De Germanen arriveren in de Zulte.

Het is niet geheel bekend wanneer de eerste brinken in de omgeving van het dorp Roden zijn ontstaan, maar waarschijnlijk verschenen de eerste brinkachtige nederzettingen in de tijd van de oude Germanen, de periode tussen 500 en 700 na Christus. Het is niet onvoorstelbaar dat de brink van het esgehucht de Zulte rond die tijd ontstaan is en sindsdien verder is ontwikkeld. De vondst van restanten van een boerderij nabij de es Kostverloren, waarvan één van de archeologen schat dat deze uit het jaar 800 na Christus stamt, geeft aan dat er vlakbij de brink al boerenactiviteiten plaats hebben gevonden. 

Op zo’n 60 centimeter diepte werden door archeologen sporen gevonden van een boerderij die uit de periode 800 na Christus schijnt te stammen. De sporen zijn duidelijk zichtbaar in het lichte zand.

Doordat het gebied rondom het esgehucht de Zulte zich aan het einde van het Drents Plateau bevindt, zal dit op de nieuwe bewoners een grote aantrekkingskracht hebben gehad om hier te blijven. De sporen van de laatste ijstijden, het Saalien (238.000 tot 126.000 jaren geleden) en het Weichselien (116 tot 11,7 duizend jaar geleden), hadden er hiervoor gezorgd dat het gebied deels met een redelijk vruchtbaar leemhoudende bodem was bedekt. Daarnaast hadden zich op de oplopende heuvels enorm grote bossen gevormd en waren er op de lagergelegen delen uitgestrekte heidevelden ontstaan. 

Op deze afbeelding zijn de sporen van de oude boerderij ook goed zichtbaar in het gele zand. Waarschijnlijk zal er hier een groot heideveld met enkele bossen hebben gelegen toen de boerderij gebouwd werd. Van de zeer intensieve landbouw tijdens de twintigste eeuw was er toen natuurlijk geen sprake.

De omgeving van het oude esgehucht zag er dus destijds heel anders uit dan vandaag de dag het geval is en het is amper nog voor te stellen hoe het hier zo’n 1500 jaren geleden uit heeft gezien. De nabijheid van de redelijk open ruimten tussen de bossen, de vruchtbare grond en de aanwezigheid van een kleine beek, zorgden dus voor een grote aantrekkelijkheid voor de Germanen die hier aankwamen. Ze hoefden hier geen strijd te voeren of land te veroveren, maar arriveerden hier als rustige nederzetters om hier te gaan wonen en werken. 

Zo zou het er in de periode 500 tot 700 na Christus in de Zulte hebben uit kunnen zien. De eerste Germaanse boeren die met hun gezin hier voorzichtig een nederzetting waren begonnen. Het is vandaag de dag nog amper voor te stellen hoe het hier in die tijd er moet hebben gezien (afbeelding: Bloeitijd boeren in Twente en Achterhoek door samenwerking (https://www.tubantia.nl/overig/bloeitijd-boeren-in-twente-en-achterhoek-door-samenwerking~a2dbd3df/).

Waarschijnlijk zal de omgeving ten oosten van de plaats waar de brink ontstond niet ideaal geweest zijn om een nederzetting te bouwen. In die tijd was het Groot Noordholt een enorm groot oerbos van tientallen vierkante kilometers waar onder andere wolven en beren voorkwamen, niet de meest vriendelijke buren die je destijds als boer kon wensen, waardoor de vroege bewoners genoodzaakt waren om op plaatsen te gaan wonen waar men zich en hun dieren tegen deze rovers kon verweren. Nee, dan was één van de bosranden van de kleinere bossen nabij de beek een geschikte plaats om enkele hutten in onregelmatige groepen van elkaar neer te zetten en zoiets van een vroege brink te vormen. 

Een mooi voorbeeld van hoe de boerderijen van de Germaanse boeren er destijds uit zou hebben kunnen zien op de plaats waar de brink eens werd gevormd (bron: http://preken.mobi/ ).

Het ontstaan van de brink, een ruimte van agrarische oorsprong dat bij het typische esdorpenlandschap hoort, gebeurde min of meer doordat er een vorm van bebouwing omheen plaatsvond. Deze ruimte, ook wel brinkruimte genoemd, kon tal van functies bezitten die van plaats tot plaats verschilde van een sociale ontmoetingsplek tot bijvoorbeeld een verzamelplaats voor het vee. Daarnaast werden er op veel brinkruimten eiken aangeplant voor het leveren van hout en eikels voor de varkens. 

Met een klein beetje fantasie had de vroege brink er in de laat-Germaanse tijd er zo uit kunnen zien. Het blijft vanzelfsprekend slechts een vermoeden van hoe het een en ander eruit zag, maar geheel onwaarschijnlijk is dit toch niet (afbeelding: Archeologie op de Kaart – Denekamp – Een Germaans dorp. (https://www.archeologieopdekaart.nl/).

Een ander en niet onbelangrijk aspect in de ontwikkeling van de vroege brink en de directe omgeving was toch wel de levensduur van een vroege boerderij. Onderhoud zoals wij dat heden ten dage kennen bestond nog niet en daardoor werd de houdbaarheid van een woning zeer beperkt. Vaak was het huis na zo’n dertig jaar volledig af en zakte het in elkaar. Doorgaans werd op de plaats naast de oude boerderij een nieuwe gebouwd met materialen onder andere afkomstig van de oude woning. De nieuwe materialen werden in de directe omgeving gewonnen in bijvoorbeeld de nabijgelegen bossen. 

Zo zag men een oud-Germaans huis in het midden van de twintigste eeuw zoals deze in de provincie Drenthe voorkwam. Waarschijnlijk mogen deze worden beschouwd als de voorlopers van het Saksische boerenhuis, dat zozeer het karakter van het latere Drentse esgehucht bepaalde. (afbeelding: Mr A. Klein – De Drentse dorpen 1948, J. A. Boom & Zoon Uitgevers Meppel. Pag. 47 illustratie van Y. S. Dijkstra).

Door de eeuwenlange redelijk geïsoleerde ligging van het zuiver agrarische esgehucht waar aanvankelijk niet anders dan een paar boeren woonden, zullen voor de nodige klussen ook gewoon boeren zich ingezet hebben. Beroepen zoals een smid of een timmerman zullen zij naast het boerenleven vervuld hebben. De Zulte was dan ook bij uitstek een boerengehucht. 

Vermoedelijk zal het aantal boerderijen rondom de vroege brink vrijwel hetzelfde geweest zijn en schommelde het zo rond de zes á zeven woningen waarin één of meer gezinnen woonden. Iets buiten de brink hebben ook de nodige boerderijen gestaan en zijn deze in de loop der tijd niet weer herbouwd. Sporen van oude boerderij uit de twaalfde eeuw zijn gevonden op het meest zuidelijke deel van de es Kostverloren. 

Restanten van een muur opgebouwd uit veldkeien in de grond van de es Kostverloren die uit de twaalfde eeuw zouden kunnen stammen. Links van de oude muur is de potklei duidelijk zichtbaar. Veel van deze veldkeien zullen de vroege boeren hier hebben verzameld. In de laag keileem die tijdens het Saalien door de gletsjers hier achtergelaten is, zaten zeer veel stenen waaronder dus de gebruikte veldkeien.

De eerste boeren arriveren in de Zulte.

Vanaf de periode die zo’n vijfduizend jaren voor het begin van de huidige jaartelling plaatsvond in de wijde omgeving van het voormalig esgehucht de Zulte tot grofweg enkele eeuwen later (4500 v.C.), deden zich gebeurtenissen voor die wij in een groot deel van Noord-Nederland konden aanschouwen. Enkele groepen van jagers en verzamelaars trokken in kleine groepen van gemiddeld zo’n 25 personen, door het gebied dat wij nu als het noordwesten van de provincie Drenthe kennen. 

In tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt, jaagden ook de vrouwen bij de jagers en verzamelaars mee voordat zij zich gingen vestigen als de eerste boeren. Vaak gebruikt men het argument dat de mannen fysiek veel sterker zouden zijn dan de vrouwen. Recent onderzoek verwerpt dit idee (bron). (Afbeelding: Geschenk der Gletscher – Wie die Eiszeiten Europa formten https://www.ndr.de/fernsehen/programm/epg/Geschenk-der-Gletscher-Wie-die-Eiszeiten-Europa-formten,sendung1499796.html#:~:text=Vor%20etwa%20450.000%20Jahren%20wurde,nicht%20denkbar%20ohne%20die%20Eiszeiten Donnerstag, 26. Dezember 2024).

De oorzaak dat een groep van jagers/verzamelaars uit ongeveer 25 personen bestond had een reden. Men gaat ervanuit dat het aanbod van voedsel dat verzameld werd, vrij beperkt was en men daardoor niet voldoende verzameld kon worden om een grotere groep van eten te voorzien. Het was dan ook één van de redenen dat de groep na verloop van tijd verder trok naar voedselrijkere gebieden. 

Nadat de jagers/verzamelaars zich gevestigd hadden als de eerste boeren in de Zulte, begonnen ze met het ontwikkelen en daarna het verbouwen van eetbare granen. Ook voor de vrouwen was nu een andere rol binnen de groep weggelegd en door het veranderen van de rol begon ook de populatie van de groep te groeien. (Afbeelding: Geschenk der Gletscher – Wie die Eiszeiten Europa formten https://www.ndr.de/fernsehen/programm/epg/Geschenk-der-Gletscher-Wie-die-Eiszeiten-Europa-formten,sendung1499796.html#:~:text=Vor%20etwa%20450.000%20Jahren%20wurde,nicht%20denkbar%20ohne%20die%20Eiszeiten Donnerstag, 26. Dezember 2024).

Niet alleen voor de moderne mens, die nog als jager en verzamelaar rondtrok in grote delen van ons land, stonden er zeer grote veranderingen te wachten, ook het gebied en het klimaat zou het een en ander ondergaan. Door het geleidelijk oplopen van de temperatuur en de toename van de vochtigheid steeg het waterpeil en liep niet alleen het Noordzeebekken vol water, maar nam de veenvorming in de hoger geleden delen van onze provincie destijds enorm toe. 

Het waren de tijden dat de moderne mens zijn overlevingsstrategie drastisch ging veranderen van het in groepen gaan jagen en verzamelen naar het overgaan om door middel van akkerbouw en het houden van vee om aan voedsel te geraken. In de loop der tijd ondervond men welke grassoorten met kon gaan verbouwen om graan te verkrijgen en het proces van het domesticeren van dieren zoals runderen voor voedsel zodat men niet meer hoefde te jagen om aan vlees te komen, zorgde voor de nodige zekerheid. 

Naast dat de overlevingsstrategie grondig veranderde door een andere levensstijl, maar ook onderging het menselijk lichaam de nodige veranderingen. Doordat de moderne mens nu niet meer voldoende vitamine D3 of cholecalciferol (C27H44O) meer binnenkreeg zoals dit tijdens de jacht gebeurde, begon de huidskleur van de mens lichter worden om uit ultraviolette stralen vitamine D3 via het zonlicht te kunnen produceren. 

Het zaaien van de eerste granen ging natuurlijk niet zoals men dat vandaag de dag doet. Nee, het voorbereiden voor het zaaien had nogal wat voeten in de aarde. Eerst diende de grond goed losgemaakt te worden waarna de vroegere boer er lange, smalle regels door de losgemaakte bodem trok om de zaden te kunnen planten (Afbeeldingen: Geschenk der Gletscher – Wie die Eiszeiten Europa formten https://www.ndr.de/fernsehen/programm/epg/Geschenk-der-Gletscher-Wie-die-Eiszeiten-Europa-formten,sendung1499796.html#:~:text=Vor%20etwa%20450.000%20Jahren%20wurde,nicht%20denkbar%20ohne%20die%20Eiszeiten Donnerstag, 26. Dezember 2024).

Een ander gevolg van het veranderen van een rondtrekkend bestaan naar een vaste woongemeenschap, was toch wel de vrij snelle stijging van de populatie. De veehouderij bleek een goede zet daar de jacht niet voldoende voedsel zou gaan opleveren om alle monden te kunnen voeden. Nu bestaat er geen weg meer terug voor de moderne mens naar het oude bestaan als jager/verzamelaar in de wijde omgeving van de Zulte. 

Als het graan rijp genoeg was, werd het door de boer met een sikkelvormig mes geoogst en daarna werden de zaden verzameld (Afbeelding: Geschenk der Gletscher – Wie die Eiszeiten Europa formten https://www.ndr.de/fernsehen/programm/epg/Geschenk-der-Gletscher-Wie-die-Eiszeiten-Europa-formten,sendung1499796.html#:~:text=Vor%20etwa%20450.000%20Jahren%20wurde,nicht%20denkbar%20ohne%20die%20Eiszeiten Donnerstag, 26. Dezember 2024).

Giganten in de Zulte.

Met een luide, ijzige kreet stortte het grote lijf op de grond, zuchtte diep en na een paar stuiptrekkingen, verstijfde het gigantisch lichaam en zou nooit weer bewegen. Heel snel stortten de groep jagende neanderthalers (Homo neanderthalensis) zich op het nog warme karkas van een zo juist gedode Europese bosolifant (Palaeoloxodon antiquus), die de pech had om op de verkeerde tijd en de meest foute plaats zich te bevinden zo’n 400.000 jaren geleden tijdens een warmere periode in het geologisch tijdvak Holsteinien. 

Noord-Europa ruim 465 tot 418 duizend jaar geleden tijdens het glaciaal Elsterien, toen enorme ijsgletsjers grote stukken land bedekten met sneeuw en ijs (afbeelding: Geschenk der Gletscher – Wie die Eiszeiten Europa formten https://www.ndr.de/fernsehen/programm/epg/Geschenk-der-Gletscher-Wie-die-Eiszeiten-Europa-formten,sendung1499796.html#:~:text=Vor%20etwa%20450.000%20Jahren%20wurde,nicht%20denkbar%20ohne%20die%20Eiszeiten Donnerstag, 26. Dezember 2024).

Of dit tafereel ook in het gebied rondom de Zulte in het holsteinien ook plaatsgevonden heeft is vandaag de dag moeilijk te achterhalen. Het gebied zag er destijds heel anders uit dan heden ten dage en de sporen van een dergelijke slachtpartij zouden dan naar alle waarschijnlijkheid door de gletsjer tijdens de opvolgende ijstijd, het saalien, zo verstoord zijn dat er vrijwel niets van het gebeuren terug te vinden zal zijn. 

Maar toch is het niet geheel onvoorstelbaar dat de afstammelingen van één van grootste olifanten die ooit hebben geleefd op dit gedeelte van de wereld, hier in het gebied van de huidige Zulte voor zijn gekomen en bejaagd werden door onder andere de hier voorkomende neanderthalers. Dat er in het gebied nabij de es Kostverloren gereedschappen van vuursteen gebruikt zijn, blijkt uit de recente opgravingen die hier hebben plaatsgevonden in het kader van de geplande woningbouw. Het spreekt voor zich dat het hier gevonden vuurstenen gereedschap niet door de neanderthalers, maar naar alle waarschijnlijkheid door de moderne mens zo’n vijftigduizend jaren geleden is gemaakt. 

Een afbeelding van een Europese bosolifant of Euraziatische oude olifant (Palaeoloxodon antiquus, voorheen ook Elephas antiquus genoemd) zoals deze in het landschap voorkwam, dat later de Zulte zou gaan heten. (afbeelding: Geschenk der Gletscher – Wie die Eiszeiten Europa formten https://www.ndr.de/fernsehen/programm/epg/Geschenk-der-Gletscher-Wie-die-Eiszeiten-Europa-formten,sendung1499796.html#:~:text=Vor%20etwa%20450.000%20Jahren%20wurde,nicht%20denkbar%20ohne%20die%20Eiszeiten Donnerstag, 26. Dezember 2024).

Door zijn formaat, een mannelijk exemplaar van de Europese bosolifant ook wel stier genoemd, bezat een schouderhoogte van ongeveer 4,20 meter en kon wel 11 ton (11.000 kilo!) zwaar worden, waren het behoorlijke tegenstanders waar niet mee te spotten viel (1). Waarschijnlijk leefden de Europese bosolifanten in kuddes en trokken ze door de bosrijke gebieden in wat tegenwoordig Noord-Nederland heet. 

Sporen op botten van bosolifanten die ruim 150.000 jaar geleden werden gedood, tonen aan dat er met vuurstenen gereedschap vrijwel al het vet en vlees werd gehaald door middel van schrapen. Volgens wetenschappers kon het vlees van 1 olifant ongeveer honderd mensen een maandlang hebben kunnen voeden (2). Volgens de wetenschappers bestonden de groepen neanderthalers echter uit zo’n 25 personen en hadden deze drie tot vijf dagen nodig om het vlees van een dier te halen. Dat men op de botten van de olifanten vrijwel geen sporen heeft aangetroffen van aas-etende roofdieren laat zien dat ze grondig te werk gingen.  

Onderzoeker Sabine Gaudzinski-Windheuser (1,60 meter) naast een gereconstrueerde Euraziatische bosolifant. Beeld: Lutz Kindler/LEIZA (Afbeelding: Neanderthalers slachtten gigantische olifanten https://www.newscientist.nl/nieuws/neanderthalers-slachtten-gigantische-olifanten/).

Mochten er echter neanderthalers in het gebied op dieren hebben gejaagd met wapens die van lokaal gevonden vuurstenen waren vervaardigd, dan zal dit naar alle waarschijnlijkheid in de periode plaats hebben gevonden tussen het saalien (238.000 tot 126.000 jaar geleden) en het weichselien (116 tot 11,7 duizend jaar geleden). In enkele keileemlagen op sommige plaatsen in de Zulte zitten enorm veel vuurstenen. De vuurstenen die na het weichselien gevonden werden, waren zo door de zeer strenge vorst aangetast, dat deze vrijwel niet meer gebruikt konden worden. 

(1) Europäischer Waldelefant (https://de.wikipedia.org/wiki/Europ%C3%A4ischer_Waldelefant

(2) Clare Wilson – Neanderthalers slachtten gigantische olifanten (https://www.newscientist.nl/nieuws/neanderthalers-slachtten-gigantische-olifanten/

De Zulte in het woordenboek.

Toen de op donderdag 7 december 1792 te Amsterdam geboren heer Abraham Jacob van der Aa als Nederlandse letterkundige en lexicograaf in het jaar 1839 zich waagde aan zijn uitdaging om van alle plaatsen in het Nederlands koninkrijk het wetenswaardigste bijeen te brengen, kon hij niet bevroeden hoeveel plezier een aantal bewoners van het koninkrijk zou gaan bezorgen. Nou ja, het kleine gedeelte dat met enige regelmaat met zijn of haar neus in één van de veertien delen van het ‘Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden‘ zit te pluizen om de geschiedenis van een bepaalde plaats of gebeurtenis op te zoeken. 

Ondanks dat zijn 14-delig naslagwerk een goed beeld geeft van hoe het in het Nederland van het midden van de negentiende eeuw eruit moet hebben gezien, zonder de kaarten uit die periode blijft het soms toch behoorlijk gissen waar wat gelegen heeft, of juist niet! Weliswaar was de Kadastrale kaart die de situatie weergaf rond het jaar 1832 behoorlijk betrouwbaar, maar dit was echter eerder een uitzondering dan de regel. 

Op deze uitsnede van een kaart van de Provincie Groningen opgemaakt door. A. Smit van der Vegt, Landmeter bij het Kadaster in het jaar 1837, is in tegenstelling tot de kaarten van het Kadaster, te zien dat deze niet geheel correct was getekend. Zo ligt bijvoorbeeld de Westeinder Weg ten oosten van het dorp Roden, terwijl deze ten westen van Roden lag en naar het huidige dorp Nieuw-Roden liep (bron: Groninger Archieven. Kaart van de Provincie Groningen opgemaakt onder toezigt van G. Acker Stratingh, Med. Doctr. doorI. A. Smit van der Vegt, Landmeter bij het Kadaster, 1837.).

Desondanks dat de kaarten redelijk betrouwbaar waren en van der Aa verreweg de meeste plaatsen die hij beschrijft nooit heeft bezocht, blijft zijn naslagwerk een prachtige handleiding om het een en ander te weten te komen van het gebied in, rondom en ten noordwesten van het voormalig esgehucht de Zulte in de periode tussen de jaren 1839 tot en met 1851. 

Ook op deze uitsnede van de kaart van de Provincie Groningen opgemaakt door. A. Smit van der Vegt, Landmeter bij het Kadaster in het jaar 1837, wordt het stroompje de Zulter Bitse ineens de Winsumer sloot en komt het uit in het Leekstermeer in plaats van het Leekster Hoofddiep. (bron: Groninger Archieven. Kaart van de Provincie Groningen opgemaakt onder toezigt van G. Acker Stratingh, Med. Doctr. doorI. A. Smit van der Vegt, Landmeter bij het Kadaster, 1837.).

Zeker gezien in de tijdgeest van het midden van de negentiende eeuw en eigenlijk alleen de welgestelden, hogescholen en universiteiten zich het konden veroorloven om exemplaren van het Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden aan te schaffen, blijft het een prachtige reis door de tijd. 

Het spreekt voor zich om de alfabetische volgorde aan te houden en dan het eerste het beste artikel te gaan behandelen dat ook maar enigszins iets met de Zulte te maken heeft, maar op een of andere manier vind ik dat toch niet helemaal in het verhaaltje passen en begint het verhaal juist met het dertiende deel van het Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden uit 1851 waar we voormalig esgehucht ten noorden van het dorp Roden tegenkomen. 

Op pagina 329 in het dertiende deel van het Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden uit 1851 komen het voormalig esgehucht tegen. Vanzelfsprekend zonder de ‘h’ aan het eind van de naam die ergens in de jaren dertig van de vorige eeuw door een overijverige ambtenaar aan de naam werd toegevoegd (bron: Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, bijeengebragt door A. J. van der Aa, onder medewerking van eenige Vaderlandsche Geleerden. Dertiende deel. Z. Te Gorinchem, bij Jacobus Noordduyn. 1851. Pagina 329.).

Het voormalig esgehucht ligt volgens het boekwerk in het dingspil van Noordenveld, dat gelegen is in de provincie Drenthe. De Zulte bevindt zich op ruim 4 uren ten noordnoordwesten van de gemeente Assen en op 5 minuten loopafstand noordwestelijk van het dorp Roden. Het gebied dat tot de Zulte werd gerekend was ongeveer 13 hectare groot en er woonden volgens het Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden destijds 80 mensen.

Het in het boek genoemde aantal inwoners van de Zulte klopt vrij aardig, zeker gezien de gegevens die men destijds ter beschikking had. Het exacte aantal bewoners van het esgehucht was na de volkstelling in het jaar 1830 83 personen en tien jaar later bij de volgende volkstelling in 1840 zelfs 86 inwoners, zoals hierboven te zien is (bron: alledrenten.nl. Roden | Bevolkingsregister | 2001.21 | 2 | Gedigitaliseerde bevolkingsregisters van de voormalige gemeente Roden | Volkstelling, 1840).

In dit deel komen wij op pagina 329 naast de Zulte ook het Zultermeer tegen. Het Zultermeer, ook wel Sulte- of Sultermeer genoemd, is natuurlijk het huidige Leekstermeer. Het ondiepe en zeer visrijke meer dankt zijn oorspronkelijke naam aan de vlakke oevers die zeer drassig waren. Meer over het ontstaan en de naamgeving van het gebied kunt u in het artikel Sülte en het moeras’ lezen. 

(bron: Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, bijeengebragt door A. J. van der Aa, onder medewerking van eenige Vaderlandsche Geleerden. Dertiende deel. Z. Te Gorinchem, bij Jacobus Noordduyn. 1851. Pagina 329.).

Dat het Leekstermeer erg ondiep was en zeker voordat het meer geschikt werd gemaakt voor onder andere de pleziervaart, was mij al duidelijk na verhalen die mijn in de Zulte geboren grootvader mij vertelde. Hoe hij met passie vertelde dat hij als bengel aan het begin van de twintigste eeuw van de ene zijde naar de andere zijde van het meer liep, van zuid naar noord, en zijn haren niet nat had gekregen tijdens het lopen. 

De vermelding van het Sulte-meer op pagina 801 van het Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, Tiende deel S uit het jaar 1847 (bron: Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, bijeengebragt door A. J. van der Aa, onder medewerking van eenige Vaderlandsche Geleerden. Tiende deel. S. Te Gorinchem, bij Jacobus Noordduyn. 1847. Pagina 801.).

En als er over de effecten die de eb en vloed op de waterstand moeten hebben gehad volgens enkelen werd gesproken, schudde hij zijn hoofd en zei hij: “Die luu bent niet wies, bent dreumers!”. Van het effect van de zee, daar had hij nooit wat van vernomen, in al die jaren dat hij bij het Leekstermeer kwam. 

De beschrijving van het Leekstermeer in het zevende deel van het Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden. (bron: Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, bijeengebragt door A. J. van der Aa, onder medewerking van eenige Vaderlandsche Geleerden. Zevende deel. L. M. Te Gorinchem, bij Jacobus Noordduyn. 1845. Pagina 98.).

Een ander effect op het ontstaan van het huidige Leekstermeer was het beekje de Leeke, de Leke of de Lek, dat zijn oorsprong had iets onder het gehucht Terheijl, waar het op het toen immens groot natte heideveld ontsprong en het meer van water verzorgde. Later toen het Leekster Hoofddiep rond 1560 werd gegraven in opdracht van Wigbold van Ewsum jr., voor de afwatering en als vaarweg voor turfschepen, kwam deze grotendeels in de bedding van de Leeke te liggen. 

Een pagina eerder in het zevende deel van het Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden komen wij de vermelding van het beekje de Leeke tegen. (bron: Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, bijeengebragt door A. J. van der Aa, onder medewerking van eenige Vaderlandsche Geleerden. Zevende deel. L. M. Te Gorinchem, bij Jacobus Noordduyn. 1845. Pagina 97.).
Op de kaart van A. Smit van der Vegt uit 1837 heet de beek de Lek. (bron: Groninger Archieven. Kaart van de Provincie Groningen opgemaakt onder toezigt van G. Acker Stratingh, Med. Doctr. doorI. A. Smit van der Vegt, Landmeter bij het Kadaster, 1837.).

*Link: Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden Hier kunt alle 14 exemplaren van het Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden downloaden.

Aan de wandel.

Een brochure uit het verre verleden van de ‘Vereeniging tot behoud van Natuurschoon Nietap-Leek en Omgeving’ is eigenlijk wel het laatste wat je op een weblog, die voornamelijk gaat over de lange en rijke geschiedenis van het voormalige esgehucht de Zulte en de gelijknamige streek ten noorden van het dorp Roden, zou verwachten. Naar waarschijnlijkheid betreft het hier echter een latere uitgave of een herdruk van een wandelkaart die de vereniging uit heeft gegeven enkele jaren na de oprichting. 

En toch is het niet verwonderlijk dat de wandelkaart hier een plaatsje krijgt. Een groot gedeelte van het gebied dat zich heden ten dage in de omgeving van Nietap-Terheijl bevindt, werd tot het jaar 1804 nog tot de Zulte gerekend. Na dat jaar nam men de Toutenburgsingel als de grens tussen de Zulte en Terheijl. Na de invoering van het Kadastrale stelsel vanaf 1832 behoorde het gebied tot de Sectie K genaamd Terheil en troffen we de streek op de bladen 3 en 4 van de eerdergenoemde sectie aan. 

De voorzijde van de brochure die destijds door de ‘Vereeniging tot behoud van Natuurschoon Nietap-Leek en Omgeving’ was uitgegeven en naast historische informatie ook nog een getekende kaart van het door de vereniging aangekocht gebied bevatte.

Of de wandelkaart enigszins een financiële waarde bezit weet ik niet, wel besef ik dat de historische waarde van de brochure aanwezig is en deze graag met u wil delen. Voor meer informatie over het gebied kunt u onder andere op de website van Buurtschap Nietap-Terheijl aantreffen: Vereniging tot behoud Natuurschoon Nietap, Leek en omgeving

De ligging van de gebieden van de vereniging zoals deze er in het jaar 1923 erbij lagen.

Het gebied bezit nog steeds een prachtig stelsel van wandelpaden en is daarom zeer de moeite om te gaan bezoeken. Onderaan deze post zijn de beide kanten van de wandelkaart te downloaden. 

De ligging van het gebied op een luchtfoto uit het jaar 2006 (bron: Topotijdreis).

Door op de onderstaande afbeeldingen te klikken, kunt u de desbetreffende zijde van de brochure downloaden.

Op schattenjacht!

En ja hoor! Daar kwam hij weer aan! Langzaam en onbezorgd fietste hij over het zandweggetje richting de Zulte. De twee kinderen zaten stiekem met rode blosjes op de wangen in de bosjes en hielden de oude man strak in de gaten. Hoe dichter de oude bij de plaats kwam waar de jeugd verstopt zat, des te sneller begonnen de kinderhartjes te kloppen. Ze wisten dat het tijdstip ieder moment kon gaan aanbreken, waarop hij onbewust de plaats zou gaan aanwijzen, waar hij zijn schat had verstopt! Je zou haast gaan denken aan een moderne versie van Hans en Grietje; twee kinderen die aan al het lekkers denken en daardoor de boze heks uit het oog verliezen. 

De kraakwilg langs het landweggetje in de Zulte waar de oude man op de fiets zijn fles jenever in verstopte tijdens de winter en voor de storm in het jaar 2019. Na deze storm die zo hevig was dat zelfs de N372 tussen de Zulte en Leek afgesloten moest worden, was de vorm van de boom voor altijd vernield.

Ruim zestig jaren geleden zaten er dus twee gespannen en zenuwachtige kinderen in de bosjes te kijken wat een oude man daar nu elke dag deed bij het Tipbosje in de Zulte. De teleurstelling zal bij de kinderen enorm groot geweest zijn dat hij geen goed en juwelen uit het gat trok, dat in de stam van een heel oude kraakwilg (Salix fragilis) zat. Nee, niets van dat. Geen glinsterende edelstenen of zilveren ringen. Nee, er kwam een smerige groene fles tevoorschijn, die de oude man aan zijn lippen zette. 

Twee grote slokken nam de oude man en toen stopte hij ineens met drinken. Onder het afvegen van zijn mond keek om zich heen en plaatste de fles snel terug in het donkere gat zoals een kwajongen zou doen wanneer hij een koekje wilde stelen en zijn moeder kwam net de kamer binnen. Nogmaals keek hij om zich en bestudeerde de omgeving heel nauwkeurig. Nadat hij ervan overtuigd was dat niemand hem gezien had slingerde hij zijn rechterbeen over het zadel en fietste door naar de weg. 

Een blik van een andere zijde richting de oude kraakwilg. Het is goed te zien dat het hier een boom van een fors formaat betreft. De boom heeft geluk gehad dat deze aan de sloopzucht van de toenmalige gemeente Roden is ontkomen.

Dagenlang hadden de kinderen gezien hoe de oude man daar over de zandweg vanaf ’t Ebbensveldje naar de grote weg fietste en juist op die ene plak stil bleef staan. De hele tijd hadden zij de spanning opgebouwd en als zij wisten waar de schat lag, dan waren zij rijk en hoefden hun ouders nooit meer te werken. Beteuterd keken ze elkaar aan en wisten dat ze geen grote schat, maar een stiekeme drinker hadden ontdekt die hier dagelijks langs kwam voor een paar slokjes jenever. 

Zelfs heden ten dage is het gat in de stam van de kraakwilg slecht zichtbaar. Het vergt enig speurwerk om het te ontdekken. Het zal ook altijd wel een raadsel blijven hoe de oude deze plaats vond om zijn jenever in te verstoppen.

Nu is het bovenstaand en waar gebeurd verhaal leuk om te lezen en blijft het bewaard voor het nageslacht, een andere en niet onbelangrijke hoofdrolspeler in het verhaal is toch wel de oude kraakwilg. De toen al oude boom staat er nog steeds maar wordt zienderogen minder door onder andere de zware stormen van de laatste jaren. Net zoals de belevenis van de twee kinderen, dient ook de oude kraakwilg voor het nageslacht bewaard te blijven. Als was het maar voor de twijgjes die er na een stormachtige dag met veel regen over het weggetje liggen. 

Een twijg van de kraakwilg die tijdens een hevige onweersbui van de boom werd afgeslagen. Het is een van de redenen waarom de boom dan ook ‘kraakwilg’ wordt genoemd.

Het is een geluk dat de boom er nog steeds staat. Bij de aanleg van de rondweg, de daarbij behorende rotonde en de fietstunnel, heeft de voormalige gemeente Roden echt hun best gedaan om het laatste restant van een eeuwen oud bosje weg te krijgen, te vernietigen. Dit bosje, ook wel ’t Tipbosje genoemd, lag deels op het grondgebied van de familie Baving. Toen de kraanmachinist de opdracht kreeg van de opzichter van de gemeente, om de laatste troep ook maar even weg te halen, stonden de gebroeders Baving klaar met mestvorken en gaven de beste man de keus: ‘Stoppen of steken!’ Volgens Geert, de oudste van de Bavings, was de man nog nooit zo snel uit zijn kraan gekomen. 

Natuurlijk bleef het hier niet bij en de gemeentelijke opzichter riep instanties zoals de provincie Drenthe en Rijkswaterstaat erbij om hun gelijk te halen en alsnog het bos helemaal van de kaart te krijgen. Echter, toen de gebroeders konden aantonen tot waar het gebied van de gemeente Roden en nog belangrijker, waar hun bezit lag door middel van de betonnen paaltjes, die enkele weken eerder waren geplaatst door het Kadaster, moest de gemeente hun keutel wel intrekken en bleef het restant bewaard. 

Na de storm die op dinsdag 5 juni 2019 het gebied rondom de Zulte teisterde, waarbij zelfs enkele tornado’s werden waargenomen, is er nog maar weinig over van de majestueuze en oude kraakwilg.

Eigenlijk doet het einde ook enorm veel denken aan het sprookje van Hans en Grietje. De grote boze heks stak haar hoofd op een plaats waar deze niet mocht zijn en kreeg een beste schop onder haar kont, iets wat tot het einde van die enge, boze heks betekende voor een lange tijd. Helaas waart de geest van die vreselijke boze heks nu weer boven de Zulte rond! 

Een filmpje van de oude kraakwilg in de Zulte.

Ebbinges en de Zulte.

Op het moment dat de 71-jarige schilderes Renske Ebbinge haar ogen voor het laatst sloot op die zwoele donderdagavond van de 21e juli 1958, kwam er een eind aan het tijdperk van de Ebbinge’s die zestig jaren eerder door haar vader, Roelof Ebbinge, in de Zulte was gestart. Renske was het jongste van de twee kinderen in gezin van Roelof en Hinderkien Ebbinge en bleef als vrijgezel tot haar dood in het huis wonen. Haar oudere broer Aldert Ebbinge, die het verkopen van het huis in 1958 regelde, overleed acht jaren later op 83-jarige leeftijd in ‘s-Gravenhage. 

Een nors ogende Renske Ebbinge voor haar huis in de Zulte in de jaren ’50 van de vorige eeuw (bron: Drents Archief).

Weliswaar was de naam Ebbinge nu uit dit gedeelte van de Zulte ten noordwesten van Roden verdwenen, maar de familie waaruit deze was voortgekomen bleek meer dan ooit nog in het voormalig esgehucht aanwezig te zijn. De oorsprong vinden wij terug ten zuiden van het naburig plaatsje Peize en om precies te zijn aan de Peijserhorst, de huidige de Horst, waar ene Roelof Brink met zijn vrouw Egberdina Buringe in het huis met het nummer 1 woonde. De landbouwer zou samen met zijn Egberdina 8 kinderen krijgen, waarvan er twee onze aandacht verdienen. 

Hun oudste zoon Roelof, die op zaterdag 24 november 1821 aldaar geboren werd, huwde op de dinsdag 12 juni 1849 met de zeven jaren jongere Janna Luinge, die eveneens uit Peize afkomstig was. Roelof en Janna verlieten op woensdag 1 mei 1850 de gemeente Peize en vertrokken naar de gemeente Eelde, waar hij als akkerbouwer aan de slag ging. Hun zoon Roelf Brink, die op zondag 15 februari 1852 aldaar het eerste levenslicht zag en inmiddels op woensdag 19 juni 1878 te Roden met Aaltien Egberts Aukema was gehuwd, verhuisde op maandag 24 maart 1879 van Eelde naar de Zulte, waar zij in het huis met het nummer 45 kwamen te wonen. Meer over Roelof en Aaltien: Roelof Brink en het gedonder in de Zulte. 

Iets meer dan vier jaren later, op zondag 4 december 1825, wordt dochter Harmtien als derde kind van Roelof en Egberdina Brink aan de Peijserhorst geboren. Harmtien stapt op vrijdag 20 juni 1845 in het huwelijksbootje met de eveneens uit Peize afkomstige en twee jaren oudere Aldert Ebbinge, die op dinsdag 24 juni 1823 was geboren als zoon van de landbouwer Aldert Allerts Ebbinge en zijn vrouw Cathariena Roelofs Mulder. Het prille echtpaar Ebbinge kwam bij de ouders van Aldert inwonen. Het echtpaar krijgt 7 kinderen waarvan hun derde kind, zoon Roelof Ebbinge en geboren op donderdag 9 augustus 1855 te Peize, op vrijdag 27 mei 1881 huwde met de uit Roderwolde afkomstige Hinderkien Egberts Aukema, een jongere zuster van Aaltien Egberts Aukema.  

Afbeelding van de huwelijksakte van de landbouwer Roelof Ebbinge en Hinderkien Aukema (bron: Drents Archief. Bronvermelding: Huwelijksregister Roden 1881, archiefnummer 0166.021, inventarisnummer 1881, aktenummer 16, Gemeente: Roden, Periode: 1881).

De beide meiden waren dochters van Egbert Floris Aukema, zoon van Floris Egberts Aukema, die grote delen van het gebied rondom het dorp Roden in bezit had. Toen in 1832 het Kadaster in werking kwam, werden de eigenaren van zijn percelen inmiddels aangeduid als ‘de kindren van Floris Aukema’. Wederom een verbinding met de Zulte, waar zij ook veel grond bezaten. 

De vermelding van de geboorte van de zoon van Roelof Ebbinge, Aldert Ebbinge, op zaterdag 11 november 1882 in het Geboorteregister van de Gemeente Roden (bron: Drents Archief. Bronvermelding Geboorteregister Roden 1882, archiefnummer 0165.021, inventarisnummer 1882, aktenummer 77, Gemeente: Roden, Periode: 1882).

Het echtpaar Ebbinge vertrekt naar Roderwolde, waar naar ruim anderhalf jaar op woensdag acht november 1882 zoon Aldert geboren werd. Zo’n vier jaren later wordt dochter Renske net zoals haar broer, op een woensdag in Roderwolde geboren. Om precies te zijn zag Renske op woensdag 1 december 1886 voor het eerst het levenslicht. Wat ook de reden geweest, Roelof en Hinderkien hielden het bij slechts twee kinderen, iets wat zeker niet gewoon was in die dagen.

Op zaterdag vier december 1886 werd de drie dagen eerder geboren Renske Ebbinge bijgeschreven in het Geboorteregister van de toenmalige gemeente Roden (bron: Drents Archief. Bronvermelding Geboorteregister Roden 1886, archiefnummer 0165.021, inventarisnummer 1886, aktenummer 82, Gemeente: Roden, Periode: 1886).

Na ruim vierenhalf jaar houden de landbouwer Ebbinge en zijn vrouw het voor gezien in het prachtig dorpje Roderwolde en keren op de woensdag 13 mei in het jaar 1891 naar zijn geboortedorp Peize terug. Ook in Peize beoefend Roelof het beroep van landbouwer uit en komt in het gezin in het huis met het nummer 299 te wonen, zoals op de afbeelding hieronder goed te zien is. Op vrijdag 18 september van het jaar 1896 vertrekt de dan bijna 14-jarige zoon Aldert naar Groningen om naar alle waarschijnlijkheid door te kunnen leren. 

De vermelding van het gezin Ebbinge in het Bevolkingsregister van de toenmalige Peize. Het gezin vestigde zich op woensdag 13 mei 1891 in het dorp en vertrok bijna zeven jaren later weer naar de gemeente Roden (bron: Drents Archief. Bevolkingsregister Peize 1863-1919 D-E).

Zo’n zeven jaren later is het mooi genoeg geweest in Peize en vertrekken Roelof, Hinderkien en Renske Ebbinge volgens de archieven van de voormalige gemeente Peize op woensdag 30 maart 1898 naar de gemeente Roden om zich in het esgehucht de Zulte te gaan vestingen, waar een nieuw huis op ze staat te wachten. Donderdag 31 maart 1898 woont het gezin officieel in Roden met het adres Zulte 183, wat later veranderd wordt in nummer 202. Zoals het in de vorige woonplaatsen het geval was, gaat Roelof volgens het bevolkingsregister van de voormalige gemeente Roden ook hier aan de slag als landbouwer.

In het bevolkingsregister van de voormalige gemeente Roden staat keurig beschreven dat de familie Ebbinge op woensdag 30 maart 1898 uit Peize is vertrokken en een dag later, op donderdag 31 maart in de Zulte ging wonen (bron: Drents Archief. Bevolkingsregister Roden 1882-1900 deel 1 A t/m K).

Op de pagina staat te lezen dat ook nog een Aldert Ebbinge bij het gezin inwonend is. Het is echter niet de zoon van Roelof en Hinderkien, maar de zoon van de vijf jaar oudere broer van Roelof, Aldert Ebbinge die dezelfde naam draagt als zijn vader en op zaterdag 17 september 1887 te Peize geboren is. De dan bijna twaalfjarige jongen kwam na anderhalf jaar op donderdag zeven september 1899 bij het gezin in te wonen en zal er als boerenknecht hebben gewerkt. Aldert blijft echter niet lang in de Zulte bij zijn oom en tante en vertrekt op maandag 21 januari 1901 weer naar Peize. 

Op de pagina van de familie Ebbinge in het bevolkingsregister van de voormalige gemeente Roden is naast de tussenposen van zoon Aldert ook goed te zien dat het huisnummer regelmatig veranderde (bron: Drents Archief. Gemeente Roden 1900-1922 Bevolkingsregister Deel 2).

Aan het begin van de twintigste eeuw zijn hier en daar al geluiden te horen dat er een spoorlijn van Groningen naar Drachten moet komen en dat zij ook Peize, Roden en Leek dient aan te doen. In de maand november van het jaar 1909 is het zover en wordt er een wetvoorstel ingediend: ‘strekkende te verklaren, dat het algemeen nut de onteigening vordert ten name van de Nederlandsche Tramweg Maatschappij van eigendommen in de gemeenten Smallingerland , Grootegast, Marum, Leek, Roden, Peize, Eelde, Hoogkerk en Groningen, noodig voor den aanleg van een spoorweg van Drachten naar Groningen.‘ De bekendmaking zal voor de nodige onrust hebben gezorgd bij de landeigenaren wiens land onteigend zal gaan worden. 

De bekendmaking van de wet die het mogelijk maakte, dat er grond ten behoeve van de aanleg van de tramlijn Groningen-Drachten onteigend kon gaan worden (bron: Nederlandsche Staatscourant No. 12, zaterdag 15 januari 1910, pagina 2).

Het wetvoorstel werd aangenomen op vrijdag 31 december 1909 en in de Nederlandsche Staatscourant van zaterdag 15 januari 1910 gepubliceerd. Landbouwer Roelof Ebbinge zal zeker de nodige boze bewoordingen hebben gebruikt toen hij hoorde dat de Staat zomaar even wat grond kon afpakken voor zo’n rottige rot trein. Ja, als ze hun zin kregen dan was hij een beste lap grond kwijt! 

Maar hoe luid alle Roelof’s (Brink, Deodatus Pieterszn. en Ebbinge) in de Zulte ook scholden en tekeergingen, de Nederlandsche Tramweg-Maatschappij ging gewoon door met het onteigenen van de stukken grond die nodig waren voor de aanleg van het spoor. Bijna 1450 vierkante meter zou Roelof kwijtraken aan de staat! Het moest niet veel gekker worden! Helaas voor Roelof ging het werk aan het spoor onverminderd door en vanaf zaterdag 1 mei 1915 werd deze opengesteld voor het goederenvervoer. 

Bijbehorende uitleg voor de tabel in de onderstaande afbeelding in verband met de onteigening door de Nederlandse Staat en zoals deze in het Nieuwsblad van het Noorden verscheen Van links naar rechts: Nummer van het grondplan., Te onteigenen grootte in Hectaren, Aren en Centiaren., Als;., Ter grootte van Hectaren, Aren en Centiaren., Kadastrale Sectie, Sectie Nummer., Ten name van:. (bron: Nieuwsblad van het Noorden, 24e jaargang, No. 227, dinsdag 26 september 1911, 4e blad).

Met de andere Aldert, de zoon van Roelof en Hinderkien dus, stijgt inmiddels op de ladder binnen de Belastingdienst en verhuisd op de donderdag 1 oktober 1914 van Leiden weer naar het ouderlijk huis in de Zulte. Twee maanden later, maandag 14 december 1914, vertrekt de Aldert Ebbinge naar het Friese Workum om weer als rijksontvanger aan het werk te gaan. Een half jaar later op dinsdag 15 juni 1915 is Aldert weer bij zijn ouders in de Zulte en wacht hij op zijn nieuwe werkplaats. Op de woensdag 29 september 1915 is het zover en Aldert vertrekt nu naar de plaats Oosterwolde in de gemeente Ooststellingwerf. 

Het huis van de familie Ebbinge die later ingetekend op een oude kadastrale kaart uit het jaar 1884. Op de tekening staat bij het huis de vermelding ‘Rood’. Dit verwijst naar de kleur steen waarmee het huis was gebouwd (bron: Drents Archief).

Ook Renske gaat op dezelfde dag in september 1915 richting Oosterwolde. Naar alle waarschijnlijkheid trekt ze bij hem in en wonen ze samen tot dinsdag 16 januari 1917. Waarschijnlijk vertrekt Aldert wederom naar een andere plaats – dit was het lot van een ’s rijksambtenaar – en gaat zijn zus Renske op 31-jarige leeftijd terug naar het huis van haar ouders in de Zulte. Iets wat ook goed op de pagina van de familie Ebbinge in het bevolkingsregister Deel 2 1900-1922 van de voormalige gemeente Roden te lezen is.

Een afbeelding van een jonge Renske Ebbinge die ongeveer uit de tijd stamt dat zij samen met haar broer richting het Ooststellingwerfse Oosterwolde vertrok (bron: Drents Archief)

Het is de dinsdag 29 april in het jaar 1928 wanneer Hinderkien Aukema op 73-jarige leeftijd haar laatste adem uitblaast en in de Zulte thuis op bed sterft. Renske woont dan nog samen met haar vader in het huis dat inmiddels Zulte 82 heeft gekregen en Aldert woont nu in het Brabantse Oss samen met zijn vrouw Roelfina Geertina Alida Ebbinge-van Dokkum en hun dochter Hennie. Op de gezinskaart van het gezin Ebbinge in het Bevolkingsregister van de gemeente Roden uit de periode 1922-1939, is de naam van Hinderkien doorgestreept.

De overlijdensadvertentie van Hinderkien in het Nieuwsblad van het Noorden van vrijdag 2 mei 1928 (bron: Nieuwsblad van het Noorden, 41e jaargang, no. 104, 1e blad, woensdag 2 mei 1928)

Een ander gegeven op de gezinskaart van de familie Ebbinge is wel de vermelding dat Roelof een vuurwapen bezit. Naast het huis en grasland in de Zulte, heeft Roelof een aantal percelen grond aan de overzijde van de woning in bezit, waaronder een klein heideveld. In die tijd kwam er veel wild voor in de omgeving van de Zulte en zoals een groot aantal bewoners van het voormalig esgehucht, zal Roelof ook een hartstochtelijke jager geweest zijn.

De gezinskaart van de familie Ebbinge in het huis met het nummer Zulte 82. Op de kaart staat duidelijk dat Roelof een vuurwapen bezit (bron: Drents Archief. Bevolkingsregister 1922-1939 gezinskaarten deel 4)

Het heideveldje is slechts een heel klein restant van wat eens een immens groot nat en moerassig heideveld ten noorden en ten westen van de Zulte. Aan het einde van de jaren dertig in de vorige eeuw kwam in veel plaatsen rondom Roden de zandwinning op en ook Roelof dacht hieraan een graantje mee te kunnen pikken. En zo werd er een grote dragline geregeld en Ol Boest (ene meneer Buist) zou wel even het zand voor Ebbinge gaan winnen. Echter na twee halen met de grote bak werd er van de zandwinning afgezien.

Het zogenaamde Ebbensveldje op een luchtfoto uit 2006. Rechtsonder is een beboste strook op het heideveldje te zien, waar de bak van Ol Boest zijn dragline zijn graafsporen heeft achtergelaten. Ook zijn de sporen zichtbaar van een weg, die in het verleden over het heideveld liep (afbeelding: Topotijdreis).

Het bleek dat de gewenste zandlaag slechts enkele tientallen centimeters dik was en het enige dat gewonnen werd, was kleverige keileem en taaie potklei. Volgens ooggetuigen uit die tijd waren ze langer bezig de bak van de graafmachine te ontdoen van de prut, dan het gevaarte op de heide en er weer weg te krijgen. Het schijnt dat men bij de laatste bak minstens een halve dag nodig had om deze weer redelijk schoon te krijgen.

De sporen zijn trouwens nog steeds zichtbaar op het heideveldje als een rechte geul van zo’n 50 meter lengte en zo’n vijf tot zes meter breed. De geul had verder geen functie meer en werd tijdens de natuurdagen gehouden in de jaren 90 en in de 21e eeuw volgegooid met snoeiafval. Dit snoeiafval werd dus in het water gegooid en kon dus zodoende wortels produceren. Het gevolg was dat nu de geul inmiddels vrijwel dichtgegroeid is en zorgt voor een bosje op het natte heideveld, zoals op de bovenstaande foto goed te zien is. 

Mevrouw Meijer met haar kinderen op ’t Ebbensveldje met de vele wilde gagel (Myrica gale) op de achtergrond. De bal om mee te spelen was destijds altijd binnen handbereik (afbeelding is mij in het verleden door de familie Meijer ter beschikking gesteld).

Het restant werd destijds in het Roner dialect het ‘Ebbensveldje‘ genoemd en veel jeugd uit de Zulte heeft hier als dan niet stiekem, een balletje getrapt.  Ook het zoeken naar adders (Vipera berus), die toen nog voorkwamen, was voor een aantal jongeren een leuke bezigheid op het Ebbensveldje. Menigeen uit die tijd vraagt deze scribent of de adders nog op ’t heideveldje zijn. Helaas, die zijn inmiddels verdwenen. Na het overlijden van Renske kwam dit heideveldje in het bezit van de Rijksuniversiteit te Groningen, die het op haar beurt later doorgaf aan Staatsbosbeheer.  

De advertenties van Aldert en Roelof waarin het overlijden van Roelfina Geertina Alida Ebbinge-van Dokkum bekend werd gemaakt in het Nieuwsblad van het Noorden (bron: Nieuwsblad van het Noorden, 50e jaargang, no. 246, 1e blad, dinsdag 19 october 1937)

Maar goed, laten we teruggaan naar het wel en wee van de familie Ebbinge in de Zulte. In het jaar 1937 komen wij de familie weer tegen op een minder vrolijke manier. Op zaterdag 16 oktober 1937 komt Roelfina Geertina Alida Ebbinge-van Dokkum te overlijden, dochter van Herman Johannes van Dokkum en Jantien Homan, vrouw van Aldert en moeder van Hennie Ebbinge. Aldert Ebbinge woont dan inmiddels in de stad Breda. Volgens de advertenties van zowel Aldert als die van Roelof en dochter Renske in het Nieuwsblad van het Noorden dinsdag 19 oktober 1937, zou het lichaam van de 56-jarige Roelfina de donderdag daarop om 2 uur vanuit de Zulte naar de begraafplaats vertrekken. Het spreekt vanzelf dat het hier het huis van Roelof betrof. 

Het huis met het nummer Zulte 21 tijdens een winterse avond in het jaar 1986. Zo zal het er ook rond 1937 uit hebben gezien, toen Roelfina vanuit hier naar de begraafplaats werd gebracht. De foto is afkomstig uit de privécollectie van de familie Niezink en in 2015 gepubliceerd in het boek ‘Van karrenspoor tot natuurgebied.

Tweeënhalf jaar later begint het jaar 1940 eerst niet goed in de Zulte met de Duitse inval in Nederland op vrijdag 10 mei 1940. En toch zal veel bij hetzelfde het eerste jaar van de oorlog. Zoon Aldert heeft echter heugelijk nieuws en hij gaat weer trouwen op donderdag 5 september 1940 in de stad Groningen met de 49-jarige en in Delfzijl geboren Johanna Geertruida Roggenkamp. 

De huwelijksakte van Aldert Ebbinge en Johanna Geertruida Roggenkamp uit 1940 (bron: Gronings Archief. Huwelijksregister 1940, aktenummer 713, Gemeente: Groningen, Periode: 1940).

Roelof zal zich voor zijn zoon hebben verheugd dat deze een nieuwe liefde in zijn leven had gevonden en inmiddels samen met zijn nieuwe vrouw en dochter Hennie naar ‘s-Gravenhage was vertrokken. Ruim een half jaar later voelde Roelof zich niet goed en kwam op maandag 10 maart 1941in de leeftijd van 85 jaren te overlijden. Een dag later verscheen er in het Nieuwsblad van het Noorden een overlijdensadvertentie van de kinderen Aldert en Renske.

De overlijdensadvertentie van de kinderen Aldert en Renske in het Nieuwsblad van het Noorden van dinsdag 11 maart 1941 waarbij zij het overlijden van hun vader Roelof Ebbinge bekendmaakten (bron: Nieuwsblad van het Noorden, 54e jaargang, no. 59, 1e blad, dinsdag 11 maart 1941)

Al ruim voor zijn overlijden zal Roelof Ebbinge een groot gedeelte van zijn landbouwactiviteiten hebben afgestoten en wat er nog te doen was, zal dochter Renske voor haar vader opgeknapt hebben. Renske brengt haar dagen onder andere als kunstenares door, ze was volgens insiders een begaafd schilderes. Na ruim 17 jaren zonder haar vader in het prachtige huis met het nummer Zulte 21 te hebben doorgebracht, waarbij haar broer Aldert met vrouw, dochter Hennie en haar man en kinderen regelmatig vanuit Den Haag hier op bezoek komen, is het ook voor haar de hoogste tijd geworden en komt ze te overlijden.

De aangifte van het overlijden van Renske Ebbinge door de aanspreker Jan Holt uit Roden (bron: Drents Archief. Overlijdensregister Roden 1958, archiefnummer 0167.021, inventarisnummer 1958, aktenummer 30, Gemeente: Roden, Periode: 1958).

Op de leeftijd van 71 jaar sluit de in Roderwolde geboren en vrijgezelle Renske Ebbinge op de donderdag 31 juli van het jaar 1958 om half acht ’s avonds voor het laatst haar ogen en kwam er een einde aan de aanwezigheid van de familie Ebbinge in de Zulte zoals wij deze heden ten dage kennen. De 57-jarige aanspreker Jan Holt verscheen zaterdag twee augustus voor de ambtenaar van de burgerlijke stand der gemeente Roden om het overlijden van Renske aan te geven.

Voordat de telefoon zijn intrede bij iedereen thuis had gedaan in Roden, bestond de taak van Jan Holt er onder andere uit om aan huis de nabestaanden in kennis te stellen van een overlijden. Daarnaast kon de aanspreker ook de aangifte van het overlijden doen bij de burgerlijke stand en eventueel de begrafenis of crematie regelen. Volgens de rouwadvertentie die in het Nieuwsblad van het Noorden van zaterdag 2 augustus 1958 verscheen en door Aldert Ebbinge was geplaatst, zou het lichaam van Renske naar Dieren gebracht worden waar zij op maandag 4 augustus om 1:45 uur gecremeerd zou worden. 

De door Aldert Ebbinge geplaatse overlijdingsadvertentie in het Nieuwsblad van het Noorden met de bekendmaking dat Renske in Dieren gecremeerd ging worden (bron: Nieuwsblad van het Noorden, zaterdag 2 augustus 1958, pagina 4).

Na het overlijden van Renske moet de enige uit het gezin van Roelof Ebbinge overgebleven gezinslid en de in Den Haag wonende zoon Aldert de zaken gaan regelen. De weilanden komen in de handen van de buren, het heideveld met de naam ‘Ebbensveldje’ komt rond 1959 in het bezit van de Rijksuniversiteit van Groningen en het huis aan de Zulte wordt in het jaar 1958 verkocht aan Tj. Hofman, winkelier/juwelier aan de Brink in Roden. 

Op de foto zijn Meint en Bregtje met kinderen aan het eind van de jaren vijftig voor het huis aan de Zulte te zien. Linksonder is nog het bruggetje over de sloot zichtbaar en het geheel oogt vredig in de vroege zomer van dat jaar. Deze foto en de foto hieronder zijn zeer welwillend door Henk van der Dijk, zoon van Meint en Bregtje en oud-bewoner van het huis, aan mij ter beschikking gesteld om te gebruiken in dit artikel. Waarvoor nogmaals zeer veel dank!

Het huis blijft niet lang onbewoond en het jonge gezin Meint en Bregtje van der Dijk trekt in de woning met het adres Zulte 21. Het was al een behoorlijke tijd geleden dat er jonge mensen in de woning vertoeven. De uit Bedum afkomstige Meint gaat bij Tjaart Hofman, de eigenaar van het huis en winkelier/juwelier aan de Brink in Roden, als horlogemaker aan de slag om zijn kost te verdienen. Weer iets heel anders dan een landbouwer. 

De trotse nieuwe bewoners van de Zulte 21 aan het einde van de jaren vijftig. De lichtelijk strenge blik van Meint van der Dijk wordt gecompenseerd door een betoverende glimlach van Bregtje. Ook deze prachtige foto zoals die van hierboven zijn afkomstig van de zoon van Meint en Bregtje, Henk van der Dijk, waarvoor ik hem zeer erkentelijk ben. Nogmaals dank je wel.

De jaren vijftig verstrijken geruisloos in het voormalig esgehucht de Zulte en de enige banden die de familie Ebbinge nog met dit rustige plaatsje heeft, zijn de families Brink en Holthuis die zuidelijk nabij de brink wonen en heel ver in de verte familie is. Enkel Aldert is over van het gezin van Roelof Ebbinge, maar hij woont in het verre Den Haag. De pensioneerde en voormalig rijksontvanger, een ambtenaar aan wie het beheer van inkomsten en uitgaven van het Rijk is opgedragen, loopt echter ook al op zijn laatste loodjes. 

Bijna acht jaren na het overlijden van zijn jongere zuster Renske komt Aldert ook te overlijden in het luxe ‘s-Gravenhage, heel ver van de Zulte vandaan. Op de vrijdag de zevende in de maand januari van het jaar 1966 om 10:30 in de ochtend in Voorburg te Den Haag, blaast hij zijn laatste adem uit in de warme en liefdevolle omgeving van zijn vrouw Johanna Geertruida.

De vermelding van het overlijden op 7 januari 1966 te ‘s-Gravenhage van Aldert Ebbinge, geboren te Roden, 83 jaar oud, zonder beroep (bron: Haags Gemeentearchief te Den Haag, BS Overlijden. Ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ‘s-Gravenhage, ‘s-Gravenhage, archief 335-01, inventaris­num­mer 1861, 10-01-1966, Nadere toegang op het overlijdensregister van de gemeente ‘s-Gravenhage, aktenummer A71).

Na de familie van der Dijk kwamen nog een aantal andere families zoals Niemeijer, Hoogeveen, Smilda en Niezink. In het Nieuwsblad van het Noorden bood de zoon het huis in mei 1969 te huur aan als een gemeubileerde vakantiewoning dicht bij het Leekstermeer. Het huis is aan het begin van de 21e eeuw gesloopt om plaats te maken voor een rondweg en een rotonde.

De advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden geplaatst door C. W. Hofman uit Roden waarin hij de Zulte 21 wil verhuren als een vakantiehuis (bron: Nieuwsblad van het Noorden, 82e jaargang, No. 124, vrijdag 30 mei 1969, negende blad, pagina 28).

Op de onderstaande afbeelding is de advertentie te zien die notaris G. J. Wilts in opdracht van de echtgenote en inmiddels weduwe van Freerk Smilda, G. Smilda-v.d. Wal, in het Nieuwsblad van het Noorden liet plaatsen. Deze advertentie verscheen op zaterdag 24 augustus 1974 in alle edities van deze krant. Het huis had inmiddels het huisnummer Zulthe 19.

In de door de notaris G. J. Wilts geplaatste advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden was een foto van de woning toegevoegd (bron: Nieuwsblad van het Noorden van zaterdag 24 augustus 1974, pagina 2. 287ste jaargang, no. 198).

Het enige dat wij nog kunnen aantreffen van de in allerhaast gesloopte woning zijn kleine stukjes rode steen, die door het sloopproces in de bodem terechtgekomen zijn en nu door mollen die met hun molshopen de restanten weer aan de oppervlakte weten te brengen. Op zich een leuk gegeven, maar of Roelof Ebbinge blij met zou zijn met de vele mollen die daar nu aanwezig zijn? Ik waag dat te betwijfelen. 

De plaats waar eens het mooie huis gestaan heeft in de Zulte. Helaas moest het verdwijnen en plaatsmaken voor ambitieuze plannen van een wethouder en een rondweg plus rotonde.

Drama in de Boschkampe

Op de zomerse vrijdag 17 augustus van het jaar 1787 ziet ver van de Zulte een jongen in de Friese plaats IJlst als zoon van Meinte Tjebbels van der Velde (1759) en Trijntje Reins (1761) voor het eerst het levenslicht. Deze stoere Friese knaap, Tjebbele Meintes van der Velde genaamd, woonde inmiddels in de Zulte en stond bekend als een hardwerkende timmermansknecht. Voor de 25-jarige timmerknegt kon het geluk ook niet op toen hij in het jaar 1813 de geboren te Groningen en even oude arbeidster Maria Meijers tegen het lijf was aangelopen. Voor Tjebbele Meintes zal het liefde op het eerste gezicht geweest zijn en voor de dochter van Willem Meijers en Anna Nijman uit de stad Groningen, was het een nieuwe poging om het geluk in het leven te vinden. 

De op de donderdag 26 juli in 1787 geboren Maria was het jaar daarvoor op 23-jarige leeftijd weduwe geworden toen haar echtgenoot Egbert Jans Been op dinsdag vijftien april 1812 in Peize kwam te overlijden, slechts 31 jaar oud. Volgens de archieven liet de als dakdekker werkende Been de zwangere Maria met een kind achter, de op dinsdag 29 november 1809 te Peize geboren Anna Egberts Been. Op een of andere manier bleef het noodlot haar achtervolgen en net zoals haar vader, kwam hun dochter Jakken Been, die aan het eind van het jaar 1812 ter wereld kwam, aan het einde van de maand december van het jaar 1813 in Peize te overlijden. 

Trouwakte van Tjebbel en Maria uit 1814: Bruidegom: Tjebble Meintes van der Velde, geboren te IJlst op 17-08-1787; leeftijd: 26 jaar; beroep: timmerknegt , zoon van Meinte Tjebbles en Trijntje Reins. Bruid: Maria Meijer, geboren te Groningen op 02-08-1787; leeftijd: 26; beroep: arbeidster , dochter van Willem Meijer en Anna Nijmans . (bron: Huwelijk, Roden, 19-05-1814, aktenummer 5)
De plaats in het huidige Roden, het pleintje op de hoek van de Boskamp en het Padkamp, waar vanaf 1814 het huis van Tjebbele Meintes van der Velde heeft gestaan.

De ontmoeting met Tjebbele, die inmiddels ook wel Tjebbel genoemd werd, leek het voor de inmiddels in Foxwolde woonachtige Maria Meijers na het overlijden van haar dochtertje een nieuw startpunt te zijn. Bijna vijf maanden na het heengaan van haar dochter, de woensdag 18 mei 1814, gaven Tjebbel en Maria in gemeente Roden, Kanton Assen in het departement van de Wester-Eems elkaar het ja-woord en gingen ze in de Zulte wonen. Het huwelijk tussen de beide lieden kwam niet zomaar uit de lucht vallen. Op de woensdag 9 november 1814 kwam de aap uit de mouw of beter gezegd; Maria beval van hun zoon Meinte van der Velde en de zaterdag daarop kon de trotse vader zijn eerste zoon aangeven.

Ondanks dat het inmiddels verplicht was om een achternaam te voeren, bleef het gebruik om het kind de naam van zijn of haar vader mee te geven. Zo kreeg zoon Meinte als tweede naam ‘Tjebbels’ mee, zoals het al eeuwenlang in grote delen van Nederland gebruikelijk was. In 1817 volgde op woensdag 16 april 1817 zoon Henderijks van der Velde en wederom kon de 29-jarige Tjebbel die inmiddels timmerman was geworden, weer richting de burgerlijke stand vertrekken om hem in geboorteregister van Roden bij te laten schrijven. Een maand later kon de timmerman de reis richting de burgerlijke stand weer maken, op de woensdag 14 mei 1817 blies de zuigeling zijn laatste adem uit en liet zijn ouders verdrietig achter. 

Het pleintje op de plaats waar in het verleden het huis van Tjebbel en Maria heeft gestaan in de Boschkampe op een luchtfoto uit het jaar 2014 (afbeelding: topotijdreis.nl).

Maar ondanks de grote tegenslag van een verloren kind, iets wat in die tijd vaker voorkwam en waarbij de hoge kindersterfte voor enorm veel verdriet zorgde, leek het geluk Tjebbel en Maria weer toe te lachen. Op woensdag 25 maart 1818 beviel Maria van hun eerste en haar derde dochter. De 30-jarige ouders noemden het meisje Trijntje, later werd ook wel als Trientje omschreven. Bijna 3,5 jaren later, op zaterdag 28 augustus 1821, volgde hun tweede dochter Annegien van der Velde. In het jaar 1823, toen Tjebbel en Maria allebei 36 jaren oud waren, verscheen op de koude zaterdag 29 november hun derde zoon Henderikus.

De woning van het gezin van der Velde bevond zich in wat in het verleden de Boschkampe heette en lag grofweg op zo’n vijfhonderd meter afstand ten zuidoosten van de centraal gelegen brink in het voormalig esgehucht de Zulte. Het huis stond precies op de plaats waar nu een basketbal/rolschaatspleintje aan de Boskamp en Padkamp ligt. Het gebouw zal zo rond 1814 gebouwd zijn op grond dat van de eigenaar, Johanna Philippina van Dedem tot den Gelder; de weduwe van Willem de Lille, gekocht was. En naar alle waarschijnlijkheid zal Tjebbel zelf mee hebben gewerkt aan de bouw van het huis. 

Het basketbal/rolschaatspleintje op de hoek van de Boskamp en Padkamp, gezien vanuit de laatst genoemde. Op deze plaats stond ongeveer vanaf het jaar 1814 het huis van Tjebbel en Maria.

Het was weliswaar een redelijk nieuwe woning die degelijk was gebouwd, maar naar de huidige maatstaven zou het niet voldoen aan de tegenwoordige eisen. Deze huizen waren slecht warm te houden en naast de kou, zal het tochten en de vocht ook een grote rol hebben gespeeld bij de gezondheid van de bewoners. Met name in de tijden dat het vroor zal het geen pretje geweest zijn om er te wonen. Dit soort woonomstandigheden zijn heden ten dage niet meer voor te stellen en het verklaart de hoge sterfcijfers onder de mensen die rond die tijd in de Zulte woonden. 

Waarschijnlijk zullen deze omstandigheden er aan bij hebben gedragen dat eerst dochter Martien Tjebbels van der Velde, die op maandag 27 februari 1826 was geboren en 2 jaar en 11 maanden later op woensdag 24 januari 1827 kwam te overlijden. Bijna twee jaren later beviel Maria een dag voor oud jaar, dinsdag 30 december 1828 op 41-jarige leefdtijd van hun laatste kind, een meisje die eveneens de naam Martien kreeg. Ook hier bleek het ongeluk op de loer te liggen en moesten de twee verdrietige ouders na zes weken wederom afscheid nemen van een kind. 

De bladzijde uit het boek ‘Volkstelling 1830’ van de gemeente Roden, waarin Tjebbel en Maria, hun kinderen en oma Anna Hinderikus Niemeijer als bewoners van het West en Noordeinde 220 vermeld werden (bron: Volkstelling, 1830, archiefnummer 2001.21, inventarisnummer 1 Gemeente: Roden).

In het jaar 1829 vond er in de wijde omgeving van de toenmalige gemeente Roden een volkstelling onder de bevolking plaats die later gepubliceerd werd als ‘Volkstelling 1830’. Het huis van Tjebbel en Maria heeft dan het adres West en Noordeinde 220 en volgens de archieven wonen er naast de twee echtlieden van 42 jaar, ook hun zoon Meinte van 15, dochter Trientje of Trijntje 11 jaar oud, dochter Annechien 8 jaar en de 6-jarige zoon Henderikus in de woning. Een andere inwonende is de 66-jarige Anna Hinderikus Niemeijer, die in de stad Groningen is geboren en de moeder is van Maria.

De inmiddels volwassen dochter van Maria uit het huwelijk met Egbert Jans Been, Anna Egberts Been, die voorheen bij haar moeder en stiefvader inwoonde, woonde nu samen met haar 23-jarige man Egbert Jans Noord en hun half jaar oude zoon Jan Egberts Noord op het adres West en Noordeinde 202b. Bij het gezin van der Velde gaat het leven zijn gang en bij Maria’s dochter en schoonzoon verloopt de gezinsuitbreiding ook zeer voorspoedig.

De twee percelen van Tjebbel, I-150 (tuin) en I-151 (huis en erf), op de Kadastrale kaart van de gemeente Roden, Sectie I genaamd de Zulte in drie bladen, eerste blad uit 1832 (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort).

In het jaar 1832 Komen wij Tjebbel van der Velde tegen in de archieven van het Kadaster als eigenaar van de twee percelen I-150 (tuin) en I-151 (huis en erf). Echter, zoals wel vaker het geval was bij de oude archieven, wordt Tjebbel als timmerman Gebbeke Meints van der Velde omschreven als eigenaar van beide percelen in het register van het Kadaster, dat bij het eerste van drie bladen van de gemeente Roden, Sectie I de Zulte behoorde. 

 Aan al het geluk komt een einde als Maria het tijdelijke leven op de kille dinsdag van 14 november 1837 om twaalf uur ’s middags voor het eeuwige verwisseld op de leefdtijd van 50 jaren in hun woning in de Boschkamp. Voor Tjebbel lijkt de wereld te eindigen en na het weg moeten brengen van drie kinderen, is de tijd gekomen om voor altijd afscheid te nemen van zijn geliefde Maria Meijers. Een half jaar kan Tjebbel het nog volhouden, maar op zondag 13 mei 1838 knapt er iets bij de timmerman en besluit hij een einde aan zijn leven te maken. 

De vijvers langs de Toutenburgsingel waar het lichaam van Tjebbel gevonden werd op de Kadastrale kaart uit 1832 (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort)

De volgende ochtend rond een uur of zeven wordt het levenloze lichaam van Tjebbel in één van de vijvers bij de Toutenburgsingel, ook wel de Klaidobben genoemd, door de arbeiders Hindrik Stoffers Rozema, zijn buurman van nummer 221 en Tunnis Roelfs Tooms uit Leutingewolde gevonden. Dat juist zijn buurman hem heeft gevonden, zou er op kunnen wijzen dat men de timmerman met zijn gebroken hart al vrij snel vermist heeft en hem is gaan zoeken. 

De overlijdensakte van de timmerman Tjebbele Meintes van der Velde uit 1838 (bron: Overlijdensregister Roden 1838, archiefnummer 0167.021, inventarisnummer 1838, aktenummer 9 Gemeente: Roden Periode: 1838).

Na het overlijden van Tjebbel van der Velde gaan de oudste dochter van Maria, Anna Egberts Been, haar man Egbert Jans Noord en hun kinderen in het huis wonen. Het huis zal in de jaren ’50 van de vorige gesloopt zijn om plaats te maken voor de uitbreidingsplannen van de toenmalige gemeente Roden. 

Bladzijde uit het boekwerk ‘Volkstelling 1840’ waarbij goed te zien is dat Anna Egberts Been en haar man de woning inmiddels bewonen. Ook de buurman die het lichaam van Tjebbel vond, Hindrik Stoffers Rozema, woont nog steeds op nummer 221 (bron: Volkstelling, 1840, archiefnummer 2001.21, inventarisnummer 2 Gemeente: Roden).

Bruggen, duikers en modderige schaapherders

Toen vele jaren geleden, zo rond 1825, de weg van Roden naar het voormalig esgehucht de Zulte naar de herberg met de mooie naam Stoutenburg doorgetrokken werd, veranderde er veel voor de bewoners rond de brink en ook het rustieke uiterlijk kreeg een ander uiterlijk. Hier en daar zal er wel een inwoner iets hebben gemompeld dat het voor hem allemaal niet nodig was geweest, maar de meeste bewoners zullen de veranderingen hebben toegejuicht. Het esgehucht was nu ook uit de richting van Nietap en de Leek makkelijker te bereiken, iets wat de nodige tijdwinst opleverde voor menigeen die hier op doorreis was. 

Een niet minder belangrijke verandering in het esgehucht was wel, dat de wispelturige beek de Zulter Bitse enigszins getemd werd en dat men nu over het beekje kon gaan. Iets dat voor de aanleg van de weg tijdens zeer natte perioden schier onmogelijk was, daar het beekje dan door de enorme toename van regenwater via bovenlaag in het gebied, wist uit te groeien tot en forse stroom. Daarnaast was de samenstelling van de boden hier van zo’n slechte kwaliteit, delen keileem en potklei bedekt met een dunne laag zand of aarde, dat bij de toename van de aanvoer van water het hier een grote modderbende werd. 

Op de Franse legerkaart uit 1810/1811 is de Zulter Bitse te zien die door het voormalig esgehucht de Zulte stroomt. Rond deze tijd was het in de nattere perioden van het jaar waarschijnlijk een grote modderbende op de plaats waar men door de beek moest gaan (afbeelding: Drents Archief).

Nee, doorgaans was men zeer positief over het feit dat de weg nu doorgetrokken werd en men met droge voeten de beek kon oversteken. Met name de op de donderdag 15 augustus van het jaar 1792 te Zevenhuizen geboren schaapsherder van de Zulte, Jan Harms Hummel, die vanuit het oostelijk van het gehucht gelegen Noordeinde kwam, was de brug een zegen. Jan Harms, die samen met zijn vrouw Aaltje en hun kinderen bij Harm Lammerts Sikkes Kroon en Jantje Knelles in het huis met het adres Noordeinde 223 woonde, moest voorheen in de nattere perioden door de braggel heen om bij de schaapskudde te geraken. 

Nadat de Zulter Bitse rond 1825 was omgelegd en later in de negentiende eeuw hier een oprit werd aangelegd voor de boerderij die in 1886 hier werd gebouwd naast de plaats van de vorige boerderij, werden hier ook de sporen zichtbaar van het verleden. Blijkbaar bevinden zich hier nog enkele ondergrondse waterstromen die er voor zorgen, dat de ondergrond hier zier instabiel blijft. En gezien de plaats waar het verzakt, is het duidelijk dat dit niet door het verkeer komt.

Jan Harms Hummel was er zeker niet rouwig over dat hij nu met droog schoeisel over de nieuwe houten brug kon lopen richting de Zulter schaapskooi. Ja, het was een simpel houten bruggetje over de beek geworden, maar hij voldeed prima. Ook de loop van de beek was veranderd en grotendeels gekanaliseerd, of beter gezegd, rechtgetrokken en liep nu zo’n vijftig meter noordelijker onder de nieuwe brug door. De oorspronkelijke weg tussen het dorp Roden en de herberg Stoutenburg aan de Leekster Dyk ten oosten van het esgehucht, had zijn functie grotendeels verloren en verdween in de loop der tijd.

De Zulte op de Kadastrale kaart uit 1832 waarbij het houten bruggetje over de Zulter Bitse goed te zien is. Jan Harms Hummel zal verheugd geweest zijn dat hij nu met droge voeten bij de schaapskudde kon komen (Kaart 1832: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort)

Hier en daar zijn de sporen van dit weggetje nog terug te vinden in het gebied, ondanks dat de toenmalige gemeente Roden zijn blik op dit gebied had geworpen, nadat de ‘beter gesitueerde’ inwoners van het dorp de woningbouw in hun achtertuin in het zuiden van Roden hadden weten tegen te houden en dat dit het gevolg had, dat hier met alle geweld een woonwijk uit de grond stampte. Het waren andere tijden. De tijd dat het toenmalig gemeentebestuur de ambitie had om de stad Groningen qua grootte en inwonersaantallen naar de kroon te steken. 

In het verlengde van de Klimop bij de Hulst staat nu nog een landhek die plaats markeert waar de weg richting de herberg Stoutenburg zich bevond. Nadat de weg door de Zulte naar de herberg was aangelegd, had de weg zijn functie verloren en werd langzamerhand in het landschap opgenomen.

Maar goed, de vier voorgaande eeuwen waren nu afgesloten en de ontwikkeling rondom het voormalig esgehucht gingen gestaag door. Immers, door de aanleg van de weg was het redelijk beschut gelegen gehucht onderdeel geworden van de weg tussen Roden en de Leek en deed het mee in de evolutie van het gebied. Langzamerhand verdwenen de boerderijen die er al vanaf de vijftiende eeuw stonden en kwamen er nieuwe boerderijen bij, die geheel voldeden aan de eisen die men stelde aan de woningen in het midden van de negentiende eeuw. 

Een segment van een kaart uit het jaar 1861 met de titel “Een lengte-profil en situatie-teekening van den weg van Roden naar Nietap bij De Leek”. Op de inzet is de gemetselde duiker te zien (afbeelding: Drents Archief).

Het begin van de jaren zestig van die eeuw waren de jaren dat er serieus naar de wegen binnen de toenmalige gemeente Roden gekeken werd en daar waar het ging, verharding door middel van grind werd toegepast. Een nadeel van storten van forse laag grind als verharding van de weg is onder andere het gewicht dat op de ondergrond komt. Het spreekt dan ook voor zich, dat de houten brug werd vervangen door een doorgang voor het water dat tegen deze druk bestand was. Er werd voor een gemetselde duiker met een gebogen vorm en een diameter van ongeveer 1 meter gekozen. De waterdruk op de Zulter Bitse was destijds vele malen groter dan heden ten dage, daar waar de vele sloten en het effectief afwateringsysteem binnen de gemeente de functie van de beken heeft overgenomen. 

De percelen waarvan een strook werd onteigend nabij de Zulter Bitse in een advertentie in alle landelijke bladen verscheen. Deze advertentie was afkomstig uit de Leeuwarder Courant van 25 september 1911. Van Roelof Deodatus Pietersz.werd een brede strook van het perceel I-275, dat bestond uit hakbosch, onteigend. Van Roelf Brink werd van de percelen I-1513 (huis en bouwland), I-1008 (huis, schuur, stookhuis en erf) en I-1114 (weg) een strook onteigend voor de aanleg van het tramspoor. De Bitse had
het nummer Ong., en was eigendom van de gemeente Roden.

Met de aanleg van de tramlijn Drachten-Groningen door de Nederlandse Tramweg Maatschappij te Heerenveen moest nu ook weer het een en ander aangepast worden in de Zulte. Vanaf 1911 werden delen grond van de eigenaren langs het toekomstig traject onteigend en kon de aanleg van het spoor beginnen. Er werd niet alleen een spoorbaan aangelegd voor de stoomtram, maar ook de duiker die onder de weg lag, moest ook worden verlengd. De waterdruk op het beekje was inmiddels zo afgenomen, dat de duiker onder het spoor weliswaar in dezelfde vorm werd gemetseld, maar nu in een diameter van zo’n 85 centimeter. Op de woensdag 1 oktober in het jaar 1913 werd de tramlijn in gebruik genomen.

Een afbeelding van het traject over de Zulter Bitse en langs de weg tussen Roden en De Leek uit 1911, waarbij de vermelding staat dat er een stenen duiker komt te liggen met die 0, 85 meter wijd is. De boerderijen links- en rechtsboven op de tekening waren in het bezit van landbouwer Roelf Brink, de boerderij rechtsonder was eigendom van Roelof Deodatus Pietersz., die eveneens landbouwer was  (afbeelding: Drents Archief).

Dat de tram en later de treinen voor de nodige ongelukken en overlast hebben gezorgd, staat verderop op deze weblog beschreven. Door een inmiddels geperfectioneerd stelsels van sloten en watelopen dat er voor had gezorgd, dat de functie van de Zulter Bitse eigenlijk tot nul gereduceerd was. Immers, het nieuwe stelsel wist ervoor te zorgen, dat het water binnen een halve dag al bij Lauwersoog was en daar in de Waddenzee gespuid kon worden.

De bovenloop van de Zulter Bitse heden ten dage bij de Zulthe. De duiker is al jaren geleden verdwenen toen ook het spoor weggehaald werd. Tegenwoordig ligt er een voetpad langs de sloot.

In de jaren veertig, vijftig en zestig van de vorige eeuw was er van een actieve beek allang geen sprake meer en verschilde de waterstand nogal per seizoen. Zo stond deze in de zomer zo laag, dat de beek in het gehucht vrijwel droog stond en de lokale jeugd de duiker onder de weg gebruikte als sluipweg om appels en steenperen bij de boerderij van Deodatus te plukken. In de nattere perioden tijdens de late herfst en de winter was het aanbod van water zo groot, dat de beek de woeste vormen van vroeger aannam en het water met donderend geweld richting het Leekstermeer werd afgevoerd. Ook hier wist de lokale jeugd ook wel raad mee en zetten zij zelfgemaakte papieren bootjes nabij de duiker in de Bitse. De sport was dan, om zo snel mogelijk op de fiets bij de Turfweg te zijn om het bootje voorbij te zien komen. 

In de extreem droge zomer in het jaar 2022 stond de bovenloop van de Zulter Bitse wederom droog. Nu stond de beek in de voorgaande jaren ook regelmatig droog in de zomer, maar dit jaar was het volgens een buurtbewoner wel heel erg. Bleef de bodem in de eerdere jaren altijd wel is van modderig en zacht, in 2022 was de bodem kurkdroog en keihard. Dit had de beste man dan ook nog nooit meegemaakt.

Vanaf het midden van de jaren zestig van de eerder genoemde eeuw was men de overlast die de beek dus in de nattere perioden van het jaar veroorzaakte meer dan beu en werd daar waar het kon de loop van de beek aangepast. Zo kwam er bij het Valkenveldsbos een kleine stuw om de waterstand beter te kunnen regelen en toen het gedeelte tussen het bos en het Leekster Hoofddiep gereed was, begon het waterschap samen met de gemeente Roden aan het aanpassen van de bovenloop en het bouwrijp maken van het aangrenzend gebied. 

De stuw KST-351 die in de jaren zestig van de vorige eeuw in de Zulter Bitse naast het Valkenveldsbos was geplaatst. De stuw werd aan het einde van de jaren zeventig nog een punt van discussie waarbij de toenmalige wethouder van de gemeente Roden, de oorzaak van slecht beleid op het gebeid van de waterhuishouding op het plaatsen van de stuw door het waterschap probeerde te schuiven. De wethouder kon naar de geëiste tienduizend gulden fluiten en het gedeelte tussen de Van Bergenstraat en de Vredelaan bleef nog lang wateroverlast houden door een slecht functionerende riolering.

Voor de beek en zijn unieke uitstraling was geen plaats meer en aan het begin van de jaren zeventig werd het laatste deel van de beek getemd en werden er twee vijvers gegraven met het doel om de waterstand te kunnen controleren en als het even kon, de prijs van de percelen bouwgrond bij de tweede vijver aan de huidige Klimop net even iets hoger te verkopen dan de bedoeling was. De eerste vijver, waar nu het water uit de omringende sloten naar afgevoerd werd, legde men aan tussen de Zulthe en de Klimop naast de boerderij Tilkamp en stond door midden van een rechthoekige betonnen duiker in verbinding met de andere vijver. 

Het begin van de eerste vijver tussen de Zulthe en Klimop naast de prachtige boerderij Tilkamp. Het water dat vroeger via de sloten in de Zulter Bitse kwam, komt nu hier terecht.

Het gedeelte van de beek die vanaf de duiker in de Zulte tot aan het einde van de nieuw gegraven vijver bleef bewaard en heeft nog steeds min of meer een waterafvoerende functie inclusief een schouw, die door het waterschap Noorderzijlvest strak wordt gehandhaafd. Tot aan het punt dat het water regelmatig vervuild raakte doordat het gemeentebestuur van de toenmalige gemeente Roden toestond dat het ongezuiverde rioolwater in de beek terecht kwam, hebben wij als kinderen menigmaal achter bij Wiebe Brink jonge visjes gevangen met een schepnetje gemaakt van een oude panty. 

Het punt waar de tweede vijver via een duiker onder de weg doorgaat en de Zulter Bitse zijn oude vorm aanneemt. Ook het gedeelte waar de beek hier onder de Hulst doorloopt is al tig keren veranderd naar gelang de grillen van het waterschap of de gemeente.

Na het jaar 1985, toen de trein voor het laatst door de Zulte reed, is het spoor langs de weg verwijderd en is er een tegelpad voor in de plaats gekomen. Hierbij werd ook de duiker verwijderd en naar alle waarschijnlijkheid is dit vrij knullig gebeurd. Sinds jaar en dag verzakt hier de de asfaltweg en iedere keer na een herstelbeurt, verschijnen er weer vrij snel scheuren in de weg en is het kenmerkende ‘pop-pop’ te horen als er auto’s over deze plaats in de weg rijden. Dankzij de bewoners die langs de voormalige bovenloop van de beek wonen, heeft deze zijn karakteristieke vorm in dit gebied behouden.

Inmiddels zijn de beruchte scheuren in het wegdek weer verschenen en is het afwachten wanneer het kenmerkende ‘pop-pop’ geluid de buurtbewoners langs de Zulthe ’s nachts weer in slaap gaat wiegen.

Sprikken in de Zulte. 

Aan het begin van de jaren zestig tijdens de negentiende eeuw was de weg tussen Vogelzang en het dorp Roden één en al droevigheid. Met name het gedeelte waar nu de huidige Leeksterweg ligt en om precies te zijn het stuk tussen de Boskamp en de bocht naar de Heerestraat, was een behoorlijk groot drama. De straat was niet zoals heden ten dage van asfalt gemaakt maar bestond uit een brede zandweg, waarvan de bovenzijde tijdens natte perioden veranderde in een modderig en glibberig oppervlak vol met gaten. 

Vindingrijk zoals de mens was in het midden van de negentiende eeuw en gecombineerd met een forse portie boerenverstand, wist men enigszins de schade aan de weg te beperken door het gebruik van zogenaamde ‘sprikken’ om de gaten te dichten en het verzakken van zowel de paarden als de koetsen en wagens te voorkomen. Sprikken is een Nedersaksische term die staat voor dunne, verdorde of droge takjes, die niet alleen gebruikt werden om de gaten in de weg op te vullen, maar ook in drassige en moerasachtige gebieden zoals in de veengebieden van Groningen en Drenthe waar de wegen met een laag droge takken belegd werden.

Op de kaart die op donderdag 13 juni 1861 vervaardigd werd en zowel het lengteprofiel als de situatie op dat moment weergeeft, is goed te zien dat er sprake is van een zogenaamde sprikkeweg van 200 ellen lang. De afstand werd destijds aangegeven in ellen. Vanaf 1820 was een el gelijkgesteld aan een meter en bestond uit 10 palmen (decimeter) of 100 duimen (centimeter) of 1000 strepen (millimeter). Met de Wet die op 7 april 1869 (Staatsblad nr. 57) van kracht werd in ons land, was het continentaal stelsel nog het enige toegestane stelsel en verdwenen de oude benamingen. De tekening was vervaardigd in opdracht van de toenmalige Hoofd Ingenieur van den Waterstaat (afbeelding: Drents Archief).

Het spreekt dan ook voor zich, dat een weg die met de zogenaamde sprikken bedekt was, in grote delen van het Nedersaksisch taalgebied een ‘sprikk’nweg’, sprikkenweg genoemd werd. De term sprikken vertoont grote overeenkomsten met het woord ‘sprokkelen’, wat volgens het alwetend medium Wikipediahet verzamelen van afgevallen takken en ander afvalhout in bos en veld is. Sprokkelhout werd vooral gebruikt als brandhout en werd vroeger ook op de markt verkocht” betekend. Beide elementen, drassige en modderige wegen vol gaten en sprikkenhout, waren voldoende in het gebied rondom het voormalig esgehucht voldoende beschikbaar. Het betere sprikkel- of sprokkelhout werd gebruikt voor de kachels, de rest voor het vullen van de gaten en het afdekken van de slechte en blubberige wegen. 

Tijdens de zeer geslaagde Natuurwerkdag in het Natuurschoon die op zaterdag 5 november 2022 plaatsvond, werd er zoveel mogelijk opslag (het uit de grond groeien van stammen of takken dicht bij of verder verwijderd van de moederplant op ongewenste plaatsen) verwijderd langs de Toutenburgsingel. Heden ten dage wordt de gerooide opslag versnippert en onder ander gebruikt voor de bemesting van tuinen. Voordat de plaatselijke wegen werden verhard, gebruikte men de sprikken om de gaten te dichten en de wegen begaanbaar te houden.

Op de hierboven afgebeelde kaart uit het jaar 1861, is een goede schets gemaakt van situatie van de weg destijds. Waarschijnlijk heeft het als routekaart gediend bij het verharden van de weg tussen Roden en Nietap halverwege de jaren zestig in de negentiende eeuw. De weg tussen de plaatsen werd in die periode voorzien van een redelijk goede verharding, die uit een ferme laag grind bestond. Tegenwoordig is er geen sprake meer van een uitermate slecht begaanbare en modderig weggetje, maar een goed verharde weg met een bovenlaag van asfalt.

De huidige situatie van de Leeksterweg rond 2021 vanuit de lucht bekeken. De weg is nu voorzien van een stevige ondergrond van puin en een prachtige afdeklaag van asfalt en er is nu niets meet te zien wat er op wijst, dat het hier eens een drama was om tijdens de nattere perioden van het jaar hier met een paard en wagen over het wegdek te moeten gaan (bron: Topotijdreis, 200 jaar topografische kaarten).

Het Tilkaampie

Toen aan het einde van de jaren zestig tijdens de twintigste eeuw door de toenmalige gemeente Roden besloten werd om aan de algemene woningbouwvereniging Roden bijna 6500 m2 bouwterrein te verkopen om de bouw van 33 woningwetwoningen te kunnen realiseren nabij het voormalige esgehucht de Zulte, had het project inmiddels van een ijverige ambtenaar binnen de gemeente de naam ‘Plan Tilkamp’ gekregen. De naam had men ‘geleend’ van de boerderij uit 1908 die ten westen van het grote bouwterrein lag en in het bezit was van landbouwer Wiebe Roelof Brink, die hier met zijn gezin woonde. De naam van de boerderij was zelfs zo leidend, dat de directiekeet van Koops’ bouwbedrijf uit Wijster waar uitvoerder J. Lammerts de scepter zwaaide en bereikbaar was op het telefoonnummer 05908-8897, ‘Tilkamp’ werd genoemd.

Een advertentie uit het begin van de jaren zeventig waarin het bouwbedrijf Koops personeel zoekt en deze zich kunnen melden bij de directiekeet (afbeelding: Nieuwsblad van het Noorden waarin opgenomen de Provinciale Groninger Courant, welke is opgericht in 1787, 84ste jaargang, no. 26, Maandag februari 1971, pagina 10).

De grootvader van Wiebe Roelof, Roelof Brink, had in het jaar 1908 de boerderij laten ontwerpen door de Nietapster architect H. C. Hillebrands met het idee dat een van zijn twee zonen hier in de toekomst zou gaan wonen. Roelof senior woonde destijds met zijn vrouw en kinderen in de boerderij waar nu het notariskantoor VelemaRijks gevestigd is aan de Zulthe 1. Op woensdag 1 juli 1908 was het zover en verscheen de eerste advertentie in Nieuwsblad van het Noorden met de aanbesteding van het nog te bouwen huis en opgesteld was door de in Nietap woonachtige architect.

De advertentie van de Nietapster Architect H. C. Hillebrands verscheen vier dagen later voor een tweede maal in het Nieuwsblad van het Noorden (afbeelding: Nieuwsblad van het Noorden, zondag 5 juli 1908, pagina 12, 21ste jaargang No. 157).

Op de donderdag 9 juli in het jaar 1908 om vier uur ’s middags had in het café van R. v. d. Molen in Roden de aanbesteding plaats voor de bouw van de boerderij en waren er maar liefst 26 biljetten ingeleverd, waarbij G. S. Noteboom uit Opende als duurste de bouw voor 7200 gulden wilde doen en de uit Hoogezand afkomstige bouwer P. v. Dijken dacht de klus voor een slordige 5247 guldens te kunnen klaren. Waarschijnlijk zal van Dijken de klus hebben gekregen, daar zijn aanbesteding het goedkoopste was.

Twee dagen na de aanbesteding verscheen het bovenstaande in de krant van zaterdag 11 juli 1908. De architect en de boer hadden keuze genoeg om een bouwer te kunnen kiezen (afbeelding: Nieuwsblad van het Noorden, zaterdag 11 juli 1908, pagina 3 21ste Jaargang, No. 162. pag. 3).

In het begin van de maand november in het jaar 1908 was de nieuwe behuizing en de grote schuur afgebouwd. Naar alle waarschijnlijkheid verliep het voor de bouwer een stuk minder gunstig af dan voor boer Roelof Brink, getuige de advertentie in de krant die op dinsdag 10 november van dat jaar verscheen en geplaatst was door de deurwaarder W. Roeterdink. In de advertentie staat dat er de volgende dag, woensdag 11 november, ’s middags vanaf twee uur een heleboel goederen tegen contant geld publiek verkocht gaan worden. Veel van de voorwerpen die aangeboden worden, doen vermoeden dat het hier om een bouwfirma gaat.

De advertentie van deurwaarder W. Roeterdink in het Nieuwsblad van het Noorden waarin hij voornemens is een grote partij bouwmiddelen, machines, etc. publiekelijk te gaan verkopen (afbeelding: Nieuwsblad van het Noorden, dinsdag 10 november 1908 pag. 6 21ste Jaargang. No. 265).

De nieuwe boerderij van Roelof Brink was zo gebouwd, dat de inrit naar de woning en de schuur van de weg de Zulte kwam en niet achterlangs, waar eens de oude weg richting de boerderij Vogelsang had gelegen. Een nadeel was echter dat door het aanleggen van de inrit, een boom van de gemeente Roden hinderlijk in de weg stond. Boer Brink liet het hier niet bij zitten en vroeg vervolgens aan bij de gemeente dat de boom gekapt kon worden. In de raadsvergadering van vrijdag 27 november 1908 werd besloten dat de boom gekapt ging worden.

Het bericht in de krant van maandag 30 november 1908 waarin het besluit om de boom die boer Brink in de weg staat, mag worden gekapt. (advertentie: Provinciale Drentsche en Asser courant, maandag 30 november 1908, pagina 13, 85ste Jaargang, No. 881).

Langs de weg stonden niet alleen veel oude zomereiken, er lagen ook een aantal sloten. Een van die sloten liep voorbij de nieuw aangelegde boerderij en in plaats van een buis te plaatsen en er een doorgang naar de ingang van het woonhuis te maken zoals dit bij de inrit was gebeurd, werd er een betonnen brug over de sloot gelegd. Zo’n bruggetje werd in de volksmond ook wel een ‘til’ genoemd. De brug voerde vervolgens naar het grondstuk van de eigenaar, dat ook wel een ‘kamp’ of ‘kaamp’ in het hier gesproken dialect genoemd werd. Waarschijnlijk is het huis zo aan zijn naam gekomen.

Het betonnen bruggetje voor de boerderij de Tilkamp aan de Zulthe. Dit bruggetje is door de huidige bewoner in ere hersteld en prijkt nu trots voor het woonhuis.

Hoe dan ook, de boerderij was tot op het moment dat er omheen huizen werden gebouwd, een kenmerkend punt in de omgeving en iedereen kende boer Wiebe en later zijn Roelof die het boerenbedrijf overnam en later aan de Meerweg nabij Nietap voort heeft gezet.

De huidige woning vanuit het noorden richting het zuiden gezien. Op de achtergrond is het huis te zien waar destijds Egberdina de Vries-Brink woonde in de Zulte.

Tegenwoordig is de functie van boerderij verdwenen en is het een prachtig woonhuis geworden waar je voor een prikkie kakelverse eieren kunt kopen. Hoe dank ook, het is één van de kenmerkende punten in de Zulte geworden en ik hoop dat het dit nog heel lang zo blijft.

De opschrift op de boerderij met de naam ‘Tilkamp’.

Op inspectiereis door de Zulte.

Er was maar weinig drukte langs het zandpad, toen het rijtuig van de landdrost mr. Petrus Hofstede op de vroege donderdagochtend van de negende juni 1808 ten oosten van het voormalig esgehucht de Zulte voorbij kwam. De overwegend uit boeren en arbeiders bestaande bevolking van het gehucht, had wel andere dingen aan het hoofd dan langs de weg te gaan staan omdat er een hoogwaardigheidsbekleder voorbij kwam. De schapen moesten geschoren worden en hier en daar was al een boer begonnen met het maaien van het gras. Behalve ter hoogte van de herberg Tautenborg van kastelein Hindrik Caspers Denkela aan de Leekster Dyk. Daar hadden zich enkele arbeiders verzameld, die in dienst waren van mr. Willem de Lille of bij zijn pachters en juichten toen het rijtuig voorbij kwam.

De met de rode kleur aangeven route op de Franse legerkaart uit 1810/13 zal de landdrost Petrus Hofstede met zijn gezelschap in het jaar 1808 hebben afgelegd in hun rijtuig richting huis ter Heil (Bron: Drents Archief).

De landdrost voerde in het jaar 1808 een inspectiereis uit door het departement Drenthe en deed op woensdag 8 en donderdag 9 juni het dorp Roden aan. Petrus Hofstede was ruim een jaar eerder op maandag 18 mei 1807 tot landdrost van Drenthe benoemd. Tijdens zijn reis vanuit Assen richting het dorp Roden werd het gezelschap even buiten Lieveren opgewacht door een groep jongelui, die onder leiding stond van pachter Jan Noord. De landdrost werd door de groep verwelkomd en men verzocht hem of zij het rijtuig naar Roden mochten begeleiden. Rond elf uur plaatselijke tijd kwam het gezelschap aan bij het huis van de brouwer en herbergier Thijle Krijthe en zijn vrouw Berendje Voget.

In de herberg van Krijthe werd het gezelschap begroet door de schulte van Roden Steven Hindriks Winsingh en de volmachten, mr. J. L. Roman schulte van Vries, raadsheer mr. Willem de Lille en een commissie uit de kerkenraad bestaande uit de heren ds. Voget en mr. J. W. Kijmmell. Hier werden de kohieren, boeken waarin de invordering van onbetaalde belastingen en de inbeslagneming en verkoop van goederen ten gevolge van onbetaalde belastingen staan geregistreerd, van vaste goederen van Roden, Roderwolde, Vries, Norg, Peize en Eelde geëxamineerd (onderzocht). Tevens werd er met de schulten van Roden en Vries over de heffing der lasten gesproken. 1

De huidige havezate Mensinge werd aan het begin van de negentiende eeuw nog huize Rhoden genoemd. Het huis was voor landdrost Hofstede een plaats waar hij regelmatig op bezoek kwam.

Na het officiële gedeelte in de herberg van de brouwer Thijle Krijthe, vertrok de landdrost ’s middags naar huize Rhoden (de huidige havezate Mensinge) waar de weduwe Ellents hem ontving en het gezelschap de rest van de dag doorbracht. Hier werd waarschijnlijk het avondmaal genuttigd en ’s avonds bij kaarslicht oude herinneringen opgehaald. De band tussen de families Hofstede en Ellents was behoorlijk hecht. Zo hecht zelfs, dat Hofstede een zoon naar Coenraad Wolter Ellents had vernoemd.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is hoogbezoek00.jpg
Landdrost Mr. Petrus Hofstede (1755-1839) (afbeelding: Abraham Anne van de Kasteele – Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie Origineel in: Provinciaal Museum van Drenthe).

Het was voor de landdrost Hofstede sowieso een inspectiereis waarbij hij veel bekenden ontmoette. Was de band met de weduwe Ellents al behoorlijk hecht, die met de raadsheer mr. Willem de Lille op het huis ter Heil was op zijn minst ook bijzonder te noemen. Een paar jaren eerder, op vrijdag 25 oktober van het jaar 1805, werd als uitvloeisel van een onderzoek door Jan Kops naar de toestand van de landbouw in ons land, een commissie van landbouw in het departement Drenthe gevormd. Deze commissie die niet uit landbouwers, maar uit landeigenaren bestond en waarin zowel Hofstede als de Lille zitting hadden. In deze commissie werd Hofstede voorzitter en bekleedde dit ambt tot maandag 18 mei 1807, toen hij tot landdrost van Drenthe werd benoemd.

De Lille had zijn draai gevonden in deze commissie en was in tegenstelling tot de doorgaans zeer conservatieve grondeigenaren rondom het kerspel Roden, zeer progressief bezig en bleek een goede inzicht te hebben wat bij onder andere de eigenaren van de schapen leefde. Ondanks dat hij en zijn vrouw vrome bezoekers van de kerk in Roden waren, durfde hij het aan om de schapen van de schaapskudde van ter Heijl te gaan inenten. Dit zal hem zeker enkele boze blikken van veel beter gesitueerde bezoekers hebben opgeleverd; men greep destijds niet in bij zaken die van bovenaf door de Schepperwaren geregeld. Het zal de Lille een zorg zijn geweest en ondanks dat er al enkele besmettingen met de schaapspokken zich hadden voorgedaan, besloot hij om alle 130 schapen van de kudde te laten inenten. Waarschijnlijk behoorden vrijwel alle dieren hem dan ook toe.

Huis ter Heijl op een oude prent uit het archief. Het was de woning van raadsheer Mr. Willem de Lille en waar hij in het jaar 1808 landdrost Mr. Petrus Hofstede ontving (afbeelding: Drents Archief).

Dat dit behoorlijk indruk maakte bij Jan Kops, die vanaf 1805 ieder jaar een verslag schreef over de staat van de landbouw in ons land, blijkt wel uit wat hij in ‘Staat van den Landbouw in het Koningrijk van Holland gedurende het jaar 1807’ wist te vermelden: “Er vertoonden zich in Drenthe eenige Pokken aan de Schapen onder Oostermoer, en Vooral in het Dingspil Noordenveld bij verscheide kudden. De Heer De Lille, Lid der Commissie, heeft onder zijn troep 130 aan deze ziekte gehad, waarvan 13 gestorven zijn: deze Heer zou de Inenting ondernomen hebben, bijaldien de besmetting zich hier niet reeds bij de ontdekking te veel verspreid had2. De schaapspokken waren zeer besmettelijk en zorgen tot ver in de dertiger jaren van de negentiende eeuw voor veel slachtoffers onder de dieren.

Door de band die de landdrost Hofstede met de raadsheer de Lille had opgebouwd in de jaren van zijn voorzitterschap in de commissie, vond hij dat een bezoek aan het huis ter Heil op zijn plaats was en op de vroege donderdagochtend van de negende juni begaf het gezelschap zich richting ter Heijl. Het gezelschap reed grofweg over de plaats waar nu de Klimop ligt, voorbij de boerderij Vogelsang richting de Herberg Tautenborg. Er werd beleefd teruggezwaaid naar de enkelen die voor de herberg stonden te juichen en het rijtuig draaide naar links, de toenmalige Tautenborgsingel op en kwam aan bij huis ter Heil.

Hier verbleef de landdrost met zijn gezelschap de gehele dag en vertrok vervolgens de volgende dag weer richting Assen, waarbij hij wederom begeleid werd door de groep jongelui, die hem twee dagen eerder ook had opgewacht toen hij in de buurt van Roden was.

1 Een inspectiereis van den landdrost Mr. Petrus Hofstede door Drenthe 1808. Door Alb. Oltmans. Overgedrukt uit de Prov. Dr. en Asser Courant. Assen, 1911. Pag. 20/21.

2 Jan Kops – Staat van den Landbouw in het Koningrijk van Holland gedurende het jaar 1807. Paraaf 36. Schapen. Pag. 59/60.

Bekketrekkers en Naoberschap in de Zulte.

Twee termen die in het verleden heel normaal en veelzeggend waren in het voormalig esgehucht de Zulte. De zure vruchten en de venijnige stekels van de sleedoorn (Prunus spinosa) symboliseerden de hard- en stugheid van de inwoners van het gehucht en de naoberschap stond voor de bereidheid om elkaar door dik en dun te helpen. Zeker in tijden van rampspoed en ellende waren de inwoners op elkaars hulp aangewezen en kwam stugheid naar boven om samen de tegenspoed te bestrijden. Maar ook in goede tijden hielpen de inwoners een ander die hulp nodig had bij bijvoorbeeld de bouw van een boerderij of schuur. Het was een wederzijdse vrijwillige verplichting om elkaar te helpen dus; de ene keer help ik jou, een andere keer help jij mij.

Een blik vanaf het Groot vogelkamp over de es Kostverloren richting het voormalig esgehucht de Zulte. Hoelang mogen wij nog genieten van dit uitzicht?

De sleedoorn typerend de toenmalige inwoner van de Zulte eigenlijk wel perfect. Zo komen wij de struik uit de rozenfamilie (Rosaceae) vooral tegen langs de rand van de bossen, zoals het voormalig esgehucht aan de rond van het dorp Roden ligt. De struik bezit flinke doorns en weet zo flinke grazers van zich af te houden, waardoor het hout de kans krijgt om zeer hard te worden. De enorm zure vruchten zijn eigenlijk niet eetbaar als er nog geen vorst overheen is geweest en zorgt daardoor bij diegene die het toch waagt een vrucht op te eten, voor de meest vreemde gezichtsuitdrukkingen: rare bekken trekken dus.

Typische kenmerken waar je te maken krijgt als je de inwoners je wil op gaan leggen en als je dat dan niet gaat lukken, je gaat roepen dat het geen echt Drents naoberschap betreft. Kijk, dan prik jij je aan de stekelige doorns en verslik jij je in de zeer zure vruchten. Er blijft je dan niets anders over dat je stil in een hoekje gaat zitten, zure gezichten trekken en je wonden likken. En geloof mij, als ervaringsdeskundige kan ik er over meepraten hoe venijnig de stekels van de plant kunnen steken. 

De bijzonder zure vrucht van de sleedoorn lijkt veel op een kleine pruim. De vruchten worden hier in de omgeving ook wel sleimen of bekketrekkers genoemd. De vruchten zijn eigenlijk niet te eten voordat er een keer vorst overheen is geweest.

In het verre verleden ging het naoberschap en de sleedoorn ook zeer goed samen. In de tijden dat er nog geen prikkeldraad en veel sloten bestonden, werden naast meidoorns (Crataegus) ook veel sleedoorns gebruikt om onder andere de bouw- en weiland te beschermen of om het vee binnen te houden. Door de aanwezigheid van keileem én potklei aan het oppervlak in de bodem nabij de Zulte, betekende dat zowel de sleedoorn als de tweestijlige meidoorn (Crataegus laevigata) het hier goed deden in de hagen. Na verloop van tijd groeiden de struiken uit tot forse exemplaren en vormden dan struwelen. Langs de Zulter Bitse ter hoogte van de Turfweg is nog zo’n eeuwenoude struweel te zien.

De eeuwenoude sleedoornstruweel langs het beekje de Zulter Bitse vlak bij de Turfweg. Op de oude Franse legerkaart uit 1811-1813 van Drenthe is de struweel al te zien. In het voorjaar bezit de struweel een prachtige witte sluier van de bloemetjes en heeft het een ontzettend grote aantrekkingskracht op insecten, met name bijen.

Jarenlang heeft naast de zogenaamde oude boerderij van Deodatus ook een haag van meidoorns gestaan op de scheiding van het laantje naast het perceel en het weiland. Tussen de haag en de laan stonden een aantal forse kastanjebomen waar in mijn beleving altijd heel veel grote kastanjes groeiden. Een nadeel was altijd wel, dat de mooiste kastanjes vanzelfsprekend tussen de stekelige planten in de haag terecht kwamen of lagen. Ook op dit gebied ben ik wederom een echte ervaringsdeskundige.

Op de foto is de es Kostverloren rechts te zien, links op de afbeelding staan de kastanjebomen waar menig kind de grootste kastanjes van de wereld heeft gevonden. Ondanks dat iets kale aanblik van het gebied in april dit jaar, heeft het iets rustgevends in deze gejaagde tijden.

Het spreekt voor zich dat veel hagen en struwelen verdwenen zijn toen de boeren sloten en prikkeldraad gingen gebruiken om het vee binnen de weilanden te houden. Dat de planten niet meer gebruikt werden als afscheiding en gerooid werden om plaats te maken voor prikkeldraad, maakte echter niets uit voor de aanwezigheid van de slee- en meidoorns in het gebied rondom de Zulte. Van nature kwamen de struiken hier al voor en zullen ze waarschijnlijk nog heel lang langs de bosranden te zien zijn. Eigenlijk zijn ze net zo onverzettelijk als de inwoners van de Zulte, die moet je niet als buitenstaander aanspreken op het Drentse naoberschap omdat zij niet buigen zoals jij het graag ziet.

De es Kostverloren iets ten noordwesten van het voormalig esgehucht de Zulte. Was het vroeger een schapendrift waar de herder met de schaapskudde doorheen trok richting de heide, tegenwoordig is het een oase van rust voor heel veel mensen.

Scheuveln op de dobbe van olle Hindrik Heuker.

“Zeg, kest die dobbe van olle Heuker nog vinden?”, vroeg zij aan mij, “Doar gingen wai as kinder altied hen te scheuveln”. Een vraag van een inwoonster die de tijd nog mee heeft gemaakt, dat het voormalig esgehucht nog niet opgeslokt was dor het dorp Roden. De vraag was voor mij niet zo raar daar ik zelf nog heb meegemaakt dat er geschaatst werd op de dobbe tegenover de boerderij van Woldring aan de Leeksterweg. Maar nee, die dobbe bedoelde zij niet, Heuker’s dobbe! Na een kleine uitleg begreep ik welke dobbe de dame bedoelde en waar deze ongeveer gelegen moet hebben. Zelf kon ik die dobbe waar zij om vroeg, niet  herinneren en was deze waarschijnlijk al drooggevallen of gedempt toen ik daar als kwajongen rondstruinde.

Sinds jaar en dag staat de naam de Vries in Roden en wijde omgeving synoniem voor het aanschaffen van goede schaatsen en vele generaties Roners hebben het ‘scheuveln’ op schaatsen van de Vries geleerd. In de winter van 1932 was dit niet anders (bron: Nieuwsblad van het Noorden maandag 12 december 1932 vierde blad, pagina 14).

Dobben kwamen in allerlei vormen en maten voor in en rondom de Zulte waarbij er zelfs nog enkelen bestaan. Het zijn doorgaans kleine poelen met een doorsnede van niet meer dan een meter of tien, die zowel door opborrelend grondwater zijn ontstaan of gegraven werden door de hier aanwezige boeren. Op een enkele uitzondering na, waren veel van deze dobben niet erg diep en bevroren dus ook dan snel ten tijde van een winterse periode. Het waren ideale plaatsten voor de jeugd uit de omgeving om redelijk veilig te kunnen gaan schaatsen. De diepere dobben die gevoed werden door regionaal kwelwater dat daar aan de oppervlakte kwam, bevroren niet zo snel of helemaal niet en werden dus minder door de jeugd bezocht.

Een bekend gezicht dat je in het verleden vaak zag in de omgeving van de Zulte. Een al dan niet gegraven dobbe aan de rand of in een hoek van een weiland. De bovenstaande dobbe is een natuurlijke dobbe en zeker al honderden jaren oud.

Dat de meestal ondiepe poelen in de winter gebruikt werden door de schaatsgrage jeugd uit de omgeving was meegenomen en zorgde voor veel vertier, maar de dobben hadden eigenlijk een andere functie. Vrijwel de meeste dobben dienden als drinkplaats voor het aanwezige vee en bespaarde de toenmalige boeren veel tijd omdat zij niet met de vele liters water hoefden te slepen. Een aantal dobben waren in der loop ontstaan doordat grond- of kwelwater door de keileemlaag was gedrongen en afhankelijk van plaats en de waterdruk in de poel, zelfs een enkele beek was gevormd. Anderen werden gegraven op plaatsen waar men een vermoeden had, dat er water onder de grond zat. Hierbij werd soms zelfs de hulp van een lokale wichelroedeloper ingeroepen om een ondergrondse waterstroom te vinden. De dobbe die naast de boerderij van de gebroeders Baving aan de Zulthe heeft gelegen, was hier een goed voorbeeld van.

De eerder afgebeelde dobbe enkele jaren eerder. Het is op de afbeelding goed te zien dat de randen te steil zijn voor het vee om er bij te kunnen komen om te drinken. De eigenaar van het vee moet dan dagelijks het water voor de dieren bijvullen. Naast dat dit soort dobben een steile rand bezitten, kunnen ze ook behoorlijk diep zijn.

Ook de vorm én de locatie van een dobbe speelde een rol van belang als het op het water geven van het vee aankwam. Bij de gegraven dobben waren de kanten doorgaans zo schuin afgegraven, dat het vee er eenvoudig bij kon komen. Dit was trouwens ook in de weilanden het geval waar de Zulter Bitse doorheen liep, de oevers waren niet zo steil als het vandaag het geval is en kon het vee water uit de beek drinken. Vrijwel alle dobben in het gebied dat de naam de Zulte droeg, bevonden zich aan de rand nabij de afscheiding of in een hoek van het weiland. Een patroon dat je trouwens rondom heel Roden tegenkomt.

Andere dobben die door de mens gegraven waren, bezaten doorgaans niet zo’n grote doorsnede zoals de natuurlijke dobben bezaten en waren hooguit een meter of vijf breed. Zoals al eerder vermeld waren de kanten van zo’n dobbe lang niet zo steil en werden ze ook niet zo diep uitgegraven. In deze dobben kon het vee doorheen lopen, iets wat in de zeer warme zomers dan ook gebeurde. Zo’n ondiepe gegraven dobbe ligt heden ten dage in de nabijheid van de Toutenburgsingel waar eens de pannenfabriek heeft gestaan. Deze dobbe is hooguit veertig centimeter diep, zoals op de onderstaande foto goed te zien is.

Een blauwe reiger (Ardea cinerea) in de bovenstaande dobbe nabij de Toutenburgsingel. Het dier staat midden in de dobbe op kikkers te loeren.

De dobbe van Heuker bevond iets ten noorden van de Zulte in het land van Hendrik Heuker in het zuidwesten van de Westeresch. Hendrik, die in de volksmond Hindrik genoemd werd, was op zaterdag 30 juni 1894 als zoon van Paulus en Aaltien Heuker-Riemers geboren. Hindrik trouwde op zaterdag 12 mei 1923 met de in Tolbert  geboren Froukje Feenstra. In het jaar 1933 kwamen zij in het huis te wonen met het nummer 175, tegenwoordig Turfweg nummer 6. Het huis was voorheen al in het bezit van de familie Heuker, maar werd steeds weer verhuurd aan pachters.

Boven is een kaart uit het einde van de jaren 50 uit de vorige eeuw te zien, daaronder is de huidige situatie zichtbaar. Er is vandaag de dag niets meer te zien van de oude dobbe van Hendrik Heuker in de Zulte.

Heden ten dage is er niets meer te zien van wat eens Heuker’s dobbe was. Van de kinderen die eens in het verleden de kans waarnamen om hier te gaan schaatsen, heeft een groot deel inmiddels het tijdelijke leven met het eeuwige verwisseld en heel langzaam verdwijnen de mooie jeugdverhalen uit dit toch wel zeer uniek gebied met de mensen die ze beleefd hebben. Jeugdverhalen zoals het scheuveln op Heuker’s dobbe! Bedankt Roelie.

Hardrijderij op de schaatsen voor vrouwen op de ijsbaan te Roden op 12 februari in het jaar 1935. Op de voorgrond de toen bekende hardrijdster mejuffrouw Jantje Helder uit Paterswolde. Wedstrijden als hierboven vonden niet plaats op de bevroren dobben nabij de Zulte (foto: Trouw, donderdag 28 januari 1954, pagina 5).

Veilen in het Sieveen

In het gebied dat rondom het voormalig esgehucht de Zulte en ten noorden van het dorp Roden ligt, zijn de oude sporen van de terugtrekkende gletsjer tijdens de een-na-laatste ijstijd op veel plaatsen nog duidelijk zichtbaar. Ondanks de oprukkende woningbouw en de zeer intensieve veeteelt uit het verleden kan men met het blote oog nog de hoogten en verdiepingen in het landschap gemakkelijk waarnemen. Vanzelfsprekend geven de benamingen van de gebieden waar deze sporen voorkomen ons ook een kleine inkijk van wat de restanten van de smeltende gletsjer hier hebben achtergelaten. Zo verwijst de benaming ‘Es’ op een verhoging in het landschap, wat op een restant van een stuwwal kan betekenen en werd een depressie in het gebied doorgaans met ‘Veen’ aangeduid. Doorgaans vanwege het feit dat er vanaf het einde van de laatste ijstijd er water in bleef staan en er na verloop van tijd veen in de verdieping vormde.

Nu waren veel van de depressies in het landschap tijdens de laatste ijstijd opgevuld met onder andere zand, dat afkomstig was van het Gronings gedeelte van de Hondsrug en destijds door de poolwinden hierheen werd vervoerd en daarom niet meer als zodanig herkenbaar. De depressies in het gebied waren ontstaan door de grote hoeveelheid smeltwater dat vrijkwam, toen de grote massa landijs begon te smelten en het water zich een weg zocht naar de lager gelegen delen en hierbij grote, diepe smeltwatergeulen door het zand vormde. Samen met het smeltwater meegevoerde residu dat vrijkwam uit het landijs en de hier aanwezige keileem, ontstond er onder in de geulen een waterdichte laag.

De smeltwatergeul die achterbleef nadat de gletsjer uit het gebied verdwenen was aan het einde van het Saalien, de voorlaatste ijstijd zo’n 130.000 jaar geleden. Op de bovenstaande afbeelding is het restant van de smeltwatergeul duidelijk zichtbaar op de zogenaamde hoogte/laagte beelden (Bron: Actueel Hoogtebestand Nederland).

Dankzij deze waterdichte laag en de doorgaans geleidelijke schuine zijkanten van de voormalige smeltwatergeulen, kon het water amper of helemaal niet meer wegzakken en bleef het in de verdieping staan. Door het warmer worden van het klimaat en de toenemende neerslag, begon het gebied steeds natter te worden en stierven de aanwezige planten af. Hierop groeiden weer nieuwe planten, die vervolgens ook weer afstierven en zich ophoopten in het zuurstofarme water. Doordat de plantenresten niet werden afgebroken door de afwezigheid van zuurstof, kon er zich zo in de duizenden jaren een forse veenlaag ontwikkelen.

Inmiddels heerst er in het Sieveen een ander waterregime dan in het verleden en zie je de vernatting weer toenemen. Was vroeger nog het motto dat het water zo snel mogelijk afgevoerd diende te worden, tegenwoordig is de schouw van de sloten hier verdwenen en zie weer vochtminnende planten terugkeren in het gebied.

De in het gehele gebied aanwezige laag keileem zorgde niet alleen dat er in de depressies veenvorming kon ontstaan, maar ook dat op de natte en moerassige ondergrond planten gingen groeien, die de zeer vochtige ondergrond konden waarderen. Langzaamaan begon ook op de hoger gelegen gebieden een vorm van vegetatie te ontstaan, die voornamelijk uit mossen, grasachtige vegetatie en gewone dophei bestond; natte heide. Bomen zullen hier lange tijd niet hebben kunnen groeien en zal de struiklaag met dwergstruiken zoals de gewone dophei, struikhei en een aantal zeldzamere soorten zoals kraaihei, grote veenbes en lavendelhei het uitzicht voor een lange tijd hier hebben bepaald.

Op de oude Franse legerkaart uit 1810/1811 is goed te zien dat het gebied ten westen van het voormalig esgehucht de Zulte bestond uit immens grote, natte heidevelden. Van landbouwactiviteiten in het gebied is natuurlijk nog geen sprake. Wel is het pad duidelijk te zien waar langs de schaapskudde van de Zulte richting het noorden ging om de heide van de Markegenoten te bereiken (BronDrents Archief).

Tot ver in de negentiende eeuw bleef het gebied onberoerd en was het voor boeren te nat en te moerassig om het hier te gaan ontginnen en zodoende het vee te kunnen laten grazen. Een enkele keer zal de schaapskudde van de Zulte hier hebben gegraasd en op enkele landweggetjes na om binnen door te kunnen gaan, had de mens hier dan ook niets te zoeken. Pas halverwege de negentiende eeuw begon men in de omgeving van de huidige Toutenburgsingel voorzichtig met het ontginnen van de drogere stukken voor de landbouw en veeteelt. Echter, het gebrek aan een goed bemestingsbeleid destijds en een kortzichtige blik op de toekomst, zorgde ervoor dat ook de nattere gedeelten ontgonnen moesten worden.

Op de kaart die stamt uit 1845 laat maar weinig veranderingen zien in het gebied ten westen van het esgehucht de Zulte. (Bron: Gronings Archief).

In die tijd dat de boeren hun begerige blik op het gebied wierpen en vonden dat de natte heide niets toevoegde aan hun bedrijf, bepaalde echter het gebrek aan een deugdelijk stelsel van sloten om het water af te voeren het gebruik van het land. Langzamerhand waren de hoger gelegen gebieden inmiddels in gebruik als bouw- of weiland, maar met het lager gelegen gebied wist men vooralsnog geen raad.

Op de kaart uit 1853 zijn zowel de bouwlanden als het eerste weiland ten zuiden van de Toutenburgsingel in het Sieveen zichtbaar. Langzamerhand verlegde men de agrarische activiteiten steeds meer richting het westen. Ook is de voormalige steenfabriek ten noorden van de singel te zien (BronDrents Archief).

Rond de jaren zestig in de negentiende eeuw begon men met de daadwerkelijke ontginning van de natte heide en werd het veen, dat zich in de duizenden voorafgaande jaren had gevormd, gewonnen en als bemesting gebruik voor de hier nog te planten bomen. Waarschijnlijk stamt de naam van dit gebied, het Sieveen, dan ook uit deze tijd en zal zoveel betekenen als het naastgelegen veen in het hier gesproken Drents dialect.

De diepe sloot die langs de voormalige schapendrift en het water uit onder andere het Sieveen naar de Zulter Bitse moest vervoeren, bestaat nog steeds en heeft zijn functie als zodanig behouden. In principe heeft de sloot zijn exacte locatie behouden, echter het laatste gedeelte loopt nu richting het noorden in plaats van het zuiden. Dat gedeelte is veranderd tijdens de aanleg van de twee vijvers in het stroomgebied van de Zulter Bitse begin jaren zeventig van de twintigste eeuw.

De hier door de eigenaar aangeplante bomen bestonden uit snelgroeiende naaldbomen. Echter om het gebied geschikt te maken voor de aanplant moet de eigenaar de nodige ingrepen doen om het een en ander mogelijk te maken. Het voornaamste was het kwijtraken van het vele water dat in het gebied voorkwam. Daarvoor werd een lange en diepe sloot richting het oosten tot aan de weg in de Zulte gegraven, die vervolgens langs de weg naar het zuiden liep om in de Zulter Bitse te eindigen. Nadat de afvoersloot gereed was en al bezig was het vele water af te voeren, begonnen de arbeiders dwars op de brede sloot verzamelsloten graven waarop weer de afwateringssloten het water loosden. Dit slotenstelsel is nog steeds duidelijk zichtbaar op satellietbeelden die de hoogte in het gebied weergeven.

De afwateringssloten, die in de negentiende eeuw gegraven waren om het water af te voeren zodat de aangeplante bomen gen last van natte voeten kregen, zijn nog steeds duidelijk zichtbaar in het gebied. Weliswaar verdwijnen ze geleidelijk doordat zowel de bodembegroeiing, de mossen en de gronderosie in het gebied de sloten langzaam maar zeker opvullen.

Niet alleen de ontwikkeling van het gebied kwam in een stroomversnelling terecht, ook de vervaardiging van accurate landkaarten, atlassen en plattegronden had een vogelvlucht genomen en de cartografie bleek steeds nauwkeuriger te worden. Vanaf het begin van de twintigste eeuw waren niet alleen de gemeenten en het Kadaster de enigen met zeer nauwkeurige en duidelijke kaarten; ze waren ook voor de gewone man toegankelijk geworden. Zeker richting het einde van de twintigste eeuw ziet men een toename van topografische kaart, waarbij satellietbeelden gebruikt worden. Dankzij het gebruik van de satellietbeelden is het heden ten dage ook mogelijk om bijvoorbeeld de hoogten en de laagten in een bepaald gebied in kaart te brengen.

De veranderingen in het Sieveen die tussen 1903 en 1935 plaatsvonden, zijn op de bovenstaande topografische kaarten duidelijk zichtbaar. Langzamerhand verdwenen de productiebossen en maakten plaats voor weilanden (bron: topotijdreis.nl).

Naast het stelsel van sloten waren natuurlijk ook wegen belangrijk om het gebied bereikbaar te maken voor de arbeiders om de sloten te kunnen graven en om het pootgoed aan te voeren. Deze wegen hebben in het Sieveen tot ongeveer het begin van de jaren dertig van de twintigste eeuw gelegen en zijn na de houtkap in oktober 1930 verdwenen. Daar waar ze door een perceel bos en langs de voormalige steenbakkerij liepen, werden na 1935 in gepoot met Amerikaanse eiken (Quercus rubra). Echter, liep de aanplant op de plaats bij de voormalige steenfabriek volgens plan, bij het perceel bos bleek echter dat echter niet de Amerikaanse eik, maar de moeraseik (Quercus palustris) gebruikt was op het weggetje te beplanten.

Een medewerker heeft jaren geleden vergeten zijn schep, een zogenaamde bats, mee te nemen na zijn werkzaamheden in het bos. Na ruim veertig jaar staat deze nog steeds parmantig te wachten op de medewerker die nooit meer in dit bos zal komen en van zijn pensioen aan het genieten is.

De bossen in het Sieveen werden vanaf het begin van de twintigste eeuw gebruikt voor de houtkap en zullen vooral richting Limburg afgevoerd zijn, waar het hout in de kolenmijnen ter ondersteuning gebruikt werd. Dit zal tot begin 1931 het geval geweest zijn. Op maandag 29 september 1930 verscheen in het Nieuwsblad van het Noorden een advertentie van de dan 63-jarige Harmannus Aukema, waarin het verboden werd om nog langer gebruik te maken van het pad door het Sieveen. De op donderdag 11 april 1867 in de Zulte geboren Harmannus was een zoon van de landbouwer Roelf Jans Aukema en Everdina Harmannus Bakker en overleed op 77-jarige leeftijd op dinsdag 18 april 1944 te Roden.

Restanten van het weggetje dat in het verleden door de bossen van het Sieveen liep, zijn nog duidelijk zichtbaar in het weiland. Op de achtergrond is het bos te zien dat de bomenkap tijdens de eerste dertig jaren van de twintigste eeuw ontlopen is.

Niet alle bossen in het Sieveen werden gekapt en enkele bossen bleven staan. Deze bossen bestonden vooral uit loofbomen met hier en daar nog een enkele naaldboom. Later kwamen deze bossen, zo rond de jaren zestig van de vorige eeuw, in het bezit van Staatsbosbeheer en zijn ze daarna nog een tijd als productiebos gebruikt.

Al snel krijg je het vermoeden wanneer je het bovenstaande verhaal leest, dat vooral bosbouw dit gebied in het verleden heeft plaatsgevonden. Voor een gedeelte van het Sieveen gaat dat eigenlijk ook wel op, maar daarnaast deed veel ook van het gebied dienst als weiland. Zeker nadat landbouwer Harmannus Aukema de bossen liet kappen en het uitmuntende stelsel van sloten grote delen van het gebied redelijk droog wist te houden, deden de landerijen hier dienst als weiland. Nu waren er al delen in het Sieveen aanwezig die eerder aangelegd waren en er waren ook al in de jaren vijftig van de negentiende eeuw pogingen gedaan om hier akkerbouw rendabel te maken.

Op de satellietbeelden die het verschil in hoogte en laagte weergeven, zijn de hoogten in het noorden van het Sieveen duidelijk zichtbaar. Ligt de gemiddelde hoogte van de blauwgekleurde gebieden tussen de 2.70 en de 3.15 meter boven N.A.P., de groene delen tussen de 3.15 en 3.75 meter boven het Normaal Amsterdams Peil en de rood ingekleurde delen variëren tussen de 3.75 en 5 meter boven het al eerder vermelde N.A.P. (Bron: Actueel Hoogtebestand Nederland).

Bleef het bij de akkerbouw nog tot enkele pogingen die blijkbaar gedoemd waren om te mislukken, het aanleggen van gras- en weilanden op de hoger gelegen gedeelten bleek echter succesvol. Deze gedeelten bevonden zich in het noordelijk gedeelte van het Sieveen en maakten zoals de smeltwatergeul deel uit van de grondmorene die achterbleef na het verdwijnen van het landijs. De hoogte van verhogingen varieerde grofweg van 3,75 tot 5 meter boven N.A.P. en bestonden deels uit fijn zand. Waarschijnlijk waren ze in het verleden hoger, maar zullen de straffe poolwinden tijdens de laatste ijstijd deze hebben doen afslijten.

Al met al zat er veel historie hier in de bodem van het Sieveen en de boeren in het gebied maakten daar gebruik van. Niet dat de boeren destijds het besef hadden dat de karakteristieke ondergrond behouden moest worden voor de toekomstige generaties, nee, totaal niet. Erg begrijpelijk want de bedrijfseconomische drijfveer was in die dagen noodzakelijk om het hoofd boven het water te kunnen houden. Dat gold niet alleen voor de twee zonen van Roelof Jans Aukema, Jan Roelofs en Harmannus, maar ook voor Roelof Deodatus Pzn., die eveneens land in het Sieveen bezat. Beide heren bezaten trouwens veel grond in de omgeving van het voormalig esgehucht de Zulte rond die tijd.

In het begin van het jaar 1918 laat Roelof Deodatus Pzn. in een advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden weten dat er op de ochtend van de donderdag 17 januari van dat jaar dat hij schil-, week- en klomphout publiekelijk wenst te verkopen in het café Van der Molen in het dorp Roden, daar waar de weduwe van Roelf van der Molen, Janna samen met haar zoons met de scepter zwaaide. Het hout dat uit het Sieveen kwam, zal voornamelijk schil- en weekhout geweest zijn. Het hout dat rondom de boerderij van Baving stond, was voornamelijk zogenaamd ‘Pöppelnholt’ (populieren hout) en werd gebruikt als klompenholt (klompenhout). Er staan trouwens nog steeds behoorlijk forse populieren bij de huidige boerderij.

De advertentie die Roelof Deodatus Pzn. in de krant liet plaatsen om onder andere hout uit het Sieveen te verkopen (Bron: Zaterdag 5 januari 1918 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 12, 31ste jaargang, No. 4)

Later dat jaar, begin oktober 1918, liet Deodatus wederom een advertentie plaatsen in het Nieuwsblad van het Noorden van donderdag 3 oktober, waarin hij onder andere 4¼ hectare weiland en 1¼ hectare bouwland in het Sieveen voor maar liefst 5 jaar wenst te verhuren. Deodatus vond het blijkbaar zo belangrijk dat de interesse behoorlijk groot was, dat hij de advertentie nogmaals op zaterdag 5 oktober, woensdag 9 oktober en zaterdag 12 oktober in het nieuwsblad liet plaatsen. Het een en ander vond wederom plaats in het café van de weduwe van der Molen in Roden, nu op de woensdag 16 oktober 1918 ’s avonds om 18.00 uur. Het betrof hier de meest noordelijk gelegen percelen in het Sieveen.

De advertentie van 3 oktober 1918 waarin Roelof Deodatus Pzn. belangstellenden opriep om op 16 oktober van dat jaar te komen naar het café van weduwe van der Molen. (Bron: Donderdag 3 oktober 1918 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 6, 31ste jaargang, No. 232).

Ruim vier maanden later, op maandag 17 februari 1919, komen wij een advertentie tegen in de Provinciale Drentsche en Asser courant van de in Zuidhorn woonachtige Jan Roelofs Aukema, broer van Harmannus, waarin hij aangeeft drie percelen hakbos bij palmslag te willen verkopen in het zogenaamd Klein Sieveen. Palmslag is een gebaar waarbij koper en verkoper elkaar in de palm van de hand slaan ter bezegeling van een verkoop. De veiling van de drie percelen zouden volgens de advertentie op zaterdag 1 maart 1919 ’s ochtend om 10.00 uur plaatsvinden in het café W. Scheepstra te Roden.

De advertentie van Jan Roelofs Aukema uit Zuidhorn in de Provinciale Drentsche en Asser Courant waarin hij laat weten drie percelen met hakhout in het Klein Sieveen te willen verkopen (Bron: Maandag 17 februari 1919 Provinciale Drentsche en Asser courant, Pagina 4, 96ste jaargang, No. 40).

Het Klein Sieveen was het gedeelte dat in het midden in het Sieveen lag, zoals op de onderstaande kaart uit 1926 te zien is. Het meest noordelijk gelegen perceel met het nummer 31 bestond uit zowel dennen en loofhout en was 1.4870 hectare groot, percelen 32 en 33 waren respectievelijk 0.9380 en 0.4520 hectare groot en bestonden beiden uit hak- en ingepoot bos. Voor Aukema zal het een mes geweest zijn die van twee kant sneed; geld verdienen aan het verkopen van hout en dan de percelen wederom verpachten als weiland.

Op de bovenstaande kaart zijn de drie percelen te zien waar in 1919 nog bos stond en rond dit tijdstip inmiddels als weiland in gebruik waren genomen (bron: topotijdreis.nl).

Het land in het Klein Sieveen was na de houtkap weliswaar weiland geworden en er lag een goed werkend stelsel van sloten, toch bleef het land er in de nattere seizoenen op veel plaatsen nog behoorlijk drassig. Tot ver in de jaren zeventig van de vorige eeuw was dit zeker het geval en moest de eigenaar van het land, Job Dijk uit de Zulte, er beducht op zijn dat er tijdens het hooien niet met tractor en boerenwagen stil werd gestaan. De kans was enorm groot dat de wagen vast kan te zitten. Daarom zorgden zijn zonen Gerrit en Wietse ervoor, dat er nooit meer dan twee lagen hooipakjes op de boerenwagen werden gestapeld.

Het Klein Sieveen op een winterse dag aan het einde van het jaar 2014. Langzamerhand krijgen de inheemse wilde planten weer grip op het gebied. Doorgaans zijn het wel de vochtminnende planten die zich hier enorm thuis voelen.

Nu was de akkerbouw in het Sieveen niet echt succesvol, maar zo nu en dan deed men toch weer een poging iets te verbouwen. De heer G. D. Boswijk, notaris te Roden, liet in het jaar 1928 een advertentie laten plaatsen in het Nieuwsblad van het Noorden van Zaterdag 7 juli voor een aantal landbouwers uit de omgeving van het prachtige Noord-Drentse dorp Roden. De al eerder aangehaalde Harmannus Aukema deed ook mee en probeerde tijdens de publieke verkoping die op de vrijdagmiddag van 13 juli 1928 in het Café van H. M. de Vries te Roden een perceel Zwarte Orion haver in het Sieveen te verkopen.

De advertentie die verscheen in het Nieuwsblad van het Noorden van zaterdag 7 juli die geplaatst was in opdracht van de Roner notaris G. D. Boswijk. (Bron: Zaterdag 7 juli 1928 Nieuwsblad van het Noorden, Pagina 19, 41ste jaargang, No. 159).

Harmannus Aukema had het in die dagen druk als boer met het een en ander te regelen. En er moest natuurlijk brood op de plank komen, dus er diende geld verdiend te worden. Door onder andere de toenemende kolenwinning in Zuid-Limburg steeg de vraag naar hout in heel Nederland en ach, Harmannus had nog wel ’n paar bunder hakbos staan. Nu was het op stel en sprong kappen van de bomen om snel een paar guldens aan het hout te gaan verdienen en dan zo snel mogelijk van de percelen gras- of weilanden maken niet zo maar gedaan.

De advertentie die Harmannus Aukema in het jaar 1930 tweemaal liet plaatsen in het Nieuwsblad van het Noorden (Bron: Maandag 29 september 1930 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 11, derde blad, 43ste jaargang, No. 229).

Het gebied was inmiddels ontdekt door de wandelaars en de dagjesmensen, die enorm van dit gebied konden genieten. Daarnaast was het voor velen een binnen doorweggetje geworden om de Toutenburgsingel te bereiken, om vervolgens dan richting Terheijl, Leek of Nietap hun weg te vervolgen. Nadat Aukema in 1930 alles geregeld had voor de bomenkap in het gebied, plaatste de landbouwer eind september van dat jaar een advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden, waarin hij liet weten dat met ingang van 4 oktober het Sieveen voor iedereen verboden was. Twee dagen later, woensdag 1 oktober, werd de advertentie nogmaals geplaatst.

Dit maal was het de landbouwer Roelof Deodatus Pzn. die de notaris Boswijk uit Roden een advertentie liet plaatsen in het Nieuwsblad van het Noorden op zaterdag 7 februari 1931 (Bron: Zaterdag 7 februari 1931 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 26, zevende blad, 44ste jaargang, No. 32).

Notaris Boswijk uit Roden had het in die jaren niet alleen druk met regelen van de vele verkopingen, ook het organiseren van het verhuren en/of het verpachten ging gewoon door. Ook Roelof Deodatus Pzn. deed zijn best om de notaris bezig te houden in het begin van de jaren dertig. Zoals Aukema dat al eerder had laten doen, liet Deodatus de notaris eveneens een advertentie opstellen waarin hij een huis en twee percelen weiland te huur aanbood. De advertentie verscheen in het Nieuwsblad van het Noorden van zaterdag 7 februari 1931. Een van de percelen was circa vier hectare groot en lag in het Sieveen. Waarschijnlijk begon men zich nu wel aan de kadastrale indeling uit 1832 te houden en ineens ligt het Sieveen in Terheijl. De gesloten briefjes dienden voor of op woensdag 18 Februari 1931 bij de notaris te worden ingeleverd.

De advertentie die de twee notarissen voor Deodatus hadden opgesteld en die eerst op zaterdag 28 november en daarna weer op 5 december in het Nieuwsblad van het Noorden verscheen. (Bron: Zaterdag 28 november 1936 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 24, zesde blad, 49ste jaargang, No. 282).

Bijna vijf jaren later heeft Deodatus weer een klusje voor de notaris Boswijk uit Roden. Voor vrijdag 11 december 1936 ’s middags om 15:00 uur staat een evenement gepland in het hotel van der Molen te Roden, waarbij publiek bij inzate een paar boerenbehuizingen, diverse percelen heide, bouw-, hooi-, en weilanden worden geveild. Een beste klus die de Roner notaris niet in zijn eentje doen kan en daarom hulp krijgt van zijn collega F. R. M. Th. Gouverne uit de stad Groningen. De advertentie voor de veiling verschijnt zaterdag 28 november voor het eerst in het Nieuwsblad van het Noorden en een week later, zaterdag vijf december 1936, werd de advertentie nogmaals herhaald.

Waarschijnlijk had men de inhoud van de verkoping/aanbesteding in de advertentie beperkt tot de hoofdpunten en wilde men meer informatie, dan was men genoodzaakt de zogenaamde veilingboekjes voor 10 cent aan te schaffen. Daarnaast had men ook op het kantoor van de notaris een kadastrale kaart ter inzage liggen. De samenvatting in de krant was echter wel een goede suggestie wanneer men er belang bij had om landerijen van Deodatus te gaan kopen. Een andere en zeker niet een mindere opmerking in deze advertentie was toch wel, dat de betaling op 1 mei 1937 diende te geschieden. Niet geheel verwonderlijk, blijkbaar zat Roelof Deodatus Pzn. toch behoorlijk om geld te springen.

De afloop van verkoop en aanbesteding die 11 december 1936 plaatsvond in hotel van der Molen te Roden. Op de drie percelen had Jacob Siegers uit Roden 5580 gulden ingezet (Bron: Zaterdag 12 december 1936 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 10, derde blad, 49ste jaargang, No. 294).

Een week later nadat de tweede advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden van 5 december was verschenen, werd in de krant van vrijdag 12 december 1936 de afloop van de verkoping en aanbesteding bekend gemaakt door de twee notarissen Boswijk en Gouverne. De veiling van de percelen vond in het hotel van der Molen in Roden plaats. Het kavel D omvatte drie percelen weiland in het Sieveen ter grootte 6,163 hectare: perceel 11, weiland Sieveen 2,063 hectare, perceel 12, weiland Sieveen 1,4 hectare, en perceel 13, weiland Sieveen 2,7 hectare. In de aankondiging advertentie stond echter het foutieve getal: D. Weiland “Sieveen” , groot 6,153 hectare, minder dan de daadwerkelijke oppervlakte.

De aankondiging in de krant dat op 22 december 1936 in hotel Zuiderveld te Roden een belangrijke verkoping plaats zal vinden (Bron: Zaterdag 19 December 1936 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 23, zesde blad, 49ste jaargang, No. 300).

Voor de drie percelen weiland in het Sieveen had de dan 45-jarige uit Roden afkomstige Jacob Siegers ingezet op een totaalbedrag van 5580 gulden. Vervolgens gingen de twee notarissen weer naar het Nieuwsblad van het Noorden en lieten zij een advertentie plaatsen in de zaterdageditie die op de zaterdag 19 december verscheen. Hierin stonden de weer de aangeboden kavels, maar nu met de ingezette bedragen. Over het kavel D., een weiland in het Sieveen, groot 6,168 hectare vermeld de advertentie dat deze is ingezet op f 5580,-. En weer zal het ondeugende zetduiveltje bij de krant zijn slag hebben geslagen, nu wordt het kavel weer groter aangeven dan deze werkelijk is.

Het een en ander zou volgens de advertentie publiek bij palmslag verkocht worden op dinsdag 22 december 1936 om drie ’s middags in het hotel Zuiderveld te Roden. Voor de rest wijkt deze advertentie maar weinig af van de advertentie die eerder op 28 november verscheen, echter dat het nu in hotel Zuiderveld in plaats van hotel van der Molen plaatsvond en de ingezette bedragen stonden nu bij de kavels.

Uiteindelijk heeft niet Jacob Siegers uit Roden de drie percelen in het Sieveen gekocht, maar ene J. A. Meijer wonende te Eenrum (Gr.) (Bron: Woensdag 23 december 1936 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 6, tweede blad, 49ste jaargang, No. 303).

In het Nieuwsblad van het Noorden die op woensdag 23 december 1936 verscheen, deden de twee notarissen verslag van de belangrijke palmslag in Roden. Naast de andere kavels werden ook de drie percelen weiland, kavel E., verkocht. Had de Roner Jacob Siegers nog ingezet op 5580 gulden voor de drie weilanden, het was de uit het Groningse Eenrum afkomstige J. A. Meijer die met de drie percelen aan de haal ging. De Ainrumer kon maar liefst 8300 gulden gaan betalen voor de drie weilanden in het Sieveen.

Ruim vier jaren later komen we Roelof Deodatus Pzn. weer tegen in het Nieuwsblad van het Noorden. Nu in een advertentie van de Roner Notaris G. D. Boswijk, waarin hij voor meerdere eigenaren van percelen met bos aangeeft dat er op maandag 20 januari 1941 een grote bosverkoping plaats zal vinden in het café van J. Scheepstra nabij de kerk in Roden. De notaris omschreef het als volgt: ‘Voor den heer R. Deodatus Pzn. te Zulte: 2 perceelen bosch in het Sieveen, afk. van H. Deodatus’.

De advertentie van notaris Boswijk waarin hij voor een aantal eigenaren bos te koop heeft gezet (Bron: Zaterdag 18 januari 1941 Nieuwsblad van het Noorden, pagina 16, vierde blad, 54ste jaargang, No. 15).

Gedonder in de Noordeindiger Kampen.

Al ver voor de achttiende eeuw bezaten de bewoners van havezate Mensinge grote stukken grond en woningen in de omgeving van het dorp Roden en die doorgaans verpacht werden aan boeren en burgers. Meestal waren dit boeren en burgers die in de buurt van de percelen woonden en voor de grootgrondbezitter was het de manier om aan de huizen en de percelen een beste stuiver te verdienen. Naast dat de verschuldigde pacht in keiharde pecunia voldaan diende te worden, bood men de pachters de mogelijkheid om deze in natura te voldoen. Dit gebeurde dan bij de Spijker, een schoutsboerderij die nabij huize Mensinge en die waarschijnlijk al sinds het midden van de zeventiende eeuw deze taak kreeg toegewezen.

Dit was niet veel anders toen de in Zuidlaren geboren Coenraad Wolter Ellents huize Mensinge in 1764 kocht en waar hij vanaf vrijdag 6 maart 1767 met zijn vrouw Gesina Oldenhuis ging wonen. Coenraad Wolter verhuurde zo’n stuk grond, ook wel kamp genoemd, aan de zoon van Joris Martens (Korvemaker) en Griete. Joris was de korvenmaker of kurver in het Westeijnde van het dorp  Roden en hij maakte niet alleen manden en korven, maar ook de zittingen van stoelen en was in rond 1713 in Roden getrouwd. Zijn vrouw die eerst genoemd werd als Griete, was de rond 1685 geboren Grietien Jacops. Joris Martens werd in 1742 aangeslagen voor haardstedengeld zo blijkt uit de archieven en de inmiddels weduwnaar geworden Joris moest 2 guldens betalen zijnde een keuter en zijn zoon Gerrit als korvenmaker.

De vermelding van Joris Korvemaker in het Haardstedengeldregister van het dorp Roden uit 1742. (Bron: Oude Staten Archieven (OSA), toegangsnummer 0001, inventarisnummer 868.24, Haardstedengeld Roden, Westeijnde, 1742, pagina 3677)

De korvenmaker Joris en zijn vrouw Grietien kregen in juni 1714 hun eerste gezonde zoon Pieter Joris. De tweede zoon kwam in maart 1718 ter wereld als Gerrit Joris. De zoon werd op zondag 13 maart 1718 in de deels romanogotische en deels gotische in de dertiende eeuw gebouwde Catharinakerk van Roden gedoopt als Gerrit, zoon van Joris Korvemaker en huisvrouw Griete. Naast Pieter en Gerrit waren er nog twee andere kinderen binnen het gezin aan het Westeijnde in Roden, zoon Jacob (januari 1723) en dochter Heijeltien (maart 1726). De rond 1685 in Roden geboren Joris Martens en vader van de eerdergenoemde kinderen, was een zoon van de eveneens in Roden woonachtige Marten Pieters.

Op zondag 13 maart 1718 werden er in de Catharinakerk van Roden drie kinderen gedoopt, te weten: Meerten, Gerrit en Annegien. (Bron: Drents Archief: Doopregister Roden 89, archiefnummer 0176.01, inventarisnummer 89, aktenummer 89)

Twee jaar later na de vermelding van Joris Korvemaker in het Haardstedengeldregister van het dorp Roden uit 1742 komen wij zijn dan 26-jarige zoon Gerrit tegen in het Drentse dorp Eelde. Om precies te zijn in het hoofdstuk ‘Trouwen 1737-1811’  uit het Doop, Trouw en Begraaf Register van het dorp. Het blijkt dat Gerrit op de zaterdag 25 april van het jaar 1744 aldaar in het huwelijk was getreden met de rond 1720 geboren en uit Bakkeveen afkomstige 24-jarige Hinkje Harms.

De vermelding in het Doop, Trouw en Begraaf Register van het dorp Eelde dat Gerrit in het huwelijk was getreden met zijn Hinkje. (Bron: Drents Archief Trouwregister Eelde 25, archiefnummer 0176.01, inventarisnummer 25, aktenummer 0176.01)

Precies een jaar later, op zondag 25 april 1745 wordt hun eerste zoon genaamd Joras gedoopt in de prachtige Catharinakerk te Roden, daar waar zijn vader ruim 27 jaar daarvoor eveneens was gedoopt. In het midden van de achttiende eeuw was er eigenlijk nog geen sprake van een standaard binnen de Nederlandse taal zoals wij deze vandaag de dag kennen en dit bracht natuurlijk de nodige problemen en verwarringen met zich mee. Daarnaast was de naamgeving met een verplichte achternaam die voor elk geboren kind binnen de familie diende te gelden, nog lang niet ingevoerd en gold doorgaans de voornaam van de vader als achternaam. Zelden werd het beroep zoals bakker of timmerman gebruikt en dan nog gold deze eerder als een verwijzing naar het beroep dan naar de familie van de drager.

De eerste zoon van Gerrit Joras en Hinkien Harms werd als Joras gedoopt, maar later verbasterde de naam naar Joris. (Bron: Drents Archief: Doopregister Roden 89, archiefnummer 0176.01, inventarisnummer 89, aktenummer 89)

Dit gold eveneens voor de eerst geborene binnen het gezin Gerrit Joras en Hinkien Harms. De naam Joris wordt ineens Joras en ook de nog in 1744 hetende Hinkje is nu Hinkien geworden. Op zich niet geheel vreemd dat de naam van Joris zijn echtgenote veranderde van Hinkje naar Hinkien, immers in grote delen van Drenthe werd een verkleinwoord uitgesproken met een ‘ien’ aan het einde en schreef men alles op zoals het klonk, waarvan zelfs veel in het aldaar gesproken dialect. Niet verbazingwekkend is het ook natuurlijk dat de naam genoteerd werd zoals de schrijver deze hoorde en zodanig interpreteerde.

De verwarring wordt alleen nog maar groter wanneer zoon Joras later naar de stad Groningen vertrekt en in het jaar 1818 komt te overlijden en in de Groningse archieven nu weer Joris heet, Joris Ferwerda. Zijn ouders worden in de overlijdensakte nu Gerrit Ferwerda en Enkje Harms genoemd. De op de leeftijd van 73 jaar tussen 13:00 en 14:00 op donderdag 8 januari 1818 overleden Joris was gehuwd met Eesina Reneman. De beste man overleed in het in het Gereformeerde diaconie arm- en kinderhuis, Hofstraat, Letter M, no.26, Kanton no.1 te Groningen. De aangifte van zijn overlijden volgde op zaterdag 10 januari 1818 en de twee aangevers waren Jan Versteegh, oud 62 jaar, kokvader en de 65-jarige Hindrik van Duren die breidemeester (iemand die aan de jongens ’t breien moest leren in de breidekamer van ’t Groene Weeshuis te Groningen) was, beide wonende te Groningen.

De vermelding van de in Roon geboren Joris Ferwerda, Zoon van Gerrit Ferwerda en Enkje Harms in het Overlijdensregister van de stad Groningen uit 1818. (Bron: Gemeente Groningen Overlijdensregister 1818, aktenummer 21)

Om de naam Ferwerda te kunnen verklaren binnen de familie moeten wij terug naar het begin van de zeventiende eeuw. Weliswaar moeten we het eerdergenoemde probleem van het opschrijven van namen in het achterhoofd houden, maar in de doopakte van de eerste zoon van Joris en Grietien wordt de vader Joris Martens Ferseda genoemd. Mijn vermoeden is dat de naam Ferwerda altijd al bij de familie heeft gehoord en op de achtergrond aanwezig is geweest, maar dat het niet gebruikelijk was om deze mee te noteren. Ferseda zal waarschijnlijk verkeerd zijn opgeschreven door de notulist.

Maar goed, laten wij terug gaan naar de korvenmaker Gerrit Joris en moeder Hinkien Harms, die op zondag 18 september 1746 hun tweede kind mogen dopen; Folkert. Of zoals het mooi werd opgeschreven in dat jaar: ‘Folkert, een soon gedoopt van Gerrit Joris en Hinkien Harms genaamd Folkert den 10. Sept.’.

De vermelding in het Doopregister van de tweede zoon Folkert. (Bron: Drents Archief: Doopregister Roden 89, archiefnummer 0176.01, inventarisnummer 89, aktenummer 89)

Ruim 3 jaar later volgt hun derde kind, eveneens een zoon die de naam Harremannus krijgt. Deze zoon wordt op zondag 9 november 1749 net zoals zijn oudere broers in de Catharinakerk te Roden gedoopt. Ook een ander verschijnsel dat in het verleden veel voorkwam, trof ook het gezin van Gerrit en Hinkien, kindersterfte. In de periode tussen 1749 en 1752 sterft hun tweede kind Folkert.

Op zondag 9 november 1749 wordt er in Roden ‘een soon gedoopt van Gerrit Joris en Hinkien Harms den 9 nov. genaamd Harremannus’. (Bron: Drents Archief: Doopregister Roden 89, archiefnummer 0176.01, inventarisnummer 89, aktenummer 89)

 In juni 1752 verwelkomt het gezin hun vierde kind die eveneens een zoon is en op zondag 25 juni 1752 wordt hij gedoopt met de naam Folkert. Iets wat je in die dagen veel vaker zag was dat de naam van een overleden kind gebruikt werd door een volgend kind van hetzelfde geslacht.

De vermelding in het Doopregister van de vierde zoon van Gerrit en Hinkien Folkert. (Bron: Drents Archief: Doopregister Roden 89, archiefnummer 0176.01, inventarisnummer 89, aktenummer 89)

Vier jaar later is het binnen het Nederlands Hervormd gezin weer feest. Het vijfde kind dat op zondag 30 mei 1756 gedoopt wordt in de mooie kerk van Roden is een dochter en krijgt de naam Geertruit. 1763 is het jaar waarin het laatste kind geboren en gedoopt wordt.

De bijschrijving van dochter Geertruit in het Doopregister van de hervormde kerk in Roden. (Bron: Drents Archief Doopregister Roden 89, archiefnummer 0176.01, inventarisnummer 89, aktenummer 89)

Op zondag 12 juni 1763 krijgt dochter Grietjen het heilige water op haar hoofd in de Catharinakerk zoals dit ook bij haar broers en zuster gebeurd was. Opvallend blijft toch wel dat zowel de achternaam van Gerrit dan weer als Joris en dan weer als Joras gebruikt wordt. Bij het laatste kind heet zelfs Hinkien ineens Inkien. Het blijkt maar weer, goed luisteren en schrijven was in die dagen echt een kunst.

Bij de vermelding van de doop van dochter Grietjen wordt moeder Hinkien ineens Inkien genoemd. Typerend voor die tijd en het zou mij niets verbazen als Grietjen in latere archieven als Grietien werd vermeld. (Bron: Drents Archief Doopregister Roden 89, archiefnummer 0176.01, inventarisnummer 89, aktenummer 89 Gemeente: Roden)

Nu veranderde de spelling met enige regelmaat in de Nederlanden van de achttiende eeuw en soms moet je even je hoofd erbij houden om het een en ander goed te kunnen interpreteren. Neem nu het Haardstedegeldarchief van het toenmalige kerspel Roden uit 1764, waarin we Gerrijt Joras tegenkomen zijnde een ceuter (keuter) in het buurtschap Rhoden en die 1 gulden betaald had. In die dagen was het dorp niet zo dicht bewoond zoals het vandaag de dag is en hielden de bewoners enkele dieren en een kleine moestuin om in de dagelijkse behoeften te kunnen voorzien.

De vermelding van Gerrijt Joras als ceuter in het buurtschap Rhoden. (Bron: Oude Staten Archieven (OSA), toegangsnummer 0001, inventarisnummer 868.24, Haardstedengeld Roden, Rhoden, 1764, pagina 3706)

De jaren zeventig en tachtig van de achttiende eeuw breken aan en met enige regelmaat komen wij de korvenmaker Gerrit Joras/Joris in de archieven weer tegen. Zo huurde Gerrit vanaf het jaar 1770 een kamp land te Rhoden van Coenraad Wolter Ellents, de bewoner en eigenaar van huize Mensinge. Blijkbaar gaan het boeren en de mandenmakerij Gerrit niet goed af en de dan nog in het buurtschap Westeijnde wonende keuter wordt in de belastingarchieven uit het jaar 1774 omschreven als: ‘Gerrijt Joras in bedrijf als ceuter onmagtigh om te betalen’. De man hoefde dan ook geen belasting te betalen. Tien jaar later in het register van het Haardstedengeld van het kerspel Roden uit 1784 van het buurschap Roden verschijnt Gerrijt Joras weer en wederom is de aangeslagene niet in staat op de belasting op te hoesten; ‘Onmagtigh’.

In de belastingarchieven uit het jaar 1774 omschreven als: ‘Gerrijt Joras in bedrijf als ceuter onmagtigh om te betalen’. Hetzelfde lot onderging ook de eveneens in het Westeijnde wonende Lambert Ottens. (bron: Oude Staten Archieven (OSA), toegangsnummer 0001, inventarisnummer 868.24, Haardstedengeld Roden, Westeijnde, 1774, pagina 3719)

Vanaf 1785 begint de ellende pas goed voor de 67-jarige Gerrit. Waarschijnlijk waren de schuldeisers het gedrag van de steeds in schulden verkerende keuter en korvenmaker meer dan beu en zeggen hem de wacht aan. Het kan ook zijn dat Coenraad Wolter Ellents een zwak voor de man had en hem daardoor ontzag om zijn schulden in een rap tempo te voldoen. Ellents verwisseld echter op zondag 12 september1784 het tijdelijke met het eeuwige en het jaar daarop zal zijn weduwe genoeg hebben gehad van Gerrit Joras. In het archief van Huis Mensinge te Roden tussen de stukken van zakelijke aard komen wij een exploot tegen die  uitgebracht was namens Gesina Oldenhuis aan Gerrit Joras te Roden, houdende een aanzegging om in 1786 een schuld af te lossen en de zogenaamde Noordeindiger kamp te verlaten. Een ‘exploot’ is een proces verbaal van de ambtshandeling van een deurwaarder: het leggen van beslag, het constateren van bepaalde waarnemingen, of het betekenen van een dagvaarding of een ander processtuk.

De vermelding uit 1784 dat Gerrit Joras niet in staat is om de belastingen te kunnen betalen. (Bron: Oude Staten Archieven (OSA), toegangsnummer 0001, inventarisnummer 868.24, Haardstedengeld Roden, Rhoden, 1784, pagina 3728)

Laat in de maand mei van het jaar 1790 krijgt de  in het Oosteijnde wonende timmerman Jan Harms de opdracht om een lijkkist voor het lichaam van de overleden vrouw van Gerrijt Joris te maken. Uit het kasboek van de timmerman blijkt dat deze de kist op maandag 24 mei 1790 heeft gemaakt. Hinkje Harms zal ongeveer zeventig jaar oud geworden zijn. In de tussentijd blijft het conflict tussen Gesina Oldenhuis en Gerrit Joras doorsudderen. In 1792 stuurt Gerrit Joras te Roden een verzoekschrift aan de schulte Jan Willinge van Peize inzake een geschil tussen de eerste en Gesina Oldenhuis over de verpanding van een perceel land te Roden.

Blijkbaar heeft het verzoekschrift niet geholpen en is de weduwnaar Gerrit in 1793 gedwongen zijn eigendommen te verkopen. De in huize Terheijl wonende Willem de Lille was rond die tijd al druk bezig met het uitbreiden van de bezittingen in Terheijl en de Zulte, waarbij hij dit buitenkansje niet liet liggen en op dinsdag 5 februari 1793 werd de koop beklonken. Volgens de archieven van de 30e/40e penning staat op het bewijs van overdracht vermeld dat Mr. De Lille de behuizing en hof van Gerrit heeft gekocht voor 250 gulden, waarbij de 30e penning voldaan werd met 6 en de 40e penning met 5 gulden. De 30e/40e penning was een vorm van belasting over de aan- en verkoop van onroerende goederen.

Een fotokopie van de akte uit het archief van de 30e en 40e penning waarin vermeld staat dat Mr. de Lille de behuizing en hof van Gerrit Joras dezelfs voor 250 gulden heeft gekocht. (Bron: Drents Archief 30e  en 40e penningen (1679-1797), rekendag 05-02-1793, pagina 8256)

Het geld dat Gerrit voor het verkopen van zijn eigendommen in het Noordeindiger kamp kreeg, zal hij nodig hebben gehad om zijn schulden af te betalen en als we dan weer in de archieven van het lokale belastingarchief duiken, komen wij de beste man nogmaals tegen. Waarschijnlijk woont hij nu bij één van zijn kinderen. Maar is nog steeds zo arm als een kerkrat. Van de belastingplichtige staat er nu in het Haardstedegeldarchief: ‘Gerrit Joras, is niet onder de Diaconie doch onmagtig om te betaalen’. Niet onder diaconie wil zeggen dat diegene zich niet in een armenhuis van bijvoorbeeld de hervormde gemeente bevond.

De registratie van de belastingplichtige Gerrit Joras uit het jaar 1794 waarin te lezen valt dat de beste man eigenlijk geen nagel meer had om zijn achterste te krabben. (Bron: Oude Staten Archieven (OSA), toegangsnummer 0001, inventarisnummer 868.24, Haardstedengeld Roden, Roden, 1794, pagina 3742)

Na bijna tachtig jaar is het moeizame en zware leven van de weduwnaar en korvenmaker Gerrit Joris voorbij en sluit hij op donderdag 4 januari 1798 zijn ogen voor de laatste keer. Als overlijdensoorzaak werd in het overlijdens -, ondertrouw- en trouwboek 1793-1811 van Roden  ‘aan verval van krachten’ vermeld.

De vermelding van het overlijden van de bijna tachtig jaar oude weduwnaar en korvenmaker Gerrit Joris in overlijdens -, ondertrouw- en trouwboek 1793-1811 van Roden. (Bron: Drents Archief Doop, Trouw en Begraaf RegistersSoort registratie: Begraafregistratie(Akte)datum: 04-01-1798 )

Het ontstaan van een beekje in de Zulte.

Het is vandaag de dag nog amper voor te stellen hoe de omgeving van het oude esgehucht de Zulte er uit moet hebben gezien ruim 12.000 jaar geleden. Met een beetje fantasie kunnen we een beeld gaan schetsen van een gebied, dat net herstellende was van de vele zandverplaatsingen en waar de vegetatie langzaam hier en daar weer behoorlijke vormen aan begon te nemen. Toen de laatste koude periode met de naam de Jonge Dryas-stadiaal tijdens de eindfase van de Weichsel-ijstijd, ook wel het Weichselien genoemd, voorbij was en de temperatuur snel begon te stijgen, kreeg ook de oorspronkelijke grondmorene van de laatste gletsjer zijn huidige vorm.

Tijdens deze periode moet er veel sneeuw gevallen zijn en dit in combinatie met de hevige poolwinden, is er veel fijn en grof zand vanuit de noordelijke richtingen over het gebied verplaatst. Van de hoge stuwwallen sleet de ijzige wind delen van de keileem af en nam het onderliggende zand mee, dat op zijn beurt hier en daar de oorspronkelijke smeltwater stroomgeulen van de oude gletsjer er weer mee opvulde. Een stroomgeul word ook wel een smeltwaterdal genoemd en is ontstaan toen door het smeltende ijs van de gletsjer door middel van erosie, geulen in de zachte ondergrond vormde. Daarnaast zorgde het fijnere zand dat met de wind en de sneeuw soms wel kilometers ver werd meegevoerd en creëerden zo nieuwe duinen. Grof zand was zwaarder en werd zelden ver weg getransporteerd en bleef dus in de buurt liggen.

De Dryas octopetala, ook wel Achtster, Bergavens, Witte Dryas, Zilverblad, Zilverkruid of Zilverwortel genoemd, is een altijd groene dwergstruik die grote kolonies vormt en tijdens de koude perioden (Stadialen) van het Laat-Glaciaal tijdens het Weichselien massaal groeide op de toendrasteppe waar nu het dorp Roden ligt. De plant die haar naam heeft gegeven aan de drie stadialen van dit tijdvak (Vroege-, Oudste- en Oude Dryas) vormde destijds een voedselbron voor de grazende mammoeten en rendieren. (Afbeelding Dryas octopetala: Dryas octopetale & Saxifraga-Willem van Kruijsbergen.jpg  www.freenatureimages.eu)

Dit is bijvoorbeeld gebeurd in de omgeving van het punt waar de Hulst en de Zulthe samenkomen. Hier was een behoorlijk zandpakket afgezet langs de noordelijke zijde van de stroomgeul en hierdoor de keileem met forse laag dekzand bedekte. Op deze plaats verrees later een behoorlijk bos en toen deze gekapt werd, dacht de boer die de bomen liet kappen, dat hier geen keileem lag. Er was wel keileem, maar dat lag een behoorlijk stuk dieper en werd daarom niet aangetroffen. Naast dit gedeelte van de Zulte, bevonden zich op de plaatsen waar het dekzand eveneens een laag over de keileem had gevormd, ook een tal van bossen die later gekapt werden om plaats te maken voor de landbouw en veeteelt in het gebied.

De verschillende lagen dekzand ter hoogte van de Hulst en de Zulthe die hier aan het einde van het Weichselien door de ijzige poolwinden zijn afgezet in een door het smeltwater van de gletsjer gevormde smeltwaterdal. Het dekzand bedekte hier de keileemlaag en het residu dat het smeltwater hier eveneens had afgezet.

Bleef de aangerichte schade door het verstuiven in de Zulte beperkt tot slijtage aan de bovenzijde van de stuwwallen en het opvullen van een gedeelte van een oude smeltwaterbedding, in andere delen van Noord-Drenthe kwamen de oude rivierbeddingen ook vol met zand te liggen en werden de beken gedwongen een andere route te kiezen richting de lager gelegen gronden, waarbij een aantal nieuwe stroomgebieden ontstonden zoals dit bij de Drentse Aa en zijn zijtakken het geval was.

Een ander fenomeen dat zich aan het begin van het Holoceen begon voor te doen was de toename van het grondwater in het gebied. De bodem die tijdens de laatste periode van het Laatglaciaal stijf bevroren was geweest en waar de permafrost meters diep in de grond had gezeten, was geheel ontdooid en op veel plaatsen in het gebied kwam heel voorzichtig een vies ruikende bruine substantie omhoog. De bruine waterige derrie die hier omhoog kwam, was zuurstof en sulfaatarm en bestond vooral uit basen en ijzer, en vormde hier en daar in de lager gelegen gebieden kleine poelen.

Zo zou het er hebben uitgezien op vele plaatsen in het gebied ten noorden van het dorp Roden nadat het Jonge Dryas-stadiaal voorbij was en het Holoceen een aanvang had genomen. Op de plaatsen waar er nog maar weinig keileem aanwezig was, borrelde de bruine drab naar boven en vormde kleine poeltjes. De door het grond- en kwelwater gevormde kleine poelen worden in deze omgeving ook wel ‘dobben’ genoemd.

De bruine substantie die hier in de Zulte uit de bodem omhoog borrelde, was grondwater dat afkomstig was van het hoger gelegen Drents Plateau, een hoogvlakte in Drenthe en die zo’n tien tot twintig meter boven het zeeniveau ligt. Dit grondwater dat onder druk aan de oppervlakte kwam, wordt ook wel kwel of kwelwater genoemd en is ontstaan door een ondergrondse waterstroom, die van een hoger naar een lager gelegen gebied stroomde, waar het een bron vormde. Het grondwater kon echter alleen een bron vormen als het door de ondergrond kon dringen op bijvoorbeeld plaatsen, waar amper of geen keileem aanwezig was en daardoor er geen water ondoorlatende laag was ontstaan.

Door de toenemende druk en de hoeveel water dat werd aangevoerd, begonnen de kleine poelen groter te worden en op sommige plaatsen ontstonden kleine stroompjes richting de lager gelegen gebieden. In andere poelen bleef het water staan of de poeltjes droogden zelfs op doordat de watertoevoer afnam en stopte. Het is goed te zien dat in het kwelwater op de afbeelding veel ijzer zit.

Afhankelijk van de druk op het grondwater, de omgeving en de plaats waar het water aan het oppervlak kwam, ontstond er een poel die in grote en vorm enorm kon variëren. Deze poelen worden in de omgeving van het dorp Roden ook wel ‘dobben’ genoemd en komen veel voor in het gebied rondom het Noord Drentse dorp. Er ligt zelfs een gebied ten noorden van het voormalig esgehucht met de naam ‘Dobben’ en de es heeft de naam ‘Dobberesch’. Normaal gesproken bezit een dobbe geen aan- of afvoer van waterlopen en is dus afhankelijk van grondwater.

Hier en daar treffen wij in de omgeving van het voormalig esgehucht nog een kleine dobbe aan die niet door de mens gegraven is. Deze dobbe is geheel afhankelijk van de aanvoer van kwelwater en in een geringe mate van regenwater, waarbij deze droog valt in de zomer. Het water is doorgaans erg helder doordat het hier vooral lokale kwel betreft dat arm is aan basen en ijzer.

Veel van de dobben ten noorden van het dorp Roden zijn afhankelijk van zogenaamd lokaal kwelwater en vallen droog in de zomer. Lokaal kwelwater zakt bijvoorbeeld als regenwater door de zandlagen naar beneden en komen in de directe omgeving weer aan de oppervlakte. Dit water is arm aan basen en ijzer, maar behoorlijk stikstofrijk. Daarnaast bevat lokale kwel ook maar weinig mineralen, dit in tegenstelling tot regionaal kwelwater.

Het ijzerhoudend vlies dat typerend is voor zuurstofarm en ijzerrijk regionaal kwelwater. Het water dat deze vorm van kwelwater vormt, kan honderden jaren oud zijn en kilometers diep onder de grond afgelegd hebben voordat het aan de oppervlakte komt. Het vlies ontstaat wanneer het ijzer een verbinding met fosfaten in het water aangaat,

Echter op een enkele plaats was de aanvoer van grondwater zo hevig dat de poel overliep en het water zijn weg begon te zoeken naar lager gelegen gebieden. Waarschijnlijk was het in het begin maar een armtierig stroompje wat meer weg had van een waterplas, maar toch, het water zocht zijn weg. Met name in het begin van het stroompje zal alles rood geweest zijn van het ijzer uit het water, dat contact had gemaakt met de zuurstof uit de lucht, begon te roesten. Samen met micro-organismen ontstond er een reactie waarbij het ijzer als vlokken ijzeroxide neersloeg op de bodem en op de planten die in en langs het water stonden.

Het ijzer dat samen met basen in het kwelwater was opgelost is een reactie aangegaan met zuurstof en begon daardoor te oxideren (roesten). Daarna gingen bacteriën een reactie aan met de roest en zodoende ontstonden de vlokkerige klonten, die vervolgens op de bodem terecht kwamen of aan planten bleven vastzitten.

Ook ging het ijzer in het water een verbinding aan met de aanwezige fosfaten en zo ontstond een vliesje op het water dat oogde als een dun laagje olie. Fosfaten in het water dienden voor de planten als meststoffen en nu de gebonden werden met het ijzer, verdwenen de planten die van een voedselrijke ondergrond hielden en deze maakten plaats voor planten die het wel goed deden op de voedselarme ondergrond.

Door de toenemende druk op het grondwater belandde er steeds meer water in de kleine poel en op een gegeven moment stroomde deze over en begon het sneller stromende water een weg te zoeken naar de lager gelegen gebieden. Door de samenstelling van het grondwater waarin de fosfaten waren verdwenen, bleek slechts een beperkt aantal planten groeien langs het iele waterstroompje.

En toch begon de druk op het grondwater steeds meer toe te nemen en zal het miezerig natte stukje, waar het roodbruin was van de roest en dat meer weg had van een mager waterplasje, iets meer op een stroompje zijn gaan lijken. Waarschijnlijk zal ook de warmer wordende temperatuur en de stijgende zeespiegel als gevolg hiervan ook een grote rol hebben gepeeld in het stijgen van het grondwater. En ander effect van het warmer worden was dat, ondanks het droge klimaat dat hier heerste, het stijgen van het zeewater door bleef gaan en ervoor zorgde dat er moerassen in het gebied ontstonden.

De aanvoer van zowel grond- als regenwater begon steeds meer toe te nemen waardoor het stroompje sneller begon te stromen en langzaamaan breder werd. Nog kwam het stroompje niet verder dan enkele meters vanaf de bron en nam de bodem en de omliggende vegetatie het water op. Daarnaast voedde het op zijn beurt ook de moerassen die in de directe omgeving van de poel lagen.

Dit vond ook plaats in de omgeving van waar later het esgehucht zou ontstaan en dan met name in de lager gelegen gebieden zoals de voormalige smeltwaterdalen. Door het stijgen van het grondwater, de water ondoorlatendheid van de keileemlaag en het toenemen van de neerslag, bleef het water langer staan in de laagste gedeelten van het smeltwaterdalgebied en ontwikkelde zich in de loop der tijd een weelderig plantengebied waar vooral moerasplanten en mossen het gezicht bepaalden.

Veenmos (Sphagnum) is een geslacht van mossen dat bestaat uit meer dan honderd soorten en droeg bij aan de vervening van de moerassen en vormde grote veenmosplekken op de vochtige heidevelden.

In de tijd dat er zich door de stijgende temperaturen en de toenemende vochtigheid in deze moerassen veen begon te ontwikkelen, deed zich in de gebieden rondom de moerassen een ander fenomeen voor. Langzaamaan werden de iets hoger gelegen gronden bedekt door grote, vochtige heidevelden die duizenden jaren het gezicht bepaalden van het gebied. Op de hoger gelegen delen waar ook veel dekzand voorkwam, ontwikkelden zich eerst naaldhout- en later loofbossen.

Inmiddels was het aanbod van grond- en regenwater richting de poel enorm toegenomen en dat resulteerde in een toename van water in het stroompje. Doordat er meer water in het stroompje terecht kwam, nam de stroomsnelheid ook toe en ‘vrat’ het water zich een weg door de bovenlaag.

Het was ook de tijd dat het wegsijpelende water uit de poelen inmiddels een klein stroompje had gevormd en dankzij de dichte keileemlaag aan de oppervlakte, begon ook steeds meer regenwater in zowel de poelen als de stroompjes te lopen. Weliswaar kwamen de stroompjes in het begin niet verder dan enkele meters van de poel en nam de aanwezige vegetatie veel van het water op. Waarschijnlijk verdween het overgebleven gedeelte van het water in de nog droge en onverzadigde bodem.

Toen het Atlanticum aanbrak kreeg een warm en nat klimaat vat op het gebied in wat nog Nederland moest worden en door de temperaturen die gemiddeld hoger lagen dan vandaag de dag, begon meer poolijs te smelten en steeg het zeewater nog meer. De stijging van het zeewater had ook invloed op het grondwater dat ook begon te stijgen. Net zoals het stijgende water had ook de neerslag een grote invloed op de ontwikkeling van de stroompjes die aan de rand van het Drents Plateau waren ontsprongen.

Door de toenemende aanvoer van water, dat zowel via de bron als de oppervlakte in het stroompje terecht kwam, kreeg het steeds meer het uiterlijk van een smal beekje. Van een beekdal was uiteraard zo’n 8000 jaar geleden nog geen sprake, maar de ontwikkeling hiervan was al in volle gang.

De toenemende neerslag, die het gevolg was van het steeds natter wordende klimaat, zakte weliswaar boven op het Drents Plateau in de zanderige bodem weg, maar voedde wel de kwelwaterstromen die in formaat toenamen en daardoor de druk op het grondwater verhoogden. Door de toename van zowel grondwater als de toeloop van regenwater richting de poel, nam het stroompje niet alleen toe in formaat, maar nu was de aanvoer van die mate dat het steeds verder een weg kon gaan vervolgen richting het lager gelegen gebied in het noorden.

Doordat de aanvoer van water in het stroompje bleef toenemen evenals het formaat, begon deze langzaam maar gestaag meer zand en keileem af te voeren en werd hierdoor steeds dieper. Nu is diep natuurlijk erg relatief en zeker in die eerste duizenden jaren zal het water in het stroompje gestegen zijn daar waar een natuurlijke hindernis de doorstroming verhinderde en zodoende zorgde de natuurlijke stuwing voor enige diepte. Maar ondertussen zette de erosie van de ondergrond door en vrat het stroompje zich een weg door de bovenlaag.

De aanwezigheid van zuurstofarm en ijzerhoudend kwelwater zal zelfs nog op enkele honderden meters afstand van de poel duidelijk zichtbaar zijn geweest is het stroompje dat zich een weg zocht door het gebied.

Nu was de begroeide bovenlaag sowieso al behoorlijk zacht geworden door het vele vocht dat de moerassen en de natte heide vasthielden, waardoor het stroompje steeds meer vorm kreeg in de lagere delen van het gebied dat door de laatste gletsjer was geschapen. De keileem die met de gletsjer vanuit noordoosten was aangevoerd vormde weliswaar op veel plaatsen een ondoordringbare laag voor het water, maar bleek aan de oppervlakte toch gevoeliger te zijn voor het weer en daarop volgende erosie dan je op het eerste gezicht zou denken. In het artikel “Kleverige prut aan de stevels” op dit weblog komt de samenstelling en de herkomst van de keileem volledig aan bod.

Een andere eigenschap van kwelwater is de constante temperatuur die rond de 10 graden Celsius schommelt en daardoor niet snel bevriest. De aanwezigheid van kwelwater in bijvoorbeeld sloten of weilanden is in de winter dan ook eenvoudig te herkennen vanwege het gebrek van sneeuw en ijs.

Zo’n zesduizend jaar geleden begon het zogenaamde Subboreaal, een qua klimaat koeler en drogere periode dan het voorgaand tijdperk, maar toch was het destijds warmer dan het heden ten dage is. Het iets koelere klimaat bevorderde echter de aangroei van de aanwezige natte heidevelden in de lagere delen van het gebied en deze zal naar alle waarschijnlijkheid de omgeving het stroompje, dat langzaam de vormen van een beekje begon te krijgen, hebben gedomineerd. Op de iets hoger geleden delen van de grondmorene zal de droge heide de overhand hebben gekregen en boven op de resten van de stuwwallen en andere hoogten zullen nu loofbossen hebben gestaan.

De nu door de natte heidevelden gedomineerde omgeving waar het smalle beekje zijn weg naar het laagste punt zocht om samen te komen met de andere beken, die eveneens aan de rand van het Drents Plateau waren ontstaan, werd niet alleen breder maar ook steeds dieper. De kracht van het steeds sneller stromende water vrat zich dieper en dieper door de bodem waarbij het fijnere materiaal afgevoerd werd en het grove gedeelte van de keileem zoals stenen, bleef liggen. Het fijne materiaal uit de keileem zal het water op grote afstanden een bruinachtige kleur hebben gegeven.

Op enkele honderden meters van de bron is het effect van het warme kwelwater verdwenen en zal het smalle beek deels bevroren geweest zijn daar waar het water langzamer stroomde.

Echter de eerste honderden meter zal dankzij het nog steeds ijzerhoudende element van het kwelwater het uiterlijk in en langs het beekje er behoorlijk roestig hebben uitgezien. Niet alleen de vorm, de stroomsnelheid en de kleur in het beekje begonnen te veranderen, ook de vegetatie in en langs het water begon zich duidelijker te manifesteren. Veel kwelminnende planten zoals Waterviolier  (Hottonia palustris), Dotterbloem  (Caltha palustris subsp. palustris) en Liesgras (Glyceria maxima) verschenen in of op de oevers langs het beekje.

Niet alleen de zuurstofarme en ijzerhoudende componenten van het kwelwater hadden een grote invloed op de directe omgeving van het beekje, ook de temperatuur speelde een belangrijke rol. De gemiddelde temperatuur van het kwelwater zal zo om en nabij de 10 °C gelegen hebben toen het in de poel omhoog borrelde. Hierdoor bevroor de poel in de winter slechts als het heel erg streng vroor en in de zomer was het water altijd koel. De plaatsen waar kwelwater aan de oppervlakte komt zijn dan ook heel eenvoudig te herkennen in de winter door ontbreken van sneeuw en ijs.

De Waterviolier (Hottonia palustris) is een waterplant die veel schaduw verdraagt en als een indicator voor kwelwater gezien wordt. Heden ten dage is de plant nog steeds een veel voorkomende verschijning in de sloten en vijvers in de huidige Zulthe.

Niet alleen de poel en het regenwater waren de enige leveranciers van water voor de steeds groeiende beek die inmiddels zijn eindpunt bereikt had in de een beek die later ‘De Leecke’ zou gaan heten, maar ook het kwel dat in het stroomgebied van het beekje naar boven kwam, vloeide in het stroompje. Iets wat vandaag de dag trouwens nog steeds voorkomt in het stroompje, weliswaar sporadisch doordat de vele sloten het vele kwel opvangen en afvoeren. Op deze plaatsen treffen wij dan ook met enige regelmaat de kwelindicatoren als Waterviolier, Dotterbloem en Liesgras aan.

De stroomsnelheid in het beekje zal van tijd tot tijd enorm verschillend zijn geweest, afhankelijk van het aanbod van water. Weliswaar nam de aanvoer van grondwater tijdens het opvolgende Subatlanticum behoorlijk toe door met name de stijging van het zeewater, maar de toename zal grotendeels in het najaar hebben plaatsgevonden door de regen die viel. Het is tegenwoordig amper nog voor te stellen hoe het water via het oppervlak het beekje instroomde dankzij het netwerk van sloten, dat het regenwater in een mum van tijd weet af te voeren. Heel af en toe viel er recentelijk nog zo veel water, dat de slecht onderhouden sloten en buizen het aanbod niet aankonden en je een voorzichtige indruk kreeg van hoe het er ruim drieduizend jaar geleden uit moet hebben gezien.

Mede door de toename van het grondwater in de bron van het inmiddels kleine beekje begon ook in de zomerperiode tijdens het Subatlanticum het water sneller te stromen. De bovenstaande afbeelding geeft mooi weer hoe het er destijds uit moet hebben gezien.

Was het beekje in de droge zomermaanden slechts een idyllisch voortkabbelend stroompje in het natte heidegebied en waar de libellen van diverse pluimage hongerig op de vele insecten joegen, vanaf de herfst was het een geheel ander verhaal. In de maanden die op de zomer volgden zal er veel meer regen gevallen zijn en door de schier ondoordringbare keileemlaag in het gebied stroomde dit naar het laagst gelegen punt. Het beekje liep door de laagste delen ten noorden van waar het esgehucht de Zulte zou verschijnen en verzamelde zo het vele regenwater.

Het effect van het vele regenwater uit het gehele gebied dat zich in de lager geleden delen verzamelde was dat de beek niet alleen in stroomsnelheid toenam, maar ook in volume. Deze combinatie zorgde ervoor dat de erosie van de omgeving waar het beekje doorheen ging enorm begon toe te nemen en door deze slijtage begon zich en prachtig beekdal te vormen. Doordat het eerder door de boeren aangelegde stelsel van sloten nog lang niet bestond er het vele water zijn eigen weg kon bepalen, ontstond er een fors beekdalgebied waarvan we de sporen in de huidige tijd nog goed kunnen waarnemen.

Het huidig beekdalgebied van het huidige stroompje in de warme zomermaanden, toen de huidige eigenaar drainage moest aanleggen om voor een betere afvoer van het regenwater te zorgen en zodoende het vee hier met droge voeten te kunnen laten lopen.

De breedte van het beekje varieerde dus van ruim een halve meter tot wel enkele tientallen meter naarmate deze richting het lager gelegen gebied van de beek de Leecke liep. Daar waar het beekje fors breed werd tijdens de wintermaanden, nam het snelstromend water het dekzand en de restanten van de geërodeerde keileemlaag mee en zodoende kreeg het stroomgebied zijn huidige vorm. Dit gold ook voor de stroompjes die op de hoger gelegen delen van het gebied ontstonden door de regenval tijdens het najaar en de winter. In het voorjaar wanneer de regenval voorbij was en het warmer begon te worden, verdwenen deze weer en lieten een droge bedding achter. Hier en daar zijn ook deze sporen nog terug te vinden in het landschap, met name op de Westeresch.

Het beekdalgebied enkele jaren later tijdens de winter gezien vanaf de Westeresch. Ook vanaf de Westeresch stroomde in het verleden grote hoeveelheden regenwater richting het kleine beekje. Hier en daar zijn ondanks de intensieve bewerking van het gebied, de sporen nog duidelijk zichtbaar.

Wringen en verklikkende voorsteinen

Tot zo’n zeventig jaar geleden, zo rond 1950, waren akkerbouw en veeteelt in de omgeving van het voormalig esgehucht niets bijzonders om van op te kijken. Het steeds groter wordend dorp Roden had het gehucht de Zulte nog niet opgeslokt en van de zich al aandienende schaalvergroting binnen de agrarische sector was voorlopig in dit gedeelte van Drenthe niets te merken. En toch begon het een en ander in de tweede helft van de twintigste eeuw zodanig te veranderen, dat de kleinschalige boerenbedrijven geleidelijk aan in een gestaag tempo uit het gebied verdwenen. De bedrijven die het wel wisten te redden en met de schaalvergroting meegingen, werden groter en groter. Boerderijen werden woonhuizen of verdwenen helemaal om plaats te maken voor huizenbouw en het leggen van straten. Ook was de akkerbouw vrijwel geheel verdwenen op de Zulteresch en daar waar nog gras stond, liepen koeien, paarden, of schapen. Langzaamaan begonnen ook de laatste groene weilanden te verdwijnen ten behoeve van de steeds sneller stijgende vraag naar woningen, het groeiende inwonersaantal, en de onstilbare uitbreidingsdrang van het dorp Roden.

Echter met het verdwijnen van de kleinschalige boer in en rondom het esgehucht verdwenen niet alleen de mensen en hun boerderijen, maar ook de wijze waarop zij hun beroep uitoefenden en hun gereedschappen hanteerden. Naast dit verdwenen ook de gebruiken, oude termen, en de handigheden die de vroegere boer gebruikte om de ontstane problemen zelf op te kunnen lossen. Weliswaar bleef de traditie nog bestaan om de oude gebruiken van de vader op de zoon en van de zoon op de kleinzoon te overdragen, maar het verwaterde snel doordat de aangewezen opvolgers geen heil meer zagen in het zware beroep en er voor kozen om door te leren. Heel af en toe tref je nog een oud persoon die iets heeft weten te bewaren wat zijn vader en grootvader hem of haar hebben verteld, maar de spoeling wordt ras dun.

De akkers die destijds op de Zulter Esch lagen op een zogenaamde schattingskaart vervaardigd door de tekenaars van het Kadaster ten behoeve van de schatting van percelen voor de herziening van de belastbare opbrengst van ongebouwde eigendommen. De kaart geeft waarschijnlijk de situatie tussen 1860 en 1880 weer. De tekenaar was destijds H. Baggelaar. (Bron: Drents Archief)

Ruim honderdvijftig jaar geleden verschilde de omgeving van het voormalig esgehucht op het gebied van de landbouw en gebruiken echt niet zoveel van de rest van de provincie Drenthe. Ook hier waren de sporen nog duidelijk zichtbaar die de gletsjer tijdens het Saale-glaciaal had achtergelaten. De door het terugtrekken en smelten van de gletsjer ontstane verhogingen en de daarna gevormde zandheuvels, die tijdens de zandverstuivingen in het Weichselien plaatsvonden, was er een ideaal landschap voor de boer gecreëerd. De verhogingen waren dus op een natuurlijke wijze ontstaan en niet zoals op veel andere plaatsen, door het opbrengen van potstalmest en kregen de naam ‘esch’ of ‘es’. Zo komen wij in de Zulte bijvoorbeeld de Westeresch en de Zulteresch tegen. Niet alle essen in het gebied hadden het woord es of esch in hun naam, de es Kostverloren is hier een voorbeeld van.

De bodem van de es lag dus doorgaans hoger en dat leidde ertoe, dat de oude boeren in het verre verleden vaak met een kennersblik de vruchtbaarste plekken op de met keileem bedekte es tot bouwland hebben uitgekozen. Voor de vroegere boeren was de es, die ook wel ‘communis esca’ genoemd en dat eigenlijk in collectief gehouden werd, een grote, onafgebroken en uitgestrekt stuk bouwland, dat bestond uit de gezamenlijke bouwakkers van de gezamenlijke boeren. De es was omgeven met houtwallen die grotendeels uit bijvoorbeeld Zomereiken (Quercus robur) bestonden en al dan niet op een aarden wal waren geplant. Sommige zijden van een es hoefde helemaal geen houtwal aangelegd worden daar er een groot bos naast lag. Naast communis esca bestond er nog ‘privata esca’, wat voor als privé tuin of erf staat en er hier verder niet tot doet.

De essen ten noordoosten van het voormalig esgehucht de Zulte op een kaart uit het jaar 1935. De kaart werd verkend in 1899 en herzien in het jaar 1933. Kaart no. 114 Roden heeft een schaal van 1:25000. (Bron: Drents Archief)

Daarnaast vormde het bezit van één boer niet een aaneengesloten complex, maar lagen deze kriskras tussen de akkers van de andere eigenaren in. Een mooi voorbeeld van de bouwakkers op een es waren de Körtakkers op de Zulteresch, waarbij de verdeelde percelen van elkaar gescheiden werden door diepere ploegvoren en de grenzen waren aangegeven met grote stenen. Bij een korte akker lagen de stenen alleen op of dicht bij de hoeken (voorstenen) en bij een langere akker lagen er stenen aan de lengtezijden. De voorsteinen of ‘veursteinen’ zoals ze in de Zulte ook wel genoemd werden, zorgden vaak voor onenigheid, doordat boeren die het niet zo nauw namen met de eerlijkheid, ze verlegden. Daarom gebruikte men zogenaamde ’verklikkers’, stenen die iets dieper lagen dan de voorstenen en bij een geschil de juiste plaats aantoonden.

Voor het gebruik van de akkers waren spelregels bedacht waar men zich aan diende te houden en min of meer overal in de provincie op hetzelfde neerkwamen. De bouwakkers die langs de randen van de es of langs een weggetje door de es lagen, waren ten alle tijde toegankelijk. Er bevonden zich echter ook percelen bouwland op de es die doorgaans alleen via het land van de buren of door de voren te bereiken waren. Deze waren dan ook niet toegankelijk voor de eigenaar als het koren te velde staat. Het bezaaien van de verschillende akkers met de diverse soorten graan was dan ook alleen maar toegestaan op de rand- en wegakkers van de es. Dit zal ook de reden geweest zijn dat het boerschap (buir- of buurschap) van het gehucht bij elkaar kwam om te bepalen welke graansoorten door wie, waar en wanneer gezaaid en geoogst zouden gaan worden.

Zoals op de kaart van de Körtakkers mooi te zien is, zijn niet alle akkers regelmatig en recht van vorm. Weliswaar waren de meeste percelen rechthoekig, daarentegen bezaten weer andere akkers een vorm waarbij het boven breder of smaller was dan het benedeneind; de zogenaamde ‘geerakkers’. Als de akker geploegd werd volgen de voren de vorm van het perceel en dan werden deze schuinlopende voren ook wel ‘geeren’ genoemd. Er werd dan ook wel gezegd dat de akker ‘geert’. Deze akkers bezaten dus min of meer een wigvorm en kregen naast geerakkers ook wel de naam ‘kielakkers’. Dan sprak men van dat een kielende akker of de akker kielt. Was het einde van het perceel bouwland een punt, dan was er sprake van een ‘tipakker’ en zei men gemakshalve ‘tip’ tegen de akker.

Naast de Körtakkers op de Zulteresch waren er in de directe nabijheid ook nog een aantal bouwlandcomplexen te vinden, echter waren deze doorgaans langer en gelijkmatiger recht van vorm dan die op de eerder genoemde Körtakkers.  Zo lag er op de Westeresch een es met zo’n zeventien percelen bouwland en op de Vöörste Zulteresch bevonden zich eveneens 17 akkers, die qua samenstelling niet veel verschilden van de andere essen in de omgeving van de Zulte.

Met enige regelmaat kom je nog sporen tegen van de akkerbouw die in het verleden op de essen van de Zulte plaatsvond. Zo kom je hier en daar nog steeds verwilderde Rogge (Secale cereale) tegen langs de oude essen. Rogge werd op de essen veel verbouwd.

Op veel plaatsen had men de toegangswegen naar de akkers op de es afgesloten met een hek om bijvoorbeeld het vee buiten te houden. Het kan zijn dat zoals bij de Zulte geen hek aanwezig was of dat de herinnering aan een hek geheel verdwenen is in de loop der tijd. Mochten ze wel aanwezig geweest zijn, dan kunnen wij deze hekken gaan vergelijken met die, die destijds toegang gaven tot de weilanden. De hekken bezaten dezelfde vorm. We kunnen wel een hek reconstrueren door middel van een beschrijving uit het verleden. Het hek dat hier gebruikt werd door de boeren ‘wring’ genoemd en bestond uit twee evenwijdig aan elkaar lopende balken, de boven- ende onderboom. Deze twee waren onderling verbonden door smalle planken die ‘scheijen’ genoemd werden en door middel van een pen en gat verbinding aan elkaar vast waren gemaakt. De bovenboom werd ook wel als ‘hekboom’ omschreven en bezat aan het einde een verdikking, die enigszins schuin naar beneden liep en vrij zwevend het hek in evenwicht hield zonder opzettelijke verzwaring. Dit gedeelte heette ‘de staart’.

Zo had het hek bij de es Körtakkers eruit kunnen zien als hier een gestaan had. Deze vorm van hek werd ‘wring’ genoemd en bestond uit de volgende onderdelen: 1. boven- of hekboom, 2. onderboom, 3. scheijen, 4. de staart, 5. de prop, 6. de klauw, 7. proppoal, 8. slagpoal, 9. de zweerd.

Aan de onderste balk, de onderboom dus, bevond zich aan de zijde waar een stevige paal (proppoal) in de grond geplaatst was, die aan de bovenzijde tot op een pindikte was verdund (de prop). Op deze paal draaide het hek. Aan deze zijde van de onderboom zat een gaffelvormig uiteinde (de klauw) die links en rechts om de proppoal heen greep, waardoor het draaien van het hek een stuk gemakkelijker ging. Boven-, onderboom en scheijen waren voor de stevigheid onderling nog weer verbonden door twee planken die elkaar kruisten, die ‘de zweerd’ werden genoemd. De andere paal, de zogenaamde slagpaol, sloeg het hek tegenaan of wanneer er aan het einde van de paal een gaffel zat, kwam deze hierop te liggen. Op sommige plaatsen legde men ook wel twee grote veldkeien aan weerszijden nabij het hek neer om over het hek te kunnen zonder dat deze geopend hoefde te worden.

Een hek nabij de Lieverseweg naast de plaats waar in het verleden het Oostervoortsche Diep heeft gelegen. Tegenwoordig komen wij hier in de omgeving nieuwe hekken tegen, maar in het verleden kwamen de hierboven beschreven wring veelvuldig voor, zoals Dr. C. C. W. J. Hijszeler dit al in 1940 beschreef.

Bron van de gegevens over de akkers etc. – Boerenvoortvaring in de oude Landschap, termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drenthe door Dr. C. C. W. J. Hijszeler. In het jaar MCMXL uitgegeven te Assen bij van Gorcum & Comp. nv. (G. A. Hak & H. J. Prakke) 1940

Kleverige prut aan de stevels

Niets is zo controversieel als de aanwezige keileemlaag in het grote gebied ten noorden van het idyllisch gelegen dorp Roden in de prachtige kop van Drenthe. Met name in de omgeving van het voormalig esgehucht de Zulte waar deze keileem aan of vlak onder het oppervlak ligt en daar het uiterlijk weet te bepalen. Zeker in de nattere jaargetijden met een groot aanbod van hemelwater kan het werkelijk een groot drama zijn wanneer je als boer of loonwerker hier met zware machines aan de slag moet. Hier en daar zijn er zelfs plaatsen waar het vrijwel onmogelijk is om te lopen zonder dat de kans bestaat om je laarzen kwijt te raken aan deze glibberige, taaie en klevende substantie.

Over keileem zal vermoedelijk met net zoveel met bewondering gepraat en geschreven zijn als erop gescholden werd door de vroegere boer die deze ‘proeksel’ vervloekte. En nog steeds zorgt deze restant van de Saalien-ijstijd voor menig verwensing die ik hier maar niet zal herhalen. Eigenlijk betekent het woord ‘proeksel’ de rotzooi van smeltende sneeuw op de weg in het Gronings, maar de boer vond dat de keileem minstens net zo erg dat hij de term gebruikte en ergens kon ik mij daar wel in vinden. En keileem is niet kieskeurig wat betreft de plaats waar het voorkomt. Je zou haast het vermoeden krijgen dat het zich heeft neergelegd op plaatsen waar het niet opvalt of op schuine hellingen met het idee om de moderne mens hier het leven zuur te maken. Het is wat de boer zei; dikke proeksel! Zou de beste man ooit geweten hebben dat Drenthe ondanks zijn hoge ligging en de zandige ondergrond in het verleden door de aanwezigheid van keileem tot een van de natste provincies van ons land behoorde?

Waarschijnlijk zag de gletsjer die vanuit het noordoosten ons land binnentrok tijdens het Saale Glaciaal er op deze wijze uit. Miljarden tonnen ijs drukten zowel de bodem naar voren als naar beneden en lieten niets heel van het landschap dat zich na de Elster-ijstijd had gevormd.

Hoe je het ook wendt of keert, ruim 150 duizend jaar geleden begon het allemaal toen een grote gletsjer die vanuit het noordoosten onze omgeving was binnengedrongen, zich terug begon te trekken en een zogenaamde ‘grondmorene’ achterliet die vooral bestond uit (zwerf)keien, grind, zand, klei en leem. Door de samenstelling van het mengsel, dat grotendeels ontstaan was door het afslijten en het verpulveren van de keien door het gewicht en de snelheid (ongeveer 100 meter per jaar) van het pakket landijs, bezat de grondmorene ook veel kalk. Daarnaast pikte de gletsjer ook plaatselijk materiaal op dat een eindje verderop weer werd afgezet. De grondmorene komt op veel plaatsen voor en staat in Duitsland als ‘Geschiebelehm’ en in Engeland als ‘Lodgement Till’ of ‘Boulder-Clay’ bekend.

Een mooi voorbeeld van hoe de gletsjers in het verleden iets ten zuiden van Lieveren een grondmorene met keileem achterlieten en die grotendeels verweerd zijn, het zand op de deklaag stamt uit de Weichsel-ijstijd en is door de poolwinden hierheen geblazen. De plaats waar de grondmorene te zien was bevond zich langs het Oostervoortse Diep nabij waar deze in het Groote Diep uitmondde. Dit gedeelte is inmiddels gedempt ten behoeve van het weer laten meanderen van het Groote Diep.

Eigenlijk mogen en kunnen wij niet van een enkele grondmorene spreken. De gletsjer uit de Saale-ijstijd was niet zo maar een groot pak ijs dat over het Drentse landschap trok, eerder bestond het landijs in het noorden van ons land uit drie verschillende fasen. Voor ons zijn eigenlijk de eerste en de tweede fase van belang. De eerste fase kwam eerst niet verder dan het oosten van de provincies Groningen en Drenthe waar het ijs eerst stagneerde. Toen er weer meer ijs werd aangevoerd, schoof het pakket door tot de lijn Texel-Oldenzaal. Vervolgens kwam er de tweede fase waarin de hernieuwde aanvoer van landijs richting het zuidwesten ging en daar stopte, waar nu de Utrechtse Heuvelrug ligt.

De derde fase is zeker minstens net zo interessant als de twee voorgaande ijsverplaatsingen, alleen vond deze niet plaats in onze omgeving waar zich op dat moment enkel ‘doodijs’ bevond. Ten oosten van de lijn Roden-Assen-Smilde stroomde vanuit het noordwesten een pakket landijs met hoge snelheid richting het zuidoosten en vormde daardoor ten oosten van de Hondsrug een diepe glaciale geul, het huidige Hunzedal. Nee, het ging er zeker onstuimiger in de provincie Drenthe aan toe dan tijdens de vorige ijstijd. Door de verschillende fasen van landijs dat over ons gebied heenschoof, varieerde de plaatsen en de samenstelling van de grondmorene dan ook met enige regelmaat. Dat zien wij dan ook terug in de afzetting van de grondmorene, de keileem dus, in de ondergrond van de Zulte.

Op de bovenstaande afbeeldingen is te zien hoe het smeltproces van het pakket landijs zich voltrok. Naast de vele stuwwallen die deze gletsjer achterliet, bleef ook een indrukwekkende grondmorene achter in het noorden van Nederland.

Is de aankomst en het verblijf van het enorm groot pakket landijs in ons gebied al erg interessant, het vertrek met het bijbehorende smeltproces van de gletsjer maakt misschien nog wel meer indruk. Smolt de gletsjer tijdens de voorgaande ijstijd nog op een wijze waarbij het smeltwater van de grote hoogte naar beneden stortte en diepe geulen achterliet die met sediment werden opgevuld, het landijs dat hier lag brak in stukken uit elkaar. De grote stukken ijs gleden van de gletsjer af en duwden de doorweekte bodem voor zich uit en vormden zo ook weer stuwwallen. Het pakket landijs trok verder terug richting het noordoosten en de brokken bleven liggen waar ze in hun geheel wegsmolten.

Had de gletsjer tijdens het oprukken vanuit het noordoosten zowel grond als ander materiaal aan de onderzijde deze richting op vervoerd, in het ijs was ook behoorlijk veel sediment terecht gekomen en dit bleef achter doordat de terugtrekkende gletsjer verder smolt. Op de plaatsen waar de afgebroken en weggesmolten brokken lagen, bevond zich een grotere concentratie gletsjerpuin dat ook wel ‘Melt-dow Till’ genoemd wordt. Op een aantal plaatsen zijn tijdens dit sedimentatieproces de voorgaande en het nieuwere smelt residu door elkaar gemengd en kregen we weer een andere grondmorene. Zo is het dus mogelijk dat je verschillende afzettingen kunt tegenkomen die veroorzaakt zijn door een enkele gletsjer.

Een zwerfkei in de Zulte nabij het Volkstuinencomplex te Roden die overduidelijk sporen door slijtage draagt van zijn transport uit het noorden van Zweden. De steen bestaat uit zogenaamd Revsundgraniet, een opvallende granietsoort uit Noord-Zweden.

De naam ‘keileem’ heeft deze leemsoort te danken aan de verschillende formaten van de keien die er geregeld in voorkomen en gewoonlijk merendeels van Scandinavische of in het algemeen Baltische afkomst zijn. De keien zijn vaak aan de oppervlakte gepolijst en soms op voor deze stenen zeer karakteristieke wijze bekrast, die duiden op de voorgeschiedenis tijdens de reis naar ons gebied en die duidelijk en zeer nauw met de wijze van het vormen van de keileem samenhangt. De afzettingen door het landijs omvatten eveneens de afzettingen door het smeltwater van de gletsjer zoals fijn- tot zeer grofkorrelig grindhoudend zand met stenen. Deze afzettingen worden ook wel de ‘Formatie van Drente‘ genoemd.

Op de essen rondom het oude brinkgehucht zal menig zwerfsteen de vroege boer tot ergernis hebben gedreven.  Zo was er een boer nabij Leutingewolde die elke keer tijdens het maaien een steen raakte en hierdoor steeds schade aan de machines opliep. Gefrustreerd stapte de man uit zijn tractor, pakte een schep en begon te graven. Uiteindelijk bleken er twee graafmachines nodig te zijn om de hardwerkende boer van de vervelende zwerfsteen te verlossen! De overlast veroorzakende veldkei pronkt nu op de erf van de hardwerkende veehouder.

De door het grote pakket landijs hierheen gesleepte stenen kregen de naam ‘zwerfsteen’, ‘zwerfkeien’ of ‘veldkeien’ mee en worden in het hier gesproken dialect ook wel ‘flinten’ genoemd. Namen die wij nog steeds overal tegen komen zoals bij een groepsaccommodatie bij Roderesch en de OBS de Flint in Nietap. Het Steenbergerveld dat ten zuidwesten van het dorp Roden nabij het plaatsje Steenbergen ligt, stond er bekend om dat hier vele kleine veldkeitjes lagen. Menig straat in Groningen is bestraat met de keitjes toen het gebied ontgonnen werd.

De kaart van Nederland met daarop de glaciale afzettingen binnen de Formatie van Drente die vandaag de dag nog bestaan afgebeeld. De kaart is afkomstig van DINOloket.nl (TNO-GDN (2020). Formatie van Drente. In: Stratigrafische Nomenclator van Nederland, TNO – Geologische Dienst Nederland. Geraadpleegd op 2020 op DINOloket.)

Bij enkele weilanden rondom het voormalig esgehucht treffen wij dan ook met enige regelmaat hopen met kleine en middelgrote veldkeien aan die door de boeren hier gestapeld werden. Voor de boer hadden deze veldkeien geen enkel nut vanuit een economisch standpunt gezien en om eerlijk te zijn, ze vonden het niet erg dat iemand ze meenam op de tuin er mee te verfraaien. Zo eindigden dus vele keien als ornamenten in een mooie tuin.

Iets wat je overal langs een weiland of een weg kunt zien wanneer je door het noorden van Nederland gaat. Kleine hopen met veldkeien waarvan de boer last had en deze terzijde heeft gelegd.

Ten zuiden van het dorp Roden in de Noorder Duinen nabij het gehucht Steenbergen wisten de boeren van het Trechterbekervolk er zo’n 5500 jaar geleden wel raad mee. Zij gebruikten de grote zwerfstenen voor het bouwen van grafkelders, de zogenaamde hunebedden. Dit hunebed, D1 genaamd, is de meest noordelijk gelegen exemplaar in de provincie Drenthe.

Een berg stenen waaraan het plaatsje Steenbergen zijn naam te danken heeft. In het verleden dacht met dat grote reuzen de stenen zo neergelegd hebben.

Niet alle grote veldkeien kwamen direct uit Scandinavië onze kant op, een gedeelte was vanuit het noorden met bijvoorbeeld de gletsjer uit de Elster-ijstijd naar het zuiden vervoerd. Toen het pakket landijs uit het noordoosten over het gebied heen schoof waar de vorige gletsjer de stenen had laten liggen, kwamen de keien onze kant op. Waarschijnlijk gaat dit ook op voor bepaalde soorten vuurstenen die zich in de keileem bevinden. Mijn ervaring is dat er zowel zeer brosse vuursteensoorten die klein van formaat zijn als redelijk forse brokken van een zeer harde stevigheid in de keileemlagen zitten. Zo komen wij in de omgeving van het voormalig esgehucht de Zulte een stuk donkerrood vuursteen tegen dat in het verleden zeer gewild was bij de zeer vroege bewoners van het gebied. Zo vond Jaap Beuker in 2010 een halffabricaat van een vuistbijl gemaakt van rode Helgoland-vuursteen bij het plaatsje Een.

Een stuk rode Helgoland -vuursteen dat in de Zulte aan de oppervlakte kwam na recente werkzaamheden. De zeldzame rode vuursteen kan een kleur bezitten die varieert van vleeskleurig tot een paarsrode kleur. Een ander typerend kenmerk van de de vuursteensoort zijn de witte insluitsels.

Al eerder waren er grote veldkeien vanuit Scandinavië en de Baltische Staten in de omgeving van Roden aangekomen. Miljoenen jaren geleden stroomde ten noorden van het dorp een enorme rivier die zijn oorsprong in het huidige Lapland heeft en Eridanos genoemd wordt. Deze rivier was een miljoen jaar geleden tijdens het Bavel Interglaciaal ongeveer 2700 kilometer lang en vrijwel geheel Noordwest Europa tot aan de huidige Noordzee vormde zijn delta. Tijdens de dooiperioden in de bovenloop van de rivier zullen er stukken ijs van een gletsjer zijn afgebroken waar forse keien in opgesloten zaten en richting de delta gestroomd zijn. Toen de grote brokken ijs in rustiger en ondiep water terechtkwamen, kwamen ze vast te zitten en smolten, waarna de grote keien bedekt werden door rivierslib en ander sediment.

Nog een prachtig voorbeeld van een veldkei die vanuit het noordoosten naar ons land vervoerd is. Niet alle zwerfkeien en andere stenen die met de gletsjer deze kant opkwamen kwamen direct uit het noorden van Scandinavië. Veel van de stenen waren tijdens de vorige Elster-ijstijd al richting het zuiden vervoerd en het nieuwe pakket landijs pikte ze op en bracht ze hierheen.

Het vermoeden bestaat dat er op een gelijke wijze ook tijdens de Saale-ijstijd zwerfkeien richting het zuiden van ons land zijn gedreven. Grote stukken smeltend landijs die met het smeltwater voorbij de huidige Utrechtse Heuvelrug helemaal tot in Noord-Brabant terecht kwamen. Dit verklaart waarom er daar stenen gevonden worden uit die periode met een Scandinavische of Baltische achtergrond.

Zoals u al eerder kon lezen bestaat er niet echt een vaste soort grondmorene of keileem na het verdwijnen van het landijs uit onze omgeving. Dr. G. H. Leopold spreekt al in 1910 van drie soorten in zijn ‘Over het keileem in het Nederlandsch Diluvium. Keileem als geologisch afzettingsproduct; zijn voorkomen; zijne chemische samenstelling; zijne beteekenis voor de cultuur’. Eigenlijk is alleen de eerste soort die hij benoemd van belang voor de aanwezigheid van de dagzomende keileem in dit gebied.

Een van de kleine veldkeien die te voorschijn kwam in het Klein Noordhout uit de soort keileem die door Dr. Leopold als ‘grauwe keileem’ werd omschreven.

Als eerste soort draagt hij de grijze of grauwe keileem aan, die zeer algemeen is en van Gelderland tot aan het westen van de provincie Friesland voorkomt. Deze grauwe keileem is doorgaans lichtgrijs van kleur waarin geel tot roodkleurige vlekken of aderen voorkomen die de ene keer zeer duidelijk zichtbaar zijn en een andere keer weer zeer wazig zijn. Een ander keer bezit de keileem weer een oranje-gele tint, zoals vaak in het gebied nabij het voormalig esgehucht te zien is. De gele tot rode kleur van de keileem wordt veroorzaakt door het oxideren (roesten) van ijzerdeeltjes in de leem. Af en toe bezit de keileem een zachte lichtgroene kleur dat veroorzaakt wordt door glauconiet, een zand dat voorkomt in zuurstofarme lagen van het sediment in ondiep zeewater. Het percentage klei hangt af van waar de keileem voorkomt.

De grauwe of grijze keileem de Dr. Leopold omschrijft als zeer algemeen, wordt tegenwoordig omschreven als het Heerenveen-type in de Heerenveengroep. Leopold benoemt dat de keileem doorgaans lichtgrijs van kleur is en waarin geel tot roodkleurige vlekken of aderen voorkomen die de ene keer zeer duidelijk zichtbaar zijn en een andere keer weer zeer wazig zijn

De rode keileemsoort komt voornamelijk voor op de zandruggen van het Hondsrug-complex in Oost-Drenthe. Ten zuiden van het dorp Roden treffen wij op het oog ook rode keileem aan langs het Lieversche Diep, maar naar mijn inschatting is hier de grauwe keileem doordrongen met ijzeroer. Hier komt veel ijzerhoudend en zuurstofarm kwelwater aan de oppervlakte, dat een verbinding aangaat met de zuurstof in de lucht en waarna vrijwel alles in en om het water een roodbruine kleur krijgt. Kwelwater komt ook op veel plaatsen rondom de Zulte aan het oppervlak.

De gemengde keileem- en ijzeroerlagen langs het Lieversche Diep ten zuiden van Roden. Met name de grauwe keileem ligt onder de oer en is duidelijk zichtbaar. Deze leemsoort heeft echter niets met de rode keileem van doen.

Een derde vorm van keileem is het in de provincie Drenthe veelvuldig voorkomende witte of blauw-witte keileem, een in tegenstelling met de eerstgenoemde soorten zeer stug en steriel leem, dat voor een belangrijk deel uit zeer fijn kwarts zand schijnt opgebouwd en waarschijnlijk dezelfde grondsoort is, waaraan de Duitse onderzoeker Dr. Emil Ramann in zijn boek ‘Bodenkunde’ uit 1905 de naam ‘Heidelehm’ aan geeft.

Licht gekleurde en zandige keileem met veel vuursteentjes dat uit het beekje de Zulter Bitse komt. Waarschijnlijk behoort deze keileem ook toe aan het type dat de Heerenveen-groep kenmerkt, maar is de keileem ‘uitgespoeld’ door het water van de beek.

Zo’n 110 jaar later kunnen wij inmiddels spreken van zeven soorten keileemtypes die in vier keileemgroepen verdeeld zijn. De eerste groep heet Heerenveen en bestaat uit slechts een type; Heerenveen-type. Een sterk zandige ontkalkte keileem dat grotendeels uit Zuid-Zweden en de Oostzee afkomstig is. Dit type is waarschijnlijk afgezet tijdens de eerste fasen van de vergletsjering en is dominant aanwezig in Oost- en West- Groningen, westen van Drenthe en Friesland.

Toen in de nacht van dinsdag 4 op woensdag 5 juni 2019 enkele windhozen hun geweld loslieten op de vele bossen in de omgeving van de Zulte, konden heel veel bomen de kracht van de wind niet weerstaan en sneuvelden. Het geweld was niet kieskeurig en keek niet naar de ouderdom van de bomen. In het beekdalgebied van de Zulter Bitse was het niet anders en forse zomereiken gingen met wortel en al ondersteboven, waarbij de onderzijde van het wortelpakket goed zichtbaar werd. Hierboven zijn de vuurstenen te zien die de laatste overblijfselen zijn van de bovenste laag van de keileemafzetting in dit gebied. Tijdens en na de laatste ijstijd hebben zowel de poolwinden als het beekwater de keileem doen oplossen en de vuurstenen gepolijst.

De volgende groep heeft de naam Emmen-groep en bestaat uit twee types; de kalkhoudende Nieuweschoot-type en de ontkalkte Emmen-type. Beide varianten komen vooral voor op de oostelijke Hondsrugtak in Drenthe, maar ook ten noorden bij de dorpen Sauwerd en Winsum in Groningen. De Emmengroep wordt vooral aangetroffen op types uit uit de Assengroep.

De derde groep is de Assen-groep en bestaat eveneens uit een kalkhoudende en ontkalkte keileem-type. De Noordhorn-type is de kalkhoudende variant en komen wij tegen bij de noord-einden van de Hondsrug, de Tynaarlorug en de zandrug van Rolde, respectievelijk tussen de plaatsen Haren en Groningen, bij Hoogkerk en op de keileemhoogte van Zuidhorn en Noordhorn. Deze keileem is rijk aan vuurstenen en als de keileem niet verweerd is, zijn de meeste vuurstenen zwart, grijs of bruin van kleur. Vooral de zwarte vuursteen komt veel voor, ook in grote stukken, vaak met restanten aanhangend krijt. De ontkalkte keileemlaag binnen de Assen-groep heet Assen-type en is een sterk zandige keileem, die door uitloging uit de kalkrijke Noordhornkeileem is ontstaan. Ook deze keileem is rijk aan vuurstenen.

Zwarte vuursteen met dunne witte cortex dat niet verweerd is. Cortex is een overgangslaag en bestaat uit poreus kalk- en kiezelmateriaal dat van het moedergesteente afkomstig is.

De vierde en de laatste verzameling keileemtypes komen wij tegen in de Voorst-groep, waarbij er ook hier een ontkalkte en een kalkhoudende keileem hoort.  De twee types staan ook bekend als ‘Schollenleem’ of ‘Flow-Till’ waarbij de afkomst terug te wijzen is naar het smeltproces van een gletsjer. De kalkhoudende keileem heet Voorst-type en komt samen met de ontkalkte Oudemirdum-type vooral voor op en ten oosten van de Hondsrug.

Keileem uit de Heerenveen-groep langs de Zulter Bitse is blootgelegd tijdens het onderhoud aan de beek. Door de invloeden van het weer begint de keileem te eroderen.

De keileem uit de Heerenveen-groep die in de wijde omgeving van het voormalig esgehucht voorkomt en op veel plaatsen vlak aan het oppervlak te voorschijn komt, het niet alleen slechte kanten zoals het modderig maken van gebieden. Soms zijn andere elementen uit bijvoorbeeld een latere ijstijd prachtig om te zien. Zoals de pingoruïne ten noordoosten van de Zulte, waar het grondwater door de permafrost drong en na het smelten van het ijs in de pingo, er een zandige doorgang in de keileem was achtergebleven (Een geheimzinnige diepte). Weliswaar loopt de verdieping in het land bij een groot aanbod van regenwater snel vol, maar het is een kwestie van een paar dagen dat vrijwel al het water weer verdwenen is.

Bij een groot aanbod van hemelwater is de pingoruïne volgelopen en is nu duidelijk zichtbaar in het weiland. In het midden van de ruïne zit een soort pijp van zand waardoor het water weer snel wegzakt.

Laten wij even teruggaan naar het jaar 1910 waar Dr. Leopold ons laat weten dat de invloed van wat hij de grauwe noemt, keileem in de gebieden waar deze voorkomt, niet licht kan worden overschat. Om het in zijn woorden te zeggen: ‘Waar het aan de oppervlakte ligt of door eene zandlaag van geringe dikte bedekt is, schijnt het meestal een der beste bouw-, wei- en boschgronden te vormen, die wij kennen. En zelfs al wordt het door een dik zanddek bedolven, ook dan nog is het onderscheid met den armeren enkel zandbodem vaak verrassend en treden welige loofhoutbosschen of van nature reeds welvarende akkers en weiden in de plaats van naaldhout, heide of stuifzand ; de voor water weinig of niet doorlaatbare keileembank vertraagt of verhindert namelijk het wegzakken van het regenwater en geeft aldus gelegenheid tot het vormen van een ondergronds waterkapitaal, dat bosschen en landbouwgewassen in de droge tijden ten goede komt.’ (Dr. G. H. Leopold – Over het keileem in het Nederlandsch Diluvium. Keileem als geologisch afzettingsproduct; zijn voorkomen; zijne chemische samenstelling; zijne beteekenis voor de cultuur, 1910)

Naast dat de keileem in de nattere perioden geen water doorlaat, is het tijdens droogten eveneens een kwelling voor de boer. De. Leopold omschrijft het als volgt: ‘Daarentegen bestaat daar groot gevaar voor een volmaakt uitdrogen van de bouwkruin in droge tijden, daar de leembank het capillair opstijgen van het grondwater verhindert. Dit laatste komt in Drente op talrijke plaatsen voor, waar het witte dorre keileem den ondergrond vormt.’

Leopold merkt op dat de loofhoutbossen op de bodem met een ondergrond van keileem het zeer goed doen. Dit verklaart ook waarom op de plaatsen waar de keileem dagzoomt in het verleden ook vele bossen stonden. Typerende struiken die keileembodem zeer weten te waarderen en in dit gebied veel voorkomen zowel solitair als in struwelen, zijn de Sleedoorn (Prunus spinosa) en de Tweestijlige meidoorn (Crataegus laevigata).

De blauwe vrucht van de Sleedoorn die ook wel ‘bekketrekker’ genoemd wordt vanwege zijn zeer zure smaak. Pas als er een nachtvorst overheen geweest is schijnt het zure in de vrucht een stuk minder te zijn. De heerlijk ogende blauwe vruchten zijn vaak al ver voor de eerste nachtvorst rijp en menigeen die verleiding niet kan weerstaan en een vrucht in zijn of haar mond stopt, zal de meest vreemde grimassen laten zien. Rare bekken trekken dus.

Naast de vieze glibberige bende die de keileemlaag veroorzaakt doordat deze laag vrijwel geen water doorlaat, zorgt de keileem dus ook nog voor een specifieke huishouding op het gebied van planten, waarbij de Pitrus (Juncus effusus) hét kenmerkende gezicht is van een keileemrijk gebied. De plant die ook wel ‘Ruskepol’ genoemd wordt in het dialect wat men hier spreekt, komt hier op heel veel plaatsen in grote getale voor. Het is een liefhebber van drasse, natte gronden en kan zelfs in zuurstofloze gronden groeien. Zeker in de gebieden waar men gestopt is met het bemesten van het land (inclusief de bekalking en het verlagen van het aanbod van fosfaten), komt de plant vandaag de dag massaal voor. In het verleden kreeg een boer met veel Pitrus in zijn land het advies om kalk te gaan gebruiken om de plant zo te bestrijden.

Het gevolg van het nalaten van de bemesting in een weiland waar de keileem vrijwel aan het oppervlak ligt. De Pitrus (Juncus effusus)) tiert hier nu welig. De oude Pitruspollen rechts op de foto zijn de oude planten van vorig jaar die niet door de eigenaar zijn omgemaaid.

Voor meer informatie over keileem verwijs ik graag naar:

Kijk eens omlaag Een website waar je vrijwel alles kan vinden wat maar met onze ondergrond te maken heeft.

Stenen zoeken Waar ligt de steen en waar komt deze vandaan, de antwoorden vindt u hier.

Geologie van Nederland Een tijdreis van 500 miljoen jaar.

Korte akkers in de Bomenbuurt

Een van de vele landschapselementen uit het verleden die wij in het gebied rondom het oude esgehucht de Zulte konden aantreffen, waren de vele akkers. Straatnamen in het prachtige dorp Roden verwijzen eveneens naar de vroege landbouwactiviteiten die hier vroeger in de wijde omgeving plaatsvonden. Straten met namen als De Akkers, Doornakker, Duinakker, Geerakker, Steenakker en Walakker verwijzen allemaal naar een rijke geschiedenis, die langzaamaan toch dreigt te verdwijnen.

Doorgaans waren de akkers, of beter gezegd bouwlanden zoals ze hier vroeger genoemd werden, toch redelijk kleine perceeltjes waar boeren, burgers en buitenlui hun cultuurgewassen zoals granen en groenten op verbouwden en later aan het begin van de negentiende eeuw, ook de aardappel. De percelen bouwland waren vaak van elkaar gescheiden door een afrasteringen, greppel, sloot, heggen of een houtwal. Pas veel later kwam prikkeldraad in aanmerking als effectief afrasteringsmateriaal.

Op een hoogtekaart van het gebied waar de Körtakkers lagen in een dynamische opmaak waarbij de kleuren de hoogte in het gebied aangeven, van blauw (laag) naar donker oranje (hoog). (Bron: Algemeen Hoogtebestand Nederland)

De bouwlanden in de nabijheid van het oude esgehucht de Zulte, bevonden zich vooral bovenop de Zultheresch vanwege de bodemgesteldheid. Hier bevond zich een hogere uitloper van het Drents Plateau en aan de oostelijke zijde was de keileemlaag een stuk dunner en op enkele plaatsen trof men zelfs zand aan. Het was niet vanzelfsprekend in grote delen van de provincie Drenthe dat een hoge ondergrond ook droge voeten betekende. Op veel plaatsen vormde zich hoogveen op de plaatsen waar de keileemlaag behoorlijk dik was en het verbouwen van gewassen was daar dus niet mogelijk.

Op de bovenstaande hoogtekaart in een dynamische opmaak van het gebied waar de Körtakkers lagen, is het hoogteverschil goed te zien. De laagste gedeelte in het gebied bevond zich in het noordwesten van bouwlanden ter hoogte waar de Ceintuurbaan Noord kruist met de Acacialaan en lagen op een hoogte van 3,5 meter boven N.A.P. (blauw gekleurde delen). Zoals op de kaart goed te zien is liggen de hoger gelegen delen in het oosten op een hoogte van zo’n 5,8 meter boven het Normaal Amsterdams Peil langs de huidige Zulthereschweg.

Waarschijnlijk vond op deze plaats al vanaf de vijftiende eeuw hier al akkerbouw plaats, maar de vroege sporen zijn verdwenen door de latere landbouwactiviteiten en de woningbouw die hier vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw plaatsvond.

Op de Franse legerkaart uit 1810/1811 waarop aan de linkerzijde het esgehucht de Zulte ligt, zijn aan de rechterzijde ten westen van de weg tussen Roden en Leutingewolde de weilanden zichtbaar, die naast de Körtakkers liggen. (Bron: Drents Archief)

Een ander oud gegeven is dat de bewoners en gebruikers bepaalde gebieden een naam gaven die de ene bij meer mensen bekend was dan een andere keer. Deze termen worden vandaag de dag ook wel ‘Veldnamen’ genoemd en kunnen al eeuwenlang gebruikt worden. De Boschkampe is hier een goed voorbeeld van. Op de plaats waar een aantal huizen aan de rand van een groot bos in het verleden lagen , ligt er nu een langwerpig plantsoen en een straat die vanaf de Leeksterweg helemaal tot aan de Nieuweweg loopt en de naam ‘Boskamp‘ draagt.

Op de oude Franse legerkaart uit 1810/1811 is goed te zien hoe de huizen zich nabij de bosrand bevonden. Vandaag de dag is er enkel nog een straatnaam die ons aan de Boschkampe doet herinneren. (Bron: Drents Archief)

Een van de vele veldnamen die voorbij komt als het over de oude Zulteresch en de vroege akkerbouw gaat, zijn de Körtakkers. Waarschijnlijk al vanaf de vijftiende tot aan het begin van de twintigste eeuw in gebruik geweest, werd hier een groep van zo’n 38 percelen met een oppervlakte van 7,242 hectare bedoeld. De cluster akkers of bouwgronden zouden vandaag de dag grofweg in het vierkant Ceintuurbaan Noord/de Hulst, Acacialaan, Esdoornstraat en de Zulthereschweg hebben gelegen.

Het gebied zoals dit er rond 1825 uit zou hebben kunnen gezien. Een gedeelte van de bossen is gekapt en de akkers zijn duidelijk zichtbaar.

De naam Körtakkers betekend niet minder dan korte akkers. De vlakvormige elementen waren veelal een aantal kleine, vierkante of rechthoekige percelen met een oppervlakte van niet meer dat 0,75 tot 1,5 hectare, maar doorgaans waren ze veel kleiner. Van de achtendertig percelen waren er 34 bouwland, 2 weiland en 2 hakbosch. De twee percelen hakbos waren wellicht restanten van een veel groter bos dat hier ooit heeft gelegen, of het was gewoon een klein bos. Waarschijnlijk werden ze gebruikt als geriefbosjes, waaruit het hout werd geoogst voor huiselijk gebruik als brandhout, het maken van afrasteringen en gereedschap.

Een hoop dingen worden duidelijk wanneer wij de Kadastrale kaarten en de bijbehorende registers ter hand gaan nemen. Alles begint wanneer koning Willem I de door de Fransen ingezette kadastrering rond 1816 nieuw leven inblaast. In het jaar 1823 levert het Topographisch Bureau van het Ministerie van Oorlog de ‘Choro-topographische kaart’ op. Weliswaar is het de eerste landsdekkende topografische kaart, maar echt effectief voor bijvoorbeeld het berekenen van de te innen belastingen was de kaart niet.

De invoering van het Kadaster vond plaats op 1 oktober 1832. Het doel van deze nieuwe organisatie was te komen tot een eerlijkere heffing van de grondbelasting, een belasting op onroerende zaken, gebaseerd op de grootte en kwaliteit van de grond en het gebouwde. Bij de invoering van het Burgerlijk Wetboek in 1838 kwam er een belangrijk element bij, namelijk het verschaffen van een grotere rechtszekerheid aan de burgers. Het vermelden van kadastrale kenmerken in akten werd vanaf 1838 verplicht. (Bron: Kadaster BHC) Een gunstig bijeffect was dat de overheid nu ook wist waar de weerbare mannen zich bevonden.

De kerk van Roden op het tweede blad van Sectie E genaamd Roden van de gemeente Roden. Dit punt werd door de landmeter gebruikt als middelpunt van de Kadastrale gemeente. Het is goed te zien dat de twee blauwe lijnen vanuit de kerktoren naar het noorden, oosten, zuiden en westen gaan. (Bron: Drents Archief)

Het werkte eigenlijk vrij eenvoudig. De kadastrale gemeente Roden werd verdeeld in secties die met een hoofdletter werden aangeduid. De secties werden op hun beurt weer verdeeld in genummerde percelen. Om het middelpunt van de Kadastrale gemeente te bepalen, gebruikte de landmeter een vast en herkenbaar punt, zoals hierboven te zien is, Hier diende de kerktoren van de Catharinakerk in Roden als middelpunt voor de metingen. De kaarten van de gemeente Roden werden opgemeten door A. C. Meijer, landmeter van de Eerste Klasse.

In het register werd bijgehouden in welke gemeente en sectie het genummerde perceel zich bevond en wie de desbetreffende eigenaar was. Ook werd vermeld wat zijn of haar beroep was, de woonplaats en het artikelnummer (persoonlijk nummer van de eigenaar) en wat voor soort eigendom het was, de inhoudsgrootte. Daarnaast stond het kadastraal en belastbaar inkomen er ook bij vermeld.

De Kadastrale kaart uit het jaar 1832 waarop de genummerde percelen van de eigenaren op de Körtakkers zijn ingetekend. De veldnamen staan sporadisch op deze kaarten ingevuld. (Bron: Drents Archief)

De eerste eigenaar die wij tegenkomen op Körtakkers is de van oorsprong uit Eemster (Dwingeloo) afkomstige landbouwer Willem Bloemberg en Cons.. Althans, Willem was in naam aanwezig daar hij al op maandag 12 februari was overleden. De op zondag 12 september 1762 in Diever geboren Bloemberg was op de vrijdag 27 augustus 1802 in ondertrouw en twee weken later op zondag 12 september 1802 in het huwelijk getreden met de weduwe Geesje Fredriks Zantinge te Roden. Geesje was gedoopt zondag 23 november 1766 te Diever en overleed op zondag 24 augustus 1823 in Eemster, Dwingeloo op 56-jarige leeftijd.

De band die Willem had met het dorp Roden ging verder dan dat hij er in het jaar 1802 gehuwd was. Een dochter uit een vorig huwelijk van Geesje was ruim twee jaar tevoren met de uit Roden afkomstige Hinderikus Kriethe getrouwd. Hij  werd overigens in het doop- en trouwboek van Diever Hendericus Krijthea uit Rhoon genoemd. Hinderikus trad op donderdag 6 februari 1800 met Geesje Zantinge in Diever in ondertrouw en op zondag 9 maart 1800 in Roden in het huwelijk. Volgens het doop-, ondertrouw en trouwboek van Roden heette de dame nu Geesjen Zantinge uit Eemse (Eemster). Lang heeft het huwelijk niet mogen duren, op zaterdag 18 juli 1801 kwam de beste man te overlijden op 43-jarige leeftijd aan wat destijds ‘teering’ werd genoemd, een benaming voor tuberculose.

De vermoedelijke Consorten van Willem in 1832 zullen zijn zoon Jan Willems Bloemberg (1805 – 1838) en wellicht de weduwe Geesje van Hinderikus en dochter van Geesje Fredriks Zantinge geweest zijn. De afkorting Cons. betekende Consorten, dat voor deelgenoten staat. De percelen die zij in bezit hadden bestonden uit bouwland (I-711, I-712, I-713, I-745, I-751, I-764 en I-778), weiland (I-743) en het perceel I-753 dat uit hakbosch bestond. De negen percelen, die op de onderstaande afbeelding een iets donkergrijze kleur hebben, bedroegen een totale oppervlakte van zo’n 8020 vierkante meter. (Bron: Drents Archief)

De volgende eigenaar van drie percelen bouwland (I-714, I-715 en I-755) op de Körtakkers in het jaar 1832 en een perceel dat uit hakbosch bestond (I-752) was volgens het Kadaster Jannus Winsing uit Roden.  Eigenlijk was het perceel hakbosch in het bezit van Jannus Winsing en cons.. Waarschijnlijk deelde Jannes dit perceel met zijn zwagers. De uit Roden afkomstige landbouwer Jannes Hindriks Winsingh was geboren zaterdag 29 december 1759 te Roden en overleden op zondag 10 april 1842 in Roden 82 jaar oud. De toen veertigjarige Jannes trouwde op zondag 22 juni 1800 met Hinderkien Floris Aukema, geboren op woensdag 10 mei 1775 te Roden en overleden op maandag 16 juni 1856 in Roden, 81 jaar oud. Hinderkien was de jongste dochter van Floris Aukema en zijn tweede vrouw, Lammechien Roelofs Smeenk. Het echtpaar Winsingh woonde destijds in 1830 aan het Zuideinde 153. De vier percelen zijn het donkerst grijs ingekleurd en hadden een oppervlakte van 1,228 hectare. (Bron: Drents Archief)

Het licht grijs ingekleurde perceel bouwland I-716 op de onderstaande afbeelding en dat 3140 m2 groot was, behoorde toe aan aan een man die men in register van het Kadaster Jan Arends Oosterhuis noemde. Het gebeurde wel vaker dat namen verkeerd werden opgeschreven vanwege slecht verstaanbaarheid, een onleesbaar handschrift of een eigen interpretatie door de desbetreffende ambtenaar. De achternaam van Jan Arends Oosterhuis moet eigenlijk Oosterling zijn. Timmerman Jan Arends Oosterling was op zondag 23 oktober 1785 getrouwd geweest met Grietje Jans, die op donderdag 21 juni 1804 op 43-jarige leeftijd overleed. Jan trad op zaterdag 24 mei 1806 in ondertrouw met Jantje (Jantien) Pieters. Hij overleed precies 17 jaren later na Grietje Jans op dinsdag 21 juni 1831, 74 jaar en 3 maanden oud. Jantje sloot haar ogen voor altijd op woensdag 19 juni 1839 66 jaar oud. Het gezin woonde in 1830 aan het Oosteinde 193. (Bron: Drents Archief)

Het eerste gedeelte van de plattegrond van de Körtakkers uit 1832 met de percelen van Willem Bloemberg en Cons., Jannus Winsing en Jan Arends Oosterling.

De volgende drie percelen op de onderstaande afbeelding, weiland (I-742) en bouwland (I-744 en I-749) met een totale oppervlakte van 0,74 hectare waren het eigendom van de Kindren van Floris Aukema. Eigenlijk een raar gegeven dat de kinderen van een overleden persoon als eigenaar worden aangeduid. De drie kinderen van de inmiddels overleden landbouwer Floris Egberts Aukema, Eeffien Floris (Zulthe, 14 augustus 1821), Egbert Floris (Zulthe, 6 augustus 1822), Annechien Floris (Zulthe, 3 april 1824) waren nog te jong om de goederen van hun vader te bestieren en daarom nam een voogd hun taken waar.

De op de zaterdag 17 januari in Leutingewolde geboren zoon van Egbert Aukema, Floris Egberts Aukema, huwde op 19-jarige leeftijd in Roden met de op zondag 20 november 1796 te Roderwolde geboren Aaltien Roelfs Boer (Weering) (Aeltie Roelfs Wering). Floris overleed op woensdag 26 maart 1828 te Leutingewolde, op de nog jonge leeftijd van 26 jaar en 9 maanden. Zijn vrouw Aaltien overleed op dinsdag 12 juli 1842 45 jaar oud. Het gezin woonde in Leutingewolde op nummer 95. (Bron: Stamboom Aukema 1)

De volgende eigenaar van twee percelen was de weduwe van Lambert Oortwijn uit Langelo, Frouwkje Stratingh. De in Langelo op zondag 2 mei 1751 gedoopte landbouwer Lambert Oortwijn trouwde, 58 jaar oud, op zaterdag 21 oktober 1809 met de 32 jaren jongere Frouwkje Stratingh uit Norg. Frouwje werd gedoopt op zondag 14 september 1783. Op woensdag 23 oktober 1822 om drie uur ‘s nachts verwisselde Lambert het tijdelijke met het eeuwige en werd Frouwkje eigenaar van zijn bezittingen, waaronder de twee percelen bouwland, I-746 en I-760, samen 1840 vierkante meter groot. Op zondag 7 december 1862 om half tien ’s avonds sloot zij op 79-jarige leeftijd voor het laatst haar ogen in Norg. (Bron: dtb Norg).

Drie percelen bouwland (I-747, I-761 en I-771) met een oppervlakte van 0,786 hectare waren in het bezit van de landbouwer Geert Klaassens van der Oor, geboren januari 1780 in Roden en overleden op zondag 31 januari 1864 te Roden 84 jaar oud. Hij had een relatie met Freerkien Harms, geboren 1756 in Hoogkerk en overleden op woensdag 3 juni 1846 te Roden, 90 jaar oud. (Bron: Drents Archief)

Ook de weduwe van brouwer en logementhouder Thyle Geerts Krijthe, de uit Oostfriesland afkomstige Berendje Voget bezat een perceel bouwland met het nummer I-748 en een grootte van 1920 vierkante meter. Herbergier Thyle, werd ook wel als Thijle geschreven, werd op de regenachtige zondag 8 november 1761 in het mooie dorp Roden geboren en trouwde op vrijdag 10 augustus 1798 met zijn geliefde Berendje Voget in de Oosfriese plaats Jemgum. Jemgum was de geboorteplaats van Berendje waar zij op dinsdag 23 augustus 1763 voor het eerst het levenslicht zag. Op vrijdag 23 januari 1818 overleed de 56-jarige Thijle en liet Berendje met hun bezittingen achter. Berendje, die herbergiersche van beroep was, overleed op zaterdag 20 november 1841 net zoals haar geliefde man, in Roden. Het logement van Krijthe bevond zich aan het Zuideinde met het nummer 165. (Bron: Drents Archief)

Het tweede gedeelte van de plattegrond van de Körtakkers uit 1832 met de percelen van de Kindren van Floris Aukema, weduwe Lambert Oortwijn, Geert Klaassens van der Oor en de weduwe van Thyle Geerts Krijthe.

De volgende perceeleigenaar met een stukje bouwland van 880 vierkante meter en het nummer I-750 was de Jacob Hendrik Koopman uit Roden, die koopman als beroep had. Jacob Hindriks of Hindk zoals hij ook wel genoemd werd en die op woensdag 29 juni 1768 in Eelde geboren was, trouwde hij op 57-jarige leeftijd op dinsdag 30 mei 1826 in Roden met Jantien Jacobs Lodewijks. De toen 35-jarige Jantien Jacobs kwam uit Roden waar zij op maandag 10 januari 1791 geboren was. Jacob Hindriks maakte niet meer mee dat zijn eigendom in het register van ’t Kadaster in 1832 werd opgenomen; hij overleed op donderdag 3 februari 1831 in Roden, 62 jaar en 8 maand oud. Jantien Jacobs overleed 61 jaar en 2 maand oud te Haren op vrijdag 28 maart 1862. Jacob Hindriks en Jantien Jacobs woonden aan het West en Noordeinde 206. (Bron: Drents Archief)

Ook de weduwe Trientje Jans van Gasteren van de Roner bakker Roelof Pieters Deodatus had een perceel bouwland met het nummer I-754 in haar bezit. Het 1320 vierkante meter groot perceel was na zondag 11 april 1830 haar eigendom nadat de op zondag 15 december 1765 in Roden gedoopte Roelof Pieters het brood bakken voor gezien hield en zijn ogen sloot. Hij was 64 jaar en 4 maand oud geworden. Trientje Jans die zowel in Anloo geboren was en aldaar op zondag 9 februari 1772 gedoopt werd, overleed op 76-jarige leeftijd op zaterdag 11 maart 1848 te Roden. Het echtpaar woonden aan het Zuideinde nummer 16. (Bron: Drents Archief)

Met zo’n 1, 586 hectare aan bouwland op de Körtakkers verdeeld over vijf percelen (I-759, I-772, I-774, I-775 en I-777) was de landbouwer Jan Aukema uit Luttingewolde (Leutingewolde) een grote boer in het gebied. De op dinsdag 2 juni te Leutingewolde geboren en inmiddels 39 jaar oud zoon van Floris Aukema en zwager van de eerder genoemde Jannes Winsingh, was op vrijdag 21 juni 1811 in Roden met Eltien Jans Arends getrouwd, die geboren was in november 1780 te Roden. Jan overleed op woensdag 20 september 1849 op 78-jarige leeftijd, Eltien Jans was hem al eerder voor gegaan, zij overleed op donderdag 25 november 1841, 61 jaar oud. Het echtpaar woonde in 1832 in Leutingewolde met het nummer 98. (Bron: Stamboom Aukema 1)

De Kosterij van de hervormde kerk in Roden bezat ook enkele percelen bouwgrond op de Körtakkers. De drie percelen, I-762, I-776 en I-780, waren goed voor 4690 vierkante meter. Waarschijnlijk verbouwde de koster hier voedsel voor onder andere zichzelf, de predikant Jodocus Henricus Reddingius en de armen binnen de gemeente.

Het derde gedeelte van de plattegrond van de Körtakkers uit 1832 met de percelen van Jacob Hendrik Koopman, weduwe Roelof Pieters Deodatus, Jan Aukema en de Kosterij.

Het perceel bouwland met het nummer I-763 en een oppervlakte van 610 meter behoorde in 1832 toe aan de in Lieveren op zaterdag 3 oktober 1789 geboren arbeider Klaas Jans Ananias. Ananias was op woensdag 28 mei 1817 in Roden met de 19-jarige dienstmaagd Aaltje Tjipkes Scheepstra, geboren te Roden op vrijdag 24 november 1797 in Roden, getrouwd. Klaas Jans overleed 75 jaar en 11 maand oud op donderdag 10 september 1863 in Roden. Aaltien overleed op zondag 22 maart 1874 te Roden, zij was toen 76 jaar en 4 maand oud. Het echtpaar Ananias woonde aan het West en Noordeinde 227. (Bron: Drents Archief)

Theodoris Hubers (Theodorus Huberts), geboren op zaterdag 2 oktober 1756  te Peize en overleden op zaterdag 16 april 1836 en was gehuwd op 18 mei 1783 in Roden met Geertien Sikkens, gedoopt zondag 22 mei 1757 in Lieveren en overleden te Roden op donderdag 4 mei 1826. De weduwnaar Huberts woonde in 1830 in het Oosteinde te Roden op nummer 196. Theodorus was naast landbouwer ook schoenmaker. Het 1400 vierkante meter groot perceel bouwland met het nummer I-770 behoorde hem toe. (Bron: Drents Archief)

De uit Roden afkomstige landbouwer Jan Lamberts Beuving werd geboren op woensdag 21 oktober 1789 te Roden. Beuving bezat een perceel bouwland van 1330 vierkante meter groot op de Körtakkers met het kadastraal nummer I-773. Hij trouwde op  27-jarige leeftijd op zaterdag 14 juni 1817 te Norg met Jacobje Jans Hofman, 23 jaar oud, geboren op donderdag 21 november 1793 te Norg. Het echtpaar Beuving woonde aan het West en Noordeinde 225. Jan Lamberts overleed op zondag 6 september 1863 te Roden, Jacobje Jans sloot op zaterdag 8 juli 1871 voor het laatst haar ogen. (Bron: Drents Archief)

De twee laatste percelen op de Körtakkers, I-779 en I-783, samen 1,404 hectare groot, behoorden toe aan de landbouwer Jan Sikkens Rademaker, die aan het Oosteinde 168 in in her zeer bekoorlijke Roden woonde. Rademaker die ook wel Jan Sikkes of Jan Sikken genoemd werd, kwam op maandag 29 december 1788 in Roden ter wereld. Jan Sikkes werd verliefd op de in april 1782 te Nietap geboren Aaltje Roelfs Weeman, die op dat moment in Niebert woonachtig was. Den 21 van Grasmaand 1809, 21 april 1809, komen wij de twee jonge mensen tegen in het ondertrouwboek van de gemeente Roden tegen. Op 19 mei 1809 lezen wij het volgende over de twee vanuit Nuis:

Dat de huwelijks geboden tusschen Jan Sikken Rademaker van Roden en Aaltje Roelfs Weeman van ’t Niebert, alhier drie agtereenvolgende Zondagen zijn afgekondigt, zonder enige tusschen komende verhinderingen; zo dat bovengem. personen dezen aangaande in den huwelijken staat bevestigt mogen worden, getuigt mits dezen de ondertekende bij gebrek van Zegel op ongezegeld papier zullende dit gebrek door een omslag Zegel van 10 st. verholpen worden. Gegeven te Nuis den 19 Maai 1809. G.J. Piënius, Pred: ter plaats.”

Het echtpaar woonde aan het Oosteinde 168 te Roden. Jan Sikkes overleed op 52-jarige leeftijd op zondag 21 februari 1841. Zijn echtgenote Aaltje Roelfs is overleden op donderdag 18 maart 1858 in Roden 76 jaar oud. (Bron: Drents Archief)

Het vierde gedeelte van de plattegrond van de Körtakkers uit 1832 met de percelen van Klaas Jans Ananias, Theodoris Hubers, Jan Lamberts Beuving en Jan Sikkens Rademaker.

Na het jaar 1832 verschenen er eigenlijk pas rond 1860 nieuw Kadastrale kaarten van het gebied op de Zulteresch. Dit gold echter niet voor topografische kaarten van de omgeving van het esgehucht de Zulte. Niet de kaarten er gedetailleerder op werden, maar in grote lijnen volgen ze wel de vele veranderingen die zich in de negentiende eeuw voordeden.

De omgeving van de Zulte op een kaart uit die uit 1845 stamt. Ook op deze topografische kaart zijn nog bossen te zien (donkergroene vlakken) en heet de Roonder Bitse nu Schipsloot. (Bron kaart: Historisch en Geografisch Informatiesysteem)

Op de volgende kaart vervaardigd door de tekenaar H. Baggelaar van het Kadaster ten behoeve van de schatting van percelen voor de herziening van de belastbare opbrengst van ongebouwde eigendommen, lijkt er maar weinig veranderd op de Körtakkers. Waarschijnlijk is het overgrote gedeelte gewoon van de kaart 1832 overgenomen. De nieuwe kaarten moesten worden gemaakt en dit kwam door een herziening van de belastbare opbrengst der ongebouwde eigendommen (wet van 25 april 1879, Staatsblad no. 89).

De Körtakkers op een zogenaamde schattingskaart vervaardigd door de tekenaars van het Kadaster ten behoeve van de schatting van percelen voor de herziening van de belastbare opbrengst van ongebouwde eigendommen. De kaart geeft waarschijnlijk de situatie tussen 1860 en 1880 weer. De tekenaar was destijds H. Baggelaar. (Bron: Drents Archief)

Aan het begin van de twintigste eeuw werden oude zandwegen zoals de huidige Zulthereschweg belangrijker en ontstond er langs deze zandwegen woningbouw. Vooral de drie markante woningen aan een zandpad die nu een weg is en de Hulst heet, zijn nog steeds duidelijk aanwezig en vormen een ideaal markeringspunt in het onderzoeken van het gebied op de voormalige Zulteresch. Dit is goed op de onderstaande foto te zien.

De drie huizen van respectievelijk Ruiter, van Zanten en Siegers (van links naar rechts) aan de huidige de Hulst rond 1959/1960. Onderaan de foto zijn nog de bouwlanden van de Körtakkers zichtbaar. (Bron: Drents Archief)

Vanaf de jaren vijftig in de twintigste eeuw neemt de woningbouw grote sprongen en verdwijnen de bouwlanden op de Körtakkers in een gestaag tempo. De Kadastrale kaarten werden door de ambtenaren van de gemeente gebruikt om de nieuwe woningen in te tekenen en heetten nu Netteplan.

Het gebied waar zich de Körtakkers bevonden op een Netteplan die van oorsprong uit mei 1879 stamt en waarin later aanpassingen zijn aangebracht toen in de jaren vijftig van de vorige eeuw de woningbouw hier toenam. (Bron: Drents Archief)

Op 17 mei 1958 verschijnt er een artikel in het Nieuwsblad van het Noorden dat er 42 koopwoningen aan de Zulteresweg gebouwd gaan worden door de firma N.V. Drebo, het aannemersbedrijf dat dezelfde directie heeft als de N.V. Jarino uit Roden. De architect van de woningen is de heer D. Lautenbach uit Leek. Zo verschijnen er in 1959/1958 dus 42 huizen in drie hofjes aan de huidige Zulthereschweg.

De bouw van de woningen aan de Acacialaan en de Lindelaan in de Bomenbuurt van Roden aan het begin van de jaren zestig. (Bron: Drents Archief)

Enkele jaren komen wij in het Nieuwsblad van het Noorden van 13 april 1963 een opmerkelijke advertentie tegen van de eerder genoemde Roner bouwfirma Jarino: “DE 1000Ste IN RODEN. Vandaag is de DUIZENDSTE na de oorlog in Roden gebouwde woning aan de LINDELAAN no. 50 officieel geopend. Wij nodigen u gaarne uit voor een gratis bezichtiging tussen 16 april en 10 mei aanstaande. Architect: D Lautenbach, Leek. Woninginrichting: Rijpma, Roden. Electriciteit: Gebr. Bijlsma, Rottevalle. Benewgas: Smeding, Sebaldeburen. Complete bouw: Jarino-Roden Telefoon 05908 – 9233 ’s avonds 05945 – 2474, 05908 – 9273

De 1000ste woning in Roden na de oorlog gebouwd. (Bron: Nieuwsblad van het Noorden van 13 april 1963, blad 21.)

Het is een drukte van belang op de Zulteresch tijdens de jaren zestig van de twintigste eeuw. Huizen en wegen schieten als paddenstoelen uit de grond. Zijn de huizen aan het begin van de jaren 60 nog van een degelijke kwaliteit, na 1966 worden er op de plaats waar de Körtakkers eens lag, goedkope woningen geplaatst die meer weg hadden van bouwpakketten dan van huizen; de zogenaamde Hako-woningen.

De woningen aan de Lindelaan op een oude ansichtkaart. (Bron: Lautenbach.name)

Aan het einde van de jaren zestig was er nog maar weinig over van de oorspronkelijke Zulteresch en de daarop gelegen Körtakkers. Het gebied ten noorden van de voormalige bouwlanden bleef nog jaren gespaard en was tot aan de aanleg van de rondweg Noordholt en het woonboulevard Westeresch een baken van de oude landbouw die hier had plaatsgevonden.

Rond de tijd dat de huizen aan Acacialaan en de Lindelaan werden gebouwd, stonden er ook al woningen aan de Esdoornstraat. (Bron: Drents Archief)

Het is pas de laatste jaren dat er bij bijvoorbeeld het bouwen van een huis etc. naar archeologische sporen worden gezocht in de ondergrond. Niet dat ik de ik een illusie dat men destijds bij het bouwen op de plaats van de Körtakkers iets zou hebben gevonden. Maar het idee dat er wellicht heel oude sporen uit de prehistorie van bewerkte akkers naar boven waren gekomen houdt mij wel stiekem bezig.

Het Netteplan met de titel Roden I 7 van 27 januari 1987 met de bebouwing op de plaats waar in het verleden de Körtakkers lagen. (Bron: Drents Archief)