De Germanen arriveren in de Zulte.

Het is niet geheel bekend wanneer de eerste brinken in de omgeving van het dorp Roden zijn ontstaan, maar waarschijnlijk verschenen de eerste brinkachtige nederzettingen in de tijd van de oude Germanen, de periode tussen 500 en 700 na Christus. Het is niet onvoorstelbaar dat de brink van het esgehucht de Zulte rond die tijd ontstaan is en sindsdien verder is ontwikkeld. De vondst van restanten van een boerderij nabij de es Kostverloren, waarvan één van de archeologen schat dat deze uit het jaar 800 na Christus stamt, geeft aan dat er vlakbij de brink al boerenactiviteiten plaats hebben gevonden. 

Op zo’n 60 centimeter diepte werden door archeologen sporen gevonden van een boerderij die uit de periode 800 na Christus schijnt te stammen. De sporen zijn duidelijk zichtbaar in het lichte zand.

Doordat het gebied rondom het esgehucht de Zulte zich aan het einde van het Drents Plateau bevindt, zal dit op de nieuwe bewoners een grote aantrekkingskracht hebben gehad om hier te blijven. De sporen van de laatste ijstijden, het Saalien (238.000 tot 126.000 jaren geleden) en het Weichselien (116 tot 11,7 duizend jaar geleden), hadden er hiervoor gezorgd dat het gebied deels met een redelijk vruchtbaar leemhoudende bodem was bedekt. Daarnaast hadden zich op de oplopende heuvels enorm grote bossen gevormd en waren er op de lagergelegen delen uitgestrekte heidevelden ontstaan. 

Op deze afbeelding zijn de sporen van de oude boerderij ook goed zichtbaar in het gele zand. Waarschijnlijk zal er hier een groot heideveld met enkele bossen hebben gelegen toen de boerderij gebouwd werd. Van de zeer intensieve landbouw tijdens de twintigste eeuw was er toen natuurlijk geen sprake.

De omgeving van het oude esgehucht zag er dus destijds heel anders uit dan vandaag de dag het geval is en het is amper nog voor te stellen hoe het hier zo’n 1500 jaren geleden uit heeft gezien. De nabijheid van de redelijk open ruimten tussen de bossen, de vruchtbare grond en de aanwezigheid van een kleine beek, zorgden dus voor een grote aantrekkelijkheid voor de Germanen die hier aankwamen. Ze hoefden hier geen strijd te voeren of land te veroveren, maar arriveerden hier als rustige nederzetters om hier te gaan wonen en werken. 

Zo zou het er in de periode 500 tot 700 na Christus in de Zulte hebben uit kunnen zien. De eerste Germaanse boeren die met hun gezin hier voorzichtig een nederzetting waren begonnen. Het is vandaag de dag nog amper voor te stellen hoe het hier in die tijd er moet hebben gezien (afbeelding: Bloeitijd boeren in Twente en Achterhoek door samenwerking (https://www.tubantia.nl/overig/bloeitijd-boeren-in-twente-en-achterhoek-door-samenwerking~a2dbd3df/).

Waarschijnlijk zal de omgeving ten oosten van de plaats waar de brink ontstond niet ideaal geweest zijn om een nederzetting te bouwen. In die tijd was het Groot Noordholt een enorm groot oerbos van tientallen vierkante kilometers waar onder andere wolven en beren voorkwamen, niet de meest vriendelijke buren die je destijds als boer kon wensen, waardoor de vroege bewoners genoodzaakt waren om op plaatsen te gaan wonen waar men zich en hun dieren tegen deze rovers kon verweren. Nee, dan was één van de bosranden van de kleinere bossen nabij de beek een geschikte plaats om enkele hutten in onregelmatige groepen van elkaar neer te zetten en zoiets van een vroege brink te vormen. 

Een mooi voorbeeld van hoe de boerderijen van de Germaanse boeren er destijds uit zou hebben kunnen zien op de plaats waar de brink eens werd gevormd (bron: http://preken.mobi/ ).

Het ontstaan van de brink, een ruimte van agrarische oorsprong dat bij het typische esdorpenlandschap hoort, gebeurde min of meer doordat er een vorm van bebouwing omheen plaatsvond. Deze ruimte, ook wel brinkruimte genoemd, kon tal van functies bezitten die van plaats tot plaats verschilde van een sociale ontmoetingsplek tot bijvoorbeeld een verzamelplaats voor het vee. Daarnaast werden er op veel brinkruimten eiken aangeplant voor het leveren van hout en eikels voor de varkens. 

Met een klein beetje fantasie had de vroege brink er in de laat-Germaanse tijd er zo uit kunnen zien. Het blijft vanzelfsprekend slechts een vermoeden van hoe het een en ander eruit zag, maar geheel onwaarschijnlijk is dit toch niet (afbeelding: Archeologie op de Kaart – Denekamp – Een Germaans dorp. (https://www.archeologieopdekaart.nl/).

Een ander en niet onbelangrijk aspect in de ontwikkeling van de vroege brink en de directe omgeving was toch wel de levensduur van een vroege boerderij. Onderhoud zoals wij dat heden ten dage kennen bestond nog niet en daardoor werd de houdbaarheid van een woning zeer beperkt. Vaak was het huis na zo’n dertig jaar volledig af en zakte het in elkaar. Doorgaans werd op de plaats naast de oude boerderij een nieuwe gebouwd met materialen onder andere afkomstig van de oude woning. De nieuwe materialen werden in de directe omgeving gewonnen in bijvoorbeeld de nabijgelegen bossen. 

Zo zag men een oud-Germaans huis in het midden van de twintigste eeuw zoals deze in de provincie Drenthe voorkwam. Waarschijnlijk mogen deze worden beschouwd als de voorlopers van het Saksische boerenhuis, dat zozeer het karakter van het latere Drentse esgehucht bepaalde. (afbeelding: Mr A. Klein – De Drentse dorpen 1948, J. A. Boom & Zoon Uitgevers Meppel. Pag. 47 illustratie van Y. S. Dijkstra).

Door de eeuwenlange redelijk geïsoleerde ligging van het zuiver agrarische esgehucht waar aanvankelijk niet anders dan een paar boeren woonden, zullen voor de nodige klussen ook gewoon boeren zich ingezet hebben. Beroepen zoals een smid of een timmerman zullen zij naast het boerenleven vervuld hebben. De Zulte was dan ook bij uitstek een boerengehucht. 

Vermoedelijk zal het aantal boerderijen rondom de vroege brink vrijwel hetzelfde geweest zijn en schommelde het zo rond de zes á zeven woningen waarin één of meer gezinnen woonden. Iets buiten de brink hebben ook de nodige boerderijen gestaan en zijn deze in de loop der tijd niet weer herbouwd. Sporen van oude boerderij uit de twaalfde eeuw zijn gevonden op het meest zuidelijke deel van de es Kostverloren. 

Restanten van een muur opgebouwd uit veldkeien in de grond van de es Kostverloren die uit de twaalfde eeuw zouden kunnen stammen. Links van de oude muur is de potklei duidelijk zichtbaar. Veel van deze veldkeien zullen de vroege boeren hier hebben verzameld. In de laag keileem die tijdens het Saalien door de gletsjers hier achtergelaten is, zaten zeer veel stenen waaronder dus de gebruikte veldkeien.

De eerste boeren arriveren in de Zulte.

Vanaf de periode die zo’n vijfduizend jaren voor het begin van de huidige jaartelling plaatsvond in de wijde omgeving van het voormalig esgehucht de Zulte tot grofweg enkele eeuwen later (4500 v.C.), deden zich gebeurtenissen voor die wij in een groot deel van Noord-Nederland konden aanschouwen. Enkele groepen van jagers en verzamelaars trokken in kleine groepen van gemiddeld zo’n 25 personen, door het gebied dat wij nu als het noordwesten van de provincie Drenthe kennen. 

In tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt, jaagden ook de vrouwen bij de jagers en verzamelaars mee voordat zij zich gingen vestigen als de eerste boeren. Vaak gebruikt men het argument dat de mannen fysiek veel sterker zouden zijn dan de vrouwen. Recent onderzoek verwerpt dit idee (bron). (Afbeelding: Geschenk der Gletscher – Wie die Eiszeiten Europa formten https://www.ndr.de/fernsehen/programm/epg/Geschenk-der-Gletscher-Wie-die-Eiszeiten-Europa-formten,sendung1499796.html#:~:text=Vor%20etwa%20450.000%20Jahren%20wurde,nicht%20denkbar%20ohne%20die%20Eiszeiten Donnerstag, 26. Dezember 2024).

De oorzaak dat een groep van jagers/verzamelaars uit ongeveer 25 personen bestond had een reden. Men gaat ervanuit dat het aanbod van voedsel dat verzameld werd, vrij beperkt was en men daardoor niet voldoende verzameld kon worden om een grotere groep van eten te voorzien. Het was dan ook één van de redenen dat de groep na verloop van tijd verder trok naar voedselrijkere gebieden. 

Nadat de jagers/verzamelaars zich gevestigd hadden als de eerste boeren in de Zulte, begonnen ze met het ontwikkelen en daarna het verbouwen van eetbare granen. Ook voor de vrouwen was nu een andere rol binnen de groep weggelegd en door het veranderen van de rol begon ook de populatie van de groep te groeien. (Afbeelding: Geschenk der Gletscher – Wie die Eiszeiten Europa formten https://www.ndr.de/fernsehen/programm/epg/Geschenk-der-Gletscher-Wie-die-Eiszeiten-Europa-formten,sendung1499796.html#:~:text=Vor%20etwa%20450.000%20Jahren%20wurde,nicht%20denkbar%20ohne%20die%20Eiszeiten Donnerstag, 26. Dezember 2024).

Niet alleen voor de moderne mens, die nog als jager en verzamelaar rondtrok in grote delen van ons land, stonden er zeer grote veranderingen te wachten, ook het gebied en het klimaat zou het een en ander ondergaan. Door het geleidelijk oplopen van de temperatuur en de toename van de vochtigheid steeg het waterpeil en liep niet alleen het Noordzeebekken vol water, maar nam de veenvorming in de hoger geleden delen van onze provincie destijds enorm toe. 

Het waren de tijden dat de moderne mens zijn overlevingsstrategie drastisch ging veranderen van het in groepen gaan jagen en verzamelen naar het overgaan om door middel van akkerbouw en het houden van vee om aan voedsel te geraken. In de loop der tijd ondervond men welke grassoorten met kon gaan verbouwen om graan te verkrijgen en het proces van het domesticeren van dieren zoals runderen voor voedsel zodat men niet meer hoefde te jagen om aan vlees te komen, zorgde voor de nodige zekerheid. 

Naast dat de overlevingsstrategie grondig veranderde door een andere levensstijl, maar ook onderging het menselijk lichaam de nodige veranderingen. Doordat de moderne mens nu niet meer voldoende vitamine D3 of cholecalciferol (C27H44O) meer binnenkreeg zoals dit tijdens de jacht gebeurde, begon de huidskleur van de mens lichter worden om uit ultraviolette stralen vitamine D3 via het zonlicht te kunnen produceren. 

Het zaaien van de eerste granen ging natuurlijk niet zoals men dat vandaag de dag doet. Nee, het voorbereiden voor het zaaien had nogal wat voeten in de aarde. Eerst diende de grond goed losgemaakt te worden waarna de vroegere boer er lange, smalle regels door de losgemaakte bodem trok om de zaden te kunnen planten (Afbeeldingen: Geschenk der Gletscher – Wie die Eiszeiten Europa formten https://www.ndr.de/fernsehen/programm/epg/Geschenk-der-Gletscher-Wie-die-Eiszeiten-Europa-formten,sendung1499796.html#:~:text=Vor%20etwa%20450.000%20Jahren%20wurde,nicht%20denkbar%20ohne%20die%20Eiszeiten Donnerstag, 26. Dezember 2024).

Een ander gevolg van het veranderen van een rondtrekkend bestaan naar een vaste woongemeenschap, was toch wel de vrij snelle stijging van de populatie. De veehouderij bleek een goede zet daar de jacht niet voldoende voedsel zou gaan opleveren om alle monden te kunnen voeden. Nu bestaat er geen weg meer terug voor de moderne mens naar het oude bestaan als jager/verzamelaar in de wijde omgeving van de Zulte. 

Als het graan rijp genoeg was, werd het door de boer met een sikkelvormig mes geoogst en daarna werden de zaden verzameld (Afbeelding: Geschenk der Gletscher – Wie die Eiszeiten Europa formten https://www.ndr.de/fernsehen/programm/epg/Geschenk-der-Gletscher-Wie-die-Eiszeiten-Europa-formten,sendung1499796.html#:~:text=Vor%20etwa%20450.000%20Jahren%20wurde,nicht%20denkbar%20ohne%20die%20Eiszeiten Donnerstag, 26. Dezember 2024).

Giganten in de Zulte.

Met een luide, ijzige kreet stortte het grote lijf op de grond, zuchtte diep en na een paar stuiptrekkingen, verstijfde het gigantisch lichaam en zou nooit weer bewegen. Heel snel stortten de groep jagende neanderthalers (Homo neanderthalensis) zich op het nog warme karkas van een zo juist gedode Europese bosolifant (Palaeoloxodon antiquus), die de pech had om op de verkeerde tijd en de meest foute plaats zich te bevinden zo’n 400.000 jaren geleden tijdens een warmere periode in het geologisch tijdvak Holsteinien. 

Noord-Europa ruim 465 tot 418 duizend jaar geleden tijdens het glaciaal Elsterien, toen enorme ijsgletsjers grote stukken land bedekten met sneeuw en ijs (afbeelding: Geschenk der Gletscher – Wie die Eiszeiten Europa formten https://www.ndr.de/fernsehen/programm/epg/Geschenk-der-Gletscher-Wie-die-Eiszeiten-Europa-formten,sendung1499796.html#:~:text=Vor%20etwa%20450.000%20Jahren%20wurde,nicht%20denkbar%20ohne%20die%20Eiszeiten Donnerstag, 26. Dezember 2024).

Of dit tafereel ook in het gebied rondom de Zulte in het holsteinien ook plaatsgevonden heeft is vandaag de dag moeilijk te achterhalen. Het gebied zag er destijds heel anders uit dan heden ten dage en de sporen van een dergelijke slachtpartij zouden dan naar alle waarschijnlijkheid door de gletsjer tijdens de opvolgende ijstijd, het saalien, zo verstoord zijn dat er vrijwel niets van het gebeuren terug te vinden zal zijn. 

Maar toch is het niet geheel onvoorstelbaar dat de afstammelingen van één van grootste olifanten die ooit hebben geleefd op dit gedeelte van de wereld, hier in het gebied van de huidige Zulte voor zijn gekomen en bejaagd werden door onder andere de hier voorkomende neanderthalers. Dat er in het gebied nabij de es Kostverloren gereedschappen van vuursteen gebruikt zijn, blijkt uit de recente opgravingen die hier hebben plaatsgevonden in het kader van de geplande woningbouw. Het spreekt voor zich dat het hier gevonden vuurstenen gereedschap niet door de neanderthalers, maar naar alle waarschijnlijkheid door de moderne mens zo’n vijftigduizend jaren geleden is gemaakt. 

Een afbeelding van een Europese bosolifant of Euraziatische oude olifant (Palaeoloxodon antiquus, voorheen ook Elephas antiquus genoemd) zoals deze in het landschap voorkwam, dat later de Zulte zou gaan heten. (afbeelding: Geschenk der Gletscher – Wie die Eiszeiten Europa formten https://www.ndr.de/fernsehen/programm/epg/Geschenk-der-Gletscher-Wie-die-Eiszeiten-Europa-formten,sendung1499796.html#:~:text=Vor%20etwa%20450.000%20Jahren%20wurde,nicht%20denkbar%20ohne%20die%20Eiszeiten Donnerstag, 26. Dezember 2024).

Door zijn formaat, een mannelijk exemplaar van de Europese bosolifant ook wel stier genoemd, bezat een schouderhoogte van ongeveer 4,20 meter en kon wel 11 ton (11.000 kilo!) zwaar worden, waren het behoorlijke tegenstanders waar niet mee te spotten viel (1). Waarschijnlijk leefden de Europese bosolifanten in kuddes en trokken ze door de bosrijke gebieden in wat tegenwoordig Noord-Nederland heet. 

Sporen op botten van bosolifanten die ruim 150.000 jaar geleden werden gedood, tonen aan dat er met vuurstenen gereedschap vrijwel al het vet en vlees werd gehaald door middel van schrapen. Volgens wetenschappers kon het vlees van 1 olifant ongeveer honderd mensen een maandlang hebben kunnen voeden (2). Volgens de wetenschappers bestonden de groepen neanderthalers echter uit zo’n 25 personen en hadden deze drie tot vijf dagen nodig om het vlees van een dier te halen. Dat men op de botten van de olifanten vrijwel geen sporen heeft aangetroffen van aas-etende roofdieren laat zien dat ze grondig te werk gingen.  

Onderzoeker Sabine Gaudzinski-Windheuser (1,60 meter) naast een gereconstrueerde Euraziatische bosolifant. Beeld: Lutz Kindler/LEIZA (Afbeelding: Neanderthalers slachtten gigantische olifanten https://www.newscientist.nl/nieuws/neanderthalers-slachtten-gigantische-olifanten/).

Mochten er echter neanderthalers in het gebied op dieren hebben gejaagd met wapens die van lokaal gevonden vuurstenen waren vervaardigd, dan zal dit naar alle waarschijnlijkheid in de periode plaats hebben gevonden tussen het saalien (238.000 tot 126.000 jaar geleden) en het weichselien (116 tot 11,7 duizend jaar geleden). In enkele keileemlagen op sommige plaatsen in de Zulte zitten enorm veel vuurstenen. De vuurstenen die na het weichselien gevonden werden, waren zo door de zeer strenge vorst aangetast, dat deze vrijwel niet meer gebruikt konden worden. 

(1) Europäischer Waldelefant (https://de.wikipedia.org/wiki/Europ%C3%A4ischer_Waldelefant

(2) Clare Wilson – Neanderthalers slachtten gigantische olifanten (https://www.newscientist.nl/nieuws/neanderthalers-slachtten-gigantische-olifanten/

De Zulte in het woordenboek.

Toen de op donderdag 7 december 1792 te Amsterdam geboren heer Abraham Jacob van der Aa als Nederlandse letterkundige en lexicograaf in het jaar 1839 zich waagde aan zijn uitdaging om van alle plaatsen in het Nederlands koninkrijk het wetenswaardigste bijeen te brengen, kon hij niet bevroeden hoeveel plezier een aantal bewoners van het koninkrijk zou gaan bezorgen. Nou ja, het kleine gedeelte dat met enige regelmaat met zijn of haar neus in één van de veertien delen van het ‘Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden‘ zit te pluizen om de geschiedenis van een bepaalde plaats of gebeurtenis op te zoeken. 

Ondanks dat zijn 14-delig naslagwerk een goed beeld geeft van hoe het in het Nederland van het midden van de negentiende eeuw eruit moet hebben gezien, zonder de kaarten uit die periode blijft het soms toch behoorlijk gissen waar wat gelegen heeft, of juist niet! Weliswaar was de Kadastrale kaart die de situatie weergaf rond het jaar 1832 behoorlijk betrouwbaar, maar dit was echter eerder een uitzondering dan de regel. 

Op deze uitsnede van een kaart van de Provincie Groningen opgemaakt door. A. Smit van der Vegt, Landmeter bij het Kadaster in het jaar 1837, is in tegenstelling tot de kaarten van het Kadaster, te zien dat deze niet geheel correct was getekend. Zo ligt bijvoorbeeld de Westeinder Weg ten oosten van het dorp Roden, terwijl deze ten westen van Roden lag en naar het huidige dorp Nieuw-Roden liep (bron: Groninger Archieven. Kaart van de Provincie Groningen opgemaakt onder toezigt van G. Acker Stratingh, Med. Doctr. doorI. A. Smit van der Vegt, Landmeter bij het Kadaster, 1837.).

Desondanks dat de kaarten redelijk betrouwbaar waren en van der Aa verreweg de meeste plaatsen die hij beschrijft nooit heeft bezocht, blijft zijn naslagwerk een prachtige handleiding om het een en ander te weten te komen van het gebied in, rondom en ten noordwesten van het voormalig esgehucht de Zulte in de periode tussen de jaren 1839 tot en met 1851. 

Ook op deze uitsnede van de kaart van de Provincie Groningen opgemaakt door. A. Smit van der Vegt, Landmeter bij het Kadaster in het jaar 1837, wordt het stroompje de Zulter Bitse ineens de Winsumer sloot en komt het uit in het Leekstermeer in plaats van het Leekster Hoofddiep. (bron: Groninger Archieven. Kaart van de Provincie Groningen opgemaakt onder toezigt van G. Acker Stratingh, Med. Doctr. doorI. A. Smit van der Vegt, Landmeter bij het Kadaster, 1837.).

Zeker gezien in de tijdgeest van het midden van de negentiende eeuw en eigenlijk alleen de welgestelden, hogescholen en universiteiten zich het konden veroorloven om exemplaren van het Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden aan te schaffen, blijft het een prachtige reis door de tijd. 

Het spreekt voor zich om de alfabetische volgorde aan te houden en dan het eerste het beste artikel te gaan behandelen dat ook maar enigszins iets met de Zulte te maken heeft, maar op een of andere manier vind ik dat toch niet helemaal in het verhaaltje passen en begint het verhaal juist met het dertiende deel van het Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden uit 1851 waar we voormalig esgehucht ten noorden van het dorp Roden tegenkomen. 

Op pagina 329 in het dertiende deel van het Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden uit 1851 komen het voormalig esgehucht tegen. Vanzelfsprekend zonder de ‘h’ aan het eind van de naam die ergens in de jaren dertig van de vorige eeuw door een overijverige ambtenaar aan de naam werd toegevoegd (bron: Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, bijeengebragt door A. J. van der Aa, onder medewerking van eenige Vaderlandsche Geleerden. Dertiende deel. Z. Te Gorinchem, bij Jacobus Noordduyn. 1851. Pagina 329.).

Het voormalig esgehucht ligt volgens het boekwerk in het dingspil van Noordenveld, dat gelegen is in de provincie Drenthe. De Zulte bevindt zich op ruim 4 uren ten noordnoordwesten van de gemeente Assen en op 5 minuten loopafstand noordwestelijk van het dorp Roden. Het gebied dat tot de Zulte werd gerekend was ongeveer 13 hectare groot en er woonden volgens het Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden destijds 80 mensen.

Het in het boek genoemde aantal inwoners van de Zulte klopt vrij aardig, zeker gezien de gegevens die men destijds ter beschikking had. Het exacte aantal bewoners van het esgehucht was na de volkstelling in het jaar 1830 83 personen en tien jaar later bij de volgende volkstelling in 1840 zelfs 86 inwoners, zoals hierboven te zien is (bron: alledrenten.nl. Roden | Bevolkingsregister | 2001.21 | 2 | Gedigitaliseerde bevolkingsregisters van de voormalige gemeente Roden | Volkstelling, 1840).

In dit deel komen wij op pagina 329 naast de Zulte ook het Zultermeer tegen. Het Zultermeer, ook wel Sulte- of Sultermeer genoemd, is natuurlijk het huidige Leekstermeer. Het ondiepe en zeer visrijke meer dankt zijn oorspronkelijke naam aan de vlakke oevers die zeer drassig waren. Meer over het ontstaan en de naamgeving van het gebied kunt u in het artikel Sülte en het moeras’ lezen. 

(bron: Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, bijeengebragt door A. J. van der Aa, onder medewerking van eenige Vaderlandsche Geleerden. Dertiende deel. Z. Te Gorinchem, bij Jacobus Noordduyn. 1851. Pagina 329.).

Dat het Leekstermeer erg ondiep was en zeker voordat het meer geschikt werd gemaakt voor onder andere de pleziervaart, was mij al duidelijk na verhalen die mijn in de Zulte geboren grootvader mij vertelde. Hoe hij met passie vertelde dat hij als bengel aan het begin van de twintigste eeuw van de ene zijde naar de andere zijde van het meer liep, van zuid naar noord, en zijn haren niet nat had gekregen tijdens het lopen. 

De vermelding van het Sulte-meer op pagina 801 van het Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, Tiende deel S uit het jaar 1847 (bron: Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, bijeengebragt door A. J. van der Aa, onder medewerking van eenige Vaderlandsche Geleerden. Tiende deel. S. Te Gorinchem, bij Jacobus Noordduyn. 1847. Pagina 801.).

En als er over de effecten die de eb en vloed op de waterstand moeten hebben gehad volgens enkelen werd gesproken, schudde hij zijn hoofd en zei hij: “Die luu bent niet wies, bent dreumers!”. Van het effect van de zee, daar had hij nooit wat van vernomen, in al die jaren dat hij bij het Leekstermeer kwam. 

De beschrijving van het Leekstermeer in het zevende deel van het Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden. (bron: Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, bijeengebragt door A. J. van der Aa, onder medewerking van eenige Vaderlandsche Geleerden. Zevende deel. L. M. Te Gorinchem, bij Jacobus Noordduyn. 1845. Pagina 98.).

Een ander effect op het ontstaan van het huidige Leekstermeer was het beekje de Leeke, de Leke of de Lek, dat zijn oorsprong had iets onder het gehucht Terheijl, waar het op het toen immens groot natte heideveld ontsprong en het meer van water verzorgde. Later toen het Leekster Hoofddiep rond 1560 werd gegraven in opdracht van Wigbold van Ewsum jr., voor de afwatering en als vaarweg voor turfschepen, kwam deze grotendeels in de bedding van de Leeke te liggen. 

Een pagina eerder in het zevende deel van het Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden komen wij de vermelding van het beekje de Leeke tegen. (bron: Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, bijeengebragt door A. J. van der Aa, onder medewerking van eenige Vaderlandsche Geleerden. Zevende deel. L. M. Te Gorinchem, bij Jacobus Noordduyn. 1845. Pagina 97.).
Op de kaart van A. Smit van der Vegt uit 1837 heet de beek de Lek. (bron: Groninger Archieven. Kaart van de Provincie Groningen opgemaakt onder toezigt van G. Acker Stratingh, Med. Doctr. doorI. A. Smit van der Vegt, Landmeter bij het Kadaster, 1837.).

*Link: Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden Hier kunt alle 14 exemplaren van het Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden downloaden.

Appelen met peren vergelijken? 

Heel prominent staat een vruchtenboom aan de Zulthe naast de ingang naar het weiland richting de es Kostverloren tegenover de prachtige boerderij met de naam ‘Tilkamp’. Gezien het formaat en de plaats waar deze boom staat, zal het niemand verbazen dat wellicht in het verleden hier een afgekloven klokhuis terecht is gekomen nadat iemand zich tegoed had gedaan aan het vruchtvlees van de appel. 

De appelboom aan de slootkant langs het fietspad tussen Roden en Nietap. De boom staat naast de ingang van het weiland en tegenover de boerderij met de naam ‘Tilkamp’ aan de Zulthe. We kunnen er rustig vanuit gaan dat iemand hier het restant van een eetappel (Malus domestica) heeft heengeworpen na het nuttigen van de vrucht.

De boom, het betreft hier een appelboom waaraan vruchten met de naam ‘eetappel (Malus domestica)‘ verschijnen, laat zien dat het hier goed vertoeven is voor fruitbomen. Het is slechts één van vele manieren waarop in het verleden fruitbomen in het esgehucht de Zulte hier terecht kwamen en daarna aangetroffen konden worden. Een andere wijze om hier fruitbomen te krijgen was om de bomen aan te planten nabij de boerderijen of in de nabijgelegen houtwallen. 

Enkele heerlijk uitziende geelrode eetappelen aan de appelboom langs het fietspad aan de Zulte. De vruchten van deze mooie boom zijn fors van formaat en smaken overheerlijk.

De enkele vruchtboom bij het huis, de tuin of in de houtwal voldeed prima om te voorzien in de eigen behoefte en wat over was, werd geschonken aan anderen. Op de plaatsen waar de huizen, vaak boerderijen, redelijk dicht bij elkaar stonden, werd de erfgrens een stuk ruimer geïnterpreteerd en deelde met gevallen fruit zoals appelen en peren. Ook de hazelaar (Corylus avellana) was een veelvoorkomende leverancier van de heerlijke hazelnoten. De struiken stonden in bossen, bosranden, struwelen, houtwallen en hagen en ook al in de zestiende en de zeventiende eeuw wist men al in de Zulte dat deze vruchten lekker smaakten. 

Rond dezelfde tijd ontstonden er plaatsen in de gras- en weilanden in en rondom het esgehucht de Zulte, waar de eigenaren voorzichtig pogingen ondernam om daar enkele fruitbomen te gaan planten. Van echte boomgaarden zoals de monniken bij de buitenplaats in Terheijl hadden gehad, was natuurlijk geen sprake. Eveneens spraken de ‘vrumde miroakels‘ van de hoveniers, die gestimuleerd werden door hun opdrachtgevers om nieuwe rassen te kweken op het latere landgoed van huize Terheijl, daar niet tot de verbeelding. 

De bloesem aan een appelboom wacht op een hongerige bij of hommel die voor de bestuiving kan zorgen, zodat er een heerlijke appel gaat ontstaan. Het is zeer aannemelijk dat de eigenaren van de boomgaarden in de Zulte hier één of meerdere bijenvolken gehouden zullen hebben.

Maar toch bleken veel van de pogingen om fruitbomen zonder als te veel poespas in de landerijen te poten behoorlijk succesvol. Hier en daar werden enkele soorten appel- en perenrassen bij andere boeren of burgers uit bijvoorbeeld het Westerkwartier aangekocht. Zo rond het jaar 1700 zullen er al een aantal van deze zogenaamde fruit- of appelhofjes ontstaan zijn op de graslanden, waar het vee er nog gewoon tussen de fruitbomen kon grazen.

Waarschijnlijk zal, ondanks de gekochte fruitbomen, toch nog steeds het doel een schaduwrijke omgeving voor het vee geweest zijn dan het idee van zelfvoorziening. Onderhoud zal er amper aan de bomen geweest zijn en bij het oogsten zal het er zeker niet zachtzinnig aan toegegaan zijn. Er werd aan de fruitbomen geschud en met stokken tegen de takken aangeslagen waardoor de vruchten van de bomen vielen. Het spreekt voor zich dat de houdbaarheid van het gevallen en beschadigd fruit dat voor eigen consumptie diende, hierdoor behoorlijk afnam. 

Nog steeds bestaat de mogelijk dat je hier en daar een walnotenboom (Juglans regia) in de Zulte tegen kan komen in een tuin. Walnoten kwamen maar heel zelden voor in de boomgaarden die zich in de omgeving van het dorp Roden bevonden. De ongeveer 30 meter hoog wordende boom, ook wel notelaar genoemd, heeft een eigenschap waardoor de vroegere boer de graag bij huis wilde hebben; de vliegen en muggen hadden een afkeer van geurende bladeren van de boom.

In het midden van de achttiende eeuw waren de appelhofjes veranderd in heuse boomgaarden en deze werden middels houten vlechthekjes afgeschermd van het grazend vee. De boomgaarden bestonden voornamelijk uit appel, peren, pruimen en kersenbomen waarbij heel af en toe zelfs een walnotenboom (Juglans regia) voorkwam. In het esgehucht zelf konden we destijds met zekerheid drie boomgaarden aantreffen, twee bij boerderijen en één aan de brink. De vierde lag verder zuidelijk en bevond zich achter de boerderij van de familie Sinninge, die hier al een behoorlijk tijd op deze plaats verbleef.

De rijpe vruchten van de walnotenboom, de walnoten dus, werden doorgaans in de periode tussen de maanden september en november geoogst. Het oogsten van de walnoten kon gebeurden door ze te plukken of van de grond te rapen.

Rond deze tijd hadden de verschillende takken van de familie Aukema uit Leutingewolde al een behoorlijk deel van de Zulte in haar bezit en zal het mij niets verbazen dat de boomgaard nabij de brink door de familie opgezet is om toch een beetje elitair gevoel te krijgen en om dit misschien ook wel een beetje uit te kunnen dragen. Het was een gewoonte bij adel en hoge burgerij in de zeventiende en achttiende eeuw om zogenaamde ‘gebruikstuinen’ aan te leggen. Deze boomgaarden waren er niet (of niet in de eerste plaats) om hen van voeding te voorzien. Wel waren zij het uitstalraam voor de rijkdom en expertise van de eigenaar1. Neemt echter niet weg dat hier één van de grootste boomgaarden lag in de omgeving van het dorp Roden, met grofweg een lengte van 46 meter en een breedte van bijna 31 meter. 

Een blik op de huidige locatie waar eens de vrijstaande boomgaard en daarna de boerderij van de gebroeders Jan en Dirk Woldring heeft gestaan, staat nu een luxe hotel. Het betrof hier de grens aan de noordwestelijke zijde van het perceel. De boomgaard zal ruim voor het jaar 1861 verdwenen zijn, daar wij dan op een oude kaart de boerderij tegenkomen.

Tijdens het laatste kwart van de achttiende eeuw zullen er een behoorlijk aantal soorten appelen, peren en pruimen in de boomgaarden hebben gestaan. Dienden de twee boomgaarden bij de boerderijen in het gehucht en die van de Sinninge’s toch vooral voor het eigen gebruik, over die van de familie Aukema ben ik mij niet zeker. Het kan zijn dat het ook een beetje om het prestige ging en hier meer de luxere fruitboomrassen hebben gestaan zoals al hierboven beschreven werd of dat ze juist de boomgaard hebben verpacht. Iets wat binnen de familie Aukema’s vaak voorkwam en wat ze bij heel veel landerijen deden om zo inkomsten te kunnen genereren. 

Naar alle zekerheid waren er in de door hagen, houtwallen of sloten omringde boomgaarden rond het jaar 1800 de meest uitgebreide collecties aan fruitvariëteiten aan te treffen. We komen dan ook veelal oude rassen tegen, die zich qua smaak en productiviteit al hadden bewezen. Immers, niet alleen de smaak en het formaat van de appel én zijn boom waren belangrijk, maar ook de weerstand tegen ziekten en insecten zal zeker hebben meegespeeld.

Op de kadastrale kaart uit 1832 van het esgehucht de Zulte zijn de drie aanwezige boomgaarden rood omlijnd. Gezien het formaat van de percelen waren het zeker geen kleine boomgaarden en zal hier veel fruitbomen hebben gestaan (bron: Drents Archief).

De roodomrande vlakken op de bovenstaande kadastrale kaart uit het jaar 1832 markeren de drie boomgaarden in het esgehucht. Linksboven is de locatie van de boomgaard op de kaart te zien die het kadastrale nummer Roden I-245 droeg en het perceel was in bezit van Jannus Winsinghe. De in Roden wonende Winsinghe verpachtte echter de boomgaard aan de pachters die eveneens het huis van de landbouwer huurden. De boomgaard had volgens dezelfde kadastrale gegevens een inhoud van 590 vierkante meter.

Daaronder ligt de volgende boomgaard op perceel I-234. Deze boomgaard was van de landbouwer Jan Aukema uit Luttingewolde en had een inhoud van 900 vierkante meter. Ook deze boomgaard zal door Aukema zijn verpacht aan de huurders van het nabij gelegen huis.

Geheel rechts op de hierboven afgebeelde kadastrale kaart komen wij het 2080 vierkante meter grote boomgaard tegen dat het nummer I-291 draagt en was net zoals de hiervoor benoemde boomgaard, in het bezit van de in Leutingewolde wonende Jan Aukema. Aan het formaat van het perceel kunnen wij zien, dat het zeker geen kleine boomgaard moet zijn geweest.

Op de kadastrale kaart uit 1832 is de boomgaard van de in de Zulte wonende landbouwer Jacob Jans Sinninge ten zuiden van zijn boerderij te zien (bron: Drents Archief).

Volgens de gegevens die bij de kadastrale kaart uit 1832 horen, was het omlijnde perceel een 1450 vierkante meter grote boomgaard en in het bezit van landbouwer Jacob Jans Sinninge uit de Zulte. Om precies te zijn, het perceel met het nummer I-167 lag net iets ten westen van het Elzenkamp.

Nu komen wij hier en daar in de omgeving van het voormalig esgehucht nog met enige regelmatig fruitbomen tegen die al heel oud zijn. Zo stonden er later in de twintigste eeuw op enkele plaatsen in de Zulte weliswaar enkele fruitbomen bij elkaar, waar de jeugd uit de omgeving bijvoorbeeld via de drooggevallen Zulter Bitse een appel wisten te plukken bij een boerderij en weer via dezelfde route weer te vluchten. Of dat deze jeugdige lieden over het weggetje richting de Zulteresch gingen en ‘per ongeluk‘ een appeltje tegen de dorst namen, wat weer tot woede van de boomeigenaar leidde.

Zoete appels te koop langs de weg. Zo af en toe kom je dit nog tegen in de omgeving van Roden. Zeker als het een goed jaar is voor de appelen en de bomen dragen goed, dan kan het gebeuren dat ze je bijna na gesmeten worden en dan rest de huisvrouw niets anders dan ‘veul haite bliksem’ te maken. Deze wordt dan weer op zijn beurt ingevroren en later in het jaar weer opgediend.

Maar niet alle appels werden hier gehouden om als handappel te dienen. Een aantal rassen waren specifiek gekweekt en aangeschaft om als een zogenaamde moesappel te gaan dienen. Deze moesappels werden gebruikt voor de stamppot. Stamppot zoete appelen, de befaamde haite bliksem, was en is nog steeds erg populair in de wijde omgeving van het dorp Roden en met enige regelmaat kunnen wij aan het einde van de zomer en in het begin van de herfst, bordjes en bakken tegenkomen op het platteland waarop staat dat er appelen te koop zijn.

Het recept voor de befaamde hete bliksem uit het Margriet Kookboek dat uit het jaar 1948 stamt. Ook stoofperen konden volgens dit recept gebruikt worden voor de stamppot. Daarnaast werd destijds ook nog rolpens, een soort lichtzurige worst die oorspronkelijk gemaakt werd van de vleesresten die overbleven na de thuisslacht (afbeelding: Margriet Kookboek, Samengesteld door Marianne, met medewerking van de Voedingsraad. Uitgave “Margriet” Weekblad voor moeder en kind. “De Geïllustreerde Pers N. V.”, Amsterdam. Bladzijde 175).

Appels.

Hieronder volgt een opsomming van de oude appel- en perenrassen die wij destijds in de boomgaarden rondom Roden en omgeving konden aantreffen, waarbij ik wel wil opmerken dat sommige soorten op andere websites omschreven worden als oud of zelfs zeer oud ras, maar eigenlijk zo rond het begin van de 20e eeuw ontstaan zijn. Deze soorten heb ik niet in de lijst meegenomen, daar vrijwel alle boomgaarden van voor 1750 rond deze tijd reeds verdwenen waren. 

De Roode tulp-appel, ook wel Pieterman, Rode tulp, Tafelappel, Mantelappel, Jopen, Rode zomer paradijs, Pomme framboise of Zwartgat genoemd, is een vroege handappel en kwam in het hele noorden voor. Dit verklaart ook waarom deze appel zoveel namen heeft (afbeelding: Pomologia Batava of afbeelding en beschrijving van onderscheidende soorten van appelen en peeren, welke in de Nederlandsche gewesten worden gekweekt. Allen naar het leven in kleuren geteekend en beschreven door Mr. Mathieu van Noort. Verkrijgbaar te Leyden bij C. C. van der Hoek. 1830).

Mathieu van Noort omschreef in zijn boek ‘Pomologia Batava of afbeelding en beschrijving van onderscheidende soorten van appelen en peeren, welke in de Nederlandsche gewesten worden gekweekt‘ uit het jaar 1830, de Roode tulp-appel als een zuiver licht gele appel met een geelrode tint, waarbij de appel aan de zonzijde een min of meer rode kleur aanneemt. Pluktijd lag in de maand augustus.

Deze appel die bij voorkeur tijdens de koele, vroege ochtenden in augustus en met een uitloop naar september en oktober geplukt dient te worden. Het vlees van de vrucht is sponsachtig, melig, met enkele geelrode vlekken en niet aangenaam van smaak. Daarnaast is de appel niet lang houdbaar. Zijn naam heeft dit appel ras te danken aan zijn vorm en wanneer men deze ondersteboven houdt, wordt de tulpvorm duidelijk zichtbaar. 

Dit oud appelras komt nog steeds voor en is verkrijgbaar bij de Bongerd Groote Veen in Paterswolde: Rode Tulpappel.

De prachtige appel van het ras Soete kroon rechts onder op de afbeelding. Andere benamingen voor de appel zijn Zoete kroon, Zoete aagt of Zoete winterkroon. De redelijk grote en zoet smakende appel zal zeker veelvuldig aangeplant geweest zijn in de Zulte. Op deze afbeelding van Johann Hermann Knoop uit 1758 staan ook nog zeven andere appelrassen afgebeeld waarvan een aantal niet meer bestaan (afbeelding: Pomologia, dat is Beschryvingen en afbeeldingen van de beste soorten van appels en peeren, welke in Neder- en Hoog-Duitsland, Frankryk, Engelland en elders geagt zyn, en tot dien einde gecultiveert worden. Door Johann Hermann Knoop. Te Leeuwarden, by Abraham Ferwerda, Boekverkoper, 1758. Beschryvingen van de appels. Tabula VII.).

Op pagina 27 van zijn boek ‘Pomologia, dat is Beschryvingen en afbeeldingen van de beste soorten van appels en peeren‘ uit het jaar 1758, beschrijft de schrijver Johann Hermann Knoop de Soete kroon als een iets langwerpige en redelijk grote appel die soms iets scheef en kantig van vorm is. De appel kleurt aan de ene zijde geel met rode strepen en aan de andere zijde rood wanneer deze rijp is. 

Over het vruchtvlees weet Knoop te vertellen dat het naast een redelijk aangename zoete geur bezit ook nog tamelijk zacht van structuur is, iets wat de appel tot de groep goede zoete appels doet behoren. Ook beschrijft hij de appelboom als een boom die goed hout weet te zetten, groot kan woorden en ook nog eens tamelijk veel vruchten draagt. 

Dit oud appelras komt nog steeds voor en is verkrijgbaar bij de Bongerd Groote Veen in Paterswolde: Zoete kroon.

De befaamde en vrijwel verdwenen moesappel met de naam ‘Swaan-appel’ staat linksonder op de afbeelding van de al eerder vermelde Johann Hermann Kroon. Waarschijnlijk heeft dit appelras zijn naam te danken aan zijn formaat (afbeelding: Pomologia, dat is Beschryvingen en afbeeldingen van de beste soorten van appels en peeren, welke in Neder- en Hoog-Duitsland, Frankryk, Engelland en elders geagt zyn, en tot dien einde gecultiveert worden. Door Johann Hermann Knoop. Te Leeuwarden, by Abraham Ferwerda, Boekverkoper, 1758. Beschryvingen van de appels. Tabula III.).

De Swaan of Soete swaanappel was een appelras met forse vruchten die iets hoekig of kantig oogde en een gladde geel met rode strepen had. Het vruchtvlees was zacht en iets zurig van smaak, waarbij de appel niet erg geurde. Ook deze boom zette volgens Johann Hermann Knoop goed hout en droeg daarnaast ook nog eens veel vruchten.

Waarschijnlijk was de Zoete swaanappel als een iets zoetere variant gekweekt dan de zure Swaanappel. De pluktijd van beide soorten lag in september en oktober.

Volgens de Noordelijke Pomologische Vereniging zouden er nog enkele exemplaren van deze zeer oude en vrijwel verdwenen moesappel in het Groningse Westerkwartier zijn aangetroffen2

De Zoete pippeling is net zoals de voorgaande appelrassen zeer oud en zal zeker in de Zulte gestaan hebben. Een andere naam voor deze appel is ‘Tuinzoete’ (afbeelding: Pomologia Batava of afbeelding en beschrijving van onderscheidende soorten van appelen en peeren, welke in de Nederlandsche gewesten worden gekweekt. Allen naar het leven in kleuren geteekend en beschreven door Mr. Mathieu van Noort. Verkrijgbaar te Leyden bij C. C. van der Hoek. 1830).

Het laatste appelras dat wij vanaf de achttiende eeuw tot aan het midden van de twintigste eeuw in de Zulte aan konden treffen, is de Zoete pippeling. Dit appelras draagt een mooie geel met rood gekleurde middelgrote vrucht, waarbij er zacht-rode stipjes op de schil zichtbaar zijn. Mathieu van Noort beschrijft deze appel als zijnde van een uitmuntende hoedanigheid. Deze stevige en zeer zoete appel kon zowel als hand- als moesappel dienen.

In zijn boek ‘Pomologia Batava of afbeelding en beschrijving van onderscheidende soorten van appelen en peeren, welke in de Nederlandsche gewesten worden gekweekt‘ uit 1830 schrijft de beste man dat de appel in de handel destijds gezocht werd om te drogen. De appel kon vanaf het begin van oktober geplukt worden en kon tot december gebruikt worden.

Dit oud appelras komt nog steeds voor en is verkrijgbaar bij de Bongerd Groote Veen in Paterswolde: Zoete pippeling.

Handperen.

Of er daadwerkelijk ook meer oude perenrassen in de boomgaarden van de Zulte voorkwamen dan appelrassen, zal voor altijd wel een raadsel blijven. Wel is het duidelijk dat er hier veel oude rassen gehouden werden waarvan de verhouding tussen het aantal hand- en stoofperenrassen vrijwel gelijk was. De hier voorkomende rassen van handperen waren de Goudbal, Jut of Juttepeer, maagdenpeer en de suikerperen. Als stoofperen kwamen de volgende rassen in aanmerking: Kampervenus, Kleipeer, Pondspeer en de Louwtjes-peer.

De Goud-bal of Goudbal is een typisch zomerhandpeer uit het noorden van ons land (afbeelding: Pomologia Batava of afbeelding en beschrijving van onderscheidende soorten van appelen en peeren, welke in de Nederlandsche gewesten worden gekweekt. Allen naar het leven in kleuren geteekend en beschreven door Mr. Mathieu van Noort. Verkrijgbaar te Leyden bij C. C. van der Hoek. 1830).

Een fraaie en ronde zomerpeer met de naam Goudbal was én is een typisch streekras handperen uit de noordelijke provincies en doet qua uiterlijk zijn naam zeker eer aan. De vrucht kleurt geel met lichtbruine stipjes en soms lichtpaarse vlekjes. Mr. Mathieu van Noort merkt op dat deze handpeer veelal in acht dagen tijdens de maand augustus geplukt wordt, de vrucht daarna vrij snel overgaat tot het beurs worden en dus vrij kort houdbaar is.

Deze fraaie oude handpeer met een licht zure smaak bestaat nog steeds en is verkrijgbaar bij de Bongerd Groote Veen in Paterswolde: Goudbal.

De Jut of Juttepeer is een zeer oud en smakelijk perenras dat ongetwijfeld ook in de Zulte heeft gestaan (afbeelding: Pomologia Batava of afbeelding en beschrijving van onderscheidende soorten van appelen en peeren, welke in de Nederlandsche gewesten worden gekweekt. Allen naar het leven in kleuren geteekend en beschreven door Mr. Mathieu van Noort. Verkrijgbaar te Leyden bij C. C. van der Hoek. 1830).

Een uit de late middeleeuwen afkomstig en bekend handperenras is de Jut, ook wel Jutte-peer genoemd, die wij eveneens in de boomgaarden en op de boerenerven in de omgeving van het voormalig esgehucht de Zulte konden aantreffen. De gewilde middelgrote zomerpeerbezit een bruinachtig groengekleurde dikke schil en de sappige vrucht smaakt heerlijk. Om van Noort nog eens aan te halen, maar nu bij de Jutte-peer: “Gewoonlijk moet zij in ’t laatst van Augustus worden geplukt, in September heeft zij veelal hare volkomene rijpheid bekomen, en kan tot het laatst van die maand als eene zeer aangename tafelvrucht worden gebruikt.

Deze fraaie oude en overheerlijke handpeer met sappig vruchtvlees bestaat nog steeds en is verkrijgbaar bij de Bongerd Groote Veen in Paterswolde: Jut of Jutte-peer.

De Maagdenpeer met zijn prachtig kaneelkleurige schil. Voor de één is dit een stoofpeer, voor een ander juist een overheerlijke en smakelijke handpeer (afbeelding: Pomologia Batava of afbeelding en beschrijving van onderscheidende soorten van appelen en peeren, welke in de Nederlandsche gewesten worden gekweekt. Allen naar het leven in kleuren geteekend en beschreven door Mr. Mathieu van Noort. Verkrijgbaar te Leyden bij C. C. van der Hoek. 1830).

De Maagdenpeer of Maagde peer werd al in het jaar 1778 door Noel Chomel beschreven op pagina 2634 van zijn boek ‘Algemeen huishoudelijk natuur, zedekundig, konst woordenboek. Deel 5‘ als een tamelijk grote, dikke en rondachtige peer die iets puntiger is dan de Kamper-venus. De kaneelkleurige vrucht zonder een rode blos aan de zonzijde van deze handpeer bezit brosachtig, sappig en geurend vruchtvlees. Chamel ziet de peer eerder als een stoofpeer voor in de winter.

Op de website van Ten Hoven Bomen noemt men de peer wel degelijk een handpeer: ‘De Maagdenpeer is geschikt als handpeer mits hij gelijk gebruikt word. De vrucht van deze perenboom is rijp in september of oktober. Het vruchtvlees is wit, saprijk en vrij grof. Hij smaakt zoet en suikerachtig en als hij op het juiste moment geplukt wordt wel lekker3. ‘

Benoemde Johann Kroon deze peer nog de Vroege suiker-peer, Mathieu van Noort noemde deze Honingpeer. De peer dankt zijn naam aan de honingzoete smaak van het vruchtvlees (afbeelding: Pomologia Batava of afbeelding en beschrijving van onderscheidende soorten van appelen en peeren, welke in de Nederlandsche gewesten worden gekweekt. Allen naar het leven in kleuren geteekend en beschreven door Mr. Mathieu van Noort. Verkrijgbaar te Leyden bij C. C. van der Hoek. 1830).

De Noord-Hollandse suikerpeer is eigenlijk een verzamelnaam voor een zestal rassen van suikerperen die wij in het verleden in de vele kleine en grote boomgaarden rondom Roden konden aantreffen. Het betreft hier vrij kleine tot middelgrote ronde peren met een zoete smaak, die allemaal tot de zogenaamde categorie van handperen behoren.

Deze fraaie oude handpeer bestaat nog steeds en is verkrijgbaar bij de Bongerd Groote Veen in Paterswolde: Noord-Hollandse suikerpeer.

De Vroege suiker of Honingpeer is een klein en bijna eirond peertje met een gladde schil, die een gele kleur heeft waarop kaneelkleurige stippen en vlekjes te zien zijn. Het zachte vruchtvlees van deze suikerpeer is iets korrelig van structuur en de smaak wordt omschreven als zijnde honingzoet. Johann Hermann Kroon beschrijft deze peer als eerste in het hoofdstuk ‘Beschryvingen en afbeeldingen der Peeren‘ op pagina 47 en de peer staat dan ook als eerste afgebeeld op de afbeelding van peren in Tabula I, zoals hieronder te zien is.

Andere namen van deze peer zijn Vroege suikerey, Petit blanquet en Poire de Perle. De Honingpeer zet goed hout en draagt veel vruchten, die al vanaf half juli of begin augustus, afhankelijk van het weer, geoogst kan worden (Kroon). Een ander, Mr. Mathieu van Noort, houdt het op de maand september. De vruchten van deze Suikerpeer zijn echter niet lang houdbaar.

De Kortstelige suikerpeer is een middelgrote ronde peer met korte steel en die een gladde gele schil met iets rood aan de zonzijde heeft. De vrucht bezit zeer zoet, zacht en sappig vruchtvlees met een suikerachtige geur, lichtbruine pitten en net wordt als veel andere suikerperen snel overrijp. De boom zet goed hout en draagt goed. De vruchten zijn vanaf augustus tot september rijp en kunnen dan geplukt worden.

Andere namen voor de peer zijn: Kortstelige suikerij, Blanquet à courte queue, Gros blanquet, Grote blanket, Blanchette, Kurzstielige Muskatellerbirne, Muscat à courte queue en Mufette d’Anjou.

De volgende suikerpeer is de Grauwe suikerpeer, ook wel Grauwe suikerij genoemd, die maar weinig van de hiervoor genoemde peer afwijkt en herkenbaar is vanwege de gladde gele schil met grauw/bruine vlekken bedekt is. Zoals het bij suikerperen het geval is, smaakt ook deze peer zeer zoet en heeft sappig, geurig vruchtvlees. De vruchten zijn in augustus en september rijp. Kroon noemt deze en de voorgaande Kortstelige suikerpeer “de beste soorten die we hebben in haar tijd“.

Helemaal rechtsonder op de bovenstaande afbeelding komen wij de volgende suikerpeer tegen die in de boomgaarden rondom het dorp Roden geen onbekende geweest moet zijn. De Herfst suikerpeer is een matig groot van formaat waarbij de vorm van de vrucht iets rond is en qua kleur veel weg heeft van de Grauwe suikerpeer.

Het vruchtvlees is iets vaster en minder zoet dan bij de andere suikerperen, zeker in jaren van een slechte opbrengst of wanneer de boom in slechte grond staat. Heeft de boom het echter naar zijn zin zet deze goed hout en draagt behoorlijk. Andere benamingen voor deze peer zijn:Herfst of Octobers suiker-peer, St. Nicolaas-peer, Blanquet d’automne, Brederoo Sucré verd, Groene suiker-peer, enHerfst suikereij.

De bloesem van de Langstelige suikerpeer is ruim en open. De boom van de peer wordt niet zwaar en de takken schieten tamelijk steil omhoog. De kroon vormt een halve kogel en is vol loof. Het blad is geelachtig groen, langwerpig, naar den steel toe rond, en naar voren vrij spits, zoals op de afbeelding mooi te zien is. De boom zet goed hout en draagt eveneens zeer veel (afbeelding: Wikipedia https://nl.wikipedia.org/wiki/Suikerpeer#/media/Bestand:Langstelige_Suikerpeer.jpg).

De Langstelige suikerpeer is een matig grote peer met een ronde buik die zijn naam aan de lange steel dankt. De peer bezit een gladde schil gele waarbij de zonzijde iets rood van kleur is. De rode kleur aan de zonzijde noemt Knoop ‘bloesend‘, wat staat voor blozend en heel toepasselijk is. Het vlees van de vrucht is net zoals bij de andere suikerperen zeer zoet, sappig en geurig van structuur. De peer is al vanaf het begin van augustus plukrijp.

De peer heeft veel benamingen zoals: Langstelige suikerij, Groote langstelige blanket, Zomer blanket, Le gros Blanquet à longue queue, Sucrin blanc, Blanke Suikerey of Suiker-peer, Musetted’Anjou , Musette de Florence, Musette grosse, Weisse Zuckerbirne, Aleaume, Sucrée blanche d’été.

Geheel rechtsonder op de afbeelding van Johann Hermann Knoop is de Winter-suikerij te zien, de Winter suikerpeer. Andere namen voor deze peer waren: Winter-suikerey, Winter suiker- peer, Kley-peer, Kleij-peer, Winter suikereij en Winter- zuiker peer (afbeelding: Pomologia, dat is Beschryvingen en afbeeldingen van de beste soorten van appels en peeren, welke in Neder- en Hoog-Duitsland, Frankryk, Engelland en elders geagt zyn, en tot dien einde gecultiveert worden. Door Johann Hermann Knoop. Te Leeuwarden, by Abraham Ferwerda, Boekverkoper, 1758. Beschryvingen van de peeren. Tabula III).

Op de pagina’s 73 en 74 van zijn boek ‘Pomologia, dat is Beschryvingen en afbeeldingen van de beste soorten van appels en peeren‘ bechrijft Johann Hermann Knoop de Winter suikerpeer als een matig grote en ronde peer met een geelachtig groene en ruwe schil waarop grove bruine stippen en vlekken te zien zijn. De peer bezit volgens hem bros en sappig vruchtvlees met suikerachtige smaak en heerlijke geur, mits de plant op goede, droge grond groeit.

De perenboom zet volgens Knoop goed hout en draagt veel vruchten. Dit doet de boom zowel op stam als aan het Espalier, een rek waar men de boom langs liet groeien.

Stoofperen.

Hieronder treft u vier soorten stoofpeerrassen aan die naar alle waarschijnlijkheid ook in de boomgaarden en op de boerenerven rondom het dorp Roden aanwezig zijn geweest en bij menig inwoner voor een smakelijke maaltijd hebben gezorgd. Zo hier en daar kom je nog een enkele stoofperenboom tegen in het voormalig esgehucht.

De stoofpeer Kampervenus kwam waarschijnlijk ook voor in de boomgaarden en boerenerven in de Zulte. Andere synoniemen voor deze peer waren: Pucelle, Kamper Venus, Kampervenus, Chat-Brulé, Kampervener en Rougeaude (afbeelding: Deutsche Pomologie. Chromolithographische Abbildung, Beschreibung und Kulturanweisung der empfehlenswerthesten Sorten Aepfel, Birnen, Kirschen. Pflaumen, Apricosen, Pfirsiche und Weintrauben. Nach den Ermittelungen des Deutschen Pomologen- Vereins, herausgegeben von W. Lauche, Birnen. Berlin. Verlag von Paul Parey, Verlagshandlung für Landwirthschaft, Gartenbau und Forstwesen. 1882.).

De Kampervenus, een zeer oude en naar alle waarschijnlijkheid een Nederlandse stoofpeer, die vooral in Groningen en Drenthe voorkwam en dus waarschijnlijk ook in de Zulte en omgeving. De peer was echter vanaf het jaar 1805 ook populair aan het worden in Duitsland en wordt door W. Lauche duidelijk beschreven als een ongeveer 60 millimeter brede en 7 centimeter hoge vrucht, waarvan de schil eerst lichtgroen is en later naar een citroengele kleur veranderd met een rode vlek aan de zonzijde.

Johann Hermann Knoop merkt op pagina 76 van zijn boek dan ook op dat de peer niet uit de hand dient gegeten te worden, maar om te stoven is het een geweldige vrucht en zonder toevoeging van stoffen rood verkleurd tijdens het koken. De boom zet volgens de beste man mooi hout, draagt zeer goed en kan groot worden. De pluktijd van deze peer start in november, de gebruikstijd is tot ongeveer de maand maart.

De Kleipeer, ook wel Winterjan, Winter-Jannetje en Mandjespeer genoemd, is een oude Nederlandse stoofpeerras (afbeelding: Pomologia Batava of afbeelding en beschrijving van onderscheidende soorten van appelen en peeren, welke in de Nederlandsche gewesten worden gekweekt. Allen naar het leven in kleuren geteekend en beschreven door Mr. Mathieu van Noort. Verkrijgbaar te Leyden bij C. C. van der Hoek. 1830).

De kleine boom van de Kleipeer of Winter-Jannetje was uitermate geschikt om als haagboom te dienen rondom boomgaarden. Of dit ook het geval is geweest in de Zulte en in de wijde omgeving van het esgehucht durf ik niet te zeggen, waarschijnlijk wel in de tuinen nabij Huize Terheyl. Ik vermoed dat er zeker wel enkele exemplaren in zowel de boomgaarden als op boerenerven hebben gestaan daar deze peer zeer lang draagt en die ook nog eens tot de maand maart houdbaar is.

De vrucht van de boom was klein en rond, geelrood van kleur met kaneelkleurige stippen, waarbij je het idee krijgt dar de peer aan het roesten is. Het vruchtvlees van deze stoofpeer is hard en korrelig met een friszoete smaak en kleurt rood bij het koken.

Deze fraaie, smakelijk en oude stoofpeer bestaat nog steeds en is verkrijgbaar bij de Bongerd Groote Veen in Paterswolde: Kleipeer. en ook bij de kwekerij “De Baggelhof” van Lubbert Dijk te Terheijl.

Een joekel van een stoofpeer! Zo zou je deze peer gerust kunnen omschrijven daar deze wel een pond, 500 gram, zwaar kan worden. De naam Pondspeer komt dan ook niet uit de lucht vallen (afbeelding: https://library.wur.nl/speccol/fruithof/dnb2/Peer/PlaOrg/Img/PeePL23.jpg).

De pondspeer, in Groninger ook wel Harm Harkes genoemd, is een fors oud stoofpeerras, die al in het jaar 1665 genoemd werd en met vruchten die wel een pond zwaar kunnen worden en daar dan ook zijn naam aan dankt. De peer is een keiharde grote tot zeer grote stoofpeer, die dikbuikig is en een stevige, grove schil heeft met een grauwe bruinachtige kleur. Het vruchtvlees van deze enorme stoofpeer is wit van kleur, sappig en grof van structuur en smaakt zoetig. De peer is tot in de maand april te bewaren.

De boom groeit goed en kan zeer groot worden, waarbij deze zeer goed draagt. De jonge takken hebben de neiging om krom en afwijkend te groeien, dus moest men in de boomgaard of op het boerenerf regelmatig snoeien en vormen om te voorkomen dat de kroon een mislukte vorm krijgt.

Dit zeer oude stoofperenras met grote vruchten is verkrijgbaar bij Lubbert Dijk op zijn kwekerij “De Baggelhof” te Terheijl

De Louwtjes peer, ook wel Bruine Louwtjes Peer, Winterlouwtje, Late Groentjes, Rosmarin Birne en Stergonette genoemd, was een sterke stoofpeer (afbeelding: Pomologia Batava of afbeelding en beschrijving van onderscheidende soorten van appelen en peeren, welke in de Nederlandsche gewesten worden gekweekt. Allen naar het leven in kleuren geteekend en beschreven door Mr. Mathieu van Noort. Verkrijgbaar te Leyden bij C. C. van der Hoek. 1830).

En sterke stoofpeer noemen zowel Johann Hermann Knoop als Mathieu van Noort de Louwtjes peer, Noel Chomel spreek op pagina 2633 van zijn boek ‘Algemeen huishoudelijk natuur, zedekundig, konst woordenboek. Deel 5‘ uit 1778 dat: “dog niet dienende om uit de hand te eeten, maar ze is een zeer goede stoof-peer in de winter, die daar toe in Holland veel geagt is“.

Het is een matig grote, vrij langwerpige en puntig aflopende peer met een lange steel. De kleur van de iets ruwe schil is grijs- of bruinachtig, maar bij het rijper worden kleurt deze iets gelig. Het vruchtvlees is wit, niet vast maar meer iets brossig, sappig en zoet en kleurt tijdens het koken mooi rood, net zoals de Kampervenus dat doet.

De perenboom zet goed hout en draagt zeer veel. Daarnaast kan het een grote boom worden. Het oogsten kan vanaf het eind van de maand oktober en de peer is houdbaar tot februari-Maart.

1. Centrum Agrarische Geschiedenis. Van fruitweides tot intensieve teelt (https://cagnet.be/page/fruitteelt-fruitweides)

2Oude fruitrassen in Noord-Nederland. Noordelijke Pomologische Vereniging, 8e Herziende druk, zomer 2010. Jan Veel, Jan Woltema.

3Handpeer “Maagdenpeer” (https://www.tenhoven-bomen.nl/pyrus-communis-maagdenpeer)

Op schattenjacht!

En ja hoor! Daar kwam hij weer aan! Langzaam en onbezorgd fietste hij over het zandweggetje richting de Zulte. De twee kinderen zaten stiekem met rode blosjes op de wangen in de bosjes en hielden de oude man strak in de gaten. Hoe dichter de oude bij de plaats kwam waar de jeugd verstopt zat, des te sneller begonnen de kinderhartjes te kloppen. Ze wisten dat het tijdstip ieder moment kon gaan aanbreken, waarop hij onbewust de plaats zou gaan aanwijzen, waar hij zijn schat had verstopt! Je zou haast gaan denken aan een moderne versie van Hans en Grietje; twee kinderen die aan al het lekkers denken en daardoor de boze heks uit het oog verliezen. 

De kraakwilg langs het landweggetje in de Zulte waar de oude man op de fiets zijn fles jenever in verstopte tijdens de winter en voor de storm in het jaar 2019. Na deze storm die zo hevig was dat zelfs de N372 tussen de Zulte en Leek afgesloten moest worden, was de vorm van de boom voor altijd vernield.

Ruim zestig jaren geleden zaten er dus twee gespannen en zenuwachtige kinderen in de bosjes te kijken wat een oude man daar nu elke dag deed bij het Tipbosje in de Zulte. De teleurstelling zal bij de kinderen enorm groot geweest zijn dat hij geen goed en juwelen uit het gat trok, dat in de stam van een heel oude kraakwilg (Salix fragilis) zat. Nee, niets van dat. Geen glinsterende edelstenen of zilveren ringen. Nee, er kwam een smerige groene fles tevoorschijn, die de oude man aan zijn lippen zette. 

Twee grote slokken nam de oude man en toen stopte hij ineens met drinken. Onder het afvegen van zijn mond keek om zich heen en plaatste de fles snel terug in het donkere gat zoals een kwajongen zou doen wanneer hij een koekje wilde stelen en zijn moeder kwam net de kamer binnen. Nogmaals keek hij om zich en bestudeerde de omgeving heel nauwkeurig. Nadat hij ervan overtuigd was dat niemand hem gezien had slingerde hij zijn rechterbeen over het zadel en fietste door naar de weg. 

Een blik van een andere zijde richting de oude kraakwilg. Het is goed te zien dat het hier een boom van een fors formaat betreft. De boom heeft geluk gehad dat deze aan de sloopzucht van de toenmalige gemeente Roden is ontkomen.

Dagenlang hadden de kinderen gezien hoe de oude man daar over de zandweg vanaf ’t Ebbensveldje naar de grote weg fietste en juist op die ene plak stil bleef staan. De hele tijd hadden zij de spanning opgebouwd en als zij wisten waar de schat lag, dan waren zij rijk en hoefden hun ouders nooit meer te werken. Beteuterd keken ze elkaar aan en wisten dat ze geen grote schat, maar een stiekeme drinker hadden ontdekt die hier dagelijks langs kwam voor een paar slokjes jenever. 

Zelfs heden ten dage is het gat in de stam van de kraakwilg slecht zichtbaar. Het vergt enig speurwerk om het te ontdekken. Het zal ook altijd wel een raadsel blijven hoe de oude deze plaats vond om zijn jenever in te verstoppen.

Nu is het bovenstaand en waar gebeurd verhaal leuk om te lezen en blijft het bewaard voor het nageslacht, een andere en niet onbelangrijke hoofdrolspeler in het verhaal is toch wel de oude kraakwilg. De toen al oude boom staat er nog steeds maar wordt zienderogen minder door onder andere de zware stormen van de laatste jaren. Net zoals de belevenis van de twee kinderen, dient ook de oude kraakwilg voor het nageslacht bewaard te blijven. Als was het maar voor de twijgjes die er na een stormachtige dag met veel regen over het weggetje liggen. 

Een twijg van de kraakwilg die tijdens een hevige onweersbui van de boom werd afgeslagen. Het is een van de redenen waarom de boom dan ook ‘kraakwilg’ wordt genoemd.

Het is een geluk dat de boom er nog steeds staat. Bij de aanleg van de rondweg, de daarbij behorende rotonde en de fietstunnel, heeft de voormalige gemeente Roden echt hun best gedaan om het laatste restant van een eeuwen oud bosje weg te krijgen, te vernietigen. Dit bosje, ook wel ’t Tipbosje genoemd, lag deels op het grondgebied van de familie Baving. Toen de kraanmachinist de opdracht kreeg van de opzichter van de gemeente, om de laatste troep ook maar even weg te halen, stonden de gebroeders Baving klaar met mestvorken en gaven de beste man de keus: ‘Stoppen of steken!’ Volgens Geert, de oudste van de Bavings, was de man nog nooit zo snel uit zijn kraan gekomen. 

Natuurlijk bleef het hier niet bij en de gemeentelijke opzichter riep instanties zoals de provincie Drenthe en Rijkswaterstaat erbij om hun gelijk te halen en alsnog het bos helemaal van de kaart te krijgen. Echter, toen de gebroeders konden aantonen tot waar het gebied van de gemeente Roden en nog belangrijker, waar hun bezit lag door middel van de betonnen paaltjes, die enkele weken eerder waren geplaatst door het Kadaster, moest de gemeente hun keutel wel intrekken en bleef het restant bewaard. 

Na de storm die op dinsdag 5 juni 2019 het gebied rondom de Zulte teisterde, waarbij zelfs enkele tornado’s werden waargenomen, is er nog maar weinig over van de majestueuze en oude kraakwilg.

Eigenlijk doet het einde ook enorm veel denken aan het sprookje van Hans en Grietje. De grote boze heks stak haar hoofd op een plaats waar deze niet mocht zijn en kreeg een beste schop onder haar kont, iets wat tot het einde van die enge, boze heks betekende voor een lange tijd. Helaas waart de geest van die vreselijke boze heks nu weer boven de Zulte rond! 

Een filmpje van de oude kraakwilg in de Zulte.

Van de Zulte naar de Nietapster Schans.

Toen in het jaar 1812 de befaamde Franse legerkaart onder leiding van militair-ingenieur J. K. Immeling gereedkwam en de wijde omgeving van het dorp Roden voor het eerst duidelijk en redelijk accuraat te zien was, waardoor er na de Franse tijd er in ons land een deugdelijk kadastraal systeem opgezet kom worden, had een soldaat uit het Groningse Haren al in de jaren tachtig van de achttiende eeuw deugdelijk werk afgeleverd op het gebied van het nauwkeurig landmeten. Nu moet wel worden opgemerkt, dat beide militaire ingenieurs twee totaal verschillende doelen voor ogen hadden. 

De schans bij Nieuw-Tap met linksboven de beek Lek. (bron: Groninger Archieven Identificatienummer NL-GnGRA_817_1311.1).

Nadat Lodewijk Napoleon op zondag 1 juli 1810 zich teruggetrokken had als koning en er op maandag 9 juli 1810 door middel van het Decreet van Rambouillet een einde kwam aan het Koninkrijk Holland, voegde de Franse keizer Napoleon Bonaparte het land bij het keizerrijk Frankrijk. Doordat het land deel ging uitmaken van het grote keizerrijk, betekende dit ook dat de maatregelen en wetgeving in ons land werden ingevoerd, zoals de burgerlijke stand en het metriek stelsel. 

Naast een goede burgerlijke stand, die ervoor zorgde dat men als staat wist waar de weerbare mannen zich bevonden, was een stelsel nodig waarbij men met precieze cijfers de belastingen bij de juiste grondeigenaren kon gaan innen. Dit stelsel werd in 1832 in ons land ingevoerd als het Kadaster met uitzondering van Limburg.  

Nu was de kaart van het gebied rondom Roden uit 1812 natuurlijk niet zo precies als die uit 1832 en dat had natuurlijk een reden. De kaart van 1812 was gemaakt door de militaire ingenieurs zodat de legerleiding van de Grande Armée wisten waar ze langs konden trekken en waar dit juist niet ging. Dit zal één van de redenen zijn waarom de pingoruïne Vagevuur niet op de kaart voorkomt en de iets meer naar het noordoosten gelegen pingoruïne in het heideveld wel. 

Op de Franse legerkaart uit 1812 is duidelijk te zien dat de pingoruïne Vagevuur niet is ingetekend, maar de noordoostelijk op het heideveld gelegen pingoruïne wel. Het is erg begrijpelijk dat dit is gebeurd; Vagevuur lag in het bos en het was niet aantrekkelijk om met een leger door het bos te gaan. Zeker niet als er voldoende goede wegen in de directe nabijheid aanwezig zijn (Bron: Drents Archief).

Nu was er natuurlijk allang voor de Franse tijd vraag naar betrouwbare kaarten van de gebieden waar de militaire ingenieurs veel baat bij zouden kunnen hebben en er waren natuurlijk ook al ervaringen opgedaan met kaarten en tekeningen van bijvoorbeeld vestingwerken, die redelijk nauwkeurig waren. Eerlijk gezegd, vestingwerken klinkt heel wat, maar in vele delen van het noorden bestonden deze uit zogenaamde ‘schansen’. Een schans was eigenlijk niets meer dan een verdedigingswerk met een gracht en een aardenwal, die redelijk snel gebouwd kon worden en financieel gezien maar weinig koste. 

In de omgeving van de Zulte stonden er twee schansen, de Leeksterschans in Leek en in het dorpje Een komen wij de Zwartendijksterschans tegen. Oude verdedigingswerken die stammen uit het tijdperk aan het einde van de zestiende eeuw en dienden tijdens de tachtigjarige oorlog. Honderd jaren later hadden de schansen hun functie als zodanig verloren en kwamen ze min of meer in verval. 

De Leeksterschans rond het jaar 1640 en met de naam “Le Fort sur le Passage De Lecke” (bron: Groninger Archieven Identificatienummer NL-GnGRA_2138_1081)

En dan komen we uit bij de eerdergenoemde soldaat uit Haren; Rudolph Rummerink. Hij werd als zoon van Jan (Johan) Rummerink (Rummeringh) en Margareta Hoijsing (Hoising) (Hoisingius) op zondag 6 januari 1726 te Haren geboren. Hij wilde landmeter worden en werd als student ingeschreven aan de Hogeschool van Groningen op maandag 14 september van het jaar 1744, waarbij hij op vrijdag 29 mei 1750 promoveerde in de landmeetkunde. Bijna een jaar later, op donderdag 18 februari 1751 trad hij in dienst van het leger als militair-ingenieur. 

Rummerink komt in het jaar 1757 als luitenant-ingenieur in de vestingplaats Nieuweschans terecht waar hij na negen jaren op zondag 1 juni 1766 weer vertrekt. Op donderdag 26 september 1778 wordt de luitenant bevorderd tot major-ingenieur bij de Genie en werkt hij in het jaar 1781 nabij Groningen in het Departement van Wedde en Westwoldingerland samen met de civiele ingenieurs Siderius en van Lier. Enkele jaren later, in 1784 komen wij de majoor weer tegen in een advies in verband met de verdedigingswerken in het oosten van de provincie Groningen. 

Het is echter het jaar 1785 dat de wijde omgeving van de Zulte te maken krijgt met de militaire ingenieur, die afkomstig is uit het Groningse Haren en oom is van de rijke en in Roden redelijk bekende boer Rudolf Rummerink, eveneens afkomstig is uit de plaats Haren. In het boek “Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde, derde reeks, deel VIII uit 1894” vermeldde de schrijver dat; “Zoo lagen ten noorden van Drente drassige gronden 3, waarop de woorden van Caesar B. G. dat de volken hun grenzen woest en onbewoond lieten voor de veiligheid, en zooals J. D. Meijer het uitdrukt: «Moerassen scheidden de volken», toepasselijk geacht mogen wordena. De majoor heeft een duidelijke mening over de gebieden ten noorden van de Zulte en oostelijk gelegen van de Leeksterweg.  

In de tekst staat een 3 waar men naar de uitspraken van Rummerink verwees: “Van die ten westen van Groningen schrijft de Majoor-Ingenieur Rummerink ten jare 1785: “sijnde alle de landen aan de oostzijde van dien Leeksterweg tot de stad Groningen, en aan de westzijde tot Friesland, volgens informatiën seer laag en ’s winters ten eenenmale geïnuudeert”. Met inunderen bedoelde de majoor niet dat het doelbewust onder water zetten van het gebied, maar dat dit al van nature tijdens de natte perioden gebeurde. 

Het ontwerp van de schans bij Nieuw-Tap die door majoor-ingenieur Rudolph Rummerink in het jaar 1785 vervaardigd werd. De schaal is 60 Rhijnlandsche roeden = 10 cm. (bron: Groninger Archieven Identificatienummer NL-GnGRA_817_1311.1).

Het is ook in dit jaar dat de majoor-ingenieur Rummerink het idee heeft opgedaan om ten zuiden van het gehucht Nieuw-Tap een sterke fortificatie aan te gaan leggen in de stijl van de oude schansen zoals in Een, Leek en Bourtange. Zeker gezien hoe het landschap destijds erbij lag, een logisch plan om juist hier een verdedigingswerk aan te gaan leggen. Een paar forse schansen, drassige gronden en veel sloten lokten nu niet uit om hier met een leger uit die tijd op te rukken. 

Het plan verdween met de bijbehorende tekening in het archief van de Genie en vrij nuchter gezien was het plan enorm achterhaald. Zeker toen tien jaren later het Franse leger ons land vrijwel zonder verzet ons land binnenviel. Hoe de dan inmiddels gepensioneerde en tot luitenant-kolonel ingenieur bevorderde Rudolph hierover dacht, is onbekend. Hij was in 1787 met Jacoba Rebecca Fruitier, weduwe van fiscaal-generaal van de provincie Friesland Pijbo Talma, getrouwd en woonde nu in Haren. Hier overleed hij op 81-jarige leeftijd op donderdag 1 oktober 1807. 

De advertentie uit 1807 in de Groninger Courant die geplaatst werd door zijn neef Rudolf Rummerink. Een jaar later zou neef Rudolf ook komen te overlijden (bron: Groninger Courant, Dingsdag 29 september 1807, nummer 78, tweede blad).

a Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde, derde reeks, deel VIII. Verzameld en uitgegeven vroeger door Mr. Is. An. Nijhoff en P.Nijhoff, thans door Dr. K. Fruin, Hoogleraar te Leiden. ’s Gravenhage Martinus Nijhoff 1985. Pag. 204 en 205. 

Revolutie, een Engelse soldaat en een patriot in de Zulte.

Toen het verzet van de Britse-Hessische-Hannoverse-Staatse geallieerden aan het einde van het jaar 1794 in Nederland was gebroken door Franse troepen onder leiding van generaal Jean-Charles Pichegru en de erfstadhouder Willem V samen met veel orangisten op zondag 18 januari 1795 in een hoog tempo richting Engeland waren gevlucht, werd een dag later de Bataafsche Republiek uitgeroepen. De patriotten in ons land hadden al jaren met veel jaloezie naar de ontwikkelingen in Frankrijk gekeken en hadden nu hun eigen ‘revolutie’. Ondanks dat de patriotten spraken van de Bataafsche Revolutie, vernoemd naar de Germaanse stam die in de Romeinse tijd in ons land vertoefde, en was in feite een fluwelen revolutie waarbij geen druppel bloed vloeide.

De nieuwe kaart van het Vrye Landschap Drenthe uit 1795 dat bij het boek Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden; Behelzende de Inleiding der Beschryving van het Landschap Drenthe hoorde (bron: Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden; Behelzende de Inleiding der Beschryving van het Landschap Drenthe. Te Amsterdam, Leiden, Dord. en Harlingen, by J. de Groot, G. Warnars, S. en J. Luchtmans, A. en P. Blussé, en V. van der Plaats. MDCCXCV).

In het voormalig landschap Drenthe werden de gevolgen van de veranderingen binnen wat nu de Bataafsche Republiek heette, waren de ontwikkelingen in de rest van het land nog lang niet merkbaar en ging men zijn eigen gang. Daarnaast kon een groot gedeelte van de inwoners in en rondom de Zulte niet lezen of schrijven en had het te druk met overleven in deze barre tijden. Maar toch, er was iemand die de ontwikkelingen vanuit Holland nauwlettend in de gaten hield en het nieuws op de voet volgde. Deze man, Willem de Lille, die in 1789 met Johanna Philippina van Dedem tot den Gelder, weduwe van Arend Sloet tot Nyenhuizen was getrouwd en in huize Ter Heyl woonde, had al sinds het midden van de tachtiger jaren in de achttiende eeuw al sympathie voor de zaak van de Drentse patriotten.

Zo zou de omgeving van Huize Ter Heyl er aan het begin van de negentiende uit hebben kunnen zien. Een groot huis met een markante vorm tussen de vele bossen en weilanden die het gebied destijds rijk was.

Vooralsnog sprak men nog van de zes dingspelen en de bijbehorende kerspelen (carspels) van het landschap Drenthe zoals men dit voor de aanstormende veranderingen deed en leek alles hier nog pais en vree. Zelfs in het boek ‘De Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden; Beschryving van het Landschap Drenthe’ spraken de schrijvers in 1795 nog in de stijl die heel gewoon was in de tijden voor de Bataafsche Revolutie: “Behalven het Wild, dat de andere Provinciën met dit Landschap gemeen hebben, als Hazen, Patryzen, Snippen enz. heeft men hier ook, meer byzonder, de Korhoenderen, die zig meest by en omtrent de Boekweiten venen onthouden, aldaar hunne jongen uitbroeden, en zig vervolgens, door dit Landschap, en zelfs, tot buiten hetzelve, verspreiden. De Jagt op de Korhoenderen is hier om ’t vierde jaar verboden, op de boete van honderd goud gulden op ieder hoen, dat tegen dit verbod geschoten of gefangen wordt. Dit is zedert veranderd, zynde de Korhoendervangst om het vierde jaar niet meer verboden1. Het kon verkeren in het jaar 1795, je druk maken over het reglement van de jacht op korhoenders.

Natuurlijk voerden de nieuwe machthebbers in de Bataafsche Republiek allerlei vergaande veranderingen in, die gebaseerd waren op de toen geldende Franse wetten en regelgeving, en vanaf 1796 spreekt de heer Jacobus van der Scheer uit Coevorden over ‘onze Bataafsche Gewesten’. De uitgever en boekverkoper van der Scheer brengt in dat jaar het boek ‘Lijst van de telling des volks van Drenthe’ uit waarin hij in het voorwoord schrijft: “Zie daar Landgenoten, de Lijst der Telling van het Volk van Drenthe op welker Juistheid Gij staat kunt maken , als zijnde opgemaakt uit de Lijsten die de Carspels ter Secretarie dezer Landschap volgens Publicatie van Gecommitteerde Representanten van het Volk van Drenthe in dato den 16. November 1795 hebben ingezonden2. Het staat er echt, hij begint met Landgenoten! Dat was voorheen totaal ongehoord, zoiets deed men niet.

Het voorwoord van Jacobus van de Scheer uit het boek ‘Lijst van de telling des volks van Drenthe’, dat in het jaar 1796 verscheen (bron: Lijst van de telling des volks van Drenthe. Te Coevorden, by J. van der Scheer, 1796).

Op de onderstaande afbeelding waar de statistieken van de kerspelen Roden en Roderwolde op pagina 10 door de schrijver vermeld waren, zien wij dat ter Heil samengevoegd is met de Zulte. Iets wat trouwens ook steeds weer in de oude archieven terugkeert; ter Heil rekende men tot de Zulte. Uit de statistieken blijkt dat er destijds 94 mensen woonden (48 mannen en 46 vrouwen). Op pagina 12 van het boek sluit de uitgever en boekverkoper Jacobus van der Scheer af met het de volgende zin: “Bovenstaande Lijst bevat 20434 Manlijke en 19238 Vrouwlijke Personen. Totaal 39673 menschen2. Wat wij echter niet in deze statistieken terug zien maar wel in die van de Bataafsche Republiek uit 1796, zijn de vermeldingen van de grondvergaderingen. De Eerste Nationale Vergadering bestond in de periode 1 maart 1796 tot en met 31 augustus 1797 en telde 126 leden. De leden werden gekozen door een kiescollege, dat op haar beurt door grondvergaderingen was gekozen. In ieder district (met 15.000 kiezers) waren er 30 grondvergaderingen. Aan de verkiezingen van de grondvergaderingen mochten alle mannen van twintig jaar en ouder deelnemen, mits zij het oude regeringssysteem hadden afgezworen 3.

Op pagina 10 van het boek ‘Lijst van de telling des volks van Drenthe’, dat in het jaar 1796 verscheen, kunnen wij zien dat er op dat moment in het Carspel Rhoden (kerspel Roden) 1015 mensen wonen in het Carspel Rhoderwolde 243 (bron: Lijst van de telling des volks van Drenthe, pagina 10. Te Coevorden, by J. van der Scheer, 1796).

In het boek ‘Volks-Tellinge in de Nederlandsche Republiek’, uitgegeven op last der Commissie tot het ontwerpen van een plan van Constitutie voor het Volk van Nederland, komen wij Rhoden, Lyveren, Steenbarge, Zulte en Ter Heil, Nytap, Leutengewolde en Foxwolde op pagina 13 tegen met hun 1015 inwoners. Achter de namen staat een accolade waar het aantal grondvergaderingen staan, twee. Rhoderwolde, Sanderber en Matsloot mogen samen 1 grondvergadering houden. De plaatsen vallen in 1796 nog onder de zogenaamde kiezersvergadering Vries. Samen met de kiezersvergaderingen Meppel en Zweelo koos Vries 3 provisionele representanten voor de districten met dezelfde naam voor Drenthe.

De vermelding van Rhoden, Lyveren, Steenbarge, Zulte en Ter Heil, Nytap, Leutengewolde en Foxwolde met 2 grondvergaderingen en Rhoderwolde, Sanderber en Matsloot met 1 grondvergadering. De plaatsen vielen in 1796 onder de kiezersvergadering Vries (bron: Volks-Tellinge in de Nederlandsche Republiek, pagina 13. Uitgegeven op last der Commissie tot het ontwerpen van een plan van Constitutie voor het Volk van Nederland. In den Haag ter ‘sLands Drukkery).

Vanuit Groningen werden er maar liefst 8 provisionele representanten gekozen door 240 grondvergaderingen. Het totale inwonersaantal van Groningen bedroeg destijds 114.655 personen, bijna driemaal zoveel inwoners als in Drenthe. In de gehele Bataafsche Republiek, die bestond uit Friesland, Groningen, Drenthe, Overyssel, Gelderland, Bataafsch Braband, Zeeland, Holland en Utrecht, woonden er maar liefst 1.880.463 mensen die dus 126 representanten hadden gekozen. Ook dit was voor het jaar schier onmogelijk geweest in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, waar het verdelen van baantjes binnen de regentenklasse  absurde vormen had aangenomen.

Het provisionele representanten dat door de zogenaamde kiezersvergaderingen van Groningen, Drenthe en Overyssel in 1796 waren gekozen (bron: Volks-Tellinge in de Nederlandsche Republiek, pagina 134. Uitgegeven op last der Commissie tot het ontwerpen van een plan van Constitutie voor het Volk van Nederland. In den Haag ter ‘sLands Drukkery).

Maar laten wij terug gaan naar het begin van de jaren negentig in de achttiende eeuw waar Willem de Lille de touwtjes stevig in handen heeft rondom Ter Heyl. De Lille zit niet stil en heeft enkele jaren daarvoor de huidige Toutenburgsingel laten aanleggen en de herberg Tautenborg laten bouwen. Daarnaast zal de hij de nodige energie in de omgeving van Huize Ter Heyl hebben laten aanpakken. Hoveniers waren dan ook van belang voor de Lille en zijn vrouw, die samen van prachtige tuinen hielden. Het hebben van een eigen hovenier was blijkbaar in kerspel Roden verplicht om te melden en wij komen dit dat ook tegen in de papieren van het Haardstedengeldregister uit 1794 van Roden.

De vermelding in het Haardstedengeldregister uit 1794 van het kerspel Roden van het gebruikmaken van een hovenier (Bron: Oude Staten Archieven (OSA), toegangsnummer 0001, inventarisnummer 868.24, Haardstedengeld Roden, Zulte, 1794, pagina 3747).

Een van de hoveniers die voor de heer de Lille gewerkt heeft en naar alle waarschijnlijkheid ook in of nabij Huize Ter Heyl onderdak had, was een Jan Upton van Encher uit het Osnabrugsche. Deze Jan Upton verbleef dus in Ter Heil en was op zaterdag 10 december 1791 te Vries in het huwelijk getreden met Aaltien Hindriks van Bunne, die in de Sulte woonde. Aaltien, in de Roder archieven Aaltje genoemd, kwam dus van Bunne en het was dan ook niet verwonderlijk, dat de twee in Vries zijn getrouwd. Daar de twee echter in het kerspel Roden woonden, was het niet meer dan logisch dat er een afschrift van het huwelijk naar dit dorp gestuurd werd. Waar het foutje zat en wat de oorzaak was, zal nooit aan het licht komen, maar ineens is de plaats waar Aaltje vandaan komt geen Bunne meer, maar Bunde, een plaats in Duitsland nabij de grens met Nederland.

Uit het trouwregister van het jaar 1791 van Vries. Hierin staat dat Jan Upton van Encher uit het Osnabrugsche, wonende te Ter Heil met Aaltien Hindriks van Bunne, wonende in de Sulte op 10 december in de echt getreden zijn (bron: Trouwregister Vries 117, archiefnummer 0176.01, inventarisnummer 117, aktenummer 0176.01 Gemeente: Vries Religie: herv. 10-12-1791, Collectie Xerokopieen DTOB, boek 154 (trouwboek, 1750-1825), pagina 050).

Dat het land Duitsland een belangrijke rol in dit huwelijk speelde staat buiten kijf, Jan Upton kwam immers uit de omgeving van het Duitse Osnabrück, het plaatsje Engter. De naam Upton klinkt niet erg Duits en dat is het dan ook niet. Upton heet eigenlijk Johann Thomas Opten en is de zoon van Thomas Opten, een uit het Engelse leger gedeserteerde soldaat die Thomas den Engelander werd genoemd en met een Duitse vrouw was getrouwd. Samen met zijn broer Carl Opten vertrok Johann Thomas naar Groningen en vonden ieder een vrouw in Nederland. Op vrijdag 24 maart 1815 overleed Aaltien Hindriks in de stad Groningen, 56 jaar oud en liet Jan Opten achter. Jan trouwt anderhalf jaar later met Trientje Abels.

In het trouwregister van Roden is te lezen dat Aatje Hindriks niet uit Bunne maar uit Bunde lijkt te komen (Bron: Trouwregister Roden 89, archiefnummer 0176.01, inventarisnummer 89, aktenummer 0176.01 Gemeente: Roden Religie: herv. 14-12-1791, Collectie Xerokopieen DTOB, boek 121 (doop-, trouw- en lidmatenboek, 1714-1793), pagina 233).

Voor meer informatie over Jan Upton zijn de webpagina’s ‘Infantrist Thomas Opten uit Engeland trouwt met Duitse Anna‘ en ‘De nazaten van Thomas Upton‘ onmisbaar.

 1 Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden; Behelzende de Inleiding der Beschryving van het Landschap Drenthe. Te Amsterdam, Leiden, Dord. en Harlingen, by J. de Groot, G. Warnars, S. en J. Luchtmans, A. en P. Blussé, en V. van der Plaats. MDCCXCV. Pagina’s 36 & 37.

 2 Lijst van de telling des volks van Drenthe. Te Coevorden, by J. van der Scheer, 1796.

3 Bataafse parlementen 1798-1806 https://www.parlement.com/id/vh8lnhrsd1rf/bataafse_parlementen_1798_1806

Noordeindiger Kampen.


Aan het einde van de zeventiende en tot ver in de achttiende eeuw bestond het dorp Roden in de archieven van het haardstedenregister uit meerdere zogenaamde ‘buurschappen’. In de registratie van het haardstedengeld uit 1691 van het kerspel Roden, dat ook wel schoorsteengeld genoemd werd en gezien kan worden als een vroege vorm van de huidige onroerende-zaakbelasting (OZB), komen wij de volgende buurschappen tegen: Suijdeijnde, Westeijnde, Oosteijnde, Lijveren, Steenbergen, Sulte, Lootinghewolde en Foxwolde. De buurschappen Roderwolde, Zanbuir en Mathuisen vormden een eigen kerspel, dat de naam Roderwolde droeg.

Het dorp Roden op de oude Franse legerkaart. Op de kaart is onder andere de Boschkampe afgebeeld, net zoals de Roder Moolen en de Speiker. Op de plaats waar de molen eens stond, bevindt zich vandaag de dag het kerkhof. De Speiker is de huidige de Spijker, een schoutsboerderij die nabij huize Mensinge en die sinds het midden van de zeventiende eeuw aan de Spijkerzoom staat (Kaart: Drents Archief).

Een buurschap of boerschap verwijst naar een samenwerking van de bewoners en ontstaan zijn op de best bewoonbare plaatsen rond de dertiende eeuw, die destijds omringd waren met bossen, heidevelden en hooilanden. De ingezetenen van de buurschap werden buren, boeren of bourmannen genoemd. Hiertoe behoorden ook keuterboeren en ambachtslieden. De acht buurschappen in het kerspel Roden werden bestuurd door de erfgenamen of eigenerfden, die afstamden van de oorspronkelijke bewoners die op de grootste boerderijen woonden. De erfgenamen en de overige ingezetenen van de buurschap vergaderden op de buursprake.

De vier buurschappen Suijdeijnde, Westeijnde, Oosteijnde en Rhoden vormden na 1742 samen het dorp Roden binnen het kerspel. De andere vijf buurschappen lagen om het dorp Roden heen. In de directe omgeving van de buurschappen van het dorp lagen een aantal landerijen die al dan niet omheind waren en de naam droegen van het buurschap, met uitzondering van het buurtschap Suijdeijnde. De landerijen werden ‘kampen’ genoemd en droegen dus de naam van het buurschap dat nabij lag, een eigenaar of een gebeurtenis dat in de directe nabijheid plaatsvond. Ook de ligging zoals bijvoorbeeld in het noorden van een buurschap of het dorp kon een naam opleveren.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is 1811-kaart.jpg
Op de Franse legerkaart die in de periode 1811-1813 door de Franse landmeters was opgemeten, zijn de zes huizen te zien, die destijds de Noordeindiger Kampen vormden. Tevens is de scherpe bocht naar het zuiden, richting Roden dus, goed zichtbaar. Deze bocht werd in de twintigste eeuw ook wel de Bechtbocht genoemd, vernoemd naar de apotheker die naast de bocht woonde  (Kaart: Drents Archief).

Zo kwam in het zuiden van het buurschap Sulte, het latere de Zulte, onder de es met de naam Körtakkers een aantal percelen met woningen voor, die de naam ‘Noordeindiger Kamp of Kampen’ droegen. Deze lagen grofweg op de plaats waar zich tegenwoordig de straten Leeksterweg, Heerestraat, Meidoornlaan, Bloemstraat, Kanaalstraat en de Zulthereschweg bevinden. De zes woningen die de Noordeindiger Kampen vormden, lagen in het Noordeinde op de plaats waar in de twintigste eeuw de huidige Leeksterweg, Schoollaantje en de Zulthereschweg samenkwamen.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is 1832-kaart-kampen.jpg
De uit de drie delen bestaande Sectie I genaamd de Zulte samengestelde kaart van de Noordeindiger Kampen. De kaart schetst de situatie rond het jaar 1832 ten noorden van het dorp Roden. Ook het pleintje waarom heen de woningen staan is duidelijk zichtbaar (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).

Op deze plaats die ten oosten van de toenmalige Boschkampe lag, bevond zich tot ver in de negentiende eeuw eveneens een klein pleintje of vlakte, die wij gerust als een kleine brink kunnen omschrijven. Tijdens de volkstellingen uit de jaren 1830 en 1840 van de inwoners in het dorp Roden werd dit gebied samengevoegd met het Westeinde en omschreven als het ‘West- en Noordeinde’.

Eigenlijk heeft het Kadaster na het inmeten van het gebied rondom het dorp Roden de toenmalige gemeente in verschillende secties opgedeeld, die vervolgens weer uit een aantal bladen bestond. Zo bestond Sectie I genaamd de Zulte uit 3 bladen en besloeg deze sectie een groot deel van het dorp Roden. De percelen die binnen de sectie I vielen, kregen dan ook een nummer dat begon met de hoofdletter I. Voor de huisnummers maakte de sectie en het perceelnummer niets uit, doorgaans gebruikten de ambtenaren de straat- of de streeknaam van het gedeelte waar de bebouwing voorkwam.

Het eerste huis dat wij tegen kwamen als wij rond 1830 op de nieuwe weg naar Roden vanuit het westen richting het oosten via het Noordeinde waren gelopen of per wagen het pand hadden gepasseerd, behoorde volgens de gegevens het Kadaster toe aan ene Klaas Geerts. Klaas Geerts was reeds in 1821 overleden en zijn 55-jarige zoon Lambartus Klasens Mederoos, zijn negen jaar oudere vrouw Siewke Alderts en hun kinderen Klaas Lambs (30) en Jantje Lambs (26) waren nu de hoofdbewoners van het pand volgens de gegevens van de volkstelling uit 1830 die plaatsvond in het toenmalige dorp Roden. Het huis bevond zich volgens het archief in het West en Noordeinde te Roden droeg het nummer 215.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is 1832-huis_215.jpg
De twee percelen van de familie Mederoos zijn door een rode lijn omgeven en droegen in 1832 de perceelnummers I-314 en I-315 (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort)

Kadastraal gezien bevond het pand zich op het eerste blad van Sectie I van de gemeente Roden genaamd de Zulte en droeg het perceel het nummer I-314. Het perceel I-315 was eveneens in het bezit van de familie Mederoos en deed dienst als tuin. Het pand en de tuin bevonden zich op de plaats waar tegenwoordig de huizen en tuinen met de nummers 12 tot en met 16 aan de huidige Leeksterweg staan.

Het huidig uitzicht over de Leeksterweg die rond 1830 nog de weg naar Roden werd genoemd. In de verte is nog de zogenaamde Bechtbocht te zien. Deze bocht had zijn naam te danken aan de apotheker die hier in de twintigste eeuw zijn apotheek had staan.

Waarschijnlijk is dit de locatie die de korvenmaker Gerrit Joris vanaf het jaar 1770 van Coenraad Wolter Ellents pachtte en deze in 1785 diende te verlaten. Over het dispuut en de korvenmaker kunt u hier meer lezen: Gedonder in de Noordeindiger Kampen. Het perceel ten westen van het huis met het kadastraal nummer I-313 bleek volgens het archief van het Kadaster nog steeds in het bezit van de familie te zijn. De eigenaar van het weiland was destijds de weduwe van de in 1823 overleden Jan Wilmsonn Kymmell, Alida Gezina Willinge. Zoals het toen gebruikelijk was, zal het weiland in het 1832 verpacht zijn aan een arbeider of een landbouwer.

Als wij de weg richting het oosten vervolgen komen wij na zeventig meter aan onze linkerzijde een grote boerderij tegen waar het gezin van de 44-jarige landbouwer Sikke Theodoris Huberts woont. Sikke Theodoris is een zoon van Theodoris Huberts die op dat moment op nummer 196 in het Oosteinde als schoenmaker zijn kost verdient. De landbouwer woont samen met zijn acht jaar jongere en in de Zulte geboren vrouw Marchien Stoffers Rozema. Het echtpaar had op het moment van de volkstelling in het jaar 1830 vier kinderen in huis, te weten: Eltien (1822), Geertien (1824), Hinderkien (1826) en Roelfien (1828). Hun eerste kind, Theodorus, werd geboren op 31 maart 1821 en overleed 3 maanden later. Dat het gezin voor juli 1830 meegenomen werd in de volkstelling van dat jaar, is te zien in de archieven waar de op twee juli in Roden geboren dochter Lammechien niet vermeld werd.

De op het oog drie percelen van de landbouwer Sikke Theodorus Huberts zijn door een rode lijn omgeven en droegen in het archief van het Kadaster uit 1832 de perceelnummers I-801 en I-802. Echter het perceel I-801 werd omschreven als huis en erf en vormde zo 1 perceel (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort)

Naast de kinderen woonden ook de 30-jarige in Leek geboren Tjeetske Pieters en arbeidster Helena Johannes de Boer, 46 jaar oud, weduwe van de in 1826 in Leutingewolde overleden landbouwer Klaas Louwes Klaassens samen met haar in 1818 geboren zoon Jacob Klaassens bij het gezin Huberts in.

De woning kreeg bij de volkstelling in 1830 het nummer 224 en bevond zich in het Noordeinde op het kadastraal perceel I-801, huis en erf. Het naast liggend perceel bouwland I-802 was ook in het bezit van de landbouwer. Op de huidige plaats waar zich de woning en het naastliggend perceel bouwland bevonden rond 1832, staan nu de vier huizen langs de Leeksterweg genummerd 1 tot en met 7. Aan de oostelijke grens van het toenmalige perceel staan nu drie huizen langs de Zulthereschweg met de nummers 2, 4 en 6.

De situatie zoals deze tegenwoordig voorbij de Bechtbocht in de Leeksterweg is. Vanaf deze locatie is de plaats waar in de negentiende eeuw de boerderij en het bouwland van Sikke Theodorus Huberts zich heeft bevonden, te zien. Het spreekt voor zich dat er niets meer zichtbaar is, dat wijst op de aanwezigheid van de landbouwer Huberts.

Tegenover het huis waar het gezin van de landbouwer Sikke Theodoris Huberts woont, aan de overzijde van het zandweggetje dat richting de Körtakkers voert dus, bevindt zich de woning van de familie Beuving met het huisnummer 225. De op woensdag 21 oktober 1789 te Roden geboren landbouwer Jan Lamberts Beuving woont hier in het jaar 1830 samen met zijn vier jaar jongere en in Norg geboren vrouw Jacobje Jans Hofman en hun vier kinderen: Trientje Jans (12), Fokkien Jans (10), Marchien Jans (7) en Lambert Jans (2). De op dinsdag 11 januari 1825 geboren zoon Jan Jans komen wij niet tegen, daar de kleine jongen reeds op vierjarige leeftijd kwam te overlijden op zondag 27 december 1829. Het kwam nogal eens voor bij de volkstellingen dat reeds een jaar eerder begonnen werd met het tellen en dat een overleden inwoner nog voorkwam in de papieren en daarom mee werd geteld.

Het perceel waarop zich de woning van Jan Lamberts Beuving bevond is door een rode lijn omgeven en droeg in het archief van het Kadaster uit 1832 de perceelnummer I-796 en werd omschreven als huis en erf (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).

De in de archieven van het jaar 1817 nog als dienstknecht omschreven Jan Lamberts Beuving, sluit op zondag 6 september 1863 in het dorp Roden met de leeftijd van 73 jaar en 10 maand en 15 dagen voor altijd zijn ogen en wordt een dag later als zijnde overleden bijgeschreven in het register van de burgerlijke stand met het aktenummer 25. De in het dorp Norg geboren echtgenote van Jan Lamberts, Jacobje Jans Hofman overlijd bijna vier jaren later op 77-jarige leeftijd op zaterdag 8 juli 1871 te Roden.

De als landbouwer door het Kadaster omschreven Jan Lamberts Beuving bezat toch nog een aantal forse percelen nabij zijn huis: I-797 tuin, I-799 weiland en I-800 bouwland. De beste man werd echter bij de volkstelling van 1830 door de gemeentelijke ambtenaren gezien als arbeider. (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).

Logementhouder Thijle Geerts Krijthe en zijn vrouw Berendje Voget bezaten in grote delen rondom het dorp Roden stukken grond en huizen, die zij verpachten en hierdoor naast de kroeg ook nog andere inkomsten kregen. Rond 1832 komen wij dan ook nog met enige regelmatig onroerende goederen tegen in de archieven die in het bezit waren van de weduwe van Thijle Geerts Krijthe, Berendje Voget.

De huidige plaats waar de Zulthereschweg en het Schoollaantje samenkomen. In het verleden bevond zich hier een zandpaadje dat richting het oosten ging.

Een van deze panden die in het bezit waren van de familie Krijthe, lag op zo’n twintig meter afstand van het huis van Jan Lamberts Beuving richting het zuiden in het Noordeinde. De percelen I-446 (tuin) en I-447 (huis en erf) waren verpacht aan de op zondag 20 oktober 1799 te Roden geboren Jan Geerts Boer. Boer stond te boek als een ‘schatter van slagtvee’, iemand die de waarde van het slachtvee taxeerde, en hij woonde hier met zijn vrouw Bougien Harms Kramer en zeven kinderen. Daarnaast komen wij in de papieren van 1830 ook nog de dan 59-jarige Katrina Hessels tegen, die dan daar inwonend is. Tien jaar later woont ze bij Ananias Brink in het huis aan het Zuideinde 144. Het betreft hier echter Catharina Hessels die op donderdag 1 februari 1770 te Roden als dochter van Carel Walraven Hessels en Egberdina Sleurmans geboren werd.

Als wij in het jaar 1832 de zandweg richting het zuiden oversteken, komen wij bij het huis uit waar de schatter van slachtvee Jan Geerts Boer met zijn gezin woonde. Het huis, erf en tuin waren in bezit van de weduwe van logementhouder Thijle Geerts Krijthe, Berendje Voget. (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).

Jan Geerts Boer was op woensdag 5 mei 1824 met de 23-jarige Bougien Harms Kramer te Roden getrouwd en ze kregen samen dus zeven kinderen: Grietien Jans Boer (1824), Geert Jans Boer (1826), Harm Jans Boer (1828), Aaltien Jans Boer (1830), Harmina Jans Boer (1833), Jan Jans Boer (1835) en Hindrik Jans Boer (1838). Lang kon Jan Geerts niet genieten van het laatste kind, bijna een jaar later op de woensdag 6 maart 1839 verwisselde hij in het bed het tijdelijke met het eeuwige leven. Bougien overleed bijna 41 jaren later op maandag 1 maart 1880 op 79-jarige leeftijd in Foxwolde.

De twee percelen, I-446 (tuin) en I-447 (huis en erf), die Jan Geerts Boer van Thijle Geerts Krijthe had gepacht (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).

De Hervormde Gemeente in het dorp Roden deed in het verleden veel om de ellende van de hulpbehoevende gemeenteleden te verzachten en had tot ongeveer eind 1859 behoorlijk wat onroerende goederen in haar bezit. Daarnaast waren er mensen binnen de Hervormde Gemeente die zich voor de minder bedeelden in wisten te zetten en zodoende leden van de kerkenraad waren; diaconen. Doorgaans wisten de diaconen een beroep te doen op de liefdadigheid van de wat beter gesitueerden, om zodoende ruimschoots de armen te kunnen helpen. In de Nederlandsche Encyclopedie van Winkler Prins uit 1870 werden deze mensen zo omschreven: “Een menschlievend diacon, die het vertrouwen der gemeente bezit, kan veel smart verzachten”.

Een advertentie van de Diaconen der Hervormde Gemeente Roden in de Provinciale Drentsche en Asser courant van 8 november 1859 waarin zij aangeven hun bezittingen in en rondom het dorp Roden te willen verkopen (Bron: Provinciale Drentsche en Asser courant, nummer 134, 8 november 1859, vierde blad, gedrukt bij Gratama te Assen).

Wanneer wij door het Noordeinde van 1832 ruim 40 meter richting het westen gaan, lopen wij voorbij het huis met het nummer 227. Het huis met de tuin dat hier destijds stond behoorde ook tot het bezit van de Hervormde Gemeente en werd rond 1830 verpacht aan de op de dinsdag 3 oktober 1787 te Lieveren geboren en een week later gedoopt in de Nederlands hervormde kerk van Roden arbeider Klaas Jans Ananias. Ananias was op woensdag 28 mei 1817 in het huwelijk getreden met dan 19-jarige Aaltien (Aaltje) Tjipkes Scheepstra uit Roden.

Het bezit van de Diaconie van de Hervormde Gemeente in Roden dat rond 1830 verpacht werd aan Klaas Jans Ananias en zijn vrouw. (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).

Klaas Jans en Aaltje Tjipkes pachten het huis (I-443) en tuin (I-444) van de Diaconie Roden en woonden hier rond 1830 met hun kinderen Annechien (1820), Ananias (1822), Jantien (1825), en Tjipke (1828). Hun eerste zoon, ook Ananias geheten, was in het jaar 1818 geboren maar kwam al in het begin van 1822, 3 jaar en 8 en 11 dagen maanden oud, in Roden te overlijden. Klaas Jans Ananias overleed op donderdag 10 september 1863 te Roden en Aaltje volgde haar echtgenoot op zaterdag 22 maart 1873 eveneens in Roden.

Op de kadastrale kaart van 1832 zijn de twee percelen tuin (I-316) en huis & erf (I-318) door een rode lijn omgeven. Het huis dat op papier dan nog eigendom is van de vader van de arbeider Harm Geerts Noord, Geert Klaassens van der Oor. Van der Oor die dan nog in het Oosteinde woont, zal later samen met zijn vrouw bij het gezin van zijn zoon intrekken. Tegenwoordig heeft de huidige locatie het nummer Heerestraat 228 (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).

Het laatste huis dat wij tegenkomen in de Noordeindiger Kampen ligt een kleine tien meter ten westen van het huis van Klaas Jans Ananias. Het huis met het nummer 214 was eigendom van de Roner landbouwer Geert Klaassens van der Oor en zijn uit Hoogkerk afkomstige vrouw Freerkien Harms. Geert Klaassens woont in het jaar 1830 nog in het Oosteinde op nummer 186 en zijn zoon Harm Geerts Noord woont samen met zijn eveneens in Roden geboren vrouw Annechien Scheepstra Tjipkes en hun drie kinderen Freekien Harms van 5 jaar, Sabe Harms van 3 jaar en de vier maanden oude Geert Harms, in het huis van zijn ouders in het Noordeinde.

Een luchtfoto van het gebied waar de Noordeindiger Kampen eens hebben gelegen. In de tegenwoordige tijd is er niets van het gebied over en is hier zoveel gegraven en veranderd, dat de mogelijkheid bestaat om hier nog heel oude sporen uit het verleden te vinden heel erg klein is (bron: topotijdreis.nl)

Het huis en de tuin van de landbouwer Geert Klaassens van der Oor bevonden zich op de kadastrale percelen met de nummers I-316 (tuin) en I-318 (huis & erf). Van der Oor overleed op 84-jarige leeftijd te Roden op zondag 31 januari 1864, bijna 18 jaren later dan Freerkien Harms, die reeds op de woensdag 3 juni van het jaar 1846 haar ogen op 74-jarige leeftijd voor het laatst sloot.

Gedonder in de Noordeindiger Kampen.

Al ver voor de achttiende eeuw bezaten de bewoners van havezate Mensinge grote stukken grond en woningen in de omgeving van het dorp Roden en die doorgaans verpacht werden aan boeren en burgers. Meestal waren dit boeren en burgers die in de buurt van de percelen woonden en voor de grootgrondbezitter was het de manier om aan de huizen en de percelen een beste stuiver te verdienen. Naast dat de verschuldigde pacht in keiharde pecunia voldaan diende te worden, bood men de pachters de mogelijkheid om deze in natura te voldoen. Dit gebeurde dan bij de Spijker, een schoutsboerderij die nabij huize Mensinge en die waarschijnlijk al sinds het midden van de zeventiende eeuw deze taak kreeg toegewezen.

Dit was niet veel anders toen de in Zuidlaren geboren Coenraad Wolter Ellents huize Mensinge in 1764 kocht en waar hij vanaf vrijdag 6 maart 1767 met zijn vrouw Gesina Oldenhuis ging wonen. Coenraad Wolter verhuurde zo’n stuk grond, ook wel kamp genoemd, aan de zoon van Joris Martens (Korvemaker) en Griete. Joris was de korvenmaker of kurver in het Westeijnde van het dorp  Roden en hij maakte niet alleen manden en korven, maar ook de zittingen van stoelen en was in rond 1713 in Roden getrouwd. Zijn vrouw die eerst genoemd werd als Griete, was de rond 1685 geboren Grietien Jacops. Joris Martens werd in 1742 aangeslagen voor haardstedengeld zo blijkt uit de archieven en de inmiddels weduwnaar geworden Joris moest 2 guldens betalen zijnde een keuter en zijn zoon Gerrit als korvenmaker.

De vermelding van Joris Korvemaker in het Haardstedengeldregister van het dorp Roden uit 1742. (Bron: Oude Staten Archieven (OSA), toegangsnummer 0001, inventarisnummer 868.24, Haardstedengeld Roden, Westeijnde, 1742, pagina 3677)

De korvenmaker Joris en zijn vrouw Grietien kregen in juni 1714 hun eerste gezonde zoon Pieter Joris. De tweede zoon kwam in maart 1718 ter wereld als Gerrit Joris. De zoon werd op zondag 13 maart 1718 in de deels romanogotische en deels gotische in de dertiende eeuw gebouwde Catharinakerk van Roden gedoopt als Gerrit, zoon van Joris Korvemaker en huisvrouw Griete. Naast Pieter en Gerrit waren er nog twee andere kinderen binnen het gezin aan het Westeijnde in Roden, zoon Jacob (januari 1723) en dochter Heijeltien (maart 1726). De rond 1685 in Roden geboren Joris Martens en vader van de eerdergenoemde kinderen, was een zoon van de eveneens in Roden woonachtige Marten Pieters.

Op zondag 13 maart 1718 werden er in de Catharinakerk van Roden drie kinderen gedoopt, te weten: Meerten, Gerrit en Annegien. (Bron: Drents Archief: Doopregister Roden 89, archiefnummer 0176.01, inventarisnummer 89, aktenummer 89)

Twee jaar later na de vermelding van Joris Korvemaker in het Haardstedengeldregister van het dorp Roden uit 1742 komen wij zijn dan 26-jarige zoon Gerrit tegen in het Drentse dorp Eelde. Om precies te zijn in het hoofdstuk ‘Trouwen 1737-1811’  uit het Doop, Trouw en Begraaf Register van het dorp. Het blijkt dat Gerrit op de zaterdag 25 april van het jaar 1744 aldaar in het huwelijk was getreden met de rond 1720 geboren en uit Bakkeveen afkomstige 24-jarige Hinkje Harms.

De vermelding in het Doop, Trouw en Begraaf Register van het dorp Eelde dat Gerrit in het huwelijk was getreden met zijn Hinkje. (Bron: Drents Archief Trouwregister Eelde 25, archiefnummer 0176.01, inventarisnummer 25, aktenummer 0176.01)

Precies een jaar later, op zondag 25 april 1745 wordt hun eerste zoon genaamd Joras gedoopt in de prachtige Catharinakerk te Roden, daar waar zijn vader ruim 27 jaar daarvoor eveneens was gedoopt. In het midden van de achttiende eeuw was er eigenlijk nog geen sprake van een standaard binnen de Nederlandse taal zoals wij deze vandaag de dag kennen en dit bracht natuurlijk de nodige problemen en verwarringen met zich mee. Daarnaast was de naamgeving met een verplichte achternaam die voor elk geboren kind binnen de familie diende te gelden, nog lang niet ingevoerd en gold doorgaans de voornaam van de vader als achternaam. Zelden werd het beroep zoals bakker of timmerman gebruikt en dan nog gold deze eerder als een verwijzing naar het beroep dan naar de familie van de drager.

De eerste zoon van Gerrit Joras en Hinkien Harms werd als Joras gedoopt, maar later verbasterde de naam naar Joris. (Bron: Drents Archief: Doopregister Roden 89, archiefnummer 0176.01, inventarisnummer 89, aktenummer 89)

Dit gold eveneens voor de eerst geborene binnen het gezin Gerrit Joras en Hinkien Harms. De naam Joris wordt ineens Joras en ook de nog in 1744 hetende Hinkje is nu Hinkien geworden. Op zich niet geheel vreemd dat de naam van Joris zijn echtgenote veranderde van Hinkje naar Hinkien, immers in grote delen van Drenthe werd een verkleinwoord uitgesproken met een ‘ien’ aan het einde en schreef men alles op zoals het klonk, waarvan zelfs veel in het aldaar gesproken dialect. Niet verbazingwekkend is het ook natuurlijk dat de naam genoteerd werd zoals de schrijver deze hoorde en zodanig interpreteerde.

De verwarring wordt alleen nog maar groter wanneer zoon Joras later naar de stad Groningen vertrekt en in het jaar 1818 komt te overlijden en in de Groningse archieven nu weer Joris heet, Joris Ferwerda. Zijn ouders worden in de overlijdensakte nu Gerrit Ferwerda en Enkje Harms genoemd. De op de leeftijd van 73 jaar tussen 13:00 en 14:00 op donderdag 8 januari 1818 overleden Joris was gehuwd met Eesina Reneman. De beste man overleed in het in het Gereformeerde diaconie arm- en kinderhuis, Hofstraat, Letter M, no.26, Kanton no.1 te Groningen. De aangifte van zijn overlijden volgde op zaterdag 10 januari 1818 en de twee aangevers waren Jan Versteegh, oud 62 jaar, kokvader en de 65-jarige Hindrik van Duren die breidemeester (iemand die aan de jongens ’t breien moest leren in de breidekamer van ’t Groene Weeshuis te Groningen) was, beide wonende te Groningen.

De vermelding van de in Roon geboren Joris Ferwerda, Zoon van Gerrit Ferwerda en Enkje Harms in het Overlijdensregister van de stad Groningen uit 1818. (Bron: Gemeente Groningen Overlijdensregister 1818, aktenummer 21)

Om de naam Ferwerda te kunnen verklaren binnen de familie moeten wij terug naar het begin van de zeventiende eeuw. Weliswaar moeten we het eerdergenoemde probleem van het opschrijven van namen in het achterhoofd houden, maar in de doopakte van de eerste zoon van Joris en Grietien wordt de vader Joris Martens Ferseda genoemd. Mijn vermoeden is dat de naam Ferwerda altijd al bij de familie heeft gehoord en op de achtergrond aanwezig is geweest, maar dat het niet gebruikelijk was om deze mee te noteren. Ferseda zal waarschijnlijk verkeerd zijn opgeschreven door de notulist.

Maar goed, laten wij terug gaan naar de korvenmaker Gerrit Joris en moeder Hinkien Harms, die op zondag 18 september 1746 hun tweede kind mogen dopen; Folkert. Of zoals het mooi werd opgeschreven in dat jaar: ‘Folkert, een soon gedoopt van Gerrit Joris en Hinkien Harms genaamd Folkert den 10. Sept.’.

De vermelding in het Doopregister van de tweede zoon Folkert. (Bron: Drents Archief: Doopregister Roden 89, archiefnummer 0176.01, inventarisnummer 89, aktenummer 89)

Ruim 3 jaar later volgt hun derde kind, eveneens een zoon die de naam Harremannus krijgt. Deze zoon wordt op zondag 9 november 1749 net zoals zijn oudere broers in de Catharinakerk te Roden gedoopt. Ook een ander verschijnsel dat in het verleden veel voorkwam, trof ook het gezin van Gerrit en Hinkien, kindersterfte. In de periode tussen 1749 en 1752 sterft hun tweede kind Folkert.

Op zondag 9 november 1749 wordt er in Roden ‘een soon gedoopt van Gerrit Joris en Hinkien Harms den 9 nov. genaamd Harremannus’. (Bron: Drents Archief: Doopregister Roden 89, archiefnummer 0176.01, inventarisnummer 89, aktenummer 89)

 In juni 1752 verwelkomt het gezin hun vierde kind die eveneens een zoon is en op zondag 25 juni 1752 wordt hij gedoopt met de naam Folkert. Iets wat je in die dagen veel vaker zag was dat de naam van een overleden kind gebruikt werd door een volgend kind van hetzelfde geslacht.

De vermelding in het Doopregister van de vierde zoon van Gerrit en Hinkien Folkert. (Bron: Drents Archief: Doopregister Roden 89, archiefnummer 0176.01, inventarisnummer 89, aktenummer 89)

Vier jaar later is het binnen het Nederlands Hervormd gezin weer feest. Het vijfde kind dat op zondag 30 mei 1756 gedoopt wordt in de mooie kerk van Roden is een dochter en krijgt de naam Geertruit. 1763 is het jaar waarin het laatste kind geboren en gedoopt wordt.

De bijschrijving van dochter Geertruit in het Doopregister van de hervormde kerk in Roden. (Bron: Drents Archief Doopregister Roden 89, archiefnummer 0176.01, inventarisnummer 89, aktenummer 89)

Op zondag 12 juni 1763 krijgt dochter Grietjen het heilige water op haar hoofd in de Catharinakerk zoals dit ook bij haar broers en zuster gebeurd was. Opvallend blijft toch wel dat zowel de achternaam van Gerrit dan weer als Joris en dan weer als Joras gebruikt wordt. Bij het laatste kind heet zelfs Hinkien ineens Inkien. Het blijkt maar weer, goed luisteren en schrijven was in die dagen echt een kunst.

Bij de vermelding van de doop van dochter Grietjen wordt moeder Hinkien ineens Inkien genoemd. Typerend voor die tijd en het zou mij niets verbazen als Grietjen in latere archieven als Grietien werd vermeld. (Bron: Drents Archief Doopregister Roden 89, archiefnummer 0176.01, inventarisnummer 89, aktenummer 89 Gemeente: Roden)

Nu veranderde de spelling met enige regelmaat in de Nederlanden van de achttiende eeuw en soms moet je even je hoofd erbij houden om het een en ander goed te kunnen interpreteren. Neem nu het Haardstedegeldarchief van het toenmalige kerspel Roden uit 1764, waarin we Gerrijt Joras tegenkomen zijnde een ceuter (keuter) in het buurtschap Rhoden en die 1 gulden betaald had. In die dagen was het dorp niet zo dicht bewoond zoals het vandaag de dag is en hielden de bewoners enkele dieren en een kleine moestuin om in de dagelijkse behoeften te kunnen voorzien.

De vermelding van Gerrijt Joras als ceuter in het buurtschap Rhoden. (Bron: Oude Staten Archieven (OSA), toegangsnummer 0001, inventarisnummer 868.24, Haardstedengeld Roden, Rhoden, 1764, pagina 3706)

De jaren zeventig en tachtig van de achttiende eeuw breken aan en met enige regelmaat komen wij de korvenmaker Gerrit Joras/Joris in de archieven weer tegen. Zo huurde Gerrit vanaf het jaar 1770 een kamp land te Rhoden van Coenraad Wolter Ellents, de bewoner en eigenaar van huize Mensinge. Blijkbaar gaan het boeren en de mandenmakerij Gerrit niet goed af en de dan nog in het buurtschap Westeijnde wonende keuter wordt in de belastingarchieven uit het jaar 1774 omschreven als: ‘Gerrijt Joras in bedrijf als ceuter onmagtigh om te betalen’. De man hoefde dan ook geen belasting te betalen. Tien jaar later in het register van het Haardstedengeld van het kerspel Roden uit 1784 van het buurschap Roden verschijnt Gerrijt Joras weer en wederom is de aangeslagene niet in staat op de belasting op te hoesten; ‘Onmagtigh’.

In de belastingarchieven uit het jaar 1774 omschreven als: ‘Gerrijt Joras in bedrijf als ceuter onmagtigh om te betalen’. Hetzelfde lot onderging ook de eveneens in het Westeijnde wonende Lambert Ottens. (bron: Oude Staten Archieven (OSA), toegangsnummer 0001, inventarisnummer 868.24, Haardstedengeld Roden, Westeijnde, 1774, pagina 3719)

Vanaf 1785 begint de ellende pas goed voor de 67-jarige Gerrit. Waarschijnlijk waren de schuldeisers het gedrag van de steeds in schulden verkerende keuter en korvenmaker meer dan beu en zeggen hem de wacht aan. Het kan ook zijn dat Coenraad Wolter Ellents een zwak voor de man had en hem daardoor ontzag om zijn schulden in een rap tempo te voldoen. Ellents verwisseld echter op zondag 12 september1784 het tijdelijke met het eeuwige en het jaar daarop zal zijn weduwe genoeg hebben gehad van Gerrit Joras. In het archief van Huis Mensinge te Roden tussen de stukken van zakelijke aard komen wij een exploot tegen die  uitgebracht was namens Gesina Oldenhuis aan Gerrit Joras te Roden, houdende een aanzegging om in 1786 een schuld af te lossen en de zogenaamde Noordeindiger kamp te verlaten. Een ‘exploot’ is een proces verbaal van de ambtshandeling van een deurwaarder: het leggen van beslag, het constateren van bepaalde waarnemingen, of het betekenen van een dagvaarding of een ander processtuk.

De vermelding uit 1784 dat Gerrit Joras niet in staat is om de belastingen te kunnen betalen. (Bron: Oude Staten Archieven (OSA), toegangsnummer 0001, inventarisnummer 868.24, Haardstedengeld Roden, Rhoden, 1784, pagina 3728)

Laat in de maand mei van het jaar 1790 krijgt de  in het Oosteijnde wonende timmerman Jan Harms de opdracht om een lijkkist voor het lichaam van de overleden vrouw van Gerrijt Joris te maken. Uit het kasboek van de timmerman blijkt dat deze de kist op maandag 24 mei 1790 heeft gemaakt. Hinkje Harms zal ongeveer zeventig jaar oud geworden zijn. In de tussentijd blijft het conflict tussen Gesina Oldenhuis en Gerrit Joras doorsudderen. In 1792 stuurt Gerrit Joras te Roden een verzoekschrift aan de schulte Jan Willinge van Peize inzake een geschil tussen de eerste en Gesina Oldenhuis over de verpanding van een perceel land te Roden.

Blijkbaar heeft het verzoekschrift niet geholpen en is de weduwnaar Gerrit in 1793 gedwongen zijn eigendommen te verkopen. De in huize Terheijl wonende Willem de Lille was rond die tijd al druk bezig met het uitbreiden van de bezittingen in Terheijl en de Zulte, waarbij hij dit buitenkansje niet liet liggen en op dinsdag 5 februari 1793 werd de koop beklonken. Volgens de archieven van de 30e/40e penning staat op het bewijs van overdracht vermeld dat Mr. De Lille de behuizing en hof van Gerrit heeft gekocht voor 250 gulden, waarbij de 30e penning voldaan werd met 6 en de 40e penning met 5 gulden. De 30e/40e penning was een vorm van belasting over de aan- en verkoop van onroerende goederen.

Een fotokopie van de akte uit het archief van de 30e en 40e penning waarin vermeld staat dat Mr. de Lille de behuizing en hof van Gerrit Joras dezelfs voor 250 gulden heeft gekocht. (Bron: Drents Archief 30e  en 40e penningen (1679-1797), rekendag 05-02-1793, pagina 8256)

Het geld dat Gerrit voor het verkopen van zijn eigendommen in het Noordeindiger kamp kreeg, zal hij nodig hebben gehad om zijn schulden af te betalen en als we dan weer in de archieven van het lokale belastingarchief duiken, komen wij de beste man nogmaals tegen. Waarschijnlijk woont hij nu bij één van zijn kinderen. Maar is nog steeds zo arm als een kerkrat. Van de belastingplichtige staat er nu in het Haardstedegeldarchief: ‘Gerrit Joras, is niet onder de Diaconie doch onmagtig om te betaalen’. Niet onder diaconie wil zeggen dat diegene zich niet in een armenhuis van bijvoorbeeld de hervormde gemeente bevond.

De registratie van de belastingplichtige Gerrit Joras uit het jaar 1794 waarin te lezen valt dat de beste man eigenlijk geen nagel meer had om zijn achterste te krabben. (Bron: Oude Staten Archieven (OSA), toegangsnummer 0001, inventarisnummer 868.24, Haardstedengeld Roden, Roden, 1794, pagina 3742)

Na bijna tachtig jaar is het moeizame en zware leven van de weduwnaar en korvenmaker Gerrit Joris voorbij en sluit hij op donderdag 4 januari 1798 zijn ogen voor de laatste keer. Als overlijdensoorzaak werd in het overlijdens -, ondertrouw- en trouwboek 1793-1811 van Roden  ‘aan verval van krachten’ vermeld.

De vermelding van het overlijden van de bijna tachtig jaar oude weduwnaar en korvenmaker Gerrit Joris in overlijdens -, ondertrouw- en trouwboek 1793-1811 van Roden. (Bron: Drents Archief Doop, Trouw en Begraaf RegistersSoort registratie: Begraafregistratie(Akte)datum: 04-01-1798 )

Buurtuig, goorsprake en boze heksen

Angst en onwetendheid sierde ons land tijdens de zestiende eeuw in alle hevigheid en waarbij bijgeloof eerder de regel dan uitzondering was. Ook bij de doorgaans zeer nuchtere Drenten was het geloof in duivelse machten zeer groot. Ondanks dat de angsten voor het duistere niet meer zo groot was als in de voorgaande eeuwen, nog steeds kreeg men koude rillingen als er over boze geesten, demonen, en andere creaties uit de boze onderwereld gesproken werd. Nee, de angst voor alles wat maar met het slechte te maken had heerste over het kille, ruige land van Drenthe.

Noord-Drenthe en het Westerkwartier op een kaart uit het jaar 1568. Het spreekt voor zich dat de kaarten uit deze periode lang niet zo gedetailleerd zijn als die van vandaag de dag, maar er is toch een redelijk beeld te vormen van hoe men de omgeving van Roeden (Roden) destijds zag. (Utriusque Frisiorum regionis noviss. descriptio. 1568)

In de Sulte rond 1574 was het niet anders gesteld dan in de rest van de landschap Drenthe en in de donkere uren was het gevaarlijk op de slecht verlichte paden en de woeste, natte heide.  Zeker als in de herfst het begon te schemeren en de eerste mistflarden begonnen zich te vormen over de grote heide en weiland, dan moest je oppassen want dan kwamen de ‘Witte wieven’. Boosaardige mythische wezens die enkel uit boosheid bestonden en kwaadaardige dingen deden. Het was opletten geblazen want ze probeerden je te verleiden om ze te gaan volgen richting de moerassen van het Sieveen met het resultaat dat je voor altijd verdween.

De mistflarden over de heide en moerasgronden die in het verleden gezien werden als gevaarlijke wezens die onschuldigen probeerden te verleiden om ze vervolgens voor altijd te laten verdwijnen. Hier hangen de witte wieven boven een weiland nabij het Sieveen.

Het waren barre tijden voor de bewoners van Drenthe en het leek wel of zelfs de natuur samenspande met de witte wieven. Overal langs de paden groeide een plant, Groot heksenkruid (Circaea lutetiana), die het doel had om de arme zielen te laten verdwalen wanneer deze de plant op hun pad aantroffen. De natuur van toen werd gezien als een geduchte tegenstander, waar zeker niet mee te spotten viel.

Nog steeds treffen wij Groot heksenkruid (Circaea lutetiana) aan in de Zulte, maar niet in die grote hoeveelheden zoals deze in de zestiende eeuw hier voorkwamen.

Dit gold ook voor paddenstoelen die met name in de herfst verschenen in zogenaamde ‘heksenkringen’ die verschenen op de plaats waar heksen hadden gedanst. De Grote stinkzwam (Phallus impudicus) is ook een schoolvoorbeeld van het verband tussen de heksen en de natuur. De paddenstoel van de zwam weet een zeer penetrante aasgeur te verspreiden om vliegen en kevers aan te trekken. Het is echter niet de vieze geur die de zwam in het verleden met heksen verbinding bracht, maar zijn explosieve groei. Het vruchtlichaam of knol waaruit de paddenstoel ontstaat heeft veel weg van een ei. In de volksmond sprak men vroeger van een ‘Duivelsei’ en deze waren her en der door heksen neergelegd nadat zij bevrucht waren door de duivel.

Phallus impudicus is de wetenschappelijke naam voor de Grote stinkzwam en past in het geheel bij deze paddenstoel, gezien de snelheid waaruit een paddenstoel uit een zogenaamde duivelsei ontstaat. Op de voorgrond van de afbeelding is een duivelsei te zien.

Zoals men vandaag de dag duidelijker laat blijken dan ooit, bestonden er in de jaren zeventig van de zestiende eeuw ook mensen die de natuur helemaal niet zagen als een vijand maar eerder als een goede vriend en daar ook voor uitkwamen. De vele soorten planten die in de wijde omgeving van de Sulte voorkwamen bezaten heilzame krachten en werden dan ook door ‘Kruidenvrouwen’ verzameld. Een heel oud gebruik dat al werd toegepast door de Germanen lang voordat het christelijk geloof zijn intrede op het Drentse land deed.

Werden deze vrouwen nog zeer gewaardeerd ten tijde van de Germanen, vanaf de dertiende eeuw veranderde dat beeld van de kruidenvrouw helemaal en waren ze hun leven niet meer zeker. De Dominicanen en de kerk van Rome trokken de wereld in om deze te zuiveren van heidense rituelen en ketterse gedachten. Kruidenvrouwen en andere mensen met ‘vreemde’ ideeën, ook wel tovenaars genoemd, werden als bondgenoten gezien van Satan en het duivelse kwaad met het doel de christen geloofsgemeenschap van het rechte pad af te brengen. Het lieve oude vrouwtje dat voorheen door de Sulter bossen struinde op zoek naar kruiden was nu ineens een groot gevaar geworden.

Molckentoversche!”, riep men nu en verjoeg haar van de weilanden waar het vee liep. Zij zorgde ervoor dat de koeien ziek werden, geen melk meer wilden geven en dat de schapen een zeer pijnlijke dood ondergingen. Dat het melkvee geen melk meer gaf en de schapen doodgingen had maar weinig te doen met het kruidenvrouwtje dat nu als een heks werd aangezien. Tegenwoordig heeft elke melkveehouder wel een tabelletje van welke voedingsstoffen er aan de bodem moet worden toegevoegd voor een hogere melkopbrengst en geeft hij zijn koeien en schapen medicatie tegen de beruchte Leverbot (Fasciola hepaticia), een parasiet die voorkomt bij onder andere rundvee, schapen, geiten, paarden, maar bijvoorbeeld ook bij reeën, hazen, en konijnen.

Zoals heksen aan het begin van de zestiende eeuw gezien werden in grote delen van Europa. (Noorder Rondblik, Nieuwsblad van het Noorden no. 33, pagina 12, woensdag 9 februari 1983)

Een molkentoverse genoemd te worden was destijds niet zomaar iets zoals in de huidige tijd, waarbij een vrouw de schouders optrekt als zij door opgeschoten hangjeugd een heks genoemd wordt. In de middeleeuwen met de heksenwaan, die vanuit het katholiek geloof enorm werd aangewakkerd, was het levensgevaarlijk om van tovenarij beschuldigd te worden. Menig man en vrouw eindigden hun leven op een brandstapel als heks of tovenaar. Zeker toen de godsdiensttwisten aan het begin van de zestiende eeuw het religieus fanatisme aanwakkerde, ontstond er een klimaat waarbij de angst voor heksen de meest vreeslijke vormen aannam en die een hoogtepunt beleefde aan het eind van de 16e en in het begin van de 17e eeuw.

Op deze 18e eeuwse houtsnede zijn drie heksen uitgebeeld, die aan tovenarij doen en op bezems door de lucht vliegen. (Uit ‘Hexen’ van Hans Biedermann, Graz, 1974). (Noorder Rondblik, Nieuwsblad van het Noorden no. 33, pagina 12, woensdag 9 februari 1983)

Nu verliep deze hectische periode een stuk rustiger in het rustieke Noordenveld, of het Noerdevelder Dinxpel zoals het in die tijd genoemd werd, gelegen in de landschap Drenthe en werden hier geen heksen verbrand. Dit neemt echter niet weg dat er ook hier in het dingspel ook heksenprocessen zijn geweest, waarbij het er niet vriendelijk te keer ging. Nou ja, processen is dan ook weer zo’n groot woord, laten we het maar inhoudelijke behandelingen noemen. Dat neemt echter niet weg dat menigeen die naar een zitting ging, aangeraden werd om er rekening mee te houden, dat het uit de hand kon gaan lopen.

Goespraecke’ of Ghoesprake’ was een dingspilsgewijze rechtszitting in het landschap Drenthe  die ook wel ‘Goorsprake’ genoemd wordt en waar de inwoners de inbreuk op hun rechten naar voren brachten. De dorpen binnen een dingspil kwamen op regelmatige tijden bijeen. In het dingspil Noordenveld stonden deze goorspraken tussen 1567 en 1577 onder leiding van de Drost van Drenthe, Evert van Ensse en een landschrijver. Tijdens de goorsprake beslisten de buren (buir- of buurschap) over misdaden en overtredingen die aangegeven waren. Deze vorm van rechtspraak binnen een dingspil noemde men ‘buirtuich’ (buurtuig).

Nog een 18e eeuwse houtsnede met een heks, die aan tovenarij doet en ook op een bezemsdoor de lucht vliegt. (Uit ‘Hexen’ van Hans Biedermann, Graz, 1974). (Noorder Rondblik, Nieuwsblad van het Noorden no. 33, pagina 12, woensdag 9 februari 1983)

Het is op de zaterdag 23 maart van het jaar 1574 dat er in Eelde een goorsprake plaats heeft onder de toezicht van de Drost van Drenthe Evert van Ensse en waarbij de Sulter Jan Rotgers zich beklaagd had over Fenne Alberts. Mevrouw Alberts had over de vrouw van Rotgers het gerucht verspreid dat zij kon toveren. De echtgenoot van Fenne, Albert (meyer in de Helle), spreekt de beschuldiging tegen en men verlangt van Jan Rotgers dat hij binnen twee weken bewijs van het gezegde moet overleggen.

Goespraecke over Noerdevelder dinxpel tho Eelde opten 23 Martij 1574.

De buiren vertuighen, nadenmael Jan Rotgers claeget over Fenne Alberts, dat Fenne syn huisfrouwe beruchtiget heft, dat sie thoveren kan, und Albert, meyer in de Helle, secht van wegen syn huisfrouwe, dat sie haer geene thoverye angethegen heft, daeromme Jan Rotgers op syn bewys, dat hie Fenne overbewysen sal binnen 2 weken, alse lantrecht is, dat Fenne hoer angethegen heft, dat si thoveren kan.(Bron: Goorspraken van Drenthe 1572 – 1577, Werken der Vereeniging tot uitgaaf der bronnen van het Oud-Vaderlandsche Recht, derde reeks no. 1 pag. 165. Uitgegeven door Kemink en Zoon N.V., Utrecht 1931.)

Op een oude kaart uit het jaar 1579 heette het dorp weer Roden en werd huize Mensinge nog Eeusum genoemd. Ook nu nog waren de kaarten slecht gedetailleerd en werden enkel de belangrijkste dingen vermeld. (Abraham Ortelius – Frisia Occidentalis 1579)

Het ziet er naar uit dat Jan Rotgers de beschuldiging van de roddels die door Fenna Alberts over zijn echtgenote verspreid waren, niet kon bewijzen en zal daarom er verder geen gewag van hebben gemaakt. Het zal zeker vrijwel onmogelijk geweest zijn om het geroddel op een goorsprake bewezen te krijgen, zeker zonder getuigen. Maar soms gebeurde dit soort aantijgingen in het openbaar in de aanwezigheid van getuigen en dan heeft het een en ander gevolgen voor diegene die de beschuldiging(en) uitte.

Op de goorsprake van woensdag 15 juni gehouden in Vries moest de koster van Roeden (Roden), de heer Willem, het gelag betalen voor zijn grote mond. De koster had in een gelagkamer te Roden waarschijnlijk enkele alcoholische drankjes genuttigd en gedonder gekregen met de echtgenote van Roeloff Staels. Hierbij heeft hij haar uitgemaakt voor molckentoversche ten overstaan van getuigen. Dit levert heer Willem een aangifte van de buren op.

Dat heksen geen oerlelijke oude wijven hoefden te zijn liet Jan van de Velde in het jaar 1626 zien. (Bron)

Heer Willem zal geschrokken zijn van de gevolgen die zijn opmerking over de vrouw van Roeloff Staels hebben gebracht en zeker toen het besef doordrong, dat de buren de koster van Roeden hadden aangeklaagd. De buren beslissen zelfs dat heer Willem binnen twee weken zijn beschuldiging waar moet maken. Doet hij dit niet, dan zal hij schuldig verklaart worden volgens het Drentse Landrecht. De ondeugende koster krijgt 2 weken de tijd om in beroep te gaan en gaat in appèl van deze beslissing. Ook dit geval zal met een sisser aflopen.

Ghoesprake geholden to Vries, opten 15 Junii 77 by de e. Evert van Ensse, Drost.

De buiren brengen an, dat heer Willem, de koster toe Roeden, heft Roeloff Staels huisfrouwe overgesacht, dat sie eene molckentoversche is in eenen open gelach. Daerop de buiren van Roen vertuigen, dat heer Willem sal schuldich wesen de woirden waer te maicken binnen 2 weecken oft selver in de stede staen; voirts op slants brieff. Dese buirtuich heft heer Willem binnen de 2 weken beropen. (Bron: Goorspraken van Drenthe 1572 – 1577, Werken der Vereeniging tot uitgaaf der bronnen van het Oud-Vaderlandsche Recht, derde reeks no. 1 pag. 390. Uitgegeven door Kemink en Zoon N.V., Utrecht 1931.)

Het zal de nuchterheid van de Noord-Drenten zijn geweest die de jacht op heksen niet tot een bloederig hoogtepunt hebben laten komen waarbij de martelkamers en de brandstapels overuren draaiden. De enigen die aan het einde van de zestiende eeuw in het kerspel Roden zich zorgen moesten maken, waren de katholieke priesters die in het geheim hun kerkdiensten bleven uitvoeren.

Kluften

Plaatselijke gemeenschappen in Drenthe bestaan natuurlijk al heel lang en tot verdriet van velen, was men in de provincie niet zuinig op oude documenten. Veel van die oude documenten zijn erg beschadigd of bestaan stomweg niet meer. Natuurlijk was men niet overal slordig en roekeloos met de oude geschiften en is hier en daar nog iets moois te vinden. En ander gedeelte van de geschiedenis is via mond op mond reclame generaties lang bewaard gebleven.

In het kleine brinkgehucht nabij de Zulteresch was het leven voor het jaar 1795 niet veel anders dan op andere plaatsen in de Landschap Drenthe. Het was slechts een van de vele buurtschappen die in het arme en dunbevolkte gewest voorkwamen. Naast de doorgaans kleine buurtschappen waren bestonden er ook andere plaatselijke gemeenschappen zoals de marken, schultambten, kerspelen, heerlijkheden, en de dingspelen.

Doordat Cornelis Pijnacker (1570-1645) zich in 1627 in de plaats Meppel in de Landschap Drenthe vestigde, is de beroemde Pijnacker kaart van Drentia uit het jaar 1634 ontstaan. Het zou de eerste kaart van het arme en dunbevolkte gewest zijn. (bron)

Een andere term voor de plaatselijke gemeenschappen die wij in de Landschap Drenthe tegen kunnen komen zijn ‘kluften’, die ook wel ‘cluften’, ‘clufften’, of ‘kluchten’ werden genoemd. In Drenthe kon een kluft onder andere voor een onderdeel van verschillende dingen zijn zoals in een onderverdeling van een kerspel, die in de regel geen kerk had en kan dan ook gezien worden als een synoniem voor een wijk of buurtschap. Een kluft kon in sommige gevallen een meer of minder grote mate van zelfstandigheid hebben. In sommige plaatsen waar veel kluften voorkwamen, kwam men het woord kluft tegen in namen zoals ‘Noorderkluft’ of ‘Zuiderkluft’.

Nu kende men in de omgeving van het kerspel Rhoden al heel lang een vorm van kluftgebruiken, die ook wel ‘noaberplicht’ werd genoemd. Een ieder die in een noaberschap (buurtschap of kluft) woonde, had de verplichting de andere noabers (buurtgenoten) met raad en daad bij te staan. In het verlengde van wat als noaberplicht werd gezien, was de inzet van de kluften voor de eenvoudige arbeidsverdeling binnen een buurtschap. Het belang was bijvoorbeeld in Peize goed zichtbaar, waar speciaal de zorg voor de wegen jaarlijks kluftsgewijze geschiedde.

Dit gold eveneens voor het buurtschap de Zulte waar zich een herder met de schaapskudde bevond, die gebruik maakte van een schapendrift richting het grote heideveld. De noabers zullen verantwoordelijk zijn geweest voor het onderhoud en de toegankelijkheid naar het perceel heide met het nummer K-210 van bijna 37 hectare net boven de Toutenburgsingel. Het perceel heide was net zoals het grondstuk waarop de schapendrift lag, I-257bis, in het bezit van de markegenoten Zulte.

De toenmalige schapendrift van het voormalig esgehucht de Zulte die tussen de Hoppenkamp en de es Kostverloren lag. De noabers in het buurtschap waren verantwoordelijk voor het onderhoud aan de drift.

Eigenlijk bevonden zich in het kerspel Rhoden volgens het grondschattingsregister van 1642 vijf kluften: Roden, Steenbergen, Leutingewolde, Foxwolde en Zulte. Daarvoor zou het aantal kluften hebben kunnen variëren gelang de plaatselijke omstandigheden van economische aard of bevolkingsdichtheid. Op pagina 93 van het boek ‘De rechtspositie van de Eigenerfden in Drenthe’ uit 1934 beschrijft Dr. A. F. Lunsingh Meijer over een conflict tussen de eigenerfden van Roden en Steenbergen over een voorgenomen grensregeling, waarbij de bewoners van Steenbergen de scheidpalen hadden weggenomen.

De buren van Roden komen tegen het ontvreemden in verzet en eisen onder andere het volgende: ‘daer nochtans, die van Steenberghen noijt andere marcke hebben gehadt als gemeen nevens andere kluften van Roden, hoewel de kluften om gerijfs halven iedereen sijn eijgen besonder district van opslach, heijden en weijden gehadt heeft. Zij hebben nevens andere kluften alle gemene lasten eenpaerlijck gedragen.’ Opvallend is de definitie van ‘marcke’ hierin te vinden: ‘district van opslach, heijden en weijden.’ De verschillende kluften binnen het kerspel hebben elk een eigen stuk van de marke in gebruik, welke gedeelten op hun beurt eveneens de naam kluft hadden.

Een andere term die opduikt is het zogenaamde ‘filiaaldorp’. De vijf eerder genoemde kluften binnen het kerspel Rhoden zijn eigenlijk een buurtschap op zich zelf, waarbij men een typisch voorbeeld heeft van een filiaaldorp die destijds veel in Drenthe voorkwam. Zeer veel buurtschappen zijn ontstaan als filiaal- of dochterbuurtschappen van een oerbuurtschap, waarbij door de uitbreiding van de bevolking mensen uit het buurtschap vertrokken en zich vestigden op een gedeelte van de ongescheiden marke van de oorspronkelijke buurschap.

Door de zeer geringe bevolkingsdichtheid lagen de oerbuurtschappen ver uit elkaar en waren de omliggende markegronden zeer groot. Op die markegronden ontstond de nieuwe buurschap, met haar eigen gescheiden marke er om heen, oorspronkelijk min of meer afhankelijk van de oerbuurschap op wier markegronden zij lag. Die afhankelijkheid bleef bestaan in die gevallen, waarvan hier in Roden een voorbeeld is te zien, waar de verschillende buurschappen samen, wat het ongescheiden gedeelte betreft (soms werd dit nog beperkt tot alleen bos en heide of veengronden), een marke hadden. In dat geval bleven de nieuwe buurschappen feitelijk kluften van de oerbuurschap (bron: Dr. A. F. Lunsingh Meijer  – De rechtspositie van de Eigenerfden in Drenthe, van Gorcum & Comp., Assen 1934, pagina 94).

Het grensgebied tussen het dingspel Noordenveld en het Ommeland Westerkwartier nabij het Leekstermeer. In de tijd van de kluften zullen grote stukken van het gebied er zo uit hebben gezien.

In  de provincie Groningen had een kluft, ook wel ‘klauw‘ of ‘clauw‘ genoemd, een belangrijkere rol dan de buurtschappen in bijvoorbeeld Noord-Drenthe. Nu was de situatie in Groningen en vooral de Ommelanden niet te vergelijken met die van Drenthe ondanks enige overeenkomsten die wel voorkwamen zoals eerder beschreven in Peize. Door de ligging van die provincie aan de Waddenzee en het uitmonden van een tal van beken en riviertjes in diezelfde Waddenzee, speelden de buurschappen of kluften bij de waterstaat maar ook bij de onderhoud van wegen en burenhulp. Een reglement uit het jaar 1722 voor de Stadsjurisdicties van Groningen zorgde dat de dorpen hiervoor uit een aantal kluften of noabergilden (buurtgilden) dienden te bestaan. Dit gold ook voor de Ommelanden.(Wikipedia)

Had een kluft of buurtschap zoals de Zulte ten noordwesten van het kerspel Rhoden niet echt een voorman of woordvoerder, de kluften in Groningen wel degelijk. Deze werden ‘Kluftheer’ genoemd en dienden als buurt- of wijkmeester. In ‘Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden, deel 21, 1794 Van Stad en Lande’ wordt op pagina 171 aandacht besteed aan de kluftheren: ‘De Heeren van de Kluft maaken uit een Kluftheeren-getal van agt persoonen, waartoe men voor-heen twee uit ieder der vier kluften nam; maar welke zorgvuldigheid thans geene plaats meer heeft, schoon nog voor hun de stad verdeeld blyft in vier panden.’.

Komen wij in het Drenthe van de zeventiende en de achttiende eeuw de benaming ‘etstoel’ tegen voor een ambtsgebied van een plaatselijk gerecht, op ‘t Groninger Land sprak men eerder van een ‘rechtstoel’ als het de rechtsprekende colleges betrof. In het aan het noordwesten van de provincie Drenthe grenzend Westerkwartier werd de redger of rechter net als in Friesland ‘grietman’ genoemd en zijn assistent ‘wedman’. De wedman trad tevens op als deurwaarder.

Op een kaart uit het jaar 1660 waarop de Stad Groningen en de Ommelanden waren afgebeeld, zijn zowel het Vijfde Dingspil Nordeveldt als Fredewoldij te zien. Daarnaast worden de landerijen onder het Sulte meer omschreven als Lage Landen en moeras, iets waar het meer zijn naam ook aan dankte. (Atlas van Kooper, uitgegeven door Frederick de Wit in de Calver straet te Amsterdam, ca. 1660)

Er waren ongeveer 75 rechtstoelen in Groningen en als we de lijst aanhouden van de ‘Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden deel 21 1794 Van Stad en Lande, tweede deel’ dan heeft het Westerkwartier de volgende nummers 50 (Vredewold), 51. (Oosterdeel Langewold), 52. (Westerdeel Langewold), 53. (Visvliet), 54. (Ooster Ruige Waard), 55. (Middel Ruige Waard), 56. (Wester Ruige Waard), 57. (Niehove), 58. (Humsterland), 59. (Ezinge), 60. (Hardeweer), 61. (Feerwert), 62. (Aduard), 63. (Dorkwerd en Leegkerk), 64. (Hoogkerk), en 65. (Platvoetshuis) .

Voor het gebied nabij het oude esgehucht de Zulte is het toenmalige onafhankelijk Ommeland Vredewold redelijk van belang qua invloed. Het buurtschap bezat weliswaar tot het midden van de jaren twintig tijdens de negentiende eeuw niet een directe verbinding met de weg tussen Rhoden en de Leek, maar de connecties met Nijentap (Nietap) en Ter Heyl zorgden wel voor een uitwisseling van gebruik en spraak. Veel dingen gaan nu eenmaal verder dan ’t Piepke del!

Een gedeelte van de kaart van het Wester Quartier van Groningen 1751-1754. De kaart werd vervaardigd door ir. Caldenbach. (Groninger Beeldbank)

Vredewold was een staande rechtstoel van het huis Nyeoort (Nienoord) en had het nummer 50. Hieronder vielen de volgende dorpen en kluften: Marum, Noordwyk, Nuis, Niebert, Tolbert, Midwolde, de Leek, Lettelbert, Oostwolde en de Leege Meeden. Deze streek ligt in het oosten tegen het zuidwesten van Friesland, ten noorden van Drenthe, ten westen van Middagt, en ten zuiden van Langewold.

De auteur van het boek ‘Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden deel 21 1794 Van Stad en Lande, vierde hoofdstuk, pagina’s 374 tot en met 376’ omschrijft prachtig: “De dorpen liggen genoegzaam in ééne rye, opeenen zandigen en houtdragenden grond, terwyl de veenen meerderdeels ten zuiden zyn Vredewold, (by Emo Frodowalda geheten) ofschoon niet groot zynde, was al van ouds eene landstreek op zig zelve, welke een eigen wapen (Hetzelve verbeeldt eenen geharnasten ruiter te paard), een eigen landregt (Landregt van Vredewold) , en eigene rigteren in ieder dorp hadde. Deeze rigteren verdeelden zig in eene Ooster en Westerwarf, en zaten daarop gezamenlyk te regt. Dit heeft geduurd tot het jaar 1531, wanneer de gemeene rigteren , eigenerfden, en ingezetenen van Vredewold, zo wel van de ooster als de westerzyde, de geheele grieteny ervelyk opdroegen aan Beetke, de weduwe van Wigbold van Ewsum, en haare kinderen; onder die voorwaarde, dat in ieder dorp de Buurrigteren zouden blyven, en dat de tydelings aantestellene Grietman moest zyn tot genoegen der gemeente. En in dat opzigt is het nog heden een staande regtftoel van het huis Nye-oort; maar de kerkelyke collatien in de dorpen behooren mede aan anderen, hoewel dat huis door deszelfs groote goederen veel inzage daarin heeft. Tot de dorpen zelve overgaande, is van de Friesche paalen het eerste.”.

De indeling van het Ommeland Vredewold vlak voor de Bataafsche revolutie van 1795. (Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden deel 21 1794 Van Stad en Lande, vierde hoofdstuk, pagina’s 376 tot en met 380)

Een ander verschil tussen de Drentse en Groninger kluften was het ‘Claveboeck’. Het claveboek of klauwboek was in de provincie een officieel register binnen de kluften, waarvan de eigenaar gerechtigd is om als redger of rechter op te treden. De klauwboeken komen voor in de Ommelander gouwen die onafhankelijk waren van de stad Groningen zoals Vredewold. (Bron)

Dat het er in de kluften binnen de Landschap Drenthe een stuk gemoedelijk aan toe ging dan in Groningen blijkt wel uit het bovenstaande artikel uit de Drentsche en Asser courant no. 133, blad 6, van woensdag 10 juni 1953 .

In het jaar 1880 verscheen er in de Provinciale Drentsche en Asser courant een serie feuilletons over de diverse Drentse plaatsen en hun bezienswaardigheden, waarbij de kerk van Roden ook niet ontzien werd. De in de ik-vorm schrijvende verslaggever weet het zo mooi te vertellen, dat ik het uit twee delen bestaand verhaal daar waar het betrekking heeft op kluften, hier plaats. Het zijn fragmenten van ‘Naar Roden V en VI’, en ze verschenen respectievelijk op maandag 5 juli (No. 155) en dinsdag 6 juli (No. 156) 1880.

De prachtige Catharinakerk op de Brink van Roden. De kerk werd gebouwd in de dertiende eeuw en werd gewijd aan de heilige Catharina van Alexandrië.

Den toren te beklimmen — ik had er lust noch moed toe. De historie van Babel roept de stervelingen toe: ‘niet de lucht in !’ en eene andere stem geeft den raad: ‘laag en klein bij den weg — dan heeft men ’t minste gevaar !’ Wat ik later eens doe, weet ik niet, maar thans was er niets dat mij naar boven kon lokken — beneden was zooveel genoegen dat men een dwaas moest wezen, om zich te vermoeijen, door de lucht in te gaan en zoo niet van de vrolijke partij omlaag te zijn.

Toch ken ik de ernstige boodschap, welke J. Borgherdt, de klokkegieter te Groningen, door de eenige klok, welke Roden heeft, tot den volke liet spreken, toen zij in 1746 op haar hoogen troon was geheschen. Zij luidt:

lk noodige al die vreest den Heer tot dienst van Christus den Hemelkoning, En schla een naar geluyt wanneer de mens verlaat des ardse woning.

Behalve die uitnoodiging vindt men in het metaal gegrift:

Willem Baron van In en Knijphuijsen Heer van Nienoort en des landes Vredewolt, medegedeputeerde staat en Curator Academiae der provincie van Stadt en Lande medecollator tot Roden etc. etc. Hendrick Allingh, scholte tot Roden en Roderwolde, desself verwalter Tyll Krythe, Jacobus van der Scheer predicant, Ette Harm Eels van Lijverden en Deodatus Peeters in der tijd kerkvoogden, Jan Janssens en Floris Aukema van Lootingewolde als hijrtoe van de acht kluften tot Roden zijnde gekommitteerd geweest. Geert Krijthe, Hindrick Geerts als voerluiden van de klok.

Uit den toren in de kerk en al dadelijk onthaal ik mijne lezers op een dichtstukje, ’t welk ter linkerzijde op het orgel wordt gevonden. De onbekende vervaardiger zegt:

Zing Roden! Hoppincks naam en God ter eer! Een Gajus leerde u ’t eerst de zuivre Leer. Nu steunt een Catherine uw Tempelzangen Bij milde gift van ’t konstig Orgelwerk. Hij schoort den Kansel op; Zij siert uw Kerk. Uw God bezorgt uw Heiligdoms belangen Door Hoppincks, nader dan in vleesch en bloed Tot Sions dienst vermaagschapt naar ’t gemoed.

Aan de regterzijde leest men:

“Dit orgel, versierd met deze Wapens, strekt ter gedagtenisse van den Heer Albert Hoppinck, en deszelfs Huisvrouw Elizabeth Johanna Hoppinck, geboren Clarcq, en derzelver twee nagelaten kinderen, wijlen den Heer en Mr. Jacob Willem Hoppinck en Mejuffrouw Maria Catharina Hoppinck, en is vervaardigt uit een Legaat, door laatstgemelde Juffrouw op den V Maart MDCCLXXVI aan de Kerke van Roden daar toe expres gemaakt.” ݉

Aan de achterzijde staat:

Dit orgel is verveerdigt in het jaar 1779 door de directie van den WelEdele Geboren Gestrenge Heer en Mr. C. W. Ellents, raed en secretaris van het landschap Drente, etc. etc., die daartoe expreslijk is geautoriseert geworden, en is gemaakt door den orgelmaaker A. A. Hins te Groningen.

’t Orgel van Roden’s kerk is een geschenk. Eene bloedverwante van G. Hoppinck — hier predikant geweest — te ’s Hage overleden op 18 December 1776, vermaakte aan de kerk het aanzienlijke legaat van tienduizend gulden en daarvan werd het orgel vervaardigd, onder toezigt van mr. C. W. Ellents, eigenaar van het Huis Mensinge en te Boden overleden op 12 September 1784. ’t Werd ingewijd op 4 Junij 1780 door Regnerus Tjaarda de Cock, predikant te Nieuwe Pekela, naar aanleiding van Ps. CXLIV : 9. Deze leeraar was daartoe uitgenoodigd, omdat hij en ook zijne echtgenoote bloedverwanten en erfgenamen van de schenkster waren. ’t Orgel doet nog zijn maker eer aan en is, zegt men, een der beste in Drenthe.

De achterzijde van de prachtige Catharinakerk in Roden. Op de achtergrond is de toren te zien die de schrijver van een serie feuilletons over Drentse plaatsen in 1880 beklom.

In 1795 kwam er met de Bataafsche Omwenteling bestuurlijk gezien een einde aan de kluften in zowel Drenthe als Groningen.

Sülte en het moeras

Toen ik een poosje geleden een gedeelte van een oud boek over Oost-Nederlandse plaatsnamen uit het jaar 1930 en geschreven door H. J. Moerman zat te lezen, kwam ik een verklaring voor de naam van het voormalig esgehucht de Zulte tegen, die de theorie van Professor dr. Maurits Gysseling behoorlijk ondersteunt. (De Zulte en hoe zat dat ook alweer met de zee?) Tevens verklaart het naar mijn bescheiden mening ook waarom het Leekstermeer vroeger ook wel het Solte- of Sultemeer droeg, iets wat later verbasterde tot het Zulthermeer.

Afbeelding uit het boek van H. J. Moerman – Oost-Nederlandse plaatsnamen, 1930.

In dit boek verwijst de schrijver met enige regelmaat naar de Duitse auteur Hermann Jellinghaus, die aan het eind van de negentiende, begin twintigste eeuw een aantal werken over de de dialecten, taalgebruiken en streeknamen had gepubliceerd. In zijn in 1896 gepubliceerd boek met de titel ‘Die westfälischen Ortsnamen nach ihren Grundwörtern’ legt Jellinghaus de betekenis van het woord ‘sülte’ uit. Hermann Jellinghaus schrijft op pagina 162 van het eerder geciteerd boek dat sülte ook staat voor ‘Morast’, dat in het Nederlands ‘moeras’ betekent en verder dat ‘de Zulte, Bsch. In Drente’ is (bron: Hermann JellinghausDie westfälischen Ortsnamen nach ihren Grundwörtern, pagina 162, Lipsius & Tischer, 1896)

Pagina 162 uit Hermann Jellinghaus zijn boek ‘Die westfälischen Ortsnamen nach ihren Grundwörtern’ met de uitleg over sülte.

Nu waren grote delen rondom het esgehucht inderdaad behoorlijk drassig en ook troffen we vele moerassen aan op de natte heidevelden ten noorden en aan de westelijke zijde van de Zulte. Maar eigenlijk lag de Sulte, zoals het gehucht tot ver in de achttiende eeuw genoemd werd, op zo’n 3,4 kilometer afstand van het meer vandaan en ook het Kadastrale gebied de Zulte reikte niet verder dan de Turfweg. En natuurlijk zoemt de laatste jaren ook het sprookje rond dat de naam afkomstig moet zijn van zout, immers de zee had hier een grote invloed op het gebied!

Grote onzin natuurlijk. Mij lijkt het veel aannemelijker dat het Leekstermeer zijn oude benamingen meer aan het feit te danken had dat het erg ondiep en moerassig was, dan aan een hersenspinsel van invloeden op de gebieden door de zee. Het Leekstermeer is waarschijnlijk ontstaan doordat twee stroompjes in het verleden samen kwamen op de plaats van de huidige Rietboor. Het ene beekje kwam uit het zuidwesten en werd later de Leecke genoemd, het andere naamloze beekje vanuit het Haarveen dat ten zuiden van het punt van samenkomst lag.

Vermoedelijk hebben de twee beekjes deze route gevolgd en is het Leekstermeer gevormd.

Door het warmer worden van de Aarde, de stijging van de zeespiegel en de toenemende vorming van veen in het gebied rondom de Rietboor, ontstond er een enorm groot moerasgebied bestaande uit laagveen. Doordat het moeras de snelle afvoer van water naar de zee vertraagde, steeg het water nog sneller en groeide en meer veenmossen. Vermoedelijk hebben harde winden vat op het water gekregen en het veen uit elkaar gedreven, waardoor er een meer werd gevormd. Het verklaart ook waarom het Leekstermeer van oorsprong ook niet dieper was dan zo’n 1,5 meter.

Zou het er duizenden jaren geleden zo uit hebben gezien daar bij de Rietboor waar nu het Leekstermeer ligt?

Arensguldens, markegenoten en valkenvluchten

Dat er zich in het gebied rondom het oude esgehucht de Zulte zichtbare of juist onzichtbare oude sporen uit het verleden bevinden, moge duidelijk zijn. Dat er hier en daar dan ook verschillen  van inzicht over bepaalde gebieden of feiten bestaan, staat ook buiten kijf. Dat noem ik nu een zegen, daar naar mijn mening een verschil van inzicht met redelijke argumenten voor mij een uitdaging is. Dat maakt het zoeken naar bepaalde voorwerpen, gebruiken of veldnamen in het gebied rondom de Zulte voor mij  juist mooi; een vorm van een tijdreis naar het verleden.

Portret van Robert Cheseman (1485-1547) uit 1533 met een valk gemaakt door Hans Holbein de Jonge  (1497/1498-1543). (Bron: Wikipedia)

Zo lagen er aan de oostelijke zijde van het vroegere Groot Noordholt en ten noorden van de Westeresch in het midden van de zestiende eeuw een slechts een paar weilanden en vooral een behoorlijk groot heideveld, die de naam ‘Valken veld of Valkensveld’ droegen. Aan het einde van de negentiende eeuw verschenen er aan de westelijke zijde van het gebied enkele woningen, waar arbeiders of kleine keuters in kwamen te wonen, waarbij naar alle waarschijnlijkheid varkens tot hun veestapel behoorden. Bij sommige mensen blijft dan ook het idee bestaan dat het geen Valkensveld, maar Varkensveld is. In de Roner en Lukkenwolmer volksmond kreeg het in de twintigste eeuw dan ook de naam ‘Zwieneveld of Zwieneveltie’.

Op de oude Franse legerkaart uit 1810/1811 zijn de huizen van de arbeiders nog niet gebouwd maar is wel duidelijk te zien hoe enorm het bos Groot Noordholt was. Rechtsboven op de kaart bevond zich het Valken veld. (Bron: Drents Archief)

Maar de boeiende geschiedenis van dit gebied gaat natuurlijk veel verder terug in de tijd dan menigeen zal hebben gedacht. En het is vanzelfsprekend dat er veel onduidelijk bestaat over de historie, daar er maar weinig op papier gezet werd over dit doorgaans onbewoond gebied. Of het esgehucht de Sulte in de vijftiende en de zestiende eeuw een marke of iets in die geest bezat? Waarschijnlijk wel. Het lijkt er op dat de markegenoten van de Sulte, die samen met die van bijvoorbeeld Leutingewolde, met enige regelmaat de beslissing van de marke Roden aanvochten.

De Vereeniging tot uitgaaf der bronnen van het Oudvaderlandsche Recht publiceerde op de pagina’s 61, 62 en 63 in het zesde deel, dat de titel ‘Verslagen en Mededeelingen’ droeg en uitgegeven werd te ’s-Gravenhage door Martinus Nijhoff in 1910, verslagen van de marke Roden uit een handschrift dat in het bezit was van de graaf van Inn und Knyphausen uit 1495.

18. Willekeur der marke van Roden. 1495. Item dit naeschreven ys der bueren wilkoer. (Naar een handschrift in het bezit van den graaf van Inn und Knyphausen.)

26. Item de schuttinge van Wester-esch, Sulter-esch des daeges enen stuver ende des nachtes enen yager. Weers sarke dat de beesten des daeges niet en worden ghelosset ende kreghen daerenboeven hinder oft schaden, se sullen broekeloes ende boeteloes wesen.

28. Item des soe hebben dye ghemene buyren ghewillekoert, want de Loetinghewoltmer ene sunderlinghe marcke hebben, alle beesten dye ghevonden worden ende gheschuttet worden in Wester-essche, Sulter-essche, elck beest en halve tunne beers. Ende de se bevindth sal de den schutheerden wittigen. Ende wil de schutheerde dan niet medegaen schutten, soe sultse oeck breken 1 tonne beers.

36. Item dye Sulter sult hoeren drijft  holden nae de Helle ende nae dye Leeke ende voert nae dat Hinxtebroeck. Ende dus pleghen dye Sulter hoer drijft hijrhen thoe holden nae older ghewoente als vorz. ijs. Ende oft zy desse drift niet en holden soe sal men dye beesten schutten, ende nemen daer schuttijnge-recht aff als voersz. is.

Hier en daar kom je in oude geschriften uit de vijftiende en zestiende eeuw regeltjes tegen die er op wijzen dat er toch wel degelijk een vorm van een marke of markegenoten waren in de omgeving van de Zulte, in in naslagwerken over de marke’s in Drenthe lees je er niets van terug. Dan blijft er niets anders over dan door de oude en vaak slecht leesbare documenten te wroeten om de gegevens te vinden die je zoekt.

Zo kwam ik een oud document uit 1548 tegen in de Groninger Archieven dat uit het bezit van de familie van Ewsum kwam met de opmerking ‘1548 overdracht valkenvlucht, Joh. vE.’.  Het voor mij grotendeels slecht leesbaar document begint met twee namen, Johan Staal (ook wel Johan Staele genoemd) pastoor te Roden en ene Hilbrant Krumens, die in het jaar 1546 aan het Westeinde in Roden woonde. Krumens stond op een schattingslijst uit 1546 en werd verplicht om 19 Brabantse stuivers te betalen.

Akte van verkoop door Johan Staal, pastoor te Roden, en gemachtigde van de markegenoten in Noordholt, aan Johan van Ewsum van het recht om met roofvogels in de marke te jagen. Met akte van verkoop door Van Ewsum aan dezelfde van een jaarlijkse rente, 1548. (Bron: Groninger Archieven)

1546 was het jaar dat de hervormer Maarten Luther overleed, maar dat had weinig effect in het landschap Drenthe van dat jaar. Drenthe had het druk met het innen van de schatting voor Karel V, een vorm van belasting die maar liefst 3500 Carolus gulden bedroeg. Aan dit bedrag moest het kerspel Roden, bestaande uit 102 inwoners afkomstig uit het Oestende, Suydtende, Westende, Lyveren, Steenberghen, Sulte, Lotinghewolde en Foxwolde, 97 Carolus gulden en 25 1/2 Brabantse stuivers opbrengen.

Het schrift waarin het bovenstaande stond en dat zich in het archief van de stad Aurich bevindt en waarvan het Drent Archief een kopie bezit, vermeldde het volgende: “Item int yaer ons heren duysent vyffhondert ses unde veertich gaff dat gemene landt van Drenthe thoe schattyne voer dat eerste termyn, se Keyserliker Majesteyt ghelovet hadden vyerdehalff duysent Carolus gulden, daer dat kerspell van Roden voer hoer part soeven unde tnegentig Carolus gulden ende vyff ende twyntichsten halff brabant st. van thoe quam thoe betalen nae luyde desse navolgende settynghe uuth enen olden register gherekent.”. (Bron)



Er waren rond die tijd in de wijde omgeving van Roden verschillende munten van diverse waarden in omloop. Hierboven zijn de twaalf diverse munteenheden in een tabel weergegeven, de waarde was van van 1 januari tot ultimo december 1548. (Bronnen: Het kasboek van Hendricus Lontzenius, de laatste abt van klooster Selwerd over de jaren 1560-1563. F.J. Bakker, R. I. A. Nip en E. Schut, 2003, Assen: Koninklijke van Gorcum. Pag. 24 en Rekeningen der Stad Groningen uit de 16e eeuw, uitgegeven door DR. P. J. BLOK. ‘s Gravenhage. 1896)

In het boek ‘Het geslacht van Ewsum, geschiedenis van een jonkersfamilie uit de Ommelanden in de 15e en 16e eeuw.’ dat geschreven is door M. Hartgerink-Koomans in 1938, is er sprake van de markegenoten van ’t Noorderhout. Het Noordenhout was beter bekend in de volksmond als het Groot Noordholt en bevond zich ten  noorden van het kerspel Roden en noordoostelijk van het esgehucht de Zulte. Op pagina 41 komen wij een verslag dat de hierboven geplaatste documenten goed samenvat:

In 1548 had Johan van Ewsum zich ondertussen door de houtvoogden en de markegenooten van ’t Noorderhout de valkenjacht laten schenken in dank voor genoten en toekomstige weldaden aan ’t karspel. Zulke aanzienelijke heeren onder de markgenooten als de Groninger burgemeester Johan Thema en de abt van Aduard lieten toe, dat zij met name in de akte genoemd werden; van anderen was zeker niet te vreezen, dat ze ooit zelf nog eens de valkenjacht ter hand zouden nemen. Tot dien tijd hadden de houtvoogden dit recht verpacht: om de markegenoten schadeloos te stellen, schonk van Ewsum hun vijf dagen later een jaarlijksche rente van zes Arensguldens.’ (Het geslacht van Ewsum, geschiedenis van een jonkersfamilie uit de Ommelanden in de 15e en 16e eeuw.(M. Hartgerink-Koomans, Maria 1938. pag. 41.)

Eigen opname van een Boomvalk (Falco subbuteo) hoog boven de huidige weilanden die vroeger tot het Valkenveld behoorden. Of de boomvalk ook geschikt was voor de valkenjacht kon ik niet terug vinden.

Voor mij stopt het jagen met valken hier maar Harry Perton alias Groninganus neemt het stokje naadloos over in zijn ‘Valkerij Johan van Ewsum te Roden maakte deel uit van internationaal netwerk’ op z’n weblog. Een weblog met leuke historie voor elk wat wils en zeker een bezoekje waard!

De link van de abt van Aduard met het Groot Noordholt was deze dat het klooster hier grote percelen bos in zijn bezit had. Deze percelen zijn later door de eigenaren van Huize Ter Heijl overgenomen. Nog tot in de twintigste eeuw heeft de familie van Ewsum en hun opvolgers grote stukken land in bezit gehad wat eens het Valkenveld was.

Aan het begin van het jaar 1895 komen wij de naam Valkenveld weer tegen in een tweetal advertenties in het Nieuwsblad van het Noorden, die respectievelijk op de zondag 6 januari en drie dagen later, in de editie van woensdag 9 januari, verschenen. De advertenties waren opgesteld door notaris Ebbinge Wubben in opdracht van de erfgenamen van de overleden echtgenoten Eite Sinninge en Jantien Roling, die delen van het bezit wensten te verkopen. Daarbij zaten ook delen die Eite na het overlijden van zijn ouders geërfd had en in de Zulte en onder Roderwolde lagen. Naast het perceel hakbos op de Zulteresch dat wij kennen als de Langestreek, bevond zich ook een ander perceel hakbos van 0.15.30 hectare met de naam Valkenveld.

De advertentie die verscheen in het Nieuwsblad van het Noorden van zondag 6 januari 1895 en in opdracht van de erfgenamen door Ebbinge Wubben opgesteld was. De vermelding van het Valkenveld, dus geen Varkensveld, is duidelijk te zien (bron: Nieuwsblad van het Noorden, derde blad, Zondag 6 januari 1895, achtste jaargang, nummer 3).

De overleden eigenaren van deze percelen waren dus Eite Sinninge en Jantien Roling. Eite, ook wel Eite Stevens genoemd, werd op vrijdag 10 mei 1811 in Leutingewolde geboren als een zoon van de boer Steven Jans Sinninge en zijn vrouw Roelfje Eidens Oosterhof en huwde op donderdag 6 mei 1852 met in Norg geboren Jantje Rolink. Dat de op de zondag 24 november 1816 geboren dame in de huwelijksakte nog Jantje Rolink werd genoemd, laat nogmaals zien hoe de namen destijds werden opgeschreven; fonetisch. Kortom, veel namen werden zo opgeschreven zoals ze klonken. De dame heette echter Jantien Roling en was een dochter van de Norger verver Roebert Roelfs Roling en Grietje Jans Zuidhof.

Het echtpaar vertrok op maandag 10 mei 1852 vanuit de gemeente Roden naar de gemeente Vries, waar zij zich in Bunne vestigden. Eite Ebbinge was een neef van de in de Zulte wonende boer Jacob Jans Sinnige, waarover het artikel ‘Zulte 37; Sinninges in de Zulte’ gaat.