scepter zwaaide. Het hout dat uit het Sieveen kwam, zal voornamelijk schil- en weekhout geweest zijn. Het hout dat rondom de boerderij van Baving stond, was voornamelijk zogenaamd ‘Pöppelnholt’ (populieren hout) en werd gebruikt als klompenholt (klompenhout). Er staan trouwens nog steeds behoorlijk forse populieren bij de huidige boerderij.

De advertentie die Roelof Deodatus Pzn. in de krant liet plaatsen om onder andere hout uit het Sieveen te verkopen (Bron: Zaterdag 5 januari 1918 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 12, 31ste jaargang, No. 4)

Later dat jaar, begin oktober 1918, liet Deodatus wederom een advertentie plaatsen in het Nieuwsblad van het Noorden van donderdag 3 oktober, waarin hij onder andere 4¼ hectare weiland en 1¼ hectare bouwland in het Sieveen voor maar liefst 5 jaar wenst te verhuren. Deodatus vond het blijkbaar zo belangrijk dat de interesse behoorlijk groot was, dat hij de advertentie nogmaals op zaterdag 5 oktober, woensdag 9 oktober en zaterdag 12 oktober in het nieuwsblad liet plaatsen. Het een en ander vond wederom plaats in het café van de weduwe van der Molen in Roden, nu op de woensdag 16 oktober 1918 ’s avonds om 18.00 uur. Het betrof hier de meest noordelijk gelegen percelen in het Sieveen.

De advertentie van 3 oktober 1918 waarin Roelof Deodatus Pzn. belangstellenden opriep om op 16 oktober van dat jaar te komen naar het café van weduwe van der Molen. (Bron: Donderdag 3 oktober 1918 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 6, 31ste jaargang, No. 232).

Ruim vier maanden later, op maandag 17 februari 1919, komen wij een advertentie tegen in de Provinciale Drentsche en Asser courant van de in Zuidhorn woonachtige Jan Roelofs Aukema, broer van Harmannus, waarin hij aangeeft drie percelen hakbos bij palmslag te willen verkopen in het zogenaamd Klein Sieveen. Palmslag is een gebaar waarbij koper en verkoper elkaar in de palm van de hand slaan ter bezegeling van een verkoop. De veiling van de drie percelen zouden volgens de advertentie op zaterdag 1 maart 1919 ’s ochtend om 10.00 uur plaatsvinden in het café W. Scheepstra te Roden.

De advertentie van Jan Roelofs Aukema uit Zuidhorn in de Provinciale Drentsche en Asser Courant waarin hij laat weten drie percelen met hakhout in het Klein Sieveen te willen verkopen (Bron: Maandag 17 februari 1919 Provinciale Drentsche en Asser courant, Pagina 4, 96ste jaargang, No. 40).

Het Klein Sieveen was het gedeelte dat in het midden in het Sieveen lag, zoals op de onderstaande kaart uit 1926 te zien is. Het meest noordelijk gelegen perceel met het nummer 31 bestond uit zowel dennen en loofhout en was 1.4870 hectare groot, percelen 32 en 33 waren respectievelijk 0.9380 en 0.4520 hectare groot en bestonden beiden uit hak- en ingepoot bos. Voor Aukema zal het een mes geweest zijn die van twee kant sneed; geld verdienen aan het verkopen van hout en dan de percelen wederom verpachten als weiland.

Op de bovenstaande kaart zijn de drie percelen te zien waar in 1919 nog bos stond en rond dit tijdstip inmiddels als weiland in gebruik waren genomen (bron: topotijdreis.nl).

Het land in het Klein Sieveen was na de houtkap weliswaar weiland geworden en er lag een goed werkend stelsel van sloten, toch bleef het land er in de nattere seizoenen op veel plaatsen nog behoorlijk drassig. Tot ver in de jaren zeventig van de vorige eeuw was dit zeker het geval en moest de eigenaar van het land, Job Dijk uit de Zulte, er beducht op zijn dat er tijdens het hooien niet met tractor en boerenwagen stil werd gestaan. De kans was enorm groot dat de wagen vast kan te zitten. Daarom zorgden zijn zonen Gerrit en Wietse ervoor, dat er nooit meer dan twee lagen hooipakjes op de boerenwagen werden gestapeld.

Het Klein Sieveen op een winterse dag aan het einde van het jaar 2014. Langzamerhand krijgen de inheemse wilde planten weer grip op het gebied. Doorgaans zijn het wel de vochtminnende planten die zich hier enorm thuis voelen.

Nu was de akkerbouw in het Sieveen niet echt succesvol, maar zo nu en dan deed men toch weer een poging iets te verbouwen. De heer G. D. Boswijk, notaris te Roden, liet in het jaar 1928 een advertentie laten plaatsen in het Nieuwsblad van het Noorden van Zaterdag 7 juli voor een aantal landbouwers uit de omgeving van het prachtige Noord-Drentse dorp Roden. De al eerder aangehaalde Harmannus Aukema deed ook mee en probeerde tijdens de publieke verkoping die op de vrijdagmiddag van 13 juli 1928 in het Café van H. M. de Vries te Roden een perceel Zwarte Orion haver in het Sieveen te verkopen.

De advertentie die verscheen in het Nieuwsblad van het Noorden van zaterdag 7 juli die geplaatst was in opdracht van de Roner notaris G. D. Boswijk. (Bron: Zaterdag 7 juli 1928 Nieuwsblad van het Noorden, Pagina 19, 41ste jaargang, No. 159).

Harmannus Aukema had het in die dagen druk als boer met het een en ander te regelen. En er moest natuurlijk brood op de plank komen, dus er diende geld verdiend te worden. Door onder andere de toenemende kolenwinning in Zuid-Limburg steeg de vraag naar hout in heel Nederland en ach, Harmannus had nog wel ’n paar bunder hakbos staan. Nu was het op stel en sprong kappen van de bomen om snel een paar guldens aan het hout te gaan verdienen en dan zo snel mogelijk van de percelen gras- of weilanden maken niet zo maar gedaan.

De advertentie die Harmannus Aukema in het jaar 1930 tweemaal liet plaatsen in het Nieuwsblad van het Noorden (Bron: Maandag 29 september 1930 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 11, derde blad, 43ste jaargang, No. 229).

Het gebied was inmiddels ontdekt door de wandelaars en de dagjesmensen, die enorm van dit gebied konden genieten. Daarnaast was het voor velen een binnen doorweggetje geworden om de Toutenburgsingel te bereiken, om vervolgens dan richting Terheijl, Leek of Nietap hun weg te vervolgen. Nadat Aukema in 1930 alles geregeld had voor de bomenkap in het gebied, plaatste de landbouwer eind september van dat jaar een advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden, waarin hij liet weten dat met ingang van 4 oktober het Sieveen voor iedereen verboden was. Twee dagen later, woensdag 1 oktober, werd de advertentie nogmaals geplaatst.

Dit maal was het de landbouwer Roelof Deodatus Pzn. die de notaris Boswijk uit Roden een advertentie liet plaatsen in het Nieuwsblad van het Noorden op zaterdag 7 februari 1931 (Bron: Zaterdag 7 februari 1931 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 26, zevende blad, 44ste jaargang, No. 32).

Notaris Boswijk uit Roden had het in die jaren niet alleen druk met regelen van de vele verkopingen, ook het organiseren van het verhuren en/of het verpachten ging gewoon door. Ook Roelof Deodatus Pzn. deed zijn best om de notaris bezig te houden in het begin van de jaren dertig. Zoals Aukema dat al eerder had laten doen, liet Deodatus de notaris eveneens een advertentie opstellen waarin hij een huis en twee percelen weiland te huur aanbood. De advertentie verscheen in het Nieuwsblad van het Noorden van zaterdag 7 februari 1931. Een van de percelen was circa vier hectare groot en lag in het Sieveen. Waarschijnlijk begon men zich nu wel aan de kadastrale indeling uit 1832 te houden en ineens ligt het Sieveen in Terheijl. De gesloten briefjes dienden voor of op woensdag 18 Februari 1931 bij de notaris te worden ingeleverd.

De advertentie die de twee notarissen voor Deodatus hadden opgesteld en die eerst op zaterdag 28 november en daarna weer op 5 december in het Nieuwsblad van het Noorden verscheen. (Bron: Zaterdag 28 november 1936 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 24, zesde blad, 49ste jaargang, No. 282).

Bijna vijf jaren later heeft Deodatus weer een klusje voor de notaris Boswijk uit Roden. Voor vrijdag 11 december 1936 ’s middags om 15:00 uur staat een evenement gepland in het hotel van der Molen te Roden, waarbij publiek bij inzate een paar boerenbehuizingen, diverse percelen heide, bouw-, hooi-, en weilanden worden geveild. Een beste klus die de Roner notaris niet in zijn eentje doen kan en daarom hulp krijgt van zijn collega F. R. M. Th. Gouverne uit de stad Groningen. De advertentie voor de veiling verschijnt zaterdag 28 november voor het eerst in het Nieuwsblad van het Noorden en een week later, zaterdag vijf december 1936, werd de advertentie nogmaals herhaald.

Waarschijnlijk had men de inhoud van de verkoping/aanbesteding in de advertentie beperkt tot de hoofdpunten en wilde men meer informatie, dan was men genoodzaakt de zogenaamde veilingboekjes voor 10 cent aan te schaffen. Daarnaast had men ook op het kantoor van de notaris een kadastrale kaart ter inzage liggen. De samenvatting in de krant was echter wel een goede suggestie wanneer men er belang bij had om landerijen van Deodatus te gaan kopen. Een andere en zeker niet een mindere opmerking in deze advertentie was toch wel, dat de betaling op 1 mei 1937 diende te geschieden. Niet geheel verwonderlijk, blijkbaar zat Roelof Deodatus Pzn. toch behoorlijk om geld te springen.

De afloop van verkoop en aanbesteding die 11 december 1936 plaatsvond in hotel van der Molen te Roden. Op de drie percelen had Jacob Siegers uit Roden 5580 gulden ingezet (Bron: Zaterdag 12 december 1936 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 10, derde blad, 49ste jaargang, No. 294).

Een week later nadat de tweede advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden van 5 december was verschenen, werd in de krant van vrijdag 12 december 1936 de afloop van de verkoping en aanbesteding bekend gemaakt door de twee notarissen Boswijk en Gouverne. De veiling van de percelen vond in het hotel van der Molen in Roden plaats. Het kavel D omvatte drie percelen weiland in het Sieveen ter grootte 6,163 hectare: perceel 11, weiland Sieveen 2,063 hectare, perceel 12, weiland Sieveen 1,4 hectare, en perceel 13, weiland Sieveen 2,7 hectare. In de aankondiging advertentie stond echter het foutieve getal: D. Weiland “Sieveen” , groot 6,153 hectare, minder dan de daadwerkelijke oppervlakte.

De aankondiging in de krant dat op 22 december 1936 in hotel Zuiderveld te Roden een belangrijke verkoping plaats zal vinden (Bron: Zaterdag 19 December 1936 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 23, zesde blad, 49ste jaargang, No. 300).

Voor de drie percelen weiland in het Sieveen had de dan 45-jarige uit Roden afkomstige Jacob Siegers ingezet op een totaalbedrag van 5580 gulden. Vervolgens gingen de twee notarissen weer naar het Nieuwsblad van het Noorden en lieten zij een advertentie plaatsen in de zaterdageditie die op de zaterdag 19 december verscheen. Hierin stonden de weer de aangeboden kavels, maar nu met de ingezette bedragen. Over het kavel D., een weiland in het Sieveen, groot 6,168 hectare vermeld de advertentie dat deze is ingezet op f 5580,-. En weer zal het ondeugende zetduiveltje bij de krant zijn slag hebben geslagen, nu wordt het kavel weer groter aangeven dan deze werkelijk is.

Het een en ander zou volgens de advertentie publiek bij palmslag verkocht worden op dinsdag 22 december 1936 om drie ’s middags in het hotel Zuiderveld te Roden. Voor de rest wijkt deze advertentie maar weinig af van de advertentie die eerder op 28 november verscheen, echter dat het nu in hotel Zuiderveld in plaats van hotel van der Molen plaatsvond en de ingezette bedragen stonden nu bij de kavels.

Uiteindelijk heeft niet Jacob Siegers uit Roden de drie percelen in het Sieveen gekocht, maar ene J. A. Meijer wonende te Eenrum (Gr.) (Bron: Woensdag 23 december 1936 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 6, tweede blad, 49ste jaargang, No. 303).

In het Nieuwsblad van het Noorden die op woensdag 23 december 1936 verscheen, deden de twee notarissen verslag van de belangrijke palmslag in Roden. Naast de andere kavels werden ook de drie percelen weiland, kavel E., verkocht. Had de Roner Jacob Siegers nog ingezet op 5580 gulden voor de drie weilanden, het was de uit het Groningse Eenrum afkomstige J. A. Meijer die met de drie percelen aan de haal ging. De Ainrumer kon maar liefst 8300 gulden gaan betalen voor de drie weilanden in het Sieveen.

Ruim vier jaren later komen we Roelof Deodatus Pzn. weer tegen in het Nieuwsblad van het Noorden. Nu in een advertentie van de Roner Notaris G. D. Boswijk, waarin hij voor meerdere eigenaren van percelen met bos aangeeft dat er op maandag 20 januari 1941 een grote bosverkoping plaats zal vinden in het café van J. Scheepstra nabij de kerk in Roden. De notaris omschreef het als volgt: ‘Voor den heer R. Deodatus Pzn. te Zulte: 2 perceelen bosch in het Sieveen, afk. van H. Deodatus’.

De advertentie van notaris Boswijk waarin hij voor een aantal eigenaren bos te koop heeft gezet (Bron: Zaterdag 18 januari 1941 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 16, vierde blad, 54ste jaargang, No. 15).

Heuj’n.

Hooien, heuj’n in het hier gesproken Noord-Drents dialect, bestond natuurlijk uit meer dan alleen het gras maaien. Sterker nog, het belangrijkste gedeelte van de oogst moest nog komen; ervoor zorgen dat het gemaaide gras zo droog was geworden dat het veilig was om het op te kunnen slaan. In de huidige tijd is het hooien van vandaag de dag niet meer te vergelijken zoals het een slordige tweehonderd jaren geleden in de omgeving van de Zulte plaatsvond. Bij de moderne veehouderij speelt het zogenaamde ‘kuilgras’, een vorm om gras te conserveren nadat het slechts enkele dagen op het land heeft gelegen, sinds de jaren dertig van de vorige eeuw een heel belangrijke rol. Bij deze vorm van conservering wordt het gras tijdens het maaien een ‘graskneuzer’ gebruikt om het drogingproces te versnellen. Per jaar kunnen van hetzelfde perceel grasland dan door de boer vijf tot zes zogenaamde kuilvoersneden worden geoogst. Voorwaarde is dan wel dat er in het perceel grasland niet tussendoor geweid wordt.

Het machinaal schudden van het gras in het beekdalgebied van de Zulter Bitse nabij de Dobberesch. Het schudden zorgt er onder andere voor dat naast het kneuzen ook het gras gelijkmatig aan het zonlicht wordt blootgesteld, zodat het gemaaide gras sneller droogt.

Het conserveren van gedroogd gras, hooien dus, voor dieren is een wijze om ervoor te zorgen dat er in tijden van weinig aanbod van vers gras en er amper grasgroei plaatsvindt zoals bijvoorbeeld tijdens de winter, er voldoende voedsel aanwezig is om de dieren te kunnen voeren. Het beste moment om te gaan maaien en hooien was destijds voor de boer de periode voordat het gras bloemstengels begon te vormen. Hoe jonger het gras was dat gemaaid werd, hoe hoger de voederkwaliteit was. Deed de boer dit later door bijvoorbeeld slecht hooiweer en hadden er zich bloemstengels gevormd, konden de koeien het gras slechter verteren. Daarnaast was natuurlijk het drogestofgehalte van hooi, ongeveer 80%, van groot belang voor het opslaan van de wintervoorraad. Voordat er andere vormen van hooiopslag bestonden zoals hooipakjes en hooibalen, werd het hooi opgeslagen in een zogenaamde hooiberg of hooibult. Zowel bij de opslag van hooi in een berg, een pakje, of een baal, is het dus van belang dat het hooi droog genoeg is om hooibroei te voorkomen.

Zo’n tweehonderd jaren geleden bezat de boer nog niet over grassen met een hoge opbrengst aan hooi. Vergeleken met de hoeveel hooi heden ten dage, lijkt het wel een armtierige oogst. Het kruidenrijke hooi dat door de boer in het beekdalgebied van de Zulter Bitse werd gewonnen, was hoogstens voor een tiental koeien en een paar paarden bedoeld. Een groot contrast met de huidige boer die over ruim 160 dieren beschikt.

Nee, in de negentiende eeuw ging het maaien en het hooien er nog heel anders aan toe dan heden ten dage. Veel termen en uitdrukkingen die in die tijd veel werden gebruikt, zoals Dr. C.C.W.J. Hijszeler het in zijn boek ‘Boerenvoortvaring in de oude landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe’ heeft geplaatst, worden niet meer gebruikt en zijn daardoor al heel lang verdwenen en vergeten. En laten we eerlijk zijn, de mechanisatie binnen de landbouw heeft natuurlijk ook enorm veel voordelen gebracht, waardoor het lichaam van de boer en zijn arbeiders veel minder hadden te lijden onder het zeer zwaar lichamelijk werk dan hun voorgangers honderden jaren eerder.

De vaak zelf gemaakte, schuin aan de steel gezette hooihark, tot en met de tanden van hout, maakte gedeeltelijk plaats voor de bredere exemplaren, eerst van hout en later van metaal. Deze brede hark werd in de omgeving van Roden ook wel ‘rief’ genoemd. Hier wordt tevens het hooi op zogenaamde opperties geharkt. (Afbeelding: pagina 31, Ton de Joode – Landleven, het boerenbestaan van toen. Foto Peter Schütte. MCMLXXXI Elsevier-Amsterdam/Brussel)

Een swat, zwad of zwade tegenwoordig, was een strook gras dat door een mëijer (maaier) met een zeis was gevormd. Het woord swat of in het meervoud in Roden ook wel swaod’n genoemd, speelde in de beschrijvingen van het hooien dan ook een belangrijke rol. Maar veel belangrijker was bij het hooien het weer, en dan met name goed hooiweer; droog, zonnig weer, met het liefst een beetje wind. Helaas was het perfecte plaatje om te kunnen gaan hooien vaak niet aanwezig en moest men zich aan het weer en de omstandigheden aanpassen. Het kon dan ook voorkomen door de weersomstandigheden dat het gemaaide gras te lang op het land, ‘t swat, bleef liggen en het onderliggende gedeelte geel was geworden en tot rotting was overgegaan. Was dit het geval, dan werd er gezegd dat het gras ‘smaarterig’ was. Dit kon ook gebeuren wanneer het gras in zogenaamde ‘oppers of opperties’ lag. Opperties of öpperties waren hopen of hoopjes bij elkaar geharkt gras of hooi, dat in het gemaaide hooiland lagen en op de bovenstaande afbeelding te zien is.

Het gereedschap dat rondom het voormalig esgehucht werd gebruikt tijdens het hooien. a) Rief, b)Hooihark, c) Trekrief, d) Schootvörk, e) Weesboom, f) Hoak. (Afbeelding: Dr. C.C.W.J. Hijszeler: Boerenvoortvaring in de oude landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe. De tekeningen werden vervaardigd door de J. Witpaard te Meppel en N. Overdiep te Groningen. Uitgegeven te Assen bij Van Gorcum & Comp. N.V. (G.A. Hak & H.J. Prakke) (MCMXL))

Als het geen erg mooi weer was, ging men rondom het dorp Roden ‘de swaod’n omtrekk’n, keer’n met de rief’. Wanneer men dit deed, kwam het gras dat onderaan lag boven te liggen. Een rief (figuur a) is een houten hooihark waarbij de steel scheef op de hark gemonteerd zit. Was het echter wel goed weer in de omgeving van het voormalig esgehucht, ging men het gras in de zwadden losmaken: ‘de swaod’n löshauw’n, lös gooj’n of lös maok’n met de rief (1). Daarbij nam men steeds een drietal zwadden bij elkaar, waarbij het middelste zwad uiteen gehaald werd met de hooivork (figuren 1 en 2), lös maok’n met de vörk, waarna de buitenste twee zwadden eveneens met de hooivork los werden gemaakt en met de zogenaamde rief naar elkaar werden geharkt en er een lange strook gras ontstond. Men sprak dan van ‘de aander’n d’r naor toe heuj’n, bijheuj’n met de rief (1). Deze stroken gras werden ook wel een ril of weersem (’n weers’m) genoemd; ‘Wai hebben het gras in weersems liggen (1). Vormde men echter na het losmaken kleine oppers, dan liet men dat dus na om weersems te maken.

De boeren in de Zulte zeiden: ‘Wai hebben het gras in weersems liggen’ wanneer zij het het droge gras in lange rillen op het land hadden liggen. Destijds werden de weersems met de rief gevormd, maar ook dit wordt heden ten dage machinaal gedaan.

Daarna ging men het gras ‘in raggies, in klaine opperties zett’n met de heujvörk (1). Dit waren kleine oppers hooi, het drogende gras was dan al bijna hooi, en werden ook wel heui- oh heujoppers genoemd. Dit opperen deed men laat in de middag, zo tegen de avond aan om te voorkomen dat er vocht in het bijna droge hooi kon komen. Op dagen dat het donker weer was, het was dan niet zonnig genoeg, en het niet regende, moest men de oppers uit elkaar halen en weer op een andere plaats opnieuw maken. Dit gebeurde vanzelfsprekend met de hooivork en werd ‘omopper’n  met de vörk’ genoemd. Een bijkomend voordeel van het omopperen was mocht het hooi aan de onderkant vochtig geworden zijn, dan kon hooibroei of verrotting van het hooi zo voorkomen worden. Het van onderen op vochtig worden noemde men ‘opstaol’n’. Sprak men in de grote delen van Drenthe van ‘t is aordig opstaolt’, in de omgeving van het Noord-Drentse dorp Roden zei men dan ‘de heuioppers bint aordig opstaold (2).

Hooivorken met twee (2) en drie tanden (1). (Afbeelding: Dr. C.C.W.J. Hijszeler: Boerenvoortvaring in de oude landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe. De tekeningen werden vervaardigd door de J. Witpaard te Meppel en N. Overdiep te Groningen. Uitgegeven te Assen bij Van Gorcum & Comp. N.V. (G.A. Hak & H.J. Prakke) (MCMXL))

De hooivork (figuren 1 en 2) was een onmisbaar werktuig bij het hooien in het algemeen. Of het nu was bij onder andere het losmaken van de stroken gras, het omopperen van de opperties of het binnenhalen van het hooi, de boer kon niet zonder. De hooivork bezat twee of drie tanden en had een lange steel zonder handgreep. Bij het binnenhalen van het hooi gebruikte men zelfs hooivorken met een meer dan twee meter lange steel om het hooi hoog op de boerenwagen te kunnen werpen. Immers, des te meer hooi er op de wagen werd geladen, des te minder men met het paard en de wagen op en neer hoefde te rijden.

Een paar geschikte stukken hout en wat aangescherpte pennen, op de juiste manier aan en in elkaar bevestigd, leverden een goed bruikbare heujhark. Hout voor het eenvoudig gemaakt gereedschap was natuurlijk in overvloed te vinden in de vele bossen en op de massaal voorkomende houtwallen in de Zulte.(Afbeelding: pagina 137, Ton de Joode – Landleven, het boerenbestaan van toen. MCMLXXXI Elsevier-Amsterdam/Brussel)

Destijds beschikte de boer nog niet over tractoren die met gemak twee lage wagens vol hooi kon trekken, maar over één of twee paardenkrachten om het geheel te vervoeren. Heeft de moderne boer in vergelijking met zijn verre voorganger het geluk dat hij zijn hooi veel sneller weet binnen te halen vanwege de mechanisatie, ook de eisen die hij aan het hooi verschillen nogal van elkaar. Het was dan ook voor de vroege boer van belang dat er voldoende drogende dagen aan één waren om het hooi te kunnen oogsten. Zo was er in het jaar 1821 een vrij goed jaar als het op gras en hooi aankwam in het Noorden van Nederland, maar juist slechter hoe zuidelijker men in het land ging. In de Staat van den Landbouw schrijft J. Kops: ‘In Vriesland en Groningen kwam het gras vroeg aan, en maaide men vroegtijdig. Het gemaaide werd intusschen veelal te driftig weg gereden en verbroeide, ja veroorzaakte hier en daar brand. Het hooi was er te goedkooper, daarmen tot laat in het najaar overvloed van krachtig en voedzaam gras had. Allezins voordeelig ging het met gras en hooi in Overijssel, en vrij goed in Drenthe(3).

Opteim’n. Het in oppers plaatsten van het tot hooi verworden gemaaid gras. Ook in de graslanden rondom de Zulte kon men deze bulten van hooi aantreffen. (Afbeelding: pagina 31, Ton de Joode – Landleven, het boerenbestaan van toen. Foto Peter Schütte. MCMLXXXI Elsevier-Amsterdam/Brussel)

Maar goed, de toenmalige boer was dus destijds afhankelijker van het weer dan de boer vandaag de dag en moest daarnaar dan ook handelen. Zodra het geschikt hooiweer was, werd het hooi dat in oppers op het land stond, uit elkaar gegooid met de hooivork, ‘de oppers strêij’n met de vörk’. Na ’t wenn’n’, het uiteen halen van de oppers en het verspreiden van het hooi dus, maakte men met de rief opnieuw weersems (in weers’ms zetten). Wanneer men dit ging doen, diende het gras droog te zijn, waarna de tijd was aangebroken om het hooi met de vork ‘op te teim’n’, of te wel ‘in dikke oaf dreuge oppers te zett’n met de vork (1). De weersem werd bij gedeelten opgeschoven, opschöev’n zei men dan in de Zulte. Opschöev’n ging als volgt in het werk: er werd een vork aan de ene zijde van de ril hooi gezet en schoof deze zover mogelijk naar het midden op, waarna de vork er aan de andere kant werd in gezet en die helft ook werd opgeschoven.

Een zeer herkenbaar beeld in de gebieden rondom het dorp Roden. Het bijeen harken met de rief van het hooi zodat er mooie lange rillen ontstaan, waarna de tractor met de zogenaamde hooipers er langs kan gaan om de hooipakjes te persen.

Daarna ging men het hooi opzetten. Het opzetten van droog hooi in grote oppers in handwerk om het op een gunstig gelegen tijdstip in te schuren, vroeg destijds veel tijd. Daarom zorgde men ervoor dat de oppers van de naast elkaar liggende rillen of weersems tegenover elkaar kwamen te liggen, zodat het voor de arbeiders een stuk gemakkelijker werd om de hooiwagen te laden, daar deze steeds tussen de oppers doorreed. De benodigde tijd voor het laden werd in belangrijke mate beïnvloed door de volgende factoren: de wagen waarop wordt geladen, het aantal arbeiders dat aan het laden deelneemt, de werkmethode die wordt gevolgd en de ligging van het hooi.

De paardenhooihark deed halverwege de negentiende eeuw zijn intrede in Nederland. Weliswaar oogt het primitief, maar voor diegene die met noeste spierkracht in het hooi zat, was dit al een enorme verbetering. (Afbeelding: pagina 31, Ton de Joode – Landleven, het boerenbestaan van toen. Foto Peter Schütte. MCMLXXXI Elsevier-Amsterdam/Brussel)

Het spreekt voor zich dat hier en daar nog wat hooi was blijven liggen. Dit hooi werd verzameld door met de rief de resten bij elkaar te harken, ‘de opperstaart’n anheuj’n’. Dit werd ook wel het ’t anheujsel genoemd en werd gebruikt wanneer het hooi nog een nacht buiten moest blijven, als een soort van afdekking. Het anheujsel voorkwam het zogenaamde inregenen.

De boerenwagen zoals deze in het verleden door de Drentse boeren gebruikt werd om het hooi naar binnen te halen of naar de hooimijt te brengen. (Afbeelding: Dr. C.C.W.J. Hijszeler: Boerenvoortvaring in de oude landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe. De tekeningen werden vervaardigd door de J. Witpaard te Meppel en N. Overdiep te Groningen. Uitgegeven te Assen bij Van Gorcum & Comp. N.V. (G.A. Hak & H.J. Prakke) (MCMXL))

Het hooi moest op de boerderij zo dicht mogelijk bij de stal worden opgeslagen, doorgaans boven de deel. Dit werd ook wel ‘opgetast’ genoemd. Het dagelijks transport bij het voeren werd hierdoor zo klein mogelijk. In de gebouwen van toen was de ruimte boven de stal vaak klein en moeilijk bereikbaar. Het lossen van de wagen met hooi, ook wel ‘afsteken’ genoemd, het verdere transport naar de plaats van opslag en het stapelen van hooi, waren een paar redenen waardoor het lossen veel tijd kon gaan kosten.

Het persen van de zogenaamde hooipakjes. Door het hooi in pakken te persen gaat het inzamelen van het hooi een stuk sneller, eenvoudiger te transporteren en het is ook nog eens gemakkelijker en beter te stapelen in de schuur van de boer.

Is het tegenwoordig heel normaal geworden dat sommige graslanden wel drie en soms wel vier keer per jaar gemaaid worden, rond het midden van de negentiende eeuw gebeurde dit met een beetje geluk twee maal in de zomer. Het gras voor de tweede keer maaien, noemde men in de omgeving van het Noord-Drentse dorp Roden ‘etgruin maaj’n’.

Op sommige plaatsen rondom Roden wordt het ‘ouderwets’ hooien nog in de praktijk gebracht. Met name op de vochtige en beschaduwde graslanden is dit het geval. Doorgaans zijn dit eeuwenoude kleine percelen.
Heujpakjes mennen; Hooipakjes van het land halen en naar binnen brengen.

(1) Bron: Dr. C.C.W.J. Hijszeler: Boerenvoortvaring in de oude landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe. Uitgegeven te Assen bij Van Gorcum & Comp. N.V. (G.A. Hak & H.J. Prakke) (MCMXL)

(2) Bron: Woordenboek van de Drentse Dialecten. © 2009 Rijksuniversiteit Groningen

(3) Bron: Staat van den Landbouw in het Koningrijk de Nederlanden gedurende het jaar 1821, opgemaakt door den Hoogleeraar J. Kops, te Utrecht, en uitgegeven op last van den Minister voor het Publieke Onderwijs, de Nationale Nijverheid en de koloniën. ’s Gravehage, Ter algemene Landsdrukkerij.

De man met de zeis.

Zo’n tweehonderd jaren geleden bestonden er nog geen moderne landbouwvoertuigen zoals wij die vandaag de dag kennen en kwam het aan op harde, noeste en lichamelijke arbeid. Niets van een stoere tractor met een hippe cyclomaaier waarmee je het gras op land in een poep en een scheet omgemaaid hebt en een vlotte hooischudder om het gras te schudden. Nee, alles gebeurde op de graslanden rondom het voormalig esgehucht de Zulte door de boeren, knechten en arbeiders nog met de hand en pure spierkracht. Het spreekt voor zich dat de één meer bedreven in het maaien met de zeis was dan een ander of juist weer een andere techniek gebruikte, waarover door de arbeiders en knechten die het zware werk in het hooi moesten doen, dan ook de nodige opmerkingen werden geopperd. Een aantal van deze termen, die in het verleden werden gebruikt in de gebieden in en rondom de Zulte tijdens de negentiende en twintigste eeuw, passeren hier dan ook de revue.

Een aquarel uit het jaar 1824 van de kunstenaar A. Kosters met in het midden van de afbeelding een maaier die met de zeis en hark onderweg is. (Afbeelding: Beeldbank Groningen, identificatienummer NL-GnGRA_1536_5363, Groninger Archieven, Archief Academie Minerva, toegangsnummer 1448, inv.nr. 34.)

Het was destijds al bekend dat goed maaien een moeilijk vak was en dat het maar weinigen gegeven was om het vak goed te verstaan. Zeker wanneer men in groepen het weiland opging om het gras te maaien, dan was een zekere vorm van uniformiteit gewenst om de hooiers tevreden te houden. Het maaien met een zeis wat dus duidelijk iets wat een boer of arbeider goed onder de knie moest hebben, wilde deze optimaal gebruik kunnen maken van het lange gras. Een zeis, of zais zoals deze in de Zulte genoemd werd, was toen en nog steeds, eigenlijk niets meer dan landbouwhandwerktuig dat uit twee onderdelen bestond.

Een afbeelding van een zeis zoals deze in het verleden in de Zulte werd gebruikt. De termen zijn in het dialect zoals deze in de omgeving van het voormalig esgehucht werd gesproken. a) Zaisboom, b) Dollen, c)’t Oort, d) De hak, e) De hekel, f) De ring, g) De kiel, h) De rug, j) De aege, k) De strekel, l) Hoarspit, m) Hoarhoamer, n) toujaoger. (Afbeelding: Dr. C.C.W.J. Hijszeler: Boerenvoortvaring in de oude landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe. De tekeningen werden vervaardigd door de J. Witpaard te Meppel en N. Overdiep te Groningen. Uitgegeven te Assen bij Van Gorcum & Comp. N.V. (G.A. Hak & H.J. Prakke) (MCMXL))

De zeis bestond uit twee delen; een sikkelvormig mes en de boom. De boom noemde men ook wel ‘de zaisboom’ (a) en was een lange, rechte, ronde stok waarop twee gebogen handvatten zaten, de zogenaamde ‘dollen’ (b). De dollen zorgden niet alleen voor een goede grip, maar waren ook nog eens zo geplaatst dat de gebruiker de maximale slag kon met het gereedschap kon maken. Het sikkelvormig gebogen mes, dat eigenlijk de zeis is, bezat aan de ene zijde een scherpe, spitse punt, die ‘’t oort’ (c) heette en aan de andere zijde recht afgesneden is. Dit gedeelte van werd destijds ‘de hak’ (d) genoemd in het Noord-Drents dialect dat in de omgeving van de Zulte door de mensen werd gesproken.

Een in de geschiedenis van de Zulte veelvoorkomend beeld; een boer of en arbeider die aan het maaien is met de zeis en de strekel daarbij in de hand houdend. (Afbeelding: pagina 30, Ton de Joode – Landleven, het boerenbestaan van toen. Foto Peter Schütte. MCMLXXXI Elsevier-Amsterdam/Brussel)

Aan het gedeelte dat de hak heette, zat een rechthoekig gebogen stuk dat veel weg had van een handvat. Dit gebogen  stuk noemde men ‘de hekel’ (e) zat door middel van een wig, ‘de kiel’ (g), vast in een gat dat de naam ‘’t hekelgat’ droeg. ’t Hekelgat was een vervorming in een stuk ijzer, ‘de ring’ (f). De kiel en de ring, ‘’t bijwark’, zorgden ervoor dat het mes stevig aan de zeisboom bleef zitten tijdens het gebruik van de zeis. De bovenzijde van het mes heette ‘de rug’ (h) en het scherpe gedeelte, zeg maar het mes, was ‘de aege’ (j).

Het gebruik van een strekel door een boer om de zeis weer scherp te maken. Bestond in het verre verleden het laagje om de zeis te scherpen uit bijvoorbeeld vet, koemest of teer, en iets later uit scherp zand, tegenwoordig is deze van cement gemaakt. (Afbeelding: pagina 31, Ton de Joode – Landleven, het boerenbestaan van toen. Foto Peter Schütte. MCMLXXXI Elsevier-Amsterdam/Brussel)

Om snel en goed te kunnen maaien met de zeis, was het regelmatig scherpen van het mes noodzakelijk, dit noemde men ook wel ‘de zais striek’n’. Om het mes van de zeis te kunnen scherpen, draaide men de zeis om, plaatste de bovenkant van de zeisboom op de grond en pakte de maaier ‘de strekel’ (k). Een strekel was volgens het Nieuw Groninger Woordenboek van K. Ter Laan “een houten werktuig, waarmee de zeis scherp gestreken wordt. Insgelijks de stok, waarmee de korenmaat wordt glad gestreken. De swoa wordt strookn met de strekel (d. V.) = de saais wordt streekn. (1). Veel Groningse woorden kwamen ook voor in het Noord-Drentse dialect dat in Roden en omgeving werd sproken. De maaier ging met de strekel beurtelings langs de snede van het mes van boven naar beneden, maar nooit op en neer. Dit was de beste manier om de zais te striek’n. Soms gebruikte men na het strijken met de strekel nog een wetsteen. De gebruiker spuugde wat speeksel op het mes en ging in dezelfde volgorde als de strekel met de wetsteen van boven naar beneden.

Het scherp strijken van de zeis door een arbeider op ’t Groninger Land door middel van een houten werktuig, de zogenaamde strekel. (Afbeelding: Fig. 293. Striékn mit strekel. Pagina 986 Nieuw Groninger Woordenboek door K. Ter Laan met kaarten en platen van Johan Dijkstra e.a.. J.B. Wolters’ U.M. – Groningen, Den Haag, 1929.)

Soms kwam het ook voor dat de zeis zo erg stomp geworden was, dat de strekel geen uitkomst meer bracht. Dan was de maaier gedwongen om het blad te haren, ‘hoar’n’ noemde men dat in de Zulte destijds. Hoar’n gebeurde met speciaal gereedschap, een ‘hoarhoamer’ (m) en ‘hoarspit’ (l), dat ‘hoartuug(1) genoemd werd. De hoarspit was een kruisvormige, ijzeren pin met een brede kop die enigszins schuin in de grond werd gestoken. Vervolgens werd de scherpe kant van de zeis op de brede kop gelegd en behamerde de maaier deze met de bek van de hoarhoamer.

Het hoar’n van de zicht of zichter, zoals een zeis met een korte handvat werd genoemd, bij een akker met vlas achter de boerderij van Rietema rond 1924-1925, destijds gelegen aan de Ommelanderweg in Hornhuizen. De man vooraan is mogelijk Van de Velde, de man rechts mogelijk Van der Veen. (Afbeelding: Beeldbank Groningen, identificatienummer NL-GnGRA_2516_8 Groninger Archieven 2516_0008.jpg)

Het maaien van het lange gras gebeurde ruim tweehonderd jaar geleden doorgaans in een groep, waarbij er door de eerste maaier aan de linkerkant van het perceel begonnen werd en de volgende maaier op enige afstand rechts van de eerste maaier volgde. De volgende maaiers volgden in hetzelfde patroon en bleven aan de rechterzijde achter de voorganger. Een maaier, ook wel ‘mëijer’ genoemd in het dialect, vormde een zwade of zwad, de hoeveelheid gras die met één slag van de zeis werd neergelegd. In het in de Zulte gesproken Noord-Drents dialect sprak men echter doorgaans van een ‘swat’.

Het Landelijk Kennisnetwerk Levende Have was op bezoek bij Jan Oldenkamp van Landschap Overijssel. Hij heeft precies verteld hoe het zeisen in zijn werk gaat. Alle voor- en nadelen van het werken van een zeis komen aan bod.

Nu zat er nogal wat verschil op wijze waarop de ene maaier de zeis hanteerde dan een andere maaier. Had de maaier een techniek waarbij hij het achtereinde van de zeis, de zogenaamde hak, te hoog liet lopen, dan bleef er rechts vaak wat gras staan, terwijl links alles werd weggemaaid. Maaiers die op deze wijze de zeis hanteerden, zorgden er dus voor dat er een lage ril gras bleef staan, die vervolgens een ‘kam’ genoemd werd. Over deze maaiers werd dan ook gezegd, dat ze aan het ‘swatkammen’ waren. In de omgeving van Roden zei men destijds echter: ‘De mëijer haüwt met de hak(2), de maaier slaat met de hak, het achtereinde van de zeis dus.

Een tweede vorm van maaien met de zeis was dat de maaier deze zo vasthield, dat er in het midden van de zwad meer gras gemaaid werd dan aan de zijkanten, dan zei men: ‘Mëijde de mëijer swienebakk’n(2). Er bestonden ook maaiers die zo met zeis maaiden, dat de punt van het blad (’t oort) te ver naar achteren liep en er links voorbij de snede wat gras bleef staan. In dat geval sprak men van: ‘De mëijer oort niet deur’ (2). In de omgeving van Roden werd er dan spottend gezegd: ‘Er blif ’n heeg staon(2) (Er blijft een heg/haag staan). Dit laatste kon ook het gevolg zijn van het feit, dat de maaier de zeis ten opzichte van de hekel (angel van een zeis) te ruim stond en daardoor een te grote hoek maakte. Voor diegene de het afgemaaide gras met een hark moest bewerken, was het gras dat bovenop het gedeelte lag dat niet goed gemaaid was, een nare klus en zorgde voor nogal wat wrevel en gescheld van de hooiers op de maaiers. De hark bleef namelijk achter het hogere gras haken, wat bij de hooiers leidde tot uitspraken zoals: ’t swat omtrekk’n’.

Zo zou het er rond 1820 in weilanden in de omgeving van de Zulteresch gezien vanuit het westen richting het oosten uit hebben kunnen zien. Niets van een grote, groene zee van Engels raaigras zoals dit vandaag de dag het geval is, waar vrijwel geen bloem te vinden is, laat staan een grote insecten populatie, maar een uitbundig gekleurd mengsel van grassen, kruiden en bloemen. Het spreekt voor zich dat destijds hier een groot en een zeer gevarieerd insectenbestand aanwezig was. Op de achtergrond lag in die tijd het Groot Noordholt, een enorm groot oerbos dat moest wijken voor de expansiedrift van de groeiende boerenbedrijven.

Naast dat de weersomstandigheden voor de boeren in de Zulte belangrijk waren bij de snelheid en de kwaliteit van het maaien én het hooien, het bleef immers mensenwerk, maar ook de inrichting van het perceel was een bepalende factor die niet te onderschatten viel. In de huidige tijd maakt de toestand van het te maaien land niet zoveel meer uit, immers door de mechanisatie in de landbouw zijn de maaimachines niet meer kieskeurig en is het gras snel gemaaid. In vroegere tijden voordat de mechanisatie was ingezet, was dit echter een geheel ander verhaal. Doordat het gras nooit rechtop staat en door de weersinvloeden zoals door weer en wind vrijwel altijd een schuine stand bezit, diende de maaier ook hier rekening mee te houden.

Het gebied in de Zulteresch dat eerder in de afbeelding hierboven werd omschreven, maar dan vanuit het oosten richting het westen gezien. Kenmerkend voor het gebied rondom de Zulte waren niet alleen de vele kruidenrijke graslanden, maar ook nog de destijds talrijk aanwezige en deels zeer oude bossen.

De door de maaiers te maaien wei- en hooilanden lagen in het gebied rondom het voormalig esgehucht de Zulte niet alleen op de essen, maar ook in het beekdalgebied van de Zulter Bitse. Daarnaast lagen de graslanden ook naast bijvoorbeeld vele kampen, die in het gebied voorkwamen en omringd waren met houtwallen. Eigenlijk is er dan ook geen standaardvorm van een grasland in de wijde omgeving van de Zulte aan te wijzen. Zo waren bijvoorbeeld de graslanden langs de beek slechts aan drie kanten omgeven door een houtwal of ondiepe sloot. Ook in de wallen zaten diverse verschillen qua uitvoering en inrichting.

Donkere onweerswolken boven het perceel met het te maaien gras. Sinds jaar en dag is de boer afhankelijk van het weer tijdens de hooiperiode. Het hooien van toen en op de wijze zoals deze heden ten dage plaatsvindt, is stomweg niet te vergelijken. Vandaag de dag is het voor de moderne boer slechts een fluitje van een cent om even de weersverwachting erbij te nemen en dan wel of niet te gaan maaien. In het verleden zouden de onweerswolken de toenmalige boer tot waanzin hebben gedreven als het gras gemaaid op het land lag en moest drogen

Tevens speelde ook ligging van de weilanden en de wallen op de, aan de, of juist ver van de nattere gronden zoals de madelanden een grote rol. De madelanden waren natte graslanden, die meestal alleen gebruikt werden als hooilanden als het weer het toeliet en bevonden destijds voornamelijk uit zogenaamde blauwgraslanden (Cirsio dissecti-Molinietum). Door hun vochtige toestand waren de blauwgras- en madelanden niet geschikt om er vee te laten weiden en dienden ze als hooilanden. In een zeer gunstig jaar met een droge nazomer kon het nogal eens gebeuren dat de ondergrond droog genoeg was en liet men er alsnog vee grazen. Tegenwoordig bevindt zich het gebied waar de madelanden vroeger lagen, nu tussen de straten de Klimop, De Hulst en Kamperfoelie in de Bomenbuurt van Roden.

Het houten toegangshek zat meestal in de houtwal aan de voorzijde van het te maaien perceel. Deze vorm van hek werd ‘wring’ genoemd en hier is meer over een wring te lezen.

Doorgaans bestonden de wallen vooral uit houtwallen de beplant waren met Zomereiken (Quercus robur) en een tal van andere iets lager blijvende loofbomen. In de nattere en lagergelegen gedeelten waren het juist Zwarte elzen (Alnus glutinosa) of ondiepe sloten die zorgen voor de afscheiding. Deze wallen bevonden zich meestal aan de zijkanten van een perceel en werden daarom dan ook ‘zijwallen’ genoemd. De zijwallen konden wel honderden meters lang zijn, lagen langs diverse percelen en gingen dan in sloten over. De toegangshekken zaten in de wallen aan de voorzijde.

Aan het einde van een zogenaamde zijwal nabij bijvoorbeeld een beek ging deze doorgaans over in en ondiepe sloot, die echter voldoende diep en breed was om het vee in het weiland te houden.

De maaiers diende dus rekening te houden met de schuine stand van het gras wanneer zij begonnen te maaien. Daarom probeerden zij altijd als het mogelijk was, nooit tegen de ligging van het gras in te maaien. De maairichting die zij dan aanhielden, was vaak van het westen richting het oosten of van het zuidwesten naar het noordoosten. Eigenlijk is er in de richting van waaruit de wind vandaag de dag waait maar weinig veranderd met de windrichting, die de wind zo’n tweehonderd jaren geleden had. Toch moest men op de dag zelf van het maaien wel degelijk rekening houden met de richting waaruit de wind waaide.

Tegenwoordig hoeft het gemaaide gras niet meer extreem droog te zijn om hooibroei te voorkomen, het gras wordt ingekuild. Inkuilen van gras is een conserveringsmethode, net als wekken, vriezen, drogen, zouten of inblikken, om ruwvoer te kunnen bewaren. Voor het inkuilen is het juist belangrijk dat het gras niet te lang blijft liggen tijdens de zogenaamde veldperiode.

Een ander en zeker één van de belangrijke omstandigheden tijdens het maaien destijds was toch wel, dat het gras veel dunner op het land stond dan vandaag de dag. Doordat de bemesting van de weilanden in die tijd lang niet zo hevig en zwaar was als heden ten dage, stond het gras verder uit elkaar dan het nu het geval is. Daarnaast gebruiken de boeren tegenwoordig andere grassoorten die een hogere opbrengst per vierkante meter garanderen. Het uit Engeland afkomstige Ryegrass dat daar al sinds 1600 in Oxfordshire geteeld werd, is hier een goed voorbeeld van. Dit zaad werd in het Nederlands taalgebied onder de naam Engels raaigras (Lolium perenne) in de handel gebracht en is een dichte zodevormende, vaste plant.

Een weiland langs de Zulter Bitse en het restant van het Groot Noordhout kleurt groen door het Engels raaigras (Lolium perenne). Een grassoort dat voor de moderne boer onmisbaar is geworden, maar voor de biodiversiteit van planten en insecten in het gebied catastrofaal is gebleken.

Om het zogenaamde ‘dun gras’ als hooi binnen te kunnen halen, begon de boer indien het weer dit toeliet, al in de eerste helft van de maand juni met het werk. Als er gemaaid kon worden en er waren meer dan één maaiers, dan ging er eerst een maaier vooruit om een ‘’n swat veurlanges’ te maken, zodat de andere maaiers beter het te maaien gedeelte konden inzetten. De maaier die voor de andere maaiers een zwad voorbereidde noemde men destijds ook wel de veurmëijer, voormaaier dus. Doorgaans begon deze voormaaier aan de voor hem linkerzijde van het te maaien perceel grasland, vrij dicht bij de sloot langs en zodra deze aan het einde van het perceel was aangekomen, draaide hij zich om en maaide dan het gedeelte tussen het gemaaide en de sloot. Zo ontstond er doordat er twee zwadden, in de Zulte sprak men van ‘de swaod’n’ tegen elkaar lagen, een zogenaamde ‘’n goarswat’. Dit werd ook wel ‘’n goarswat mëij’n’ genoemd. In de tijd dat de voormaaier de goarswat vormde, maaiden de andere maaiers de overige slootkanten, ‘de slootkaant opmëij’n’. Dit werd echter ook wel het allerlaatste door de maaiers gedaan.

Vers gemaaid gras langs de oever van de Zulter Bitse. Het perceel dat ten westen van het beekje lag en na de ontginning van van dit deel van het oerbos in de jaren twintig in de negentiende eeuw, de naam ‘Klein Noordholt’ had gekregen, deed sindsdien dienst als grasland.

Wanneer dit was gebeurd, zetten de maaiers, de een na de ander, in het te maaien gedeelte in. Men hanteerde de zeis tegelijk. Het mooiste was, tree voor tree voorwaarts gaande, telkens een zwad te maaien. Maar dit was zeer zwaar werk. Wanneer men de naam wilde hebben om een flinke maaier te zijn, dan moest ‘’n dagwark’ (zestig roe) of ‘’n mat’ (halve bunder) geen probleem zijn. Maar zoals u al eerder kon lezen, snel en goed maaien met de zeis was én is nog steeds een kunst. IJdelheid en stoer doen tussen de arbeiders en knechten onderling was dan ook niet van de lucht op de graslanden rondom het voormalig esgehucht. Het spreekt voor zich dat men elkaar ging kleineren als het op de prestaties aankwam. Bekend was het rijmpje dat men destijds met enige regelmaat in de omgeving van Roden kon horen in de maaitijd: ‘Maaj’n is niks as bukk’n en draaj’n, Maor wol teiz’n , das vlais verleiz’n’ (Maaien is niets anders dan bukken en draaien, maar wol uit elkaar halen is vlees verliezen) (2). Wol teiz’n was een bezigheid die in heel Drenthe plaatsvond en was niets anders dan met duim en vinger de wol uit elkaar pluizen.

Het maaien zoals dat door de boer in het verleden gebeurde verschilde enorm met de huidige tijd, maar één gebeurtenis blijft toch wel hetzelfde; de ooienvaars die achter de maaiers aan liepen om voedsel te zoeken, lopen nu in het spoor van een tractor. Misschien is de overeenkomst met vroeger wel dat er tegenwoordig ook weer veel ooienvaars zijn, dit was een dertig tal jaren geleden wel heel anders.

Vervolgens werd het gras op het perceel strook voor strook gemaaid, elke zwad apart: ‘elk swat apaart’. Zodra de maaiers een bepaald punt hadden bereikt,  dit kon het einde van het perceel zijn of de plaats die zij wilden bereiken, dan stopten de maaiers en ging de zeis op de schouder en liepen ze naar de locatie waar men met het maaien begonnen was. Dit werd in de omgeving van Roden ook wel ‘n’ Groot oaf ’n kleinswat maaj’n’’ genoemd en betekende niets anders dat men de te maaien strook breder of juist smaller nam dan gewoonlijk. Hier zetten de maaiers opnieuw in en ging men weer aan de slag. Dan werd er gezegd dat de maaiers ‘’n neij swat anhoal’n’. Aan het einde van een maaidag of wanneer de maaiers ophielden met het gras maaien, gingen zij eerst nog de zeis hoar’n (haren). Men deed dit zodat de zeis scherp bleef en de maaiers dan weer de volgende dag direct konden beginnen met het maaien. Doorgaans haarde men voor het gras maaien de zeis tweemaal per dag. Als het gehele perceel gemaaid was, zei men ‘’t Gras ligt in ’t swat’. Het gras bleef een dag of juist meerdere dagen liggen, totdat de bovenste laag gras iets bestorven was.

Na het maaien liet men doorgaans in de negentiende eeuw rondom de Zulte het gemaaide gras een poosje liggen, soms een dag, een andere keer meerdere dagen, zodat de bovenste laag van het gras iets bestorven raakte. Op de afbeelding is het stroomdalgebied van de Zulter Bitse te zien.

(1) Bron: Nieuw Groninger Woordenboek door K. Ter Laan met kaarten en platen van Johan Dijkstra e.a.. J.B. Wolters’ U.M. – Groningen, Den Haag, 1929.

(2) Bron: Dr. C.C.W.J. Hijszeler: Boerenvoortvaring in de oude landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe. Uitgegeven te Assen bij Van Gorcum & Comp. N.V. (G.A. Hak & H.J. Prakke) (MCMXL)

Buurtuig, goorsprake en boze heksen

Angst en onwetendheid sierde ons land tijdens de zestiende eeuw in alle hevigheid en waarbij bijgeloof eerder de regel dan uitzondering was. Ook bij de doorgaans zeer nuchtere Drenten was het geloof in duivelse machten zeer groot. Ondanks dat de angsten voor het duistere niet meer zo groot was als in de voorgaande eeuwen, nog steeds kreeg men koude rillingen als er over boze geesten, demonen, en andere creaties uit de boze onderwereld gesproken werd. Nee, de angst voor alles wat maar met het slechte te maken had heerste over het kille, ruige land van Drenthe.

Noord-Drenthe en het Westerkwartier op een kaart uit het jaar 1568. Het spreekt voor zich dat de kaarten uit deze periode lang niet zo gedetailleerd zijn als die van vandaag de dag, maar er is toch een redelijk beeld te vormen van hoe men de omgeving van Roeden (Roden) destijds zag. (Utriusque Frisiorum regionis noviss. descriptio. 1568)

In de Sulte rond 1574 was het niet anders gesteld dan in de rest van de landschap Drenthe en in de donkere uren was het gevaarlijk op de slecht verlichte paden en de woeste, natte heide.  Zeker als in de herfst het begon te schemeren en de eerste mistflarden begonnen zich te vormen over de grote heide en weiland, dan moest je oppassen want dan kwamen de ‘Witte wieven’. Boosaardige mythische wezens die enkel uit boosheid bestonden en kwaadaardige dingen deden. Het was opletten geblazen want ze probeerden je te verleiden om ze te gaan volgen richting de moerassen van het Sieveen met het resultaat dat je voor altijd verdween.

De mistflarden over de heide en moerasgronden die in het verleden gezien werden als gevaarlijke wezens die onschuldigen probeerden te verleiden om ze vervolgens voor altijd te laten verdwijnen. Hier hangen de witte wieven boven een weiland nabij het Sieveen.

Het waren barre tijden voor de bewoners van Drenthe en het leek wel of zelfs de natuur samenspande met de witte wieven. Overal langs de paden groeide een plant, Groot heksenkruid (Circaea lutetiana), die het doel had om de arme zielen te laten verdwalen wanneer deze de plant op hun pad aantroffen. De natuur van toen werd gezien als een geduchte tegenstander, waar zeker niet mee te spotten viel.

Nog steeds treffen wij Groot heksenkruid (Circaea lutetiana) aan in de Zulte, maar niet in die grote hoeveelheden zoals deze in de zestiende eeuw hier voorkwamen.

Dit gold ook voor paddenstoelen die met name in de herfst verschenen in zogenaamde ‘heksenkringen’ die verschenen op de plaats waar heksen hadden gedanst. De Grote stinkzwam (Phallus impudicus) is ook een schoolvoorbeeld van het verband tussen de heksen en de natuur. De paddenstoel van de zwam weet een zeer penetrante aasgeur te verspreiden om vliegen en kevers aan te trekken. Het is echter niet de vieze geur die de zwam in het verleden met heksen verbinding bracht, maar zijn explosieve groei. Het vruchtlichaam of knol waaruit de paddenstoel ontstaat heeft veel weg van een ei. In de volksmond sprak men vroeger van een ‘Duivelsei’ en deze waren her en der door heksen neergelegd nadat zij bevrucht waren door de duivel.

Phallus impudicus is de wetenschappelijke naam voor de Grote stinkzwam en past in het geheel bij deze paddenstoel, gezien de snelheid waaruit een paddenstoel uit een zogenaamde duivelsei ontstaat. Op de voorgrond van de afbeelding is een duivelsei te zien.

Zoals men vandaag de dag duidelijker laat blijken dan ooit, bestonden er in de jaren zeventig van de zestiende eeuw ook mensen die de natuur helemaal niet zagen als een vijand maar eerder als een goede vriend en daar ook voor uitkwamen. De vele soorten planten die in de wijde omgeving van de Sulte voorkwamen bezaten heilzame krachten en werden dan ook door ‘Kruidenvrouwen’ verzameld. Een heel oud gebruik dat al werd toegepast door de Germanen lang voordat het christelijk geloof zijn intrede op het Drentse land deed.

Werden deze vrouwen nog zeer gewaardeerd ten tijde van de Germanen, vanaf de dertiende eeuw veranderde dat beeld van de kruidenvrouw helemaal en waren ze hun leven niet meer zeker. De Dominicanen en de kerk van Rome trokken de wereld in om deze te zuiveren van heidense rituelen en ketterse gedachten. Kruidenvrouwen en andere mensen met ‘vreemde’ ideeën, ook wel tovenaars genoemd, werden als bondgenoten gezien van Satan en het duivelse kwaad met het doel de christen geloofsgemeenschap van het rechte pad af te brengen. Het lieve oude vrouwtje dat voorheen door de Sulter bossen struinde op zoek naar kruiden was nu ineens een groot gevaar geworden.

Molckentoversche!”, riep men nu en verjoeg haar van de weilanden waar het vee liep. Zij zorgde ervoor dat de koeien ziek werden, geen melk meer wilden geven en dat de schapen een zeer pijnlijke dood ondergingen. Dat het melkvee geen melk meer gaf en de schapen doodgingen had maar weinig te doen met het kruidenvrouwtje dat nu als een heks werd aangezien. Tegenwoordig heeft elke melkveehouder wel een tabelletje van welke voedingsstoffen er aan de bodem moet worden toegevoegd voor een hogere melkopbrengst en geeft hij zijn koeien en schapen medicatie tegen de beruchte Leverbot (Fasciola hepaticia), een parasiet die voorkomt bij onder andere rundvee, schapen, geiten, paarden, maar bijvoorbeeld ook bij reeën, hazen, en konijnen.

Zoals heksen aan het begin van de zestiende eeuw gezien werden in grote delen van Europa. (Noorder Rondblik, Nieuwsblad van het Noorden no. 33, pagina 12, woensdag 9 februari 1983)

Een molkentoverse genoemd te worden was destijds niet zomaar iets zoals in de huidige tijd, waarbij een vrouw de schouders optrekt als zij door opgeschoten hangjeugd een heks genoemd wordt. In de middeleeuwen met de heksenwaan, die vanuit het katholiek geloof enorm werd aangewakkerd, was het levensgevaarlijk om van tovenarij beschuldigd te worden. Menig man en vrouw eindigden hun leven op een brandstapel als heks of tovenaar. Zeker toen de godsdiensttwisten aan het begin van de zestiende eeuw het religieus fanatisme aanwakkerde, ontstond er een klimaat waarbij de angst voor heksen de meest vreeslijke vormen aannam en die een hoogtepunt beleefde aan het eind van de 16e en in het begin van de 17e eeuw.

Op deze 18e eeuwse houtsnede zijn drie heksen uitgebeeld, die aan tovenarij doen en op bezems door de lucht vliegen. (Uit ‘Hexen’ van Hans Biedermann, Graz, 1974). (Noorder Rondblik, Nieuwsblad van het Noorden no. 33, pagina 12, woensdag 9 februari 1983)

Nu verliep deze hectische periode een stuk rustiger in het rustieke Noordenveld, of het Noerdevelder Dinxpel zoals het in die tijd genoemd werd, gelegen in de landschap Drenthe en werden hier geen heksen verbrand. Dit neemt echter niet weg dat er ook hier in het dingspel ook heksenprocessen zijn geweest, waarbij het er niet vriendelijk te keer ging. Nou ja, processen is dan ook weer zo’n groot woord, laten we het maar inhoudelijke behandelingen noemen. Dat neemt echter niet weg dat menigeen die naar een zitting ging, aangeraden werd om er rekening mee te houden, dat het uit de hand kon gaan lopen.

Goespraecke’ of Ghoesprake’ was een dingspilsgewijze rechtszitting in het landschap Drenthe  die ook wel ‘Goorsprake’ genoemd wordt en waar de inwoners de inbreuk op hun rechten naar voren brachten. De dorpen binnen een dingspil kwamen op regelmatige tijden bijeen. In het dingspil Noordenveld stonden deze goorspraken tussen 1567 en 1577 onder leiding van de Drost van Drenthe, Evert van Ensse en een landschrijver. Tijdens de goorsprake beslisten de buren (buir- of buurschap) over misdaden en overtredingen die aangegeven waren. Deze vorm van rechtspraak binnen een dingspil noemde men ‘buirtuich’ (buurtuig).

Nog een 18e eeuwse houtsnede met een heks, die aan tovenarij doet en ook op een bezemsdoor de lucht vliegt. (Uit ‘Hexen’ van Hans Biedermann, Graz, 1974). (Noorder Rondblik, Nieuwsblad van het Noorden no. 33, pagina 12, woensdag 9 februari 1983)

Het is op de zaterdag 23 maart van het jaar 1574 dat er in Eelde een goorsprake plaats heeft onder de toezicht van de Drost van Drenthe Evert van Ensse en waarbij de Sulter Jan Rotgers zich beklaagd had over Fenne Alberts. Mevrouw Alberts had over de vrouw van Rotgers het gerucht verspreid dat zij kon toveren. De echtgenoot van Fenne, Albert (meyer in de Helle), spreekt de beschuldiging tegen en men verlangt van Jan Rotgers dat hij binnen twee weken bewijs van het gezegde moet overleggen.

Goespraecke over Noerdevelder dinxpel tho Eelde opten 23 Martij 1574.

De buiren vertuighen, nadenmael Jan Rotgers claeget over Fenne Alberts, dat Fenne syn huisfrouwe beruchtiget heft, dat sie thoveren kan, und Albert, meyer in de Helle, secht van wegen syn huisfrouwe, dat sie haer geene thoverye angethegen heft, daeromme Jan Rotgers op syn bewys, dat hie Fenne overbewysen sal binnen 2 weken, alse lantrecht is, dat Fenne hoer angethegen heft, dat si thoveren kan.(Bron: Goorspraken van Drenthe 1572 – 1577, Werken der Vereeniging tot uitgaaf der bronnen van het Oud-Vaderlandsche Recht, derde reeks no. 1 pag. 165. Uitgegeven door Kemink en Zoon N.V., Utrecht 1931.)

Op een oude kaart uit het jaar 1579 heette het dorp weer Roden en werd huize Mensinge nog Eeusum genoemd. Ook nu nog waren de kaarten slecht gedetailleerd en werden enkel de belangrijkste dingen vermeld. (Abraham Ortelius – Frisia Occidentalis 1579)

Het ziet er naar uit dat Jan Rotgers de beschuldiging van de roddels die door Fenna Alberts over zijn echtgenote verspreid waren, niet kon bewijzen en zal daarom er verder geen gewag van hebben gemaakt. Het zal zeker vrijwel onmogelijk geweest zijn om het geroddel op een goorsprake bewezen te krijgen, zeker zonder getuigen. Maar soms gebeurde dit soort aantijgingen in het openbaar in de aanwezigheid van getuigen en dan heeft het een en ander gevolgen voor diegene die de beschuldiging(en) uitte.

Op de goorsprake van woensdag 15 juni gehouden in Vries moest de koster van Roeden (Roden), de heer Willem, het gelag betalen voor zijn grote mond. De koster had in een gelagkamer te Roden waarschijnlijk enkele alcoholische drankjes genuttigd en gedonder gekregen met de echtgenote van Roeloff Staels. Hierbij heeft hij haar uitgemaakt voor molckentoversche ten overstaan van getuigen. Dit levert heer Willem een aangifte van de buren op.

Dat heksen geen oerlelijke oude wijven hoefden te zijn liet Jan van de Velde in het jaar 1626 zien. (Bron)

Heer Willem zal geschrokken zijn van de gevolgen die zijn opmerking over de vrouw van Roeloff Staels hebben gebracht en zeker toen het besef doordrong, dat de buren de koster van Roeden hadden aangeklaagd. De buren beslissen zelfs dat heer Willem binnen twee weken zijn beschuldiging waar moet maken. Doet hij dit niet, dan zal hij schuldig verklaart worden volgens het Drentse Landrecht. De ondeugende koster krijgt 2 weken de tijd om in beroep te gaan en gaat in appèl van deze beslissing. Ook dit geval zal met een sisser aflopen.

Ghoesprake geholden to Vries, opten 15 Junii 77 by de e. Evert van Ensse, Drost.

De buiren brengen an, dat heer Willem, de koster toe Roeden, heft Roeloff Staels huisfrouwe overgesacht, dat sie eene molckentoversche is in eenen open gelach. Daerop de buiren van Roen vertuigen, dat heer Willem sal schuldich wesen de woirden waer te maicken binnen 2 weecken oft selver in de stede staen; voirts op slants brieff. Dese buirtuich heft heer Willem binnen de 2 weken beropen. (Bron: Goorspraken van Drenthe 1572 – 1577, Werken der Vereeniging tot uitgaaf der bronnen van het Oud-Vaderlandsche Recht, derde reeks no. 1 pag. 390. Uitgegeven door Kemink en Zoon N.V., Utrecht 1931.)

Het zal de nuchterheid van de Noord-Drenten zijn geweest die de jacht op heksen niet tot een bloederig hoogtepunt hebben laten komen waarbij de martelkamers en de brandstapels overuren draaiden. De enigen die aan het einde van de zestiende eeuw in het kerspel Roden zich zorgen moesten maken, waren de katholieke priesters die in het geheim hun kerkdiensten bleven uitvoeren.

Kleverige prut aan de stevels

Niets is zo controversieel als de aanwezige keileemlaag in het grote gebied ten noorden van het idyllisch gelegen dorp Roden in de prachtige kop van Drenthe. Met name in de omgeving van het voormalig esgehucht de Zulte waar deze keileem aan of vlak onder het oppervlak ligt en daar het uiterlijk weet te bepalen. Zeker in de nattere jaargetijden met een groot aanbod van hemelwater kan het werkelijk een groot drama zijn wanneer je als boer of loonwerker hier met zware machines aan de slag moet. Hier en daar zijn er zelfs plaatsen waar het vrijwel onmogelijk is om te lopen zonder dat de kans bestaat om je laarzen kwijt te raken aan deze glibberige, taaie en klevende substantie.

Over keileem zal vermoedelijk met net zoveel met bewondering gepraat en geschreven zijn als erop gescholden werd door de vroegere boer die deze ‘proeksel’ vervloekte. En nog steeds zorgt deze restant van de Saalien-ijstijd voor menig verwensing die ik hier maar niet zal herhalen. Eigenlijk betekent het woord ‘proeksel’ de rotzooi van smeltende sneeuw op de weg in het Gronings, maar de boer vond dat de keileem minstens net zo erg dat hij de term gebruikte en ergens kon ik mij daar wel in vinden. En keileem is niet kieskeurig wat betreft de plaats waar het voorkomt. Je zou haast het vermoeden krijgen dat het zich heeft neergelegd op plaatsen waar het niet opvalt of op schuine hellingen met het idee om de moderne mens hier het leven zuur te maken. Het is wat de boer zei; dikke proeksel! Zou de beste man ooit geweten hebben dat Drenthe ondanks zijn hoge ligging en de zandige ondergrond in het verleden door de aanwezigheid van keileem tot een van de natste provincies van ons land behoorde?

Waarschijnlijk zag de gletsjer die vanuit het noordoosten ons land binnentrok tijdens het Saale Glaciaal er op deze wijze uit. Miljarden tonnen ijs drukten zowel de bodem naar voren als naar beneden en lieten niets heel van het landschap dat zich na de Elster-ijstijd had gevormd.

Hoe je het ook wendt of keert, ruim 150 duizend jaar geleden begon het allemaal toen een grote gletsjer die vanuit het noordoosten onze omgeving was binnengedrongen, zich terug begon te trekken en een zogenaamde ‘grondmorene’ achterliet die vooral bestond uit (zwerf)keien, grind, zand, klei en leem. Door de samenstelling van het mengsel, dat grotendeels ontstaan was door het afslijten en het verpulveren van de keien door het gewicht en de snelheid (ongeveer 100 meter per jaar) van het pakket landijs, bezat de grondmorene ook veel kalk. Daarnaast pikte de gletsjer ook plaatselijk materiaal op dat een eindje verderop weer werd afgezet. De grondmorene komt op veel plaatsen voor en staat in Duitsland als ‘Geschiebelehm’ en in Engeland als ‘Lodgement Till’ of ‘Boulder-Clay’ bekend.

Een mooi voorbeeld van hoe de gletsjers in het verleden iets ten zuiden van Lieveren een grondmorene met keileem achterlieten en die grotendeels verweerd zijn, het zand op de deklaag stamt uit de Weichsel-ijstijd en is door de poolwinden hierheen geblazen. De plaats waar de grondmorene te zien was bevond zich langs het Oostervoortse Diep nabij waar deze in het Groote Diep uitmondde. Dit gedeelte is inmiddels gedempt ten behoeve van het weer laten meanderen van het Groote Diep.

Eigenlijk mogen en kunnen wij niet van een enkele grondmorene spreken. De gletsjer uit de Saale-ijstijd was niet zo maar een groot pak ijs dat over het Drentse landschap trok, eerder bestond het landijs in het noorden van ons land uit drie verschillende fasen. Voor ons zijn eigenlijk de eerste en de tweede fase van belang. De eerste fase kwam eerst niet verder dan het oosten van de provincies Groningen en Drenthe waar het ijs eerst stagneerde. Toen er weer meer ijs werd aangevoerd, schoof het pakket door tot de lijn Texel-Oldenzaal. Vervolgens kwam er de tweede fase waarin de hernieuwde aanvoer van landijs richting het zuidwesten ging en daar stopte, waar nu de Utrechtse Heuvelrug ligt.

De derde fase is zeker minstens net zo interessant als de twee voorgaande ijsverplaatsingen, alleen vond deze niet plaats in onze omgeving waar zich op dat moment enkel ‘doodijs’ bevond. Ten oosten van de lijn Roden-Assen-Smilde stroomde vanuit het noordwesten een pakket landijs met hoge snelheid richting het zuidoosten en vormde daardoor ten oosten van de Hondsrug een diepe glaciale geul, het huidige Hunzedal. Nee, het ging er zeker onstuimiger in de provincie Drenthe aan toe dan tijdens de vorige ijstijd. Door de verschillende fasen van landijs dat over ons gebied heenschoof, varieerde de plaatsen en de samenstelling van de grondmorene dan ook met enige regelmaat. Dat zien wij dan ook terug in de afzetting van de grondmorene, de keileem dus, in de ondergrond van de Zulte.

Op de bovenstaande afbeeldingen is te zien hoe het smeltproces van het pakket landijs zich voltrok. Naast de vele stuwwallen die deze gletsjer achterliet, bleef ook een indrukwekkende grondmorene achter in het noorden van Nederland.

Is de aankomst en het verblijf van het enorm groot pakket landijs in ons gebied al erg interessant, het vertrek met het bijbehorende smeltproces van de gletsjer maakt misschien nog wel meer indruk. Smolt de gletsjer tijdens de voorgaande ijstijd nog op een wijze waarbij het smeltwater van de grote hoogte naar beneden stortte en diepe geulen achterliet die met sediment werden opgevuld, het landijs dat hier lag brak in stukken uit elkaar. De grote stukken ijs gleden van de gletsjer af en duwden de doorweekte bodem voor zich uit en vormden zo ook weer stuwwallen. Het pakket landijs trok verder terug richting het noordoosten en de brokken bleven liggen waar ze in hun geheel wegsmolten.

Had de gletsjer tijdens het oprukken vanuit het noordoosten zowel grond als ander materiaal aan de onderzijde deze richting op vervoerd, in het ijs was ook behoorlijk veel sediment terecht gekomen en dit bleef achter doordat de terugtrekkende gletsjer verder smolt. Op de plaatsen waar de afgebroken en weggesmolten brokken lagen, bevond zich een grotere concentratie gletsjerpuin dat ook wel ‘Melt-dow Till’ genoemd wordt. Op een aantal plaatsen zijn tijdens dit sedimentatieproces de voorgaande en het nieuwere smelt residu door elkaar gemengd en kregen we weer een andere grondmorene. Zo is het dus mogelijk dat je verschillende afzettingen kunt tegenkomen die veroorzaakt zijn door een enkele gletsjer.

Een zwerfkei in de Zulte nabij het Volkstuinencomplex te Roden die overduidelijk sporen door slijtage draagt van zijn transport uit het noorden van Zweden. De steen bestaat uit zogenaamd Revsundgraniet, een opvallende granietsoort uit Noord-Zweden.

De naam ‘keileem’ heeft deze leemsoort te danken aan de verschillende formaten van de keien die er geregeld in voorkomen en gewoonlijk merendeels van Scandinavische of in het algemeen Baltische afkomst zijn. De keien zijn vaak aan de oppervlakte gepolijst en soms op voor deze stenen zeer karakteristieke wijze bekrast, die duiden op de voorgeschiedenis tijdens de reis naar ons gebied en die duidelijk en zeer nauw met de wijze van het vormen van de keileem samenhangt. De afzettingen door het landijs omvatten eveneens de afzettingen door het smeltwater van de gletsjer zoals fijn- tot zeer grofkorrelig grindhoudend zand met stenen. Deze afzettingen worden ook wel de ‘Formatie van Drente‘ genoemd.

Op de essen rondom het oude brinkgehucht zal menig zwerfsteen de vroege boer tot ergernis hebben gedreven.  Zo was er een boer nabij Leutingewolde die elke keer tijdens het maaien een steen raakte en hierdoor steeds schade aan de machines opliep. Gefrustreerd stapte de man uit zijn tractor, pakte een schep en begon te graven. Uiteindelijk bleken er twee graafmachines nodig te zijn om de hardwerkende boer van de vervelende zwerfsteen te verlossen! De overlast veroorzakende veldkei pronkt nu op de erf van de hardwerkende veehouder.

De door het grote pakket landijs hierheen gesleepte stenen kregen de naam ‘zwerfsteen’, ‘zwerfkeien’ of ‘veldkeien’ mee en worden in het hier gesproken dialect ook wel ‘flinten’ genoemd. Namen die wij nog steeds overal tegen komen zoals bij een groepsaccommodatie bij Roderesch en de OBS de Flint in Nietap. Het Steenbergerveld dat ten zuidwesten van het dorp Roden nabij het plaatsje Steenbergen ligt, stond er bekend om dat hier vele kleine veldkeitjes lagen. Menig straat in Groningen is bestraat met de keitjes toen het gebied ontgonnen werd.

De kaart van Nederland met daarop de glaciale afzettingen binnen de Formatie van Drente die vandaag de dag nog bestaan afgebeeld. De kaart is afkomstig van DINOloket.nl (TNO-GDN (2020). Formatie van Drente. In: Stratigrafische Nomenclator van Nederland, TNO – Geologische Dienst Nederland. Geraadpleegd op 2020 op DINOloket.)

Bij enkele weilanden rondom het voormalig esgehucht treffen wij dan ook met enige regelmaat hopen met kleine en middelgrote veldkeien aan die door de boeren hier gestapeld werden. Voor de boer hadden deze veldkeien geen enkel nut vanuit een economisch standpunt gezien en om eerlijk te zijn, ze vonden het niet erg dat iemand ze meenam op de tuin er mee te verfraaien. Zo eindigden dus vele keien als ornamenten in een mooie tuin.

Iets wat je overal langs een weiland of een weg kunt zien wanneer je door het noorden van Nederland gaat. Kleine hopen met veldkeien waarvan de boer last had en deze terzijde heeft gelegd.

Ten zuiden van het dorp Roden in de Noorder Duinen nabij het gehucht Steenbergen wisten de boeren van het Trechterbekervolk er zo’n 5500 jaar geleden wel raad mee. Zij gebruikten de grote zwerfstenen voor het bouwen van grafkelders, de zogenaamde hunebedden. Dit hunebed, D1 genaamd, is de meest noordelijk gelegen exemplaar in de provincie Drenthe.

Een berg stenen waaraan het plaatsje Steenbergen zijn naam te danken heeft. In het verleden dacht met dat grote reuzen de stenen zo neergelegd hebben.

Niet alle grote veldkeien kwamen direct uit Scandinavië onze kant op, een gedeelte was vanuit het noorden met bijvoorbeeld de gletsjer uit de Elster-ijstijd naar het zuiden vervoerd. Toen het pakket landijs uit het noordoosten over het gebied heen schoof waar de vorige gletsjer de stenen had laten liggen, kwamen de keien onze kant op. Waarschijnlijk gaat dit ook op voor bepaalde soorten vuurstenen die zich in de keileem bevinden. Mijn ervaring is dat er zowel zeer brosse vuursteensoorten die klein van formaat zijn als redelijk forse brokken van een zeer harde stevigheid in de keileemlagen zitten. Zo komen wij in de omgeving van het voormalig esgehucht de Zulte een stuk donkerrood vuursteen tegen dat in het verleden zeer gewild was bij de zeer vroege bewoners van het gebied. Zo vond Jaap Beuker in 2010 een halffabricaat van een vuistbijl gemaakt van rode Helgoland-vuursteen bij het plaatsje Een.

Een stuk rode Helgoland -vuursteen dat in de Zulte aan de oppervlakte kwam na recente werkzaamheden. De zeldzame rode vuursteen kan een kleur bezitten die varieert van vleeskleurig tot een paarsrode kleur. Een ander typerend kenmerk van de de vuursteensoort zijn de witte insluitsels.

Al eerder waren er grote veldkeien vanuit Scandinavië en de Baltische Staten in de omgeving van Roden aangekomen. Miljoenen jaren geleden stroomde ten noorden van het dorp een enorme rivier die zijn oorsprong in het huidige Lapland heeft en Eridanos genoemd wordt. Deze rivier was een miljoen jaar geleden tijdens het Bavel Interglaciaal ongeveer 2700 kilometer lang en vrijwel geheel Noordwest Europa tot aan de huidige Noordzee vormde zijn delta. Tijdens de dooiperioden in de bovenloop van de rivier zullen er stukken ijs van een gletsjer zijn afgebroken waar forse keien in opgesloten zaten en richting de delta gestroomd zijn. Toen de grote brokken ijs in rustiger en ondiep water terechtkwamen, kwamen ze vast te zitten en smolten, waarna de grote keien bedekt werden door rivierslib en ander sediment.

Nog een prachtig voorbeeld van een veldkei die vanuit het noordoosten naar ons land vervoerd is. Niet alle zwerfkeien en andere stenen die met de gletsjer deze kant opkwamen kwamen direct uit het noorden van Scandinavië. Veel van de stenen waren tijdens de vorige Elster-ijstijd al richting het zuiden vervoerd en het nieuwe pakket landijs pikte ze op en bracht ze hierheen.

Het vermoeden bestaat dat er op een gelijke wijze ook tijdens de Saale-ijstijd zwerfkeien richting het zuiden van ons land zijn gedreven. Grote stukken smeltend landijs die met het smeltwater voorbij de huidige Utrechtse Heuvelrug helemaal tot in Noord-Brabant terecht kwamen. Dit verklaart waarom er daar stenen gevonden worden uit die periode met een Scandinavische of Baltische achtergrond.

Zoals u al eerder kon lezen bestaat er niet echt een vaste soort grondmorene of keileem na het verdwijnen van het landijs uit onze omgeving. Dr. G. H. Leopold spreekt al in 1910 van drie soorten in zijn ‘Over het keileem in het Nederlandsch Diluvium. Keileem als geologisch afzettingsproduct; zijn voorkomen; zijne chemische samenstelling; zijne beteekenis voor de cultuur’. Eigenlijk is alleen de eerste soort die hij benoemd van belang voor de aanwezigheid van de dagzomende keileem in dit gebied.

Een van de kleine veldkeien die te voorschijn kwam in het Klein Noordhout uit de soort keileem die door Dr. Leopold als ‘grauwe keileem’ werd omschreven.

Als eerste soort draagt hij de grijze of grauwe keileem aan, die zeer algemeen is en van Gelderland tot aan het westen van de provincie Friesland voorkomt. Deze grauwe keileem is doorgaans lichtgrijs van kleur waarin geel tot roodkleurige vlekken of aderen voorkomen die de ene keer zeer duidelijk zichtbaar zijn en een andere keer weer zeer wazig zijn. Een ander keer bezit de keileem weer een oranje-gele tint, zoals vaak in het gebied nabij het voormalig esgehucht te zien is. De gele tot rode kleur van de keileem wordt veroorzaakt door het oxideren (roesten) van ijzerdeeltjes in de leem. Af en toe bezit de keileem een zachte lichtgroene kleur dat veroorzaakt wordt door glauconiet, een zand dat voorkomt in zuurstofarme lagen van het sediment in ondiep zeewater. Het percentage klei hangt af van waar de keileem voorkomt.

De grauwe of grijze keileem de Dr. Leopold omschrijft als zeer algemeen, wordt tegenwoordig omschreven als het Heerenveen-type in de Heerenveengroep. Leopold benoemt dat de keileem doorgaans lichtgrijs van kleur is en waarin geel tot roodkleurige vlekken of aderen voorkomen die de ene keer zeer duidelijk zichtbaar zijn en een andere keer weer zeer wazig zijn

De rode keileemsoort komt voornamelijk voor op de zandruggen van het Hondsrug-complex in Oost-Drenthe. Ten zuiden van het dorp Roden treffen wij op het oog ook rode keileem aan langs het Lieversche Diep, maar naar mijn inschatting is hier de grauwe keileem doordrongen met ijzeroer. Hier komt veel ijzerhoudend en zuurstofarm kwelwater aan de oppervlakte, dat een verbinding aangaat met de zuurstof in de lucht en waarna vrijwel alles in en om het water een roodbruine kleur krijgt. Kwelwater komt ook op veel plaatsen rondom de Zulte aan het oppervlak.

De gemengde keileem- en ijzeroerlagen langs het Lieversche Diep ten zuiden van Roden. Met name de grauwe keileem ligt onder de oer en is duidelijk zichtbaar. Deze leemsoort heeft echter niets met de rode keileem van doen.

Een derde vorm van keileem is het in de provincie Drenthe veelvuldig voorkomende witte of blauw-witte keileem, een in tegenstelling met de eerstgenoemde soorten zeer stug en steriel leem, dat voor een belangrijk deel uit zeer fijn kwarts zand schijnt opgebouwd en waarschijnlijk dezelfde grondsoort is, waaraan de Duitse onderzoeker Dr. Emil Ramann in zijn boek ‘Bodenkunde’ uit 1905 de naam ‘Heidelehm’ aan geeft.

Licht gekleurde en zandige keileem met veel vuursteentjes dat uit het beekje de Zulter Bitse komt. Waarschijnlijk behoort deze keileem ook toe aan het type dat de Heerenveen-groep kenmerkt, maar is de keileem ‘uitgespoeld’ door het water van de beek.

Zo’n 110 jaar later kunnen wij inmiddels spreken van zeven soorten keileemtypes die in vier keileemgroepen verdeeld zijn. De eerste groep heet Heerenveen en bestaat uit slechts een type; Heerenveen-type. Een sterk zandige ontkalkte keileem dat grotendeels uit Zuid-Zweden en de Oostzee afkomstig is. Dit type is waarschijnlijk afgezet tijdens de eerste fasen van de vergletsjering en is dominant aanwezig in Oost- en West- Groningen, westen van Drenthe en Friesland.

Toen in de nacht van dinsdag 4 op woensdag 5 juni 2019 enkele windhozen hun geweld loslieten op de vele bossen in de omgeving van de Zulte, konden heel veel bomen de kracht van de wind niet weerstaan en sneuvelden. Het geweld was niet kieskeurig en keek niet naar de ouderdom van de bomen. In het beekdalgebied van de Zulter Bitse was het niet anders en forse zomereiken gingen met wortel en al ondersteboven, waarbij de onderzijde van het wortelpakket goed zichtbaar werd. Hierboven zijn de vuurstenen te zien die de laatste overblijfselen zijn van de bovenste laag van de keileemafzetting in dit gebied. Tijdens en na de laatste ijstijd hebben zowel de poolwinden als het beekwater de keileem doen oplossen en de vuurstenen gepolijst.

De volgende groep heeft de naam Emmen-groep en bestaat uit twee types; de kalkhoudende Nieuweschoot-type en de ontkalkte Emmen-type. Beide varianten komen vooral voor op de oostelijke Hondsrugtak in Drenthe, maar ook ten noorden bij de dorpen Sauwerd en Winsum in Groningen. De Emmengroep wordt vooral aangetroffen op types uit uit de Assengroep.

De derde groep is de Assen-groep en bestaat eveneens uit een kalkhoudende en ontkalkte keileem-type. De Noordhorn-type is de kalkhoudende variant en komen wij tegen bij de noord-einden van de Hondsrug, de Tynaarlorug en de zandrug van Rolde, respectievelijk tussen de plaatsen Haren en Groningen, bij Hoogkerk en op de keileemhoogte van Zuidhorn en Noordhorn. Deze keileem is rijk aan vuurstenen en als de keileem niet verweerd is, zijn de meeste vuurstenen zwart, grijs of bruin van kleur. Vooral de zwarte vuursteen komt veel voor, ook in grote stukken, vaak met restanten aanhangend krijt. De ontkalkte keileemlaag binnen de Assen-groep heet Assen-type en is een sterk zandige keileem, die door uitloging uit de kalkrijke Noordhornkeileem is ontstaan. Ook deze keileem is rijk aan vuurstenen.

Zwarte vuursteen met dunne witte cortex dat niet verweerd is. Cortex is een overgangslaag en bestaat uit poreus kalk- en kiezelmateriaal dat van het moedergesteente afkomstig is.

De vierde en de laatste verzameling keileemtypes komen wij tegen in de Voorst-groep, waarbij er ook hier een ontkalkte en een kalkhoudende keileem hoort.  De twee types staan ook bekend als ‘Schollenleem’ of ‘Flow-Till’ waarbij de afkomst terug te wijzen is naar het smeltproces van een gletsjer. De kalkhoudende keileem heet Voorst-type en komt samen met de ontkalkte Oudemirdum-type vooral voor op en ten oosten van de Hondsrug.

Keileem uit de Heerenveen-groep langs de Zulter Bitse is blootgelegd tijdens het onderhoud aan de beek. Door de invloeden van het weer begint de keileem te eroderen.

De keileem uit de Heerenveen-groep die in de wijde omgeving van het voormalig esgehucht voorkomt en op veel plaatsen vlak aan het oppervlak te voorschijn komt, het niet alleen slechte kanten zoals het modderig maken van gebieden. Soms zijn andere elementen uit bijvoorbeeld een latere ijstijd prachtig om te zien. Zoals de pingoruïne ten noordoosten van de Zulte, waar het grondwater door de permafrost drong en na het smelten van het ijs in de pingo, er een zandige doorgang in de keileem was achtergebleven (Een geheimzinnige diepte). Weliswaar loopt de verdieping in het land bij een groot aanbod van regenwater snel vol, maar het is een kwestie van een paar dagen dat vrijwel al het water weer verdwenen is.

Bij een groot aanbod van hemelwater is de pingoruïne volgelopen en is nu duidelijk zichtbaar in het weiland. In het midden van de ruïne zit een soort pijp van zand waardoor het water weer snel wegzakt.

Laten wij even teruggaan naar het jaar 1910 waar Dr. Leopold ons laat weten dat de invloed van wat hij de grauwe noemt, keileem in de gebieden waar deze voorkomt, niet licht kan worden overschat. Om het in zijn woorden te zeggen: ‘Waar het aan de oppervlakte ligt of door eene zandlaag van geringe dikte bedekt is, schijnt het meestal een der beste bouw-, wei- en boschgronden te vormen, die wij kennen. En zelfs al wordt het door een dik zanddek bedolven, ook dan nog is het onderscheid met den armeren enkel zandbodem vaak verrassend en treden welige loofhoutbosschen of van nature reeds welvarende akkers en weiden in de plaats van naaldhout, heide of stuifzand ; de voor water weinig of niet doorlaatbare keileembank vertraagt of verhindert namelijk het wegzakken van het regenwater en geeft aldus gelegenheid tot het vormen van een ondergronds waterkapitaal, dat bosschen en landbouwgewassen in de droge tijden ten goede komt.’ (Dr. G. H. Leopold – Over het keileem in het Nederlandsch Diluvium. Keileem als geologisch afzettingsproduct; zijn voorkomen; zijne chemische samenstelling; zijne beteekenis voor de cultuur, 1910)

Naast dat de keileem in de nattere perioden geen water doorlaat, is het tijdens droogten eveneens een kwelling voor de boer. De. Leopold omschrijft het als volgt: ‘Daarentegen bestaat daar groot gevaar voor een volmaakt uitdrogen van de bouwkruin in droge tijden, daar de leembank het capillair opstijgen van het grondwater verhindert. Dit laatste komt in Drente op talrijke plaatsen voor, waar het witte dorre keileem den ondergrond vormt.’

Leopold merkt op dat de loofhoutbossen op de bodem met een ondergrond van keileem het zeer goed doen. Dit verklaart ook waarom op de plaatsen waar de keileem dagzoomt in het verleden ook vele bossen stonden. Typerende struiken die keileembodem zeer weten te waarderen en in dit gebied veel voorkomen zowel solitair als in struwelen, zijn de Sleedoorn (Prunus spinosa) en de Tweestijlige meidoorn (Crataegus laevigata).

De blauwe vrucht van de Sleedoorn die ook wel ‘bekketrekker’ genoemd wordt vanwege zijn zeer zure smaak. Pas als er een nachtvorst overheen geweest is schijnt het zure in de vrucht een stuk minder te zijn. De heerlijk ogende blauwe vruchten zijn vaak al ver voor de eerste nachtvorst rijp en menigeen die verleiding niet kan weerstaan en een vrucht in zijn of haar mond stopt, zal de meest vreemde grimassen laten zien. Rare bekken trekken dus.

Naast de vieze glibberige bende die de keileemlaag veroorzaakt doordat deze laag vrijwel geen water doorlaat, zorgt de keileem dus ook nog voor een specifieke huishouding op het gebied van planten, waarbij de Pitrus (Juncus effusus) hét kenmerkende gezicht is van een keileemrijk gebied. De plant die ook wel ‘Ruskepol’ genoemd wordt in het dialect wat men hier spreekt, komt hier op heel veel plaatsen in grote getale voor. Het is een liefhebber van drasse, natte gronden en kan zelfs in zuurstofloze gronden groeien. Zeker in de gebieden waar men gestopt is met het bemesten van het land (inclusief de bekalking en het verlagen van het aanbod van fosfaten), komt de plant vandaag de dag massaal voor. In het verleden kreeg een boer met veel Pitrus in zijn land het advies om kalk te gaan gebruiken om de plant zo te bestrijden.

Het gevolg van het nalaten van de bemesting in een weiland waar de keileem vrijwel aan het oppervlak ligt. De Pitrus (Juncus effusus)) tiert hier nu welig. De oude Pitruspollen rechts op de foto zijn de oude planten van vorig jaar die niet door de eigenaar zijn omgemaaid.

Voor meer informatie over keileem verwijs ik graag naar:

Kijk eens omlaag Een website waar je vrijwel alles kan vinden wat maar met onze ondergrond te maken heeft.

Stenen zoeken Waar ligt de steen en waar komt deze vandaan, de antwoorden vindt u hier.

Geologie van Nederland Een tijdreis van 500 miljoen jaar.

Kluften

Plaatselijke gemeenschappen in Drenthe bestaan natuurlijk al heel lang en tot verdriet van velen, was men in de provincie niet zuinig op oude documenten. Veel van die oude documenten zijn erg beschadigd of bestaan stomweg niet meer. Natuurlijk was men niet overal slordig en roekeloos met de oude geschiften en is hier en daar nog iets moois te vinden. En ander gedeelte van de geschiedenis is via mond op mond reclame generaties lang bewaard gebleven.

In het kleine brinkgehucht nabij de Zulteresch was het leven voor het jaar 1795 niet veel anders dan op andere plaatsen in de Landschap Drenthe. Het was slechts een van de vele buurtschappen die in het arme en dunbevolkte gewest voorkwamen. Naast de doorgaans kleine buurtschappen waren bestonden er ook andere plaatselijke gemeenschappen zoals de marken, schultambten, kerspelen, heerlijkheden, en de dingspelen.

Doordat Cornelis Pijnacker (1570-1645) zich in 1627 in de plaats Meppel in de Landschap Drenthe vestigde, is de beroemde Pijnacker kaart van Drentia uit het jaar 1634 ontstaan. Het zou de eerste kaart van het arme en dunbevolkte gewest zijn. (bron)

Een andere term voor de plaatselijke gemeenschappen die wij in de Landschap Drenthe tegen kunnen komen zijn ‘kluften’, die ook wel ‘cluften’, ‘clufften’, of ‘kluchten’ werden genoemd. In Drenthe kon een kluft onder andere voor een onderdeel van verschillende dingen zijn zoals in een onderverdeling van een kerspel, die in de regel geen kerk had en kan dan ook gezien worden als een synoniem voor een wijk of buurtschap. Een kluft kon in sommige gevallen een meer of minder grote mate van zelfstandigheid hebben. In sommige plaatsen waar veel kluften voorkwamen, kwam men het woord kluft tegen in namen zoals ‘Noorderkluft’ of ‘Zuiderkluft’.

Nu kende men in de omgeving van het kerspel Rhoden al heel lang een vorm van kluftgebruiken, die ook wel ‘noaberplicht’ werd genoemd. Een ieder die in een noaberschap (buurtschap of kluft) woonde, had de verplichting de andere noabers (buurtgenoten) met raad en daad bij te staan. In het verlengde van wat als noaberplicht werd gezien, was de inzet van de kluften voor de eenvoudige arbeidsverdeling binnen een buurtschap. Het belang was bijvoorbeeld in Peize goed zichtbaar, waar speciaal de zorg voor de wegen jaarlijks kluftsgewijze geschiedde.

Dit gold eveneens voor het buurtschap de Zulte waar zich een herder met de schaapskudde bevond, die gebruik maakte van een schapendrift richting het grote heideveld. De noabers zullen verantwoordelijk zijn geweest voor het onderhoud en de toegankelijkheid naar het perceel heide met het nummer K-210 van bijna 37 hectare net boven de Toutenburgsingel. Het perceel heide was net zoals het grondstuk waarop de schapendrift lag, I-257bis, in het bezit van de markegenoten Zulte.

De toenmalige schapendrift van het voormalig esgehucht de Zulte die tussen de Hoppenkamp en de es Kostverloren lag. De noabers in het buurtschap waren verantwoordelijk voor het onderhoud aan de drift.

Eigenlijk bevonden zich in het kerspel Rhoden volgens het grondschattingsregister van 1642 vijf kluften: Roden, Steenbergen, Leutingewolde, Foxwolde en Zulte. Daarvoor zou het aantal kluften hebben kunnen variëren gelang de plaatselijke omstandigheden van economische aard of bevolkingsdichtheid. Op pagina 93 van het boek ‘De rechtspositie van de Eigenerfden in Drenthe’ uit 1934 beschrijft Dr. A. F. Lunsingh Meijer over een conflict tussen de eigenerfden van Roden en Steenbergen over een voorgenomen grensregeling, waarbij de bewoners van Steenbergen de scheidpalen hadden weggenomen.

De buren van Roden komen tegen het ontvreemden in verzet en eisen onder andere het volgende: ‘daer nochtans, die van Steenberghen noijt andere marcke hebben gehadt als gemeen nevens andere kluften van Roden, hoewel de kluften om gerijfs halven iedereen sijn eijgen besonder district van opslach, heijden en weijden gehadt heeft. Zij hebben nevens andere kluften alle gemene lasten eenpaerlijck gedragen.’ Opvallend is de definitie van ‘marcke’ hierin te vinden: ‘district van opslach, heijden en weijden.’ De verschillende kluften binnen het kerspel hebben elk een eigen stuk van de marke in gebruik, welke gedeelten op hun beurt eveneens de naam kluft hadden.

Een andere term die opduikt is het zogenaamde ‘filiaaldorp’. De vijf eerder genoemde kluften binnen het kerspel Rhoden zijn eigenlijk een buurtschap op zich zelf, waarbij men een typisch voorbeeld heeft van een filiaaldorp die destijds veel in Drenthe voorkwam. Zeer veel buurtschappen zijn ontstaan als filiaal- of dochterbuurtschappen van een oerbuurtschap, waarbij door de uitbreiding van de bevolking mensen uit het buurtschap vertrokken en zich vestigden op een gedeelte van de ongescheiden marke van de oorspronkelijke buurschap.

Door de zeer geringe bevolkingsdichtheid lagen de oerbuurtschappen ver uit elkaar en waren de omliggende markegronden zeer groot. Op die markegronden ontstond de nieuwe buurschap, met haar eigen gescheiden marke er om heen, oorspronkelijk min of meer afhankelijk van de oerbuurschap op wier markegronden zij lag. Die afhankelijkheid bleef bestaan in die gevallen, waarvan hier in Roden een voorbeeld is te zien, waar de verschillende buurschappen samen, wat het ongescheiden gedeelte betreft (soms werd dit nog beperkt tot alleen bos en heide of veengronden), een marke hadden. In dat geval bleven de nieuwe buurschappen feitelijk kluften van de oerbuurschap (bron: Dr. A. F. Lunsingh Meijer  – De rechtspositie van de Eigenerfden in Drenthe, van Gorcum & Comp., Assen 1934, pagina 94).

Het grensgebied tussen het dingspel Noordenveld en het Ommeland Westerkwartier nabij het Leekstermeer. In de tijd van de kluften zullen grote stukken van het gebied er zo uit hebben gezien.

In  de provincie Groningen had een kluft, ook wel ‘klauw‘ of ‘clauw‘ genoemd, een belangrijkere rol dan de buurtschappen in bijvoorbeeld Noord-Drenthe. Nu was de situatie in Groningen en vooral de Ommelanden niet te vergelijken met die van Drenthe ondanks enige overeenkomsten die wel voorkwamen zoals eerder beschreven in Peize. Door de ligging van die provincie aan de Waddenzee en het uitmonden van een tal van beken en riviertjes in diezelfde Waddenzee, speelden de buurschappen of kluften bij de waterstaat maar ook bij de onderhoud van wegen en burenhulp. Een reglement uit het jaar 1722 voor de Stadsjurisdicties van Groningen zorgde dat de dorpen hiervoor uit een aantal kluften of noabergilden (buurtgilden) dienden te bestaan. Dit gold ook voor de Ommelanden.(Wikipedia)

Had een kluft of buurtschap zoals de Zulte ten noordwesten van het kerspel Rhoden niet echt een voorman of woordvoerder, de kluften in Groningen wel degelijk. Deze werden ‘Kluftheer’ genoemd en dienden als buurt- of wijkmeester. In ‘Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden, deel 21, 1794 Van Stad en Lande’ wordt op pagina 171 aandacht besteed aan de kluftheren: ‘De Heeren van de Kluft maaken uit een Kluftheeren-getal van agt persoonen, waartoe men voor-heen twee uit ieder der vier kluften nam; maar welke zorgvuldigheid thans geene plaats meer heeft, schoon nog voor hun de stad verdeeld blyft in vier panden.’.

Komen wij in het Drenthe van de zeventiende en de achttiende eeuw de benaming ‘etstoel’ tegen voor een ambtsgebied van een plaatselijk gerecht, op ‘t Groninger Land sprak men eerder van een ‘rechtstoel’ als het de rechtsprekende colleges betrof. In het aan het noordwesten van de provincie Drenthe grenzend Westerkwartier werd de redger of rechter net als in Friesland ‘grietman’ genoemd en zijn assistent ‘wedman’. De wedman trad tevens op als deurwaarder.

Op een kaart uit het jaar 1660 waarop de Stad Groningen en de Ommelanden waren afgebeeld, zijn zowel het Vijfde Dingspil Nordeveldt als Fredewoldij te zien. Daarnaast worden de landerijen onder het Sulte meer omschreven als Lage Landen en moeras, iets waar het meer zijn naam ook aan dankte. (Atlas van Kooper, uitgegeven door Frederick de Wit in de Calver straet te Amsterdam, ca. 1660)

Er waren ongeveer 75 rechtstoelen in Groningen en als we de lijst aanhouden van de ‘Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden deel 21 1794 Van Stad en Lande, tweede deel’ dan heeft het Westerkwartier de volgende nummers 50 (Vredewold), 51. (Oosterdeel Langewold), 52. (Westerdeel Langewold), 53. (Visvliet), 54. (Ooster Ruige Waard), 55. (Middel Ruige Waard), 56. (Wester Ruige Waard), 57. (Niehove), 58. (Humsterland), 59. (Ezinge), 60. (Hardeweer), 61. (Feerwert), 62. (Aduard), 63. (Dorkwerd en Leegkerk), 64. (Hoogkerk), en 65. (Platvoetshuis) .

Voor het gebied nabij het oude esgehucht de Zulte is het toenmalige onafhankelijk Ommeland Vredewold redelijk van belang qua invloed. Het buurtschap bezat weliswaar tot het midden van de jaren twintig tijdens de negentiende eeuw niet een directe verbinding met de weg tussen Rhoden en de Leek, maar de connecties met Nijentap (Nietap) en Ter Heyl zorgden wel voor een uitwisseling van gebruik en spraak. Veel dingen gaan nu eenmaal verder dan ’t Piepke del!

Een gedeelte van de kaart van het Wester Quartier van Groningen 1751-1754. De kaart werd vervaardigd door ir. Caldenbach. (Groninger Beeldbank)

Vredewold was een staande rechtstoel van het huis Nyeoort (Nienoord) en had het nummer 50. Hieronder vielen de volgende dorpen en kluften: Marum, Noordwyk, Nuis, Niebert, Tolbert, Midwolde, de Leek, Lettelbert, Oostwolde en de Leege Meeden. Deze streek ligt in het oosten tegen het zuidwesten van Friesland, ten noorden van Drenthe, ten westen van Middagt, en ten zuiden van Langewold.

De auteur van het boek ‘Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden deel 21 1794 Van Stad en Lande, vierde hoofdstuk, pagina’s 374 tot en met 376’ omschrijft prachtig: “De dorpen liggen genoegzaam in ééne rye, opeenen zandigen en houtdragenden grond, terwyl de veenen meerderdeels ten zuiden zyn Vredewold, (by Emo Frodowalda geheten) ofschoon niet groot zynde, was al van ouds eene landstreek op zig zelve, welke een eigen wapen (Hetzelve verbeeldt eenen geharnasten ruiter te paard), een eigen landregt (Landregt van Vredewold) , en eigene rigteren in ieder dorp hadde. Deeze rigteren verdeelden zig in eene Ooster en Westerwarf, en zaten daarop gezamenlyk te regt. Dit heeft geduurd tot het jaar 1531, wanneer de gemeene rigteren , eigenerfden, en ingezetenen van Vredewold, zo wel van de ooster als de westerzyde, de geheele grieteny ervelyk opdroegen aan Beetke, de weduwe van Wigbold van Ewsum, en haare kinderen; onder die voorwaarde, dat in ieder dorp de Buurrigteren zouden blyven, en dat de tydelings aantestellene Grietman moest zyn tot genoegen der gemeente. En in dat opzigt is het nog heden een staande regtftoel van het huis Nye-oort; maar de kerkelyke collatien in de dorpen behooren mede aan anderen, hoewel dat huis door deszelfs groote goederen veel inzage daarin heeft. Tot de dorpen zelve overgaande, is van de Friesche paalen het eerste.”.

De indeling van het Ommeland Vredewold vlak voor de Bataafsche revolutie van 1795. (Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden deel 21 1794 Van Stad en Lande, vierde hoofdstuk, pagina’s 376 tot en met 380)

Een ander verschil tussen de Drentse en Groninger kluften was het ‘Claveboeck’. Het claveboek of klauwboek was in de provincie een officieel register binnen de kluften, waarvan de eigenaar gerechtigd is om als redger of rechter op te treden. De klauwboeken komen voor in de Ommelander gouwen die onafhankelijk waren van de stad Groningen zoals Vredewold. (Bron)

Dat het er in de kluften binnen de Landschap Drenthe een stuk gemoedelijk aan toe ging dan in Groningen blijkt wel uit het bovenstaande artikel uit de Drentsche en Asser courant no. 133, blad 6, van woensdag 10 juni 1953 .

In het jaar 1880 verscheen er in de Provinciale Drentsche en Asser courant een serie feuilletons over de diverse Drentse plaatsen en hun bezienswaardigheden, waarbij de kerk van Roden ook niet ontzien werd. De in de ik-vorm schrijvende verslaggever weet het zo mooi te vertellen, dat ik het uit twee delen bestaand verhaal daar waar het betrekking heeft op kluften, hier plaats. Het zijn fragmenten van ‘Naar Roden V en VI’, en ze verschenen respectievelijk op maandag 5 juli (No. 155) en dinsdag 6 juli (No. 156) 1880.

De prachtige Catharinakerk op de Brink van Roden. De kerk werd gebouwd in de dertiende eeuw en werd gewijd aan de heilige Catharina van Alexandrië.

Den toren te beklimmen — ik had er lust noch moed toe. De historie van Babel roept de stervelingen toe: ‘niet de lucht in !’ en eene andere stem geeft den raad: ‘laag en klein bij den weg — dan heeft men ’t minste gevaar !’ Wat ik later eens doe, weet ik niet, maar thans was er niets dat mij naar boven kon lokken — beneden was zooveel genoegen dat men een dwaas moest wezen, om zich te vermoeijen, door de lucht in te gaan en zoo niet van de vrolijke partij omlaag te zijn.

Toch ken ik de ernstige boodschap, welke J. Borgherdt, de klokkegieter te Groningen, door de eenige klok, welke Roden heeft, tot den volke liet spreken, toen zij in 1746 op haar hoogen troon was geheschen. Zij luidt:

lk noodige al die vreest den Heer tot dienst van Christus den Hemelkoning, En schla een naar geluyt wanneer de mens verlaat des ardse woning.

Behalve die uitnoodiging vindt men in het metaal gegrift:

Willem Baron van In en Knijphuijsen Heer van Nienoort en des landes Vredewolt, medegedeputeerde staat en Curator Academiae der provincie van Stadt en Lande medecollator tot Roden etc. etc. Hendrick Allingh, scholte tot Roden en Roderwolde, desself verwalter Tyll Krythe, Jacobus van der Scheer predicant, Ette Harm Eels van Lijverden en Deodatus Peeters in der tijd kerkvoogden, Jan Janssens en Floris Aukema van Lootingewolde als hijrtoe van de acht kluften tot Roden zijnde gekommitteerd geweest. Geert Krijthe, Hindrick Geerts als voerluiden van de klok.

Uit den toren in de kerk en al dadelijk onthaal ik mijne lezers op een dichtstukje, ’t welk ter linkerzijde op het orgel wordt gevonden. De onbekende vervaardiger zegt:

Zing Roden! Hoppincks naam en God ter eer! Een Gajus leerde u ’t eerst de zuivre Leer. Nu steunt een Catherine uw Tempelzangen Bij milde gift van ’t konstig Orgelwerk. Hij schoort den Kansel op; Zij siert uw Kerk. Uw God bezorgt uw Heiligdoms belangen Door Hoppincks, nader dan in vleesch en bloed Tot Sions dienst vermaagschapt naar ’t gemoed.

Aan de regterzijde leest men:

“Dit orgel, versierd met deze Wapens, strekt ter gedagtenisse van den Heer Albert Hoppinck, en deszelfs Huisvrouw Elizabeth Johanna Hoppinck, geboren Clarcq, en derzelver twee nagelaten kinderen, wijlen den Heer en Mr. Jacob Willem Hoppinck en Mejuffrouw Maria Catharina Hoppinck, en is vervaardigt uit een Legaat, door laatstgemelde Juffrouw op den V Maart MDCCLXXVI aan de Kerke van Roden daar toe expres gemaakt.” ݉

Aan de achterzijde staat:

Dit orgel is verveerdigt in het jaar 1779 door de directie van den WelEdele Geboren Gestrenge Heer en Mr. C. W. Ellents, raed en secretaris van het landschap Drente, etc. etc., die daartoe expreslijk is geautoriseert geworden, en is gemaakt door den orgelmaaker A. A. Hins te Groningen.

’t Orgel van Roden’s kerk is een geschenk. Eene bloedverwante van G. Hoppinck — hier predikant geweest — te ’s Hage overleden op 18 December 1776, vermaakte aan de kerk het aanzienlijke legaat van tienduizend gulden en daarvan werd het orgel vervaardigd, onder toezigt van mr. C. W. Ellents, eigenaar van het Huis Mensinge en te Boden overleden op 12 September 1784. ’t Werd ingewijd op 4 Junij 1780 door Regnerus Tjaarda de Cock, predikant te Nieuwe Pekela, naar aanleiding van Ps. CXLIV : 9. Deze leeraar was daartoe uitgenoodigd, omdat hij en ook zijne echtgenoote bloedverwanten en erfgenamen van de schenkster waren. ’t Orgel doet nog zijn maker eer aan en is, zegt men, een der beste in Drenthe.

De achterzijde van de prachtige Catharinakerk in Roden. Op de achtergrond is de toren te zien die de schrijver van een serie feuilletons over Drentse plaatsen in 1880 beklom.

In 1795 kwam er met de Bataafsche Omwenteling bestuurlijk gezien een einde aan de kluften in zowel Drenthe als Groningen.