Vogelkampen in de Zulte

Er zijn nogal wat gebieden in de Zulte waarvan de streeknamen niet direct duidelijk zijn of bij gebrek aan kennis van het gebied, zorgen daardoor voor behoorlijk veel speculatie. Soms gaat de speculatie zover, dat er geen andere mogelijkheid bestaat en het kan niet anders zijn, het gespeculeerde moet wel waar zijn. Neem nu het voorbeeld over het ontstaan van de naam de Zulte, waarvan nog steeds een aantal mensen serieus menen dat deze is afgeleid van zout en dat daardoor de invloed van de zee in dit gebied heel sterk is geweest. Zelfs gerenommeerde wetenschappers nemen dit soort gedachten over ondanks dat de feiten iets anders laten zien.

Zoiets dergelijks komen wij ook tegen in het gebied dat zich ten noordwesten van het voormalig esgehucht bevond. Rondom de boerderij die in het verleden de naam ‘Voogelsank’ droeg, bevonden zich een aantal al dan niet omheinde percelen die ‘de Vogelkampen’ werden genoemd. Toen in het jaar 1742 de gebroeders Jans de boerderij Voogelsank in de Sult pachten van de succesvolle ondernemers en broers Albert en Steven Barkman, waren nog veel gebieden hier nog niet ontgonnen. De gebroeders Jans zorgden ervoor dat enkele delen rondom de boerderij ontgonnen werden en in gebruik konden worden als bouw- en weiland. Het gebied zag er in de jaren veertig van de achttiende eeuw heel anders dan tegenwoordig en het is nog amper voor te stellen, dat het hier enorm bebost was.

Een kaartje uit 1748 waarop het gebied rondom de Zulte tussen Roden en de Leek staat afgebeeld, echter nu andersom dan wij van kaarten gewend zijn. In tegenstelling tot de meeste kaarten ligt hier het zuiden aan de bovenzijde en het noorden onderaan de kaart. Op deze kaart is goed te zien hoe bebost de omgeving van de Sult en de boerderij Vogelsang is (kaart: Nienoordse venen, Groninger Archieven).

Om het grootste gedeelte van de door de twee broers ontgonnen stukken woeste grond kwam een omheining bestaande uit een aarden wal met bomen of er werd een sloot gegraven, die gebruikt werd als afscheiding. Een enkel perceel bos bleef staan en deed dienst als hakbosch. Een hakbosch was vaak een klein bosje dat dienst deed als een griefbos, waar het hakhout vandaan werd gehaald dat in en rond het huis werd gebruikt. Andere percelen die in de directe omgeving van de boerderij lagen, dienden als boomgaard en tuin. De iets verder van de boerderij gelegen percelen kwamen in gebruik als bouw- en weiland. Op deze wijze konden ze hun pacht opbrengen voor de gebroeders Barkman door naast vee in de weilanden te houden, ook graan op de bouwlanden te verbouwen.

Op de Franse legerkaart uit 1811-1813 is nog goed te zien hoe bosrijk de omgeving van de boerderij Vogelsang destijds nog was. Ook de weg tussen de Zulte en de herberg Toutenburg was nog niet aangelegd en daarom lag de boerderij nog aan de oude weg. Dit verklaart ook waarom de boerderij op latere kaarten ten oosten op een behoorlijke afstand van de weg ligt (BronDrents Archief).

Ondanks dat gebroeders Jans inmiddels van de boerderij waren vertrokken waarbij zij de naam Vogelzang als achternaam hadden aangenomen en Floris Aukema aan het einde van de achttiende eeuw Vogelsang in zijn bezit had gekregen, bleven de percelen hun oorspronkelijke naam behouden. Zo had het geriefbosje ten zuiden van de boerderij de naam ‘Bosch bij Vogelkamp’, de westelijk gelegen percelen die nu in het bezit waren gekomen van Jannus Winsingh waren het ‘Groote Vogelkamp’ en het ten noorden van Vogelsang gelegen weiland werd ook wel ‘het Klein Vogelkampje’ genoemd. Dit gedeelte van de Zulte werd dan ook wel het Vogelkamp of de Vogelkampen genoemd.

Op de Kadastrale kaart uit 1832 is ‘het Klein Vogelkampje'(1), het ‘Bosch bij het Vogelkamp’ (2) en het ‘Groote Vogelkamp'(3) rood omlijnd (Kaart 1832Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).

Wat schetst mijn verbazing? In een artikel genaamd ‘Drentse eendenkooien, hutten, hussen en glupen’ van ene H. M. Luning dat ik tegenkwam in de ‘Nieuwe Drentse Volksalmanak, jaarboek voor geschiedenis en archeologie’ uit 2003, blijkt volgens de schrijver in het hoofdstuk ‘Oudste vangmethoden’ op pagina 2, dat in Zulte (onder Roden) een eendenkooi heeft gelegen. Immers, volgens Luning verwijst de naam ‘Vogelkampen’ naar de aanwezige eendenkooi. Iets trouwens, waar ik de oud-inwoners van de voormalige Zulte nog nooit een woord over heb horen reppen.

De uitspraak van H. M. Luning in de Nieuwe Drentse Volksalmanak uit het jaar 2003, waarin stellig wordt beweerd dat in de Vogelkampen een eendenkooi ligt (bron: Nieuwe Drentse Volksalmanak 2003, ISBN 90 232 3990 3, pagina 2).

Maar goed, er is veel geschiedenis van de Zulte verdwenen en wellicht bestaat de kans dat de schrijver van het artikel toch nog gelijk heeft en er wel degelijk een eendenkooi nabij de boerderij Vogelsang heeft gestaan. Aandachtig lezen wij verder in het artikel en juist wanneer je het gevoel krijgt, dat de beste man het bij ’t rechte eind heeft, komen wij bij pagina 10. Luning heeft het over een verdachte plaats op de Kadastrale kaart uit 1832 waar de eendenkooi van Floris Aukema lag. Het bleef eerst voor mij een groot raadsel waarom hij maar over een eendenkooi van Floris Aukema blijft schrijven, daar Floris reeds in op de leeftijd van 26 jaar op woensdag 26 maart 1828 het tijdelijke met het eeuwige leven had verwisseld.

Vervolgens geeft H. M. Luning in de Nieuwe Drentse Volksalmanak uit het jaar 2003, aan dat in de omgeving van Roderwolde 12 eendenkooien zijn te zien en aansluitend ook een kooi in de Zulte (bron: Nieuwe Drentse Volksalmanak 2003, ISBN 90 232 3990 3, pagina 10).

Begrijpelijk dat de heer Luning aangeeft dat de geschiedenis van al die eendenkooien na te gaan een schier onmogelijke opgave is, zeker als die nooit hebben bestaan. Het was beter geweest als de schrijver zich in de legenda van de Kadastrale kaart van de Zulte, het eerste blad, had verdiept. Dan had hij kunnen lezen dat het perceel I-274bis behoorde aan Jan Aukema en dus niet aan Floris, en dat het een 790 m2 groot hakbos was. Er blindelings vanuit gaan dat een driehoekig perceel automatisch een eendenkooi is, was dus een foute aanname.

H. M. Luning maakte voor het artikel een mooi staatje met de diverse kadastrale gegevens. Had de beste man de legenda van het eerste blad van Sectie I doorgespit, dan had hij kunnen weten dat hij er naast zat (bron: Nieuwe Drentse Volksalmanak 2003, ISBN 90 232 3990 3, pagina 24/27).

Neemt echter niet weg dat het een prachtig artikel is over de Drentse eendenkooien en om eerlijk te zijn, het zou niets verbazen als Floris Aukema op de een of andere wijze toch een eendenkooi bezeten heeft. Deze zullen echter eerder in de omgeving van het Leekstermeer ten noorden van Leutingewolde hebben gelegen, dit bij zijn woonplaats. Daarnaast was de omgeving van de Zulte waar Luning de eendenkooi in gedachten had, niet geschikt voor een eendenkooi.

Het perceel I-274bis op de Kadastrale kaart van Sectie I van Roden, genaamd de Zulte, bestond uit een hakbosje en helaas niet uit een eendenkooi (Kaart 1832Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).

Scheuveln op de dobbe van olle Hindrik Heuker.

“Zeg, kest die dobbe van olle Heuker nog vinden?”, vroeg zij aan mij, “Doar gingen wai as kinder altied hen te scheuveln”. Een vraag van een inwoonster die de tijd nog mee heeft gemaakt, dat het voormalig esgehucht nog niet opgeslokt was dor het dorp Roden. De vraag was voor mij niet zo raar daar ik zelf nog heb meegemaakt dat er geschaatst werd op de dobbe tegenover de boerderij van Woldring aan de Leeksterweg. Maar nee, die dobbe bedoelde zij niet, Heuker’s dobbe! Na een kleine uitleg begreep ik welke dobbe de dame bedoelde en waar deze ongeveer gelegen moet hebben. Zelf kon ik die dobbe waar zij om vroeg, niet  herinneren en was deze waarschijnlijk al drooggevallen of gedempt toen ik daar als kwajongen rondstruinde.

Sinds jaar en dag staat de naam de Vries in Roden en wijde omgeving synoniem voor het aanschaffen van goede schaatsen en vele generaties Roners hebben het ‘scheuveln’ op schaatsen van de Vries geleerd. In de winter van 1932 was dit niet anders (bron: Nieuwsblad van het Noorden maandag 12 december 1932 vierde blad, pagina 14).

Dobben kwamen in allerlei vormen en maten voor in en rondom de Zulte waarbij er zelfs nog enkelen bestaan. Het zijn doorgaans kleine poelen met een doorsnede van niet meer dan een meter of tien, die zowel door opborrelend grondwater zijn ontstaan of gegraven werden door de hier aanwezige boeren. Op een enkele uitzondering na, waren veel van deze dobben niet erg diep en bevroren dus ook dan snel ten tijde van een winterse periode. Het waren ideale plaatsten voor de jeugd uit de omgeving om redelijk veilig te kunnen gaan schaatsen. De diepere dobben die gevoed werden door regionaal kwelwater dat daar aan de oppervlakte kwam, bevroren niet zo snel of helemaal niet en werden dus minder door de jeugd bezocht.

Een bekend gezicht dat je in het verleden vaak zag in de omgeving van de Zulte. Een al dan niet gegraven dobbe aan de rand of in een hoek van een weiland. De bovenstaande dobbe is een natuurlijke dobbe en zeker al honderden jaren oud.

Dat de meestal ondiepe poelen in de winter gebruikt werden door de schaatsgrage jeugd uit de omgeving was meegenomen en zorgde voor veel vertier, maar de dobben hadden eigenlijk een andere functie. Vrijwel de meeste dobben dienden als drinkplaats voor het aanwezige vee en bespaarde de toenmalige boeren veel tijd omdat zij niet met de vele liters water hoefden te slepen. Een aantal dobben waren in der loop ontstaan doordat grond- of kwelwater door de keileemlaag was gedrongen en afhankelijk van plaats en de waterdruk in de poel, zelfs een enkele beek was gevormd. Anderen werden gegraven op plaatsen waar men een vermoeden had, dat er water onder de grond zat. Hierbij werd soms zelfs de hulp van een lokale wichelroedeloper ingeroepen om een ondergrondse waterstroom te vinden. De dobbe die naast de boerderij van de gebroeders Baving aan de Zulthe heeft gelegen, was hier een goed voorbeeld van.

De eerder afgebeelde dobbe enkele jaren eerder. Het is op de afbeelding goed te zien dat de randen te steil zijn voor het vee om er bij te kunnen komen om te drinken. De eigenaar van het vee moet dan dagelijks het water voor de dieren bijvullen. Naast dat dit soort dobben een steile rand bezitten, kunnen ze ook behoorlijk diep zijn.

Ook de vorm én de locatie van een dobbe speelde een rol van belang als het op het water geven van het vee aankwam. Bij de gegraven dobben waren de kanten doorgaans zo schuin afgegraven, dat het vee er eenvoudig bij kon komen. Dit was trouwens ook in de weilanden het geval waar de Zulter Bitse doorheen liep, de oevers waren niet zo steil als het vandaag het geval is en kon het vee water uit de beek drinken. Vrijwel alle dobben in het gebied dat de naam de Zulte droeg, bevonden zich aan de rand nabij de afscheiding of in een hoek van het weiland. Een patroon dat je trouwens rondom heel Roden tegenkomt.

Andere dobben die door de mens gegraven waren, bezaten doorgaans niet zo’n grote doorsnede zoals de natuurlijke dobben bezaten en waren hooguit een meter of vijf breed. Zoals al eerder vermeld waren de kanten van zo’n dobbe lang niet zo steil en werden ze ook niet zo diep uitgegraven. In deze dobben kon het vee doorheen lopen, iets wat in de zeer warme zomers dan ook gebeurde. Zo’n ondiepe gegraven dobbe ligt heden ten dage in de nabijheid van de Toutenburgsingel waar eens de pannenfabriek heeft gestaan. Deze dobbe is hooguit veertig centimeter diep, zoals op de onderstaande foto goed te zien is.

Een blauwe reiger (Ardea cinerea) in de bovenstaande dobbe nabij de Toutenburgsingel. Het dier staat midden in de dobbe op kikkers te loeren.

De dobbe van Heuker bevond iets ten noorden van de Zulte in het land van Hendrik Heuker in het zuidwesten van de Westeresch. Hendrik, die in de volksmond Hindrik genoemd werd, was op zaterdag 30 juni 1894 als zoon van Paulus en Aaltien Heuker-Riemers geboren. Hindrik trouwde op zaterdag 12 mei 1923 met de in Tolbert  geboren Froukje Feenstra. In het jaar 1933 kwamen zij in het huis te wonen met het nummer 175, tegenwoordig Turfweg nummer 6. Het huis was voorheen al in het bezit van de familie Heuker, maar werd steeds weer verhuurd aan pachters.

Boven is een kaart uit het einde van de jaren 50 uit de vorige eeuw te zien, daaronder is de huidige situatie zichtbaar. Er is vandaag de dag niets meer te zien van de oude dobbe van Hendrik Heuker in de Zulte.

Heden ten dage is er niets meer te zien van wat eens Heuker’s dobbe was. Van de kinderen die eens in het verleden de kans waarnamen om hier te gaan schaatsen, heeft een groot deel inmiddels het tijdelijke leven met het eeuwige verwisseld en heel langzaam verdwijnen de mooie jeugdverhalen uit dit toch wel zeer uniek gebied met de mensen die ze beleefd hebben. Jeugdverhalen zoals het scheuveln op Heuker’s dobbe! Bedankt Roelie.

Hardrijderij op de schaatsen voor vrouwen op de ijsbaan te Roden op 12 februari in het jaar 1935. Op de voorgrond de toen bekende hardrijdster mejuffrouw Jantje Helder uit Paterswolde. Wedstrijden als hierboven vonden niet plaats op de bevroren dobben nabij de Zulte (foto: Trouw, donderdag 28 januari 1954, pagina 5).

Het loerende gevaar in de Zulte.

Lijkbleek van de schrik en trillend van de angst stond hij daar te kijken hoe de vrachtwagen van zijn werkgever tussen de olijfgroene goederentram en de dikke eiken aan de Zulthe totaal gesloopt was. De van woede kokende machinist bij wie bijna de stoom uit de oren kwam en die hem van alles naar zijn hoofd wierp, hoorde hij niet. De gebroeders Woldring, Jan en Dirk, moesten alle zeilen bijzetten om de rood aangelopen bestuurder van de tram weer tot rust te krijgen. De vrachtwagenchauffeur D. K. had het gevoel dat hij van boven naar beneden keek en het tafereel dat tussen de twee vrome broers en de machinist plaatsvond volgde en dat alles wat hier op die woensdagochtend van de zesde juli in het jaar 1958 in het voormalig esgehucht de Zulte gebeurde, voor hem onwerkelijk was.

MBS 451 met een goederentrein nabij Haaksbergen. Het model diesellocomotief uit de 450 serie van de Nederlandse Spoorwegen dat aan het einde van de jaren vijftig over het spoor in de Zulte reed. De locomotief die de vrachtwagen van de firma Meijering tot een hoop verwrongen staal veranderde, was de bijna 9 meter lange en 38 ton zware NS 455. In 1970 verdween de locomotief van het traject Groningen – Drachten (foto: Niels Karsdorp, Dh3201 – Eigen werk, https://nl.m.wikipedia.org/wiki/Bestand:MBS_loc_451.jpg)

Een van deze transportondernemingen op het gebied van het vervoeren van zowel kunstmest als veevoeder in de wijde omgeving K. werkte als vrachtwagenchauffeur voor de Lukkenwolmer firma Meijering die destijds aan de Turfweg gevestigd was op nummer 67. Zijn werkgever, Albert Meijering, bedreef daar aan het einde van de jaren vijftig van de twintigste eeuw een veevoederhandel. Hiernaast verzorgde Meijering ook nog de nodige boeren in de wijde omgeving van andere benodigdheden zoals kunstmest, likstenen en wat een landbouwer/veehouder nodig had. Het spreekt voor zich dat de vrachtwagen van de veevoederhandel Meijering amper stil mocht staan en voor Albert was heel simpel; er moest geld verdiend worden.

In het huis dat nu het adres Turfweg 10 heeft, had in 1958 het adres Leutingewolde 67 en daar bevond zich de veevoederhandel van Albert Meijering.

Toen K. eenmaal in de cabine van de vrachtwagen was geklommen, het gevaarte aan de loop had gekregen en linksaf de Turfweg opdraaide richting de weg tussen Nietap en Roden, kon hij iets rustiger aan gaan doen. Immers, in het jaar 1958 waren er nog niet bijster veel telefoons in de omgeving en de mobiele versie bestond nog lang niet, dus het gehijg van de baas voelde hij nu niet meer in zijn nek. Eerst moest hij naar Roden, zakken kunstmest ophalen om bij de boeren af te leveren. Zo moest hij ook die ochtend ook bij de boerderij van Henk Woldring aan de Zulthe 12 het een en ander bezorgen.

De plaats waar de boerderij van Woldring zich in het verleden bevond is aangegeven door eer rode pijl. De kaart stamt uit het jaar 1970 en inmiddels lag de boerderij aan de Leeksterweg. Rechts van de boerderij is de inmiddels ook al verdwenen Noordenveldhal te zien (kaart: Topotijdreis).

Henk Woldring was een paar maanden eerder komen te overlijden en ondanks dat de oude man hem regelmatig aansprak op zijn manier van parkeren, kreeg hij toch altijd een kop koffie van Henk met een dikke plak koek erbij. De oude man had hem al verschillende keren gezegd dat als hij spullen moest lossen, dan kon K. beter de vrachtwagen op weg keren en dan met de kont er in steken; achteruit de dam oprijden dus. De oude boer hoefde hem niet te vertellen hoe hij een vrachtwagen moest besturen en K. vond, dat hij het beter bij zijn koeien kon houden.

Het enige dat ons nog aan de boerderij van Woldring in de Zulte doet herinneren zijn de oude Lindebomen die eens voor de woning stonden. De vier Lindes zijn links op de afbeelding te zien.

Nu stonden zijn twee zonen bij de boerderij en namen de goederen in ontvangst.  K. had allang geschoten dat hij vandaag hier geen koffie kon verwachten en stapte weer in de cabine van de vrachtwagen. Gemoedelijk reed hij langzaam naar achteren en dacht er aan hoe weer naar de Turfweg moest gaan voor een nieuwe lading. Helemaal in gedachten verzonken drukte hij het gaspedaal dieper in en hoorde niet hoe de twee broers hem riepen om te stoppen. Op het laatste moment kwam hij weer tot zichzelf en zag hoe de broers Woldring luid gilden en hevig met hun armen aan het zwaaien waren. Snel keek hij naar rechts en zag een toeterende gevaarte op zich afkomen. D. K. bedacht zich niet en sprong uit de vrachtwagen.

Het bericht van het ongeval tussen de trein en de vrachtwagen in het Nieuwsblad van het Noorden, ook wel het Nieuwsbladje genoemd, van woensdag 16 juli 1958 (bron: Nieuwsblad van het Noorden, Woensdag 16 juli 1958, 71ste jaargang, No, 164, pagina 13).

De olijfgroene trein kwam vanuit richting Roden en de machinist van de bijna 9 meter lange en 38 ton zware diesellocomotief met het nummer 455, zag hoe de achterzijde van de vrachtwagen langzaam achteruit het spoor opreed. Hevig remmend en luid toeterend probeerde de machinist te vergeefs de chauffeur te waarschuwen. Een luide knal gevolgd door het geluid van scheurend ijzer vulden de lucht voor de boerderij van Woldring. De zware locomotief had de vrachtwagen opzij gedrukt en hem een tiental meters meegesleept. Toen de trein tot stilstand kwam, bleef er van de vrachtwagen niets anders over dan een hoop verwrongen staal.

Ook de Provinciale Drentsche en Asser courant van donderdag 17 juli 1958 plaatste een bericht over het ongeval dat een dag eerder had plaatsgevonden voor de boerderij van Woldring in de Zulte (bron: Provinciale Drentsche en Asser courant, donderdag 17 juli 1958, 133e jaargang nummer 165, pagina 7).

Vliegende broden door de Zulte.

Op een middag halverwege de maand maart in het jaar 1949 klonk het nare geluid van een naderende en luid toeterende goederentram uit de richting van Leek, die gevolg werd door een harde gil van een paard en een oorverdovend schurend geluid. Met een luide vloek van ontzetting en verbazing zag de dan 52-jarige bakker Koert Liewes uit Roden het paard met zijn volgeladen vierwielige bakkerswagen er in hoge snelheid vandoor gaan richting het dorp Roden en de bomen langs het spoor. Met steeds groter wordende ogen van angst en toenemende verbazing moest de Roner bakker aanzien hoe zijn bakkerswagen door de locomotief gegrepen en versplinterd werd. Met een lijkbleek gezicht zag Koert hoe zijn paard genaamd ‘Oude witte’ met tuig waaraan nog een gedeelte van de wagen hing, met een rotgang naar de boerderij van Henk Woldringh in de Zulte galoppeerde.

Het was een heerlijke voorjaarsmiddag die bewuste dag in de maand maart van het jaar 1949, toen de Roner bakker Koert Liewes met zijn luxe bakkerswagen langs de weg in de Zulte bij het huis van de Vries parkeerde en fluitend met zijn mand vol bakkerswaren naar de wachtende mevr. de Vries-Brink liep. Enigszins verontrustend vroeg de huisvrouw Egberdina aan de bakker of het wel verstandig was om ’t peerd met de mooie woagen daar zo achter te laten, zeker omdat de trein er elk moment kon aankomen.

Het huis waar destijds Egberdina de Vries-Brink woonde in de Zulte. In het jaar 1949 vlogen hier dus de broden van bakker Koert Liewes door de lucht na de aanrijding met de goederentrein tussen Groningen en Drachten. Het huis heeft tegenwoordig het huisnummer Zulthe 3 en woont kleindochter Ina in het huis van ‘Oma’. De foto werd door de familie Klok-Holthuis beschikbaar gesteld aan mij en ik ben ze daar dan ook zeer dankbaar voor.

Met een glimlach op zijn gezicht antwoordde de paardenkenner Liewes dat dit best wel meeviel en de ‘Olle witte’ niet zo snel meer schrok. En ja, Egberdina wist ook wel dat Koert een paar jaren eerder prijzen had gewonnen met zijn paarden. Maar toch was ze er niet gerust op. De dan 61-jarige Egberdina de Vries-Brink woonde destijds in het huis dat tegenwoordig het huisnummer Zulthe 3 heeft. Het zou zeker niet het eerste paard zijn dat door het lawaai en het getoeter van de goederentram aan de haal zou gaan. Maar goed, het verse brood in de mand van Koert rook zo heerlijk, dat er snel weer over de handel van de bakker gepraat werd.

Enkele minuten later stond Koert Liewes bij Egberdina voor de deur met wijd opengesperde mond en zag hoe zijn handelswaar door de lucht vloog en zowel op de wagons als op de grond terecht kwam na de luide knal. De bakker mompelde iets en begon de restanten van zijn bakkerswaar in te zamelen; er moest immers wel weer brood op de plank komen. En hoe liep het af met Olle witte? Waarschijnlijk is het geschrokken dier een eindje verderop weer ingevangen en aan Koert overgedragen. De Roner bakker haalde met deze gebeurtenis wel de tweede pagina van het Provinciale Drentsche en Asser courant die op donderdag 17 maart 1949 verscheen.

Het artikel over het voorval dat de Roner bakker Koert Liewes overkwam in de krant van 17 maart 1949 (bron: Provinciale Drentsche en Asser courant, tweede pagina, 124e jaargang No. 64 Donderdag 17-03-1949).

Revolutie, een Engelse soldaat en een patriot in de Zulte.

Toen het verzet van de Britse-Hessische-Hannoverse-Staatse geallieerden aan het einde van het jaar 1794 in Nederland was gebroken door Franse troepen onder leiding van generaal Jean-Charles Pichegru en de erfstadhouder Willem V samen met veel orangisten op zondag 18 januari 1795 in een hoog tempo richting Engeland waren gevlucht, werd een dag later de Bataafsche Republiek uitgeroepen. De patriotten in ons land hadden al jaren met veel jaloezie naar de ontwikkelingen in Frankrijk gekeken en hadden nu hun eigen ‘revolutie’. Ondanks dat de patriotten spraken van de Bataafsche Revolutie, vernoemd naar de Germaanse stam die in de Romeinse tijd in ons land vertoefde, en was in feite een fluwelen revolutie waarbij geen druppel bloed vloeide.

De nieuwe kaart van het Vrye Landschap Drenthe uit 1795 dat bij het boek Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden; Behelzende de Inleiding der Beschryving van het Landschap Drenthe hoorde (bron: Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden; Behelzende de Inleiding der Beschryving van het Landschap Drenthe. Te Amsterdam, Leiden, Dord. en Harlingen, by J. de Groot, G. Warnars, S. en J. Luchtmans, A. en P. Blussé, en V. van der Plaats. MDCCXCV).

In het voormalig landschap Drenthe werden de gevolgen van de veranderingen binnen wat nu de Bataafsche Republiek heette, waren de ontwikkelingen in de rest van het land nog lang niet merkbaar en ging men zijn eigen gang. Daarnaast kon een groot gedeelte van de inwoners in en rondom de Zulte niet lezen of schrijven en had het te druk met overleven in deze barre tijden. Maar toch, er was iemand die de ontwikkelingen vanuit Holland nauwlettend in de gaten hield en het nieuws op de voet volgde. Deze man, Willem de Lille, die in 1789 met Johanna Philippina van Dedem tot den Gelder, weduwe van Arend Sloet tot Nyenhuizen was getrouwd en in huize Ter Heyl woonde, had al sinds het midden van de tachtiger jaren in de achttiende eeuw al sympathie voor de zaak van de Drentse patriotten.

Zo zou de omgeving van Huize Ter Heyl er aan het begin van de negentiende uit hebben kunnen zien. Een groot huis met een markante vorm tussen de vele bossen en weilanden die het gebied destijds rijk was.

Vooralsnog sprak men nog van de zes dingspelen en de bijbehorende kerspelen (carspels) van het landschap Drenthe zoals men dit voor de aanstormende veranderingen deed en leek alles hier nog pais en vree. Zelfs in het boek ‘De Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden; Beschryving van het Landschap Drenthe’ spraken de schrijvers in 1795 nog in de stijl die heel gewoon was in de tijden voor de Bataafsche Revolutie: “Behalven het Wild, dat de andere Provinciën met dit Landschap gemeen hebben, als Hazen, Patryzen, Snippen enz. heeft men hier ook, meer byzonder, de Korhoenderen, die zig meest by en omtrent de Boekweiten venen onthouden, aldaar hunne jongen uitbroeden, en zig vervolgens, door dit Landschap, en zelfs, tot buiten hetzelve, verspreiden. De Jagt op de Korhoenderen is hier om ’t vierde jaar verboden, op de boete van honderd goud gulden op ieder hoen, dat tegen dit verbod geschoten of gefangen wordt. Dit is zedert veranderd, zynde de Korhoendervangst om het vierde jaar niet meer verboden1. Het kon verkeren in het jaar 1795, je druk maken over het reglement van de jacht op korhoenders.

Natuurlijk voerden de nieuwe machthebbers in de Bataafsche Republiek allerlei vergaande veranderingen in, die gebaseerd waren op de toen geldende Franse wetten en regelgeving, en vanaf 1796 spreekt de heer Jacobus van der Scheer uit Coevorden over ‘onze Bataafsche Gewesten’. De uitgever en boekverkoper van der Scheer brengt in dat jaar het boek ‘Lijst van de telling des volks van Drenthe’ uit waarin hij in het voorwoord schrijft: “Zie daar Landgenoten, de Lijst der Telling van het Volk van Drenthe op welker Juistheid Gij staat kunt maken , als zijnde opgemaakt uit de Lijsten die de Carspels ter Secretarie dezer Landschap volgens Publicatie van Gecommitteerde Representanten van het Volk van Drenthe in dato den 16. November 1795 hebben ingezonden2. Het staat er echt, hij begint met Landgenoten! Dat was voorheen totaal ongehoord, zoiets deed men niet.

Het voorwoord van Jacobus van de Scheer uit het boek ‘Lijst van de telling des volks van Drenthe’, dat in het jaar 1796 verscheen (bron: Lijst van de telling des volks van Drenthe. Te Coevorden, by J. van der Scheer, 1796).

Op de onderstaande afbeelding waar de statistieken van de kerspelen Roden en Roderwolde op pagina 10 door de schrijver vermeld waren, zien wij dat ter Heil samengevoegd is met de Zulte. Iets wat trouwens ook steeds weer in de oude archieven terugkeert; ter Heil rekende men tot de Zulte. Uit de statistieken blijkt dat er destijds 94 mensen woonden (48 mannen en 46 vrouwen). Op pagina 12 van het boek sluit de uitgever en boekverkoper Jacobus van der Scheer af met het de volgende zin: “Bovenstaande Lijst bevat 20434 Manlijke en 19238 Vrouwlijke Personen. Totaal 39673 menschen2. Wat wij echter niet in deze statistieken terug zien maar wel in die van de Bataafsche Republiek uit 1796, zijn de vermeldingen van de grondvergaderingen. De Eerste Nationale Vergadering bestond in de periode 1 maart 1796 tot en met 31 augustus 1797 en telde 126 leden. De leden werden gekozen door een kiescollege, dat op haar beurt door grondvergaderingen was gekozen. In ieder district (met 15.000 kiezers) waren er 30 grondvergaderingen. Aan de verkiezingen van de grondvergaderingen mochten alle mannen van twintig jaar en ouder deelnemen, mits zij het oude regeringssysteem hadden afgezworen 3.

Op pagina 10 van het boek ‘Lijst van de telling des volks van Drenthe’, dat in het jaar 1796 verscheen, kunnen wij zien dat er op dat moment in het Carspel Rhoden (kerspel Roden) 1015 mensen wonen in het Carspel Rhoderwolde 243 (bron: Lijst van de telling des volks van Drenthe, pagina 10. Te Coevorden, by J. van der Scheer, 1796).

In het boek ‘Volks-Tellinge in de Nederlandsche Republiek’, uitgegeven op last der Commissie tot het ontwerpen van een plan van Constitutie voor het Volk van Nederland, komen wij Rhoden, Lyveren, Steenbarge, Zulte en Ter Heil, Nytap, Leutengewolde en Foxwolde op pagina 13 tegen met hun 1015 inwoners. Achter de namen staat een accolade waar het aantal grondvergaderingen staan, twee. Rhoderwolde, Sanderber en Matsloot mogen samen 1 grondvergadering houden. De plaatsen vallen in 1796 nog onder de zogenaamde kiezersvergadering Vries. Samen met de kiezersvergaderingen Meppel en Zweelo koos Vries 3 provisionele representanten voor de districten met dezelfde naam voor Drenthe.

De vermelding van Rhoden, Lyveren, Steenbarge, Zulte en Ter Heil, Nytap, Leutengewolde en Foxwolde met 2 grondvergaderingen en Rhoderwolde, Sanderber en Matsloot met 1 grondvergadering. De plaatsen vielen in 1796 onder de kiezersvergadering Vries (bron: Volks-Tellinge in de Nederlandsche Republiek, pagina 13. Uitgegeven op last der Commissie tot het ontwerpen van een plan van Constitutie voor het Volk van Nederland. In den Haag ter ‘sLands Drukkery).

Vanuit Groningen werden er maar liefst 8 provisionele representanten gekozen door 240 grondvergaderingen. Het totale inwonersaantal van Groningen bedroeg destijds 114.655 personen, bijna driemaal zoveel inwoners als in Drenthe. In de gehele Bataafsche Republiek, die bestond uit Friesland, Groningen, Drenthe, Overyssel, Gelderland, Bataafsch Braband, Zeeland, Holland en Utrecht, woonden er maar liefst 1.880.463 mensen die dus 126 representanten hadden gekozen. Ook dit was voor het jaar schier onmogelijk geweest in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, waar het verdelen van baantjes binnen de regentenklasse  absurde vormen had aangenomen.

Het provisionele representanten dat door de zogenaamde kiezersvergaderingen van Groningen, Drenthe en Overyssel in 1796 waren gekozen (bron: Volks-Tellinge in de Nederlandsche Republiek, pagina 134. Uitgegeven op last der Commissie tot het ontwerpen van een plan van Constitutie voor het Volk van Nederland. In den Haag ter ‘sLands Drukkery).

Maar laten wij terug gaan naar het begin van de jaren negentig in de achttiende eeuw waar Willem de Lille de touwtjes stevig in handen heeft rondom Ter Heyl. De Lille zit niet stil en heeft enkele jaren daarvoor de huidige Toutenburgsingel laten aanleggen en de herberg Tautenborg laten bouwen. Daarnaast zal de hij de nodige energie in de omgeving van Huize Ter Heyl hebben laten aanpakken. Hoveniers waren dan ook van belang voor de Lille en zijn vrouw, die samen van prachtige tuinen hielden. Het hebben van een eigen hovenier was blijkbaar in kerspel Roden verplicht om te melden en wij komen dit dat ook tegen in de papieren van het Haardstedengeldregister uit 1794 van Roden.

De vermelding in het Haardstedengeldregister uit 1794 van het kerspel Roden van het gebruikmaken van een hovenier (Bron: Oude Staten Archieven (OSA), toegangsnummer 0001, inventarisnummer 868.24, Haardstedengeld Roden, Zulte, 1794, pagina 3747).

Een van de hoveniers die voor de heer de Lille gewerkt heeft en naar alle waarschijnlijkheid ook in of nabij Huize Ter Heyl onderdak had, was een Jan Upton van Encher uit het Osnabrugsche. Deze Jan Upton verbleef dus in Ter Heil en was op zaterdag 10 december 1791 te Vries in het huwelijk getreden met Aaltien Hindriks van Bunne, die in de Sulte woonde. Aaltien, in de Roder archieven Aaltje genoemd, kwam dus van Bunne en het was dan ook niet verwonderlijk, dat de twee in Vries zijn getrouwd. Daar de twee echter in het kerspel Roden woonden, was het niet meer dan logisch dat er een afschrift van het huwelijk naar dit dorp gestuurd werd. Waar het foutje zat en wat de oorzaak was, zal nooit aan het licht komen, maar ineens is de plaats waar Aaltje vandaan komt geen Bunne meer, maar Bunde, een plaats in Duitsland nabij de grens met Nederland.

Uit het trouwregister van het jaar 1791 van Vries. Hierin staat dat Jan Upton van Encher uit het Osnabrugsche, wonende te Ter Heil met Aaltien Hindriks van Bunne, wonende in de Sulte op 10 december in de echt getreden zijn (bron: Trouwregister Vries 117, archiefnummer 0176.01, inventarisnummer 117, aktenummer 0176.01 Gemeente: Vries Religie: herv. 10-12-1791, Collectie Xerokopieen DTOB, boek 154 (trouwboek, 1750-1825), pagina 050).

Dat het land Duitsland een belangrijke rol in dit huwelijk speelde staat buiten kijf, Jan Upton kwam immers uit de omgeving van het Duitse Osnabrück, het plaatsje Engter. De naam Upton klinkt niet erg Duits en dat is het dan ook niet. Upton heet eigenlijk Johann Thomas Opten en is de zoon van Thomas Opten, een uit het Engelse leger gedeserteerde soldaat die Thomas den Engelander werd genoemd en met een Duitse vrouw was getrouwd. Samen met zijn broer Carl Opten vertrok Johann Thomas naar Groningen en vonden ieder een vrouw in Nederland. Op vrijdag 24 maart 1815 overleed Aaltien Hindriks in de stad Groningen, 56 jaar oud en liet Jan Opten achter. Jan trouwt anderhalf jaar later met Trientje Abels.

In het trouwregister van Roden is te lezen dat Aatje Hindriks niet uit Bunne maar uit Bunde lijkt te komen (Bron: Trouwregister Roden 89, archiefnummer 0176.01, inventarisnummer 89, aktenummer 0176.01 Gemeente: Roden Religie: herv. 14-12-1791, Collectie Xerokopieen DTOB, boek 121 (doop-, trouw- en lidmatenboek, 1714-1793), pagina 233).

Voor meer informatie over Jan Upton zijn de webpagina’s ‘Infantrist Thomas Opten uit Engeland trouwt met Duitse Anna‘ en ‘De nazaten van Thomas Upton‘ onmisbaar.

 1 Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden; Behelzende de Inleiding der Beschryving van het Landschap Drenthe. Te Amsterdam, Leiden, Dord. en Harlingen, by J. de Groot, G. Warnars, S. en J. Luchtmans, A. en P. Blussé, en V. van der Plaats. MDCCXCV. Pagina’s 36 & 37.

 2 Lijst van de telling des volks van Drenthe. Te Coevorden, by J. van der Scheer, 1796.

3 Bataafse parlementen 1798-1806 https://www.parlement.com/id/vh8lnhrsd1rf/bataafse_parlementen_1798_1806

Roelof Brink en het gedonder in de Zulte.

Het jaar 1891 verliep voor de uit Eelde afkomstige en sinds maandag 24 maart 1879 in de Zulte wonende landbouwer Roelof Brink en zijn vrouw Aaltien Aukema werkelijk rampzalig. Een jaar eerder, in het jaar 1890 toen Roelof 38 jaar oud was, werd hun zesde kindje Hinderkien op dinsdag 22 april in de Zulte geboren. Het meisje werd ziek toen ze ruim een jaar oud was en overleed woensdag 27 mei 1891 in haar ouderlijk huis. Het overlijden van het dochtertje, dat Hendrikje als roepnaam had, werd in een advertentie in de Provinciale Drentsche en Asser courant van donderdag vier juni 1891 bekend gemaakt. Ruim twee maanden later zit het noodlot de hardwerkende landbouwer nogmaals behoorlijk flink dwars.

De advertentie in de Provinciale Drentsche en Asser courant waarin Roelof en Aaltien het grote verlies van hun dochtertje Hendrikje bekend maakten (bron: Provinciale Drentsche en Asser courant donderdag 4 juni 1891, vierde blad, 68ste jaargang, No. 128).

Op de vrijdag 31 juli in het jaar 1891 trekken wederom enorm donkere wolken boven de boerderij van Roelof en Aaltien Brink in de Zulte samen en voorspellen niets goeds voor het gezien, dat dan het adres Zulte 45 heeft. Die vrijdagmiddag trekt letterlijk de lucht boven een groot deel van Roden vanuit het zuidoosten dicht en in de verte zijn al zware dreunen te horen. Het gezin zorgde er snel voor dat voor zover het mogelijk was, alles in veiligheid werd gebracht en wachtte gespannen het naderende noodweer af. In het woonhuis is goed te horen hoe de regen op de dakpannen neerkomt en geluid van de daarop volgende hagelstenen de jongste kinderen van angst onder de grote tafel weet te jagen. De Provinciale Drentsche en Asser courant van maandag 3 augustus omschreef het formaat van de hagelstenen zo groot als knikkers.

De vermelding in de krant over het noodweer dat over de wijde omgeving van het dorp Roden trok en veel schade aanrichtte (bron: Provinciale Drentsche en Asser courant maandag 3 augustus 1891, vijfde blad, 68ste jaargang, No. 179).

Toen was er ineens een felle flits, die gevolgd werd door een grote knal en waarbij het glas van de ramen enorm begonnen te trillen. De boerderij was door de bliksem getroffen en Roelof zal met een rotgang naar buiten zijn gerend om de schade aan het pand te bekijken. De boerderij was vijf jaar eerder in het jaar 1886 gebouwd op de plaats waar de vorige boerderij had gestaan. Gelukkig was er geen brand ontstaan in de boerderij en de landbouwer zal zeker zeer opgelucht geweest zijn dat de schade aan het gebouw enorm mee viel. Enkele kilometers zuidelijk in Lieveren, had het noodweer geen mededagen gekend en was daar behoorlijk tekeer gegaan. Als er een jaar was dat de twee echtlieden heel snel wilden vergeten, dan was dat het jaar 1891 dus wel.

De inmiddels nieuw gebouwde boerderij waar het gezin Brink woonde met het huisnummer Zulte 45 op een Kadastrale kaart van de Zulte uit 1887 (Bron: Drents Archief).

Bijna 128 jaren later zal de huidige Zulthe weer getroffen door noodweer op de avond van dinsdag 4 juni 2019. Door een zogenaamde Downburst, een valwind, sneuvelden veel bomen op de plaats waar zich eens de brink bevond. Ondanks het enorme noodweer bleef de schade in het gebied beperkt tot slechts materiële schade en waren er gelukkig geen gewonden te betreuren. Op de afbeeldingen hieronder is te zien hoe groot de schade was, zelfs het mobiele toilet nabij de Gamma werd honderd meter verder teruggevonden.

Liggen er slechts enkele takjes op het fietspad langs de Ceintuurbaan Noord, op de achtergrond is het een zee van groen. Daar lagen de vele omgewaaide eiken over het kruispunt en was er geen doorkomen aan.
De vlaggenmasten van het hotel Langewold bleken ook niet bestand tegen het natuurgeweld dat zich op de dinsdagavond van 4 juni 2019 voordeed. De valwinden hadden geen enkel probleem met de palen.
Het mobiele toilet dat nabij de Gamma stond, werd ruim honderd meter verderop teruggevonden en was total loss.

Veilen in het Sieveen

In het gebied dat rondom het voormalig esgehucht de Zulte en ten noorden van het dorp Roden ligt, zijn de oude sporen van de terugtrekkende gletsjer tijdens de een-na-laatste ijstijd op veel plaatsen nog duidelijk zichtbaar. Ondanks de oprukkende woningbouw en de zeer intensieve veeteelt uit het verleden kan men met het blote oog nog de hoogten en verdiepingen in het landschap gemakkelijk waarnemen. Vanzelfsprekend geven de benamingen van de gebieden waar deze sporen voorkomen ons ook een kleine inkijk van wat de restanten van de smeltende gletsjer hier hebben achtergelaten. Zo verwijst de benaming ‘Es’ op een verhoging in het landschap, wat op een restant van een stuwwal kan betekenen en werd een depressie in het gebied doorgaans met ‘Veen’ aangeduid. Doorgaans vanwege het feit dat er vanaf het einde van de laatste ijstijd er water in bleef staan en er na verloop van tijd veen in de verdieping vormde.

Nu waren veel van de depressies in het landschap tijdens de laatste ijstijd opgevuld met onder andere zand, dat afkomstig was van het Gronings gedeelte van de Hondsrug en destijds door de poolwinden hierheen werd vervoerd en daarom niet meer als zodanig herkenbaar. De depressies in het gebied waren ontstaan door de grote hoeveelheid smeltwater dat vrijkwam, toen de grote massa landijs begon te smelten en het water zich een weg zocht naar de lager gelegen delen en hierbij grote, diepe smeltwatergeulen door het zand vormde. Samen met het smeltwater meegevoerde residu dat vrijkwam uit het landijs en de hier aanwezige keileem, ontstond er onder in de geulen een waterdichte laag.

De smeltwatergeul die achterbleef nadat de gletsjer uit het gebied verdwenen was aan het einde van het Saalien, de voorlaatste ijstijd zo’n 130.000 jaar geleden. Op de bovenstaande afbeelding is het restant van de smeltwatergeul duidelijk zichtbaar op de zogenaamde hoogte/laagte beelden (Bron: Actueel Hoogtebestand Nederland).

Dankzij deze waterdichte laag en de doorgaans geleidelijke schuine zijkanten van de voormalige smeltwatergeulen, kon het water amper of helemaal niet meer wegzakken en bleef het in de verdieping staan. Door het warmer worden van het klimaat en de toenemende neerslag, begon het gebied steeds natter te worden en stierven de aanwezige planten af. Hierop groeiden weer nieuwe planten, die vervolgens ook weer afstierven en zich ophoopten in het zuurstofarme water. Doordat de plantenresten niet werden afgebroken door de afwezigheid van zuurstof, kon er zich zo in de duizenden jaren een forse veenlaag ontwikkelen.

Inmiddels heerst er in het Sieveen een ander waterregime dan in het verleden en zie je de vernatting weer toenemen. Was vroeger nog het motto dat het water zo snel mogelijk afgevoerd diende te worden, tegenwoordig is de schouw van de sloten hier verdwenen en zie weer vochtminnende planten terugkeren in het gebied.

De in het gehele gebied aanwezige laag keileem zorgde niet alleen dat er in de depressies veenvorming kon ontstaan, maar ook dat op de natte en moerassige ondergrond planten gingen groeien, die de zeer vochtige ondergrond konden waarderen. Langzaamaan begon ook op de hoger gelegen gebieden een vorm van vegetatie te ontstaan, die voornamelijk uit mossen, grasachtige vegetatie en gewone dophei bestond; natte heide. Bomen zullen hier lange tijd niet hebben kunnen groeien en zal de struiklaag met dwergstruiken zoals de gewone dophei, struikhei en een aantal zeldzamere soorten zoals kraaihei, grote veenbes en lavendelhei het uitzicht voor een lange tijd hier hebben bepaald.

Op de oude Franse legerkaart uit 1810/1811 is goed te zien dat het gebied ten westen van het voormalig esgehucht de Zulte bestond uit immens grote, natte heidevelden. Van landbouwactiviteiten in het gebied is natuurlijk nog geen sprake. Wel is het pad duidelijk te zien waar langs de schaapskudde van de Zulte richting het noorden ging om de heide van de Markegenoten te bereiken (BronDrents Archief).

Tot ver in de negentiende eeuw bleef het gebied onberoerd en was het voor boeren te nat en te moerassig om het hier te gaan ontginnen en zodoende het vee te kunnen laten grazen. Een enkele keer zal de schaapskudde van de Zulte hier hebben gegraasd en op enkele landweggetjes na om binnen door te kunnen gaan, had de mens hier dan ook niets te zoeken. Pas halverwege de negentiende eeuw begon men in de omgeving van de huidige Toutenburgsingel voorzichtig met het ontginnen van de drogere stukken voor de landbouw en veeteelt. Echter, het gebrek aan een goed bemestingsbeleid destijds en een kortzichtige blik op de toekomst, zorgde ervoor dat ook de nattere gedeelten ontgonnen moesten worden.

Op de kaart die stamt uit 1845 laat maar weinig veranderingen zien in het gebied ten westen van het esgehucht de Zulte. (Bron: Gronings Archief).

In die tijd dat de boeren hun begerige blik op het gebied wierpen en vonden dat de natte heide niets toevoegde aan hun bedrijf, bepaalde echter het gebrek aan een deugdelijk stelsel van sloten om het water af te voeren het gebruik van het land. Langzamerhand waren de hoger gelegen gebieden inmiddels in gebruik als bouw- of weiland, maar met het lager gelegen gebied wist men vooralsnog geen raad.

Op de kaart uit 1853 zijn zowel de bouwlanden als het eerste weiland ten zuiden van de Toutenburgsingel in het Sieveen zichtbaar. Langzamerhand verlegde men de agrarische activiteiten steeds meer richting het westen. Ook is de voormalige steenfabriek ten noorden van de singel te zien (BronDrents Archief).

Rond de jaren zestig in de negentiende eeuw begon men met de daadwerkelijke ontginning van de natte heide en werd het veen, dat zich in de duizenden voorafgaande jaren had gevormd, gewonnen en als bemesting gebruik voor de hier nog te planten bomen. Waarschijnlijk stamt de naam van dit gebied, het Sieveen, dan ook uit deze tijd en zal zoveel betekenen als het naastgelegen veen in het hier gesproken Drents dialect.

De diepe sloot die langs de voormalige schapendrift en het water uit onder andere het Sieveen naar de Zulter Bitse moest vervoeren, bestaat nog steeds en heeft zijn functie als zodanig behouden. In principe heeft de sloot zijn exacte locatie behouden, echter het laatste gedeelte loopt nu richting het noorden in plaats van het zuiden. Dat gedeelte is veranderd tijdens de aanleg van de twee vijvers in het stroomgebied van de Zulter Bitse begin jaren zeventig van de twintigste eeuw.

De hier door de eigenaar aangeplante bomen bestonden uit snelgroeiende naaldbomen. Echter om het gebied geschikt te maken voor de aanplant moet de eigenaar de nodige ingrepen doen om het een en ander mogelijk te maken. Het voornaamste was het kwijtraken van het vele water dat in het gebied voorkwam. Daarvoor werd een lange en diepe sloot richting het oosten tot aan de weg in de Zulte gegraven, die vervolgens langs de weg naar het zuiden liep om in de Zulter Bitse te eindigen. Nadat de afvoersloot gereed was en al bezig was het vele water af te voeren, begonnen de arbeiders dwars op de brede sloot verzamelsloten graven waarop weer de afwateringssloten het water loosden. Dit slotenstelsel is nog steeds duidelijk zichtbaar op satellietbeelden die de hoogte in het gebied weergeven.

De afwateringssloten, die in de negentiende eeuw gegraven waren om het water af te voeren zodat de aangeplante bomen gen last van natte voeten kregen, zijn nog steeds duidelijk zichtbaar in het gebied. Weliswaar verdwijnen ze geleidelijk doordat zowel de bodembegroeiing, de mossen en de gronderosie in het gebied de sloten langzaam maar zeker opvullen.

Niet alleen de ontwikkeling van het gebied kwam in een stroomversnelling terecht, ook de vervaardiging van accurate landkaarten, atlassen en plattegronden had een vogelvlucht genomen en de cartografie bleek steeds nauwkeuriger te worden. Vanaf het begin van de twintigste eeuw waren niet alleen de gemeenten en het Kadaster de enigen met zeer nauwkeurige en duidelijke kaarten; ze waren ook voor de gewone man toegankelijk geworden. Zeker richting het einde van de twintigste eeuw ziet men een toename van topografische kaart, waarbij satellietbeelden gebruikt worden. Dankzij het gebruik van de satellietbeelden is het heden ten dage ook mogelijk om bijvoorbeeld de hoogten en de laagten in een bepaald gebied in kaart te brengen.

De veranderingen in het Sieveen die tussen 1903 en 1935 plaatsvonden, zijn op de bovenstaande topografische kaarten duidelijk zichtbaar. Langzamerhand verdwenen de productiebossen en maakten plaats voor weilanden (bron: topotijdreis.nl).

Naast het stelsel van sloten waren natuurlijk ook wegen belangrijk om het gebied bereikbaar te maken voor de arbeiders om de sloten te kunnen graven en om het pootgoed aan te voeren. Deze wegen hebben in het Sieveen tot ongeveer het begin van de jaren dertig van de twintigste eeuw gelegen en zijn na de houtkap in oktober 1930 verdwenen. Daar waar ze door een perceel bos en langs de voormalige steenbakkerij liepen, werden na 1935 in gepoot met Amerikaanse eiken (Quercus rubra). Echter, liep de aanplant op de plaats bij de voormalige steenfabriek volgens plan, bij het perceel bos bleek echter dat echter niet de Amerikaanse eik, maar de moeraseik (Quercus palustris) gebruikt was op het weggetje te beplanten.

Een medewerker heeft jaren geleden vergeten zijn schep, een zogenaamde bats, mee te nemen na zijn werkzaamheden in het bos. Na ruim veertig jaar staat deze nog steeds parmantig te wachten op de medewerker die nooit meer in dit bos zal komen en van zijn pensioen aan het genieten is.

De bossen in het Sieveen werden vanaf het begin van de twintigste eeuw gebruikt voor de houtkap en zullen vooral richting Limburg afgevoerd zijn, waar het hout in de kolenmijnen ter ondersteuning gebruikt werd. Dit zal tot begin 1931 het geval geweest zijn. Op maandag 29 september 1930 verscheen in het Nieuwsblad van het Noorden een advertentie van de dan 63-jarige Harmannus Aukema, waarin het verboden werd om nog langer gebruik te maken van het pad door het Sieveen. De op donderdag 11 april 1867 in de Zulte geboren Harmannus was een zoon van de landbouwer Roelf Jans Aukema en Everdina Harmannus Bakker en overleed op 77-jarige leeftijd op dinsdag 18 april 1944 te Roden.

Restanten van het weggetje dat in het verleden door de bossen van het Sieveen liep, zijn nog duidelijk zichtbaar in het weiland. Op de achtergrond is het bos te zien dat de bomenkap tijdens de eerste dertig jaren van de twintigste eeuw ontlopen is.

Niet alle bossen in het Sieveen werden gekapt en enkele bossen bleven staan. Deze bossen bestonden vooral uit loofbomen met hier en daar nog een enkele naaldboom. Later kwamen deze bossen, zo rond de jaren zestig van de vorige eeuw, in het bezit van Staatsbosbeheer en zijn ze daarna nog een tijd als productiebos gebruikt.

Al snel krijg je het vermoeden wanneer je het bovenstaande verhaal leest, dat vooral bosbouw dit gebied in het verleden heeft plaatsgevonden. Voor een gedeelte van het Sieveen gaat dat eigenlijk ook wel op, maar daarnaast deed veel ook van het gebied dienst als weiland. Zeker nadat landbouwer Harmannus Aukema de bossen liet kappen en het uitmuntende stelsel van sloten grote delen van het gebied redelijk droog wist te houden, deden de landerijen hier dienst als weiland. Nu waren er al delen in het Sieveen aanwezig die eerder aangelegd waren en er waren ook al in de jaren vijftig van de negentiende eeuw pogingen gedaan om hier akkerbouw rendabel te maken.

Op de satellietbeelden die het verschil in hoogte en laagte weergeven, zijn de hoogten in het noorden van het Sieveen duidelijk zichtbaar. Ligt de gemiddelde hoogte van de blauwgekleurde gebieden tussen de 2.70 en de 3.15 meter boven N.A.P., de groene delen tussen de 3.15 en 3.75 meter boven het Normaal Amsterdams Peil en de rood ingekleurde delen variëren tussen de 3.75 en 5 meter boven het al eerder vermelde N.A.P. (Bron: Actueel Hoogtebestand Nederland).

Bleef het bij de akkerbouw nog tot enkele pogingen die blijkbaar gedoemd waren om te mislukken, het aanleggen van gras- en weilanden op de hoger gelegen gedeelten bleek echter succesvol. Deze gedeelten bevonden zich in het noordelijk gedeelte van het Sieveen en maakten zoals de smeltwatergeul deel uit van de grondmorene die achterbleef na het verdwijnen van het landijs. De hoogte van verhogingen varieerde grofweg van 3,75 tot 5 meter boven N.A.P. en bestonden deels uit fijn zand. Waarschijnlijk waren ze in het verleden hoger, maar zullen de straffe poolwinden tijdens de laatste ijstijd deze hebben doen afslijten.

Al met al zat er veel historie hier in de bodem van het Sieveen en de boeren in het gebied maakten daar gebruik van. Niet dat de boeren destijds het besef hadden dat de karakteristieke ondergrond behouden moest worden voor de toekomstige generaties, nee, totaal niet. Erg begrijpelijk want de bedrijfseconomische drijfveer was in die dagen noodzakelijk om het hoofd boven het water te kunnen houden. Dat gold niet alleen voor de twee zonen van Roelof Jans Aukema, Jan Roelofs en Harmannus, maar ook voor Roelof Deodatus Pzn., die eveneens land in het Sieveen bezat. Beide heren bezaten trouwens veel grond in de omgeving van het voormalig esgehucht de Zulte rond die tijd.

In het begin van het jaar 1918 laat Roelof Deodatus Pzn. in een advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden weten dat er op de ochtend van de donderdag 17 januari van dat jaar dat hij schil-, week- en klomphout publiekelijk wenst te verkopen in het café Van der Molen in het dorp Roden, daar waar de weduwe van Roelf van der Molen, Janna samen met haar zoons met de scepter zwaaide. Het hout dat uit het Sieveen kwam, zal voornamelijk schil- en weekhout geweest zijn. Het hout dat rondom de boerderij van Baving stond, was voornamelijk zogenaamd ‘Pöppelnholt’ (populieren hout) en werd gebruikt als klompenholt (klompenhout). Er staan trouwens nog steeds behoorlijk forse populieren bij de huidige boerderij.

De advertentie die Roelof Deodatus Pzn. in de krant liet plaatsen om onder andere hout uit het Sieveen te verkopen (Bron: Zaterdag 5 januari 1918 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 12, 31ste jaargang, No. 4)

Later dat jaar, begin oktober 1918, liet Deodatus wederom een advertentie plaatsen in het Nieuwsblad van het Noorden van donderdag 3 oktober, waarin hij onder andere 4¼ hectare weiland en 1¼ hectare bouwland in het Sieveen voor maar liefst 5 jaar wenst te verhuren. Deodatus vond het blijkbaar zo belangrijk dat de interesse behoorlijk groot was, dat hij de advertentie nogmaals op zaterdag 5 oktober, woensdag 9 oktober en zaterdag 12 oktober in het nieuwsblad liet plaatsen. Het een en ander vond wederom plaats in het café van de weduwe van der Molen in Roden, nu op de woensdag 16 oktober 1918 ’s avonds om 18.00 uur. Het betrof hier de meest noordelijk gelegen percelen in het Sieveen.

De advertentie van 3 oktober 1918 waarin Roelof Deodatus Pzn. belangstellenden opriep om op 16 oktober van dat jaar te komen naar het café van weduwe van der Molen. (Bron: Donderdag 3 oktober 1918 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 6, 31ste jaargang, No. 232).

Ruim vier maanden later, op maandag 17 februari 1919, komen wij een advertentie tegen in de Provinciale Drentsche en Asser courant van de in Zuidhorn woonachtige Jan Roelofs Aukema, broer van Harmannus, waarin hij aangeeft drie percelen hakbos bij palmslag te willen verkopen in het zogenaamd Klein Sieveen. Palmslag is een gebaar waarbij koper en verkoper elkaar in de palm van de hand slaan ter bezegeling van een verkoop. De veiling van de drie percelen zouden volgens de advertentie op zaterdag 1 maart 1919 ’s ochtend om 10.00 uur plaatsvinden in het café W. Scheepstra te Roden.

De advertentie van Jan Roelofs Aukema uit Zuidhorn in de Provinciale Drentsche en Asser Courant waarin hij laat weten drie percelen met hakhout in het Klein Sieveen te willen verkopen (Bron: Maandag 17 februari 1919 Provinciale Drentsche en Asser courant, Pagina 4, 96ste jaargang, No. 40).

Het Klein Sieveen was het gedeelte dat in het midden in het Sieveen lag, zoals op de onderstaande kaart uit 1926 te zien is. Het meest noordelijk gelegen perceel met het nummer 31 bestond uit zowel dennen en loofhout en was 1.4870 hectare groot, percelen 32 en 33 waren respectievelijk 0.9380 en 0.4520 hectare groot en bestonden beiden uit hak- en ingepoot bos. Voor Aukema zal het een mes geweest zijn die van twee kant sneed; geld verdienen aan het verkopen van hout en dan de percelen wederom verpachten als weiland.

Op de bovenstaande kaart zijn de drie percelen te zien waar in 1919 nog bos stond en rond dit tijdstip inmiddels als weiland in gebruik waren genomen (bron: topotijdreis.nl).

Het land in het Klein Sieveen was na de houtkap weliswaar weiland geworden en er lag een goed werkend stelsel van sloten, toch bleef het land er in de nattere seizoenen op veel plaatsen nog behoorlijk drassig. Tot ver in de jaren zeventig van de vorige eeuw was dit zeker het geval en moest de eigenaar van het land, Job Dijk uit de Zulte, er beducht op zijn dat er tijdens het hooien niet met tractor en boerenwagen stil werd gestaan. De kans was enorm groot dat de wagen vast kan te zitten. Daarom zorgden zijn zonen Gerrit en Wietse ervoor, dat er nooit meer dan twee lagen hooipakjes op de boerenwagen werden gestapeld.

Het Klein Sieveen op een winterse dag aan het einde van het jaar 2014. Langzamerhand krijgen de inheemse wilde planten weer grip op het gebied. Doorgaans zijn het wel de vochtminnende planten die zich hier enorm thuis voelen.

Nu was de akkerbouw in het Sieveen niet echt succesvol, maar zo nu en dan deed men toch weer een poging iets te verbouwen. De heer G. D. Boswijk, notaris te Roden, liet in het jaar 1928 een advertentie laten plaatsen in het Nieuwsblad van het Noorden van Zaterdag 7 juli voor een aantal landbouwers uit de omgeving van het prachtige Noord-Drentse dorp Roden. De al eerder aangehaalde Harmannus Aukema deed ook mee en probeerde tijdens de publieke verkoping die op de vrijdagmiddag van 13 juli 1928 in het Café van H. M. de Vries te Roden een perceel Zwarte Orion haver in het Sieveen te verkopen.

De advertentie die verscheen in het Nieuwsblad van het Noorden van zaterdag 7 juli die geplaatst was in opdracht van de Roner notaris G. D. Boswijk. (Bron: Zaterdag 7 juli 1928 Nieuwsblad van het Noorden, Pagina 19, 41ste jaargang, No. 159).

Harmannus Aukema had het in die dagen druk als boer met het een en ander te regelen. En er moest natuurlijk brood op de plank komen, dus er diende geld verdiend te worden. Door onder andere de toenemende kolenwinning in Zuid-Limburg steeg de vraag naar hout in heel Nederland en ach, Harmannus had nog wel ’n paar bunder hakbos staan. Nu was het op stel en sprong kappen van de bomen om snel een paar guldens aan het hout te gaan verdienen en dan zo snel mogelijk van de percelen gras- of weilanden maken niet zo maar gedaan.

De advertentie die Harmannus Aukema in het jaar 1930 tweemaal liet plaatsen in het Nieuwsblad van het Noorden (Bron: Maandag 29 september 1930 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 11, derde blad, 43ste jaargang, No. 229).

Het gebied was inmiddels ontdekt door de wandelaars en de dagjesmensen, die enorm van dit gebied konden genieten. Daarnaast was het voor velen een binnen doorweggetje geworden om de Toutenburgsingel te bereiken, om vervolgens dan richting Terheijl, Leek of Nietap hun weg te vervolgen. Nadat Aukema in 1930 alles geregeld had voor de bomenkap in het gebied, plaatste de landbouwer eind september van dat jaar een advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden, waarin hij liet weten dat met ingang van 4 oktober het Sieveen voor iedereen verboden was. Twee dagen later, woensdag 1 oktober, werd de advertentie nogmaals geplaatst.

Dit maal was het de landbouwer Roelof Deodatus Pzn. die de notaris Boswijk uit Roden een advertentie liet plaatsen in het Nieuwsblad van het Noorden op zaterdag 7 februari 1931 (Bron: Zaterdag 7 februari 1931 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 26, zevende blad, 44ste jaargang, No. 32).

Notaris Boswijk uit Roden had het in die jaren niet alleen druk met regelen van de vele verkopingen, ook het organiseren van het verhuren en/of het verpachten ging gewoon door. Ook Roelof Deodatus Pzn. deed zijn best om de notaris bezig te houden in het begin van de jaren dertig. Zoals Aukema dat al eerder had laten doen, liet Deodatus de notaris eveneens een advertentie opstellen waarin hij een huis en twee percelen weiland te huur aanbood. De advertentie verscheen in het Nieuwsblad van het Noorden van zaterdag 7 februari 1931. Een van de percelen was circa vier hectare groot en lag in het Sieveen. Waarschijnlijk begon men zich nu wel aan de kadastrale indeling uit 1832 te houden en ineens ligt het Sieveen in Terheijl. De gesloten briefjes dienden voor of op woensdag 18 Februari 1931 bij de notaris te worden ingeleverd.

De advertentie die de twee notarissen voor Deodatus hadden opgesteld en die eerst op zaterdag 28 november en daarna weer op 5 december in het Nieuwsblad van het Noorden verscheen. (Bron: Zaterdag 28 november 1936 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 24, zesde blad, 49ste jaargang, No. 282).

Bijna vijf jaren later heeft Deodatus weer een klusje voor de notaris Boswijk uit Roden. Voor vrijdag 11 december 1936 ’s middags om 15:00 uur staat een evenement gepland in het hotel van der Molen te Roden, waarbij publiek bij inzate een paar boerenbehuizingen, diverse percelen heide, bouw-, hooi-, en weilanden worden geveild. Een beste klus die de Roner notaris niet in zijn eentje doen kan en daarom hulp krijgt van zijn collega F. R. M. Th. Gouverne uit de stad Groningen. De advertentie voor de veiling verschijnt zaterdag 28 november voor het eerst in het Nieuwsblad van het Noorden en een week later, zaterdag vijf december 1936, werd de advertentie nogmaals herhaald.

Waarschijnlijk had men de inhoud van de verkoping/aanbesteding in de advertentie beperkt tot de hoofdpunten en wilde men meer informatie, dan was men genoodzaakt de zogenaamde veilingboekjes voor 10 cent aan te schaffen. Daarnaast had men ook op het kantoor van de notaris een kadastrale kaart ter inzage liggen. De samenvatting in de krant was echter wel een goede suggestie wanneer men er belang bij had om landerijen van Deodatus te gaan kopen. Een andere en zeker niet een mindere opmerking in deze advertentie was toch wel, dat de betaling op 1 mei 1937 diende te geschieden. Niet geheel verwonderlijk, blijkbaar zat Roelof Deodatus Pzn. toch behoorlijk om geld te springen.

De afloop van verkoop en aanbesteding die 11 december 1936 plaatsvond in hotel van der Molen te Roden. Op de drie percelen had Jacob Siegers uit Roden 5580 gulden ingezet (Bron: Zaterdag 12 december 1936 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 10, derde blad, 49ste jaargang, No. 294).

Een week later nadat de tweede advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden van 5 december was verschenen, werd in de krant van vrijdag 12 december 1936 de afloop van de verkoping en aanbesteding bekend gemaakt door de twee notarissen Boswijk en Gouverne. De veiling van de percelen vond in het hotel van der Molen in Roden plaats. Het kavel D omvatte drie percelen weiland in het Sieveen ter grootte 6,163 hectare: perceel 11, weiland Sieveen 2,063 hectare, perceel 12, weiland Sieveen 1,4 hectare, en perceel 13, weiland Sieveen 2,7 hectare. In de aankondiging advertentie stond echter het foutieve getal: D. Weiland “Sieveen” , groot 6,153 hectare, minder dan de daadwerkelijke oppervlakte.

De aankondiging in de krant dat op 22 december 1936 in hotel Zuiderveld te Roden een belangrijke verkoping plaats zal vinden (Bron: Zaterdag 19 December 1936 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 23, zesde blad, 49ste jaargang, No. 300).

Voor de drie percelen weiland in het Sieveen had de dan 45-jarige uit Roden afkomstige Jacob Siegers ingezet op een totaalbedrag van 5580 gulden. Vervolgens gingen de twee notarissen weer naar het Nieuwsblad van het Noorden en lieten zij een advertentie plaatsen in de zaterdageditie die op de zaterdag 19 december verscheen. Hierin stonden de weer de aangeboden kavels, maar nu met de ingezette bedragen. Over het kavel D., een weiland in het Sieveen, groot 6,168 hectare vermeld de advertentie dat deze is ingezet op f 5580,-. En weer zal het ondeugende zetduiveltje bij de krant zijn slag hebben geslagen, nu wordt het kavel weer groter aangeven dan deze werkelijk is.

Het een en ander zou volgens de advertentie publiek bij palmslag verkocht worden op dinsdag 22 december 1936 om drie ’s middags in het hotel Zuiderveld te Roden. Voor de rest wijkt deze advertentie maar weinig af van de advertentie die eerder op 28 november verscheen, echter dat het nu in hotel Zuiderveld in plaats van hotel van der Molen plaatsvond en de ingezette bedragen stonden nu bij de kavels.

Uiteindelijk heeft niet Jacob Siegers uit Roden de drie percelen in het Sieveen gekocht, maar ene J. A. Meijer wonende te Eenrum (Gr.) (Bron: Woensdag 23 december 1936 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 6, tweede blad, 49ste jaargang, No. 303).

In het Nieuwsblad van het Noorden die op woensdag 23 december 1936 verscheen, deden de twee notarissen verslag van de belangrijke palmslag in Roden. Naast de andere kavels werden ook de drie percelen weiland, kavel E., verkocht. Had de Roner Jacob Siegers nog ingezet op 5580 gulden voor de drie weilanden, het was de uit het Groningse Eenrum afkomstige J. A. Meijer die met de drie percelen aan de haal ging. De Ainrumer kon maar liefst 8300 gulden gaan betalen voor de drie weilanden in het Sieveen.

Ruim vier jaren later komen we Roelof Deodatus Pzn. weer tegen in het Nieuwsblad van het Noorden. Nu in een advertentie van de Roner Notaris G. D. Boswijk, waarin hij voor meerdere eigenaren van percelen met bos aangeeft dat er op maandag 20 januari 1941 een grote bosverkoping plaats zal vinden in het café van J. Scheepstra nabij de kerk in Roden. De notaris omschreef het als volgt: ‘Voor den heer R. Deodatus Pzn. te Zulte: 2 perceelen bosch in het Sieveen, afk. van H. Deodatus’.

De advertentie van notaris Boswijk waarin hij voor een aantal eigenaren bos te koop heeft gezet (Bron: Zaterdag 18 januari 1941 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 16, vierde blad, 54ste jaargang, No. 15).

Noordeindiger Kampen.


Aan het einde van de zeventiende en tot ver in de achttiende eeuw bestond het dorp Roden in de archieven van het haardstedenregister uit meerdere zogenaamde ‘buurschappen’. In de registratie van het haardstedengeld uit 1691 van het kerspel Roden, dat ook wel schoorsteengeld genoemd werd en gezien kan worden als een vroege vorm van de huidige onroerende-zaakbelasting (OZB), komen wij de volgende buurschappen tegen: Suijdeijnde, Westeijnde, Oosteijnde, Lijveren, Steenbergen, Sulte, Lootinghewolde en Foxwolde. De buurschappen Roderwolde, Zanbuir en Mathuisen vormden een eigen kerspel, dat de naam Roderwolde droeg.

Het dorp Roden op de oude Franse legerkaart. Op de kaart is onder andere de Boschkampe afgebeeld, net zoals de Roder Moolen en de Speiker. Op de plaats waar de molen eens stond, bevindt zich vandaag de dag het kerkhof. De Speiker is de huidige de Spijker, een schoutsboerderij die nabij huize Mensinge en die sinds het midden van de zeventiende eeuw aan de Spijkerzoom staat (Kaart: Drents Archief).

Een buurschap of boerschap verwijst naar een samenwerking van de bewoners en ontstaan zijn op de best bewoonbare plaatsen rond de dertiende eeuw, die destijds omringd waren met bossen, heidevelden en hooilanden. De ingezetenen van de buurschap werden buren, boeren of bourmannen genoemd. Hiertoe behoorden ook keuterboeren en ambachtslieden. De acht buurschappen in het kerspel Roden werden bestuurd door de erfgenamen of eigenerfden, die afstamden van de oorspronkelijke bewoners die op de grootste boerderijen woonden. De erfgenamen en de overige ingezetenen van de buurschap vergaderden op de buursprake.

De vier buurschappen Suijdeijnde, Westeijnde, Oosteijnde en Rhoden vormden na 1742 samen het dorp Roden binnen het kerspel. De andere vijf buurschappen lagen om het dorp Roden heen. In de directe omgeving van de buurschappen van het dorp lagen een aantal landerijen die al dan niet omheind waren en de naam droegen van het buurschap, met uitzondering van het buurtschap Suijdeijnde. De landerijen werden ‘kampen’ genoemd en droegen dus de naam van het buurschap dat nabij lag, een eigenaar of een gebeurtenis dat in de directe nabijheid plaatsvond. Ook de ligging zoals bijvoorbeeld in het noorden van een buurschap of het dorp kon een naam opleveren.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is 1811-kaart.jpg
Op de Franse legerkaart die in de periode 1811-1813 door de Franse landmeters was opgemeten, zijn de zes huizen te zien, die destijds de Noordeindiger Kampen vormden. Tevens is de scherpe bocht naar het zuiden, richting Roden dus, goed zichtbaar. Deze bocht werd in de twintigste eeuw ook wel de Bechtbocht genoemd, vernoemd naar de apotheker die naast de bocht woonde  (Kaart: Drents Archief).

Zo kwam in het zuiden van het buurschap Sulte, het latere de Zulte, onder de es met de naam Körtakkers een aantal percelen met woningen voor, die de naam ‘Noordeindiger Kamp of Kampen’ droegen. Deze lagen grofweg op de plaats waar zich tegenwoordig de straten Leeksterweg, Heerestraat, Meidoornlaan, Bloemstraat, Kanaalstraat en de Zulthereschweg bevinden. De zes woningen die de Noordeindiger Kampen vormden, lagen in het Noordeinde op de plaats waar in de twintigste eeuw de huidige Leeksterweg, Schoollaantje en de Zulthereschweg samenkwamen.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is 1832-kaart-kampen.jpg
De uit de drie delen bestaande Sectie I genaamd de Zulte samengestelde kaart van de Noordeindiger Kampen. De kaart schetst de situatie rond het jaar 1832 ten noorden van het dorp Roden. Ook het pleintje waarom heen de woningen staan is duidelijk zichtbaar (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).

Op deze plaats die ten oosten van de toenmalige Boschkampe lag, bevond zich tot ver in de negentiende eeuw eveneens een klein pleintje of vlakte, die wij gerust als een kleine brink kunnen omschrijven. Tijdens de volkstellingen uit de jaren 1830 en 1840 van de inwoners in het dorp Roden werd dit gebied samengevoegd met het Westeinde en omschreven als het ‘West- en Noordeinde’.

Eigenlijk heeft het Kadaster na het inmeten van het gebied rondom het dorp Roden de toenmalige gemeente in verschillende secties opgedeeld, die vervolgens weer uit een aantal bladen bestond. Zo bestond Sectie I genaamd de Zulte uit 3 bladen en besloeg deze sectie een groot deel van het dorp Roden. De percelen die binnen de sectie I vielen, kregen dan ook een nummer dat begon met de hoofdletter I. Voor de huisnummers maakte de sectie en het perceelnummer niets uit, doorgaans gebruikten de ambtenaren de straat- of de streeknaam van het gedeelte waar de bebouwing voorkwam.

Het eerste huis dat wij tegen kwamen als wij rond 1830 op de nieuwe weg naar Roden vanuit het westen richting het oosten via het Noordeinde waren gelopen of per wagen het pand hadden gepasseerd, behoorde volgens de gegevens het Kadaster toe aan ene Klaas Geerts. Klaas Geerts was reeds in 1821 overleden en zijn 55-jarige zoon Lambartus Klasens Mederoos, zijn negen jaar oudere vrouw Siewke Alderts en hun kinderen Klaas Lambs (30) en Jantje Lambs (26) waren nu de hoofdbewoners van het pand volgens de gegevens van de volkstelling uit 1830 die plaatsvond in het toenmalige dorp Roden. Het huis bevond zich volgens het archief in het West en Noordeinde te Roden droeg het nummer 215.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is 1832-huis_215.jpg
De twee percelen van de familie Mederoos zijn door een rode lijn omgeven en droegen in 1832 de perceelnummers I-314 en I-315 (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort)

Kadastraal gezien bevond het pand zich op het eerste blad van Sectie I van de gemeente Roden genaamd de Zulte en droeg het perceel het nummer I-314. Het perceel I-315 was eveneens in het bezit van de familie Mederoos en deed dienst als tuin. Het pand en de tuin bevonden zich op de plaats waar tegenwoordig de huizen en tuinen met de nummers 12 tot en met 16 aan de huidige Leeksterweg staan.

Het huidig uitzicht over de Leeksterweg die rond 1830 nog de weg naar Roden werd genoemd. In de verte is nog de zogenaamde Bechtbocht te zien. Deze bocht had zijn naam te danken aan de apotheker die hier in de twintigste eeuw zijn apotheek had staan.

Waarschijnlijk is dit de locatie die de korvenmaker Gerrit Joris vanaf het jaar 1770 van Coenraad Wolter Ellents pachtte en deze in 1785 diende te verlaten. Over het dispuut en de korvenmaker kunt u hier meer lezen: Gedonder in de Noordeindiger Kampen. Het perceel ten westen van het huis met het kadastraal nummer I-313 bleek volgens het archief van het Kadaster nog steeds in het bezit van de familie te zijn. De eigenaar van het weiland was destijds de weduwe van de in 1823 overleden Jan Wilmsonn Kymmell, Alida Gezina Willinge. Zoals het toen gebruikelijk was, zal het weiland in het 1832 verpacht zijn aan een arbeider of een landbouwer.

Als wij de weg richting het oosten vervolgen komen wij na zeventig meter aan onze linkerzijde een grote boerderij tegen waar het gezin van de 44-jarige landbouwer Sikke Theodoris Huberts woont. Sikke Theodoris is een zoon van Theodoris Huberts die op dat moment op nummer 196 in het Oosteinde als schoenmaker zijn kost verdient. De landbouwer woont samen met zijn acht jaar jongere en in de Zulte geboren vrouw Marchien Stoffers Rozema. Het echtpaar had op het moment van de volkstelling in het jaar 1830 vier kinderen in huis, te weten: Eltien (1822), Geertien (1824), Hinderkien (1826) en Roelfien (1828). Hun eerste kind, Theodorus, werd geboren op 31 maart 1821 en overleed 3 maanden later. Dat het gezin voor juli 1830 meegenomen werd in de volkstelling van dat jaar, is te zien in de archieven waar de op twee juli in Roden geboren dochter Lammechien niet vermeld werd.

De op het oog drie percelen van de landbouwer Sikke Theodorus Huberts zijn door een rode lijn omgeven en droegen in het archief van het Kadaster uit 1832 de perceelnummers I-801 en I-802. Echter het perceel I-801 werd omschreven als huis en erf en vormde zo 1 perceel (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort)

Naast de kinderen woonden ook de 30-jarige in Leek geboren Tjeetske Pieters en arbeidster Helena Johannes de Boer, 46 jaar oud, weduwe van de in 1826 in Leutingewolde overleden landbouwer Klaas Louwes Klaassens samen met haar in 1818 geboren zoon Jacob Klaassens bij het gezin Huberts in.

De woning kreeg bij de volkstelling in 1830 het nummer 224 en bevond zich in het Noordeinde op het kadastraal perceel I-801, huis en erf. Het naast liggend perceel bouwland I-802 was ook in het bezit van de landbouwer. Op de huidige plaats waar zich de woning en het naastliggend perceel bouwland bevonden rond 1832, staan nu de vier huizen langs de Leeksterweg genummerd 1 tot en met 7. Aan de oostelijke grens van het toenmalige perceel staan nu drie huizen langs de Zulthereschweg met de nummers 2, 4 en 6.

De situatie zoals deze tegenwoordig voorbij de Bechtbocht in de Leeksterweg is. Vanaf deze locatie is de plaats waar in de negentiende eeuw de boerderij en het bouwland van Sikke Theodorus Huberts zich heeft bevonden, te zien. Het spreekt voor zich dat er niets meer zichtbaar is, dat wijst op de aanwezigheid van de landbouwer Huberts.

Tegenover het huis waar het gezin van de landbouwer Sikke Theodoris Huberts woont, aan de overzijde van het zandweggetje dat richting de Körtakkers voert dus, bevindt zich de woning van de familie Beuving met het huisnummer 225. De op woensdag 21 oktober 1789 te Roden geboren landbouwer Jan Lamberts Beuving woont hier in het jaar 1830 samen met zijn vier jaar jongere en in Norg geboren vrouw Jacobje Jans Hofman en hun vier kinderen: Trientje Jans (12), Fokkien Jans (10), Marchien Jans (7) en Lambert Jans (2). De op dinsdag 11 januari 1825 geboren zoon Jan Jans komen wij niet tegen, daar de kleine jongen reeds op vierjarige leeftijd kwam te overlijden op zondag 27 december 1829. Het kwam nogal eens voor bij de volkstellingen dat reeds een jaar eerder begonnen werd met het tellen en dat een overleden inwoner nog voorkwam in de papieren en daarom mee werd geteld.

Het perceel waarop zich de woning van Jan Lamberts Beuving bevond is door een rode lijn omgeven en droeg in het archief van het Kadaster uit 1832 de perceelnummer I-796 en werd omschreven als huis en erf (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).

De in de archieven van het jaar 1817 nog als dienstknecht omschreven Jan Lamberts Beuving, sluit op zondag 6 september 1863 in het dorp Roden met de leeftijd van 73 jaar en 10 maand en 15 dagen voor altijd zijn ogen en wordt een dag later als zijnde overleden bijgeschreven in het register van de burgerlijke stand met het aktenummer 25. De in het dorp Norg geboren echtgenote van Jan Lamberts, Jacobje Jans Hofman overlijd bijna vier jaren later op 77-jarige leeftijd op zaterdag 8 juli 1871 te Roden.

De als landbouwer door het Kadaster omschreven Jan Lamberts Beuving bezat toch nog een aantal forse percelen nabij zijn huis: I-797 tuin, I-799 weiland en I-800 bouwland. De beste man werd echter bij de volkstelling van 1830 door de gemeentelijke ambtenaren gezien als arbeider. (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).

Logementhouder Thijle Geerts Krijthe en zijn vrouw Berendje Voget bezaten in grote delen rondom het dorp Roden stukken grond en huizen, die zij verpachten en hierdoor naast de kroeg ook nog andere inkomsten kregen. Rond 1832 komen wij dan ook nog met enige regelmatig onroerende goederen tegen in de archieven die in het bezit waren van de weduwe van Thijle Geerts Krijthe, Berendje Voget.

De huidige plaats waar de Zulthereschweg en het Schoollaantje samenkomen. In het verleden bevond zich hier een zandpaadje dat richting het oosten ging.

Een van deze panden die in het bezit waren van de familie Krijthe, lag op zo’n twintig meter afstand van het huis van Jan Lamberts Beuving richting het zuiden in het Noordeinde. De percelen I-446 (tuin) en I-447 (huis en erf) waren verpacht aan de op zondag 20 oktober 1799 te Roden geboren Jan Geerts Boer. Boer stond te boek als een ‘schatter van slagtvee’, iemand die de waarde van het slachtvee taxeerde, en hij woonde hier met zijn vrouw Bougien Harms Kramer en zeven kinderen. Daarnaast komen wij in de papieren van 1830 ook nog de dan 59-jarige Katrina Hessels tegen, die dan daar inwonend is. Tien jaar later woont ze bij Ananias Brink in het huis aan het Zuideinde 144. Het betreft hier echter Catharina Hessels die op donderdag 1 februari 1770 te Roden als dochter van Carel Walraven Hessels en Egberdina Sleurmans geboren werd.

Als wij in het jaar 1832 de zandweg richting het zuiden oversteken, komen wij bij het huis uit waar de schatter van slachtvee Jan Geerts Boer met zijn gezin woonde. Het huis, erf en tuin waren in bezit van de weduwe van logementhouder Thijle Geerts Krijthe, Berendje Voget. (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).

Jan Geerts Boer was op woensdag 5 mei 1824 met de 23-jarige Bougien Harms Kramer te Roden getrouwd en ze kregen samen dus zeven kinderen: Grietien Jans Boer (1824), Geert Jans Boer (1826), Harm Jans Boer (1828), Aaltien Jans Boer (1830), Harmina Jans Boer (1833), Jan Jans Boer (1835) en Hindrik Jans Boer (1838). Lang kon Jan Geerts niet genieten van het laatste kind, bijna een jaar later op de woensdag 6 maart 1839 verwisselde hij in het bed het tijdelijke met het eeuwige leven. Bougien overleed bijna 41 jaren later op maandag 1 maart 1880 op 79-jarige leeftijd in Foxwolde.

De twee percelen, I-446 (tuin) en I-447 (huis en erf), die Jan Geerts Boer van Thijle Geerts Krijthe had gepacht (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).

De Hervormde Gemeente in het dorp Roden deed in het verleden veel om de ellende van de hulpbehoevende gemeenteleden te verzachten en had tot ongeveer eind 1859 behoorlijk wat onroerende goederen in haar bezit. Daarnaast waren er mensen binnen de Hervormde Gemeente die zich voor de minder bedeelden in wisten te zetten en zodoende leden van de kerkenraad waren; diaconen. Doorgaans wisten de diaconen een beroep te doen op de liefdadigheid van de wat beter gesitueerden, om zodoende ruimschoots de armen te kunnen helpen. In de Nederlandsche Encyclopedie van Winkler Prins uit 1870 werden deze mensen zo omschreven: “Een menschlievend diacon, die het vertrouwen der gemeente bezit, kan veel smart verzachten”.

Een advertentie van de Diaconen der Hervormde Gemeente Roden in de Provinciale Drentsche en Asser courant van 8 november 1859 waarin zij aangeven hun bezittingen in en rondom het dorp Roden te willen verkopen (Bron: Provinciale Drentsche en Asser courant, nummer 134, 8 november 1859, vierde blad, gedrukt bij Gratama te Assen).

Wanneer wij door het Noordeinde van 1832 ruim 40 meter richting het westen gaan, lopen wij voorbij het huis met het nummer 227. Het huis met de tuin dat hier destijds stond behoorde ook tot het bezit van de Hervormde Gemeente en werd rond 1830 verpacht aan de op de dinsdag 3 oktober 1787 te Lieveren geboren en een week later gedoopt in de Nederlands hervormde kerk van Roden arbeider Klaas Jans Ananias. Ananias was op woensdag 28 mei 1817 in het huwelijk getreden met dan 19-jarige Aaltien (Aaltje) Tjipkes Scheepstra uit Roden.

Het bezit van de Diaconie van de Hervormde Gemeente in Roden dat rond 1830 verpacht werd aan Klaas Jans Ananias en zijn vrouw. (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).

Klaas Jans en Aaltje Tjipkes pachten het huis (I-443) en tuin (I-444) van de Diaconie Roden en woonden hier rond 1830 met hun kinderen Annechien (1820), Ananias (1822), Jantien (1825), en Tjipke (1828). Hun eerste zoon, ook Ananias geheten, was in het jaar 1818 geboren maar kwam al in het begin van 1822, 3 jaar en 8 en 11 dagen maanden oud, in Roden te overlijden. Klaas Jans Ananias overleed op donderdag 10 september 1863 te Roden en Aaltje volgde haar echtgenoot op zaterdag 22 maart 1873 eveneens in Roden.

Op de kadastrale kaart van 1832 zijn de twee percelen tuin (I-316) en huis & erf (I-318) door een rode lijn omgeven. Het huis dat op papier dan nog eigendom is van de vader van de arbeider Harm Geerts Noord, Geert Klaassens van der Oor. Van der Oor die dan nog in het Oosteinde woont, zal later samen met zijn vrouw bij het gezin van zijn zoon intrekken. Tegenwoordig heeft de huidige locatie het nummer Heerestraat 228 (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).

Het laatste huis dat wij tegenkomen in de Noordeindiger Kampen ligt een kleine tien meter ten westen van het huis van Klaas Jans Ananias. Het huis met het nummer 214 was eigendom van de Roner landbouwer Geert Klaassens van der Oor en zijn uit Hoogkerk afkomstige vrouw Freerkien Harms. Geert Klaassens woont in het jaar 1830 nog in het Oosteinde op nummer 186 en zijn zoon Harm Geerts Noord woont samen met zijn eveneens in Roden geboren vrouw Annechien Scheepstra Tjipkes en hun drie kinderen Freekien Harms van 5 jaar, Sabe Harms van 3 jaar en de vier maanden oude Geert Harms, in het huis van zijn ouders in het Noordeinde.

Een luchtfoto van het gebied waar de Noordeindiger Kampen eens hebben gelegen. In de tegenwoordige tijd is er niets van het gebied over en is hier zoveel gegraven en veranderd, dat de mogelijkheid bestaat om hier nog heel oude sporen uit het verleden te vinden heel erg klein is (bron: topotijdreis.nl)

Het huis en de tuin van de landbouwer Geert Klaassens van der Oor bevonden zich op de kadastrale percelen met de nummers I-316 (tuin) en I-318 (huis & erf). Van der Oor overleed op 84-jarige leeftijd te Roden op zondag 31 januari 1864, bijna 18 jaren later dan Freerkien Harms, die reeds op de woensdag 3 juni van het jaar 1846 haar ogen op 74-jarige leeftijd voor het laatst sloot.

Zulte 37; Sinninges in de Zulte.

Op dinsdag 29 april 1845 verschijnt er in de Groninger courant, het algemeen dagblad voor de stad Groningen en Ommelanden dat inmiddels in zijn 104e jaargang zit, een oproep van de uit Norg afkomstige notaris Mr. Nicolaas Wilhelm Schroeder Hofstede tegen, die hij een dag eerder had opgesteld in zijn kantoor. Mr. Hofstede verzoekt een ieder die nog iets te vorderen heeft of verschuldigd is aan de wijlen Jacob Jans Sinninge en Janke Piers Holtrop, binnen een maand de opgave van de schulden of de betaling van het verschuldigde te doen bij zijn kantoor in Norg. Dit dient echter wel op de maandagen te gebeuren, daar de notaris dan in zijn kantoor zal vaceren (zitting houden) om vervolgens na die periode tot Likwidatie (liquidatie) te kunnen overgaan.

De oproep die notaris Mr. Nicolaas Wilhelm Schroeder Hofstede in de Groninger Courant van dingsdag 29 april 1845 doet. Destijds schreef men nog ‘dingsdag’ in plaats van ‘dinsdag’ zoals wij dat heden ten dage doen. (Bron: Groninger Courant, 29 april 1845, vierde blad, te Groningen bij C. M. Bolhuis Hoitsema, Boekdrukker).

Het betreft hier de op vrijdag 11 april 1845 overleden landbouwer Jacob Jans Sinninge die samen met zijn vrouw Janke Piers Holtrop in de Zulte op de boerderij met het huisnummer 37 woonde. Naar alle waarschijnlijkheid was Jacob Jans samen met zijn broers en zuster Steven Jans, Geert Jans, Jantien Jans en Hinderk Jans gemeenschappelijke eigenaren van het pand geworden nadat aan hun ouders Jan Jacobs en Grietjen Geerts in respectievelijk 1809 (moeder) en 1810 (vader) waren overleden. Dit impliceert ook waarom de notaris Hofstede het over de ‘Mandeeligen Boedel’ heeft. Mandeligheid ontstaat, wanneer een onroerende zaak gemeenschappelijk eigendom is van de eigenaars van twee of meer erven en door hen tot gemeenschappelijk nut van die erven wordt bestemd. Mandeligheid impliceert dus ook gemeenschappelijk eigendom.

De grote boerderij waar Jacob Jans Sinninge en zijn vrouw Janke Piers Holtrop woonde in de Zulte. Voor Jacob Jans woonden zijn ouders Jan Jacobs en Grietjen Geerts in de kapitale boerderij. (Kaart 1832Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort)

Na de volkstelling van 1840 verblijven er in het huis dat dus het huisnummer Zulte 37 draagt en kadastraal ingedragen stond als Roden I-166, huis en erf, vijf personen. Het echtpaar dat kinderloos was gebleven, Jacob Jans was 50 jaar en Janke Piers 44 bij hun huwelijk, maar had de zorg op hun genomen voor de toen twaalfjarige Wieger Hindriks Holtrup. Zoals het wel vaker in die tijd gebeurde, was de naam van Wieger Hendriks Holtrop dus net even anders geschreven dan het hoorde. De jongen was het jongste kind van Janke Piers haar broer Hendrik Piers Holtrop en zijn vrouw Lutske Derks Hummel. Het kind was op donderdag 1 februari 1827 in Marum geboren, zeven maanden voor het overlijden van de 54-jarige Hendrik Piers op dinsdag 11 september 1827, eveneens te Marum. Naast Jacob Jans, Janke Piers en Wieger Hendriks woonden de boerenknecht Fokke Louwes Hummel en de dienstmeid Annechien Hindriks Warners eveneens in het huis.

De vermelding van Jacob Jans Sinninge, Janke Piers Holtrop, Fokke Louwes Hummel, Annechien Hindriks Warners en Wieger Hindriks Holtrup tijdens de volkstelling uit 1840. (Bron: Drents Archief. Roden, Volkstelling, 1840 (toeg. 2001.21; nr. 2)).

Zo’n anderhalf jaar later, in november van het jaar 1846, plaatst notaris Mr. Nicolaas Wilhelm Schroeder Hofstede zowel in de Drentsche Courant als in de Groninger Courant namens de erven van Jacob Jans Sinninge, een advertentie met de mededeling dat zij voornemens zijn om de boerenplaats en de bijbehorende landerijen te gaan verkopen. De boerenplaats bestond destijds uit een grote boerderij, een erf en een bijbehorende boomgaard. Op de kadastrale kaart uit 1832 is duidelijk te zien dat het inderdaad een fors gebouw is dat dienst deed als boerderij. Op de kadastrale kaart die uit het jaar 1887 stamt, is de kapitale boerderij verdwenen en staat er nu een veel kleiner gebouw. Een deel van de landerijen waaronder opgaand bos, tuin, bouw- en weilanden bevonden zich in de directe omgeving van het erf.

De advertentie in de Drentsche courant van vrijdag 6 november 1846, waarin kenbaar wordt gemaakt dat de boerenplaats, de bouw-, hooi- en weilanden, bossen en heidegronden van wijlen Jacob Jans Sinninge door de erven te koop worden aangeboden. (Bron: Drentsche Courant, 6 november 1846, vierde blad, te Assen, bij van Gorcum en Comp., Provinciale Drukkers).

De inzate (inzet bij een verkoping van onroerend goed) vond op woensdag 18 november ‘s ochtend om 10 uur plaats in de herberg van Harm Schuring in Roden, ongeveer op de plaats waar nu de ‘Pompstee’ staat. Harm Schuring was naast logementhouder ook de schoonzoon van Berendje Voget, de weduwe van Thyle Geerts Krijthe, die eveneens logementhouder tijdens zijn leven was geweest. Daarnaast was de beste man ook nog eens een bierbrouwer geweest. Maar goed, terug naar Harm Schuring die door zijn huwelijk met Margaretha van Baden Krijthe en na het overlijden van Berendje eigenaar van het pand was geworden. Het wrange aan het geheel was dat zijn vrouw Margaretha een half jaar voor de verkoping, op vrijdag 15 mei 1846, was overleden.

De advertentie van de notaris Hofstede die dinsdag 10 november 1846 in de Groninger Courant verscheen. (Bron: Groninger Courant, 10 november 1846, vierde blad, te Groningen bij C. M. Bolhuis Hoitsema, Boekdrukker).

De omgeving van het voormalig esgehucht de Zulte zag er rond het midden van de jaren veertig tijdens de negentiende eeuw er heel anders uit dan heden ten dage. Veel van de bossen, bouw-, hooi-, weide- en heidegronden zijn inmiddels verdwenen en hebben plaatsgemaakt voor woningbouw. Het bosje aan de Postemastraat is slechts een van de weinige overblijfselen die eens tot het bezit van Jacob Jans Sinninge behoorde. Vermoedelijk zijn vrijwel alle 25 bunders aan landerijen verkocht tijdens de verkoping. De meeste kopers zullen doorgaans landbouwers uit de omgeving van het dorp Roden zijn geweest die de kans schoon zagen om hun bezittingen uit te kunnen breiden.

Op de kadastrale kaart uit het jaar 1887 is goed te zien dat de kapitale boerderij is verdwenen en plaats heeft gemaakt voor een kleiner gebouw. (Bron: Drents Archief).

Niet alle gronden die Jacob Jans in de Zulte gebruikte, konden verkocht worden. Immers, de beste man had een verbond met zijn broers en zuster, waarbij de geërfde goederen en landerijen bij hen in gezamenlijk bezit kwamen, deelgenoten dus. Consorten van Jacob Jans werden zij in de kadastrale stukken uit 1832 genoemd. Het kan ook zo geweest zijn dat er onenigheid tussen de consorten was ontstaan over het verkopen of juist de prijs, we weten het niet. Feit is wel dat niet alle percelen bij de verkoping verkocht zijn.

De situatie op de plaats waar eens de kapitale boerderij van Jacob Jans Sinninge gestaan heeft in het midden van de jaren zestig van de vorige eeuw. De originele kaart stamt uit het einde van de negentiende eeuw en werd later gebruikt door de ambtenaren om de vorderende woningbouw binnen het dorp in kaart te brengen. Het betreft hier op de kaart de plaats waar tegenwoordig het Wethouder Deodatusplantsoen ligt. (Bron: Drents Archief).

Wat de reden tot verkoop was, blijft voor mij onbekend. Waarschijnlijk kon men geen opvolger vinden binnen de familie die het bedrijf over wilde nemen of de opbrengsten waren te verleidelijk om te weerstaan, het blijft speculeren. Wat de reden tot verkoop was, blijft voor mij onbekend. Wel is duidelijk dat de vrouw van Jacob Jans, de op zondag 11 mei 1777 te Marum geboren Janke Piers Holtrop en waarmee hij op vrijdag 10 mei 1822 in het huwelijk trad, na zijn overlijden weer terugkeerde naar haar geboorteplaats, het Groningse Marum. Op woensdag 24 november 1847 sloot de weduwe daar haar ogen voor de laatste maal, zeventig jaar oud.

De boerderij van Steven Jans Sinninge en Roelfien Eitens Oosterhof op de kadastrale kaart uit 1832.Voor dat dit gezin er kwam wonen, woonden Eyte Alberts Oosterhof en Jantjen Datema hier. (Kaart 1832Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).

Dat Jacob Jans Sinninge als boer en eigenaar de boerderij van zijn ouders overnam was destijds heel gewoon. Doorgaans nam de oudste zoon het bedrijf van de ouders over en de andere zonen moesten maar een andere plaats gaan zoeken om verder te kunnen boeren. Zo verging het ook de jongere broer van Jacob Jans, Steven Jans Sinninge. De in 1776 in de Zulte geboren Steven Jans trouwde op zondag 8 mei 1803 in de kerk van Roden met de in 1782 te Leutingewolde geboren Roelfien Eitens Oosterhof, dochter van Eite (Eyte) Alberts Oosterhof en Jantjen Datema. Steven Jans en Roelfien Eitens betrokken de boerderij van haar ouders in Leutingewolde, dat het nummer 96 droeg.

Bleef het huwelijk van Jacob Jans en Janke Piers nog kinderloos en moest men zijn boerderij gaan verkopen omdat er waarschijnlijk geen opvolger was, bij Steven Jans en Roelfien Eitens Speelde dit probleem in het geheel niet en het echtpaar kreeg maar liefst negen kinderen samen. De opvolging van het bedrijf binnen de familie bleek gewaarborgd te zijn en hun vijfde kind, zoon Jacob Stevens Sinninge, die op zaterdag 15 mei 1813 geboren was in Leutingewolde, werd in het jaar 1860 de hoofdbewoner van het pand.

De familie Sinninge uit Leutingewolde werden foutief vermeld als Sinninga tijdens de volkstelling van 1840. Ook de broer van Roelfien Eitens, Albert Eites Oosterhof, woonde bij het gezin Sinninge in. (Bron: Drents Archief. Roden, Volkstelling, 1840 (toeg. 2001.21; nr. 2))

Zesentwintig jaar eerder, op dinsdag 11 februari in het jaar 1834, verwisselde Steven Jans Sinninge op 58-jarige leeftijd het tijdelijke met het eeuwige leven en moest Roelfien Eitens Oosterhof het alleen zien te redden. Wanneer wij de documenten van de volkstelling van 1840 binnen de gemeente Roden erbij pakken, valt het op dat Roelfien haar vrijgezelle broer inwonend is. Albert Eites Oosterhof was vier jaar jonger dan zijn zuster en werd geboren op woensdag 1 maart 1786 te Roden geboren. Hij werkte voorheen als boerenknecht in Roderwolde en woonde eveneens in dat dorp bij de Rowolmer bakker Jan Sikkens Datema in het huis met het nummer 24. Na het overlijden van zijn zwager Steven Jans zal Albert Eites wellicht een deel van zijn taken hebben overgenomen. Zelf komt Albert Eites op dinsdag 27 januari 1845 eveneens op 58-jarige leeftijd in Leutingewolde te overlijden.

Het is in het jaar 1848 als we weer iets van de familie Sinninge uit Leutingewolde vernemen. Het is alweer twee jaar geleden dat men de boedel van de overleden Jacob Jans gelegen in de Zulte in de kroeg van Harm Schuring in Roden heeft geprobeerd te verkopen en ondanks dat Steven Jans dit alles niet mee hoefde te maken, zal de dan al 66-jarige Roelfien Eitens de touwtjes bij het gebeuren strak in de handen hebben gehad. Het is ook goed voor te stellen dat de weduwe inmiddels genoeg heeft gekregen van het zware boerenleven en het rustiger aan wil gaan doen.

De advertentie van notaris van Lier in de Drentsche Courant waar hij aankondigt dat er een boeldag ten huize van de weduwe van Steven Jans Sinninge. (Bron: Drentsche Courant, 17 maart 1848, vierde blad, te Assen, bij van Gorcum en Comp., Provinciale Drukkers).

Nu heeft de in Assen woonachtige notaris Herman Hubert van Lier te Assen (Kaap de Goede Hoop, donderdag 9 augustus 1792 – Assen, zondag 8 maart 1863) de opdracht gekregen van de weduwe en de erven van Steven Jans een boeldag te organiseren om het een en ander te verkopen. De zeer ervaren notaris gaat direct aan de slag en plaatst in de Drentsche courant van vrijdag 17 maart 1848 een advertentie met de aankondiging van de te houden boeldag. Het is echter niet de bedoeling om het huis, maar meer om het vee, 4 paarden, 21 stuks hoornvee en twee varkens, 2 wagens, boerengereedschap, melkgereedschap en allerlei huisraad te verkopen. De boeldag wordt op de woensdag 22 maart gehouden bij de boerderij ‘s ochtends om tien uur.

Ruim een maand later klopt notaris van Lier nogmaals bij de Drentsche Courant op de deur van redactie met een nieuwe advertentie van de weduwe en de erven van wijlen Steven Jans Sinninge. Nu zijn zij voornemens om de boerenplaats, bestaande uit een behuizinge, en bouw-, weide- en hooilanden, veld en veen en enige grondpachten gelegen in Leutingewolde. Ook wordt er vermelding gemaakt van dat er eveneens veld en veen in de markte van Bunde, gemeente Vries. Deze percelen waren eigendom van en werden door de broer Geert Jans Sinninge bewerkt. Geert Jans overleed op donderdag 13 oktober 1842 in het plaatsje Yde binnen de Gemeente Vries. Ook de jongste boer van Jacob Jans, Geert Jans, Stevens Jan en Jantien Jans, broer Hindrik Jans Sinninge, was al op zaterdag 23 juni 1821 in de Zulte overleden, 37 jaar en 7 maand oud.

De advertentie met de vermelding dat de weduwe en erven van Steven Jans Sinninge de boerenplaats, bouw-, weide-, en hooilanden etc. voornemens te zijn om te gaan verkopen. (Bron: Drentsche Courant, 25 april 1848, vierde blad, te Assen, bij van Gorcum en Comp., Provinciale Drukkers).

Blijkbaar drukte de voormalige boerderij en de bijbehorende landerijen van de overleden Jacob Jans toch op het een en ander. In de advertentie staat duidelijk dat “eindelijk huis en land te Zulte, gemeente Roden, vroeger bewoond geweest door wijlen Jacob Jans Sinninge”. Zou het ‘eindelijk’ er mee te maken hebben dat de vrouw van Jacob Jans, de weduwe Janke Piers Holtrop, aan het einde van de maand november in het jaar 1847 kwam te overlijden? En doordat zij wellicht het deel van de mandeligheid van haar man na zijn dood had toegewezen gekregen, de verkoop tegen weten te houden? Het zou wel een hoop over de verkoop van de boerderij in de Zulte kunnen verklaren.

Ondanks het gekrakeel over het verkoop van de boerderij in de Zulte met het huisnummer 37, kan notaris van Lier op maandag 1 mei 1848 des voormiddags (’s ochtends)  te elf uur met de openbare verkoping beginnen. Gezien de stukken in het archief van de notaris in Assen was er volop belangstelling en komen we onder andere namen als Landbouwer Jan Assies te Roden tegen, de koper van de boerderij in Leutingewolde of de Roner broodbakker Roelof Roelofs Deodatus. Daarnaast zijn er een tal van inwoners van Leutingewolde, Lieveren, Roden, Zeijen, en de Zulte aanwezig die ook meedoen aan het kopen van allerlei bezittingen van de familie Sinnige/Oosterhof.

De plaats waar eens de boerderij van Steven Jans en Roelfien Eitens stond, doet heden ten dage dienst als weiland. De woning stond links van de boerderij op de afbeelding. (Afbeelding: Topotijdreis.nl).

Ruim tien jaar later na de openbare verkoping op zaterdag 13 november 1858 komt de weduwe van Steven Jans Sinninge in Leutingewolde te overlijden. De dan 76-jarige voormalige landbouwersche en dochter van Eite Alberts Oosterhof en Jantjen Datema, Roelfien Eitens Oosterhof (ook wel als Roelofje Eitens Oosterhoff beschreven) heeft een zeer bewogen leven achter haar rug wanneer zij voor de laatste maal haar ogen sluit.

Beide boerderijen zijn inmiddels afgebroken, die van Jacob Jans in de Zulte waarschijnlijk in het midden van de negentiende eeuw en die van Steven Jans in Leutingewolde werd in het jaar 1949 afgebroken en is sindsdien weiland. Op de plaats waar Jacob Jans en Janke Piers in de Zulte woonden, staan nu huizen en heet nu het Wethouder Deodatusplantsoen. Dit gedeelte van het toenmalig esgehucht maakt nu deel uit van het dorp Roden.

Luchtfoto van het gedeelte aan de huidige Wethouder Deodatusplantsoen te Roden waar eens de boerderij van Jacob Jans Sinninge en Janke Piers Holtrop woonden. Tegenwoordig staan er vrijstaande woningen.(Afbeelding: Topotijdreis.nl)

Heuj’n.

Hooien, heuj’n in het hier gesproken Noord-Drents dialect, bestond natuurlijk uit meer dan alleen het gras maaien. Sterker nog, het belangrijkste gedeelte van de oogst moest nog komen; ervoor zorgen dat het gemaaide gras zo droog was geworden dat het veilig was om het op te kunnen slaan. In de huidige tijd is het hooien van vandaag de dag niet meer te vergelijken zoals het een slordige tweehonderd jaren geleden in de omgeving van de Zulte plaatsvond. Bij de moderne veehouderij speelt het zogenaamde ‘kuilgras’, een vorm om gras te conserveren nadat het slechts enkele dagen op het land heeft gelegen, sinds de jaren dertig van de vorige eeuw een heel belangrijke rol. Bij deze vorm van conservering wordt het gras tijdens het maaien een ‘graskneuzer’ gebruikt om het drogingproces te versnellen. Per jaar kunnen van hetzelfde perceel grasland dan door de boer vijf tot zes zogenaamde kuilvoersneden worden geoogst. Voorwaarde is dan wel dat er in het perceel grasland niet tussendoor geweid wordt.

Het machinaal schudden van het gras in het beekdalgebied van de Zulter Bitse nabij de Dobberesch. Het schudden zorgt er onder andere voor dat naast het kneuzen ook het gras gelijkmatig aan het zonlicht wordt blootgesteld, zodat het gemaaide gras sneller droogt.

Het conserveren van gedroogd gras, hooien dus, voor dieren is een wijze om ervoor te zorgen dat er in tijden van weinig aanbod van vers gras en er amper grasgroei plaatsvindt zoals bijvoorbeeld tijdens de winter, er voldoende voedsel aanwezig is om de dieren te kunnen voeren. Het beste moment om te gaan maaien en hooien was destijds voor de boer de periode voordat het gras bloemstengels begon te vormen. Hoe jonger het gras was dat gemaaid werd, hoe hoger de voederkwaliteit was. Deed de boer dit later door bijvoorbeeld slecht hooiweer en hadden er zich bloemstengels gevormd, konden de koeien het gras slechter verteren. Daarnaast was natuurlijk het drogestofgehalte van hooi, ongeveer 80%, van groot belang voor het opslaan van de wintervoorraad. Voordat er andere vormen van hooiopslag bestonden zoals hooipakjes en hooibalen, werd het hooi opgeslagen in een zogenaamde hooiberg of hooibult. Zowel bij de opslag van hooi in een berg, een pakje, of een baal, is het dus van belang dat het hooi droog genoeg is om hooibroei te voorkomen.

Zo’n tweehonderd jaren geleden bezat de boer nog niet over grassen met een hoge opbrengst aan hooi. Vergeleken met de hoeveel hooi heden ten dage, lijkt het wel een armtierige oogst. Het kruidenrijke hooi dat door de boer in het beekdalgebied van de Zulter Bitse werd gewonnen, was hoogstens voor een tiental koeien en een paar paarden bedoeld. Een groot contrast met de huidige boer die over ruim 160 dieren beschikt.

Nee, in de negentiende eeuw ging het maaien en het hooien er nog heel anders aan toe dan heden ten dage. Veel termen en uitdrukkingen die in die tijd veel werden gebruikt, zoals Dr. C.C.W.J. Hijszeler het in zijn boek ‘Boerenvoortvaring in de oude landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe’ heeft geplaatst, worden niet meer gebruikt en zijn daardoor al heel lang verdwenen en vergeten. En laten we eerlijk zijn, de mechanisatie binnen de landbouw heeft natuurlijk ook enorm veel voordelen gebracht, waardoor het lichaam van de boer en zijn arbeiders veel minder hadden te lijden onder het zeer zwaar lichamelijk werk dan hun voorgangers honderden jaren eerder.

De vaak zelf gemaakte, schuin aan de steel gezette hooihark, tot en met de tanden van hout, maakte gedeeltelijk plaats voor de bredere exemplaren, eerst van hout en later van metaal. Deze brede hark werd in de omgeving van Roden ook wel ‘rief’ genoemd. Hier wordt tevens het hooi op zogenaamde opperties geharkt. (Afbeelding: pagina 31, Ton de Joode – Landleven, het boerenbestaan van toen. Foto Peter Schütte. MCMLXXXI Elsevier-Amsterdam/Brussel)

Een swat, zwad of zwade tegenwoordig, was een strook gras dat door een mëijer (maaier) met een zeis was gevormd. Het woord swat of in het meervoud in Roden ook wel swaod’n genoemd, speelde in de beschrijvingen van het hooien dan ook een belangrijke rol. Maar veel belangrijker was bij het hooien het weer, en dan met name goed hooiweer; droog, zonnig weer, met het liefst een beetje wind. Helaas was het perfecte plaatje om te kunnen gaan hooien vaak niet aanwezig en moest men zich aan het weer en de omstandigheden aanpassen. Het kon dan ook voorkomen door de weersomstandigheden dat het gemaaide gras te lang op het land, ‘t swat, bleef liggen en het onderliggende gedeelte geel was geworden en tot rotting was overgegaan. Was dit het geval, dan werd er gezegd dat het gras ‘smaarterig’ was. Dit kon ook gebeuren wanneer het gras in zogenaamde ‘oppers of opperties’ lag. Opperties of öpperties waren hopen of hoopjes bij elkaar geharkt gras of hooi, dat in het gemaaide hooiland lagen en op de bovenstaande afbeelding te zien is.

Het gereedschap dat rondom het voormalig esgehucht werd gebruikt tijdens het hooien. a) Rief, b)Hooihark, c) Trekrief, d) Schootvörk, e) Weesboom, f) Hoak. (Afbeelding: Dr. C.C.W.J. Hijszeler: Boerenvoortvaring in de oude landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe. De tekeningen werden vervaardigd door de J. Witpaard te Meppel en N. Overdiep te Groningen. Uitgegeven te Assen bij Van Gorcum & Comp. N.V. (G.A. Hak & H.J. Prakke) (MCMXL))

Als het geen erg mooi weer was, ging men rondom het dorp Roden ‘de swaod’n omtrekk’n, keer’n met de rief’. Wanneer men dit deed, kwam het gras dat onderaan lag boven te liggen. Een rief (figuur a) is een houten hooihark waarbij de steel scheef op de hark gemonteerd zit. Was het echter wel goed weer in de omgeving van het voormalig esgehucht, ging men het gras in de zwadden losmaken: ‘de swaod’n löshauw’n, lös gooj’n of lös maok’n met de rief (1). Daarbij nam men steeds een drietal zwadden bij elkaar, waarbij het middelste zwad uiteen gehaald werd met de hooivork (figuren 1 en 2), lös maok’n met de vörk, waarna de buitenste twee zwadden eveneens met de hooivork los werden gemaakt en met de zogenaamde rief naar elkaar werden geharkt en er een lange strook gras ontstond. Men sprak dan van ‘de aander’n d’r naor toe heuj’n, bijheuj’n met de rief (1). Deze stroken gras werden ook wel een ril of weersem (’n weers’m) genoemd; ‘Wai hebben het gras in weersems liggen (1). Vormde men echter na het losmaken kleine oppers, dan liet men dat dus na om weersems te maken.

De boeren in de Zulte zeiden: ‘Wai hebben het gras in weersems liggen’ wanneer zij het het droge gras in lange rillen op het land hadden liggen. Destijds werden de weersems met de rief gevormd, maar ook dit wordt heden ten dage machinaal gedaan.

Daarna ging men het gras ‘in raggies, in klaine opperties zett’n met de heujvörk (1). Dit waren kleine oppers hooi, het drogende gras was dan al bijna hooi, en werden ook wel heui- oh heujoppers genoemd. Dit opperen deed men laat in de middag, zo tegen de avond aan om te voorkomen dat er vocht in het bijna droge hooi kon komen. Op dagen dat het donker weer was, het was dan niet zonnig genoeg, en het niet regende, moest men de oppers uit elkaar halen en weer op een andere plaats opnieuw maken. Dit gebeurde vanzelfsprekend met de hooivork en werd ‘omopper’n  met de vörk’ genoemd. Een bijkomend voordeel van het omopperen was mocht het hooi aan de onderkant vochtig geworden zijn, dan kon hooibroei of verrotting van het hooi zo voorkomen worden. Het van onderen op vochtig worden noemde men ‘opstaol’n’. Sprak men in de grote delen van Drenthe van ‘t is aordig opstaolt’, in de omgeving van het Noord-Drentse dorp Roden zei men dan ‘de heuioppers bint aordig opstaold (2).

Hooivorken met twee (2) en drie tanden (1). (Afbeelding: Dr. C.C.W.J. Hijszeler: Boerenvoortvaring in de oude landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe. De tekeningen werden vervaardigd door de J. Witpaard te Meppel en N. Overdiep te Groningen. Uitgegeven te Assen bij Van Gorcum & Comp. N.V. (G.A. Hak & H.J. Prakke) (MCMXL))

De hooivork (figuren 1 en 2) was een onmisbaar werktuig bij het hooien in het algemeen. Of het nu was bij onder andere het losmaken van de stroken gras, het omopperen van de opperties of het binnenhalen van het hooi, de boer kon niet zonder. De hooivork bezat twee of drie tanden en had een lange steel zonder handgreep. Bij het binnenhalen van het hooi gebruikte men zelfs hooivorken met een meer dan twee meter lange steel om het hooi hoog op de boerenwagen te kunnen werpen. Immers, des te meer hooi er op de wagen werd geladen, des te minder men met het paard en de wagen op en neer hoefde te rijden.

Een paar geschikte stukken hout en wat aangescherpte pennen, op de juiste manier aan en in elkaar bevestigd, leverden een goed bruikbare heujhark. Hout voor het eenvoudig gemaakt gereedschap was natuurlijk in overvloed te vinden in de vele bossen en op de massaal voorkomende houtwallen in de Zulte.(Afbeelding: pagina 137, Ton de Joode – Landleven, het boerenbestaan van toen. MCMLXXXI Elsevier-Amsterdam/Brussel)

Destijds beschikte de boer nog niet over tractoren die met gemak twee lage wagens vol hooi kon trekken, maar over één of twee paardenkrachten om het geheel te vervoeren. Heeft de moderne boer in vergelijking met zijn verre voorganger het geluk dat hij zijn hooi veel sneller weet binnen te halen vanwege de mechanisatie, ook de eisen die hij aan het hooi verschillen nogal van elkaar. Het was dan ook voor de vroege boer van belang dat er voldoende drogende dagen aan één waren om het hooi te kunnen oogsten. Zo was er in het jaar 1821 een vrij goed jaar als het op gras en hooi aankwam in het Noorden van Nederland, maar juist slechter hoe zuidelijker men in het land ging. In de Staat van den Landbouw schrijft J. Kops: ‘In Vriesland en Groningen kwam het gras vroeg aan, en maaide men vroegtijdig. Het gemaaide werd intusschen veelal te driftig weg gereden en verbroeide, ja veroorzaakte hier en daar brand. Het hooi was er te goedkooper, daarmen tot laat in het najaar overvloed van krachtig en voedzaam gras had. Allezins voordeelig ging het met gras en hooi in Overijssel, en vrij goed in Drenthe(3).

Opteim’n. Het in oppers plaatsten van het tot hooi verworden gemaaid gras. Ook in de graslanden rondom de Zulte kon men deze bulten van hooi aantreffen. (Afbeelding: pagina 31, Ton de Joode – Landleven, het boerenbestaan van toen. Foto Peter Schütte. MCMLXXXI Elsevier-Amsterdam/Brussel)

Maar goed, de toenmalige boer was dus destijds afhankelijker van het weer dan de boer vandaag de dag en moest daarnaar dan ook handelen. Zodra het geschikt hooiweer was, werd het hooi dat in oppers op het land stond, uit elkaar gegooid met de hooivork, ‘de oppers strêij’n met de vörk’. Na ’t wenn’n’, het uiteen halen van de oppers en het verspreiden van het hooi dus, maakte men met de rief opnieuw weersems (in weers’ms zetten). Wanneer men dit ging doen, diende het gras droog te zijn, waarna de tijd was aangebroken om het hooi met de vork ‘op te teim’n’, of te wel ‘in dikke oaf dreuge oppers te zett’n met de vork (1). De weersem werd bij gedeelten opgeschoven, opschöev’n zei men dan in de Zulte. Opschöev’n ging als volgt in het werk: er werd een vork aan de ene zijde van de ril hooi gezet en schoof deze zover mogelijk naar het midden op, waarna de vork er aan de andere kant werd in gezet en die helft ook werd opgeschoven.

Een zeer herkenbaar beeld in de gebieden rondom het dorp Roden. Het bijeen harken met de rief van het hooi zodat er mooie lange rillen ontstaan, waarna de tractor met de zogenaamde hooipers er langs kan gaan om de hooipakjes te persen.

Daarna ging men het hooi opzetten. Het opzetten van droog hooi in grote oppers in handwerk om het op een gunstig gelegen tijdstip in te schuren, vroeg destijds veel tijd. Daarom zorgde men ervoor dat de oppers van de naast elkaar liggende rillen of weersems tegenover elkaar kwamen te liggen, zodat het voor de arbeiders een stuk gemakkelijker werd om de hooiwagen te laden, daar deze steeds tussen de oppers doorreed. De benodigde tijd voor het laden werd in belangrijke mate beïnvloed door de volgende factoren: de wagen waarop wordt geladen, het aantal arbeiders dat aan het laden deelneemt, de werkmethode die wordt gevolgd en de ligging van het hooi.

De paardenhooihark deed halverwege de negentiende eeuw zijn intrede in Nederland. Weliswaar oogt het primitief, maar voor diegene die met noeste spierkracht in het hooi zat, was dit al een enorme verbetering. (Afbeelding: pagina 31, Ton de Joode – Landleven, het boerenbestaan van toen. Foto Peter Schütte. MCMLXXXI Elsevier-Amsterdam/Brussel)

Het spreekt voor zich dat hier en daar nog wat hooi was blijven liggen. Dit hooi werd verzameld door met de rief de resten bij elkaar te harken, ‘de opperstaart’n anheuj’n’. Dit werd ook wel het ’t anheujsel genoemd en werd gebruikt wanneer het hooi nog een nacht buiten moest blijven, als een soort van afdekking. Het anheujsel voorkwam het zogenaamde inregenen.

De boerenwagen zoals deze in het verleden door de Drentse boeren gebruikt werd om het hooi naar binnen te halen of naar de hooimijt te brengen. (Afbeelding: Dr. C.C.W.J. Hijszeler: Boerenvoortvaring in de oude landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe. De tekeningen werden vervaardigd door de J. Witpaard te Meppel en N. Overdiep te Groningen. Uitgegeven te Assen bij Van Gorcum & Comp. N.V. (G.A. Hak & H.J. Prakke) (MCMXL))

Het hooi moest op de boerderij zo dicht mogelijk bij de stal worden opgeslagen, doorgaans boven de deel. Dit werd ook wel ‘opgetast’ genoemd. Het dagelijks transport bij het voeren werd hierdoor zo klein mogelijk. In de gebouwen van toen was de ruimte boven de stal vaak klein en moeilijk bereikbaar. Het lossen van de wagen met hooi, ook wel ‘afsteken’ genoemd, het verdere transport naar de plaats van opslag en het stapelen van hooi, waren een paar redenen waardoor het lossen veel tijd kon gaan kosten.

Het persen van de zogenaamde hooipakjes. Door het hooi in pakken te persen gaat het inzamelen van het hooi een stuk sneller, eenvoudiger te transporteren en het is ook nog eens gemakkelijker en beter te stapelen in de schuur van de boer.

Is het tegenwoordig heel normaal geworden dat sommige graslanden wel drie en soms wel vier keer per jaar gemaaid worden, rond het midden van de negentiende eeuw gebeurde dit met een beetje geluk twee maal in de zomer. Het gras voor de tweede keer maaien, noemde men in de omgeving van het Noord-Drentse dorp Roden ‘etgruin maaj’n’.

Op sommige plaatsen rondom Roden wordt het ‘ouderwets’ hooien nog in de praktijk gebracht. Met name op de vochtige en beschaduwde graslanden is dit het geval. Doorgaans zijn dit eeuwenoude kleine percelen.
Heujpakjes mennen; Hooipakjes van het land halen en naar binnen brengen.

(1) Bron: Dr. C.C.W.J. Hijszeler: Boerenvoortvaring in de oude landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe. Uitgegeven te Assen bij Van Gorcum & Comp. N.V. (G.A. Hak & H.J. Prakke) (MCMXL)

(2) Bron: Woordenboek van de Drentse Dialecten. © 2009 Rijksuniversiteit Groningen

(3) Bron: Staat van den Landbouw in het Koningrijk de Nederlanden gedurende het jaar 1821, opgemaakt door den Hoogleeraar J. Kops, te Utrecht, en uitgegeven op last van den Minister voor het Publieke Onderwijs, de Nationale Nijverheid en de koloniën. ’s Gravehage, Ter algemene Landsdrukkerij.

De man met de zeis.

Zo’n tweehonderd jaren geleden bestonden er nog geen moderne landbouwvoertuigen zoals wij die vandaag de dag kennen en kwam het aan op harde, noeste en lichamelijke arbeid. Niets van een stoere tractor met een hippe cyclomaaier waarmee je het gras op land in een poep en een scheet omgemaaid hebt en een vlotte hooischudder om het gras te schudden. Nee, alles gebeurde op de graslanden rondom het voormalig esgehucht de Zulte door de boeren, knechten en arbeiders nog met de hand en pure spierkracht. Het spreekt voor zich dat de één meer bedreven in het maaien met de zeis was dan een ander of juist weer een andere techniek gebruikte, waarover door de arbeiders en knechten die het zware werk in het hooi moesten doen, dan ook de nodige opmerkingen werden geopperd. Een aantal van deze termen, die in het verleden werden gebruikt in de gebieden in en rondom de Zulte tijdens de negentiende en twintigste eeuw, passeren hier dan ook de revue.

Een aquarel uit het jaar 1824 van de kunstenaar A. Kosters met in het midden van de afbeelding een maaier die met de zeis en hark onderweg is. (Afbeelding: Beeldbank Groningen, identificatienummer NL-GnGRA_1536_5363, Groninger Archieven, Archief Academie Minerva, toegangsnummer 1448, inv.nr. 34.)

Het was destijds al bekend dat goed maaien een moeilijk vak was en dat het maar weinigen gegeven was om het vak goed te verstaan. Zeker wanneer men in groepen het weiland opging om het gras te maaien, dan was een zekere vorm van uniformiteit gewenst om de hooiers tevreden te houden. Het maaien met een zeis wat dus duidelijk iets wat een boer of arbeider goed onder de knie moest hebben, wilde deze optimaal gebruik kunnen maken van het lange gras. Een zeis, of zais zoals deze in de Zulte genoemd werd, was toen en nog steeds, eigenlijk niets meer dan landbouwhandwerktuig dat uit twee onderdelen bestond.

Een afbeelding van een zeis zoals deze in het verleden in de Zulte werd gebruikt. De termen zijn in het dialect zoals deze in de omgeving van het voormalig esgehucht werd gesproken. a) Zaisboom, b) Dollen, c)’t Oort, d) De hak, e) De hekel, f) De ring, g) De kiel, h) De rug, j) De aege, k) De strekel, l) Hoarspit, m) Hoarhoamer, n) toujaoger. (Afbeelding: Dr. C.C.W.J. Hijszeler: Boerenvoortvaring in de oude landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe. De tekeningen werden vervaardigd door de J. Witpaard te Meppel en N. Overdiep te Groningen. Uitgegeven te Assen bij Van Gorcum & Comp. N.V. (G.A. Hak & H.J. Prakke) (MCMXL))

De zeis bestond uit twee delen; een sikkelvormig mes en de boom. De boom noemde men ook wel ‘de zaisboom’ (a) en was een lange, rechte, ronde stok waarop twee gebogen handvatten zaten, de zogenaamde ‘dollen’ (b). De dollen zorgden niet alleen voor een goede grip, maar waren ook nog eens zo geplaatst dat de gebruiker de maximale slag kon met het gereedschap kon maken. Het sikkelvormig gebogen mes, dat eigenlijk de zeis is, bezat aan de ene zijde een scherpe, spitse punt, die ‘’t oort’ (c) heette en aan de andere zijde recht afgesneden is. Dit gedeelte van werd destijds ‘de hak’ (d) genoemd in het Noord-Drents dialect dat in de omgeving van de Zulte door de mensen werd gesproken.

Een in de geschiedenis van de Zulte veelvoorkomend beeld; een boer of en arbeider die aan het maaien is met de zeis en de strekel daarbij in de hand houdend. (Afbeelding: pagina 30, Ton de Joode – Landleven, het boerenbestaan van toen. Foto Peter Schütte. MCMLXXXI Elsevier-Amsterdam/Brussel)

Aan het gedeelte dat de hak heette, zat een rechthoekig gebogen stuk dat veel weg had van een handvat. Dit gebogen  stuk noemde men ‘de hekel’ (e) zat door middel van een wig, ‘de kiel’ (g), vast in een gat dat de naam ‘’t hekelgat’ droeg. ’t Hekelgat was een vervorming in een stuk ijzer, ‘de ring’ (f). De kiel en de ring, ‘’t bijwark’, zorgden ervoor dat het mes stevig aan de zeisboom bleef zitten tijdens het gebruik van de zeis. De bovenzijde van het mes heette ‘de rug’ (h) en het scherpe gedeelte, zeg maar het mes, was ‘de aege’ (j).

Het gebruik van een strekel door een boer om de zeis weer scherp te maken. Bestond in het verre verleden het laagje om de zeis te scherpen uit bijvoorbeeld vet, koemest of teer, en iets later uit scherp zand, tegenwoordig is deze van cement gemaakt. (Afbeelding: pagina 31, Ton de Joode – Landleven, het boerenbestaan van toen. Foto Peter Schütte. MCMLXXXI Elsevier-Amsterdam/Brussel)

Om snel en goed te kunnen maaien met de zeis, was het regelmatig scherpen van het mes noodzakelijk, dit noemde men ook wel ‘de zais striek’n’. Om het mes van de zeis te kunnen scherpen, draaide men de zeis om, plaatste de bovenkant van de zeisboom op de grond en pakte de maaier ‘de strekel’ (k). Een strekel was volgens het Nieuw Groninger Woordenboek van K. Ter Laan “een houten werktuig, waarmee de zeis scherp gestreken wordt. Insgelijks de stok, waarmee de korenmaat wordt glad gestreken. De swoa wordt strookn met de strekel (d. V.) = de saais wordt streekn. (1). Veel Groningse woorden kwamen ook voor in het Noord-Drentse dialect dat in Roden en omgeving werd sproken. De maaier ging met de strekel beurtelings langs de snede van het mes van boven naar beneden, maar nooit op en neer. Dit was de beste manier om de zais te striek’n. Soms gebruikte men na het strijken met de strekel nog een wetsteen. De gebruiker spuugde wat speeksel op het mes en ging in dezelfde volgorde als de strekel met de wetsteen van boven naar beneden.

Het scherp strijken van de zeis door een arbeider op ’t Groninger Land door middel van een houten werktuig, de zogenaamde strekel. (Afbeelding: Fig. 293. Striékn mit strekel. Pagina 986 Nieuw Groninger Woordenboek door K. Ter Laan met kaarten en platen van Johan Dijkstra e.a.. J.B. Wolters’ U.M. – Groningen, Den Haag, 1929.)

Soms kwam het ook voor dat de zeis zo erg stomp geworden was, dat de strekel geen uitkomst meer bracht. Dan was de maaier gedwongen om het blad te haren, ‘hoar’n’ noemde men dat in de Zulte destijds. Hoar’n gebeurde met speciaal gereedschap, een ‘hoarhoamer’ (m) en ‘hoarspit’ (l), dat ‘hoartuug(1) genoemd werd. De hoarspit was een kruisvormige, ijzeren pin met een brede kop die enigszins schuin in de grond werd gestoken. Vervolgens werd de scherpe kant van de zeis op de brede kop gelegd en behamerde de maaier deze met de bek van de hoarhoamer.

Het hoar’n van de zicht of zichter, zoals een zeis met een korte handvat werd genoemd, bij een akker met vlas achter de boerderij van Rietema rond 1924-1925, destijds gelegen aan de Ommelanderweg in Hornhuizen. De man vooraan is mogelijk Van de Velde, de man rechts mogelijk Van der Veen. (Afbeelding: Beeldbank Groningen, identificatienummer NL-GnGRA_2516_8 Groninger Archieven 2516_0008.jpg)

Het maaien van het lange gras gebeurde ruim tweehonderd jaar geleden doorgaans in een groep, waarbij er door de eerste maaier aan de linkerkant van het perceel begonnen werd en de volgende maaier op enige afstand rechts van de eerste maaier volgde. De volgende maaiers volgden in hetzelfde patroon en bleven aan de rechterzijde achter de voorganger. Een maaier, ook wel ‘mëijer’ genoemd in het dialect, vormde een zwade of zwad, de hoeveelheid gras die met één slag van de zeis werd neergelegd. In het in de Zulte gesproken Noord-Drents dialect sprak men echter doorgaans van een ‘swat’.

Het Landelijk Kennisnetwerk Levende Have was op bezoek bij Jan Oldenkamp van Landschap Overijssel. Hij heeft precies verteld hoe het zeisen in zijn werk gaat. Alle voor- en nadelen van het werken van een zeis komen aan bod.

Nu zat er nogal wat verschil op wijze waarop de ene maaier de zeis hanteerde dan een andere maaier. Had de maaier een techniek waarbij hij het achtereinde van de zeis, de zogenaamde hak, te hoog liet lopen, dan bleef er rechts vaak wat gras staan, terwijl links alles werd weggemaaid. Maaiers die op deze wijze de zeis hanteerden, zorgden er dus voor dat er een lage ril gras bleef staan, die vervolgens een ‘kam’ genoemd werd. Over deze maaiers werd dan ook gezegd, dat ze aan het ‘swatkammen’ waren. In de omgeving van Roden zei men destijds echter: ‘De mëijer haüwt met de hak(2), de maaier slaat met de hak, het achtereinde van de zeis dus.

Een tweede vorm van maaien met de zeis was dat de maaier deze zo vasthield, dat er in het midden van de zwad meer gras gemaaid werd dan aan de zijkanten, dan zei men: ‘Mëijde de mëijer swienebakk’n(2). Er bestonden ook maaiers die zo met zeis maaiden, dat de punt van het blad (’t oort) te ver naar achteren liep en er links voorbij de snede wat gras bleef staan. In dat geval sprak men van: ‘De mëijer oort niet deur’ (2). In de omgeving van Roden werd er dan spottend gezegd: ‘Er blif ’n heeg staon(2) (Er blijft een heg/haag staan). Dit laatste kon ook het gevolg zijn van het feit, dat de maaier de zeis ten opzichte van de hekel (angel van een zeis) te ruim stond en daardoor een te grote hoek maakte. Voor diegene de het afgemaaide gras met een hark moest bewerken, was het gras dat bovenop het gedeelte lag dat niet goed gemaaid was, een nare klus en zorgde voor nogal wat wrevel en gescheld van de hooiers op de maaiers. De hark bleef namelijk achter het hogere gras haken, wat bij de hooiers leidde tot uitspraken zoals: ’t swat omtrekk’n’.

Zo zou het er rond 1820 in weilanden in de omgeving van de Zulteresch gezien vanuit het westen richting het oosten uit hebben kunnen zien. Niets van een grote, groene zee van Engels raaigras zoals dit vandaag de dag het geval is, waar vrijwel geen bloem te vinden is, laat staan een grote insecten populatie, maar een uitbundig gekleurd mengsel van grassen, kruiden en bloemen. Het spreekt voor zich dat destijds hier een groot en een zeer gevarieerd insectenbestand aanwezig was. Op de achtergrond lag in die tijd het Groot Noordholt, een enorm groot oerbos dat moest wijken voor de expansiedrift van de groeiende boerenbedrijven.

Naast dat de weersomstandigheden voor de boeren in de Zulte belangrijk waren bij de snelheid en de kwaliteit van het maaien én het hooien, het bleef immers mensenwerk, maar ook de inrichting van het perceel was een bepalende factor die niet te onderschatten viel. In de huidige tijd maakt de toestand van het te maaien land niet zoveel meer uit, immers door de mechanisatie in de landbouw zijn de maaimachines niet meer kieskeurig en is het gras snel gemaaid. In vroegere tijden voordat de mechanisatie was ingezet, was dit echter een geheel ander verhaal. Doordat het gras nooit rechtop staat en door de weersinvloeden zoals door weer en wind vrijwel altijd een schuine stand bezit, diende de maaier ook hier rekening mee te houden.

Het gebied in de Zulteresch dat eerder in de afbeelding hierboven werd omschreven, maar dan vanuit het oosten richting het westen gezien. Kenmerkend voor het gebied rondom de Zulte waren niet alleen de vele kruidenrijke graslanden, maar ook nog de destijds talrijk aanwezige en deels zeer oude bossen.

De door de maaiers te maaien wei- en hooilanden lagen in het gebied rondom het voormalig esgehucht de Zulte niet alleen op de essen, maar ook in het beekdalgebied van de Zulter Bitse. Daarnaast lagen de graslanden ook naast bijvoorbeeld vele kampen, die in het gebied voorkwamen en omringd waren met houtwallen. Eigenlijk is er dan ook geen standaardvorm van een grasland in de wijde omgeving van de Zulte aan te wijzen. Zo waren bijvoorbeeld de graslanden langs de beek slechts aan drie kanten omgeven door een houtwal of ondiepe sloot. Ook in de wallen zaten diverse verschillen qua uitvoering en inrichting.

Donkere onweerswolken boven het perceel met het te maaien gras. Sinds jaar en dag is de boer afhankelijk van het weer tijdens de hooiperiode. Het hooien van toen en op de wijze zoals deze heden ten dage plaatsvindt, is stomweg niet te vergelijken. Vandaag de dag is het voor de moderne boer slechts een fluitje van een cent om even de weersverwachting erbij te nemen en dan wel of niet te gaan maaien. In het verleden zouden de onweerswolken de toenmalige boer tot waanzin hebben gedreven als het gras gemaaid op het land lag en moest drogen

Tevens speelde ook ligging van de weilanden en de wallen op de, aan de, of juist ver van de nattere gronden zoals de madelanden een grote rol. De madelanden waren natte graslanden, die meestal alleen gebruikt werden als hooilanden als het weer het toeliet en bevonden destijds voornamelijk uit zogenaamde blauwgraslanden (Cirsio dissecti-Molinietum). Door hun vochtige toestand waren de blauwgras- en madelanden niet geschikt om er vee te laten weiden en dienden ze als hooilanden. In een zeer gunstig jaar met een droge nazomer kon het nogal eens gebeuren dat de ondergrond droog genoeg was en liet men er alsnog vee grazen. Tegenwoordig bevindt zich het gebied waar de madelanden vroeger lagen, nu tussen de straten de Klimop, De Hulst en Kamperfoelie in de Bomenbuurt van Roden.

Het houten toegangshek zat meestal in de houtwal aan de voorzijde van het te maaien perceel. Deze vorm van hek werd ‘wring’ genoemd en hier is meer over een wring te lezen.

Doorgaans bestonden de wallen vooral uit houtwallen de beplant waren met Zomereiken (Quercus robur) en een tal van andere iets lager blijvende loofbomen. In de nattere en lagergelegen gedeelten waren het juist Zwarte elzen (Alnus glutinosa) of ondiepe sloten die zorgen voor de afscheiding. Deze wallen bevonden zich meestal aan de zijkanten van een perceel en werden daarom dan ook ‘zijwallen’ genoemd. De zijwallen konden wel honderden meters lang zijn, lagen langs diverse percelen en gingen dan in sloten over. De toegangshekken zaten in de wallen aan de voorzijde.

Aan het einde van een zogenaamde zijwal nabij bijvoorbeeld een beek ging deze doorgaans over in en ondiepe sloot, die echter voldoende diep en breed was om het vee in het weiland te houden.

De maaiers diende dus rekening te houden met de schuine stand van het gras wanneer zij begonnen te maaien. Daarom probeerden zij altijd als het mogelijk was, nooit tegen de ligging van het gras in te maaien. De maairichting die zij dan aanhielden, was vaak van het westen richting het oosten of van het zuidwesten naar het noordoosten. Eigenlijk is er in de richting van waaruit de wind vandaag de dag waait maar weinig veranderd met de windrichting, die de wind zo’n tweehonderd jaren geleden had. Toch moest men op de dag zelf van het maaien wel degelijk rekening houden met de richting waaruit de wind waaide.

Tegenwoordig hoeft het gemaaide gras niet meer extreem droog te zijn om hooibroei te voorkomen, het gras wordt ingekuild. Inkuilen van gras is een conserveringsmethode, net als wekken, vriezen, drogen, zouten of inblikken, om ruwvoer te kunnen bewaren. Voor het inkuilen is het juist belangrijk dat het gras niet te lang blijft liggen tijdens de zogenaamde veldperiode.

Een ander en zeker één van de belangrijke omstandigheden tijdens het maaien destijds was toch wel, dat het gras veel dunner op het land stond dan vandaag de dag. Doordat de bemesting van de weilanden in die tijd lang niet zo hevig en zwaar was als heden ten dage, stond het gras verder uit elkaar dan het nu het geval is. Daarnaast gebruiken de boeren tegenwoordig andere grassoorten die een hogere opbrengst per vierkante meter garanderen. Het uit Engeland afkomstige Ryegrass dat daar al sinds 1600 in Oxfordshire geteeld werd, is hier een goed voorbeeld van. Dit zaad werd in het Nederlands taalgebied onder de naam Engels raaigras (Lolium perenne) in de handel gebracht en is een dichte zodevormende, vaste plant.

Een weiland langs de Zulter Bitse en het restant van het Groot Noordhout kleurt groen door het Engels raaigras (Lolium perenne). Een grassoort dat voor de moderne boer onmisbaar is geworden, maar voor de biodiversiteit van planten en insecten in het gebied catastrofaal is gebleken.

Om het zogenaamde ‘dun gras’ als hooi binnen te kunnen halen, begon de boer indien het weer dit toeliet, al in de eerste helft van de maand juni met het werk. Als er gemaaid kon worden en er waren meer dan één maaiers, dan ging er eerst een maaier vooruit om een ‘’n swat veurlanges’ te maken, zodat de andere maaiers beter het te maaien gedeelte konden inzetten. De maaier die voor de andere maaiers een zwad voorbereidde noemde men destijds ook wel de veurmëijer, voormaaier dus. Doorgaans begon deze voormaaier aan de voor hem linkerzijde van het te maaien perceel grasland, vrij dicht bij de sloot langs en zodra deze aan het einde van het perceel was aangekomen, draaide hij zich om en maaide dan het gedeelte tussen het gemaaide en de sloot. Zo ontstond er doordat er twee zwadden, in de Zulte sprak men van ‘de swaod’n’ tegen elkaar lagen, een zogenaamde ‘’n goarswat’. Dit werd ook wel ‘’n goarswat mëij’n’ genoemd. In de tijd dat de voormaaier de goarswat vormde, maaiden de andere maaiers de overige slootkanten, ‘de slootkaant opmëij’n’. Dit werd echter ook wel het allerlaatste door de maaiers gedaan.

Vers gemaaid gras langs de oever van de Zulter Bitse. Het perceel dat ten westen van het beekje lag en na de ontginning van van dit deel van het oerbos in de jaren twintig in de negentiende eeuw, de naam ‘Klein Noordholt’ had gekregen, deed sindsdien dienst als grasland.

Wanneer dit was gebeurd, zetten de maaiers, de een na de ander, in het te maaien gedeelte in. Men hanteerde de zeis tegelijk. Het mooiste was, tree voor tree voorwaarts gaande, telkens een zwad te maaien. Maar dit was zeer zwaar werk. Wanneer men de naam wilde hebben om een flinke maaier te zijn, dan moest ‘’n dagwark’ (zestig roe) of ‘’n mat’ (halve bunder) geen probleem zijn. Maar zoals u al eerder kon lezen, snel en goed maaien met de zeis was én is nog steeds een kunst. IJdelheid en stoer doen tussen de arbeiders en knechten onderling was dan ook niet van de lucht op de graslanden rondom het voormalig esgehucht. Het spreekt voor zich dat men elkaar ging kleineren als het op de prestaties aankwam. Bekend was het rijmpje dat men destijds met enige regelmaat in de omgeving van Roden kon horen in de maaitijd: ‘Maaj’n is niks as bukk’n en draaj’n, Maor wol teiz’n , das vlais verleiz’n’ (Maaien is niets anders dan bukken en draaien, maar wol uit elkaar halen is vlees verliezen) (2). Wol teiz’n was een bezigheid die in heel Drenthe plaatsvond en was niets anders dan met duim en vinger de wol uit elkaar pluizen.

Het maaien zoals dat door de boer in het verleden gebeurde verschilde enorm met de huidige tijd, maar één gebeurtenis blijft toch wel hetzelfde; de ooienvaars die achter de maaiers aan liepen om voedsel te zoeken, lopen nu in het spoor van een tractor. Misschien is de overeenkomst met vroeger wel dat er tegenwoordig ook weer veel ooienvaars zijn, dit was een dertig tal jaren geleden wel heel anders.

Vervolgens werd het gras op het perceel strook voor strook gemaaid, elke zwad apart: ‘elk swat apaart’. Zodra de maaiers een bepaald punt hadden bereikt,  dit kon het einde van het perceel zijn of de plaats die zij wilden bereiken, dan stopten de maaiers en ging de zeis op de schouder en liepen ze naar de locatie waar men met het maaien begonnen was. Dit werd in de omgeving van Roden ook wel ‘n’ Groot oaf ’n kleinswat maaj’n’’ genoemd en betekende niets anders dat men de te maaien strook breder of juist smaller nam dan gewoonlijk. Hier zetten de maaiers opnieuw in en ging men weer aan de slag. Dan werd er gezegd dat de maaiers ‘’n neij swat anhoal’n’. Aan het einde van een maaidag of wanneer de maaiers ophielden met het gras maaien, gingen zij eerst nog de zeis hoar’n (haren). Men deed dit zodat de zeis scherp bleef en de maaiers dan weer de volgende dag direct konden beginnen met het maaien. Doorgaans haarde men voor het gras maaien de zeis tweemaal per dag. Als het gehele perceel gemaaid was, zei men ‘’t Gras ligt in ’t swat’. Het gras bleef een dag of juist meerdere dagen liggen, totdat de bovenste laag gras iets bestorven was.

Na het maaien liet men doorgaans in de negentiende eeuw rondom de Zulte het gemaaide gras een poosje liggen, soms een dag, een andere keer meerdere dagen, zodat de bovenste laag van het gras iets bestorven raakte. Op de afbeelding is het stroomdalgebied van de Zulter Bitse te zien.

(1) Bron: Nieuw Groninger Woordenboek door K. Ter Laan met kaarten en platen van Johan Dijkstra e.a.. J.B. Wolters’ U.M. – Groningen, Den Haag, 1929.

(2) Bron: Dr. C.C.W.J. Hijszeler: Boerenvoortvaring in de oude landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe. Uitgegeven te Assen bij Van Gorcum & Comp. N.V. (G.A. Hak & H.J. Prakke) (MCMXL)

Gedonder in de Noordeindiger Kampen.

Al ver voor de achttiende eeuw bezaten de bewoners van havezate Mensinge grote stukken grond en woningen in de omgeving van het dorp Roden en die doorgaans verpacht werden aan boeren en burgers. Meestal waren dit boeren en burgers die in de buurt van de percelen woonden en voor de grootgrondbezitter was het de manier om aan de huizen en de percelen een beste stuiver te verdienen. Naast dat de verschuldigde pacht in keiharde pecunia voldaan diende te worden, bood men de pachters de mogelijkheid om deze in natura te voldoen. Dit gebeurde dan bij de Spijker, een schoutsboerderij die nabij huize Mensinge en die waarschijnlijk al sinds het midden van de zeventiende eeuw deze taak kreeg toegewezen.

Dit was niet veel anders toen de in Zuidlaren geboren Coenraad Wolter Ellents huize Mensinge in 1764 kocht en waar hij vanaf vrijdag 6 maart 1767 met zijn vrouw Gesina Oldenhuis ging wonen. Coenraad Wolter verhuurde zo’n stuk grond, ook wel kamp genoemd, aan de zoon van Joris Martens (Korvemaker) en Griete. Joris was de korvenmaker of kurver in het Westeijnde van het dorp  Roden en hij maakte niet alleen manden en korven, maar ook de zittingen van stoelen en was in rond 1713 in Roden getrouwd. Zijn vrouw die eerst genoemd werd als Griete, was de rond 1685 geboren Grietien Jacops. Joris Martens werd in 1742 aangeslagen voor haardstedengeld zo blijkt uit de archieven en de inmiddels weduwnaar geworden Joris moest 2 guldens betalen zijnde een keuter en zijn zoon Gerrit als korvenmaker.

De vermelding van Joris Korvemaker in het Haardstedengeldregister van het dorp Roden uit 1742. (Bron: Oude Staten Archieven (OSA), toegangsnummer 0001, inventarisnummer 868.24, Haardstedengeld Roden, Westeijnde, 1742, pagina 3677)

De korvenmaker Joris en zijn vrouw Grietien kregen in juni 1714 hun eerste gezonde zoon Pieter Joris. De tweede zoon kwam in maart 1718 ter wereld als Gerrit Joris. De zoon werd op zondag 13 maart 1718 in de deels romanogotische en deels gotische in de dertiende eeuw gebouwde Catharinakerk van Roden gedoopt als Gerrit, zoon van Joris Korvemaker en huisvrouw Griete. Naast Pieter en Gerrit waren er nog twee andere kinderen binnen het gezin aan het Westeijnde in Roden, zoon Jacob (januari 1723) en dochter Heijeltien (maart 1726). De rond 1685 in Roden geboren Joris Martens en vader van de eerdergenoemde kinderen, was een zoon van de eveneens in Roden woonachtige Marten Pieters.

Op zondag 13 maart 1718 werden er in de Catharinakerk van Roden drie kinderen gedoopt, te weten: Meerten, Gerrit en Annegien. (Bron: Drents Archief: Doopregister Roden 89, archiefnummer 0176.01, inventarisnummer 89, aktenummer 89)

Twee jaar later na de vermelding van Joris Korvemaker in het Haardstedengeldregister van het dorp Roden uit 1742 komen wij zijn dan 26-jarige zoon Gerrit tegen in het Drentse dorp Eelde. Om precies te zijn in het hoofdstuk ‘Trouwen 1737-1811’  uit het Doop, Trouw en Begraaf Register van het dorp. Het blijkt dat Gerrit op de zaterdag 25 april van het jaar 1744 aldaar in het huwelijk was getreden met de rond 1720 geboren en uit Bakkeveen afkomstige 24-jarige Hinkje Harms.

De vermelding in het Doop, Trouw en Begraaf Register van het dorp Eelde dat Gerrit in het huwelijk was getreden met zijn Hinkje. (Bron: Drents Archief Trouwregister Eelde 25, archiefnummer 0176.01, inventarisnummer 25, aktenummer 0176.01)

Precies een jaar later, op zondag 25 april 1745 wordt hun eerste zoon genaamd Joras gedoopt in de prachtige Catharinakerk te Roden, daar waar zijn vader ruim 27 jaar daarvoor eveneens was gedoopt. In het midden van de achttiende eeuw was er eigenlijk nog geen sprake van een standaard binnen de Nederlandse taal zoals wij deze vandaag de dag kennen en dit bracht natuurlijk de nodige problemen en verwarringen met zich mee. Daarnaast was de naamgeving met een verplichte achternaam die voor elk geboren kind binnen de familie diende te gelden, nog lang niet ingevoerd en gold doorgaans de voornaam van de vader als achternaam. Zelden werd het beroep zoals bakker of timmerman gebruikt en dan nog gold deze eerder als een verwijzing naar het beroep dan naar de familie van de drager.

De eerste zoon van Gerrit Joras en Hinkien Harms werd als Joras gedoopt, maar later verbasterde de naam naar Joris. (Bron: Drents Archief: Doopregister Roden 89, archiefnummer 0176.01, inventarisnummer 89, aktenummer 89)

Dit gold eveneens voor de eerst geborene binnen het gezin Gerrit Joras en Hinkien Harms. De naam Joris wordt ineens Joras en ook de nog in 1744 hetende Hinkje is nu Hinkien geworden. Op zich niet geheel vreemd dat de naam van Joris zijn echtgenote veranderde van Hinkje naar Hinkien, immers in grote delen van Drenthe werd een verkleinwoord uitgesproken met een ‘ien’ aan het einde en schreef men alles op zoals het klonk, waarvan zelfs veel in het aldaar gesproken dialect. Niet verbazingwekkend is het ook natuurlijk dat de naam genoteerd werd zoals de schrijver deze hoorde en zodanig interpreteerde.

De verwarring wordt alleen nog maar groter wanneer zoon Joras later naar de stad Groningen vertrekt en in het jaar 1818 komt te overlijden en in de Groningse archieven nu weer Joris heet, Joris Ferwerda. Zijn ouders worden in de overlijdensakte nu Gerrit Ferwerda en Enkje Harms genoemd. De op de leeftijd van 73 jaar tussen 13:00 en 14:00 op donderdag 8 januari 1818 overleden Joris was gehuwd met Eesina Reneman. De beste man overleed in het in het Gereformeerde diaconie arm- en kinderhuis, Hofstraat, Letter M, no.26, Kanton no.1 te Groningen. De aangifte van zijn overlijden volgde op zaterdag 10 januari 1818 en de twee aangevers waren Jan Versteegh, oud 62 jaar, kokvader en de 65-jarige Hindrik van Duren die breidemeester (iemand die aan de jongens ’t breien moest leren in de breidekamer van ’t Groene Weeshuis te Groningen) was, beide wonende te Groningen.

De vermelding van de in Roon geboren Joris Ferwerda, Zoon van Gerrit Ferwerda en Enkje Harms in het Overlijdensregister van de stad Groningen uit 1818. (Bron: Gemeente Groningen Overlijdensregister 1818, aktenummer 21)

Om de naam Ferwerda te kunnen verklaren binnen de familie moeten wij terug naar het begin van de zeventiende eeuw. Weliswaar moeten we het eerdergenoemde probleem van het opschrijven van namen in het achterhoofd houden, maar in de doopakte van de eerste zoon van Joris en Grietien wordt de vader Joris Martens Ferseda genoemd. Mijn vermoeden is dat de naam Ferwerda altijd al bij de familie heeft gehoord en op de achtergrond aanwezig is geweest, maar dat het niet gebruikelijk was om deze mee te noteren. Ferseda zal waarschijnlijk verkeerd zijn opgeschreven door de notulist.

Maar goed, laten wij terug gaan naar de korvenmaker Gerrit Joris en moeder Hinkien Harms, die op zondag 18 september 1746 hun tweede kind mogen dopen; Folkert. Of zoals het mooi werd opgeschreven in dat jaar: ‘Folkert, een soon gedoopt van Gerrit Joris en Hinkien Harms genaamd Folkert den 10. Sept.’.

De vermelding in het Doopregister van de tweede zoon Folkert. (Bron: Drents Archief: Doopregister Roden 89, archiefnummer 0176.01, inventarisnummer 89, aktenummer 89)

Ruim 3 jaar later volgt hun derde kind, eveneens een zoon die de naam Harremannus krijgt. Deze zoon wordt op zondag 9 november 1749 net zoals zijn oudere broers in de Catharinakerk te Roden gedoopt. Ook een ander verschijnsel dat in het verleden veel voorkwam, trof ook het gezin van Gerrit en Hinkien, kindersterfte. In de periode tussen 1749 en 1752 sterft hun tweede kind Folkert.

Op zondag 9 november 1749 wordt er in Roden ‘een soon gedoopt van Gerrit Joris en Hinkien Harms den 9 nov. genaamd Harremannus’. (Bron: Drents Archief: Doopregister Roden 89, archiefnummer 0176.01, inventarisnummer 89, aktenummer 89)

 In juni 1752 verwelkomt het gezin hun vierde kind die eveneens een zoon is en op zondag 25 juni 1752 wordt hij gedoopt met de naam Folkert. Iets wat je in die dagen veel vaker zag was dat de naam van een overleden kind gebruikt werd door een volgend kind van hetzelfde geslacht.

De vermelding in het Doopregister van de vierde zoon van Gerrit en Hinkien Folkert. (Bron: Drents Archief: Doopregister Roden 89, archiefnummer 0176.01, inventarisnummer 89, aktenummer 89)

Vier jaar later is het binnen het Nederlands Hervormd gezin weer feest. Het vijfde kind dat op zondag 30 mei 1756 gedoopt wordt in de mooie kerk van Roden is een dochter en krijgt de naam Geertruit. 1763 is het jaar waarin het laatste kind geboren en gedoopt wordt.

De bijschrijving van dochter Geertruit in het Doopregister van de hervormde kerk in Roden. (Bron: Drents Archief Doopregister Roden 89, archiefnummer 0176.01, inventarisnummer 89, aktenummer 89)

Op zondag 12 juni 1763 krijgt dochter Grietjen het heilige water op haar hoofd in de Catharinakerk zoals dit ook bij haar broers en zuster gebeurd was. Opvallend blijft toch wel dat zowel de achternaam van Gerrit dan weer als Joris en dan weer als Joras gebruikt wordt. Bij het laatste kind heet zelfs Hinkien ineens Inkien. Het blijkt maar weer, goed luisteren en schrijven was in die dagen echt een kunst.

Bij de vermelding van de doop van dochter Grietjen wordt moeder Hinkien ineens Inkien genoemd. Typerend voor die tijd en het zou mij niets verbazen als Grietjen in latere archieven als Grietien werd vermeld. (Bron: Drents Archief Doopregister Roden 89, archiefnummer 0176.01, inventarisnummer 89, aktenummer 89 Gemeente: Roden)

Nu veranderde de spelling met enige regelmaat in de Nederlanden van de achttiende eeuw en soms moet je even je hoofd erbij houden om het een en ander goed te kunnen interpreteren. Neem nu het Haardstedegeldarchief van het toenmalige kerspel Roden uit 1764, waarin we Gerrijt Joras tegenkomen zijnde een ceuter (keuter) in het buurtschap Rhoden en die 1 gulden betaald had. In die dagen was het dorp niet zo dicht bewoond zoals het vandaag de dag is en hielden de bewoners enkele dieren en een kleine moestuin om in de dagelijkse behoeften te kunnen voorzien.

De vermelding van Gerrijt Joras als ceuter in het buurtschap Rhoden. (Bron: Oude Staten Archieven (OSA), toegangsnummer 0001, inventarisnummer 868.24, Haardstedengeld Roden, Rhoden, 1764, pagina 3706)

De jaren zeventig en tachtig van de achttiende eeuw breken aan en met enige regelmaat komen wij de korvenmaker Gerrit Joras/Joris in de archieven weer tegen. Zo huurde Gerrit vanaf het jaar 1770 een kamp land te Rhoden van Coenraad Wolter Ellents, de bewoner en eigenaar van huize Mensinge. Blijkbaar gaan het boeren en de mandenmakerij Gerrit niet goed af en de dan nog in het buurtschap Westeijnde wonende keuter wordt in de belastingarchieven uit het jaar 1774 omschreven als: ‘Gerrijt Joras in bedrijf als ceuter onmagtigh om te betalen’. De man hoefde dan ook geen belasting te betalen. Tien jaar later in het register van het Haardstedengeld van het kerspel Roden uit 1784 van het buurschap Roden verschijnt Gerrijt Joras weer en wederom is de aangeslagene niet in staat op de belasting op te hoesten; ‘Onmagtigh’.

In de belastingarchieven uit het jaar 1774 omschreven als: ‘Gerrijt Joras in bedrijf als ceuter onmagtigh om te betalen’. Hetzelfde lot onderging ook de eveneens in het Westeijnde wonende Lambert Ottens. (bron: Oude Staten Archieven (OSA), toegangsnummer 0001, inventarisnummer 868.24, Haardstedengeld Roden, Westeijnde, 1774, pagina 3719)

Vanaf 1785 begint de ellende pas goed voor de 67-jarige Gerrit. Waarschijnlijk waren de schuldeisers het gedrag van de steeds in schulden verkerende keuter en korvenmaker meer dan beu en zeggen hem de wacht aan. Het kan ook zijn dat Coenraad Wolter Ellents een zwak voor de man had en hem daardoor ontzag om zijn schulden in een rap tempo te voldoen. Ellents verwisseld echter op zondag 12 september1784 het tijdelijke met het eeuwige en het jaar daarop zal zijn weduwe genoeg hebben gehad van Gerrit Joras. In het archief van Huis Mensinge te Roden tussen de stukken van zakelijke aard komen wij een exploot tegen die  uitgebracht was namens Gesina Oldenhuis aan Gerrit Joras te Roden, houdende een aanzegging om in 1786 een schuld af te lossen en de zogenaamde Noordeindiger kamp te verlaten. Een ‘exploot’ is een proces verbaal van de ambtshandeling van een deurwaarder: het leggen van beslag, het constateren van bepaalde waarnemingen, of het betekenen van een dagvaarding of een ander processtuk.

De vermelding uit 1784 dat Gerrit Joras niet in staat is om de belastingen te kunnen betalen. (Bron: Oude Staten Archieven (OSA), toegangsnummer 0001, inventarisnummer 868.24, Haardstedengeld Roden, Rhoden, 1784, pagina 3728)

Laat in de maand mei van het jaar 1790 krijgt de  in het Oosteijnde wonende timmerman Jan Harms de opdracht om een lijkkist voor het lichaam van de overleden vrouw van Gerrijt Joris te maken. Uit het kasboek van de timmerman blijkt dat deze de kist op maandag 24 mei 1790 heeft gemaakt. Hinkje Harms zal ongeveer zeventig jaar oud geworden zijn. In de tussentijd blijft het conflict tussen Gesina Oldenhuis en Gerrit Joras doorsudderen. In 1792 stuurt Gerrit Joras te Roden een verzoekschrift aan de schulte Jan Willinge van Peize inzake een geschil tussen de eerste en Gesina Oldenhuis over de verpanding van een perceel land te Roden.

Blijkbaar heeft het verzoekschrift niet geholpen en is de weduwnaar Gerrit in 1793 gedwongen zijn eigendommen te verkopen. De in huize Terheijl wonende Willem de Lille was rond die tijd al druk bezig met het uitbreiden van de bezittingen in Terheijl en de Zulte, waarbij hij dit buitenkansje niet liet liggen en op dinsdag 5 februari 1793 werd de koop beklonken. Volgens de archieven van de 30e/40e penning staat op het bewijs van overdracht vermeld dat Mr. De Lille de behuizing en hof van Gerrit heeft gekocht voor 250 gulden, waarbij de 30e penning voldaan werd met 6 en de 40e penning met 5 gulden. De 30e/40e penning was een vorm van belasting over de aan- en verkoop van onroerende goederen.

Een fotokopie van de akte uit het archief van de 30e en 40e penning waarin vermeld staat dat Mr. de Lille de behuizing en hof van Gerrit Joras dezelfs voor 250 gulden heeft gekocht. (Bron: Drents Archief 30e  en 40e penningen (1679-1797), rekendag 05-02-1793, pagina 8256)

Het geld dat Gerrit voor het verkopen van zijn eigendommen in het Noordeindiger kamp kreeg, zal hij nodig hebben gehad om zijn schulden af te betalen en als we dan weer in de archieven van het lokale belastingarchief duiken, komen wij de beste man nogmaals tegen. Waarschijnlijk woont hij nu bij één van zijn kinderen. Maar is nog steeds zo arm als een kerkrat. Van de belastingplichtige staat er nu in het Haardstedegeldarchief: ‘Gerrit Joras, is niet onder de Diaconie doch onmagtig om te betaalen’. Niet onder diaconie wil zeggen dat diegene zich niet in een armenhuis van bijvoorbeeld de hervormde gemeente bevond.

De registratie van de belastingplichtige Gerrit Joras uit het jaar 1794 waarin te lezen valt dat de beste man eigenlijk geen nagel meer had om zijn achterste te krabben. (Bron: Oude Staten Archieven (OSA), toegangsnummer 0001, inventarisnummer 868.24, Haardstedengeld Roden, Roden, 1794, pagina 3742)

Na bijna tachtig jaar is het moeizame en zware leven van de weduwnaar en korvenmaker Gerrit Joris voorbij en sluit hij op donderdag 4 januari 1798 zijn ogen voor de laatste keer. Als overlijdensoorzaak werd in het overlijdens -, ondertrouw- en trouwboek 1793-1811 van Roden  ‘aan verval van krachten’ vermeld.

De vermelding van het overlijden van de bijna tachtig jaar oude weduwnaar en korvenmaker Gerrit Joris in overlijdens -, ondertrouw- en trouwboek 1793-1811 van Roden. (Bron: Drents Archief Doop, Trouw en Begraaf RegistersSoort registratie: Begraafregistratie(Akte)datum: 04-01-1798 )

Wollig gespreksstof in en over de Kostverloren.

Als we de pagina over ‘Kostverloren’ van het almachtige internetorakel Wikipedia raadplegen, dan blijkt dat de naam grofweg verklaart kan worden als zijnde een verloren slag (de cost) nabij een vesting. Daarnaast vinden wij op de pagina van het internetmedium twaalf verwijzingen naar buurtschappen, wijken en diverse andere locaties met de naam ‘Kostverloren’. Vijf van deze genoemde plaatsen bevinden zich in de provincie Groningen, waarbij de wijk in de stad Groningen wel de bekendste is. Waarschijnlijk hebben meer plaatsen, streken of essen deze naam ook gekregen, maar zijn ze in verloop van tijd in vergetelheid geraakt. Soms duiken deze namen weer op als er oude kaarten of verhalen verschijnen van een plaats of streek, waarbij enthousiastelingen diep in de geschiedenis weten te wurmen om bepaalde plaatsen, buurtschappen of uitdrukkingen voor het nageslacht te bewaren.

Enkele oude en armtierig ogende bomen in een weiland. Deze bomen maakten echter in het verleden deel uit van een oud bos en later van een oude houtwal ten zuiden van de schapendrift.

In het gebied dat ten noordwesten van het voormalig esgehucht de Zulte lag, bevond zich eveneens een gebied dat de naam ‘Kostverloren’ droeg. Het was een gebied op een es waar zowel hakbossen, bouwlanden en weilanden aanwezig waren. Daarnaast bevond zich hier ook de schapendrift van gemeenschappelijke schaapskudde van het esgehucht, die de voormalige schaapskooi met het immens groot en uitgestrekt heideveld dat ten westen van de Zulte lag, verbond.

De laatste restanten van het grote bos dat eens ten noorden van de schapendrift lag. Het zijn nog slechts enkele zomereiken die hier staan en gezien de plannen voor woningbouw in dit uniek gebied, hebben zij ook hun langste tijd hier gehad.

De schapendrift werd omstreeks 1832 in de archieven van het Kadaster omschreven als zijnde een groene weg  met het nummer I-257bis en was eigendom van de Markgenoten in de Zulte. Markgenoten, ook wel een markgenootschap genoemd, was een middeleeuwse organisatie van het grondeigendom ten gunste van velen. De markgenoten waren gezamenlijk eigenaar van een zogenaamde mark, velden en weiden in een bepaald gebied. Het mark werd bestuurd door een voogd, een zogenaamde markgenoot.

De huidige situatie waar eens de schapendrift lag vanuit de lucht gezien. Boven de zomereiken en iets lager van noord naar zuid de andere bomen.

Vrijwel de gehele es met de naam Kostverloren en de zuidelijk gelegen aangrenzende percelen waren in het bezit van de in Roden woonachtige landbouwer Jannes (Jannus) Hindriks Winsingh en naar alle waarschijnlijkheid zal de landbouwer tijdens zijn volwassen leven ook de voogd, de markgenoot dus, van het perceel geweest zijn. Het zuidelijk van de schapendrift gelegen gebied droeg in het verleden de naam ‘Hop- of Hoppenkamp’ en bestond vooral uit bossen en bouwlanden. Lees meer hierover in het artikel Hop in de Zulte.

Door het gebruik te maken van de ondergrondgegevens van het Algemeen Hoogtebestand Nederland kunnen wij vandaag de dag nog steeds de sporen zien die de schapen na honderden jaren in de grond hebben achtergelaten.

Hoe raar het ook moge klinken, veel van de oude geschiedenis is met een beetje kennis van het gebied snel terug te vinden. Zo zijn we in staat om met moderne technieken de sporen uit het verleden in de ondergrond te herleiden naar bijvoorbeeld de voormalige schapendrift, waar de schapen bijna tweehonderd jaar geleden hun sporen achterlieten vanuit de schaapskooi richting het heideveld. Of de oude zomereiken langs de sloot in het weiland, waar eens een groot bos aan de schapendrift grensde.

De situatie in de Zulte rond het jaar 1820. Van de vele bossen die zich in de omgeving van de schapendrift bevinden zal slechts het noordelijk gelegen bos het nog honderd jaar volhouden voordat deze ook gekapt werd om plaats te maken voor weiland.

Enkele andere oude bomen die zuidelijk van de zomereiken staan zijn restanten van een ander oud bos en hebben als een houtwal gediend. Deze bomenrij is net zoals de voorheen genoemde houtwalrestanten terug te voeren naar oude kaarten waarop de plaatsen te zien zijn waar ze eens stonden.

Op de Kadastrale kaart uit 1832 is de schaapskooi te zien en lijkt op een klein schuurtje nabij het omgelegde stroompje de Zulter Bitse in de nieuwe weg naar Roden op het perceel I-282. Het perceel werd omschreven als een weiland en was eigendom van de Kindren van Floris Aukema. (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort)

Nabij de schapendrift bevond zich tot ongeveer het jaar 1830 eveneens een vrijstaande schaapskooi, waarin tussen de 80 en 130 dieren van de plaatselijke schaapskudde onderdak vonden. De schaapskooi in de Zulte was waarschijnlijk een zogenaamde potstal en diende als onderkomen voor de schapen die de ruige heidegronden in de omgeving begraasden. In de schaapskooi werden heideplaggen neergelegd waarop de schapen vervolgens lagen. Ook deden de dieren hun behoefte op de plaggen en doordat de dieren door de schaapskooi liepen, vermengde de mest zich met de heideplaggen. De ontstaande mest was zeer vruchtbaar en werd na het leeg maken van de stal verdeeld over de akkers in het voormalig esgehucht.

De voormalige schaapskooi die in het noorden van het voormalig esgehucht de Zulte lag, zou er zo uitgezien kunnen hebben zoals op de bovenstaande afbeelding. Vermoedelijk stamde het gebouwtje uit de zeventiende eeuw.

De schapen die de kudde vormden in de Zulte behoorden tot het ras ‘Drentse heideschaap’, een klein en tenger schaap dat wordt gezien als het oudste schapenras in West-Europa. Het sobere en sterke dier was vanwege zijn eigenschappen uitermate geschikt voor de begrazing van arme, onvruchtbare en ruige heidegronden die in de wijde omgeving van het voormalig esgehucht lagen. De schapen werden gehoed door scheper Jan Harms Hummel en zijn honden, die tot ongeveer 1830 schaapherder van de kudde van het gehucht bleef.

Een driedimensionale impressie van hoe de schaapskooi er aan het einde van de achttiende of begin van de negentiende eeuw eruit zou hebben kunnen gezien. Zoals bij veel schaapskooien in het Drents Landschap het geval was, waren de muren van hout en bestond het dak uit riet.

Jan Harms was op zondag 9 september 1792 in het Groningse Zevenhuizen geboren en huwde als 25-jarige jongeman op zaterdag 15 mei 1818 de toen 21-jarige dienstmaagd en inmiddels zwangere Aaltje Harms. Aaltje, die ook wel Aaltien genoemd werd, was dochter van Harm Lammerts en Jantje Knellis. Lammerts woonde op de hoek van de Boschkampe en de nieuwe weg naar Roden. Het gedeelte waar de Lammerts woonde, werd ‘Elzenkamp’ genoemd en zal zijn naam te danken hebben aan de vele zwarte elzen (Alnus glutinosa), die hier welig in grote bossen hebben gegroeid. Later zou de familie Lammerts de achternaam Kroon aannemen.

Als we de Kadastrale kaart uit 1832 er nogmaals bij pakken zien we de twee roodomrande percelen (I-298 en I-299) waar Harm Lammerts en zijn gezin woonde, naast het punt waar de weg uit de Boschkampe op de nieuwe weg naar Roden uitkomt. Deze plaats werd in het verleden ‘Elzenkamp’ genoemd. In de archieven wordt Harm Lammerts als Harm Lammers omschreven. (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort)

Het was rond die tijd al bekend dat schapen voor een betere bemesting van de akkers en graslanden zorgden dan rundvee. Men wist al dat schapenmest zich beter verspreidde over het weiland dan de mest van koeien. De mest van schapen verbindt zich beter met de grond en verteerd niet door de werking van zuurstof, dit in tegenstelling tot koemest, dat in het eerste jaar het gras weg bijt, in het tweede jaar voor gele vlekken in het gras zorgt waar het vee bij wegblijft en in het derde jaar is uitgewerkt. Daarnaast zou door het afgrazen door schapen gecombineerd met hun mest, er gras gaat groeien van een betere kwaliteit. Echter, aan het bemesten van weilanden door er schapen op te houden bracht een groot nadeel met zich mee, als er een ziek schaap tussen loopt kan een ziekte eenvoudig verspreid worden.

Drentse heideschapen. De bovenstaande dieren behoren tot de schaapskudde van Exloo en zijn gefotografeerd op 9 januari 2018. Voor meer informatie: de schaapskudde Exloo.

Niet alleen zorgden de schapen voor een betere bemesting van de graslanden dan de runderen het deden, maar naar verhouding brachten zij ook nog eens mee mest op het land. Tel daar bij op dat een schaap goedkoper was in de aanschaf dan een koe en in de belastingen, dan wist een boer het wel. De belasting die men voor een enkele koe moest betalen vanaf het jaar 1808 bedroeg twee stuivers. Hetzelfde bedrag moest een boer ook betalen voor acht schapen, dus op het gebied van het bemesten was een schaap goedkoper dan een koe. De twee stuivers belasting voor de schapen diende de eigenaar voor het einde van de maand september voldaan te hebben.

Op de vroege ochtend van dinsdag 9 januari 2018 begon de schaapskudde van Exloo aan de tocht richting het heideveld dwars door het dorp. Zou het er ook rond 1823 in de Zulte hebben uitgezien toen Jan Harms Hummel met zijn kudde naar de immens grote heidevelden trok?

Nu was het hoeden van schapen op het heideveld niet even een klusje, waarbij je een schaapherder met zijn honden en de kudde de heide op liet en dan zijn gang kon gaan. Nee, het was haast een landbouwkundige wetenschap geworden vanaf de jaren twintig in de negentiende eeuw. Er zaten natuurlijk de nodige haken en ogen aan het laten weiden van schapen op een heideveld en de kans bestond dat de dier ziek werden op het altijd vochtige en soms zeer natte heideveld ten westen van het buurtschap.

Door zijn compacte lichaamsbouw oogt het Drentse heideschaap niet erg groot en zijn het aantal dieren in een kudde vaak meer dan je op het eerste gezicht zou verwachten.

Wilde men de stukken van het heideveld waar de schapen graasden voor de dieren geschikt maken en het grazen veilig was, dan diende men er voor te zorgen dat er voldoende greppels aanwezig waren en het overtollige regenwater afgevoerd kon worden. Het van het water afvoeren voorkwam niet alleen dat de grond nog meer verzuurde, maar ook dat de dieren die graag in de lager gelegen gedeelten en bij poeltjes verblijven, niet ‘gallig’ werden en daaraan stierven.(1)

De schaapskudde van Exloo is inmiddels op het grote heideveld aangekomen. Als de dieren zo staan en nog niet bijeen gedreven zijn. is goed te zien dat de kudde in 2018 door veel exemplaren gevormd werd.

De galligheid werd ook wel ‘bot in den lever’ genoemd en werd veroorzaakt door een parasiet (Fasciola hepatica) die vooral de lever en de galwegen aantastte. Deze parasitaire platworm heeft de leverbotslak (Galba truncatula) nodig als tussengastheer en het slakje bevindt zich naast in ondiep stilstaand water maar ook op natte, vochtige weides en glooiende overgangen tussen natte en droge gebieden. Daarnaast kunnen de slakjes een lange periode van droogte overleven waardoor de kans op besmetting lange tijd blijft bestaan. Een besmetting van een schaap vindt plaats wanneer het dier tijdens het grazen bijvoorbeeld besmet gras of slakjes binnenkrijgt.

Met een beetje fantasie zou je de Drentse heideschapen uit de kudde van Jan Harms Hummel nog door het gebied rondom de Zulte kunnen horen én ruiken terwijl ze onderweg zijn naar het perceel heide ten noorden van de Toutenburgsingel. Dit perceel droeg in 1832 het kadastraal nummer K-210 en behoorde toe aan de markgenoten van Roden.

De ongeveer vier tot vijf meter brede en vermoedelijk uit de zeventiende eeuw stammende schaapskooi, zal een lengte van zo’n tien meter hebben gehad. Nadat de nieuwe weg naar Roden rond 1825 was aangelegd moest de scheper nu met zijn schaapskudde door het stroompje heen om de schapendrift te kunnen bereiken.  Waarschijnlijk zal het gebouwtje de functie van een schaapskooi na 1830 niet meer hebben vervuld en is hierdoor dan ook in verval geraakt. De voormalige schaapskooi is op de Kadastrale kaart uit 1832 afgebeeld als een schuurtje in een weiland.

De plaats waar in het verleden de Zulter Bitse liep en deze gedempt werd voor de aanleg van de nieuwe weg, ligt vandaag de dag de oprit naar een woning. Blijkbaar is het dempen niet goed gedaan en verzakt de bestrating keer op keer.

Had de schaapskooi nog het geluk dat deze niet verdween door de aanleg van de nieuwe weg naar Roden, voor het stroompje dat door het esgehucht liep veranderde echter wel behoorlijk veel. Destijds dacht men er niet over om een milieueffectrapportage procedure te starten of om de omwonenden te vragen wat zij ervan vonden. Nee, daar stond men aan het begin van de negentiende eeuw niet bij stil. De gevolgen bleven dan ook niet uit. Zowel op de plaats waar de Zulter Bitse van oorsprong eerst stroomde en locatie waar het stroompje later langs geleid werd, zijn vandaag de dag nog steeds de weer terugkerende verzakkingen duidelijk zichtbaar in de bestrating van de stoep en de asfalt van de huidige weg de Zulthe.

De plaats in de weg waar de Zulter Bitse in het midden van de jaren twintig in de negentiende eeuw kwam te liggen. Ook hier zal waarschijnlijk na het dempen van het stroompje de ondergrond niet goed behandeld zijn en daardoor verzakt de weg steeds weer.

In een advertentie die in juni van het jaar 1932 in het Nieuwsblad van het Noorden verscheen, stond er een een paar zinnen van de heer Deodatus waarin hij aangeeft dat het gras van 4 percelen, voor een goede prijs te koop staat. Deze percelen lagen (of eigenlijk liggen ze er nog zolang het duurt) naast het huis van de familie Deodatus en geven aan waar de oude es ‘Kostverloren‘ ligt. Op deze locatie staat nu woningbouw in de planning en zal voor altijd verloren zijn.

Een gedeelte uit een advertentie die verscheen in het Nieuwsblad van het Noorden van zaterdag 18 juni 1932 waarin de heer R. Deodatus Pzn. aangeeft, vier percelen met gras te willen verkopen naast het huis aan de Zulte en het daarnaast gelegen Kostverloren (bron: Nieuwsblad van het Noorden zaterdag 18 juni 1932 vijfde blad, pagina 19).

(1) Beknopte schets van den Landbouw in min vruchtbare streken. J. H. van Wolda, Instituteur aan de Kweekschool voor den Landbouw der Maatschappij van Weldadigheid, te Wateren. Uitgegeven te Groningen door J. Oomkes, 1841.

Hop in de Zulte.

Streek- of veldnamen rondom het oude esgehucht de Zulte zullen doorgaans ontstaan zijn door het gebruik, de samenstelling, een gebeurtenis of de eigenaar van een bepaald gebied. Een mooi voorbeeld hiervan is omgeving van het gebied ten noorden van de Zulte nabij de Turfweg dat nog steeds ‘Dobben’ genoemd wordt. In dit specifiek gebied kwam veel kwelwater voor, waardoor er hier veel kleine poelen waren gevormd. Zo’n poel kreeg in de volksmond de naam ‘Dobbe’. Aan de omliggende gebieden zoals bijvoorbeeld de zuidelijk gelegen es werd vervolgens de naam van de streek ontleend en kreeg deze de naam ‘De Dobber Esch’ en de aangrenzende percelen bouwland werden ‘De Dobben Kampen’ genoemd. De naam ‘Kampen’ is afkomstig van het Drentse woord ‘Kamp’ en staat voor een al dan niet omheind perceel land of weiland.

Hop (Humulus lupulus). Een klimplant die met enige regelmaat in de omgeving van het Drentse dorp Roden aangetroffen wordt op bomen die zich op onder andere op houtwallen bevinden. Met name in de beekdal- en potkleigebieden komt de plant veelvuldig voor. Of deze plant een afstammeling is van de hopplanten die in het verleden hier verbouwd werden durf ik niet te zeggen, maar de plant groeit wel op de plaats waar de hopteelt plaatsvond.

In het noordwesten van het toenmalige esgehucht ten zuiden van de schapendrift nabij de es met de naam ‘Kostverloren’, bevonden zich ook een aantal bouwlanden waar naar alle waarschijnlijkheid op één en wellicht op meerdere percelen hop (Humulus lupulus) verbouwd werd. De teelt van hop was in de zeventiende en achttiende eeuw in het noorden van Drenthe zeer veel voorkomend en kwam dus ook in de Zulte voor. De hopteelt werd gekenmerkt door haar kleinschaligheid en kwam voor als nevengewas op kleine percelen, die doorgaans omheind met een haag of houtwal. Het gebied rondom de bouwlanden waar men de hop destijds verbouwde werd dan ook tot in de achttiende eeuw ‘Hoppecamp’ genoemd, dat later verbasterde naar ‘Hopkamp’ of ‘Hoppenkamp’.

Op de kadastrale kaart uit 1832 die door de landmeter der eerste klasse A. C. Meijer werd opgemeten, zijn de percelen bouwland van Jannus Winsingh rood omlijnd. Het betreft hier de percelen I-241, I-250, I-251 en I-252, waarbij het perceel I-252 niet als klasse 1 zoals de andere percelen, maar als klasse 2 werd ingedeeld en daardoor in tarief 2 viel. Door de lagere klasse hoefde de eigenaar minder belasting voor het perceel af te dragen. (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort)

De hopteelt werd weliswaar als een nevengewas aangeplant en geoogst, maar als het goed werd aangepakt, kon dit hoogwaardig gewas zeer lucratief zijn waarop zeer ruime marges te behalen waren. Echter, om de hopteelt winstgevend te maken waren de nodige investeringen broodnodig. Het aanleggen van een hopveld koste het nodige en om de planten goed te laten groeien was er veel mest nodig. Daarnaast was de hopteelt zeer arbeidsintensief vanwege het onderhoud en het handmatig plukken van de hopbellen. Ook de gevoeligheid van de plant voor ziekten zoals meeldauw (Erysiphe graminis) en plagen die veroorzaakt werden door onder andere de hopluis (Phorodon humuli) of een zware onweersbui met hagel en harde windstoten, die een hele oogst kon vernietigen.

Een rank van een hopplant waaraan zich de zogenaamde ‘hopbellen’ bevinden. Zo’n rank kan gemakkelijk in een jaar tijd vier meter lang worden. De wilde hop kwam en komt nog steeds van nature voor in de wijde omgeving van Roden. De kwaliteit was echter veel minder dan de gecultiveerde hop en werd daarom zelden gebruikt. Voor de arme plattelandsbevolking was het oogsten van de hopbellen blijkbaar lonend en werden ze na de pluk voor een habbekrats verkocht aan lokale dorpsbrouwers zoals Thyle Geerts Krythe in Roden. (Bron: Nieuwe hoop voor de Nederhop? Ondergang en opleving van de hopteelt in Nederland door Kees Volkers en Chris Kik. Tijdschrift voor Historische Geografie, 1e jaargang 2016, nummer 3.)

Het was dus voor de eigenaar een behoorlijke investering om er voor te zorgen dat de hopplanten het goed deden en naast de hierboven genoemde risico’s , moest hij ook nog eens het kwalitatief  beste bouwland gebruiken voor de teelt van de planten. Destijds sprak men in Drenthe niet van het aantal planten dat men verbouwde, maar eerder van een ‘hoppekuil’ of ‘hoppekoel. Een hoppekuil is niets meer dan een met mest of huiselijk afval gevulde kuil die aangeaard werd en waar men 3 of 4 palen van een meter of vijf in een vorm van een wigwam tegen elkaar aan zette. De hop is een snelgroeiende klimplant waarvan de ranken met gemak meer dan vier meter per jaar kunnen groeien.

Was het dorp Peize rond het jaar 1650 de grootste leverancier van de hop in het noorden van Drenthe met maar liefst 86.500 zogenaamde hoppekuilen, Roden was in dat jaar een keurige tweede met een slordige 23.400 hoppekoelen. Het dorp Eelde volgde als derde met een aantal van 22.500.

De vrouwelijke vruchten van de hop, de zogenaamde hopbellen, die lupuline bevatten en daarom één van de belangrijkste grondstoffen voor bier vormen.

Naar alle waarschijnlijkheid zullen de geoogste hopvruchten, de zogenaamde hopbellen, vanuit de Zulte naar het dorp Roden gebracht zijn waar zich een bierbrouwerij bevond. Bijna elk dorp in Drenthe had destijds ook wel een eigen brouwerij waar de lokaal geteelde hop gebruikt werd voor de bierproductie. Zo kwam de herbergier Thyle Geerts Krythe in het Haardstedengeldregister van Rhoden uit 1804 voor als brouwer, die in het bezit was van 2 paarden en daarom voor het bedrag van 3 gulden werd aangeslagen.

De hopteelt vond in veel kleine buurtschappen en gehuchten rondom Roden tot ongeveer het begin van de achttiende eeuw plaats, tot de vraag naar bier begon af te nemen door de komst van onder andere koffie, thee en sterke drank (jenever). Daarnaast speelde ook de steeds slechter wordende kwaliteit van de hop een grote rol. Door het slecht plukken van de hopbellen kwamen er veel  steeltjes en bladeren mee, iets wat de kwaliteit van het bier zeker niet verbeterde.

Het huidige gebied langs de Zulthe waar zich in het verleden de Hoppecamp bevond op een luchtfoto uit 2012. (Bron: Topotijdreis.nl)

Meer weten op de hopteelt in het noorden van Drenthe?

Feiten over hop

Hop

Het ontstaan van een beekje in de Zulte.

Het is vandaag de dag nog amper voor te stellen hoe de omgeving van het oude esgehucht de Zulte er uit moet hebben gezien ruim 12.000 jaar geleden. Met een beetje fantasie kunnen we een beeld gaan schetsen van een gebied, dat net herstellende was van de vele zandverplaatsingen en waar de vegetatie langzaam hier en daar weer behoorlijke vormen aan begon te nemen. Toen de laatste koude periode met de naam de Jonge Dryas-stadiaal tijdens de eindfase van de Weichsel-ijstijd, ook wel het Weichselien genoemd, voorbij was en de temperatuur snel begon te stijgen, kreeg ook de oorspronkelijke grondmorene van de laatste gletsjer zijn huidige vorm.

Tijdens deze periode moet er veel sneeuw gevallen zijn en dit in combinatie met de hevige poolwinden, is er veel fijn en grof zand vanuit de noordelijke richtingen over het gebied verplaatst. Van de hoge stuwwallen sleet de ijzige wind delen van de keileem af en nam het onderliggende zand mee, dat op zijn beurt hier en daar de oorspronkelijke smeltwater stroomgeulen van de oude gletsjer er weer mee opvulde. Een stroomgeul word ook wel een smeltwaterdal genoemd en is ontstaan toen door het smeltende ijs van de gletsjer door middel van erosie, geulen in de zachte ondergrond vormde. Daarnaast zorgde het fijnere zand dat met de wind en de sneeuw soms wel kilometers ver werd meegevoerd en creëerden zo nieuwe duinen. Grof zand was zwaarder en werd zelden ver weg getransporteerd en bleef dus in de buurt liggen.

De Dryas octopetala, ook wel Achtster, Bergavens, Witte Dryas, Zilverblad, Zilverkruid of Zilverwortel genoemd, is een altijd groene dwergstruik die grote kolonies vormt en tijdens de koude perioden (Stadialen) van het Laat-Glaciaal tijdens het Weichselien massaal groeide op de toendrasteppe waar nu het dorp Roden ligt. De plant die haar naam heeft gegeven aan de drie stadialen van dit tijdvak (Vroege-, Oudste- en Oude Dryas) vormde destijds een voedselbron voor de grazende mammoeten en rendieren. (Afbeelding Dryas octopetala: Dryas octopetale & Saxifraga-Willem van Kruijsbergen.jpg  www.freenatureimages.eu)

Dit is bijvoorbeeld gebeurd in de omgeving van het punt waar de Hulst en de Zulthe samenkomen. Hier was een behoorlijk zandpakket afgezet langs de noordelijke zijde van de stroomgeul en hierdoor de keileem met forse laag dekzand bedekte. Op deze plaats verrees later een behoorlijk bos en toen deze gekapt werd, dacht de boer die de bomen liet kappen, dat hier geen keileem lag. Er was wel keileem, maar dat lag een behoorlijk stuk dieper en werd daarom niet aangetroffen. Naast dit gedeelte van de Zulte, bevonden zich op de plaatsen waar het dekzand eveneens een laag over de keileem had gevormd, ook een tal van bossen die later gekapt werden om plaats te maken voor de landbouw en veeteelt in het gebied.

De verschillende lagen dekzand ter hoogte van de Hulst en de Zulthe die hier aan het einde van het Weichselien door de ijzige poolwinden zijn afgezet in een door het smeltwater van de gletsjer gevormde smeltwaterdal. Het dekzand bedekte hier de keileemlaag en het residu dat het smeltwater hier eveneens had afgezet.

Bleef de aangerichte schade door het verstuiven in de Zulte beperkt tot slijtage aan de bovenzijde van de stuwwallen en het opvullen van een gedeelte van een oude smeltwaterbedding, in andere delen van Noord-Drenthe kwamen de oude rivierbeddingen ook vol met zand te liggen en werden de beken gedwongen een andere route te kiezen richting de lager gelegen gronden, waarbij een aantal nieuwe stroomgebieden ontstonden zoals dit bij de Drentse Aa en zijn zijtakken het geval was.

Een ander fenomeen dat zich aan het begin van het Holoceen begon voor te doen was de toename van het grondwater in het gebied. De bodem die tijdens de laatste periode van het Laatglaciaal stijf bevroren was geweest en waar de permafrost meters diep in de grond had gezeten, was geheel ontdooid en op veel plaatsen in het gebied kwam heel voorzichtig een vies ruikende bruine substantie omhoog. De bruine waterige derrie die hier omhoog kwam, was zuurstof en sulfaatarm en bestond vooral uit basen en ijzer, en vormde hier en daar in de lager gelegen gebieden kleine poelen.

Zo zou het er hebben uitgezien op vele plaatsen in het gebied ten noorden van het dorp Roden nadat het Jonge Dryas-stadiaal voorbij was en het Holoceen een aanvang had genomen. Op de plaatsen waar er nog maar weinig keileem aanwezig was, borrelde de bruine drab naar boven en vormde kleine poeltjes. De door het grond- en kwelwater gevormde kleine poelen worden in deze omgeving ook wel ‘dobben’ genoemd.

De bruine substantie die hier in de Zulte uit de bodem omhoog borrelde, was grondwater dat afkomstig was van het hoger gelegen Drents Plateau, een hoogvlakte in Drenthe en die zo’n tien tot twintig meter boven het zeeniveau ligt. Dit grondwater dat onder druk aan de oppervlakte kwam, wordt ook wel kwel of kwelwater genoemd en is ontstaan door een ondergrondse waterstroom, die van een hoger naar een lager gelegen gebied stroomde, waar het een bron vormde. Het grondwater kon echter alleen een bron vormen als het door de ondergrond kon dringen op bijvoorbeeld plaatsen, waar amper of geen keileem aanwezig was en daardoor er geen water ondoorlatende laag was ontstaan.

Door de toenemende druk en de hoeveel water dat werd aangevoerd, begonnen de kleine poelen groter te worden en op sommige plaatsen ontstonden kleine stroompjes richting de lager gelegen gebieden. In andere poelen bleef het water staan of de poeltjes droogden zelfs op doordat de watertoevoer afnam en stopte. Het is goed te zien dat in het kwelwater op de afbeelding veel ijzer zit.

Afhankelijk van de druk op het grondwater, de omgeving en de plaats waar het water aan het oppervlak kwam, ontstond er een poel die in grote en vorm enorm kon variëren. Deze poelen worden in de omgeving van het dorp Roden ook wel ‘dobben’ genoemd en komen veel voor in het gebied rondom het Noord Drentse dorp. Er ligt zelfs een gebied ten noorden van het voormalig esgehucht met de naam ‘Dobben’ en de es heeft de naam ‘Dobberesch’. Normaal gesproken bezit een dobbe geen aan- of afvoer van waterlopen en is dus afhankelijk van grondwater.

Hier en daar treffen wij in de omgeving van het voormalig esgehucht nog een kleine dobbe aan die niet door de mens gegraven is. Deze dobbe is geheel afhankelijk van de aanvoer van kwelwater en in een geringe mate van regenwater, waarbij deze droog valt in de zomer. Het water is doorgaans erg helder doordat het hier vooral lokale kwel betreft dat arm is aan basen en ijzer.

Veel van de dobben ten noorden van het dorp Roden zijn afhankelijk van zogenaamd lokaal kwelwater en vallen droog in de zomer. Lokaal kwelwater zakt bijvoorbeeld als regenwater door de zandlagen naar beneden en komen in de directe omgeving weer aan de oppervlakte. Dit water is arm aan basen en ijzer, maar behoorlijk stikstofrijk. Daarnaast bevat lokale kwel ook maar weinig mineralen, dit in tegenstelling tot regionaal kwelwater.

Het ijzerhoudend vlies dat typerend is voor zuurstofarm en ijzerrijk regionaal kwelwater. Het water dat deze vorm van kwelwater vormt, kan honderden jaren oud zijn en kilometers diep onder de grond afgelegd hebben voordat het aan de oppervlakte komt. Het vlies ontstaat wanneer het ijzer een verbinding met fosfaten in het water aangaat,

Echter op een enkele plaats was de aanvoer van grondwater zo hevig dat de poel overliep en het water zijn weg begon te zoeken naar lager gelegen gebieden. Waarschijnlijk was het in het begin maar een armtierig stroompje wat meer weg had van een waterplas, maar toch, het water zocht zijn weg. Met name in het begin van het stroompje zal alles rood geweest zijn van het ijzer uit het water, dat contact had gemaakt met de zuurstof uit de lucht, begon te roesten. Samen met micro-organismen ontstond er een reactie waarbij het ijzer als vlokken ijzeroxide neersloeg op de bodem en op de planten die in en langs het water stonden.

Het ijzer dat samen met basen in het kwelwater was opgelost is een reactie aangegaan met zuurstof en begon daardoor te oxideren (roesten). Daarna gingen bacteriën een reactie aan met de roest en zodoende ontstonden de vlokkerige klonten, die vervolgens op de bodem terecht kwamen of aan planten bleven vastzitten.

Ook ging het ijzer in het water een verbinding aan met de aanwezige fosfaten en zo ontstond een vliesje op het water dat oogde als een dun laagje olie. Fosfaten in het water dienden voor de planten als meststoffen en nu de gebonden werden met het ijzer, verdwenen de planten die van een voedselrijke ondergrond hielden en deze maakten plaats voor planten die het wel goed deden op de voedselarme ondergrond.

Door de toenemende druk op het grondwater belandde er steeds meer water in de kleine poel en op een gegeven moment stroomde deze over en begon het sneller stromende water een weg te zoeken naar de lager gelegen gebieden. Door de samenstelling van het grondwater waarin de fosfaten waren verdwenen, bleek slechts een beperkt aantal planten groeien langs het iele waterstroompje.

En toch begon de druk op het grondwater steeds meer toe te nemen en zal het miezerig natte stukje, waar het roodbruin was van de roest en dat meer weg had van een mager waterplasje, iets meer op een stroompje zijn gaan lijken. Waarschijnlijk zal ook de warmer wordende temperatuur en de stijgende zeespiegel als gevolg hiervan ook een grote rol hebben gepeeld in het stijgen van het grondwater. En ander effect van het warmer worden was dat, ondanks het droge klimaat dat hier heerste, het stijgen van het zeewater door bleef gaan en ervoor zorgde dat er moerassen in het gebied ontstonden.

De aanvoer van zowel grond- als regenwater begon steeds meer toe te nemen waardoor het stroompje sneller begon te stromen en langzaamaan breder werd. Nog kwam het stroompje niet verder dan enkele meters vanaf de bron en nam de bodem en de omliggende vegetatie het water op. Daarnaast voedde het op zijn beurt ook de moerassen die in de directe omgeving van de poel lagen.

Dit vond ook plaats in de omgeving van waar later het esgehucht zou ontstaan en dan met name in de lager gelegen gebieden zoals de voormalige smeltwaterdalen. Door het stijgen van het grondwater, de water ondoorlatendheid van de keileemlaag en het toenemen van de neerslag, bleef het water langer staan in de laagste gedeelten van het smeltwaterdalgebied en ontwikkelde zich in de loop der tijd een weelderig plantengebied waar vooral moerasplanten en mossen het gezicht bepaalden.

Veenmos (Sphagnum) is een geslacht van mossen dat bestaat uit meer dan honderd soorten en droeg bij aan de vervening van de moerassen en vormde grote veenmosplekken op de vochtige heidevelden.

In de tijd dat er zich door de stijgende temperaturen en de toenemende vochtigheid in deze moerassen veen begon te ontwikkelen, deed zich in de gebieden rondom de moerassen een ander fenomeen voor. Langzaamaan werden de iets hoger gelegen gronden bedekt door grote, vochtige heidevelden die duizenden jaren het gezicht bepaalden van het gebied. Op de hoger gelegen delen waar ook veel dekzand voorkwam, ontwikkelden zich eerst naaldhout- en later loofbossen.

Inmiddels was het aanbod van grond- en regenwater richting de poel enorm toegenomen en dat resulteerde in een toename van water in het stroompje. Doordat er meer water in het stroompje terecht kwam, nam de stroomsnelheid ook toe en ‘vrat’ het water zich een weg door de bovenlaag.

Het was ook de tijd dat het wegsijpelende water uit de poelen inmiddels een klein stroompje had gevormd en dankzij de dichte keileemlaag aan de oppervlakte, begon ook steeds meer regenwater in zowel de poelen als de stroompjes te lopen. Weliswaar kwamen de stroompjes in het begin niet verder dan enkele meters van de poel en nam de aanwezige vegetatie veel van het water op. Waarschijnlijk verdween het overgebleven gedeelte van het water in de nog droge en onverzadigde bodem.

Toen het Atlanticum aanbrak kreeg een warm en nat klimaat vat op het gebied in wat nog Nederland moest worden en door de temperaturen die gemiddeld hoger lagen dan vandaag de dag, begon meer poolijs te smelten en steeg het zeewater nog meer. De stijging van het zeewater had ook invloed op het grondwater dat ook begon te stijgen. Net zoals het stijgende water had ook de neerslag een grote invloed op de ontwikkeling van de stroompjes die aan de rand van het Drents Plateau waren ontsprongen.

Door de toenemende aanvoer van water, dat zowel via de bron als de oppervlakte in het stroompje terecht kwam, kreeg het steeds meer het uiterlijk van een smal beekje. Van een beekdal was uiteraard zo’n 8000 jaar geleden nog geen sprake, maar de ontwikkeling hiervan was al in volle gang.

De toenemende neerslag, die het gevolg was van het steeds natter wordende klimaat, zakte weliswaar boven op het Drents Plateau in de zanderige bodem weg, maar voedde wel de kwelwaterstromen die in formaat toenamen en daardoor de druk op het grondwater verhoogden. Door de toename van zowel grondwater als de toeloop van regenwater richting de poel, nam het stroompje niet alleen toe in formaat, maar nu was de aanvoer van die mate dat het steeds verder een weg kon gaan vervolgen richting het lager gelegen gebied in het noorden.

Doordat de aanvoer van water in het stroompje bleef toenemen evenals het formaat, begon deze langzaam maar gestaag meer zand en keileem af te voeren en werd hierdoor steeds dieper. Nu is diep natuurlijk erg relatief en zeker in die eerste duizenden jaren zal het water in het stroompje gestegen zijn daar waar een natuurlijke hindernis de doorstroming verhinderde en zodoende zorgde de natuurlijke stuwing voor enige diepte. Maar ondertussen zette de erosie van de ondergrond door en vrat het stroompje zich een weg door de bovenlaag.

De aanwezigheid van zuurstofarm en ijzerhoudend kwelwater zal zelfs nog op enkele honderden meters afstand van de poel duidelijk zichtbaar zijn geweest is het stroompje dat zich een weg zocht door het gebied.

Nu was de begroeide bovenlaag sowieso al behoorlijk zacht geworden door het vele vocht dat de moerassen en de natte heide vasthielden, waardoor het stroompje steeds meer vorm kreeg in de lagere delen van het gebied dat door de laatste gletsjer was geschapen. De keileem die met de gletsjer vanuit noordoosten was aangevoerd vormde weliswaar op veel plaatsen een ondoordringbare laag voor het water, maar bleek aan de oppervlakte toch gevoeliger te zijn voor het weer en daarop volgende erosie dan je op het eerste gezicht zou denken. In het artikel “Kleverige prut aan de stevels” op dit weblog komt de samenstelling en de herkomst van de keileem volledig aan bod.

Een andere eigenschap van kwelwater is de constante temperatuur die rond de 10 graden Celsius schommelt en daardoor niet snel bevriest. De aanwezigheid van kwelwater in bijvoorbeeld sloten of weilanden is in de winter dan ook eenvoudig te herkennen vanwege het gebrek van sneeuw en ijs.

Zo’n zesduizend jaar geleden begon het zogenaamde Subboreaal, een qua klimaat koeler en drogere periode dan het voorgaand tijdperk, maar toch was het destijds warmer dan het heden ten dage is. Het iets koelere klimaat bevorderde echter de aangroei van de aanwezige natte heidevelden in de lagere delen van het gebied en deze zal naar alle waarschijnlijkheid de omgeving het stroompje, dat langzaam de vormen van een beekje begon te krijgen, hebben gedomineerd. Op de iets hoger geleden delen van de grondmorene zal de droge heide de overhand hebben gekregen en boven op de resten van de stuwwallen en andere hoogten zullen nu loofbossen hebben gestaan.

De nu door de natte heidevelden gedomineerde omgeving waar het smalle beekje zijn weg naar het laagste punt zocht om samen te komen met de andere beken, die eveneens aan de rand van het Drents Plateau waren ontstaan, werd niet alleen breder maar ook steeds dieper. De kracht van het steeds sneller stromende water vrat zich dieper en dieper door de bodem waarbij het fijnere materiaal afgevoerd werd en het grove gedeelte van de keileem zoals stenen, bleef liggen. Het fijne materiaal uit de keileem zal het water op grote afstanden een bruinachtige kleur hebben gegeven.

Op enkele honderden meters van de bron is het effect van het warme kwelwater verdwenen en zal het smalle beek deels bevroren geweest zijn daar waar het water langzamer stroomde.

Echter de eerste honderden meter zal dankzij het nog steeds ijzerhoudende element van het kwelwater het uiterlijk in en langs het beekje er behoorlijk roestig hebben uitgezien. Niet alleen de vorm, de stroomsnelheid en de kleur in het beekje begonnen te veranderen, ook de vegetatie in en langs het water begon zich duidelijker te manifesteren. Veel kwelminnende planten zoals Waterviolier  (Hottonia palustris), Dotterbloem  (Caltha palustris subsp. palustris) en Liesgras (Glyceria maxima) verschenen in of op de oevers langs het beekje.

Niet alleen de zuurstofarme en ijzerhoudende componenten van het kwelwater hadden een grote invloed op de directe omgeving van het beekje, ook de temperatuur speelde een belangrijke rol. De gemiddelde temperatuur van het kwelwater zal zo om en nabij de 10 °C gelegen hebben toen het in de poel omhoog borrelde. Hierdoor bevroor de poel in de winter slechts als het heel erg streng vroor en in de zomer was het water altijd koel. De plaatsen waar kwelwater aan de oppervlakte komt zijn dan ook heel eenvoudig te herkennen in de winter door ontbreken van sneeuw en ijs.

De Waterviolier (Hottonia palustris) is een waterplant die veel schaduw verdraagt en als een indicator voor kwelwater gezien wordt. Heden ten dage is de plant nog steeds een veel voorkomende verschijning in de sloten en vijvers in de huidige Zulthe.

Niet alleen de poel en het regenwater waren de enige leveranciers van water voor de steeds groeiende beek die inmiddels zijn eindpunt bereikt had in de een beek die later ‘De Leecke’ zou gaan heten, maar ook het kwel dat in het stroomgebied van het beekje naar boven kwam, vloeide in het stroompje. Iets wat vandaag de dag trouwens nog steeds voorkomt in het stroompje, weliswaar sporadisch doordat de vele sloten het vele kwel opvangen en afvoeren. Op deze plaatsen treffen wij dan ook met enige regelmaat de kwelindicatoren als Waterviolier, Dotterbloem en Liesgras aan.

De stroomsnelheid in het beekje zal van tijd tot tijd enorm verschillend zijn geweest, afhankelijk van het aanbod van water. Weliswaar nam de aanvoer van grondwater tijdens het opvolgende Subatlanticum behoorlijk toe door met name de stijging van het zeewater, maar de toename zal grotendeels in het najaar hebben plaatsgevonden door de regen die viel. Het is tegenwoordig amper nog voor te stellen hoe het water via het oppervlak het beekje instroomde dankzij het netwerk van sloten, dat het regenwater in een mum van tijd weet af te voeren. Heel af en toe viel er recentelijk nog zo veel water, dat de slecht onderhouden sloten en buizen het aanbod niet aankonden en je een voorzichtige indruk kreeg van hoe het er ruim drieduizend jaar geleden uit moet hebben gezien.

Mede door de toename van het grondwater in de bron van het inmiddels kleine beekje begon ook in de zomerperiode tijdens het Subatlanticum het water sneller te stromen. De bovenstaande afbeelding geeft mooi weer hoe het er destijds uit moet hebben gezien.

Was het beekje in de droge zomermaanden slechts een idyllisch voortkabbelend stroompje in het natte heidegebied en waar de libellen van diverse pluimage hongerig op de vele insecten joegen, vanaf de herfst was het een geheel ander verhaal. In de maanden die op de zomer volgden zal er veel meer regen gevallen zijn en door de schier ondoordringbare keileemlaag in het gebied stroomde dit naar het laagst gelegen punt. Het beekje liep door de laagste delen ten noorden van waar het esgehucht de Zulte zou verschijnen en verzamelde zo het vele regenwater.

Het effect van het vele regenwater uit het gehele gebied dat zich in de lager geleden delen verzamelde was dat de beek niet alleen in stroomsnelheid toenam, maar ook in volume. Deze combinatie zorgde ervoor dat de erosie van de omgeving waar het beekje doorheen ging enorm begon toe te nemen en door deze slijtage begon zich en prachtig beekdal te vormen. Doordat het eerder door de boeren aangelegde stelsel van sloten nog lang niet bestond er het vele water zijn eigen weg kon bepalen, ontstond er een fors beekdalgebied waarvan we de sporen in de huidige tijd nog goed kunnen waarnemen.

Het huidig beekdalgebied van het huidige stroompje in de warme zomermaanden, toen de huidige eigenaar drainage moest aanleggen om voor een betere afvoer van het regenwater te zorgen en zodoende het vee hier met droge voeten te kunnen laten lopen.

De breedte van het beekje varieerde dus van ruim een halve meter tot wel enkele tientallen meter naarmate deze richting het lager gelegen gebied van de beek de Leecke liep. Daar waar het beekje fors breed werd tijdens de wintermaanden, nam het snelstromend water het dekzand en de restanten van de geërodeerde keileemlaag mee en zodoende kreeg het stroomgebied zijn huidige vorm. Dit gold ook voor de stroompjes die op de hoger gelegen delen van het gebied ontstonden door de regenval tijdens het najaar en de winter. In het voorjaar wanneer de regenval voorbij was en het warmer begon te worden, verdwenen deze weer en lieten een droge bedding achter. Hier en daar zijn ook deze sporen nog terug te vinden in het landschap, met name op de Westeresch.

Het beekdalgebied enkele jaren later tijdens de winter gezien vanaf de Westeresch. Ook vanaf de Westeresch stroomde in het verleden grote hoeveelheden regenwater richting het kleine beekje. Hier en daar zijn ondanks de intensieve bewerking van het gebied, de sporen nog duidelijk zichtbaar.

Wringen en verklikkende voorsteinen

Tot zo’n zeventig jaar geleden, zo rond 1950, waren akkerbouw en veeteelt in de omgeving van het voormalig esgehucht niets bijzonders om van op te kijken. Het steeds groter wordend dorp Roden had het gehucht de Zulte nog niet opgeslokt en van de zich al aandienende schaalvergroting binnen de agrarische sector was voorlopig in dit gedeelte van Drenthe niets te merken. En toch begon het een en ander in de tweede helft van de twintigste eeuw zodanig te veranderen, dat de kleinschalige boerenbedrijven geleidelijk aan in een gestaag tempo uit het gebied verdwenen. De bedrijven die het wel wisten te redden en met de schaalvergroting meegingen, werden groter en groter. Boerderijen werden woonhuizen of verdwenen helemaal om plaats te maken voor huizenbouw en het leggen van straten. Ook was de akkerbouw vrijwel geheel verdwenen op de Zulteresch en daar waar nog gras stond, liepen koeien, paarden, of schapen. Langzaamaan begonnen ook de laatste groene weilanden te verdwijnen ten behoeve van de steeds sneller stijgende vraag naar woningen, het groeiende inwonersaantal, en de onstilbare uitbreidingsdrang van het dorp Roden.

Echter met het verdwijnen van de kleinschalige boer in en rondom het esgehucht verdwenen niet alleen de mensen en hun boerderijen, maar ook de wijze waarop zij hun beroep uitoefenden en hun gereedschappen hanteerden. Naast dit verdwenen ook de gebruiken, oude termen, en de handigheden die de vroegere boer gebruikte om de ontstane problemen zelf op te kunnen lossen. Weliswaar bleef de traditie nog bestaan om de oude gebruiken van de vader op de zoon en van de zoon op de kleinzoon te overdragen, maar het verwaterde snel doordat de aangewezen opvolgers geen heil meer zagen in het zware beroep en er voor kozen om door te leren. Heel af en toe tref je nog een oud persoon die iets heeft weten te bewaren wat zijn vader en grootvader hem of haar hebben verteld, maar de spoeling wordt ras dun.

De akkers die destijds op de Zulter Esch lagen op een zogenaamde schattingskaart vervaardigd door de tekenaars van het Kadaster ten behoeve van de schatting van percelen voor de herziening van de belastbare opbrengst van ongebouwde eigendommen. De kaart geeft waarschijnlijk de situatie tussen 1860 en 1880 weer. De tekenaar was destijds H. Baggelaar. (Bron: Drents Archief)

Ruim honderdvijftig jaar geleden verschilde de omgeving van het voormalig esgehucht op het gebied van de landbouw en gebruiken echt niet zoveel van de rest van de provincie Drenthe. Ook hier waren de sporen nog duidelijk zichtbaar die de gletsjer tijdens het Saale-glaciaal had achtergelaten. De door het terugtrekken en smelten van de gletsjer ontstane verhogingen en de daarna gevormde zandheuvels, die tijdens de zandverstuivingen in het Weichselien plaatsvonden, was er een ideaal landschap voor de boer gecreëerd. De verhogingen waren dus op een natuurlijke wijze ontstaan en niet zoals op veel andere plaatsen, door het opbrengen van potstalmest en kregen de naam ‘esch’ of ‘es’. Zo komen wij in de Zulte bijvoorbeeld de Westeresch en de Zulteresch tegen. Niet alle essen in het gebied hadden het woord es of esch in hun naam, de es Kostverloren is hier een voorbeeld van.

De bodem van de es lag dus doorgaans hoger en dat leidde ertoe, dat de oude boeren in het verre verleden vaak met een kennersblik de vruchtbaarste plekken op de met keileem bedekte es tot bouwland hebben uitgekozen. Voor de vroegere boeren was de es, die ook wel ‘communis esca’ genoemd en dat eigenlijk in collectief gehouden werd, een grote, onafgebroken en uitgestrekt stuk bouwland, dat bestond uit de gezamenlijke bouwakkers van de gezamenlijke boeren. De es was omgeven met houtwallen die grotendeels uit bijvoorbeeld Zomereiken (Quercus robur) bestonden en al dan niet op een aarden wal waren geplant. Sommige zijden van een es hoefde helemaal geen houtwal aangelegd worden daar er een groot bos naast lag. Naast communis esca bestond er nog ‘privata esca’, wat voor als privé tuin of erf staat en er hier verder niet tot doet.

De essen ten noordoosten van het voormalig esgehucht de Zulte op een kaart uit het jaar 1935. De kaart werd verkend in 1899 en herzien in het jaar 1933. Kaart no. 114 Roden heeft een schaal van 1:25000. (Bron: Drents Archief)

Daarnaast vormde het bezit van één boer niet een aaneengesloten complex, maar lagen deze kriskras tussen de akkers van de andere eigenaren in. Een mooi voorbeeld van de bouwakkers op een es waren de Körtakkers op de Zulteresch, waarbij de verdeelde percelen van elkaar gescheiden werden door diepere ploegvoren en de grenzen waren aangegeven met grote stenen. Bij een korte akker lagen de stenen alleen op of dicht bij de hoeken (voorstenen) en bij een langere akker lagen er stenen aan de lengtezijden. De voorsteinen of ‘veursteinen’ zoals ze in de Zulte ook wel genoemd werden, zorgden vaak voor onenigheid, doordat boeren die het niet zo nauw namen met de eerlijkheid, ze verlegden. Daarom gebruikte men zogenaamde ’verklikkers’, stenen die iets dieper lagen dan de voorstenen en bij een geschil de juiste plaats aantoonden.

Voor het gebruik van de akkers waren spelregels bedacht waar men zich aan diende te houden en min of meer overal in de provincie op hetzelfde neerkwamen. De bouwakkers die langs de randen van de es of langs een weggetje door de es lagen, waren ten alle tijde toegankelijk. Er bevonden zich echter ook percelen bouwland op de es die doorgaans alleen via het land van de buren of door de voren te bereiken waren. Deze waren dan ook niet toegankelijk voor de eigenaar als het koren te velde staat. Het bezaaien van de verschillende akkers met de diverse soorten graan was dan ook alleen maar toegestaan op de rand- en wegakkers van de es. Dit zal ook de reden geweest zijn dat het boerschap (buir- of buurschap) van het gehucht bij elkaar kwam om te bepalen welke graansoorten door wie, waar en wanneer gezaaid en geoogst zouden gaan worden.

Zoals op de kaart van de Körtakkers mooi te zien is, zijn niet alle akkers regelmatig en recht van vorm. Weliswaar waren de meeste percelen rechthoekig, daarentegen bezaten weer andere akkers een vorm waarbij het boven breder of smaller was dan het benedeneind; de zogenaamde ‘geerakkers’. Als de akker geploegd werd volgen de voren de vorm van het perceel en dan werden deze schuinlopende voren ook wel ‘geeren’ genoemd. Er werd dan ook wel gezegd dat de akker ‘geert’. Deze akkers bezaten dus min of meer een wigvorm en kregen naast geerakkers ook wel de naam ‘kielakkers’. Dan sprak men van dat een kielende akker of de akker kielt. Was het einde van het perceel bouwland een punt, dan was er sprake van een ‘tipakker’ en zei men gemakshalve ‘tip’ tegen de akker.

Naast de Körtakkers op de Zulteresch waren er in de directe nabijheid ook nog een aantal bouwlandcomplexen te vinden, echter waren deze doorgaans langer en gelijkmatiger recht van vorm dan die op de eerder genoemde Körtakkers.  Zo lag er op de Westeresch een es met zo’n zeventien percelen bouwland en op de Vöörste Zulteresch bevonden zich eveneens 17 akkers, die qua samenstelling niet veel verschilden van de andere essen in de omgeving van de Zulte.

Met enige regelmaat kom je nog sporen tegen van de akkerbouw die in het verleden op de essen van de Zulte plaatsvond. Zo kom je hier en daar nog steeds verwilderde Rogge (Secale cereale) tegen langs de oude essen. Rogge werd op de essen veel verbouwd.

Op veel plaatsen had men de toegangswegen naar de akkers op de es afgesloten met een hek om bijvoorbeeld het vee buiten te houden. Het kan zijn dat zoals bij de Zulte geen hek aanwezig was of dat de herinnering aan een hek geheel verdwenen is in de loop der tijd. Mochten ze wel aanwezig geweest zijn, dan kunnen wij deze hekken gaan vergelijken met die, die destijds toegang gaven tot de weilanden. De hekken bezaten dezelfde vorm. We kunnen wel een hek reconstrueren door middel van een beschrijving uit het verleden. Het hek dat hier gebruikt werd door de boeren ‘wring’ genoemd en bestond uit twee evenwijdig aan elkaar lopende balken, de boven- ende onderboom. Deze twee waren onderling verbonden door smalle planken die ‘scheijen’ genoemd werden en door middel van een pen en gat verbinding aan elkaar vast waren gemaakt. De bovenboom werd ook wel als ‘hekboom’ omschreven en bezat aan het einde een verdikking, die enigszins schuin naar beneden liep en vrij zwevend het hek in evenwicht hield zonder opzettelijke verzwaring. Dit gedeelte heette ‘de staart’.

Zo had het hek bij de es Körtakkers eruit kunnen zien als hier een gestaan had. Deze vorm van hek werd ‘wring’ genoemd en bestond uit de volgende onderdelen: 1. boven- of hekboom, 2. onderboom, 3. scheijen, 4. de staart, 5. de prop, 6. de klauw, 7. proppoal, 8. slagpoal, 9. de zweerd.

Aan de onderste balk, de onderboom dus, bevond zich aan de zijde waar een stevige paal (proppoal) in de grond geplaatst was, die aan de bovenzijde tot op een pindikte was verdund (de prop). Op deze paal draaide het hek. Aan deze zijde van de onderboom zat een gaffelvormig uiteinde (de klauw) die links en rechts om de proppoal heen greep, waardoor het draaien van het hek een stuk gemakkelijker ging. Boven-, onderboom en scheijen waren voor de stevigheid onderling nog weer verbonden door twee planken die elkaar kruisten, die ‘de zweerd’ werden genoemd. De andere paal, de zogenaamde slagpaol, sloeg het hek tegenaan of wanneer er aan het einde van de paal een gaffel zat, kwam deze hierop te liggen. Op sommige plaatsen legde men ook wel twee grote veldkeien aan weerszijden nabij het hek neer om over het hek te kunnen zonder dat deze geopend hoefde te worden.

Een hek nabij de Lieverseweg naast de plaats waar in het verleden het Oostervoortsche Diep heeft gelegen. Tegenwoordig komen wij hier in de omgeving nieuwe hekken tegen, maar in het verleden kwamen de hierboven beschreven wring veelvuldig voor, zoals Dr. C. C. W. J. Hijszeler dit al in 1940 beschreef.

Bron van de gegevens over de akkers etc. – Boerenvoortvaring in de oude Landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe door Dr. C. C. W. J. Hijszeler. In het jaar MCMXL uitgegeven te Assen bij van Gorcum & Comp. nv. (G. A. Hak & H. J. Prakke) 1940

Buurtuig, goorsprake en boze heksen

Angst en onwetendheid sierde ons land tijdens de zestiende eeuw in alle hevigheid en waarbij bijgeloof eerder de regel dan uitzondering was. Ook bij de doorgaans zeer nuchtere Drenten was het geloof in duivelse machten zeer groot. Ondanks dat de angsten voor het duistere niet meer zo groot was als in de voorgaande eeuwen, nog steeds kreeg men koude rillingen als er over boze geesten, demonen, en andere creaties uit de boze onderwereld gesproken werd. Nee, de angst voor alles wat maar met het slechte te maken had heerste over het kille, ruige land van Drenthe.

Noord-Drenthe en het Westerkwartier op een kaart uit het jaar 1568. Het spreekt voor zich dat de kaarten uit deze periode lang niet zo gedetailleerd zijn als die van vandaag de dag, maar er is toch een redelijk beeld te vormen van hoe men de omgeving van Roeden (Roden) destijds zag. (Utriusque Frisiorum regionis noviss. descriptio. 1568)

In de Sulte rond 1574 was het niet anders gesteld dan in de rest van de landschap Drenthe en in de donkere uren was het gevaarlijk op de slecht verlichte paden en de woeste, natte heide.  Zeker als in de herfst het begon te schemeren en de eerste mistflarden begonnen zich te vormen over de grote heide en weiland, dan moest je oppassen want dan kwamen de ‘Witte wieven’. Boosaardige mythische wezens die enkel uit boosheid bestonden en kwaadaardige dingen deden. Het was opletten geblazen want ze probeerden je te verleiden om ze te gaan volgen richting de moerassen van het Sieveen met het resultaat dat je voor altijd verdween.

De mistflarden over de heide en moerasgronden die in het verleden gezien werden als gevaarlijke wezens die onschuldigen probeerden te verleiden om ze vervolgens voor altijd te laten verdwijnen. Hier hangen de witte wieven boven een weiland nabij het Sieveen.

Het waren barre tijden voor de bewoners van Drenthe en het leek wel of zelfs de natuur samenspande met de witte wieven. Overal langs de paden groeide een plant, Groot heksenkruid (Circaea lutetiana), die het doel had om de arme zielen te laten verdwalen wanneer deze de plant op hun pad aantroffen. De natuur van toen werd gezien als een geduchte tegenstander, waar zeker niet mee te spotten viel.

Nog steeds treffen wij Groot heksenkruid (Circaea lutetiana) aan in de Zulte, maar niet in die grote hoeveelheden zoals deze in de zestiende eeuw hier voorkwamen.

Dit gold ook voor paddenstoelen die met name in de herfst verschenen in zogenaamde ‘heksenkringen’ die verschenen op de plaats waar heksen hadden gedanst. De Grote stinkzwam (Phallus impudicus) is ook een schoolvoorbeeld van het verband tussen de heksen en de natuur. De paddenstoel van de zwam weet een zeer penetrante aasgeur te verspreiden om vliegen en kevers aan te trekken. Het is echter niet de vieze geur die de zwam in het verleden met heksen verbinding bracht, maar zijn explosieve groei. Het vruchtlichaam of knol waaruit de paddenstoel ontstaat heeft veel weg van een ei. In de volksmond sprak men vroeger van een ‘Duivelsei’ en deze waren her en der door heksen neergelegd nadat zij bevrucht waren door de duivel.

Phallus impudicus is de wetenschappelijke naam voor de Grote stinkzwam en past in het geheel bij deze paddenstoel, gezien de snelheid waaruit een paddenstoel uit een zogenaamde duivelsei ontstaat. Op de voorgrond van de afbeelding is een duivelsei te zien.

Zoals men vandaag de dag duidelijker laat blijken dan ooit, bestonden er in de jaren zeventig van de zestiende eeuw ook mensen die de natuur helemaal niet zagen als een vijand maar eerder als een goede vriend en daar ook voor uitkwamen. De vele soorten planten die in de wijde omgeving van de Sulte voorkwamen bezaten heilzame krachten en werden dan ook door ‘Kruidenvrouwen’ verzameld. Een heel oud gebruik dat al werd toegepast door de Germanen lang voordat het christelijk geloof zijn intrede op het Drentse land deed.

Werden deze vrouwen nog zeer gewaardeerd ten tijde van de Germanen, vanaf de dertiende eeuw veranderde dat beeld van de kruidenvrouw helemaal en waren ze hun leven niet meer zeker. De Dominicanen en de kerk van Rome trokken de wereld in om deze te zuiveren van heidense rituelen en ketterse gedachten. Kruidenvrouwen en andere mensen met ‘vreemde’ ideeën, ook wel tovenaars genoemd, werden als bondgenoten gezien van Satan en het duivelse kwaad met het doel de christen geloofsgemeenschap van het rechte pad af te brengen. Het lieve oude vrouwtje dat voorheen door de Sulter bossen struinde op zoek naar kruiden was nu ineens een groot gevaar geworden.

Molckentoversche!”, riep men nu en verjoeg haar van de weilanden waar het vee liep. Zij zorgde ervoor dat de koeien ziek werden, geen melk meer wilden geven en dat de schapen een zeer pijnlijke dood ondergingen. Dat het melkvee geen melk meer gaf en de schapen doodgingen had maar weinig te doen met het kruidenvrouwtje dat nu als een heks werd aangezien. Tegenwoordig heeft elke melkveehouder wel een tabelletje van welke voedingsstoffen er aan de bodem moet worden toegevoegd voor een hogere melkopbrengst en geeft hij zijn koeien en schapen medicatie tegen de beruchte Leverbot (Fasciola hepaticia), een parasiet die voorkomt bij onder andere rundvee, schapen, geiten, paarden, maar bijvoorbeeld ook bij reeën, hazen, en konijnen.

Zoals heksen aan het begin van de zestiende eeuw gezien werden in grote delen van Europa. (Noorder Rondblik, Nieuwsblad van het Noorden no. 33, pagina 12, woensdag 9 februari 1983)

Een molkentoverse genoemd te worden was destijds niet zomaar iets zoals in de huidige tijd, waarbij een vrouw de schouders optrekt als zij door opgeschoten hangjeugd een heks genoemd wordt. In de middeleeuwen met de heksenwaan, die vanuit het katholiek geloof enorm werd aangewakkerd, was het levensgevaarlijk om van tovenarij beschuldigd te worden. Menig man en vrouw eindigden hun leven op een brandstapel als heks of tovenaar. Zeker toen de godsdiensttwisten aan het begin van de zestiende eeuw het religieus fanatisme aanwakkerde, ontstond er een klimaat waarbij de angst voor heksen de meest vreeslijke vormen aannam en die een hoogtepunt beleefde aan het eind van de 16e en in het begin van de 17e eeuw.

Op deze 18e eeuwse houtsnede zijn drie heksen uitgebeeld, die aan tovenarij doen en op bezems door de lucht vliegen. (Uit ‘Hexen’ van Hans Biedermann, Graz, 1974). (Noorder Rondblik, Nieuwsblad van het Noorden no. 33, pagina 12, woensdag 9 februari 1983)

Nu verliep deze hectische periode een stuk rustiger in het rustieke Noordenveld, of het Noerdevelder Dinxpel zoals het in die tijd genoemd werd, gelegen in de landschap Drenthe en werden hier geen heksen verbrand. Dit neemt echter niet weg dat er ook hier in het dingspel ook heksenprocessen zijn geweest, waarbij het er niet vriendelijk te keer ging. Nou ja, processen is dan ook weer zo’n groot woord, laten we het maar inhoudelijke behandelingen noemen. Dat neemt echter niet weg dat menigeen die naar een zitting ging, aangeraden werd om er rekening mee te houden, dat het uit de hand kon gaan lopen.

Goespraecke’ of Ghoesprake’ was een dingspilsgewijze rechtszitting in het landschap Drenthe  die ook wel ‘Goorsprake’ genoemd wordt en waar de inwoners de inbreuk op hun rechten naar voren brachten. De dorpen binnen een dingspil kwamen op regelmatige tijden bijeen. In het dingspil Noordenveld stonden deze goorspraken tussen 1567 en 1577 onder leiding van de Drost van Drenthe, Evert van Ensse en een landschrijver. Tijdens de goorsprake beslisten de buren (buir- of buurschap) over misdaden en overtredingen die aangegeven waren. Deze vorm van rechtspraak binnen een dingspil noemde men ‘buirtuich’ (buurtuig).

Nog een 18e eeuwse houtsnede met een heks, die aan tovenarij doet en ook op een bezemsdoor de lucht vliegt. (Uit ‘Hexen’ van Hans Biedermann, Graz, 1974). (Noorder Rondblik, Nieuwsblad van het Noorden no. 33, pagina 12, woensdag 9 februari 1983)

Het is op de zaterdag 23 maart van het jaar 1574 dat er in Eelde een goorsprake plaats heeft onder de toezicht van de Drost van Drenthe Evert van Ensse en waarbij de Sulter Jan Rotgers zich beklaagd had over Fenne Alberts. Mevrouw Alberts had over de vrouw van Rotgers het gerucht verspreid dat zij kon toveren. De echtgenoot van Fenne, Albert (meyer in de Helle), spreekt de beschuldiging tegen en men verlangt van Jan Rotgers dat hij binnen twee weken bewijs van het gezegde moet overleggen.

Goespraecke over Noerdevelder dinxpel tho Eelde opten 23 Martij 1574.

De buiren vertuighen, nadenmael Jan Rotgers claeget over Fenne Alberts, dat Fenne syn huisfrouwe beruchtiget heft, dat sie thoveren kan, und Albert, meyer in de Helle, secht van wegen syn huisfrouwe, dat sie haer geene thoverye angethegen heft, daeromme Jan Rotgers op syn bewys, dat hie Fenne overbewysen sal binnen 2 weken, alse lantrecht is, dat Fenne hoer angethegen heft, dat si thoveren kan.(Bron: Goorspraken van Drenthe 1572 – 1577, Werken der Vereeniging tot uitgaaf der bronnen van het Oud-Vaderlandsche Recht, derde reeks no. 1 pag. 165. Uitgegeven door Kemink en Zoon N.V., Utrecht 1931.)

Op een oude kaart uit het jaar 1579 heette het dorp weer Roden en werd huize Mensinge nog Eeusum genoemd. Ook nu nog waren de kaarten slecht gedetailleerd en werden enkel de belangrijkste dingen vermeld. (Abraham Ortelius – Frisia Occidentalis 1579)

Het ziet er naar uit dat Jan Rotgers de beschuldiging van de roddels die door Fenna Alberts over zijn echtgenote verspreid waren, niet kon bewijzen en zal daarom er verder geen gewag van hebben gemaakt. Het zal zeker vrijwel onmogelijk geweest zijn om het geroddel op een goorsprake bewezen te krijgen, zeker zonder getuigen. Maar soms gebeurde dit soort aantijgingen in het openbaar in de aanwezigheid van getuigen en dan heeft het een en ander gevolgen voor diegene die de beschuldiging(en) uitte.

Op de goorsprake van woensdag 15 juni gehouden in Vries moest de koster van Roeden (Roden), de heer Willem, het gelag betalen voor zijn grote mond. De koster had in een gelagkamer te Roden waarschijnlijk enkele alcoholische drankjes genuttigd en gedonder gekregen met de echtgenote van Roeloff Staels. Hierbij heeft hij haar uitgemaakt voor molckentoversche ten overstaan van getuigen. Dit levert heer Willem een aangifte van de buren op.

Dat heksen geen oerlelijke oude wijven hoefden te zijn liet Jan van de Velde in het jaar 1626 zien. (Bron)

Heer Willem zal geschrokken zijn van de gevolgen die zijn opmerking over de vrouw van Roeloff Staels hebben gebracht en zeker toen het besef doordrong, dat de buren de koster van Roeden hadden aangeklaagd. De buren beslissen zelfs dat heer Willem binnen twee weken zijn beschuldiging waar moet maken. Doet hij dit niet, dan zal hij schuldig verklaart worden volgens het Drentse Landrecht. De ondeugende koster krijgt 2 weken de tijd om in beroep te gaan en gaat in appèl van deze beslissing. Ook dit geval zal met een sisser aflopen.

Ghoesprake geholden to Vries, opten 15 Junii 77 by de e. Evert van Ensse, Drost.

De buiren brengen an, dat heer Willem, de koster toe Roeden, heft Roeloff Staels huisfrouwe overgesacht, dat sie eene molckentoversche is in eenen open gelach. Daerop de buiren van Roen vertuigen, dat heer Willem sal schuldich wesen de woirden waer te maicken binnen 2 weecken oft selver in de stede staen; voirts op slants brieff. Dese buirtuich heft heer Willem binnen de 2 weken beropen. (Bron: Goorspraken van Drenthe 1572 – 1577, Werken der Vereeniging tot uitgaaf der bronnen van het Oud-Vaderlandsche Recht, derde reeks no. 1 pag. 390. Uitgegeven door Kemink en Zoon N.V., Utrecht 1931.)

Het zal de nuchterheid van de Noord-Drenten zijn geweest die de jacht op heksen niet tot een bloederig hoogtepunt hebben laten komen waarbij de martelkamers en de brandstapels overuren draaiden. De enigen die aan het einde van de zestiende eeuw in het kerspel Roden zich zorgen moesten maken, waren de katholieke priesters die in het geheim hun kerkdiensten bleven uitvoeren.

Kleverige prut aan de stevels

Niets is zo controversieel als de aanwezige keileemlaag in het grote gebied ten noorden van het idyllisch gelegen dorp Roden in de prachtige kop van Drenthe. Met name in de omgeving van het voormalig esgehucht de Zulte waar deze keileem aan of vlak onder het oppervlak ligt en daar het uiterlijk weet te bepalen. Zeker in de nattere jaargetijden met een groot aanbod van hemelwater kan het werkelijk een groot drama zijn wanneer je als boer of loonwerker hier met zware machines aan de slag moet. Hier en daar zijn er zelfs plaatsen waar het vrijwel onmogelijk is om te lopen zonder dat de kans bestaat om je laarzen kwijt te raken aan deze glibberige, taaie en klevende substantie.

Over keileem zal vermoedelijk met net zoveel met bewondering gepraat en geschreven zijn als erop gescholden werd door de vroegere boer die deze ‘proeksel’ vervloekte. En nog steeds zorgt deze restant van de Saalien-ijstijd voor menig verwensing die ik hier maar niet zal herhalen. Eigenlijk betekent het woord ‘proeksel’ de rotzooi van smeltende sneeuw op de weg in het Gronings, maar de boer vond dat de keileem minstens net zo erg dat hij de term gebruikte en ergens kon ik mij daar wel in vinden. En keileem is niet kieskeurig wat betreft de plaats waar het voorkomt. Je zou haast het vermoeden krijgen dat het zich heeft neergelegd op plaatsen waar het niet opvalt of op schuine hellingen met het idee om de moderne mens hier het leven zuur te maken. Het is wat de boer zei; dikke proeksel! Zou de beste man ooit geweten hebben dat Drenthe ondanks zijn hoge ligging en de zandige ondergrond in het verleden door de aanwezigheid van keileem tot een van de natste provincies van ons land behoorde?

Waarschijnlijk zag de gletsjer die vanuit het noordoosten ons land binnentrok tijdens het Saale Glaciaal er op deze wijze uit. Miljarden tonnen ijs drukten zowel de bodem naar voren als naar beneden en lieten niets heel van het landschap dat zich na de Elster-ijstijd had gevormd.

Hoe je het ook wendt of keert, ruim 150 duizend jaar geleden begon het allemaal toen een grote gletsjer die vanuit het noordoosten onze omgeving was binnengedrongen, zich terug begon te trekken en een zogenaamde ‘grondmorene’ achterliet die vooral bestond uit (zwerf)keien, grind, zand, klei en leem. Door de samenstelling van het mengsel, dat grotendeels ontstaan was door het afslijten en het verpulveren van de keien door het gewicht en de snelheid (ongeveer 100 meter per jaar) van het pakket landijs, bezat de grondmorene ook veel kalk. Daarnaast pikte de gletsjer ook plaatselijk materiaal op dat een eindje verderop weer werd afgezet. De grondmorene komt op veel plaatsen voor en staat in Duitsland als ‘Geschiebelehm’ en in Engeland als ‘Lodgement Till’ of ‘Boulder-Clay’ bekend.

Een mooi voorbeeld van hoe de gletsjers in het verleden iets ten zuiden van Lieveren een grondmorene met keileem achterlieten en die grotendeels verweerd zijn, het zand op de deklaag stamt uit de Weichsel-ijstijd en is door de poolwinden hierheen geblazen. De plaats waar de grondmorene te zien was bevond zich langs het Oostervoortse Diep nabij waar deze in het Groote Diep uitmondde. Dit gedeelte is inmiddels gedempt ten behoeve van het weer laten meanderen van het Groote Diep.

Eigenlijk mogen en kunnen wij niet van een enkele grondmorene spreken. De gletsjer uit de Saale-ijstijd was niet zo maar een groot pak ijs dat over het Drentse landschap trok, eerder bestond het landijs in het noorden van ons land uit drie verschillende fasen. Voor ons zijn eigenlijk de eerste en de tweede fase van belang. De eerste fase kwam eerst niet verder dan het oosten van de provincies Groningen en Drenthe waar het ijs eerst stagneerde. Toen er weer meer ijs werd aangevoerd, schoof het pakket door tot de lijn Texel-Oldenzaal. Vervolgens kwam er de tweede fase waarin de hernieuwde aanvoer van landijs richting het zuidwesten ging en daar stopte, waar nu de Utrechtse Heuvelrug ligt.

De derde fase is zeker minstens net zo interessant als de twee voorgaande ijsverplaatsingen, alleen vond deze niet plaats in onze omgeving waar zich op dat moment enkel ‘doodijs’ bevond. Ten oosten van de lijn Roden-Assen-Smilde stroomde vanuit het noordwesten een pakket landijs met hoge snelheid richting het zuidoosten en vormde daardoor ten oosten van de Hondsrug een diepe glaciale geul, het huidige Hunzedal. Nee, het ging er zeker onstuimiger in de provincie Drenthe aan toe dan tijdens de vorige ijstijd. Door de verschillende fasen van landijs dat over ons gebied heenschoof, varieerde de plaatsen en de samenstelling van de grondmorene dan ook met enige regelmaat. Dat zien wij dan ook terug in de afzetting van de grondmorene, de keileem dus, in de ondergrond van de Zulte.

Op de bovenstaande afbeeldingen is te zien hoe het smeltproces van het pakket landijs zich voltrok. Naast de vele stuwwallen die deze gletsjer achterliet, bleef ook een indrukwekkende grondmorene achter in het noorden van Nederland.

Is de aankomst en het verblijf van het enorm groot pakket landijs in ons gebied al erg interessant, het vertrek met het bijbehorende smeltproces van de gletsjer maakt misschien nog wel meer indruk. Smolt de gletsjer tijdens de voorgaande ijstijd nog op een wijze waarbij het smeltwater van de grote hoogte naar beneden stortte en diepe geulen achterliet die met sediment werden opgevuld, het landijs dat hier lag brak in stukken uit elkaar. De grote stukken ijs gleden van de gletsjer af en duwden de doorweekte bodem voor zich uit en vormden zo ook weer stuwwallen. Het pakket landijs trok verder terug richting het noordoosten en de brokken bleven liggen waar ze in hun geheel wegsmolten.

Had de gletsjer tijdens het oprukken vanuit het noordoosten zowel grond als ander materiaal aan de onderzijde deze richting op vervoerd, in het ijs was ook behoorlijk veel sediment terecht gekomen en dit bleef achter doordat de terugtrekkende gletsjer verder smolt. Op de plaatsen waar de afgebroken en weggesmolten brokken lagen, bevond zich een grotere concentratie gletsjerpuin dat ook wel ‘Melt-dow Till’ genoemd wordt. Op een aantal plaatsen zijn tijdens dit sedimentatieproces de voorgaande en het nieuwere smelt residu door elkaar gemengd en kregen we weer een andere grondmorene. Zo is het dus mogelijk dat je verschillende afzettingen kunt tegenkomen die veroorzaakt zijn door een enkele gletsjer.

Een zwerfkei in de Zulte nabij het Volkstuinencomplex te Roden die overduidelijk sporen door slijtage draagt van zijn transport uit het noorden van Zweden. De steen bestaat uit zogenaamd Revsundgraniet, een opvallende granietsoort uit Noord-Zweden.

De naam ‘keileem’ heeft deze leemsoort te danken aan de verschillende formaten van de keien die er geregeld in voorkomen en gewoonlijk merendeels van Scandinavische of in het algemeen Baltische afkomst zijn. De keien zijn vaak aan de oppervlakte gepolijst en soms op voor deze stenen zeer karakteristieke wijze bekrast, die duiden op de voorgeschiedenis tijdens de reis naar ons gebied en die duidelijk en zeer nauw met de wijze van het vormen van de keileem samenhangt. De afzettingen door het landijs omvatten eveneens de afzettingen door het smeltwater van de gletsjer zoals fijn- tot zeer grofkorrelig grindhoudend zand met stenen. Deze afzettingen worden ook wel de ‘Formatie van Drente‘ genoemd.

Op de essen rondom het oude brinkgehucht zal menig zwerfsteen de vroege boer tot ergernis hebben gedreven.  Zo was er een boer nabij Leutingewolde die elke keer tijdens het maaien een steen raakte en hierdoor steeds schade aan de machines opliep. Gefrustreerd stapte de man uit zijn tractor, pakte een schep en begon te graven. Uiteindelijk bleken er twee graafmachines nodig te zijn om de hardwerkende boer van de vervelende zwerfsteen te verlossen! De overlast veroorzakende veldkei pronkt nu op de erf van de hardwerkende veehouder.

De door het grote pakket landijs hierheen gesleepte stenen kregen de naam ‘zwerfsteen’, ‘zwerfkeien’ of ‘veldkeien’ mee en worden in het hier gesproken dialect ook wel ‘flinten’ genoemd. Namen die wij nog steeds overal tegen komen zoals bij een groepsaccommodatie bij Roderesch en de OBS de Flint in Nietap. Het Steenbergerveld dat ten zuidwesten van het dorp Roden nabij het plaatsje Steenbergen ligt, stond er bekend om dat hier vele kleine veldkeitjes lagen. Menig straat in Groningen is bestraat met de keitjes toen het gebied ontgonnen werd.

De kaart van Nederland met daarop de glaciale afzettingen binnen de Formatie van Drente die vandaag de dag nog bestaan afgebeeld. De kaart is afkomstig van DINOloket.nl (TNO-GDN (2020). Formatie van Drente. In: Stratigrafische Nomenclator van Nederland, TNO – Geologische Dienst Nederland. Geraadpleegd op 2020 op DINOloket.)

Bij enkele weilanden rondom het voormalig esgehucht treffen wij dan ook met enige regelmaat hopen met kleine en middelgrote veldkeien aan die door de boeren hier gestapeld werden. Voor de boer hadden deze veldkeien geen enkel nut vanuit een economisch standpunt gezien en om eerlijk te zijn, ze vonden het niet erg dat iemand ze meenam op de tuin er mee te verfraaien. Zo eindigden dus vele keien als ornamenten in een mooie tuin.

Iets wat je overal langs een weiland of een weg kunt zien wanneer je door het noorden van Nederland gaat. Kleine hopen met veldkeien waarvan de boer last had en deze terzijde heeft gelegd.

Ten zuiden van het dorp Roden in de Noorder Duinen nabij het gehucht Steenbergen wisten de boeren van het Trechterbekervolk er zo’n 5500 jaar geleden wel raad mee. Zij gebruikten de grote zwerfstenen voor het bouwen van grafkelders, de zogenaamde hunebedden. Dit hunebed, D1 genaamd, is de meest noordelijk gelegen exemplaar in de provincie Drenthe.

Een berg stenen waaraan het plaatsje Steenbergen zijn naam te danken heeft. In het verleden dacht met dat grote reuzen de stenen zo neergelegd hebben.

Niet alle grote veldkeien kwamen direct uit Scandinavië onze kant op, een gedeelte was vanuit het noorden met bijvoorbeeld de gletsjer uit de Elster-ijstijd naar het zuiden vervoerd. Toen het pakket landijs uit het noordoosten over het gebied heen schoof waar de vorige gletsjer de stenen had laten liggen, kwamen de keien onze kant op. Waarschijnlijk gaat dit ook op voor bepaalde soorten vuurstenen die zich in de keileem bevinden. Mijn ervaring is dat er zowel zeer brosse vuursteensoorten die klein van formaat zijn als redelijk forse brokken van een zeer harde stevigheid in de keileemlagen zitten. Zo komen wij in de omgeving van het voormalig esgehucht de Zulte een stuk donkerrood vuursteen tegen dat in het verleden zeer gewild was bij de zeer vroege bewoners van het gebied. Zo vond Jaap Beuker in 2010 een halffabricaat van een vuistbijl gemaakt van rode Helgoland-vuursteen bij het plaatsje Een.

Een stuk rode Helgoland -vuursteen dat in de Zulte aan de oppervlakte kwam na recente werkzaamheden. De zeldzame rode vuursteen kan een kleur bezitten die varieert van vleeskleurig tot een paarsrode kleur. Een ander typerend kenmerk van de de vuursteensoort zijn de witte insluitsels.

Al eerder waren er grote veldkeien vanuit Scandinavië en de Baltische Staten in de omgeving van Roden aangekomen. Miljoenen jaren geleden stroomde ten noorden van het dorp een enorme rivier die zijn oorsprong in het huidige Lapland heeft en Eridanos genoemd wordt. Deze rivier was een miljoen jaar geleden tijdens het Bavel Interglaciaal ongeveer 2700 kilometer lang en vrijwel geheel Noordwest Europa tot aan de huidige Noordzee vormde zijn delta. Tijdens de dooiperioden in de bovenloop van de rivier zullen er stukken ijs van een gletsjer zijn afgebroken waar forse keien in opgesloten zaten en richting de delta gestroomd zijn. Toen de grote brokken ijs in rustiger en ondiep water terechtkwamen, kwamen ze vast te zitten en smolten, waarna de grote keien bedekt werden door rivierslib en ander sediment.

Nog een prachtig voorbeeld van een veldkei die vanuit het noordoosten naar ons land vervoerd is. Niet alle zwerfkeien en andere stenen die met de gletsjer deze kant opkwamen kwamen direct uit het noorden van Scandinavië. Veel van de stenen waren tijdens de vorige Elster-ijstijd al richting het zuiden vervoerd en het nieuwe pakket landijs pikte ze op en bracht ze hierheen.

Het vermoeden bestaat dat er op een gelijke wijze ook tijdens de Saale-ijstijd zwerfkeien richting het zuiden van ons land zijn gedreven. Grote stukken smeltend landijs die met het smeltwater voorbij de huidige Utrechtse Heuvelrug helemaal tot in Noord-Brabant terecht kwamen. Dit verklaart waarom er daar stenen gevonden worden uit die periode met een Scandinavische of Baltische achtergrond.

Zoals u al eerder kon lezen bestaat er niet echt een vaste soort grondmorene of keileem na het verdwijnen van het landijs uit onze omgeving. Dr. G. H. Leopold spreekt al in 1910 van drie soorten in zijn ‘Over het keileem in het Nederlandsch Diluvium. Keileem als geologisch afzettingsproduct; zijn voorkomen; zijne chemische samenstelling; zijne beteekenis voor de cultuur’. Eigenlijk is alleen de eerste soort die hij benoemd van belang voor de aanwezigheid van de dagzomende keileem in dit gebied.

Een van de kleine veldkeien die te voorschijn kwam in het Klein Noordhout uit de soort keileem die door Dr. Leopold als ‘grauwe keileem’ werd omschreven.

Als eerste soort draagt hij de grijze of grauwe keileem aan, die zeer algemeen is en van Gelderland tot aan het westen van de provincie Friesland voorkomt. Deze grauwe keileem is doorgaans lichtgrijs van kleur waarin geel tot roodkleurige vlekken of aderen voorkomen die de ene keer zeer duidelijk zichtbaar zijn en een andere keer weer zeer wazig zijn. Een ander keer bezit de keileem weer een oranje-gele tint, zoals vaak in het gebied nabij het voormalig esgehucht te zien is. De gele tot rode kleur van de keileem wordt veroorzaakt door het oxideren (roesten) van ijzerdeeltjes in de leem. Af en toe bezit de keileem een zachte lichtgroene kleur dat veroorzaakt wordt door glauconiet, een zand dat voorkomt in zuurstofarme lagen van het sediment in ondiep zeewater. Het percentage klei hangt af van waar de keileem voorkomt.

De grauwe of grijze keileem de Dr. Leopold omschrijft als zeer algemeen, wordt tegenwoordig omschreven als het Heerenveen-type in de Heerenveengroep. Leopold benoemt dat de keileem doorgaans lichtgrijs van kleur is en waarin geel tot roodkleurige vlekken of aderen voorkomen die de ene keer zeer duidelijk zichtbaar zijn en een andere keer weer zeer wazig zijn

De rode keileemsoort komt voornamelijk voor op de zandruggen van het Hondsrug-complex in Oost-Drenthe. Ten zuiden van het dorp Roden treffen wij op het oog ook rode keileem aan langs het Lieversche Diep, maar naar mijn inschatting is hier de grauwe keileem doordrongen met ijzeroer. Hier komt veel ijzerhoudend en zuurstofarm kwelwater aan de oppervlakte, dat een verbinding aangaat met de zuurstof in de lucht en waarna vrijwel alles in en om het water een roodbruine kleur krijgt. Kwelwater komt ook op veel plaatsen rondom de Zulte aan het oppervlak.

De gemengde keileem- en ijzeroerlagen langs het Lieversche Diep ten zuiden van Roden. Met name de grauwe keileem ligt onder de oer en is duidelijk zichtbaar. Deze leemsoort heeft echter niets met de rode keileem van doen.

Een derde vorm van keileem is het in de provincie Drenthe veelvuldig voorkomende witte of blauw-witte keileem, een in tegenstelling met de eerstgenoemde soorten zeer stug en steriel leem, dat voor een belangrijk deel uit zeer fijn kwarts zand schijnt opgebouwd en waarschijnlijk dezelfde grondsoort is, waaraan de Duitse onderzoeker Dr. Emil Ramann in zijn boek ‘Bodenkunde’ uit 1905 de naam ‘Heidelehm’ aan geeft.

Licht gekleurde en zandige keileem met veel vuursteentjes dat uit het beekje de Zulter Bitse komt. Waarschijnlijk behoort deze keileem ook toe aan het type dat de Heerenveen-groep kenmerkt, maar is de keileem ‘uitgespoeld’ door het water van de beek.

Zo’n 110 jaar later kunnen wij inmiddels spreken van zeven soorten keileemtypes die in vier keileemgroepen verdeeld zijn. De eerste groep heet Heerenveen en bestaat uit slechts een type; Heerenveen-type. Een sterk zandige ontkalkte keileem dat grotendeels uit Zuid-Zweden en de Oostzee afkomstig is. Dit type is waarschijnlijk afgezet tijdens de eerste fasen van de vergletsjering en is dominant aanwezig in Oost- en West- Groningen, westen van Drenthe en Friesland.

Toen in de nacht van dinsdag 4 op woensdag 5 juni 2019 enkele windhozen hun geweld loslieten op de vele bossen in de omgeving van de Zulte, konden heel veel bomen de kracht van de wind niet weerstaan en sneuvelden. Het geweld was niet kieskeurig en keek niet naar de ouderdom van de bomen. In het beekdalgebied van de Zulter Bitse was het niet anders en forse zomereiken gingen met wortel en al ondersteboven, waarbij de onderzijde van het wortelpakket goed zichtbaar werd. Hierboven zijn de vuurstenen te zien die de laatste overblijfselen zijn van de bovenste laag van de keileemafzetting in dit gebied. Tijdens en na de laatste ijstijd hebben zowel de poolwinden als het beekwater de keileem doen oplossen en de vuurstenen gepolijst.

De volgende groep heeft de naam Emmen-groep en bestaat uit twee types; de kalkhoudende Nieuweschoot-type en de ontkalkte Emmen-type. Beide varianten komen vooral voor op de oostelijke Hondsrugtak in Drenthe, maar ook ten noorden bij de dorpen Sauwerd en Winsum in Groningen. De Emmengroep wordt vooral aangetroffen op types uit uit de Assengroep.

De derde groep is de Assen-groep en bestaat eveneens uit een kalkhoudende en ontkalkte keileem-type. De Noordhorn-type is de kalkhoudende variant en komen wij tegen bij de noord-einden van de Hondsrug, de Tynaarlorug en de zandrug van Rolde, respectievelijk tussen de plaatsen Haren en Groningen, bij Hoogkerk en op de keileemhoogte van Zuidhorn en Noordhorn. Deze keileem is rijk aan vuurstenen en als de keileem niet verweerd is, zijn de meeste vuurstenen zwart, grijs of bruin van kleur. Vooral de zwarte vuursteen komt veel voor, ook in grote stukken, vaak met restanten aanhangend krijt. De ontkalkte keileemlaag binnen de Assen-groep heet Assen-type en is een sterk zandige keileem, die door uitloging uit de kalkrijke Noordhornkeileem is ontstaan. Ook deze keileem is rijk aan vuurstenen.

Zwarte vuursteen met dunne witte cortex dat niet verweerd is. Cortex is een overgangslaag en bestaat uit poreus kalk- en kiezelmateriaal dat van het moedergesteente afkomstig is.

De vierde en de laatste verzameling keileemtypes komen wij tegen in de Voorst-groep, waarbij er ook hier een ontkalkte en een kalkhoudende keileem hoort.  De twee types staan ook bekend als ‘Schollenleem’ of ‘Flow-Till’ waarbij de afkomst terug te wijzen is naar het smeltproces van een gletsjer. De kalkhoudende keileem heet Voorst-type en komt samen met de ontkalkte Oudemirdum-type vooral voor op en ten oosten van de Hondsrug.

Keileem uit de Heerenveen-groep langs de Zulter Bitse is blootgelegd tijdens het onderhoud aan de beek. Door de invloeden van het weer begint de keileem te eroderen.

De keileem uit de Heerenveen-groep die in de wijde omgeving van het voormalig esgehucht voorkomt en op veel plaatsen vlak aan het oppervlak te voorschijn komt, het niet alleen slechte kanten zoals het modderig maken van gebieden. Soms zijn andere elementen uit bijvoorbeeld een latere ijstijd prachtig om te zien. Zoals de pingoruïne ten noordoosten van de Zulte, waar het grondwater door de permafrost drong en na het smelten van het ijs in de pingo, er een zandige doorgang in de keileem was achtergebleven (Een geheimzinnige diepte). Weliswaar loopt de verdieping in het land bij een groot aanbod van regenwater snel vol, maar het is een kwestie van een paar dagen dat vrijwel al het water weer verdwenen is.

Bij een groot aanbod van hemelwater is de pingoruïne volgelopen en is nu duidelijk zichtbaar in het weiland. In het midden van de ruïne zit een soort pijp van zand waardoor het water weer snel wegzakt.

Laten wij even teruggaan naar het jaar 1910 waar Dr. Leopold ons laat weten dat de invloed van wat hij de grauwe noemt, keileem in de gebieden waar deze voorkomt, niet licht kan worden overschat. Om het in zijn woorden te zeggen: ‘Waar het aan de oppervlakte ligt of door eene zandlaag van geringe dikte bedekt is, schijnt het meestal een der beste bouw-, wei- en boschgronden te vormen, die wij kennen. En zelfs al wordt het door een dik zanddek bedolven, ook dan nog is het onderscheid met den armeren enkel zandbodem vaak verrassend en treden welige loofhoutbosschen of van nature reeds welvarende akkers en weiden in de plaats van naaldhout, heide of stuifzand ; de voor water weinig of niet doorlaatbare keileembank vertraagt of verhindert namelijk het wegzakken van het regenwater en geeft aldus gelegenheid tot het vormen van een ondergronds waterkapitaal, dat bosschen en landbouwgewassen in de droge tijden ten goede komt.’ (Dr. G. H. Leopold – Over het keileem in het Nederlandsch Diluvium. Keileem als geologisch afzettingsproduct; zijn voorkomen; zijne chemische samenstelling; zijne beteekenis voor de cultuur, 1910)

Naast dat de keileem in de nattere perioden geen water doorlaat, is het tijdens droogten eveneens een kwelling voor de boer. De. Leopold omschrijft het als volgt: ‘Daarentegen bestaat daar groot gevaar voor een volmaakt uitdrogen van de bouwkruin in droge tijden, daar de leembank het capillair opstijgen van het grondwater verhindert. Dit laatste komt in Drente op talrijke plaatsen voor, waar het witte dorre keileem den ondergrond vormt.’

Leopold merkt op dat de loofhoutbossen op de bodem met een ondergrond van keileem het zeer goed doen. Dit verklaart ook waarom op de plaatsen waar de keileem dagzoomt in het verleden ook vele bossen stonden. Typerende struiken die keileembodem zeer weten te waarderen en in dit gebied veel voorkomen zowel solitair als in struwelen, zijn de Sleedoorn (Prunus spinosa) en de Tweestijlige meidoorn (Crataegus laevigata).

De blauwe vrucht van de Sleedoorn die ook wel ‘bekketrekker’ genoemd wordt vanwege zijn zeer zure smaak. Pas als er een nachtvorst overheen geweest is schijnt het zure in de vrucht een stuk minder te zijn. De heerlijk ogende blauwe vruchten zijn vaak al ver voor de eerste nachtvorst rijp en menigeen die verleiding niet kan weerstaan en een vrucht in zijn of haar mond stopt, zal de meest vreemde grimassen laten zien. Rare bekken trekken dus.

Naast de vieze glibberige bende die de keileemlaag veroorzaakt doordat deze laag vrijwel geen water doorlaat, zorgt de keileem dus ook nog voor een specifieke huishouding op het gebied van planten, waarbij de Pitrus (Juncus effusus) hét kenmerkende gezicht is van een keileemrijk gebied. De plant die ook wel ‘Ruskepol’ genoemd wordt in het dialect wat men hier spreekt, komt hier op heel veel plaatsen in grote getale voor. Het is een liefhebber van drasse, natte gronden en kan zelfs in zuurstofloze gronden groeien. Zeker in de gebieden waar men gestopt is met het bemesten van het land (inclusief de bekalking en het verlagen van het aanbod van fosfaten), komt de plant vandaag de dag massaal voor. In het verleden kreeg een boer met veel Pitrus in zijn land het advies om kalk te gaan gebruiken om de plant zo te bestrijden.

Het gevolg van het nalaten van de bemesting in een weiland waar de keileem vrijwel aan het oppervlak ligt. De Pitrus (Juncus effusus)) tiert hier nu welig. De oude Pitruspollen rechts op de foto zijn de oude planten van vorig jaar die niet door de eigenaar zijn omgemaaid.

Voor meer informatie over keileem verwijs ik graag naar:

Kijk eens omlaag Een website waar je vrijwel alles kan vinden wat maar met onze ondergrond te maken heeft.

Stenen zoeken Waar ligt de steen en waar komt deze vandaan, de antwoorden vindt u hier.

Geologie van Nederland Een tijdreis van 500 miljoen jaar.

Kluften

Plaatselijke gemeenschappen in Drenthe bestaan natuurlijk al heel lang en tot verdriet van velen, was men in de provincie niet zuinig op oude documenten. Veel van die oude documenten zijn erg beschadigd of bestaan stomweg niet meer. Natuurlijk was men niet overal slordig en roekeloos met de oude geschiften en is hier en daar nog iets moois te vinden. En ander gedeelte van de geschiedenis is via mond op mond reclame generaties lang bewaard gebleven.

In het kleine brinkgehucht nabij de Zulteresch was het leven voor het jaar 1795 niet veel anders dan op andere plaatsen in de Landschap Drenthe. Het was slechts een van de vele buurtschappen die in het arme en dunbevolkte gewest voorkwamen. Naast de doorgaans kleine buurtschappen waren bestonden er ook andere plaatselijke gemeenschappen zoals de marken, schultambten, kerspelen, heerlijkheden, en de dingspelen.

Doordat Cornelis Pijnacker (1570-1645) zich in 1627 in de plaats Meppel in de Landschap Drenthe vestigde, is de beroemde Pijnacker kaart van Drentia uit het jaar 1634 ontstaan. Het zou de eerste kaart van het arme en dunbevolkte gewest zijn. (bron)

Een andere term voor de plaatselijke gemeenschappen die wij in de Landschap Drenthe tegen kunnen komen zijn ‘kluften’, die ook wel ‘cluften’, ‘clufften’, of ‘kluchten’ werden genoemd. In Drenthe kon een kluft onder andere voor een onderdeel van verschillende dingen zijn zoals in een onderverdeling van een kerspel, die in de regel geen kerk had en kan dan ook gezien worden als een synoniem voor een wijk of buurtschap. Een kluft kon in sommige gevallen een meer of minder grote mate van zelfstandigheid hebben. In sommige plaatsen waar veel kluften voorkwamen, kwam men het woord kluft tegen in namen zoals ‘Noorderkluft’ of ‘Zuiderkluft’.

Nu kende men in de omgeving van het kerspel Rhoden al heel lang een vorm van kluftgebruiken, die ook wel ‘noaberplicht’ werd genoemd. Een ieder die in een noaberschap (buurtschap of kluft) woonde, had de verplichting de andere noabers (buurtgenoten) met raad en daad bij te staan. In het verlengde van wat als noaberplicht werd gezien, was de inzet van de kluften voor de eenvoudige arbeidsverdeling binnen een buurtschap. Het belang was bijvoorbeeld in Peize goed zichtbaar, waar speciaal de zorg voor de wegen jaarlijks kluftsgewijze geschiedde.

Dit gold eveneens voor het buurtschap de Zulte waar zich een herder met de schaapskudde bevond, die gebruik maakte van een schapendrift richting het grote heideveld. De noabers zullen verantwoordelijk zijn geweest voor het onderhoud en de toegankelijkheid naar het perceel heide met het nummer K-210 van bijna 37 hectare net boven de Toutenburgsingel. Het perceel heide was net zoals het grondstuk waarop de schapendrift lag, I-257bis, in het bezit van de markegenoten Zulte.

De toenmalige schapendrift van het voormalig esgehucht de Zulte die tussen de Hoppenkamp en de es Kostverloren lag. De noabers in het buurtschap waren verantwoordelijk voor het onderhoud aan de drift.

Eigenlijk bevonden zich in het kerspel Rhoden volgens het grondschattingsregister van 1642 vijf kluften: Roden, Steenbergen, Leutingewolde, Foxwolde en Zulte. Daarvoor zou het aantal kluften hebben kunnen variëren gelang de plaatselijke omstandigheden van economische aard of bevolkingsdichtheid. Op pagina 93 van het boek ‘De rechtspositie van de Eigenerfden in Drenthe’ uit 1934 beschrijft Dr. A. F. Lunsingh Meijer over een conflict tussen de eigenerfden van Roden en Steenbergen over een voorgenomen grensregeling, waarbij de bewoners van Steenbergen de scheidpalen hadden weggenomen.

De buren van Roden komen tegen het ontvreemden in verzet en eisen onder andere het volgende: ‘daer nochtans, die van Steenberghen noijt andere marcke hebben gehadt als gemeen nevens andere kluften van Roden, hoewel de kluften om gerijfs halven iedereen sijn eijgen besonder district van opslach, heijden en weijden gehadt heeft. Zij hebben nevens andere kluften alle gemene lasten eenpaerlijck gedragen.’ Opvallend is de definitie van ‘marcke’ hierin te vinden: ‘district van opslach, heijden en weijden.’ De verschillende kluften binnen het kerspel hebben elk een eigen stuk van de marke in gebruik, welke gedeelten op hun beurt eveneens de naam kluft hadden.

Een andere term die opduikt is het zogenaamde ‘filiaaldorp’. De vijf eerder genoemde kluften binnen het kerspel Rhoden zijn eigenlijk een buurtschap op zich zelf, waarbij men een typisch voorbeeld heeft van een filiaaldorp die destijds veel in Drenthe voorkwam. Zeer veel buurtschappen zijn ontstaan als filiaal- of dochterbuurtschappen van een oerbuurtschap, waarbij door de uitbreiding van de bevolking mensen uit het buurtschap vertrokken en zich vestigden op een gedeelte van de ongescheiden marke van de oorspronkelijke buurschap.

Door de zeer geringe bevolkingsdichtheid lagen de oerbuurtschappen ver uit elkaar en waren de omliggende markegronden zeer groot. Op die markegronden ontstond de nieuwe buurschap, met haar eigen gescheiden marke er om heen, oorspronkelijk min of meer afhankelijk van de oerbuurschap op wier markegronden zij lag. Die afhankelijkheid bleef bestaan in die gevallen, waarvan hier in Roden een voorbeeld is te zien, waar de verschillende buurschappen samen, wat het ongescheiden gedeelte betreft (soms werd dit nog beperkt tot alleen bos en heide of veengronden), een marke hadden. In dat geval bleven de nieuwe buurschappen feitelijk kluften van de oerbuurschap (bron: Dr. A. F. Lunsingh Meijer  – De rechtspositie van de Eigenerfden in Drenthe, van Gorcum & Comp., Assen 1934, pagina 94).

Het grensgebied tussen het dingspel Noordenveld en het Ommeland Westerkwartier nabij het Leekstermeer. In de tijd van de kluften zullen grote stukken van het gebied er zo uit hebben gezien.

In  de provincie Groningen had een kluft, ook wel ‘klauw‘ of ‘clauw‘ genoemd, een belangrijkere rol dan de buurtschappen in bijvoorbeeld Noord-Drenthe. Nu was de situatie in Groningen en vooral de Ommelanden niet te vergelijken met die van Drenthe ondanks enige overeenkomsten die wel voorkwamen zoals eerder beschreven in Peize. Door de ligging van die provincie aan de Waddenzee en het uitmonden van een tal van beken en riviertjes in diezelfde Waddenzee, speelden de buurschappen of kluften bij de waterstaat maar ook bij de onderhoud van wegen en burenhulp. Een reglement uit het jaar 1722 voor de Stadsjurisdicties van Groningen zorgde dat de dorpen hiervoor uit een aantal kluften of noabergilden (buurtgilden) dienden te bestaan. Dit gold ook voor de Ommelanden.(Wikipedia)

Had een kluft of buurtschap zoals de Zulte ten noordwesten van het kerspel Rhoden niet echt een voorman of woordvoerder, de kluften in Groningen wel degelijk. Deze werden ‘Kluftheer’ genoemd en dienden als buurt- of wijkmeester. In ‘Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden, deel 21, 1794 Van Stad en Lande’ wordt op pagina 171 aandacht besteed aan de kluftheren: ‘De Heeren van de Kluft maaken uit een Kluftheeren-getal van agt persoonen, waartoe men voor-heen twee uit ieder der vier kluften nam; maar welke zorgvuldigheid thans geene plaats meer heeft, schoon nog voor hun de stad verdeeld blyft in vier panden.’.

Komen wij in het Drenthe van de zeventiende en de achttiende eeuw de benaming ‘etstoel’ tegen voor een ambtsgebied van een plaatselijk gerecht, op ‘t Groninger Land sprak men eerder van een ‘rechtstoel’ als het de rechtsprekende colleges betrof. In het aan het noordwesten van de provincie Drenthe grenzend Westerkwartier werd de redger of rechter net als in Friesland ‘grietman’ genoemd en zijn assistent ‘wedman’. De wedman trad tevens op als deurwaarder.

Op een kaart uit het jaar 1660 waarop de Stad Groningen en de Ommelanden waren afgebeeld, zijn zowel het Vijfde Dingspil Nordeveldt als Fredewoldij te zien. Daarnaast worden de landerijen onder het Sulte meer omschreven als Lage Landen en moeras, iets waar het meer zijn naam ook aan dankte. (Atlas van Kooper, uitgegeven door Frederick de Wit in de Calver straet te Amsterdam, ca. 1660)

Er waren ongeveer 75 rechtstoelen in Groningen en als we de lijst aanhouden van de ‘Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden deel 21 1794 Van Stad en Lande, tweede deel’ dan heeft het Westerkwartier de volgende nummers 50 (Vredewold), 51. (Oosterdeel Langewold), 52. (Westerdeel Langewold), 53. (Visvliet), 54. (Ooster Ruige Waard), 55. (Middel Ruige Waard), 56. (Wester Ruige Waard), 57. (Niehove), 58. (Humsterland), 59. (Ezinge), 60. (Hardeweer), 61. (Feerwert), 62. (Aduard), 63. (Dorkwerd en Leegkerk), 64. (Hoogkerk), en 65. (Platvoetshuis) .

Voor het gebied nabij het oude esgehucht de Zulte is het toenmalige onafhankelijk Ommeland Vredewold redelijk van belang qua invloed. Het buurtschap bezat weliswaar tot het midden van de jaren twintig tijdens de negentiende eeuw niet een directe verbinding met de weg tussen Rhoden en de Leek, maar de connecties met Nijentap (Nietap) en Ter Heyl zorgden wel voor een uitwisseling van gebruik en spraak. Veel dingen gaan nu eenmaal verder dan ’t Piepke del!

Een gedeelte van de kaart van het Wester Quartier van Groningen 1751-1754. De kaart werd vervaardigd door ir. Caldenbach. (Groninger Beeldbank)

Vredewold was een staande rechtstoel van het huis Nyeoort (Nienoord) en had het nummer 50. Hieronder vielen de volgende dorpen en kluften: Marum, Noordwyk, Nuis, Niebert, Tolbert, Midwolde, de Leek, Lettelbert, Oostwolde en de Leege Meeden. Deze streek ligt in het oosten tegen het zuidwesten van Friesland, ten noorden van Drenthe, ten westen van Middagt, en ten zuiden van Langewold.

De auteur van het boek ‘Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden deel 21 1794 Van Stad en Lande, vierde hoofdstuk, pagina’s 374 tot en met 376’ omschrijft prachtig: “De dorpen liggen genoegzaam in ééne rye, opeenen zandigen en houtdragenden grond, terwyl de veenen meerderdeels ten zuiden zyn Vredewold, (by Emo Frodowalda geheten) ofschoon niet groot zynde, was al van ouds eene landstreek op zig zelve, welke een eigen wapen (Hetzelve verbeeldt eenen geharnasten ruiter te paard), een eigen landregt (Landregt van Vredewold) , en eigene rigteren in ieder dorp hadde. Deeze rigteren verdeelden zig in eene Ooster en Westerwarf, en zaten daarop gezamenlyk te regt. Dit heeft geduurd tot het jaar 1531, wanneer de gemeene rigteren , eigenerfden, en ingezetenen van Vredewold, zo wel van de ooster als de westerzyde, de geheele grieteny ervelyk opdroegen aan Beetke, de weduwe van Wigbold van Ewsum, en haare kinderen; onder die voorwaarde, dat in ieder dorp de Buurrigteren zouden blyven, en dat de tydelings aantestellene Grietman moest zyn tot genoegen der gemeente. En in dat opzigt is het nog heden een staande regtftoel van het huis Nye-oort; maar de kerkelyke collatien in de dorpen behooren mede aan anderen, hoewel dat huis door deszelfs groote goederen veel inzage daarin heeft. Tot de dorpen zelve overgaande, is van de Friesche paalen het eerste.”.

De indeling van het Ommeland Vredewold vlak voor de Bataafsche revolutie van 1795. (Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden deel 21 1794 Van Stad en Lande, vierde hoofdstuk, pagina’s 376 tot en met 380)

Een ander verschil tussen de Drentse en Groninger kluften was het ‘Claveboeck’. Het claveboek of klauwboek was in de provincie een officieel register binnen de kluften, waarvan de eigenaar gerechtigd is om als redger of rechter op te treden. De klauwboeken komen voor in de Ommelander gouwen die onafhankelijk waren van de stad Groningen zoals Vredewold. (Bron)

Dat het er in de kluften binnen de Landschap Drenthe een stuk gemoedelijk aan toe ging dan in Groningen blijkt wel uit het bovenstaande artikel uit de Drentsche en Asser courant no. 133, blad 6, van woensdag 10 juni 1953 .

In het jaar 1880 verscheen er in de Provinciale Drentsche en Asser courant een serie feuilletons over de diverse Drentse plaatsen en hun bezienswaardigheden, waarbij de kerk van Roden ook niet ontzien werd. De in de ik-vorm schrijvende verslaggever weet het zo mooi te vertellen, dat ik het uit twee delen bestaand verhaal daar waar het betrekking heeft op kluften, hier plaats. Het zijn fragmenten van ‘Naar Roden V en VI’, en ze verschenen respectievelijk op maandag 5 juli (No. 155) en dinsdag 6 juli (No. 156) 1880.

De prachtige Catharinakerk op de Brink van Roden. De kerk werd gebouwd in de dertiende eeuw en werd gewijd aan de heilige Catharina van Alexandrië.

Den toren te beklimmen — ik had er lust noch moed toe. De historie van Babel roept de stervelingen toe: ‘niet de lucht in !’ en eene andere stem geeft den raad: ‘laag en klein bij den weg — dan heeft men ’t minste gevaar !’ Wat ik later eens doe, weet ik niet, maar thans was er niets dat mij naar boven kon lokken — beneden was zooveel genoegen dat men een dwaas moest wezen, om zich te vermoeijen, door de lucht in te gaan en zoo niet van de vrolijke partij omlaag te zijn.

Toch ken ik de ernstige boodschap, welke J. Borgherdt, de klokkegieter te Groningen, door de eenige klok, welke Roden heeft, tot den volke liet spreken, toen zij in 1746 op haar hoogen troon was geheschen. Zij luidt:

lk noodige al die vreest den Heer tot dienst van Christus den Hemelkoning, En schla een naar geluyt wanneer de mens verlaat des ardse woning.

Behalve die uitnoodiging vindt men in het metaal gegrift:

Willem Baron van In en Knijphuijsen Heer van Nienoort en des landes Vredewolt, medegedeputeerde staat en Curator Academiae der provincie van Stadt en Lande medecollator tot Roden etc. etc. Hendrick Allingh, scholte tot Roden en Roderwolde, desself verwalter Tyll Krythe, Jacobus van der Scheer predicant, Ette Harm Eels van Lijverden en Deodatus Peeters in der tijd kerkvoogden, Jan Janssens en Floris Aukema van Lootingewolde als hijrtoe van de acht kluften tot Roden zijnde gekommitteerd geweest. Geert Krijthe, Hindrick Geerts als voerluiden van de klok.

Uit den toren in de kerk en al dadelijk onthaal ik mijne lezers op een dichtstukje, ’t welk ter linkerzijde op het orgel wordt gevonden. De onbekende vervaardiger zegt:

Zing Roden! Hoppincks naam en God ter eer! Een Gajus leerde u ’t eerst de zuivre Leer. Nu steunt een Catherine uw Tempelzangen Bij milde gift van ’t konstig Orgelwerk. Hij schoort den Kansel op; Zij siert uw Kerk. Uw God bezorgt uw Heiligdoms belangen Door Hoppincks, nader dan in vleesch en bloed Tot Sions dienst vermaagschapt naar ’t gemoed.

Aan de regterzijde leest men:

“Dit orgel, versierd met deze Wapens, strekt ter gedagtenisse van den Heer Albert Hoppinck, en deszelfs Huisvrouw Elizabeth Johanna Hoppinck, geboren Clarcq, en derzelver twee nagelaten kinderen, wijlen den Heer en Mr. Jacob Willem Hoppinck en Mejuffrouw Maria Catharina Hoppinck, en is vervaardigt uit een Legaat, door laatstgemelde Juffrouw op den V Maart MDCCLXXVI aan de Kerke van Roden daar toe expres gemaakt.” ݉

Aan de achterzijde staat:

Dit orgel is verveerdigt in het jaar 1779 door de directie van den WelEdele Geboren Gestrenge Heer en Mr. C. W. Ellents, raed en secretaris van het landschap Drente, etc. etc., die daartoe expreslijk is geautoriseert geworden, en is gemaakt door den orgelmaaker A. A. Hins te Groningen.

’t Orgel van Roden’s kerk is een geschenk. Eene bloedverwante van G. Hoppinck — hier predikant geweest — te ’s Hage overleden op 18 December 1776, vermaakte aan de kerk het aanzienlijke legaat van tienduizend gulden en daarvan werd het orgel vervaardigd, onder toezigt van mr. C. W. Ellents, eigenaar van het Huis Mensinge en te Boden overleden op 12 September 1784. ’t Werd ingewijd op 4 Junij 1780 door Regnerus Tjaarda de Cock, predikant te Nieuwe Pekela, naar aanleiding van Ps. CXLIV : 9. Deze leeraar was daartoe uitgenoodigd, omdat hij en ook zijne echtgenoote bloedverwanten en erfgenamen van de schenkster waren. ’t Orgel doet nog zijn maker eer aan en is, zegt men, een der beste in Drenthe.

De achterzijde van de prachtige Catharinakerk in Roden. Op de achtergrond is de toren te zien die de schrijver van een serie feuilletons over Drentse plaatsen in 1880 beklom.

In 1795 kwam er met de Bataafsche Omwenteling bestuurlijk gezien een einde aan de kluften in zowel Drenthe als Groningen.

Sülte en het moeras

Toen ik een poosje geleden een gedeelte van een oud boek over Oost-Nederlandse plaatsnamen uit het jaar 1930 en geschreven door H. J. Moerman zat te lezen, kwam ik een verklaring voor de naam van het voormalig esgehucht de Zulte tegen, die de theorie van Professor dr. Maurits Gysseling behoorlijk ondersteunt. (De Zulte en hoe zat dat ook alweer met de zee?) Tevens verklaart het naar mijn bescheiden mening ook waarom het Leekstermeer vroeger ook wel het Solte- of Sultemeer droeg, iets wat later verbasterde tot het Zulthermeer.

Afbeelding uit het boek van H. J. Moerman – Oost-Nederlandse plaatsnamen, 1930.

In dit boek verwijst de schrijver met enige regelmaat naar de Duitse auteur Hermann Jellinghaus, die aan het eind van de negentiende, begin twintigste eeuw een aantal werken over de de dialecten, taalgebruiken en streeknamen had gepubliceerd. In zijn in 1896 gepubliceerd boek met de titel ‘Die westfälischen Ortsnamen nach ihren Grundwörtern’ legt Jellinghaus de betekenis van het woord ‘sülte’ uit. Hermann Jellinghaus schrijft op pagina 162 van het eerder geciteerd boek dat sülte ook staat voor ‘Morast’, dat in het Nederlands ‘moeras’ betekent en verder dat ‘de Zulte, Bsch. In Drente’ is (bron: Hermann JellinghausDie westfälischen Ortsnamen nach ihren Grundwörtern, pagina 162, Lipsius & Tischer, 1896)

Pagina 162 uit Hermann Jellinghaus zijn boek ‘Die westfälischen Ortsnamen nach ihren Grundwörtern’ met de uitleg over sülte.

Nu waren grote delen rondom het esgehucht inderdaad behoorlijk drassig en ook troffen we vele moerassen aan op de natte heidevelden ten noorden en aan de westelijke zijde van de Zulte. Maar eigenlijk lag de Sulte, zoals het gehucht tot ver in de achttiende eeuw genoemd werd, op zo’n 3,4 kilometer afstand van het meer vandaan en ook het Kadastrale gebied de Zulte reikte niet verder dan de Turfweg. En natuurlijk zoemt de laatste jaren ook het sprookje rond dat de naam afkomstig moet zijn van zout, immers de zee had hier een grote invloed op het gebied!

Grote onzin natuurlijk. Mij lijkt het veel aannemelijker dat het Leekstermeer zijn oude benamingen meer aan het feit te danken had dat het erg ondiep en moerassig was, dan aan een hersenspinsel van invloeden op de gebieden door de zee. Het Leekstermeer is waarschijnlijk ontstaan doordat twee stroompjes in het verleden samen kwamen op de plaats van de huidige Rietboor. Het ene beekje kwam uit het zuidwesten en werd later de Leecke genoemd, het andere naamloze beekje vanuit het Haarveen dat ten zuiden van het punt van samenkomst lag.

Vermoedelijk hebben de twee beekjes deze route gevolgd en is het Leekstermeer gevormd.

Door het warmer worden van de Aarde, de stijging van de zeespiegel en de toenemende vorming van veen in het gebied rondom de Rietboor, ontstond er een enorm groot moerasgebied bestaande uit laagveen. Doordat het moeras de snelle afvoer van water naar de zee vertraagde, steeg het water nog sneller en groeide en meer veenmossen. Vermoedelijk hebben harde winden vat op het water gekregen en het veen uit elkaar gedreven, waardoor er een meer werd gevormd. Het verklaart ook waarom het Leekstermeer van oorsprong ook niet dieper was dan zo’n 1,5 meter.

Zou het er duizenden jaren geleden zo uit hebben gezien daar bij de Rietboor waar nu het Leekstermeer ligt?

Een geheimzinnige diepte

Het was moar ’n natte bende doar”, vertelde de boer mij toen ik hem vroeg of hij wist hoe oud de verdieping in zijn land was, “Een nat vies veengat, joa dat was’t west”. Een verdieping in het gebied waar vroeger eens het enorm oerbos lag dat Groot Noordholt werd genoemd, was zeker geen zegen voor de landeigenaar. De op sommige plekken forse laag taaie keileem vlak onder of aan de oppervlakte zorgde ervoor dat het regenwater niet in de grond weg kon zakken, maar via de bovenzijde van de grond een weg naar lager gelegen gebieden zocht. Zeker in de tijden dat het gebied niet over een effectief stelsel van afwateringssloten beschikte, was het water amper weg te krijgen richting het Leekstermeer.

Instemmend knikte ik met hem mee, want ik wist de oorzaak van de verdieping in zijn perceel waarschijnlijk wel. Dit stuk land is daarom ook een van de laatste stukken die aan het begin van de twintigste eeuw hier ontgonnen werd. Net zoals ik, verwonderde de boer zich over het feit dat als er eenmaal veel water stond in dat perceel, het water toch weer vrij snel verdwenen is. Mijn vermoeden, die ik dan ook prompt met de boer deelde, is dat er een verstoring in de forse laag keileem moet zitten, waardoor het water de onderliggende zandlagen in kan zakken. Dat er in het verleden ook nog een een forse veenlaag lag waar het bos overheen gegroeid was, wist ik voldoende.

De verdieping in het land van de boer dat in het verleden in het Groot Noordholt lag en voor de ontginning van het gebied vol met veen zat. Tevens is de depressie minder diep dan voorheen door het intensief gebruik van het land.

Veen kwam best veel voor in de wijde omgeving van het voormalig esgehucht de Zulte. Weliswaar niet zoveel als bijvoorbeeld nabij Ter Heijl en richting Zevenhuizen, maar bijvoorbeeld in het Sieveen iets ten noorden van het herstellingsoord zat een fors pakket veen onder de natte heide. Grote delen in het gebied ten westen van Roden tussen Leutingewolde en Een bestond vrijwel uit moerassige, natte heidevelden. De moerassige heidevelden waren niet in de eerste plaats voor ontginning geschikt; zij waren te vochtig, de bodem was er niet poreus en te arm aan voedingstoffen.  

De depressie in het Sieveen achter het voormalig herstellingsoord waar vroeger een kleine dobbe lag. De verdieping in de grond is ontstaan door het smelten van de gletsjer, waarbij het smeltwater geulen vormde in de zachte ondergrond.

Prof. Dr. H. Blink vertelde er over in zijn boek ‘Woeste gronden, ontginning en bebossching in Nederland, voormaals en thans’ op pagina 29 dat in 1929 door de Nederlandsche Vereeniging voor Economische Geographie werd uitgegeven: “Zoover het oog reikte zag men niets dan heide, veenplassen, ongebaande wegen, en hier en daar verdwaald een armoedigen groven den en berk, en grootere en kleinere keien en vuursteenen in grooten getale over het terrein verspreid. Dop en struikheide, bunt en pijperaai, gagel, blauwe gentiaan, vliegenvangertje, de laatste drie vooral planten van een vochthoudenden bodem, vormden het hoofdbestanddeel van den typischen plantengroei, als overal op de Drenthsche heide. In en rondom de veenplanten groeiden het wollegras en de veenbies, terwijl rendier-, pen- en bekermos er de mossen vertegenwoordigden.

Dat er verlekkerd naar de enorme heidevelden werd gekeken is niet zo vreemd. Aan woeste grond was voor een eigenaar niets te verdienen en de enkele schaapskudde op de hei zag er wel mooi uit, maar het leverde niets op. Het zal u dan ook niet verbazen dat de woeste gronden in de provincie Drenthe aan het begin van de twintigste eeuw in een ras tempo verdwenen. Tussen 1901 en 1918 werden er in Drenthe 9.538 hectare heide en zand tot bouwland, 2.545 hectare tot grasland, en 1.222 hectare tot bos. Maar liefst 13.305 hectare heide en zand waren verdwenen, wat neerkomt op zo’n 0.782 hectare per jaar. Van 1918 tot 1928 bedroeg het totaal ontgonnen heide en zand maar liefst 12.434 hectare, gemiddeld 1.243 per jaar.  (Bron: ‘Prof. Dr. H. Blink – Woeste gronden, ontginning en bebossching in Nederland, voormaals en thans’ 1929, pagina 71.)

De noordzijde van de vermoedelijke pingoruïne gezien vanuit het zuiden. De voor een pingoruïne typische aarden wal kwam in het verleden de boer goed uit; bomen er op planten en klaar is de houtwal.

Het veengat zoals de boer het veenmoerasje noemde onder het grote bos, zal rond 1901 ontgonnen zijn net als vele andere percelen rondom Roden en in de provincie Drenthe om plaats te maken voor grasland. Van grasland had de toenmalige boer veel meer profijt dan van een bos waar je eigenlijk geen rendement van hebt. Nou ja, een paar richelpalen en lange stokken voor bonenteelt. Ja, die stokken kon je daar wel weghalen, het wemelde daar van de Hazelaars (Corylus avellana) met hun lange, rechte takken.

De eerder genoemde aarden wal van de verdieping in het weiland richting het westen. Door de verschillende factoren zoals de aanplant van bomen, de slechte staat van de bodem (keileem) en het vee dat de daardoor altijd natte, modderige bodem heeft vertrapt, moet je goed opletten om de wal te kunnen zien.

De plaats van de depressie ligt op een plaats waar je deze niet direct te zien krijgt. En om heel eerlijk te zijn, de boer/eigenaar van het perceel zit daar ook helemaal niet mee. Maar het is juist het onopvallende dat lijnrecht staat tegenover de feiten van pak hem beet, zo’n 18 duizend jaar geleden. Toen bestonden grote delen van Noord-Nederland en Overijssel uit een constante bevroren bodem die samengesteld was uit mossen, zand, stenen, sneeuw en ijs. In deze grote poolachtige toendrawoestijn bevonden zich hier en daar heuvels in het gebied. De heuvels die doorgaans een hoogte bezaten van enkele tientallen meters, moeten het gezicht van de toendra hebben gedomineerd.

Op deze foto is te zien hoe groot de depressie in het weiland is. Aan de linkerzijde is het hoogte verschil duidelijk zichtbaar. Helaas zijn veel kenmerkende aanwijzingen door het gebruik in de loop der tijd verdwenen.

De grote heuvels waren ontstaan aan het einde van de laatste ijstijd toen de bodem al eeuwenlang enkele tientallen meters diep bevroren was en permafrost genoemd wordt, waarbij het iets warmere grondwater met een steeds grotere druk tegen deze laag permafrost aandrukte. Het bovenste gedeelte van het grondwater bevroor en vormde een lensvormige laag ijs tegen de permafrost aan. De laag ijs die in deze situatie ontstaat, heet daarom dan ook een ‘ijslens’. Het opstijgende grondwater blijft tegen de ijslens aandrukken waardoor de druk blijft toenemen en de laag ijs steeds dikker gaat worden. Op een gegeven moment heeft de ijslens een fors formaat aangenomen en is de druk van het grondwater zo hoog geworden, dat de bevroren bodem wel omhoog moet gaan. Op deze manier ontstonden er talloze ijsheuvels in het poollandschap van Noord-Nederland, die de naam ‘Pingo’ meekregen. De naam werd door de Groenlandse Eskimo’s (Inuit) gegeven en betekent ‘heuvel van ijs of kleine heuvel’.

De overgang van het weiland naar het bos richting het noordwesten. Weliswaar ligt vrijwel het grootste gedeelte van de vermoedelijke pingoruïne in het weiland, een klein gedeelte ligt echter ook nog in het bos.

Volgens een Deens onderzoek is het 11.711 jaar geleden (bron) dat er een einde aan de laatste ijstijd en het enorme pakket landijs dat niet zuidelijker was gekomen dan de plaats waar nu de stad Hamburg ligt, zich weer richting het noordoosten terugtrok. Het was ook de periode dat het in onze contoureien warmer begon te worden en de permafrost langzaamaan wegsmolt. Hierbij verdween ook de deklaag op de ijsheuvel en gleden er stukken ontdooide aarde van de heuvel af. Doordat de aarde van de grote klomp ijs afgleed, kreeg de aan kracht toenemende zon meer vat op het blootgevallen ijs en liet deze eveneens smelten.

Grofweg zou het bovenstaande gebeurd kunnen zijn op de plaats in het weiland waar nu een verdieping ligt. Van ijsheuvel naar een meertje.

Hoe meer het ijs binnen de heuvel smolt, des te kleiner werd deze en stortte verder in. Daarnaast zorgde het vele smeltwater voor meertjes en kleine beekjes daar het water niet door de nog bevroren bodem kon wegzakken. Na verloop van tijd was er niet veel meer over van de eens zo machtige ijsheuvel dan een diep meertje met een doorsnede tussen de 70 tot wel 240 meter. Deze meertjes worden ook wel pingoruïnes, vennen of veenmeertjes genoemd. De vermoedelijke pingoruïne ten noordoosten van de Zulte nabij de Dobben had waarschijnlijk een diameter van zo’n honderd meter.

Op het hierboven afgebeelde plaatje van het hoogteprofiel van het gebied, is de verdieping duidelijk zichtbaar. Het laagste gedeelte in de depressie ligt op zo’n halve meter boven N.A.P., het hoogst gelegen gedeelte op bijna 3 meter.

Vermoedelijk schreef ik omdat van de vele vennetjes en ronde plasjes in het noorden van Nederland niet zeker is als het hier ook daadwerkelijk pingoruïnes betreft. Het zouden natuurlijk ook depressies kunnen zijn die tijdens de vorige ijstijd werden gevormd door de terugtrekkende ijskap of stuifkommen, die door de poolwinden zijn gecreëerd. Ook in deze verlagingen met een slechte waterdoorlatende bodem bleef water staan en vormde zich veen.

De pingoruïne ten westen van de Zulte met de mooie naam Vagevuur gezien vanaf de Toutenburgsingel. Enkele jaren geleden was de ruïne geheel aan het zicht ontrokken door de vele bomen, maar de eigenaar heeft radicaal ingegrepen en nu ziet het er weer lekker fris uit. Het Vagevuur heeft een diameter van ongeveer 90 meter.

Aan één van de typerende kenmerken voor een pingoruïne in Noord-Drenthe voldoet de depressie wel; hij ligt pal langs de helling van het beekdalgebied van de Zulter Bitse. Vermoedelijk door het hoogteverschil van dit gebied tijdens de ijstijd kon hier het grondwater een lange tijd blijven vloeien en een pingo vormen. Ook komen we ze tegen aan de rand van het Drents Plateau, waar de omstandigheden eveneens gunstig waren voor het ontstaan van vele ijsheuvels.

Ook de ligging van de gebieden met de veldnamen de Dobben en de Dobberesch kunnen verwijzen naar menig poel en kuil – door de mens gegraven of natuurlijk ontstaan door een wel – die in dit gebied voorkwamen en dienden als drinkplaatsen voor het vee. Frappant is het toch wel te noemen dat men in Friesland spreekt van ‘Dobben’ in plaats van pingoruïnes.

Een zogenaamde dobbe in het Sieveen. In het verleden door een boer verder uitgegraven zodat het vee eruit kon drinken. De huidige eigenaar heeft de dobbe verder uitgegraven en er een kikkerpoel van gemaakt.

Door de toenemende stijging van de temperatuur en de hoeveelheid neerslag, steeg niet alleen het grondwater in ons land, maar ook de laag veen in de vele depressies in het Noord-Drentse landschap. De verschillende opeenvolgende fases van het Holoceen zorgen ervoor dat de diverse soorten landschapstypen het beeld vormden.  In de ruim afgelopen tienduizend jaar zijn menig veenmeertjes en moerassen verdwenen door verlanding of werden ze drooggelegd voor de turfwinning of de landbouw. De depressie in het land van de boer is slechts een van de velen in het noorden van Nederland.

Een mooi filmpje op Youtube over het ontstaan van een pingoruïne geplaatst door De Hondsrug UNESCO Global Geopark

Er bestaat een website met een kaart waarop de officiële pingoruïnes en de vermoedelijke gevallen staan. De website heet ‘Natuurlijke schatkamers van Drenthe, Pingoruïnes’ (even klikken) en is zeer zeker een bezoekje waard!

Arensguldens, markegenoten en valkenvluchten

Dat er zich in het gebied rondom het oude esgehucht de Zulte zichtbare of juist onzichtbare oude sporen uit het verleden bevinden, moge duidelijk zijn. Dat er hier en daar dan ook verschillen  van inzicht over bepaalde gebieden of feiten bestaan, staat ook buiten kijf. Dat noem ik nu een zegen, daar naar mijn mening een verschil van inzicht met redelijke argumenten voor mij een uitdaging is. Dat maakt het zoeken naar bepaalde voorwerpen, gebruiken of veldnamen in het gebied rondom de Zulte voor mij  juist mooi; een vorm van een tijdreis naar het verleden.

Portret van Robert Cheseman (1485-1547) uit 1533 met een valk gemaakt door Hans Holbein de Jonge  (1497/1498-1543). (Bron: Wikipedia)

Zo lagen er aan de oostelijke zijde van het vroegere Groot Noordholt en ten noorden van de Westeresch in het midden van de zestiende eeuw een slechts een paar weilanden en vooral een behoorlijk groot heideveld, die de naam ‘Valken veld of Valkensveld’ droegen. Aan het einde van de negentiende eeuw verschenen er aan de westelijke zijde van het gebied enkele woningen, waar arbeiders of kleine keuters in kwamen te wonen, waarbij naar alle waarschijnlijkheid varkens tot hun veestapel behoorden. Bij sommige mensen blijft dan ook het idee bestaan dat het geen Valkensveld, maar Varkensveld is. In de Roner en Lukkenwolmer volksmond kreeg het in de twintigste eeuw dan ook de naam ‘Zwieneveld of Zwieneveltie’.

Op de oude Franse legerkaart uit 1810/1811 zijn de huizen van de arbeiders nog niet gebouwd maar is wel duidelijk te zien hoe enorm het bos Groot Noordholt was. Rechtsboven op de kaart bevond zich het Valken veld. (Bron: Drents Archief)

Maar de boeiende geschiedenis van dit gebied gaat natuurlijk veel verder terug in de tijd dan menigeen zal hebben gedacht. En het is vanzelfsprekend dat er veel onduidelijk bestaat over de historie, daar er maar weinig op papier gezet werd over dit doorgaans onbewoond gebied. Of het esgehucht de Sulte in de vijftiende en de zestiende eeuw een marke of iets in die geest bezat? Waarschijnlijk wel. Het lijkt er op dat de markegenoten van de Sulte, die samen met die van bijvoorbeeld Leutingewolde, met enige regelmaat de beslissing van de marke Roden aanvochten.

De Vereeniging tot uitgaaf der bronnen van het Oudvaderlandsche Recht publiceerde op de pagina’s 61, 62 en 63 in het zesde deel, dat de titel ‘Verslagen en Mededeelingen’ droeg en uitgegeven werd te ’s-Gravenhage door Martinus Nijhoff in 1910, verslagen van de marke Roden uit een handschrift dat in het bezit was van de graaf van Inn und Knyphausen uit 1495.

18. Willekeur der marke van Roden. 1495. Item dit naeschreven ys der bueren wilkoer. (Naar een handschrift in het bezit van den graaf van Inn und Knyphausen.)

26. Item de schuttinge van Wester-esch, Sulter-esch des daeges enen stuver ende des nachtes enen yager. Weers sarke dat de beesten des daeges niet en worden ghelosset ende kreghen daerenboeven hinder oft schaden, se sullen broekeloes ende boeteloes wesen.

28. Item des soe hebben dye ghemene buyren ghewillekoert, want de Loetinghewoltmer ene sunderlinghe marcke hebben, alle beesten dye ghevonden worden ende gheschuttet worden in Wester-essche, Sulter-essche, elck beest en halve tunne beers. Ende de se bevindth sal de den schutheerden wittigen. Ende wil de schutheerde dan niet medegaen schutten, soe sultse oeck breken 1 tonne beers.

36. Item dye Sulter sult hoeren drijft  holden nae de Helle ende nae dye Leeke ende voert nae dat Hinxtebroeck. Ende dus pleghen dye Sulter hoer drijft hijrhen thoe holden nae older ghewoente als vorz. ijs. Ende oft zy desse drift niet en holden soe sal men dye beesten schutten, ende nemen daer schuttijnge-recht aff als voersz. is.

Hier en daar kom je in oude geschriften uit de vijftiende en zestiende eeuw regeltjes tegen die er op wijzen dat er toch wel degelijk een vorm van een marke of markegenoten waren in de omgeving van de Zulte, in in naslagwerken over de marke’s in Drenthe lees je er niets van terug. Dan blijft er niets anders over dan door de oude en vaak slecht leesbare documenten te wroeten om de gegevens te vinden die je zoekt.

Zo kwam ik een oud document uit 1548 tegen in de Groninger Archieven dat uit het bezit van de familie van Ewsum kwam met de opmerking ‘1548 overdracht valkenvlucht, Joh. vE.’.  Het voor mij grotendeels slecht leesbaar document begint met twee namen, Johan Staal (ook wel Johan Staele genoemd) pastoor te Roden en ene Hilbrant Krumens, die in het jaar 1546 aan het Westeinde in Roden woonde. Krumens stond op een schattingslijst uit 1546 en werd verplicht om 19 Brabantse stuivers te betalen.

Akte van verkoop door Johan Staal, pastoor te Roden, en gemachtigde van de markegenoten in Noordholt, aan Johan van Ewsum van het recht om met roofvogels in de marke te jagen. Met akte van verkoop door Van Ewsum aan dezelfde van een jaarlijkse rente, 1548. (Bron: Groninger Archieven)

1546 was het jaar dat de hervormer Maarten Luther overleed, maar dat had weinig effect in het landschap Drenthe van dat jaar. Drenthe had het druk met het innen van de schatting voor Karel V, een vorm van belasting die maar liefst 3500 Carolus gulden bedroeg. Aan dit bedrag moest het kerspel Roden, bestaande uit 102 inwoners afkomstig uit het Oestende, Suydtende, Westende, Lyveren, Steenberghen, Sulte, Lotinghewolde en Foxwolde, 97 Carolus gulden en 25 1/2 Brabantse stuivers opbrengen.

Het schrift waarin het bovenstaande stond en dat zich in het archief van de stad Aurich bevindt en waarvan het Drent Archief een kopie bezit, vermeldde het volgende: “Item int yaer ons heren duysent vyffhondert ses unde veertich gaff dat gemene landt van Drenthe thoe schattyne voer dat eerste termyn, se Keyserliker Majesteyt ghelovet hadden vyerdehalff duysent Carolus gulden, daer dat kerspell van Roden voer hoer part soeven unde tnegentig Carolus gulden ende vyff ende twyntichsten halff brabant st. van thoe quam thoe betalen nae luyde desse navolgende settynghe uuth enen olden register gherekent.”. (Bron)



Er waren rond die tijd in de wijde omgeving van Roden verschillende munten van diverse waarden in omloop. Hierboven zijn de twaalf diverse munteenheden in een tabel weergegeven, de waarde was van van 1 januari tot ultimo december 1548. (Bronnen: Het kasboek van Hendricus Lontzenius, de laatste abt van klooster Selwerd over de jaren 1560-1563. F.J. Bakker, R. I. A. Nip en E. Schut, 2003, Assen: Koninklijke van Gorcum. Pag. 24 en Rekeningen der Stad Groningen uit de 16e eeuw, uitgegeven door DR. P. J. BLOK. ‘s Gravenhage. 1896)

In het boek ‘Het geslacht van Ewsum, geschiedenis van een jonkersfamilie uit de Ommelanden in de 15e en 16e eeuw.’ dat geschreven is door M. Hartgerink-Koomans in 1938, is er sprake van de markegenoten van ’t Noorderhout. Het Noordenhout was beter bekend in de volksmond als het Groot Noordholt en bevond zich ten  noorden van het kerspel Roden en noordoostelijk van het esgehucht de Zulte. Op pagina 41 komen wij een verslag dat de hierboven geplaatste documenten goed samenvat:

In 1548 had Johan van Ewsum zich ondertussen door de houtvoogden en de markegenooten van ’t Noorderhout de valkenjacht laten schenken in dank voor genoten en toekomstige weldaden aan ’t karspel. Zulke aanzienelijke heeren onder de markgenooten als de Groninger burgemeester Johan Thema en de abt van Aduard lieten toe, dat zij met name in de akte genoemd werden; van anderen was zeker niet te vreezen, dat ze ooit zelf nog eens de valkenjacht ter hand zouden nemen. Tot dien tijd hadden de houtvoogden dit recht verpacht: om de markegenoten schadeloos te stellen, schonk van Ewsum hun vijf dagen later een jaarlijksche rente van zes Arensguldens.’ (Het geslacht van Ewsum, geschiedenis van een jonkersfamilie uit de Ommelanden in de 15e en 16e eeuw.(M. Hartgerink-Koomans, Maria 1938. pag. 41.)

Eigen opname van een Boomvalk (Falco subbuteo) hoog boven de huidige weilanden die vroeger tot het Valkenveld behoorden. Of de boomvalk ook geschikt was voor de valkenjacht kon ik niet terug vinden.

Voor mij stopt het jagen met valken hier maar Harry Perton alias Groninganus neemt het stokje naadloos over in zijn ‘Valkerij Johan van Ewsum te Roden maakte deel uit van internationaal netwerk’ op z’n weblog. Een weblog met leuke historie voor elk wat wils en zeker een bezoekje waard!

De link van de abt van Aduard met het Groot Noordholt was deze dat het klooster hier grote percelen bos in zijn bezit had. Deze percelen zijn later door de eigenaren van Huize Ter Heijl overgenomen. Nog tot in de twintigste eeuw heeft de familie van Ewsum en hun opvolgers grote stukken land in bezit gehad wat eens het Valkenveld was.

Aan het begin van het jaar 1895 komen wij de naam Valkenveld weer tegen in een tweetal advertenties in het Nieuwsblad van het Noorden, die respectievelijk op de zondag 6 januari en drie dagen later, in de editie van woensdag 9 januari, verschenen. De advertenties waren opgesteld door notaris Ebbinge Wubben in opdracht van de erfgenamen van de overleden echtgenoten Eite Sinninge en Jantien Roling, die delen van het bezit wensten te verkopen. Daarbij zaten ook delen die Eite na het overlijden van zijn ouders geërfd had en in de Zulte en onder Roderwolde lagen. Naast het perceel hakbos op de Zulteresch dat wij kennen als de Langestreek, bevond zich ook een ander perceel hakbos van 0.15.30 hectare met de naam Valkenveld.

De advertentie die verscheen in het Nieuwsblad van het Noorden van zondag 6 januari 1895 en in opdracht van de erfgenamen door Ebbinge Wubben opgesteld was. De vermelding van het Valkenveld, dus geen Varkensveld, is duidelijk te zien (bron: Nieuwsblad van het Noorden, derde blad, Zondag 6 januari 1895, achtste jaargang, nummer 3).

De overleden eigenaren van deze percelen waren dus Eite Sinninge en Jantien Roling. Eite, ook wel Eite Stevens genoemd, werd op vrijdag 10 mei 1811 in Leutingewolde geboren als een zoon van de boer Steven Jans Sinninge en zijn vrouw Roelfje Eidens Oosterhof en huwde op donderdag 6 mei 1852 met in Norg geboren Jantje Rolink. Dat de op de zondag 24 november 1816 geboren dame in de huwelijksakte nog Jantje Rolink werd genoemd, laat nogmaals zien hoe de namen destijds werden opgeschreven; fonetisch. Kortom, veel namen werden zo opgeschreven zoals ze klonken. De dame heette echter Jantien Roling en was een dochter van de Norger verver Roebert Roelfs Roling en Grietje Jans Zuidhof.

Het echtpaar vertrok op maandag 10 mei 1852 vanuit de gemeente Roden naar de gemeente Vries, waar zij zich in Bunne vestigden. Eite Ebbinge was een neef van de in de Zulte wonende boer Jacob Jans Sinnige, waarover het artikel ‘Zulte 37; Sinninges in de Zulte’ gaat.

Korte akkers in de Bomenbuurt

Een van de vele landschapselementen uit het verleden die wij in het gebied rondom het oude esgehucht de Zulte konden aantreffen, waren de vele akkers. Straatnamen in het prachtige dorp Roden verwijzen eveneens naar de vroege landbouwactiviteiten die hier vroeger in de wijde omgeving plaatsvonden. Straten met namen als De Akkers, Doornakker, Duinakker, Geerakker, Steenakker en Walakker verwijzen allemaal naar een rijke geschiedenis, die langzaamaan toch dreigt te verdwijnen.

Doorgaans waren de akkers, of beter gezegd bouwlanden zoals ze hier vroeger genoemd werden, toch redelijk kleine perceeltjes waar boeren, burgers en buitenlui hun cultuurgewassen zoals granen en groenten op verbouwden en later aan het begin van de negentiende eeuw, ook de aardappel. De percelen bouwland waren vaak van elkaar gescheiden door een afrasteringen, greppel, sloot, heggen of een houtwal. Pas veel later kwam prikkeldraad in aanmerking als effectief afrasteringsmateriaal.

Op een hoogtekaart van het gebied waar de Körtakkers lagen in een dynamische opmaak waarbij de kleuren de hoogte in het gebied aangeven, van blauw (laag) naar donker oranje (hoog). (Bron: Algemeen Hoogtebestand Nederland)

De bouwlanden in de nabijheid van het oude esgehucht de Zulte, bevonden zich vooral bovenop de Zultheresch vanwege de bodemgesteldheid. Hier bevond zich een hogere uitloper van het Drents Plateau en aan de oostelijke zijde was de keileemlaag een stuk dunner en op enkele plaatsen trof men zelfs zand aan. Het was niet vanzelfsprekend in grote delen van de provincie Drenthe dat een hoge ondergrond ook droge voeten betekende. Op veel plaatsen vormde zich hoogveen op de plaatsen waar de keileemlaag behoorlijk dik was en het verbouwen van gewassen was daar dus niet mogelijk.

Op de bovenstaande hoogtekaart in een dynamische opmaak van het gebied waar de Körtakkers lagen, is het hoogteverschil goed te zien. De laagste gedeelte in het gebied bevond zich in het noordwesten van bouwlanden ter hoogte waar de Ceintuurbaan Noord kruist met de Acacialaan en lagen op een hoogte van 3,5 meter boven N.A.P. (blauw gekleurde delen). Zoals op de kaart goed te zien is liggen de hoger gelegen delen in het oosten op een hoogte van zo’n 5,8 meter boven het Normaal Amsterdams Peil langs de huidige Zulthereschweg.

Waarschijnlijk vond op deze plaats al vanaf de vijftiende eeuw hier al akkerbouw plaats, maar de vroege sporen zijn verdwenen door de latere landbouwactiviteiten en de woningbouw die hier vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw plaatsvond.

Op de Franse legerkaart uit 1810/1811 waarop aan de linkerzijde het esgehucht de Zulte ligt, zijn aan de rechterzijde ten westen van de weg tussen Roden en Leutingewolde de weilanden zichtbaar, die naast de Körtakkers liggen. (Bron: Drents Archief)

Een ander oud gegeven is dat de bewoners en gebruikers bepaalde gebieden een naam gaven die de ene bij meer mensen bekend was dan een andere keer. Deze termen worden vandaag de dag ook wel ‘Veldnamen’ genoemd en kunnen al eeuwenlang gebruikt worden. De Boschkampe is hier een goed voorbeeld van. Op de plaats waar een aantal huizen aan de rand van een groot bos in het verleden lagen , ligt er nu een langwerpig plantsoen en een straat die vanaf de Leeksterweg helemaal tot aan de Nieuweweg loopt en de naam ‘Boskamp‘ draagt.

Op de oude Franse legerkaart uit 1810/1811 is goed te zien hoe de huizen zich nabij de bosrand bevonden. Vandaag de dag is er enkel nog een straatnaam die ons aan de Boschkampe doet herinneren. (Bron: Drents Archief)

Een van de vele veldnamen die voorbij komt als het over de oude Zulteresch en de vroege akkerbouw gaat, zijn de Körtakkers. Waarschijnlijk al vanaf de vijftiende tot aan het begin van de twintigste eeuw in gebruik geweest, werd hier een groep van zo’n 38 percelen met een oppervlakte van 7,242 hectare bedoeld. De cluster akkers of bouwgronden zouden vandaag de dag grofweg in het vierkant Ceintuurbaan Noord/de Hulst, Acacialaan, Esdoornstraat en de Zulthereschweg hebben gelegen.

Het gebied zoals dit er rond 1825 uit zou hebben kunnen gezien. Een gedeelte van de bossen is gekapt en de akkers zijn duidelijk zichtbaar.

De naam Körtakkers betekend niet minder dan korte akkers. De vlakvormige elementen waren veelal een aantal kleine, vierkante of rechthoekige percelen met een oppervlakte van niet meer dat 0,75 tot 1,5 hectare, maar doorgaans waren ze veel kleiner. Van de achtendertig percelen waren er 34 bouwland, 2 weiland en 2 hakbosch. De twee percelen hakbos waren wellicht restanten van een veel groter bos dat hier ooit heeft gelegen, of het was gewoon een klein bos. Waarschijnlijk werden ze gebruikt als geriefbosjes, waaruit het hout werd geoogst voor huiselijk gebruik als brandhout, het maken van afrasteringen en gereedschap.

Een hoop dingen worden duidelijk wanneer wij de Kadastrale kaarten en de bijbehorende registers ter hand gaan nemen. Alles begint wanneer koning Willem I de door de Fransen ingezette kadastrering rond 1816 nieuw leven inblaast. In het jaar 1823 levert het Topographisch Bureau van het Ministerie van Oorlog de ‘Choro-topographische kaart’ op. Weliswaar is het de eerste landsdekkende topografische kaart, maar echt effectief voor bijvoorbeeld het berekenen van de te innen belastingen was de kaart niet.

De invoering van het Kadaster vond plaats op 1 oktober 1832. Het doel van deze nieuwe organisatie was te komen tot een eerlijkere heffing van de grondbelasting, een belasting op onroerende zaken, gebaseerd op de grootte en kwaliteit van de grond en het gebouwde. Bij de invoering van het Burgerlijk Wetboek in 1838 kwam er een belangrijk element bij, namelijk het verschaffen van een grotere rechtszekerheid aan de burgers. Het vermelden van kadastrale kenmerken in akten werd vanaf 1838 verplicht. (Bron: Kadaster BHC) Een gunstig bijeffect was dat de overheid nu ook wist waar de weerbare mannen zich bevonden.

De kerk van Roden op het tweede blad van Sectie E genaamd Roden van de gemeente Roden. Dit punt werd door de landmeter gebruikt als middelpunt van de Kadastrale gemeente. Het is goed te zien dat de twee blauwe lijnen vanuit de kerktoren naar het noorden, oosten, zuiden en westen gaan. (Bron: Drents Archief)

Het werkte eigenlijk vrij eenvoudig. De kadastrale gemeente Roden werd verdeeld in secties die met een hoofdletter werden aangeduid. De secties werden op hun beurt weer verdeeld in genummerde percelen. Om het middelpunt van de Kadastrale gemeente te bepalen, gebruikte de landmeter een vast en herkenbaar punt, zoals hierboven te zien is, Hier diende de kerktoren van de Catharinakerk in Roden als middelpunt voor de metingen. De kaarten van de gemeente Roden werden opgemeten door A. C. Meijer, landmeter van de Eerste Klasse.

In het register werd bijgehouden in welke gemeente en sectie het genummerde perceel zich bevond en wie de desbetreffende eigenaar was. Ook werd vermeld wat zijn of haar beroep was, de woonplaats en het artikelnummer (persoonlijk nummer van de eigenaar) en wat voor soort eigendom het was, de inhoudsgrootte. Daarnaast stond het kadastraal en belastbaar inkomen er ook bij vermeld.

De Kadastrale kaart uit het jaar 1832 waarop de genummerde percelen van de eigenaren op de Körtakkers zijn ingetekend. De veldnamen staan sporadisch op deze kaarten ingevuld. (Bron: Drents Archief)

De eerste eigenaar die wij tegenkomen op Körtakkers is de van oorsprong uit Eemster (Dwingeloo) afkomstige landbouwer Willem Bloemberg en Cons.. Althans, Willem was in naam aanwezig daar hij al op maandag 12 februari was overleden. De op zondag 12 september 1762 in Diever geboren Bloemberg was op de vrijdag 27 augustus 1802 in ondertrouw en twee weken later op zondag 12 september 1802 in het huwelijk getreden met de weduwe Geesje Fredriks Zantinge te Roden. Geesje was gedoopt zondag 23 november 1766 te Diever en overleed op zondag 24 augustus 1823 in Eemster, Dwingeloo op 56-jarige leeftijd.

De band die Willem had met het dorp Roden ging verder dan dat hij er in het jaar 1802 gehuwd was. Een dochter uit een vorig huwelijk van Geesje was ruim twee jaar tevoren met de uit Roden afkomstige Hinderikus Kriethe getrouwd. Hij  werd overigens in het doop- en trouwboek van Diever Hendericus Krijthea uit Rhoon genoemd. Hinderikus trad op donderdag 6 februari 1800 met Geesje Zantinge in Diever in ondertrouw en op zondag 9 maart 1800 in Roden in het huwelijk. Volgens het doop-, ondertrouw en trouwboek van Roden heette de dame nu Geesjen Zantinge uit Eemse (Eemster). Lang heeft het huwelijk niet mogen duren, op zaterdag 18 juli 1801 kwam de beste man te overlijden op 43-jarige leeftijd aan wat destijds ‘teering’ werd genoemd, een benaming voor tuberculose.

De vermoedelijke Consorten van Willem in 1832 zullen zijn zoon Jan Willems Bloemberg (1805 – 1838) en wellicht de weduwe Geesje van Hinderikus en dochter van Geesje Fredriks Zantinge geweest zijn. De afkorting Cons. betekende Consorten, dat voor deelgenoten staat. De percelen die zij in bezit hadden bestonden uit bouwland (I-711, I-712, I-713, I-745, I-751, I-764 en I-778), weiland (I-743) en het perceel I-753 dat uit hakbosch bestond. De negen percelen, die op de onderstaande afbeelding een iets donkergrijze kleur hebben, bedroegen een totale oppervlakte van zo’n 8020 vierkante meter. (Bron: Drents Archief)

De volgende eigenaar van drie percelen bouwland (I-714, I-715 en I-755) op de Körtakkers in het jaar 1832 en een perceel dat uit hakbosch bestond (I-752) was volgens het Kadaster Jannus Winsing uit Roden.  Eigenlijk was het perceel hakbosch in het bezit van Jannus Winsing en cons.. Waarschijnlijk deelde Jannes dit perceel met zijn zwagers. De uit Roden afkomstige landbouwer Jannes Hindriks Winsingh was geboren zaterdag 29 december 1759 te Roden en overleden op zondag 10 april 1842 in Roden 82 jaar oud. De toen veertigjarige Jannes trouwde op zondag 22 juni 1800 met Hinderkien Floris Aukema, geboren op woensdag 10 mei 1775 te Roden en overleden op maandag 16 juni 1856 in Roden, 81 jaar oud. Hinderkien was de jongste dochter van Floris Aukema en zijn tweede vrouw, Lammechien Roelofs Smeenk. Het echtpaar Winsingh woonde destijds in 1830 aan het Zuideinde 153. De vier percelen zijn het donkerst grijs ingekleurd en hadden een oppervlakte van 1,228 hectare. (Bron: Drents Archief)

Het licht grijs ingekleurde perceel bouwland I-716 op de onderstaande afbeelding en dat 3140 m2 groot was, behoorde toe aan aan een man die men in register van het Kadaster Jan Arends Oosterhuis noemde. Het gebeurde wel vaker dat namen verkeerd werden opgeschreven vanwege slecht verstaanbaarheid, een onleesbaar handschrift of een eigen interpretatie door de desbetreffende ambtenaar. De achternaam van Jan Arends Oosterhuis moet eigenlijk Oosterling zijn. Timmerman Jan Arends Oosterling was op zondag 23 oktober 1785 getrouwd geweest met Grietje Jans, die op donderdag 21 juni 1804 op 43-jarige leeftijd overleed. Jan trad op zaterdag 24 mei 1806 in ondertrouw met Jantje (Jantien) Pieters. Hij overleed precies 17 jaren later na Grietje Jans op dinsdag 21 juni 1831, 74 jaar en 3 maanden oud. Jantje sloot haar ogen voor altijd op woensdag 19 juni 1839 66 jaar oud. Het gezin woonde in 1830 aan het Oosteinde 193. (Bron: Drents Archief)

Het eerste gedeelte van de plattegrond van de Körtakkers uit 1832 met de percelen van Willem Bloemberg en Cons., Jannus Winsing en Jan Arends Oosterling.

De volgende drie percelen op de onderstaande afbeelding, weiland (I-742) en bouwland (I-744 en I-749) met een totale oppervlakte van 0,74 hectare waren het eigendom van de Kindren van Floris Aukema. Eigenlijk een raar gegeven dat de kinderen van een overleden persoon als eigenaar worden aangeduid. De drie kinderen van de inmiddels overleden landbouwer Floris Egberts Aukema, Eeffien Floris (Zulthe, 14 augustus 1821), Egbert Floris (Zulthe, 6 augustus 1822), Annechien Floris (Zulthe, 3 april 1824) waren nog te jong om de goederen van hun vader te bestieren en daarom nam een voogd hun taken waar.

De op de zaterdag 17 januari in Leutingewolde geboren zoon van Egbert Aukema, Floris Egberts Aukema, huwde op 19-jarige leeftijd in Roden met de op zondag 20 november 1796 te Roderwolde geboren Aaltien Roelfs Boer (Weering) (Aeltie Roelfs Wering). Floris overleed op woensdag 26 maart 1828 te Leutingewolde, op de nog jonge leeftijd van 26 jaar en 9 maanden. Zijn vrouw Aaltien overleed op dinsdag 12 juli 1842 45 jaar oud. Het gezin woonde in Leutingewolde op nummer 95. (Bron: Stamboom Aukema 1)

De volgende eigenaar van twee percelen was de weduwe van Lambert Oortwijn uit Langelo, Frouwkje Stratingh. De in Langelo op zondag 2 mei 1751 gedoopte landbouwer Lambert Oortwijn trouwde, 58 jaar oud, op zaterdag 21 oktober 1809 met de 32 jaren jongere Frouwkje Stratingh uit Norg. Frouwje werd gedoopt op zondag 14 september 1783. Op woensdag 23 oktober 1822 om drie uur ‘s nachts verwisselde Lambert het tijdelijke met het eeuwige en werd Frouwkje eigenaar van zijn bezittingen, waaronder de twee percelen bouwland, I-746 en I-760, samen 1840 vierkante meter groot. Op zondag 7 december 1862 om half tien ’s avonds sloot zij op 79-jarige leeftijd voor het laatst haar ogen in Norg. (Bron: dtb Norg).

Drie percelen bouwland (I-747, I-761 en I-771) met een oppervlakte van 0,786 hectare waren in het bezit van de landbouwer Geert Klaassens van der Oor, geboren januari 1780 in Roden en overleden op zondag 31 januari 1864 te Roden 84 jaar oud. Hij had een relatie met Freerkien Harms, geboren 1756 in Hoogkerk en overleden op woensdag 3 juni 1846 te Roden, 90 jaar oud. (Bron: Drents Archief)

Ook de weduwe van brouwer en logementhouder Thyle Geerts Krijthe, de uit Oostfriesland afkomstige Berendje Voget bezat een perceel bouwland met het nummer I-748 en een grootte van 1920 vierkante meter. Herbergier Thyle, werd ook wel als Thijle geschreven, werd op de regenachtige zondag 8 november 1761 in het mooie dorp Roden geboren en trouwde op vrijdag 10 augustus 1798 met zijn geliefde Berendje Voget in de Oosfriese plaats Jemgum. Jemgum was de geboorteplaats van Berendje waar zij op dinsdag 23 augustus 1763 voor het eerst het levenslicht zag. Op vrijdag 23 januari 1818 overleed de 56-jarige Thijle en liet Berendje met hun bezittingen achter. Berendje, die herbergiersche van beroep was, overleed op zaterdag 20 november 1841 net zoals haar geliefde man, in Roden. Het logement van Krijthe bevond zich aan het Zuideinde met het nummer 165. (Bron: Drents Archief)

Het tweede gedeelte van de plattegrond van de Körtakkers uit 1832 met de percelen van de Kindren van Floris Aukema, weduwe Lambert Oortwijn, Geert Klaassens van der Oor en de weduwe van Thyle Geerts Krijthe.

De volgende perceeleigenaar met een stukje bouwland van 880 vierkante meter en het nummer I-750 was de Jacob Hendrik Koopman uit Roden, die koopman als beroep had. Jacob Hindriks of Hindk zoals hij ook wel genoemd werd en die op woensdag 29 juni 1768 in Eelde geboren was, trouwde hij op 57-jarige leeftijd op dinsdag 30 mei 1826 in Roden met Jantien Jacobs Lodewijks. De toen 35-jarige Jantien Jacobs kwam uit Roden waar zij op maandag 10 januari 1791 geboren was. Jacob Hindriks maakte niet meer mee dat zijn eigendom in het register van ’t Kadaster in 1832 werd opgenomen; hij overleed op donderdag 3 februari 1831 in Roden, 62 jaar en 8 maand oud. Jantien Jacobs overleed 61 jaar en 2 maand oud te Haren op vrijdag 28 maart 1862. Jacob Hindriks en Jantien Jacobs woonden aan het West en Noordeinde 206. (Bron: Drents Archief)

Ook de weduwe Trientje Jans van Gasteren van de Roner bakker Roelof Pieters Deodatus had een perceel bouwland met het nummer I-754 in haar bezit. Het 1320 vierkante meter groot perceel was na zondag 11 april 1830 haar eigendom nadat de op zondag 15 december 1765 in Roden gedoopte Roelof Pieters het brood bakken voor gezien hield en zijn ogen sloot. Hij was 64 jaar en 4 maand oud geworden. Trientje Jans die zowel in Anloo geboren was en aldaar op zondag 9 februari 1772 gedoopt werd, overleed op 76-jarige leeftijd op zaterdag 11 maart 1848 te Roden. Het echtpaar woonden aan het Zuideinde nummer 16. (Bron: Drents Archief)

Met zo’n 1, 586 hectare aan bouwland op de Körtakkers verdeeld over vijf percelen (I-759, I-772, I-774, I-775 en I-777) was de landbouwer Jan Aukema uit Luttingewolde (Leutingewolde) een grote boer in het gebied. De op dinsdag 2 juni te Leutingewolde geboren en inmiddels 39 jaar oud zoon van Floris Aukema en zwager van de eerder genoemde Jannes Winsingh, was op vrijdag 21 juni 1811 in Roden met Eltien Jans Arends getrouwd, die geboren was in november 1780 te Roden. Jan overleed op woensdag 20 september 1849 op 78-jarige leeftijd, Eltien Jans was hem al eerder voor gegaan, zij overleed op donderdag 25 november 1841, 61 jaar oud. Het echtpaar woonde in 1832 in Leutingewolde met het nummer 98. (Bron: Stamboom Aukema 1)

De Kosterij van de hervormde kerk in Roden bezat ook enkele percelen bouwgrond op de Körtakkers. De drie percelen, I-762, I-776 en I-780, waren goed voor 4690 vierkante meter. Waarschijnlijk verbouwde de koster hier voedsel voor onder andere zichzelf, de predikant Jodocus Henricus Reddingius en de armen binnen de gemeente.

Het derde gedeelte van de plattegrond van de Körtakkers uit 1832 met de percelen van Jacob Hendrik Koopman, weduwe Roelof Pieters Deodatus, Jan Aukema en de Kosterij.

Het perceel bouwland met het nummer I-763 en een oppervlakte van 610 meter behoorde in 1832 toe aan de in Lieveren op zaterdag 3 oktober 1789 geboren arbeider Klaas Jans Ananias. Ananias was op woensdag 28 mei 1817 in Roden met de 19-jarige dienstmaagd Aaltje Tjipkes Scheepstra, geboren te Roden op vrijdag 24 november 1797 in Roden, getrouwd. Klaas Jans overleed 75 jaar en 11 maand oud op donderdag 10 september 1863 in Roden. Aaltien overleed op zondag 22 maart 1874 te Roden, zij was toen 76 jaar en 4 maand oud. Het echtpaar Ananias woonde aan het West en Noordeinde 227. (Bron: Drents Archief)

Theodoris Hubers (Theodorus Huberts), geboren op zaterdag 2 oktober 1756  te Peize en overleden op zaterdag 16 april 1836 en was gehuwd op 18 mei 1783 in Roden met Geertien Sikkens, gedoopt zondag 22 mei 1757 in Lieveren en overleden te Roden op donderdag 4 mei 1826. De weduwnaar Huberts woonde in 1830 in het Oosteinde te Roden op nummer 196. Theodorus was naast landbouwer ook schoenmaker. Het 1400 vierkante meter groot perceel bouwland met het nummer I-770 behoorde hem toe. (Bron: Drents Archief)

De uit Roden afkomstige landbouwer Jan Lamberts Beuving werd geboren op woensdag 21 oktober 1789 te Roden. Beuving bezat een perceel bouwland van 1330 vierkante meter groot op de Körtakkers met het kadastraal nummer I-773. Hij trouwde op  27-jarige leeftijd op zaterdag 14 juni 1817 te Norg met Jacobje Jans Hofman, 23 jaar oud, geboren op donderdag 21 november 1793 te Norg. Het echtpaar Beuving woonde aan het West en Noordeinde 225. Jan Lamberts overleed op zondag 6 september 1863 te Roden, Jacobje Jans sloot op zaterdag 8 juli 1871 voor het laatst haar ogen. (Bron: Drents Archief)

De twee laatste percelen op de Körtakkers, I-779 en I-783, samen 1,404 hectare groot, behoorden toe aan de landbouwer Jan Sikkens Rademaker, die aan het Oosteinde 168 in in her zeer bekoorlijke Roden woonde. Rademaker die ook wel Jan Sikkes of Jan Sikken genoemd werd, kwam op maandag 29 december 1788 in Roden ter wereld. Jan Sikkes werd verliefd op de in april 1782 te Nietap geboren Aaltje Roelfs Weeman, die op dat moment in Niebert woonachtig was. Den 21 van Grasmaand 1809, 21 april 1809, komen wij de twee jonge mensen tegen in het ondertrouwboek van de gemeente Roden tegen. Op 19 mei 1809 lezen wij het volgende over de twee vanuit Nuis:

Dat de huwelijks geboden tusschen Jan Sikken Rademaker van Roden en Aaltje Roelfs Weeman van ’t Niebert, alhier drie agtereenvolgende Zondagen zijn afgekondigt, zonder enige tusschen komende verhinderingen; zo dat bovengem. personen dezen aangaande in den huwelijken staat bevestigt mogen worden, getuigt mits dezen de ondertekende bij gebrek van Zegel op ongezegeld papier zullende dit gebrek door een omslag Zegel van 10 st. verholpen worden. Gegeven te Nuis den 19 Maai 1809. G.J. Piënius, Pred: ter plaats.”

Het echtpaar woonde aan het Oosteinde 168 te Roden. Jan Sikkes overleed op 52-jarige leeftijd op zondag 21 februari 1841. Zijn echtgenote Aaltje Roelfs is overleden op donderdag 18 maart 1858 in Roden 76 jaar oud. (Bron: Drents Archief)

Het vierde gedeelte van de plattegrond van de Körtakkers uit 1832 met de percelen van Klaas Jans Ananias, Theodoris Hubers, Jan Lamberts Beuving en Jan Sikkens Rademaker.

Na het jaar 1832 verschenen er eigenlijk pas rond 1860 nieuw Kadastrale kaarten van het gebied op de Zulteresch. Dit gold echter niet voor topografische kaarten van de omgeving van het esgehucht de Zulte. Niet de kaarten er gedetailleerder op werden, maar in grote lijnen volgen ze wel de vele veranderingen die zich in de negentiende eeuw voordeden.

De omgeving van de Zulte op een kaart uit die uit 1845 stamt. Ook op deze topografische kaart zijn nog bossen te zien (donkergroene vlakken) en heet de Roonder Bitse nu Schipsloot. (Bron kaart: Historisch en Geografisch Informatiesysteem)

Op de volgende kaart vervaardigd door de tekenaar H. Baggelaar van het Kadaster ten behoeve van de schatting van percelen voor de herziening van de belastbare opbrengst van ongebouwde eigendommen, lijkt er maar weinig veranderd op de Körtakkers. Waarschijnlijk is het overgrote gedeelte gewoon van de kaart 1832 overgenomen. De nieuwe kaarten moesten worden gemaakt en dit kwam door een herziening van de belastbare opbrengst der ongebouwde eigendommen (wet van 25 april 1879, Staatsblad no. 89).

De Körtakkers op een zogenaamde schattingskaart vervaardigd door de tekenaars van het Kadaster ten behoeve van de schatting van percelen voor de herziening van de belastbare opbrengst van ongebouwde eigendommen. De kaart geeft waarschijnlijk de situatie tussen 1860 en 1880 weer. De tekenaar was destijds H. Baggelaar. (Bron: Drents Archief)

Aan het begin van de twintigste eeuw werden oude zandwegen zoals de huidige Zulthereschweg belangrijker en ontstond er langs deze zandwegen woningbouw. Vooral de drie markante woningen aan een zandpad die nu een weg is en de Hulst heet, zijn nog steeds duidelijk aanwezig en vormen een ideaal markeringspunt in het onderzoeken van het gebied op de voormalige Zulteresch. Dit is goed op de onderstaande foto te zien.

De drie huizen van respectievelijk Ruiter, van Zanten en Siegers (van links naar rechts) aan de huidige de Hulst rond 1959/1960. Onderaan de foto zijn nog de bouwlanden van de Körtakkers zichtbaar. (Bron: Drents Archief)

Vanaf de jaren vijftig in de twintigste eeuw neemt de woningbouw grote sprongen en verdwijnen de bouwlanden op de Körtakkers in een gestaag tempo. De Kadastrale kaarten werden door de ambtenaren van de gemeente gebruikt om de nieuwe woningen in te tekenen en heetten nu Netteplan.

Het gebied waar zich de Körtakkers bevonden op een Netteplan die van oorsprong uit mei 1879 stamt en waarin later aanpassingen zijn aangebracht toen in de jaren vijftig van de vorige eeuw de woningbouw hier toenam. (Bron: Drents Archief)

Op 17 mei 1958 verschijnt er een artikel in het Nieuwsblad van het Noorden dat er 42 koopwoningen aan de Zulteresweg gebouwd gaan worden door de firma N.V. Drebo, het aannemersbedrijf dat dezelfde directie heeft als de N.V. Jarino uit Roden. De architect van de woningen is de heer D. Lautenbach uit Leek. Zo verschijnen er in 1959/1958 dus 42 huizen in drie hofjes aan de huidige Zulthereschweg.

De bouw van de woningen aan de Acacialaan en de Lindelaan in de Bomenbuurt van Roden aan het begin van de jaren zestig. (Bron: Drents Archief)

Enkele jaren komen wij in het Nieuwsblad van het Noorden van 13 april 1963 een opmerkelijke advertentie tegen van de eerder genoemde Roner bouwfirma Jarino: “DE 1000Ste IN RODEN. Vandaag is de DUIZENDSTE na de oorlog in Roden gebouwde woning aan de LINDELAAN no. 50 officieel geopend. Wij nodigen u gaarne uit voor een gratis bezichtiging tussen 16 april en 10 mei aanstaande. Architect: D Lautenbach, Leek. Woninginrichting: Rijpma, Roden. Electriciteit: Gebr. Bijlsma, Rottevalle. Benewgas: Smeding, Sebaldeburen. Complete bouw: Jarino-Roden Telefoon 05908 – 9233 ’s avonds 05945 – 2474, 05908 – 9273

De 1000ste woning in Roden na de oorlog gebouwd. (Bron: Nieuwsblad van het Noorden van 13 april 1963, blad 21.)

Het is een drukte van belang op de Zulteresch tijdens de jaren zestig van de twintigste eeuw. Huizen en wegen schieten als paddenstoelen uit de grond. Zijn de huizen aan het begin van de jaren 60 nog van een degelijke kwaliteit, na 1966 worden er op de plaats waar de Körtakkers eens lag, goedkope woningen geplaatst die meer weg hadden van bouwpakketten dan van huizen; de zogenaamde Hako-woningen.

De woningen aan de Lindelaan op een oude ansichtkaart. (Bron: Lautenbach.name)

Aan het einde van de jaren zestig was er nog maar weinig over van de oorspronkelijke Zulteresch en de daarop gelegen Körtakkers. Het gebied ten noorden van de voormalige bouwlanden bleef nog jaren gespaard en was tot aan de aanleg van de rondweg Noordholt en het woonboulevard Westeresch een baken van de oude landbouw die hier had plaatsgevonden.

Rond de tijd dat de huizen aan Acacialaan en de Lindelaan werden gebouwd, stonden er ook al woningen aan de Esdoornstraat. (Bron: Drents Archief)

Het is pas de laatste jaren dat er bij bijvoorbeeld het bouwen van een huis etc. naar archeologische sporen worden gezocht in de ondergrond. Niet dat ik de ik een illusie dat men destijds bij het bouwen op de plaats van de Körtakkers iets zou hebben gevonden. Maar het idee dat er wellicht heel oude sporen uit de prehistorie van bewerkte akkers naar boven waren gekomen houdt mij wel stiekem bezig.

Het Netteplan met de titel Roden I 7 van 27 januari 1987 met de bebouwing op de plaats waar in het verleden de Körtakkers lagen. (Bron: Drents Archief)

Tap en Winkel-Neering langs de Leekster Dyk

In het jaar 1789 kondigden zich belangrijke gebeurtenissen aan ten noordwesten van de Zulte. Niet alleen het huwelijk tussen Willem de Lille en Arend Sloet’s weduwe Johanna Philippina van Dedem op vier januari 1789, waardoor de Lille heer en meester werd op Huize Ter Heyl, maar ook een grote aanbesteding in de maand oktober van dat jaar zorgde voor reuring in de omgeving.

Een gedeelte van een kaart die de situatie rond 1781 in de omgeving van het Noord-Drentse dorp Roden weergeeft. De Zulte wordt nog als ‘de Sult’ op de kaart aangegeven.

In de twee grootste kranten van dat moment, de Groninger Courant en de Leeuwarder Saturdagse Courant, verschenen er bekendmaakingen met de mededeling dat de goedkoopste aannemer zich kon verheugen op een flinke portie werk voor de komende winter. De aanbesteding zou op vrijdag 30 oktober van dat jaar plaatsvinden bij Huize Ter Heyl. De advertentie in de Groninger Courant verscheen eerst in de editie van dinsdag 13 oktober er werd nogmaals geplaatst in de uitgave van dinsdag 20 oktober. De Leeuwarder Saturdagse Courant plaatste de advertentie in de editie van zaterdag 17 oktober in een licht afwijkende versie.

De advertentie van de aanbesteding in Groninger Courant No. 82, Dingsdag Den 13 October 1789, tweede blad. Te Groningen by A.S. Hoitsema in de Oude Boteringe Straat.

‘Op den 30 October 1789, zal op ’t HUIS TER HEYL by de Nientap, aan de minste aannemende besteed worden, diverse Aardwerk, als het uitgraven en verdiepen van eenige honderd Roeden Hoofddiep en wyken, het aanleggen van nieuwe Cingels, Graaven van Slooten, Aardwenden en wat dies meer is, alles bekwaam Winterwerk , volgens Bestek kan aldaar 8 dagen bevorens te zien.’

De afwijkende tekst in de Leeuwarder Saturdagse Courant No. 1942, van Den 17 october 1789, negende blad. Te Leeuwarden by de Erven van A. Ferwerda in de Slotmakers-Straat, staat hieronder.

‘Op den 30 October 1789, zal op ’t Huis ter Heyl by de Nyentap, aan de minstaannemende besteed worden: Diverse AARDWERK, als het uitgraven en verdiepen van eenige Hondert Roeden Hoofd-diep en wyken, het Aanleggen van Nieuwe Zingels, Graven van Slooten, Aardwenden en wat dies meer is, alles bekwaam Winterwerk volgens bestekken, aldaar 8 dagen voor af te zien.’

Het werk bestond onder andere uit aardwerk, zoals het uitgraven en verdiepen van enkele honderden roeden Hoofddiep en wijken (zijkanalen in een verveningsgebied). Of er sprake was van de Groninger roede die uit 14 voet bestond en een lengte bezat van 4,12 meter of dat de Steenwijker roede gebruikt werd, die 16 voet groot (4,7 m) was, durf ik niet te zeggen. Maar het lijkt mij logisch dat de Steenwijker roede werd toegepast, daar deze alom werd aangezien als de veenmaat in Drenthe. Naast het bovengenoemde onderhoud aan de waterwegen, bestond het werk ook uit het aanleggen van nieuwe singels, sloten en andere voorkomende werkzaamheden.

De huidige Toutenburgsingel richting het oosten gezien in de herfst van het jaar 2018. Op de achtergrond is de boerderij te zien, die halverwege de negentiende eeuw op de plaats van de herberg is gebouwd.

Een andere ingrijpende gebeurtenis aan het einde van dat jaar was dat er niet alleen een singel vanaf Huize Ter Heyl richting de Leekster Dyk (de weg tussen Rhoden en Nientap, de huidige J. P. Santeeweg) werd aangelegd, maar er begonnen zich ook bouwactiviteiten  te ontplooien aan de oostelijke zijde. Met het afbraakmateriaal van het huis Toutenburg dat zich destijds in Vollenhove (Overijssel) bevond, liet Willem de Lille een gebouw oprichten dat de naam ‘Tautenborg’ kreeg.


Zo zou de net gebouwde herberg annex winkel ‘Tautenborg’ er aan het begin van het jaar 1790 uit hebben kunnen zien. De breedte van het gebouw was ongeveer acht meter, de lengte bedroeg zo’n 12 meter en de hoogte zal ruim vijf meter geweest zijn.

Het gebouw, dat ongeveer aan het einde van de maand maart 1790 gereed was, kreeg de functie van zowel herberg en kroeg als een winkel. De ligging van het gebouw was zeker goed gekozen daar deze aan de weg tussen Roden en Nietap lag een gunstige plaats was om bijvoorbeeld de paarden van onder andere koetsen te verzorgen.

Enkele driedimensionale impressies van de herberg ‘Tautenburg’. Natuurlijk het blijft speculeren hoe het gebouw er daadwerkelijk uit heeft gezien, daar er geen afbeeldingen of een bouwtekening van de herberg hebben of nog bestaan.

Maar ondanks het vele speculeren over het uiterlijk van het gebouw, kunnen we vandaag de dag het een en ander aan de hand van oude sporen in de bodem reconstrueren tot een mooi plaatje. Toch het mooiste en duidelijkste bewijs van het oude gebouw zou de indrukwekkende kelder kunnen zijn, die in de voor de achttiende typerende bouwwijze is aangelegd. Op de onderstaande afbeelding is een impressie te zien van hoe het geweest zou kunnen zijn.

Met een klein beetje fantasie zou de herberg met de prachtige kelder er zo hebben uit gezien rond 1790.

De kelder die uitblinkt door de prachtige oude tegels, die rood/oranje en grijszwart gekleurd zijn, is waarschijnlijk aangelegd door vaklieden. Of het lokale arbeiders waren die goedkoper waren, of juist vakmensen (mijn vermoeden), zal altijd wel een raadsel blijven. Maar dat hier een puik stukje werk uit het einde van de achttiende eeuw ligt, moge duidelijk zijn.

Op de afbeelding zijn zowel de prachtige vloer- en wandtegels te zien als de forse muren. (De bovenstaande foto is gemaakt en geplaatst met de uitdrukkelijke toestemming van de eigenaar van het pand.)

Maar goed, de herberg met tap en winkelnering was inmiddels gereed voor gebruik. Hiervoor moest De Lille iemand aantrekken die het beroep van herbergier en kastelein kon en niet onbelangrijk, deze klus wilde vervullen. Om iemand voor het werk te vinden toog De Lille in april 1790 naar de Oude Boteringestraat in de stad Groningen, om bij boekdrukker A.S. Hoitsema een advertentie te laten plaatsten.

De advertentie van Willem de Lille in de Groninger Courant No. 32, Dingsdag Den 20 April 1790, tweede blad. Te Groningen by A.S. Hoitsema in de Oude Boteringe Straat.

Naast boekdrukker was Hoitsema ook uitgever van de Groninger Courant, de krant waar in de editie van 20 april 1790 op het tweede blad een oproep verscheen met het verzoek of iemand genegen was, om de Tap en Winkel-Neering plus de herberg te bestieren. De prachtig gelegen herberg bezat onder andere stallen, singels en een visvijver. Belangstellenden konden zich melden bij de opzichter van Huize Ter Heyl J. L. Lange. Twee weken later verscheen er in de editie van vier mei 1790 de advertentie nogmaals.

‘Iemand genegen zynde op voordeelige Conditien uit de Hand te Huuren, een zeer logeabele, voor Tap en Winkel-Neering wel gelegene Herberg, TAUTENBORG genaamt, met Stallinge, Hof en Veldgrond, Cingels en Vischvyver, alles nieuw getimmerd en aangelegd tusschen de Nientap en Rhoden in de Landschap DRENTHE, te aanvaarden op, May of November 1790, kan zig addresseeren op den Huize Ter HEIL, en aldaar aan de Opzigter J. L. LANGE. ‘

De prachtige ligging van de herberg rond 1790 aan het grote heideveld en naast een groot bos ten noorden van het esgehucht de Zulte.

De herberg werd dan ook als zodanig de volgende zestien jaar gebruikt. De vele verkopingen die in die jaren rondom het landgoed plaatsvonden, werden doorgaans op het terrein van Huize Ter Heyl of in de kroeg van Marten Harmens Vroom, de Druif, plaats. Zoals de onderstaande advertentie in de Groninger Courant van dinsdag 22 juni 1790 met een aanbesteding die het jaar ervoor nog op Huize Ter Heyl plaatsvond:

‘Op WOENSDAG den 30 Juny 1790, zal men ten Huize van de Kastelein MARTEN VROOM op de Nientap, des nademiddags te drie uuren, besteden het Graven van eenige honderd Roeden Vaart, boven het Sevenhuister Hoofddiep, en verder Aardwerk, waar van de Bestekken te zien op den Huize Ter Heyl.’

Zo komen wij negen jaren later in de Groninger Courant van dinsdag 1 januari 1799 een advertentie tegen waarin veel hout te koop aangeboden werd: 

‘Uit de hand te Koop een groote quantiteit gekapt Elzen en Berken Hout van verschillende dikte en geschikt tot Paalen, Balksleeten, Hopstaaken, Bonestokken, Erfte, en Bezemrys, Takkenbossen, alsmede Korvemakers Twyg op TER HEYL by de Nietap.’

De omgeving van Huize Ter Heyl aan het begin van de negentiende eeuw, waar de vele bossen, veen, vijvers en weilanden het gezicht van het gebied wisten te bepalen.

Na de schaapsscheerderskou van het jaar 1805, laat de Lille schapen uit zijn kudde en de wol afkomstig van de dieren verkopen op Huize Ter Heyl. Waarschijnlijk het laatste jaar dat dit evenement in Ter Heyl plaatvond, daar in het volgend jaar deze plaats  had nabij de herberg. De advertentie die verscheen in de Ommelander Courant van dinsdag 11 juni 1805, komen wij de onderstaande tekst tegen, die de Lille waarschijnlijk ook een jaar later enigszins aangepast weer gebruikte:

‘Uit de hand, Stukswyze en by de Party, te Koop een aantal Vachten of Vliezen uitmuntende witte WOLLE; door vermenging van inlandsche Ooyen met SPAANSCHE Rammen verfynd: Als ook een Jaarige Ram, en ondersscheydene Ram lammeren uit egt SPAANSCH Ras, van de eerste tot de vyfde generatie; geschikt tot voortteeling, en tot verfyning der inlandsche WOLLE; Benevens nog eenige Ooyen, en Ooy – lammeren desgelyks uit SPAANSCH Ras: Wie daar voor liefhebbery heeft, of gading in maakt vervoege zig van nu af aan op den Huyze TER HEYL, en aldaar by Albert Roelofs:  Die het eerste komt gaat het eerst in de keur. ZEGT H E T VOORT.’

De advertentie zoals deze verscheen in het jaar 1805 op het voorblad van de Ommelander Courant No. 47 van Dingsdag den 11 Juny.

Het was ook rond deze tijd er ook veranderingen begonnen op te treden in de toenmalige Nederlandse spelling en de schrijfwijze. Het zogenaamde Nieuwnederlands dat in 1804 dankzij Matthijs Siegenbeek zijn invoering kende en er voor moest zorgen, dat de spelling de beschaafde Hollandse uitspraak van het woord moest weergeven; de Spelling-Siegenbeek.

Dat een eenduidige schrijfwijze nodig was, blijkt wel uit de onderstaande advertenties welke verschenen de drie regionale kranten die in de omgeving van de Zulte werden gepubliceerd. Het was niet dat men zich direct aan de voorstellen van Siegenbeek ging houden, nee verre van dat, dit zou pas geschieden in de jaren tachtig van de negentiende eeuw.

Het evenement dat op vrijdag 30 mei 1806 zou worden gehouden bij de herberg Toutenborg (of ‘Touterborg’ zoals de Ommelander Courant de herberg noemde). De eerste advertentie komen wij tegen in de Ommelander Courant van vrijdag 23 mei 1806, de volgende komt uit de Leeuwarder Courant die zaterdag 24 mei 1806 verscheen en de laatste werd in de Groninger Courant van dinsdag 27 mei van dat jaar geplaatst.

De advertentie die een jaar later verscheen in de Ommelander Courant No. 41, Vrydag den 23 May 1806, tweede blad. Te Groningen ter Boekdrukkery der Ommelanden, onder firma van Leonard Bolt.

‘Op Vrydag den 30sten Mey 1806. des namiddags te 2 uuren praecies zal in de Herberg Touterborg onder TER HEYL aan de Leeksterdyk tussen de Leek en Roden stukswyze aan de meestbiedende worden Verkogt een Koppel van tussen de 60 á 70 Schaapen met derzelver Vachten, alle geteeld uit egt SPAANSCH RAS, bestaande uit 20 Melk-Ooijen, ten hoogsten een, twee, of driemaal geschooren, met derzelver 30 zo Ram als Ooijlammeren, en 14 Guste Enterooijen, met een Jaarige Ram, meerendeels gebragt tot den hoogsten graad van verfijning der Wolle, en zynde alle gezond, en wel gevoed. De Liefhebbers van de Schaapeteelt en Wol-verfyning daar in gading makende vervoegen zig op tyd en plaats voorschreeven, en koopen hun genoegen !’

Leeuwarder Courant No. 2808, van Saturdag den 24sten May 1806, zevende blad. Te Leeuwarden by de Erven van A. Ferwerda, op de Eewal.

‘Op Vrydag den 30sten Mey 1806. des nademiddags te 2 uuren praecies zal in de Herberg Touterborg onder TER HEYL aan de Leeksterdyk tussen de Leek en Roden stukswyze aan de Meestbiedende worden Verkogt; een Koppel van tussen de 6o á 70 SCHAAPEN met derzelver VACHTEN, alle geteeld uit egt SPAANSCH RAS, bestaande in 20 Melk Ooyen, ten hoogsten één, twee á driemaal geschooren, met derzelver 30 zo Ram als Ooylammeren, en 14 Guste Enter Ooyen, met een Jaarige Ram; meerendeels gebragt tot den hoogsten graad van verfijning der Wolle, en zynde alle gezond, en wel gevoed. De Liefhebbers van de Schaapeteelt en Wol-verfyning daar in gading makende, vervoegen zig op tyd en plaatse voorschreeven, en Koopen hun genoegen.’

De advertentie in de Groninger Courant No. 42, Dingsdag den 27 May 1806, tweede blad. Te Groningen by A.S. Hoitsema, Drukker der Groninger Courant in de Oude Boteringe Straat.

‘Op Vrydag den 30sten May 1806 des namiddags te 2 uuren precis, zal in de Herberg Toutenborg onder TER HEYL aan de Leeksterdyk, tussen de Leek en Roden stukswyze aan de meest biedende worden verkogt: Een koppel van tussen de 6o en 70 Schaapen met derzelver Vachten, alle geteeld uit egt SPAANSCH RAS, bestaande uit 20 Melk ooyen, ten hoogsten een, twee, of drie maal geschoooren, met derzelver 30 zo Ram als ooylammeren, en 14 Guste Enterooyen met een jarige Ram; meerendeels gebragt tot den hoogsten graad van verfyning der Wolle, en zynde alle gezond en wel gegevoed. De Liefhebbers van de Schapeteelt en wolverfyning, daar in gading maakende vervoegen zig op tyd en plaats voorschreeven, en koopen hun genoegen.’

Waarschijnlijk was het evenement slechts een eenmalige gebeurtenis daar er niets meer over te vinden is in de latere jaren. Pas in het jaar 1810 komen we de herberg tegen in de regionale dagbladen. In de omgeving van het esgehucht de Zulte maakten aan het einde van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw eigenlijk maar twee mensen de dienst uit. Deze mensen, Floris Aukema bezat veel grond in de directe omgeving van het gehucht, en Willem de Lille, die ten noorden en in het westen grond in eigendom had.

Op de oude Franse legerkaart van 1810/1811 is goed te zien dat er veel bossen (geel gekleurd op de kaart) ten noorden van het brinkgehucht de Zulte stonden.

Naast dat er in het gebied rondom de Zulte veel drassige, natte gebieden en een kleine beek voorkwamen, waren de vele en grote bossen een ander kenmerk van het gebied. Bossen hadden grondbezitters niet veel aan; er viel niets aan te verdienen want niemand wilde ze pachten. Pas later in de achttiende eeuw kwam het besef dat er geld viel te verdienen aan het hout en als het bos was gekapt, kon er pacht worden geïnd.

Het hout dat nu veel waarde bezat, werd tijdens een veilig per ‘afslag bij afmijning’ verkocht. Deed Aukema dit bij de boerderij van Harm Vogelsang, de Lille zijn erfgenamen deden dit bij de herberg Toutenborg, waar kastelein Hendrik Caspers met de scepter zwaaide.

De advertentie die respectievelijk op vrijdag 2, dinsdag 6 en vrijdag 9 november 1810 in de Groninger Courant verscheen. (Te Groningen by A.S. Hoitsema, Drukker der Groninger Courant in de Oude Boteringe Straat.)

‘Men is voornemens op Maandag den 12 November 1810, aan de meestbiedende op Boelgoeds-Conditien te verkopen: Eene aanzienelyke kwantiteit EIKEN STAMBOOMEN, waar onder geschikt voor Molenmakers, Wagenmakers en Scheepstimmerlieden, inzonderheid tot Palissaden, Gordingen en allerhande Timmerhout, als mede diverze SCHELBOSSCHEN, alle staande in de Bosschen en op de Boeren Plaatsen onder den Huize Ter Heyl behorende, in ‘t Schoutampt van Rhoden, wie nader berigt en aanwyzinge begeerd, kan zich vervoegen by de Castelein HENDRIK CASPERS op Toutenborg, zullende de verkoping beginnen des voormiddags te 9 uuren.  Z E G T H E T V O O R T. ‘

Vanzelfsprekend zou je haast gaan zeggen, komen wij de advertentie ook tegen in de Ommelander Courant. Eigenlijk verschilt deze maar weinig van die uit de Groninger Courant, maar toch zit er een wezenlijk verschil in. Vanaf maandag 9 juli 1810 hield het koninkrijk Holland op te bestaan en behoorde ons land tot het Frans Keizerrijk. Naast dat de Franse taal een nadrukkelijke stempel kreeg, immers wij maakten nu deel uit van Frankrijk, was een deel van de bevolking die terug ging naar oude Nederlandse benamingen van de maanden en waren geïnspireerd door de Franse republikeinse kalender. November werd nu door bijvoorbeeld Ommelander Courant ‘Slagtmaand’ genoemd.

De advertentie zoals deze in edities No. 89 en No. 90 van dinsdag 6 november en vrijdag 9 november 1810 in de Ommelander Courant werden geplaatst. (Te Groningen, by M. Van Heyningen Bosch, in de Oude Ebbinge-straat.)

‘Men is voornemens op Maandag den 12 van Slagtmaand 1810, aan de meestbiedende. op Boelgoeds-Conditien te verkoopen: Eene aanzienelyke kwantiteit EIKEN STAMBOOMEN, waar onder geschikt voor Molenmakers, Wagenmakers en Scheepstimmerlieden, inzonderheid tot Palissaden, Gordingen en allerhande Timmerhout, als mede diverze SCHELBOSSCHEN, alle staande in de Bosschen en op de Boeren Plaatsen onder den Huize Ter Heyl behorende, in ‘t Schoutampt van Rhoden, wie nader berigt en aanwyzinge begeerd, kan zich vervoegen by de Castelein HENDRIK CASPER op Toutenborg, zullende de verkoping beginnen des voormiddags te 9 uren.  Z E G T   H E T  V O O R T.’

De hierboven genoemde Hendrik Caspers heette eigenlijk Hindrik Caspers Denkella en was zesenvijftig jaar oud. De in november 1754 te Zuidhorn geboren en op de zondag 8 december van dat jaar gedoopte Hindrik trouwde op zaterdag 1 januari van het jaar 1785 in Midwolde met de op donderdag 23 augustus 1764 in Roden geboren Elisabet Everdina Arnoldus. Het echtpaar woonde met hun zeven kinderen in het huis waarin ook het etablissement gevestigd was. Naast kastelein vervulde Hindrik Caspers ook de taak als opzichter in dienst van de eigenaren van Huize Ter Heijl. Hindrik overleed donderdag 20 januari 1842 in Terheijl op 87 jarige leeftijd, zestien jaren later dan zijn vrouw.

Niet alleen publieke verkopen vonden rond die tijd plaats in de herberg, ook verkopen tussen Cornelis Reijntjes die als gevolmachtigde van J.P. van Dedem douairière de Lille optrad, werden hier besloten. Johanna Philippina van Dedem tot den Gelder mocht zich douairière noemen, daar zij de weduwe van een edelman (haar eerste echtgenoot Arend baron Sloet tot Tweenijenhuizen was van adel) was. Reijntjes tekende op dinsdag 19 februari 1811 in Huise Tautenburg een koopbrief in opdracht een aantal percelen in gebruik onder beklemming van de 74 jaren oude en inmiddels in Leutingewolde wonende keuter en weduwnaar Cornelis Jacobs. Jacobs overleed enkele maanden later op maandag 15 juli 1811.

Ruim een maand later, op vrijdag 22 maart 1811, wordt de bovenstaande overdracht geregeld tussen Cornelis Reijntjes en Mr. G.W. van der Feltz provinciaal gekwalificeerd tot het waarnemen van de functie van notaris, aan wie de volmacht van Cornelis Jacobs  aan de uit Leutingewolde afkomstige Otte Kornelis overhandigd was, in Toutenborg onder Zulte.

Enkele weken later, in het begin van de maand maart 1811, komen wij de herberg Toutenburg weer tegen. Of zou de herberg nu in het Frans als ‘Auberge Toutenburg’ genoemd worden? Niet zo’n rare gedachte, want wij zijn inmiddels een deel van het grote Franse keizerrijk geworden en de couranten in de omgeving noemen zichzelf al ‘Gazette’.

De Ommelander Courant die door M. Van Heyningen Bosch in de Oude Ebbinge-straat te Groningen werd uitgegeven, prijkte ‘Gazette D’Ommelande’ op de voorpagina en was tweetalig. De linker kolom was in de Franse taal, de rechter in het Nederlands. Althans op de voorpagina, de andere pagina’s waren nog steeds in het Nederlands.

Op zowel vrijdag 1 maart als dinsdag 5 maart 1811 komen wij in de Gazette D’Ommelande wederom een advertentie tegen, waarin wederom een aanzienlijke hoeveelheid hout op de domeinen van Huize Ter Heyl te koop wordt aangeboden.

Gazette D’Ommelande No. 18, Vendredi le 1 Mars 1811/Ommelander Courant No. 18, Vrydag den 1 Maart 1811, tweede blad. Te Groningen, by M. Van Heyningen Bosch, in de Oude Ebbinge-straat.

‘Men is voornemens op Zaturdag den 9 Maart 1811, dus voordemiddags te 9 uren, aan de meestbiedende op Boelgoeds Conditien te laten Verkoopen: Eene aanzienlyke kwantiteit DENNEN, ELZEN en BERKEN HOUT, liggen de alles gekapt op de Cingels en Plantagien van den Huize Ter Heyl, in het Schout-Ambt van Rhoden, digt by het Water, kunnende gemakkelyk naar elders worden getransporteerd; zeer geschikt voor alle Timmerlieden, Pompemakers enz. Wie nader berigt en aanwyzing begeerd, kan zich vervoegen by den Kastelein HENDRIK CASPERS, op Toutenburg.’

Rond deze tijd waren de advertenties in zowel de Gazette D’Ommelande als in de Gazette De Groningue (Groninger Courant) vrijwel identiek aan elkaar en zou het invoegen van de advertentie niets toevoegen. Deze verschenen op vrijdag 1 maart, dinsdag 5 maart en vrijdag 8 maart 1811.

In het Advertentieblad van het departement van de Wester-Eems No. 34, Donderdag den 24 October 1811, komen wij op het hoofdblad een aantal advertenties van de weduwe van Willem de Lille tegen. Het zijn de laatste berichten uit de negentiende eeuw waarin de herberg werd genoemd.

Advertentieblad van het departement van de Wester-Eems No. 34, Donderdag den 24 October 1811. Te Groningen, by M. Van Heyningen Bosch, in de Oude Ebbinge-straat, Redacteur en Drukker der beide Nieuwspapieren in het departement van de Wester-Eems. De prijs van ieder nummer is 4 duiten.

‘De ondergetekende is voornemens op Dingsdag den 5 November 1811, des voormiddags te 10 uren, door Mr. M. S. GRATAMA Keizerlyk Notaris te Assen, publiek aan de meestbiedende op de gewoone Conditien te doen verkoopen; Diverse aanzienlyke percelen EIKEN SCHELBOSSCHEN, staande in de Bosschen en Plantagien van den Huize Ter Heil, in de Gemeente van Rhoden, Canton Assen, en naby het water gelegen. Wie nader berigt en aanwyzinge begeerd, kan zich vervoegen by den Kastelein HENDRIK CASPERS op Toutenborg. J. P. van DEDEM, Douairière DE LILLE.’

‘De ondergetekende is voornemens op Donderdag den 7 November 1811 des voormiddags te 9 uren, publiek aan de meestbiedende op de gewoone Conditien te laten verkoopen: Een aantal EIKEN en ESSCHEN STAMBOOMEN, als mede diverse aanzienelyke percelen EIKEN SCHELBOSSCHEN, staande op de Ter Heilsche Boeren Plaatsen op de Zevenhuizen, Canton Hoofdplaats de Leek, digt by het water, kunnende gemakkelyk na elders worden getransporteert; wie nader berigt en aanwyzinge begeerd, kan zich vervoegen by den Kastelein HENDRIK CASPERS op Toutenborg. J. P. van DEDEM, Douairière DE LILLE.’

Kadastrale kaart van de Gemeente Roden. Sectie I, genaamd de Zulte, derde blad, 1832. Opgemeten door A. C. Meijer, Landmeter der Eerste Klasse.

Op de Kadastrale kaart van de Gemeente Roden, Sectie I, de Zulte, derde blad, komen wij de herberg tegen met de naam ‘Stouten-burg’. Het was inmiddels de zoveelste naam voor het gebouw dat in het midden van de negentiende eeuw werd gesloopt.

Nummer 100; Sporten in de Zulte.

Toen rond het midden van de jaren negentig in de vorige eeuw de Noordenveldhal plaats moest maken voor woningbouw, verdween er niet alleen een oud gebouw, maar ook een stukje cultuur voor veel Roners. Immers, wie ouder is dan een jaar of 25 en destijds in Roden woonde, heeft hier gesport, rondgehangen of iets anders beleefd.

De Noordenveldhal in betere tijden.

Rond het einde van de jaren zestig in de twintigste eeuw groeide het dorp Roden als kool. Door de vele fabrieken die zich in en rondom het dorp vestigden, kwamen veel mensen die hier kwamen te werken met hun gezinnen te wonen. Hierdoor nam ook het aantal kinderen toe op de aanwezige lagere scholen, die spoedig uit hun voegen zouden barsten. Naast nieuwe scholen bleek er ook behoefte te bestaan aan een grote sporthal binnen het dorp. Dit bleek de honderdste sporthal van ons land te zijn.

Dat de Noordenveldhal de honderdste sporthal van ons land werd, bleef dan ook niet onopgemerkt en vele regionale en landelijke kranten besteden dan hier ook aandacht aan. En soms met een klein beetje geluk tref je nog iemand aan, die bij de feestelijke opening aanwezig was.

In de krant Trouw werd op vrijdag 6 december 1968 aandacht besteed aan het feit, dat de sporthal in Roden, de honderdste sporthal van Nederland zou gaan worden.

Het lawaai van hamers die met volle kracht op het metalen casco werden geslagen, bepaalden voor een groot deel van de zomeravonden van het jaar 1968 het geluid dat te horen was in de wijde omgeving van de Zulte. Menigeen die destijds nog een kind was en hier in de omgeving woonde, zal zeker met moeite in slaap zijn gevallen door het lawaai, dat door de arbeiders werd veroorzaakt. Een jaar eerder, na het besluit in oktober 1967 om de sporthal te gaan bouwen, had het gemeente bestuur van de toenmalige gemeente Roden besloten, dat de aanbesteding van de nog te bouwen sporthal door middel van een advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden bekend werd gemaakt.

De openbare aanbesteding van de toenmalige gemeente Roden zoals deze in het Nieuwsblad van het Noorden op vrijdag 3 november 1967 verscheen.

Maar zoals het betaamd voor, tijdens of na redelijk grote besluiten in de gemeenteraad van het dorp Roden, ontstond er weer een ‘relletje’ en kon het voorkomen dat de gemoederen hoog opliepen. Er werd dan ook niet door de een of de andere geschuwd om zijn gelijk te halen via een ingezonden stuk bij een krant. Hieronder is een ingezonden stuk te lezen dat zaterdag 4 november 1967 in de rubriek ‘Het woord is aan de lezer’ van het Nieuwsblad van het Noorden verscheen.

Maar goed, ondanks het gekissebis op de achtergrond loopt het project als een trein en in tegenstelling tot vandaag, blijkt zelfs dat de aanleg van de sporthal maar liefst vijftigduizend gulden goedkoper uitvalt dan verwacht. Heden ten dage is dit al een fors bedrag, maar zeker zo’n 51 jaar geleden was dit een zeer grote meevaller.

Nieuwsblad van het Noorden zaterdag 20 januari 1968.

In het jaar 1968 werd er dan ook daadwerkelijk met de bouw van de sporthal begonnen in de Zulte naast de boerderij van Job Diek, zoals de veehouder J. Dijk door de inheemse bevolking genoemd werd. Iets oostelijk van de bouwplaats bevond zich de kleuterschool ’t Wilgekatje en de bouwactiviteiten die hier plaatsvonden, zullen menig kleuter betoverd hebben.

Artikel uit het Nieuwsblad van het Noorden dat zaterdag 29 juni 1968 in de krant verscheen, waarvan de bijgaande tekst als volgt luidde: De nieuwe sporthal in Roden staat er momenteel nog wat magertjes bij: men kan zijn ribben tellen! Maar dat zal niet zo lang meer duren, want dit najaar zal de hal klaar voor gebruik zijn. Links op deze luchtfoto ziet men de kleuterschool ’t Wilgekatje, dan de Lijsterbesstraat van links onder naar midden boven. Rechts op de foto de boerderij van de heer J. Dijk. Van links midden naar rechts onder loopt de Cederlaan. Geheel in de hoek rechts beneden ziet men nog net iets van de bomen langs de Leeksterweg. Boven aan de foto een deel van de bebouwing in het uitbreidingsplan Zulthe 11. („AF OPHOTO EELDE” foto Conens).

Op zaterdag 21 december 1968 was het dan zover. De nieuwe sporthal heet nu de Noordenveld-hal en werd die zaterdag feestelijk geopend, waarbij menig inwoner van Roden aanwezig was. Het artikel dat in het Nieuwsblad van het Noorden verscheen, staat in zijn geheel hieronder.

Afbeelding van de Noordenveld-hal uit het Nieuwsblad van het Noorden van maandag 23 december 1968.

Noordenveld-hal in Roden de 100ste.

Sporthallen volgen elkaar nu steeds sneller op.

(Van één onzer verslaggevers)

Met vliegend vaandel en slaande trom heeft Roden zaterdag de Noordenveldhal als 100ste sporthal in Nederland in gebruik genomen. Zaterdagmiddag volgde Oegstgeest met de 101ste hal. Staatssecrearis mr. H. J. van de Poel riep in Roden het muziekkorps binnen door een druk op de bel na zijn rede, waarin hij zich verheugde over de steeds snellere opeenvolging der sporthallen in ons land. Van de 100 nu in gebruik zijnde hallen werden er 76 de laatste drie jaar gerealiseerd; de eerste 24 hallen kwamen in 12 jaar tot stand.

Staatssecretaris Van de Poel wees er op, dat de Nederlandse weersomstandigheden onmiskenbaar hun stempel op de sportbeoefening drukken. Zo dreigt veldhandbal geheel te verdwijnen ten bate van zaalhandbal, terwijl ook andere zaalsporten snel opkomen. Tien jaar geleden telde ons land een miljoen georganiseerde sportbeoefenaars, nu meer dan twee miljoen. Verheugend achtte mr. Van de Poel het daarbij, dat nu ook de ouderen meer en meer aan sport gaan doen, waarbij hij verband De nieuwe sporthal legde met de opkomst der zaalsporten.

Nieuwsblad van het Noorden van maandag 23 december 1968.

125 200 300

Lange tijd heeft men in Nederland de behoefte aan sporthallen op circa 125 gesteld (één per 100.000 inwoners). Nu dit cijfer over enige maanden bereikt zal zijn, wordt de behoefte al geraamd op tenminste 200. Voor een iets verdere toekomst kwam de staatssecretaris tot een prognose van 350 sporthallen in Nederland. Burgemeester M. Bushoff van Roden, die talloze gasten had te verwelkomen, filosofeerde in zijn inleidend woord over de verhouding tussen sport en cultuur de eeuwen door, van de oude Grieken via de Romeinen en de middeleeuwen tot in onze tijd toe. Hij deed dit, omdat Roden binnenkort ook het cultureel centrum Winsinghof zal openen. Hij kwam tot de conclusie, dat we dankbaar moeten zijn te leven in deze tijd, waarin meer dan ooit kan worden tegemoetgekomen aan de wensen van verschillende categorieën onder de bevolking en waarin aan zoveel aspecten van de samenleving kan worden gewerkt.

Nieuwsblad van het Noorden van maandag 23 december 1968.

Kosten 1.132.268.

De Noordenveld-hal heeft een obstakelvrije hoogte van zeven meter en een speelveld van 28 bij 48 meter, waarop velden zijn uitgezet voor volleybal (3—4), basketbal (2—3), badminton (5—9), zaalhockey, zaalvoetbal, zaal- handbal, microkorfbal (elk één veld), tennis (3—4). Boven de kleedkamers is een vaste tribune voor 600 bezoekers, die met demontabele tribunes tot 1000 zitplaatsen is uit te breiden. Het restaurant met uitzicht op de speelvelden biedt plaats aan 80 bezoekers. Bij de bouw is rekening gehouden met gebruik van het geheel voor exposities en congressen. De totale bouwkosten beliepen inclusief grond, parkeerterrein en dergelijke 1132.268.—, waarin de Nederlandse Sportfederatie een subsidie van 75.000.— uit de toto-pot gaf, waarvan 50.000.— fonds perdu en 25.000.— als renteloos voorschot gedurende 20 jaar. Jhr. mr. A. Feith, voorzitter van de NSF, kwam deze bijdrage zaterdag symbolisch aanbieden. De architectuur van de Noordenveld- hal was van de Dienst Gemeentewerken te Roden. De bouw van de hal begon maart van dit jaar. Hoofdaannemer was Siersma’s Bouwbedrijf uit Tolbert, dat mede namens de andere bouwers, zaterdag een scorebord aanbood. De plaatselijke verenigingen zorgden bij monde van de heer Vos voor een klok.

Nieuwsblad van het Noorden van maandag 23 december 1968.

Enkele jaren later, in het jaar 1971, komen we een bericht in de krant tegen, waarin duidelijk wordt hoe de toenmalige wethouder van Roden Y. de Boer (Gemeente Belangen), de beheerder-exploitant van de hal de heer Jager op een niet zo’n nette wijze buitenspel heeft gezet.

Het artikel dat op vrijdag 29 oktober 1971 in het Nieuwsblad van het Noorden gepubliceerd werd.

Aan het eind van het jaar 1971 komen wij een artikel in het Nieuwsblad van het Noorden tegen, waarin de heer Jager zijn weerwoord kan vertellen. En niet zo verwonderlijk komen wij een term als ‘vriendjespolitiek’ tegen. Iets wat in het verleden samen met het behartigen van de eigen belangen, in de ogen van een groot aantal inwoners van het dorp Roden aan een aantal wethouders is blijven kleven.

Nieuwsblad van het Noorden, Woensdag 29 december 1971.