Op de woensdag van de twaalfde april in het jaar 1848 kreeg een inwoner van de Zulte, de toen 32-jarige landbouwer Hindrik Jans Riemers, in de Arrondissement Rechtbank te Assen de uitspraak te horen in een strafzaak die de officier van Justitie tegen hem had aangespannen nu een uit de hand gelopen conflict met Egbert Jans Noord, arbeider wonende te Roden, over aardappelen dat eerder in het jaar had plaatsgevonden. Waarschijnlijk zal boer Riemers vol ongeloof met zijn hoofd hebben geschud tijdens het oplezen van het vonnis door Mr. Westra, de presiderend rechter, waaruit bleek dat de oorwassing die hij in het begin van dat jaar, op vrijdag 25 februari 1848, de eerdergenoemde Noord had gegeven, een duur geintje was geworden.

“Het die lammeling mien eerpels mitnomen en mag ‘k hum niet de woarheid vertellen”, zal hij gedacht hebben, “En dan hum ok nog acht guldens betaolen!”. Nee, Noord was zeker niet te spreken over het uitgesproken vonnis en zal dat zeker in de rechtszaal hebben laten blijken. Daarnaast mocht de verontwaardigde boer ook nog eens de kosten van het geding, die begroot waren op de som van dertien gulden en vierenzeventig centen, gaan betalen.
Landbouwer Hindrik Jans Riemers had toch eerder die woensdag 12 april de rechters én de officier van justitie duidelijk uitgelegd hoe de hooivork in de steel zat en dat niet hij, maar die verdraaide Egbert Jans Noord hier voor het hekje behoorde te staan! “Joa!”, zal hij met verheffende stem hebben geroepen, “Joe hebben de verkeerde hier veur ’t hekje stoan!”. Nee, de beste man kon niet begrijpen dat hij zelf blijkbaar behoorlijk over de schreef was gegaan en hiervoor werd beboet.

De op de zaterdag 3 februari 1816 op de Dobber Esch nabij Leutingewolde 92a (nu Turfweg 4) als eerstgeboren zoon van Jan Hindriks Riemers en Annechien Thijs Stel, Hindrik Jans Riemers, woonde in het jaar 1848 aan de Zulte 44 samen met Trijntje Berends Boukamp. Trijntje was de dochter van de met de in Peize geboren landbouwer Berend Bouwkamp hertrouwde Abeltje Jacobs Venema, die weduwe was van de in 1812 overleden Pieter Hindriks Riemers. Abeltje Jacobs overleed later in 1832 in Leutingewolde op het adres Westeinde 1. De toen 26-jarige Hindrik Jans en vijfentwintig jaar oude Trijntje Berends traden op de zaterdag 7 mei 1842 te Roden ten overstaan van Coenraad Wolter Ellents Kymmell, burgemeester en ambtenaar van de Burgerlijke stand der gemeente Roden in het huwelijk.

Aan het begin van het jaar 1848 bestond het gezin Riemers uit vier personen. Naast de twee eerdergenoemde echtlieden Hindrik Jans en Trijntje Berends, waren inmiddels dochter Annegien (dinsdag 16 juli 1844) en zoon Jan (maandag 10 januari 1948) in het gezin verschenen. Nu was het leven van een landbouwer in het midden van de negentiende eeuw zeker geen luxeleventje en moest er hard gewerkt worden om elke dag brood op de plank te krijgen. Het waren voor landbouwer Riemers en zijn vrouw lange werkdagen en korte nachten, vooral met de net zes weken oude zoon die ook de nodige nachtrust zal hebben gekost.

Het spreekt voor zich dat dit een behoorlijke invloed op je gemoedstoestand heeft en dat de tenen op dit soort momenten behoorlijk lang zijn. Dan is het verklaarbaar wanneer iemand in je eigen belevingswereld met zijn tengels aan je spullen zit, dat je hem dan even flink je mening laat horen. Soms meer dan jezelf in gedachten had, maar ook dit is begrijpelijk. De eerste de beste die zich dan in je schootsveld waagt is het haasje. Het was deze vrijdag, de 25 februari, dat de bom bij Riemers barstte.
De op maandag 17 november 1806 te Roden geboren en aan het West- en Noordeinde 220 eveneens in Roden wonende arbeider Egbert Jans Noord die samen met zijn vrouw, de in Peize geboren Anna Egberts Been, was gezegend met het feit dat hij voor hem op het verkeerde moment op de meest foute plaats bevond waar hij zich maar kon bevinden. Niet dat Noord hier ook maar enigszins een idee van had, hij deed immers naar zijn eigen mening gewoon zijn werk. Egbert Jans werkte bij de kuil waar de aardappelen opgeslagen lagen op het erf bij de woning van landbouwer Riemers en waar hij met het uitdelen van de aardappelen was belast.

Briesend stormde Hindrik Jans Riemers op de arbeider Noord af, die op dat moment met een tweetal mannen stond te praten over het verdelen van de aardappelen. “En wanneer denkst de eerpels te betoalen die doe lest zo mitnomen hest?”, tierde de van woede kokende landbouwer, “D’r bin goend die doar haard veur moeten waarken!”. Nu was Egbert Jans Noord niet iemand die zijn mening onder stoelen of banken stak en dit hem ook nogal eens boze blikken had opgeleverd, maar dit was werkelijk ongehoord waar de landbouwer hem van beschuldigde.
“Ach, kerel”, begon Egbert Jans zich te verdedigen richting landbouwer Riemers, “Deugst doe wel? Mij hier oetmoaken veur dief?”. Dreigend stapte Noord op Riemers af en wilde hem zijn mening wel even luid en duidelijk laten horen. Ervan overtuigd zijnde dat zijn dreigende houding behoorlijk wat indruk zou maken op de landbouwer én de twee mannen die het geheel gade sloegen, ging hij ook nog eens zo voor hem staan dat deze op z’n minst de woorden zou terug gaan nemen.
Voordat Egbert Jans Noord het in de gaten had, hadden de twee vuisten van Hindrik Jans Riemers hun werk al gedaan. In een flits landen de beide vuisten in het gezicht van de verbijsterde Noord en lieten hem zwijgen. Met een hevig bloedende neus maakte Egbert Jans dat hij van het erf van de landbouwer verdween. “Wacht moar of doe röttige poetzak!”, brulde de letterlijk en figuurlijk overdonderde Noord terwijl hij het bloed van zijn gezicht afveegde, “Ik krieg die nog wal!”. Ook deze gebeurtenis werd later door de twee aanwezige getuigen bevestigd.
Of Riemers de dreigementen van Noord serieus heeft genomen blijft voor altijd een vraag. Feit is echter wel dat de slagen die de landbouwer de arbeider Noord had toegediend, niet zonder gevolgen konden blijven. Het is niet onvoorstelbaar dat Egbert Jans vrijwel direct naar het Zuideinde in Roden is gegaan om de gebeurtenissen te vertellen aan zijn oudere broer, Jan Jans Noord, die tevens veldwachter was in het dorp. Vanzelfsprekend zal Jan Jans het verhaal in zijn geheel hebben aangehoord en zijn broer aangeraden hebben om aangifte te doen.
Bijna een maand later na het voorval, op woensdag 22 maart 1848, klopte de eerdergenoemde veldwachter Jan Jans Noord bij de familie Riemers aan de deur om een dagvaarding af te geven die door de officier van justitie in Assen uitgeven was naar aanleiding van het strafbare feit dat Hindrik Jans had gepleegd door Egbert Jans Noord op die bewuste vrijdag een pak op zijn donder te hebben gegeven.
En daar stond hij dan zeer verontwaardigd voor de drie rechters, de al de inleiding genoemde presiderend rechter Mr. Westra, rechter Alstorphius Grevelink en de plaatsvervangende rechter A. Homan. En Riemers vond met alle zekerheid die er bestand dat niet hij maar die drommelse Noord hier hoorde te staan! Hij had dat toch al een keer duidelijk uitgelegd wat er gebeurd was en hoe hemel schreiend het was dat hij hier zich voor de edel geleerde heren nu moest verdedigen.
De arrondissementsrechtbank te Assen zag het één en ander toch heel anders dan de verontwaardigde landbouwer Riemers uit de Zulte en veroordeelde hem tot een geldboete van acht gulden waarbij hij ook no eens de kosten van het geding, die begroot waren op de som van dertien gulden vier en zeventig cent, boete en kosten desnoods te verhalen bij lijfsdrang. Lijfsdrang, later ook lijfsdwang genoemd, is een zwaar dwangmiddel in het Nederlands burgerlijk recht waarbij een schuldenaar wordt opgesloten in een huis van bewaring tot hij een rechterlijk vonnis nakomt.
Of landbouwer Hindrik Jans Riemers direct in de gaten had dat hij daadwerkelijk fout was geweest of dat het besef pas later kwam, is niet bekend. Wel dat de beste man zijn leven als hardwerkende landbouwer weer had opgepakt en nogmaals vader werd van een zoon Berend (1851) en een dochter Aaltien (1855). Na het hele gebeuren zal Riemers arbeider Egbert Jans Noord naar alle waarschijnlijkheid niet meer in dienst hebben genomen.


Hieronder staat de gehele uitspraak die de arrondissementsrechtbank te Assen op de woensdag twaalf april in het jaar 1848 uitsprak:
Vonnis 1347
De Arrondissements Regtbank te Assen provincie Drenthe, oordeelende in strafzaken
In de zaak van den Officier bij gemelde regtbank eischer uitkrachte der dagvaarding van den 22sten Maart 1848 tegen Hendrik Jan Riemers, volgens opgave oud 32 jaren, geboren en wonende in de Zulte, gemeente Roden, van beroep landbouwer.
Gehoord de voordragt der zaak door den Officier.
Gehoord de onder eede afgelegde verklaringen der getuigen op last van het openbaar Ministerie verschenen, zoomede van die ten verzoeke van den beklaagde gehoord.
Gehoord de opgaven van den beklaagde.
Gehoord en gezien het requisitoir van den Officier, strekkende daartoe dat de beklaagde zal worden schuldig verklaard aan het moedwillig toebrengen van slagen of stooten, bij acte van dagvaarding vermeld, en dat hij dien volgende onder toepassing van de artikels 311, 309 en 52 van het wetboek van Strafregt zal worden veroordeeld tot correctionele gevangensstraf voor den tijd van drie maanden, voorts in eene geldboete van acht gulden, alsmede in de kosten van het geding desnoods te verhalen bij lijfsdrang.
Gehoord den beklaagde in zijne verdediging door hemzelven.
Overwegende, dat uit het onderzoek op de teregtzitting van den twaalfden April 1800 acht en veertig naar aanleiding der dagvaarding wettig en overtuigend gebleken dat de beklaagde op den vijfentwintigsten Februarij jongstleden moedwillig slagen of stooten heeft toegebragt aan den persoon Egbert Jans Noord, arbeider te Roden, in den hof der beklaagde bij gelegenheid dat aldaar aardappelen werden verdeeld.
Overwegende, dat het wettig bewijs dien daadzaak is verkregen door dien dezelve door meer dan een getuige is verklaard.
Overwegende, dat deze alzoo wettig bewezen daadzaak daarstelt het wanbedrijf van moedwillig toebrenging van slagen.
Overwegende, dat invoegen voorschreven en alzoo wettig den schuld van den beklaagde is bewezen.
Overwegende, dat mitsdien op den beklaagde moet worden toegepast de straf bij artikel 309 in verband met artikel 311 van het wetboek van Strafregt op het wanbedrijf van moedwillige toebrenging van slagen gesteld, zoodanig evenwel dat hier in aanmerking kunnen worden genomen in de straf met voorkomende verzachtende bepalingen, vermits de schade door het wanbedrijf veroorzaakt de som van vijfentwintig franken niet te boven gaat en ten aanzien van hetzelfde als verschoonende omstandigheid kan worden beschouwd dat de beleedigde Noord in hevige en ongepaste bewoordingen uitvoer tegen den beklaagden, die in den meening was, dat voor en aleer de aardappelen uit de kuil werden weggenomen, het daarvoor verschuldigde te moeten vorderen van Egbert Noord, die met de uitdeling belast was met de twee eerste getuigen.
Regt doende in naam en vanwege den Koning.
Verklaart als wettig en overtuigend bewezen den beklaagden schuldig aan het wanbedrijf van moedwillige toebrenging van slagen. geene schade boven de vijfentwintig franken veroorzaakt hebbende en gepleegd onder omstandigheden die hetzelfde schijnen te verkleinen, door onder de vermelde verschoonende omstandigheid en zonder veroorzaking eener schade bovengemelde som, ten tijde en plaatse voorschreven den persoon van Egbert Jans Noord slagen of stooten te hebben toegebragt.
Gezien artikels 227 en 209 van het Wetboek van Strafvorderingen en artikels 309, 311, 463 en 52 van dat van Strafregt, welke artikelen voor zooverre hieronderingevoegd luiden:
Art 309 “Met het tuchthuis zal gestraft worden al wie iemand kwetsuren slagen ot stooten toegebracht zal hebben ingeval uit deze gewelddadigheden eene ziekte of beletsel van te werken ontdaan is van meer dan twintig dagen”.
Art 311 “Wanneer de kwetsuren of slagen generlee ziekte of beletsel van te werken als bij art. 309 gemeld, veroorzaakt zullen hebben, zal de schuldige met eene gevangenzetting van eene maand tot twee jaren en eene geldboete van zestien tot twee honderd franken gestraft worden”.
Art 463 “In alle de gevallen waarin de straf van gevangenis bij dit wetboek gesteld wordt, worden de vierscharen gemagtigd om bij aldien het veroorzaakte nadeel geene vijfentwintig franken te boven gaat en bij aldien de omstandigheden het wanbedrijf schijnen te verkleinen, de gevangenis zelfs tot beneden de zes dagen en de boete zelfs tot beneden de zestien franken te verminderen. Zij zullen ook de eene of de andere dezer straffen afzonderlijk mogen wijzen zonder dat zij echter in eenig geval beneden de bloote politie straffen zal zijn”.
Veroordeelt mitsdien den alzoo schuldig verklaarden persoon van Hendrik Jans Riemers tot eene geldboete van acht gulden en in de kosten van het geding begroot op de som van dertien gulden vier en zeventig cent, boete en kosten des noods te verhalen bij lijfsdrang.
Aldus gewezen door Mr. Westra presiderend regter, Alstor phius Grevelink regter en A. Homan plaatsvervangend regter en is in dit vonnis in de gewone openbare teregtzitting van woensdag den twaalfden April 1800 acht en veertig door Mr. Westra presiderend regter uitgesproken in tegenwoordigheid van opgenoemden regter en plaatsvervangend regter, van den Officier en den gestileerd griffier.
(bron: Vonnisregister Arrondissementsrechtbank te Assen (1829) 1838-1877, Deel: 5, Periode: 1838-1877, Assen, archief 0106, inventarisnummer 5, 1848, Vonnisregister 1838-1877, aktenummer 1347).


















































































































































































































